Ik zie ik zie - Hans Aarsman
Wilt u het mannelijke ras eens in optima forma zien? Zoek dan op internet naar fotorecensies. Echte besprekingen — niet het monosyllabe gestamel op Flickr en consoorten. U zal van een kale kermis thuiskomen. Ontelbare reviews van digitale camera's en bijbehorende speeltjes, maar geen woord over wat we met die dure toestellen aanmoeten. Tutorials, dat wel, over het optimaliseren in Photoshop. Wéér technisch geleuter. Waar blijft de menselijke maat?
Fotografie — focussen, scherpstellen, afdrukken — is een fijne bezigheid voor het mannelijke ego. Zeker als het eindresulaat technisch volmaakt is. Kan de maker van zo'n foto zich mooi op de borst kloppen. Haarscherp beeld betekent alleen niet dat er ook nog iets interessants te zien is op de foto.
En dat er iets interessants te zien is betekent dan weer niet dat we het ook opmerken. We worden zo overspoeld door beeldmateriaal dat we in de meeste foto's weinig meer zoeken dan snelle inhoudelijke herkenning of oppervlakkig esthetisch welbevinden. Wanneer kijken we nog uitvoerig naar plaatjes? Bij gelegenheidskiekjes ('staat mijn dubbele kin erop')? Bij een spelletje 'Zoek de vijf verschillen' in de krant? Bij disfunctioneel naakt op internet?
Fotorecensenten zoals Johan de Vos, Hans Aarsman en, bij gelegenheid, Rudy Kousbroek kunnen ons leren hoe we meer halen uit foto's. Alleen al het verhaal van Saya, de Japanse receptioniste op de voorplaat van Aarsmans Ik zie ik zie, bewijst de noodzaak van deze uitgave.
Ik zie ik zie brengt 42 fotobesprekingen samen. Stukjes uit de donderdagse kunstbijlage van de Volkskrant, geselecteerd uit de periode mei 2005-november 2008. Iedere week koos Aarsman één foto uit de 20.000 plaatjes die de persbureaus elke week over de krantenredacties uitstorten.
Alleen jammer van de schraapzuchtige uitgever. Het boek is gewoon te klein voor dit opzet. Foto's zijn uitgesmeerd over twee bladzijden zodat de vouw een streep trekt over het beeld en een dikke reep uit de foto wegzuigt. Er is niet eens glanspapier gebruikt, zodat de foto's dof ogen en grofkorrelig. En ik had meer stukjes willen lezen.
Wat wel goed is: elke foto wordt eerst paginavullend gepresenteerd, zonder onderschriften. Op die manier wordt de lezer aangespoord de afbeelding grondig op te nemen, zonder aanknopingspunten. Op de volgende pagina staat dan, naast een uitsnede van een sprekend detail, het commentaar van Aarsman.
De toon en interesses van Aarsman wisselen nogal per foto. Hij taxeert de blik en de lichaamstaal van wie willens of nillens geportreerd werd (p. 15). Hij toont hoe mensen verschillend omgaan met het besef dat ze gefotografeerd worden (p. 127). Hij bespreekt een oorlogstafereel als was het een middeleeuws panorama (p. 55). Hij stelt de juiste vragen bij een propagandafoto van een Amerikaanse president (p. 31). Geeft achtergronden die een sentimentele foto op losse schroeven zet (p.15). Wijst op het icoonmatige van bepaalde poses. Identificeert zich met de afgebeelde. Ziet belangrijke details.
Zou niemand in het Witte Huis weten dat varens schaduw en vocht nodig hebben, zo’n beetje alles wat het grasveld voor het Witte Huis niet kan bieden? Ze zijn van plastic, kan niet anders. Dat verklaart waarom buikkruipende fotografen geen kwaad kunnen. De varens worden bewaard in het tuinhuisje linksachter op de bovenste foto. Iedere keer dat de pers komt opdraven, worden ze tevoorschijn gehaald.De begeleidende teksten zijn efficiënt, beknopt, met af en toe een beetje makkelijke pointes. Soms doet Aarsman aan cabaret (het stukje over de voddenkleren van Beatrix p. 135, of Kim Jong-il op inspectie bij de marine p. 163). Soms levert hij een meer dan aardige column af. Het verhaal bij de herdenking van de slachtoffers van de Londense bomaanslagen (p. 155) is perfect. Of Aarsmans gemijmer bij een foto van de kaalslag in een Zweeds bos:
Voor het eerst van mijn leven kan ik me iets voorstellen bij een leven na de dood. Altijd mijn schouders opgehaald bij de gedachte dat je terugkomt in een ander wezen. Of dat er een hemel is, waar je aan lange tafels onder het genot van goddelijk eten kunt bijpraten met de dierbaren die je voorgingen. Dat gaat allemaal te veel uit van hoe het hier is. Nee, je valt uiteen, je wordt verzaagd, je moleculen worden verspreid, ze komen terecht in brandhout, krantenpapier, tuinhekjes, boekenkasten. En dan, achter je rug om, ontstaat er iets wat in de verte lijkt op wie je was. Je ego is er niet meer in terug te vinden, maar je beginsel wel. Van die bomen is niets meer over, behalve het beginsel van een boom: een stelsel van wegen waarover grondstoffen worden vervoerd, van de uiteinden naar de basis. De nieuwe vorm is pas waar te nemen als je afstand hebt genomen. Beneden tussen de omgehakte bomen zou je alleen kaalslag hebben gezien.

Boeiend vind ik de besprekingen vooral wanneer Aarsman de omstandigheden van een foto reconstrueert — behalve als daar te veel fantasie bij te pas komt, zoals die foto van de machtsovername op de Comoren (p. 119). Wat vertelt een kritisch onderzoek van een momentopname ons over het verhaal van voor, tijdens en na de foto?
Bij een foto van een dodelijk gewonde Amerikaan op een brancard in Bagdad:
Rechts vooraan steken twee scharen uit een zwart foedraal. Waar bij soldaten pistolen zitten, hebben hospikken scharen. Onder de brancard kronkelt een dikke rode slang. Een bloedtransfusie zal het niet zijn, dan had iemand een zak met bloed moeten hooghouden, hoger dan de gewonde, anders loopt het er niet in, de wet van communicerende vaten. Onder de linkeroksel van de gewonde loopt de rode slang naar zijn mond. De slang zuigt bloed weg uit de mond. Behalve op de arm van de gewonde zit nergens bloed, alleen bij die mond. Daar ergens moet een grote wond zitten. Er steekt nog een slang uit de mond, met een T-stuk waaraan een doorzichtige blauwe ballon is bevestigd. Dat zal de beademingsslang zijn, hij gaat de luchtwegen in, de witte tape houdt hem op zijn plaats. De blauwe ballon wordt bediend door de soldaat met het kogelvrije vest, hij gaat gedeeltelijk schuil achter de hospik die boven op de patiënt is gekropen.Bij een voetafdruk van bloed:
Is het de voetzool zelf die bloedt? Nee, dan zou het rood niet gelijkmatig verdeeld zijn, rond de wond zou meer bloed zitten. Komt het bloed van hogerop, heeft het lichaam dat bij deze voet hoort ergens een gapende wond? Nee, in dat geval zou het rood óm het patroon van de voet zitten en niet erbinnen.Lichtinval kan een belangrijke clue zijn:
Er is een bom ontploft, 27 doden en 150 gewonden. Na de explosie zijn de mensen in paniek op de vlucht geslagen. Dan gaat er nog een bom af en nog een. Als in het Oosten een menigte mensen begint te rennen, zie je na afloop de straten bezaaid liggen met plastic slippers. Het schoeisel van de armoede, je kunt er niet meer rennen. Ze schieten vanzelf uit, op blote voeten verder. Overal bloed, plassen bloed. Je stapt erin, wat kan het schelen. Het was al donker toen de bommen ontploften, in het lantaarnlicht zag het bloed eruit als regenwater. De volgende ochtend vroeg zie een fotograaf je voetafdruk.
Ik smolt toen ik dat jongetje in zijn pyjama zag zitten, zo bewonderend als hij opkijkt naar die marsbewoner in gevechtstenue. Hij is een beetje scheef gaan zitten om ongemerkt met zijn slipper een laars te kunnen raken. Het liefst was hij bij de soldaat op schoot gekropen. Er is iets vreemds met het licht. Hier brandt geen schamel peertje, zoals op andere foto’s van huiszoekingen in Irak, dit moet een flinke lichtbron zijn. Als het flitslicht is, komt het niet van de camera, dan zouden de schaduwen recht naar achteren lopen. Dit licht komt van rechts. Een draagbare studioflitser op statief, het lijkt wel in scène gezet gezet. Of ben ik te achterdochtig?Een reconstructie over het hoe en wanneer van een foto heeft dikwijls een gunstig effect op de betrokkenheid van de beschouwer. Zelfs plaatjes met van onder het puin gehaalde kindjes stompen na verloop van tijd af, tenzij je oog valt op de speen die aan het slabbetje genaaid is en je gedachten uitgaan naar het onschuldige tafereel net voor het dak van het huis naar beneden komt. Ergens vraagt Aarsman zich hardop af waarom echte gruwelbeelden zo weinig de krant halen. Om het publiek niet weg te jagen natuurlijk. Zonde.
Waarschijnlijk hééft de fotograaf die deze foto maakte niet eens een flitser. De tientallen andere foto’s die ik van hem op internet vond, zijn allemaal gemaakt met bestaand licht. Aan de inrichting te zien hebben deze mensen het breder dan de gemiddelde Irakees, wie weet hebben ze een flinke plafonnière in de huiskamer.
De persbureaus blijven hardnekkig foto’s aanbieden van lichamen zonder hoofd, hoofden waar de hersens uithangen, weggerukte benen. Ik stop, anders laad ik nog de verdenking op me dat ik me eraan verlekker. Maar verlekkeren is het niet. Ik vind het een gemiste kans zulke foto’s niet te plaatsen. Want stel dat we ze regelmatig op ons bord kregen. We zouden niet ons abonnement opzeggen. Het dagelijks lijden in de wereld zou deel worden van een ons dagelijks bewustzijn. Op de journaals zouden we Amerikaanse soldaten horen schreeuwen van de pijn, in de kranten zouden we uiteengerukte lichamen zien na de zoveelste aanslag. Welk staatshoofd zou zijn lang dan nog een een zinloze oorlog in kunnen praten?Ik zie ik zie maakte voor mij ook duidelijk wat een still voor heeft op een bewegende beelden. In het televisiejournaal onderlijnen de paar seconden Fatah-leden die we te zien krijgen vooral het makkelijk van je af te zetten cliché: het collectief oproer, de Arafat-sjaal, de M16. Bevroren beelden brengen de mens terug. "De dikke zou een snackbareigenaar kunnen zijn die achter de frituur is weggelopen. De jongen met de sjaal aan zijn geweer lijkt een student, zijn boeken liggen thuis nog open op tafel."
Maar uiteindelijk ontgoochelde dit boekje toch. Dat komt, uit een interview (Humo 3589) was Aarsman me bijgebleven als een onsentimenteel criticus met duidelijke ideeën over fotografie.
Je komt het overal tegen: in kranten, tijdschriften, fotoboeken, overal wordt de mooiste foto uitgekozen. En dat is de foto die het meest op een schilderij lijkt. Genre: schilderkunst uit de zeventiende eeuw. Zeg maar: de gulden snede, een bepaald soort licht en mooie luchten, Rembrandt en Caravaggio. Dat zeggen fotografen ook zo: ik ben beïnvloed door Caravaggio! Nou, dan heb je toch geen zak van het medium begrepen! 't Is maniërisme. 't Is een kunstje herhalen, meer niet.In Ik zie ik zie vallen echter geen ferme stellingen te noteren. Algemene beweringen over het medium zijn zelfs schaars.
[...]
Niks onschuld. Voorbedachten rade! Je loopt rond, je struikelt, je doet van alles, maar dan zie je ineens 'iets moois' en dán druk je op de knop. Je voelt toch dat iets wringt?!
[...]
De ergste zijn de fotografen van fotoclubs. Dat zijn ook amateurs, maar die voelen zich verheven boven de gewone huis-tuin-en-keukenfotograaf! Maar dat is... modeltreintjes bouwen. Alles is zo af, alles is zo gewild mooi dat het vervelend is. Fotografie is naar de wereld kijken.
[...]
Hans Bouman heeft een hekel aan afwassen en die hekel countert hij door elke avond zijn droogrekje te fotograferen, als een soort beloning na gedane arbeid. En je ziet een eetpatroon: slakommetjes, fondueborden, en op een dag staan er twee grote rooie borden bij, dan heeft-ie z'n ouders op visite gehad. Het mooie is: je ziet iemand bezig in zijn leven, en tegelijk doet het je anders kijken naar de dagelijkse rituelen in je eigen leven. Het is een antropologische benadering van de fotografie. En dan valt er zoveel te ontdekken. Met die soort fotografie krijg je een beeld van de samenleving anno 2009. En dat beeld zal over vijftig jaar belangrijker zijn dan al die mooie plaatjes van de schilderijtjesfotografie.
Nog een paar jaar en ze [de camera’s] kunnen composities van beroemde fotografen herkennen. Zeker als het om vormvaste fotografen gaat, moet dat een koud kunstje zijn. Je laat een computer alle foto’s scannen van, laten we zeggen, Henri Cartier-Bresson en de grootste gemene deler daarvan stop je in een chip. Een camera met zo’n chip hoef je maar op je buik te hangen en hij neemt vanzelf een opname als er een Cartier-Bressonachtige compositie voor de lens verschijnt. Wil je een andere vorm, stop je er een andere chip in. Dat kan nog spannend worden. Tot nu toe zijn vorm en in houd aan elkaar gewaagd. Op goede foto’s kun je geen winnaar aanwijzen. Maar straks gaat vorm commercieel, je kunt hem kopen in de winkel, net als techniek. Wat zal er met inhoud gebeuren?En zo valt Ik zie ik zie tussen wal en schip. Tussen de brede essays van Hans Den Hartog Jager en de invoelende stukjes van Johan de Vos in. Laat Aarsman een thematisch boek uitbrengen, waarin bijvoorbeeld de gemeenplaatsen van krantenfoto's worden ontmaskerd.
[...]
De ellende met portretfoto’s is: daar staat weer iemand voor je neus. Een schepsel met een ego. Ze stellen zich voor, ik ben die en die, ik wil gelukkig zijn. Ik wil een huis en een auto en een partner en erkenning. Gaat het goed met ze, dan hebben ze dat aan zichzelf te danken. Gaat het slecht, is het de schuld van een ander. Dat lees je allemaal in hun gezicht, de blik waarmee ze in de lens kijken.
[...]
Persfotografen kunnen zo’n intiem moment niet pakken. Die staan voor in- en uitgangen van gebouwen te posten tot de auto met de desbetreffenden voorbijkomt. Maar amateurs zijn overal, ze hoeven alleen maar te bedenken: dit is een foto.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> online columns van Hans Aarsman hier en daar
Hans Aarsman, Ik zie ik zie : de Aarsman collectie
175 p.
Uitgeverij Podium, 2009
____ fotokey









