maandag 30 november 2009

Ik zie ik zie - Hans Aarsman

Wilt u het mannelijke ras eens in optima forma zien? Zoek dan op internet naar fotorecensies. Echte besprekingen — niet het monosyllabe gestamel op Flickr en consoorten. U zal van een kale kermis thuiskomen. Ontelbare reviews van digitale camera's en bijbehorende speeltjes, maar geen woord over wat we met die dure toestellen aanmoeten. Tutorials, dat wel, over het optimaliseren in Photoshop. Wéér technisch geleuter. Waar blijft de menselijke maat?

Fotografie — focussen, scherpstellen, afdrukken — is een fijne bezigheid voor het mannelijke ego. Zeker als het eindresulaat technisch volmaakt is. Kan de maker van zo'n foto zich mooi op de borst kloppen. Haarscherp beeld betekent alleen niet dat er ook nog iets interessants te zien is op de foto.

En dat er iets interessants te zien is betekent dan weer niet dat we het ook opmerken. We worden zo overspoeld door beeldmateriaal dat we in de meeste foto's weinig meer zoeken dan snelle inhoudelijke herkenning of oppervlakkig esthetisch welbevinden. Wanneer kijken we nog uitvoerig naar plaatjes? Bij gelegenheidskiekjes ('staat mijn dubbele kin erop')? Bij een spelletje 'Zoek de vijf verschillen' in de krant? Bij disfunctioneel naakt op internet?

Fotorecensenten zoals Johan de Vos, Hans Aarsman en, bij gelegenheid, Rudy Kousbroek kunnen ons leren hoe we meer halen uit foto's. Alleen al het verhaal van Saya, de Japanse receptioniste op de voorplaat van Aarsmans Ik zie ik zie, bewijst de noodzaak van deze uitgave.

Ik zie ik zie brengt 42 fotobesprekingen samen. Stukjes uit de donderdagse kunstbijlage van de Volkskrant, geselecteerd uit de periode mei 2005-november 2008. Iedere week koos Aarsman één foto uit de 20.000 plaatjes die de persbureaus elke week over de krantenredacties uitstorten.

Alleen jammer van de schraapzuchtige uitgever. Het boek is gewoon te klein voor dit opzet. Foto's zijn uitgesmeerd over twee bladzijden zodat de vouw een streep trekt over het beeld en een dikke reep uit de foto wegzuigt. Er is niet eens glanspapier gebruikt, zodat de foto's dof ogen en grofkorrelig. En ik had meer stukjes willen lezen.

Wat wel goed is: elke foto wordt eerst paginavullend gepresenteerd, zonder onderschriften. Op die manier wordt de lezer aangespoord de afbeelding grondig op te nemen, zonder aanknopingspunten. Op de volgende pagina staat dan, naast een uitsnede van een sprekend detail, het commentaar van Aarsman.

De toon en interesses van Aarsman wisselen nogal per foto. Hij taxeert de blik en de lichaamstaal van wie willens of nillens geportreerd werd (p. 15). Hij toont hoe mensen verschillend omgaan met het besef dat ze gefotografeerd worden (p. 127). Hij bespreekt een oorlogstafereel als was het een middeleeuws panorama (p. 55). Hij stelt de juiste vragen bij een propagandafoto van een Amerikaanse president (p. 31). Geeft achtergronden die een sentimentele foto op losse schroeven zet (p.15). Wijst op het icoonmatige van bepaalde poses. Identificeert zich met de afgebeelde. Ziet belangrijke details.

Zou niemand in het Witte Huis weten dat varens schaduw en vocht nodig hebben, zo’n beetje alles wat het grasveld voor het Witte Huis niet kan bieden? Ze zijn van plastic, kan niet anders. Dat verklaart waarom buikkruipende fotografen geen kwaad kunnen. De varens worden bewaard in het tuinhuisje linksachter op de bovenste foto. Iedere keer dat de pers komt opdraven, worden ze tevoorschijn gehaald.
De begeleidende teksten zijn efficiënt, beknopt, met af en toe een beetje makkelijke pointes. Soms doet Aarsman aan cabaret (het stukje over de voddenkleren van Beatrix p. 135, of Kim Jong-il op inspectie bij de marine p. 163). Soms levert hij een meer dan aardige column af. Het verhaal bij de herdenking van de slachtoffers van de Londense bomaanslagen (p. 155) is perfect. Of Aarsmans gemijmer bij een foto van de kaalslag in een Zweeds bos:
Voor het eerst van mijn leven kan ik me iets voorstellen bij een leven na de dood. Altijd mijn schouders opgehaald bij de gedachte dat je terugkomt in een ander wezen. Of dat er een hemel is, waar je aan lange tafels onder het genot van goddelijk eten kunt bijpraten met de dierbaren die je voorgingen. Dat gaat allemaal te veel uit van hoe het hier is. Nee, je valt uiteen, je wordt verzaagd, je moleculen worden verspreid, ze komen terecht in brandhout, krantenpapier, tuinhekjes, boekenkasten. En dan, achter je rug om, ontstaat er iets wat in de verte lijkt op wie je was. Je ego is er niet meer in terug te vinden, maar je beginsel wel. Van die bomen is niets meer over, behalve het beginsel van een boom: een stelsel van wegen waarover grondstoffen worden vervoerd, van de uiteinden naar de basis. De nieuwe vorm is pas waar te nemen als je afstand hebt genomen. Beneden tussen de omgehakte bomen zou je alleen kaalslag hebben gezien.


Boeiend vind ik de besprekingen vooral wanneer Aarsman de omstandigheden van een foto reconstrueert — behalve als daar te veel fantasie bij te pas komt, zoals die foto van de machtsovername op de Comoren (p. 119). Wat vertelt een kritisch onderzoek van een momentopname ons over het verhaal van voor, tijdens en na de foto?

Bij een foto van een dodelijk gewonde Amerikaan op een brancard in Bagdad:
Rechts vooraan steken twee scharen uit een zwart foedraal. Waar bij soldaten pistolen zitten, hebben hospikken scharen. Onder de brancard kronkelt een dikke rode slang. Een bloedtransfusie zal het niet zijn, dan had iemand een zak met bloed moeten hooghouden, hoger dan de gewonde, anders loopt het er niet in, de wet van communicerende vaten. Onder de linkeroksel van de gewonde loopt de rode slang naar zijn mond. De slang zuigt bloed weg uit de mond. Behalve op de arm van de gewonde zit nergens bloed, alleen bij die mond. Daar ergens moet een grote wond zitten. Er steekt nog een slang uit de mond, met een T-stuk waaraan een doorzichtige blauwe ballon is bevestigd. Dat zal de beademingsslang zijn, hij gaat de luchtwegen in, de witte tape houdt hem op zijn plaats. De blauwe ballon wordt bediend door de soldaat met het kogelvrije vest, hij gaat gedeeltelijk schuil achter de hospik die boven op de patiënt is gekropen.
Bij een voetafdruk van bloed:
Is het de voetzool zelf die bloedt? Nee, dan zou het rood niet gelijkmatig verdeeld zijn, rond de wond zou meer bloed zitten. Komt het bloed van hogerop, heeft het lichaam dat bij deze voet hoort ergens een gapende wond? Nee, in dat geval zou het rood óm het patroon van de voet zitten en niet erbinnen.
Er is een bom ontploft, 27 doden en 150 gewonden. Na de explosie zijn de mensen in paniek op de vlucht geslagen. Dan gaat er nog een bom af en nog een. Als in het Oosten een menigte mensen begint te rennen, zie je na afloop de straten bezaaid liggen met plastic slippers. Het schoeisel van de armoede, je kunt er niet meer rennen. Ze schieten vanzelf uit, op blote voeten verder. Overal bloed, plassen bloed. Je stapt erin, wat kan het schelen. Het was al donker toen de bommen ontploften, in het lantaarnlicht zag het bloed eruit als regenwater. De volgende ochtend vroeg zie een fotograaf je voetafdruk.
Lichtinval kan een belangrijke clue zijn:
Ik smolt toen ik dat jongetje in zijn pyjama zag zitten, zo bewonderend als hij opkijkt naar die marsbewoner in gevechtstenue. Hij is een beetje scheef gaan zitten om ongemerkt met zijn slipper een laars te kunnen raken. Het liefst was hij bij de soldaat op schoot gekropen. Er is iets vreemds met het licht. Hier brandt geen schamel peertje, zoals op andere foto’s van huiszoekingen in Irak, dit moet een flinke lichtbron zijn. Als het flitslicht is, komt het niet van de camera, dan zouden de schaduwen recht naar achteren lopen. Dit licht komt van rechts. Een draagbare studioflitser op statief, het lijkt wel in scène gezet gezet. Of ben ik te achterdochtig?
Waarschijnlijk hééft de fotograaf die deze foto maakte niet eens een flitser. De tientallen andere foto’s die ik van hem op internet vond, zijn allemaal gemaakt met bestaand licht. Aan de inrichting te zien hebben deze mensen het breder dan de gemiddelde Irakees, wie weet hebben ze een flinke plafonnière in de huiskamer.
Een reconstructie over het hoe en wanneer van een foto heeft dikwijls een gunstig effect op de betrokkenheid van de beschouwer. Zelfs plaatjes met van onder het puin gehaalde kindjes stompen na verloop van tijd af, tenzij je oog valt op de speen die aan het slabbetje genaaid is en je gedachten uitgaan naar het onschuldige tafereel net voor het dak van het huis naar beneden komt. Ergens vraagt Aarsman zich hardop af waarom echte gruwelbeelden zo weinig de krant halen. Om het publiek niet weg te jagen natuurlijk. Zonde.
De persbureaus blijven hardnekkig foto’s aanbieden van lichamen zonder hoofd, hoofden waar de hersens uithangen, weggerukte benen. Ik stop, anders laad ik nog de verdenking op me dat ik me eraan verlekker. Maar verlekkeren is het niet. Ik vind het een gemiste kans zulke foto’s niet te plaatsen. Want stel dat we ze regelmatig op ons bord kregen. We zouden niet ons abonnement opzeggen. Het dagelijks lijden in de wereld zou deel worden van een ons dagelijks bewustzijn. Op de journaals zouden we Amerikaanse soldaten horen schreeuwen van de pijn, in de kranten zouden we uiteengerukte lichamen zien na de zoveelste aanslag. Welk staatshoofd zou zijn lang dan nog een een zinloze oorlog in kunnen praten?
Ik zie ik zie maakte voor mij ook duidelijk wat een still voor heeft op een bewegende beelden. In het televisiejournaal onderlijnen de paar seconden Fatah-leden die we te zien krijgen vooral het makkelijk van je af te zetten cliché: het collectief oproer, de Arafat-sjaal, de M16. Bevroren beelden brengen de mens terug. "De dikke zou een snackbareigenaar kunnen zijn die achter de frituur is weggelopen. De jongen met de sjaal aan zijn geweer lijkt een student, zijn boeken liggen thuis nog open op tafel."

Maar uiteindelijk ontgoochelde dit boekje toch. Dat komt, uit een interview (Humo 3589) was Aarsman me bijgebleven als een onsentimenteel criticus met duidelijke ideeën over fotografie.
Je komt het overal tegen: in kranten, tijdschriften, fotoboeken, overal wordt de mooiste foto uitgekozen. En dat is de foto die het meest op een schilderij lijkt. Genre: schilderkunst uit de zeventiende eeuw. Zeg maar: de gulden snede, een bepaald soort licht en mooie luchten, Rembrandt en Caravaggio. Dat zeggen fotografen ook zo: ik ben beïnvloed door Caravaggio! Nou, dan heb je toch geen zak van het medium begrepen! 't Is maniërisme. 't Is een kunstje herhalen, meer niet.

[...]

Niks onschuld. Voorbedachten rade! Je loopt rond, je struikelt, je doet van alles, maar dan zie je ineens 'iets moois' en dán druk je op de knop. Je voelt toch dat iets wringt?!
[...]

De ergste zijn de fotografen van fotoclubs. Dat zijn ook amateurs, maar die voelen zich verheven boven de gewone huis-tuin-en-keukenfotograaf! Maar dat is... modeltreintjes bouwen. Alles is zo af, alles is zo gewild mooi dat het vervelend is. Fotografie is naar de wereld kijken.

[...]

Hans Bouman heeft een hekel aan afwassen en die hekel countert hij door elke avond zijn droogrekje te fotograferen, als een soort beloning na gedane arbeid. En je ziet een eetpatroon: slakommetjes, fondueborden, en op een dag staan er twee grote rooie borden bij, dan heeft-ie z'n ouders op visite gehad. Het mooie is: je ziet iemand bezig in zijn leven, en tegelijk doet het je anders kijken naar de dagelijkse rituelen in je eigen leven. Het is een antropologische benadering van de fotografie. En dan valt er zoveel te ontdekken. Met die soort fotografie krijg je een beeld van de samenleving anno 2009. En dat beeld zal over vijftig jaar belangrijker zijn dan al die mooie plaatjes van de schilderijtjesfotografie.
In Ik zie ik zie vallen echter geen ferme stellingen te noteren. Algemene beweringen over het medium zijn zelfs schaars.
Nog een paar jaar en ze [de camera’s] kunnen composities van beroemde fotografen herkennen. Zeker als het om vormvaste fotografen gaat, moet dat een koud kunstje zijn. Je laat een computer alle foto’s scannen van, laten we zeggen, Henri Cartier-Bresson en de grootste gemene deler daarvan stop je in een chip. Een camera met zo’n chip hoef je maar op je buik te hangen en hij neemt vanzelf een opname als er een Cartier-Bressonachtige compositie voor de lens verschijnt. Wil je een andere vorm, stop je er een andere chip in. Dat kan nog spannend worden. Tot nu toe zijn vorm en in houd aan elkaar gewaagd. Op goede foto’s kun je geen winnaar aanwijzen. Maar straks gaat vorm commercieel, je kunt hem kopen in de winkel, net als techniek. Wat zal er met inhoud gebeuren?

[...]

De ellende met portretfoto’s is: daar staat weer iemand voor je neus. Een schepsel met een ego. Ze stellen zich voor, ik ben die en die, ik wil gelukkig zijn. Ik wil een huis en een auto en een partner en erkenning. Gaat het goed met ze, dan hebben ze dat aan zichzelf te danken. Gaat het slecht, is het de schuld van een ander. Dat lees je allemaal in hun gezicht, de blik waarmee ze in de lens kijken.

[...]

Persfotografen kunnen zo’n intiem moment niet pakken. Die staan voor in- en uitgangen van gebouwen te posten tot de auto met de desbetreffenden voorbijkomt. Maar amateurs zijn overal, ze hoeven alleen maar te bedenken: dit is een foto.
En zo valt Ik zie ik zie tussen wal en schip. Tussen de brede essays van Hans Den Hartog Jager en de invoelende stukjes van Johan de Vos in. Laat Aarsman een thematisch boek uitbrengen, waarin bijvoorbeeld de gemeenplaatsen van krantenfoto's worden ontmaskerd.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> online columns van Hans Aarsman hier en daar

Hans Aarsman, Ik zie ik zie : de Aarsman collectie
175 p.
Uitgeverij Podium, 2009

____ fotokey

zondag 29 november 2009

The Magazineer

"The Magazineer is a blog about magazine design and print culture, written by people who love, and make, magazines."

> http://magazineer.com/

____

ResearchBuzz

"News about search engines, databases, and other information collections."

> http://www.researchbuzz.org/wp/

____

Overcoming Bias

"Overcoming Bias began in November ‘06 as a group blog on the general theme of how to move our beliefs closer to reality, in the face of our natural biases such as overconfidence and wishful thinking, and our bias to believe we have corrected for such biases, when we have done no such thing."

> http://www.overcomingbias.com/

____

CGArena

"Graphics and animation community for digital artists."

> http://www.cgarena.com/

____

Retro To Go

"A guide to all things hip and retro."

> http://www.retrotogo.com/

____

vrijdag 27 november 2009

Dagboek van een lezer - Alberto Manguel

Het kan niet anders: veellezers zijn voor een groot stuk plezierlezers. Daarom is het jammer dat we veellezers vaak alleen kennen in hun hoedanigheid van beroepslezer. In afstandelijke recensies dus, of in uiterst verantwoorde monografieën. Niet iedereen krijgt immers carte blanche in een column, zoals Michael Dirda, of kan opgeld maken als de vleesgeworden belezenheid en daarom met goed gevolg een leesdagboek publiceren, zoals Alberto Manguel.

Dagboek van een lezer draait om niet meer dan twaalf boeken. Een jaar lang herlas Alberto Manguel elke maand een titel uit de canon waaraan hij bovengemiddeld goede herinneringen had. Bevindingen en associaties werden daarbij vrijuit neergeschreven, zonder veel zorg om samenhang.

Zoals in een echt dagboek dus: was Manguel niet zo belezen, dan hadden die aantekeningen een waarheidsgetrouw beeld gegeven van wat een gemiddelde lezer doormaakt — waarheidsgetrouwer dan de zoveelste essayist die er, na grondige research, de halve cultuurgeschiedenis bijhaalt. Maar Manguel is belezen en denkt haast uitsluitend in termen van boeken en schrijvers:

Voor mij is Buenos Aires tegenwoordig een stad vol geesten. Gombrovicz, die eind jaren dertig uit Polen naar deze stad kwam en er vierentwintig jaar later wegging, schreef aan boord van het schip dat hem voor altijd wegvoerde: ‘Argentinië! In mijn dromen probeer ik het met halfgesloten ogen in mijzelf terug te vinden — uit alle macht. Argentinië! Het is heel vreemd en het enige dat ik wil weten is: waarom had ik die hartstocht voor Argentinië nooit in Argentinië zelf? Waarom overvalt deze me nu, nu ik ver weg ben?’ Ik begrijp zijn verbijstering. als een tot ruïnes vervallen stad uit de Oudheid achtervolgt ze je vanuit de verte. Hier is het verleden aanwezig in lagen, generatie na generatie van geesten: de mensen uit mijn jeugd, mijn verdwenen klasgenoten, de gehavende overlevenden.

[...]

Op de tweede bladzijde van Dr. Moreau is er sprake van een schoener die uit Afrika vertrekt met een poema aan boord, en plotseling denk ik aan mijn eerste boek van Karl May, De schat van het Zilvermeer, dat ik las toen ik zes was; ik werd meegesleept door de openingsscène waarin een panter uit zijn kooi ontsnapt aan boord van een schip dat een Noord-Amerikaans meer oversteekt. In mijn herinnering komen beide scènes overeen.

[...]

De straat in Soho buiten mijn raam is ongelooflijk rumoerig, waarschijnlijk is er even veel herrie als toen Hazlitt er logeerde. Het geluid doet aan dieren denken, een gedachte die me ongetwijfeld is ingegeven door de roman van Wells. Als ik niet wist dat ik in een stad was, had ik me misschien snuiten of snavels voorgesteld bij het verschillende gekrijs, gesnater, geratel, gegrom, gekakel en gegrauw dat ik hoor. Het lawaai is gemengd met de stinkende hitte die uit het plaveisel opstijgt. Londen is in juli niet op zijn voordeligst. Wat Londen betreft houd ik van Swifts vervloeking in zijn Stella-dagboek: ‘Moge mijn vijanden hier in de zomer wonen!’

[...]

Voor mij heeft geen enkele Duitse stad (Döblins Berlijn noch Thomas Manns Lübeck) ooit de werkelijkheid gehad van Conan Doyles Londen: de gasverlichte kamers aan de Baker Street, de gevaarlijke, kronkelende straten, de voorname, in mist gehulde huizenblokken. Jaren later reisde ik naar Londen, ervan overtuigd dat ik die gedenkwaardige plaats nu eindelijk met eigen ogen zou zien. Mijn eerste goedkope zitslaapkamer boven een fish-and-chipsrestaurant hielp me uit de droom.

[...]

Ik heb de indruk dat ik na mijn puberteit niets meer heb geleerd. De ontdekkingen die ik vóór die tijd heb gedaan, zijn degene die standhouden; de rest lijkt triviaal, een bijzaak of op zijn hoogst een voetnoot. Kipling heeft het over ‘die eerste stormloop van door zon en de omgeving ontwikkelde geesten, maar ook… het halve verval dat inzet zodra je twee of drieëntwintig bent.’
Een boek, kortom, dat veel beloofde. Maar dat niettemin begon met een narcistische krenking: ik lees weleens een boekje, maar Manguel leek zowat blindelings de gaten in mijn bagage te hebben gevonden.

Morels uitvinding – Adolfo Bioy Casares
Het eiland van dr. Moreau – H.G. Wells
Kim R. Kipling
Memoires van over het grafFrançois-René de Chateaubriand
Het teken van de vierArthur Conan Doyle
Natuurlijke verwantschapJohann Wolfgang von Goethe
De wind in de wilgenKenneth Grahame
De woestijn van de Tartaren – Dino Buzzati
Don QuichotMiguel de Cervantes
Het hoofdkussenboek van Sei Shonagon
Sei Shonagon
Boven waterMargaret Atwood
Postume herinneringen van Brás CubasJoaquim Maria Machado de Assis

En helaas, wat hij over die boeken zegt was me te fragmentarisch om comfortabel te kunnen volgen — hoewel dat impressionisme best verdedigbaar is:
Ik houd er niet van als mensen boeken navertellen. Je kunt me verleiden met een titel, een scène, een citaat, ja, maar niet met het hele verhaal. Mede-enthousaistelingen, kreten op het stofomslag, leraren en literatuurgeschiedenis vergallen veel van ons leesgenot door de intrige te verraden. En naarmate je ouder wordt, kan je ook je geheugen veel bederven van het plezier om niet te weten wat er gaat gebeuren. Ik kan me nauwelijks meer herinneren hoe het was om niet te weten dat Dr. Jekyll en Mr. Hyde dezelfde persoon waren of dat Crusoe vrijdag zou ontmoeten.
Mijn notities van 2006 overschouwend zie ik dus vooral Manguels algemene bemerkingen over lezen te hebben overgenomen. Op die manier merkte ik vaak een totaal andere lezer te zijn dan mijn Argentijnse collega.

Ik heb om te beginnen een ondermaats geheugen. Als ik tijdens het lezen al boeken met andere boeken associeer, gebeurt dat op basis van een zeer oppervlakkige inhoudelijke gelijkenis, een gelijklopende sfeer of een identiek vertelperspectief. Manguel is echter zo'n lezer die een jaloersmakend aantal concrete scènes en motieven van hoofdpersonages paraat heeft zitten, en zich in de wereldliteratuur even goed thuisvoelt als een spin in haar web. Zie ook: Piet de Moor.

Hoewel, Manguel vertoont trekjes van een normale sterveling. Soms. Wat hem van Chateaubriand is bijgebleven is toch vooral de toon van diens memoires, en de omvang. Manguel werkt zich eerst door zijn potloodaantekeningen achterin de twee Pléiade-deeltjes, om zich beter op zijn gemak te voelen in die meer dan tweeduizend bladzijden. En lezend in Don Quichot, gaat hij op in de landschappen die Cervantes heeft geschapen, de levensechte personages, en let hij nauwelijks op de verhaallijn. Dagboek van een lezer is al bij al een pleidooi voor eigengereide lectuur.
We lezen wat we willen lezen, niet wat de auteur geschreven heeft. In Don Quichot interesseert me niet zozeer de wereld van het ridderschap, maar meer de moraal van de held en zijn eigenaardige vriendschap met Sancho. In De wind in de wilgen houd ik veel minder van Pad dan van Rat, Mol en Das. Bij Kiplings Kim ben ik absoluut niet geïnteresseerd in het grote spel, dat kinderachtige spionageverhaaltje, maar raak ik in de ban van de respectievelijke zoektochten van Kim en de lama en van de schitterende weergave van een mij onbekende wereld.
Manguel is er trouwens de persoon niet naar om hoog op te geven over literatuur an sich, toevallig omdat dat intellectueel zo goed staat. Akkoord, hij doorsnijdt zijn lectuur expliciet met nieuwsberichten over de inval van de VS in Irak en "het Amerikaanse ministerie van desinformatie" — literatuur, lijkt hij daarmee te willen zeggen, staat daar haaks op, want bestaat juist uit taal die integriteit betracht. Maar voor de rest is lezen voor Manguel een rustig, individueel genot zonder verplichtingen. Hij stelt liever een nieuwe anthologie spookverhalen samen, dan een syllabus met hooggestemde kritiek. Is liever voorproever dan profeet.

Hij is bovendien niet bang zich te profileren als de ietwat clichématige melancholische lezer, die razend wordt als ons tijdsgewricht bokkensprongen maakt en vaste punten wegneemt — vrienden, landschappen, namen, wijkplaatsen. Als Manguel uit zijn raam een paar tortelduiven ziet die steeds maar weer op dezelfde plek landen op de til, associeert hij dat met zijn eigen plezier in herhaling — een van de redenen waarom hij ook van lezen geniet.

Want boeken lopen niet weg. Scripta manent. En voor een lezer is het herhalen van woorden — Manguels voorliefde voor citaten en het oprakelen van trivia — misschien wel een logische reflex om dat gegeven te celebreren.
Waarom zou je eigenlijk een dagboek bijhouden? Waarom al die aantekeningen maken? De mysterieuze heerser over het eiland, Morel, legt uit waarom hij zijn herinneringen vast wil leggen: ‘Om eeuwige werkelijkheid te verlenen aan mijn sentimentele fantasie.’

[...]

Ik las gisteren in de biografie van Max Brod dat Kafka een hekel had aan Balzac en met afkeuring het motto zag dat Balzac op zijn wandelstok had staan: ‘Je casse tout obstacle’ (‘Ik verbrijzel elke hindernis.’). Kafka zei toen dat zijn motto was: ‘Elke hindernis verbrijzelt míj.’

[...]

Cocteau in zijn dagboek: ‘Onzichtbaarheid lijkt mij een voorwaarde voor verfijning.’

[...]

Ernest Bramah, in De gouden uren van Kai Lung: ‘Je kunt nauwelijks te verwachten dat iemand die zijn hele leven onder een officiële paraplu heeft doorgebracht, over fijnzinnige analogieën van licht en schaduw beschikt.’

[...]

Kierkegaard: ‘De meeste mensen geloven echt dat de christelijke geboden (zoals het liefhebben van je naaste als jezelf) met opzet iets te streng zijn geformuleerd — zoals wanneer je de wekker een half uur vóór zet om er zeker van te zijn dat je ’s morgens niet te laat zult komen.’

[...]

Misschien moeten we ervoor zorgen dat onze heersers en goden boos kijken. Volgens Julien Green was in de achttiende eeuw in Schotland het woord ‘wrath’, toorn, zo vaak van het kansel te horen, dat een drukker van preken door zijn voorraad w’s heen raakte en in plaats daarvan 2 v’s moest gebruiken.

[...]

Als de Duitse ouders van mijn vrienden en verschil van mening hadden, riep degene die op het punt stond de discussie te verliezen altijd: ‘“O aza nar,” sagt Goethe”’ (‘O, je bent een dwaas’, zegt Goethe) waarop de ander reageerde met: “Nebisch,”’ sagt Schiller’ (‘Uilskuiken,’ zegt Schiller) en dan eindigde de ruzie met een verkwikkende lach.

[...]

Bioy Casares herinnerde zich dat de Argentijnse schrijver Enrique Larreta hem eens had verzekerd ‘dat zijn intelligentie zo alert was dat het hem onmogelijk was om te lezen; elke zin leidde tot zoveel nieuwe ideeën en beelden die hem door de werelden van zijn eigen geest voerden, dat hij de draad kwijtraakte van het verhaal dat hij aan het lezen was.’

[...]

Het woord ‘nostalgie’ werd op 22 1688 bedacht door Johannes Hofer, een student medicijnen uit de Elzas, die in zijn proefschrift, Dissertatio medica de nostalgia, het woord nostos (‘terugkeer’) met het woord algos (‘pijn’) combineerde om de ziekte te beschrijven van Zwitserse soldaten die ver van hun bergen moesten verblijven.
Dagboek van een lezer was prettig gezelschap, al bleef de nettowinst beperkt. Eén: ik heb een paar boeken toevoegd aan mijn wenslijstje. Twee: Manguel bood me nieuwe sleutels aan om mensen te begrijpen die verslingerd zijn aan Goethe.
Goethe lijkt wel altijd aan het denken te zijn; zijn geschriften zijn op geen enkel punt louter een verhaal, er is altijd ook een bewust, gearticuleerd denken dat de hele ruimte vult, als de geur van gebakken uien. Ik geniet van deze alomtegenwoordigheid; een personage kan niet het geringste gebaar maken zonder dat dit tot een bespiegeling leidt wanneer het door de alziende blik van deze kleine god wordt opgevangen

[...]

Misschien is die lacune in de Engelssprekende wereld ontstaan doordat Goethe cultureel benaderd moet worden: je moet hem niet boek voor boek tot je nemen, waarbij je zijn geschriften voorzicht met je grote teen peilt, maar je moet je volledig in hem onderdompelen, in de grote vloed die hij had, zijn oceanische blik. ‘Ik zal jullie een hoop goethen,’ zei onze leraar op de eerste schooldag aan de Pestalozo Schule (de Duitse school in Buenos Aires die ik een jaar lang heb bezocht) en hij liet ons ‘Erlkönig’ uit ons hoofd leren, en ‘Es war ein König in Thule’ en ‘Gingo Biloba’.

[...]

Nietzsche, zelden gul met lof, vond Goethe uniek, verheven boven alle nationaliteiten en elke nationale literatuur. ‘Goethe,’ schreef hij in Menselijk, al te menselijk, ‘is niet alleen maar een goed en groot mens, maar een beschaving op zichzelf.’ Als dat zo is, dan kun je Natuurlijke verwantschap, dat hij in de laatste jaren van zijn leven schreef, lezen als een etiquettehandboek voor de goetheaanse beschaving.
Mijn favoriete notitie, tot slot, betreft de 'sentimentele bibliotheek' die Manguel bij elkaar verzint: boeken met een bijzonder anekdotische waarde. Het levert het soort lijstje op (een van de vele in dit boek) waar Umberto Eco het patent op leek te hebben in zijn columns — even geestig als erudiet:

- Het exemplaar van Alice in Wonderland van Alice Liddell
- De Boilieu die Gide las toen hij de Congo afvoer
- De Cicero van Augustinus
- Het exemplaar van Leaves of grass dat Walt Whitman aan zijn minnaar, Peter Doyle, gaf
- Chapmans Homerus van Keats
- Wallace Stevens' geannoteerde exemplaar van de gedichten van Keats
- De Aristoteles van Averroës
- Het exemplaar van De gedaanteverwisseling dat Kafka aan zijn vader gaf
- Mishima's exemplaar van Une saison en enfer
- De Dante van Akhmatova, met haar eigen aantekeningen
- John Gielguds exemplaar van De storm
- De Amadís die van Cervantes is geweest
- Het exemplaar van de gedichten van Heine waarmee Borges Duits heeft geleerd
- Freuds exemplaar van Gentlemen prefer blondes

(Gebaseerd op notities van 13 mei 2006)

> bibliografie in de commentaren hieronder
> meer Manguel op Achille: De bibliotheek bij nacht

Alberto Manguel, Dagboek van een lezer
231 p.
Uitgeverij Ambo, 2004
Oorspr. A reading diary (2004)
Vertaald door Patty Adelaar

____

donderdag 26 november 2009

Biecht van een amateur

Het internet is grillig terrein, waar sluipschutters in alle ano- of pseudonimiteit hun gangetje kunnen gaan. 'Reaguurders' worden de uitwassen onder hen genoemd, of 'trollen': mensen die aanhoudend en zonder argumentatie nare dingen schrijven. Het is ook een moeilijke discipline, meneer, dat argumenteren.

Reaguren blijft overigens niet beperkt tot wat onbeleefde mensen het vulgus noemen. Een Nederlandse auteur van wie ik een aantal boeken uitvoerig — en niet eens onwelwillend — besprak, liet een korte notitie achter die je eerder uit de mond van de Albanese mafia verwacht, dan van een respectabel schrijver. (Dat het ook anders kan, bewijst weer een andere Nederlandse schrijver, over wiens columns ik streng oordeelde, maar die op zijn website prompt een link plaatste naar AvdB.)

Kritiek zonder opgaaf van redenen doet me niet zoveel. Ik word vooral ongemakkelijk als dit weblog lof wordt toegezwaaid. Het hartverwarmende maakt dan algauw plaats voor de vaststelling dat ook die goedbedoelde reacties meestal verstoken zijn van argumenten. Of dat de argumenten niet deugen. Meestal heeft iemand oppervlakkig notitie genomen van de veelheid en uitvoerigheid van mijn besprekingen. (In een extreem geval verwart een journalist van een 'kwaliteitskrant' zelfs het aantal postjes met het aantal besprekingen.)

Maar lengte en kwantiteit kunnen nooit een criterium zijn. Dat de meeste besprekingen hier uitvoerig uitvallen, heeft juist te maken met het liefhebberskarakter van dit weblog. Het zijn teksten die worden geschreven door iemand die voor zichzelf samenvat wat hij wil onthouden van een boek — informatie om later op terug te vallen. Door iemand die niet maalt om de spankracht of de attractiviteit van een tekst. Lengte is geen kwaliteit. Lengte doet de meeste bezoekers juist afhaken. Een echte pro houdt immer de leesbaarheid in het oog. Ik ben een verstokte amateur.

Zeker bij informatieve boeken verdringt de samenvatting op Achille van den Branden ruimschoots het kritisch oordeel of de eigen bijdrage. Voor een goed deel is dat bescheidenheid. Ik hoef niemand lesjes te leren over een onderwerp waarin ik zelf onvoldoende ingelezen ben. De samenvatting is gewoon de bagage waarmee ik het volgende boek daarover wil aanvatten. Achille van den Branden is een openbaar werkschrift. Ik schrijf over de boeken die ik lees om mezelf, soms door scha en schande, te ontwikkelen.

De eerste maatstaf waarop een boekbespreking moet beoordeeld worden is de mate waarin de recensent zaken optekent die eigen vinding zijn, die het boek duiden en die uitmonden in een beargumenteerd oordeel. Met andere woorden, zaken die

1] niet te herleiden zijn tot de biografie van de auteur
2] losstaan van de receptiegeschiedenis van dat ene boek
3] geen parafrase zijn van de korte inhoud
4] geen citaat zijn om de inhoud of een bewering te illustreren

Inderdaad: laat dat nu de maatstaf zijn waarop dit weblog laag scoort. Willens en wetens laag scoort, want het is nooit de bedoeling de beste recensie te schrijven die ik in me heb. Met dit weblog wil ik in de eerste plaats mezelf van dienst zijn. Dat werkt: na ruim vijfhonderd recensies lukt het me nog altijd probleemloos vier besprekingen per week af te scheiden. Egoïsme duurt het langst.

Welke elementen een recensie dan wel waardevol maken? Dat zijn volgens mij de antwoorden op de volgende vragen (in willekeurige volgorde):

1] waar situeert het boek zich in het oeuvre van de auteur?
2] hoe verhoudt het boek zich tot een bepaalde literaire traditie: wat zijn de gemeenplaatsen van het genre? wat is de originele bijdrage van de auteur?
3] wat is de originele bijdrage van de auteur tout court, los van stilistisch vernuft?
4] waar zitten, bij een waarheidsgetrouw bedoeld boek, de onwaarschijnlijkheden? waarom is het boek (on)geloofwaardig?

Maar zelfs de optelsom van deze elementen (die objectiever in te vullen zijn dan velen menen) volstaat niet. Subjectiviteit blijft het cement. De persoonlijkheid van de recensent moet voldoende krachtig zijn om alles op smaak te kunnen brengen. De bespreker moet een boek door zijn hoogstpersoonlijke emotionele en intellectuele filter halen. Een pittige, zij het niet modieuze taalbeheersing ligt onvermijdelijk in het verlengde daarvan.

Als hij ook nog eens eerlijk blijft, en niet te beroerd is om aan te geven welke de vooroordelen of wensen zijn ten aanzien van het te lezen of gelezen boek, schrijft hij per definitie een waardevol stuk.

Soms denk ik dat het mij aan persoonlijkheid ontbreekt. Ik heb maar weinig zekerheden. Houd van zeer veel verschillende boeken. Als ik lees ben ik een hol vat dat volloopt met het geschrevene. Dus kan ik 'vol zijn' van boeken die haaks op elkaar staan. Een vast kader om boeken vanuit te beoordelen heb ik niet. Schrijven over lezen is voor mij dan ook schrijven over een momentopname. Het weblog is daarvoor een perfect medium.

Ook al omdat ik bij een eerste leesbeurt goed vaart maak. Ik lees een boek op één of twee avonden uit. De avond daarna tik ik mijn aantekeningen over en verzamel ik representatieve passages. Als de tijd rijp is schrijf en publiceer ik de eigenlijke recensie.

Ik leg mezelf één discipline op: de recensie moet in een halve dag zijn beslag krijgen. Tijdens de middagpauze op zijn minst de ruwbouw, 's avonds eventueel de finishing touch. Een bespreking op dit weblog moet dan ook niet meer willen zijn dan een impressie van en medidatie over die oorspronkelijke leeservaring, weliswaar ingebed in een korte synopsis en — indien ik daar zelf iets van opsteek — biografische informatie.

En toch knaagt het soms, en wil ik een recensie schrijven louter opgebouwd uit vaststellingen die niet zomaar te herleiden zijn tot een parafrase van de korte inhoud. De analyse van De kleurenvanger, hieronder, is een voorbeeld van hoe een bespreking er zou uitzien als ik wat meer mijn best zou doen. Voor de verandering een tekst waar ik drie avonden aan heb gewerkt, in plaats van anderhalf uur, tussen twee boterhammen door. Om het verschil te tonen met het dagelijkse haastwerk, en om te tonen dat ik wel meer kan dan citaatrijgen.

Langer dan drie dagen besteden aan een boek, kan ik op vrijwillige basis niet opbrengen. Ik droom er weleens van me een paar weken met een heel oeuvre te isoleren en daar een definitief stuk over te schrijven van tienduizend woorden, zoals Hans Goedkoop dat zo goed kon. Maar daar zou een bom duiten moeten tegenoverstaan. Wat me eens te meer ontmaskert als amateur.

____

woensdag 25 november 2009

De kleurenvanger - Peter Verhelst

Ik ken genoeg meisjes die dwepen met Peter Verhelst, maar dat zijn stuk voor stuk bleke, difficile, Chantal Pattyn-achtige types. De kleurenvanger werd me voor de verandering eens aangeraden door een mooie, opgeruimde vrouw zonder gevoel voor culturele correctheid. Werd ik toch weer nieuwsgierig. Welnu, De kleurenvanger is een extreem boek dat ook bij mij extreme reacties opriep. Er waren een paar dagen nodig om die allemaal op een rij te hebben.

1
Ooit, ik was nog een snotaap, beet ik mijn tanden stuk op de boeken van Peter Verhelst. Ik las Het spierenalfabet en Tongkat met beleefde bewondering, zonder echt na te voelen waar de schrijver op uit was. Inmiddels vind ik 'm misschien wel de meest oorspronkelijke schrijver die we hebben. Postmodern gepuzzel zegt me nog altijd bijzonder weinig, maar de schaamteloze zoektocht van Verhelst naar het absolute kent zijn gelijke niet in de Lage Landen, zeker niet in deze tijden van ironie en sarcasme. Die eigenzinnigheid kan niet genoeg geprezen worden.

Mocht men mij tekst en uitleg vragen waarom ik als een blok voor De kleurenvanger ben gevallen, dan zou ik beginnen en eindigen met het woord: devotie. Voor mij is Verhelst bovenal een devoot schrijver, zoals Hadewych en Jan van Ruusbroec dat waren in de middeleeuwen. Het is religie, maar niet in kwezelachtige zin. Met devotie wordt doorgaans de toewijding bedoeld aan een hogere macht of waarheid via een ingenieuze set van rituelen. Devotie is geen theorie maar een mentaliteit: de bereidwilligheid zich over te geven, zich totaal weg te schenken aan Iets of Iemand. Voor vele gelovigen ligt in devotie de kern van hun geloofsbeleving, en niet in leerstellingen of kerkelijke instituten.

Het absolute waar de personages van Verhelst naar streven neemt evenwel niet de gedaante aan van een opperwezen. Zij streven naar iets abstract. Naar Het Volmaakte: volmaakte schoonheid, volmaakte bevrediging van hun verlangens, volmaakte versmelting met elkaar (de jongen en het meisje, de hybride zeemeermin), de volmaakte vorm van woorden (opdat zij vlees zouden worden), volmaakte overgave aan zintuiglijk genot. Het is alsof de mensen die deze romanwereld bevolken, naar het woord van Oscar Wilde, ‘aan alles kunnen weerstaan, behalve aan de verleiding’.

2
Natúúrlijk wordt hun streven gefrustreerd, anders was er geen roman. De figuren van Verhelst zitten aan hun lichamelijkheid vast en kunnen nooit het absolute bereiken. Het concrete kan nooit abstract worden. De versmelting vindt niet plaats, want een deel kán logischerwijs nooit samenvallen met het geheel — de tragedie van elke mysticus. En omgekeerd kent een idee dat in het hoofd van een mens leeft nooit een perfecte uitvoering in de realiteit.

De kleurenvanger steekt vol grandioze desillusies. Het punt waar het onmogelijke even mogelijk lijkt te worden, gaat bij Verhelst altijd gepaard met plotse vernietiging. Wanneer iemand op het punt staat de perfectie te bereiken slaat het voorwerp van zijn streven prompt om in zijn tegendeel. De mannelijke castraatzanger zingt als een meisje, maar wordt wel onvruchtbaar. De verrukkelijke aardbei verdwijnt wanneer zij wordt opgegeten. De jongen en het meisje krijgen elkaar op het eind van de roman, maar in twijfelachtige omstandigheden.

Aan de oppervlakte is De kleurenvanger het verhaal van de eindeloos uitgestelde reünie van twee geliefden. Een rusteloze, haveloze jongen ontmoet tijdens een van zijn nachtelijke omzwervingen een meisje waarvoor hij een hevige liefde opvat. Maar even later raakt hij haar al kwijt. Aan de dood, zo lijkt het. Het meisje valt van een brug, in de Brugse reien. Meesterlijk beschrijft Verhelst dat kantelmoment.

Twee mannen en één jongen, kijkend naar een meisje dat als een vogel op de leuning van een brug zat.
Hoe lang duurt een val?
Lang genoeg om eraan te sterven.
Toen ze wankelde, schoten zes armen op haar af.
Viel ze? Werd ze geduwd?
Ik denk dat ze sprong.
Eén ding is zeker: angst geeft geen vleugels.
Na een korte periode van rouw trekt de jongen de stad uit. Hij moet het verleden achter zich laten, de politie zit achter hem aan en daarom onderneemt hij een trip door Europa, even stuurloos als tevoren. Wat de jongen niet weet is dat het meisje, meermin geworden, hem vergezelt op zijn dwaaltocht. Als een soort beschermengel geeft ze hem vanuit rivier, zee en riool de nodige rugdekking. Overbodig is dat niet: tijdens zijn voetreis ontmoet de jongen een hele stoeterij aan kunstenaars die allemaal geobsedeerd zijn door het thema van, jawel, de vernietiging.

3
De grote verdienste van Verhelst is dat hij een frisse, van gezondheid blakende vorm gevonden heeft om levensgrote verlangens uit te drukken. Hij bedient zich niet van religieuze terminologie of melige symboliek, hij raakt gelukkig ook niet verstrikt in de kromspraak van de new age-beweging, neen, zijn voornaamste troef is zijn weergaloze, aan poëzie grenzende proza. Verhelst schrijft dingen die je van je leven niet meer vergeet. Hij maakt beelden die in je netvlies blijven gebrand. Het knappe: hij doet dat in korte, efficiënte zinnetjes. De twee geliefden “wrijven elkaar als twee messen scherp”. Iemand berouwt het zijn hart niet te kunnen “afsluiten als een gaskraan”. Het verleden is alleen verteerbaar als je het “plet onder scherpe hakken”. De zon “ontploft boven het hoofd” van de jongen, ’s nachts prijkt “het glanzende oogwit van de maan” aan de hemel. Driehonderd bladzijden houdt Verhelst dat niveau vol, vijf uur lang neemt hij de lezer in hechtenis. Moeiteloos.

De kleurenvanger pompt ook nieuw bloed in de traditionele verschijningsvormen die devotie kan aannemen. Kapelletjes: de rode tranen van het madonnabeeldje in Civitavecchia. De processie in verschillende staties: het koppel legt een reis af langs vijf Europese steden (Brugge, Barcelona, Berlijn, Bordeaux, Venetië). De rozenkrans: de vijf steden vormen ook geografisch een vijfhoek (Verhelsts voorliefde voor het pentagram), maar de vijfhoek wordt niet gesloten. De trip eindigt niet waar ze begon, maar blijft steken in Venetië, het buitenbeentje, de enige stad die niet begint met een ‘B’. De bedevaart: Verhelst suggereert ergens dat het graf van de castraatzanger spoedig een bedevaartsoord zal worden. De Heilig Hartverering: het hart staat centraal in een paar scènes in De kleurenvanger (“Als je hart geroofd wordt, implodeert je borst.”)

Maar het mooiste beeld dat Verhelst aandraagt — en dat opnieuw verband houdt met een concept dat, wanneer het zijn volmaakte vorm heeft gevonden, omslaat in zijn tegendeel — is dat van het kleurenpalet. De volmaakte kleur blijkt uiteindelijk... wit te zijn. Verhelst laat zijn held aankomen in het dorpje bij het klooster van Bernardus van Clairvaux. Een kale zandvlakte strekt zich voor hem uit. In het dorp verneemt hij dat
Bernardus van Clairvaux zijn broeders had bevolen elke boom, elke struik en elk grassprietje te laten verdwijnen. En zo gebeurde. Toen alles verdwenen was, strooide Bernardus eigenhandig marmergruis over de vlakte. Wit marmer. Gods enige kleur, zei hij. Zwijgend stonden de dorpsbewoners te kijken hoe de abt Gods zaad over het zand uitzaaide. Combineer die witheid met zon. Wat je krijgt, is verblinding. ‘Nee,’ antwoordde Bernardus. ‘Wat je krijgt, is God. Kleuren maken blind. God laat je zien. (...) Kleur is een substantie. Het is de smetstof van de duivel. Satan hijzelve schoot als een wervelwind door de wereld met een verfdoos in zijn handen. Hij doopte er zijn staart en sloeg die als een kwispel over alles uit. Daardoor benam hij het uitzicht op het wezen van de dingen. We moeten overal de kleuren van wegkrabben voor we iets kunnen zien.’

'Südliche Gärten', Paul Klee, 1919

4
De kleurenvanger is een gloedvol pleidooi voor het vertellen van verhalen. Niet het verhaal als middel om kennis over te brengen, maar als middel tot intimiteit. Verhelst laat de jongen converseren met zijn eigen schaduw; samen houden ze ellenlange dialogen, “op pare dagen over verheven en op onpare dagen over triviale onderwerpen”. Wanneer de jongen het meisje ontmoet, gaan ze op warme stenen liggen, wijzen ze sterrenbeelden aan en vertellen ze elkaar verhalen. De een begint het verhaal, de ander maakt het af. En verderop in de roman, in het ziekenhuis, smeken de verpleegsters de jongen om verhalen te vertellen. Wanneer hij door de politie wordt opgepakt toont hij zich bewust van zijn talent.
Wat willen ze? De waarheid? Ik kan de waarheid verzinnen. Ik kan verhalen verzinnen. Desnoods kan ik het vlees opnieuw woord laten worden.
De kleurenvanger is daarmee ook een pleidooi voor de esthetiek van verhalen an sich, en de overtuigingskracht die daaruit voortspruit. Er is het prachtige verhaal van de gek in de dierentuin van Moskou die met een metaalschaar de kooien van de papegaaien had opengeknipt. Van de man die in Frankrijk beroemde doeken overschildert met zwarte verf. Van de Spanjaard die branden vastlegt op film. Van de tragische castraatzanger Alessandro Moreschi. Van Michelangelo, die in een van de mooiste intermezzi van De kleurenvanger al zijn beroepsgeheimen opbiecht.

Alleen de belangrijke rode draad, die van de lijmstokman, die alle kleuren van de wereld najaagt en vastzet in de raten van zijn bijenkorf, vond ik van mindere kwaliteit. De herinnering aan Patrick Süskind en zijn achttiende-eeuwse geurenvanger Jean-Baptiste Grenouille zat me in de weg, geloof ik. Dat beiden, Grenouille en de lijmstokman, nog het laatste exemplaar in hun collectie ontberen en dat aan een jong meisje moeten zien te ontvreemden, is al te toevallig. Ook stilistisch is er verwantschap. De hiernavolgende passage kan zo in Het parfum (1985):
Wie eenmaal de zee heeft getekend, kan niet zonder water. Toen ik opnieuw voet aan land zette in Europa, schafte ik me een boot aan. Een middelgrote binnenvaarder.
Het ruim was mijn kleurenkelder. Daarin wilde ik alle kleuren van de wereld opbergen. Voorts waren er nog vier kajuiten en een keuken. De kleinste werd mijn slaapkamer. In de tweede stond mijn kleurenkorf en de derde was mijn chemische kamer. De laatste was leeg.
Mijn leven was eenvoudig. Ik meerde aan, ging aan land en verzamelde zoveel mogelijk kleuren. ’s Nachts verwerkte ik die tot pigmenten in de chemische kamer. De volgende dag classificeerde ik ze in de kleurenkelder. Daarna rustte ik wat en bracht de dag door met het uitstippelen van mijn reisroute.
5
Ik blijf zitten met de vraag of De kleurenvanger tot iets kleiners te herleiden valt. Een idee, een boodschap, een clue. Een slotsom die het boek hanteerbaar maakt, omdat je haar jaren later nog voor de geest kan halen. Ik heb er het raden naar. De verzamelde verhalen in De kleurenvanger doen denken aan de zuurstokkleuren van een circustent, oplopend naar een uitgespaard middelpunt — het ronde gat van de tent. Aan een stralenbundel met een kern te fel om recht in te kunnen kijken. Verhelst gebruikt zelf het beeld van de polyhedron.
Een driedimensionale geometrische figuur, die samengesteld is uit vijfhoeken en driehoeken die in elkaar passen en bijna een volmaakte bol vormen. Die polyhedron doet me altijd denken aan zo’n spiegelbol aan het plafond van het danshuis in ons dorp. Het verandert banaal licht in sterren. Ik vind het een mooi beeld voor Da Vinci: veelkantig, ongrijpbaar, oplichtend en op een verrukkelijke manier nutteloos en onuitstaanbaar. Even nutteloos en onuitstaanbaar als ik.
Daarom, omdat mij op school altijd werd geleerd te zoeken naar plot en samenhang, is het lezen van De kleurenvanger ook een oefening in onthechten. Verhelst dwingt me te genieten van het moment. Zijn zinnen zijn hevige, kortstondige sensaties die je één voor één moet ondergaan. Traag. Af en toe denk je je vinger te leggen op een overkoepelend verhaal, maar kort daarna smelt het alweer in je warme handen. Het hele boek ondermijnt je gevoel voor richting, doet je in het duister tasten.

Dat werkt: geblinddoekt wordt je tastzin aangescherpt. Na het dichtslaan van het boek ziet de wereld er mooier uit. Intenser. De kleuren om je heen lijken beter doorbloed. Geluiden klinken ineens loepzuiver. Alsof Verhelst het stof uit je ogen heeft geblazen, je oren hernieuwde instructies heeft gegeven. Je haalt diep adem, blij met dat herboren gevoel voor gewicht, textuur, vorm.

Om door te gaan op dat plastische: het hoeft niet te verbazen dat Verhelst zich aangetrokken voelt tot alles wat vloeibaar is. Smelten, en elk werkwoord dat een soortgelijke metamorfose inluidt, zijn geliefde keuzes in zijn lexicon. Opnieuw een uitnodiging aan de lezer om zijn zintuigen te gebruiken: want alleen wat vloeibaar is kan je smaken. Eén interludium gaat trouwens over Leonardo da Vinci, de uitvinder van het sfumato, een schildertechniek waarbij kleuren geleidelijk in elkaar overvloeien en zo hun contouren verliezen.

Al even vormeloos zijn de twee ik-personen die van Verhelst om beurten het verhaal mogen vertellen. Biografische gegevens over het jongen en het meisje komen we amper aan de weet. Wat telt, het enige waar de lezer echt mee in contact komt, is hun hypnotiserende voice-off. Zelfs de liefdesrelatie tussen beiden vertoont nauwelijks sporen van enige psychologie. Ze worden zich niet door herinnering en reflectie bewust van hun omgeving, maar door rechtstreekse aanrakingen, en veel praten.

Dat alle psychologische terzijdes uit De kleurenvanger zijn gebannen, geeft de roman een mythische, voorwereldlijke toets. Personages worden nauwelijks aan elkaar voorgesteld. Figuranten duiken op uit het niets. Verhelst lijkt ze enkel te hebben geboetseerd opdat ze hun kunsten aan elkaar zouden vertonen. Bijna elke ontmoeting groeit uit tot een séance — telkens een nieuw zetsteentje die de roman doet schitteren.

Zelfs het decor waarin deze schimmen zich bewegen is schetsmatig getekend, als bij een droomlandschap. De kleurenvanger speelt bij voorkeur 's nachts, wanneer elke storende achtergrond is gedimd, wanneer de wereld stil is als onder een wateroppervlak.

6
De kleurenvanger gaat over verlangen, sporen volgen en zoekende zijn. De jacht is mooier dan de vangst, de trip mooier dan de bestemming. “Wat is het doel van een labyrint,” vraagt Verhelst ergens in de roman, “het vinden van de uitgang of het verdwalen?” De vraag stellen is haar beantwoorden. In De kleurenvanger laat Verhelst de jongen lopen tot hij zo vermoeid is dat hij bijna het bewustzijn verliest. Het lichaam wordt afgebeuld tot hij enkel de geest overhoudt.

Het lezen van Verhelst is een al even zalige, afmattende ervaring. Het absolute wordt niet bereikt, maar wel een stukje zelfverlies. Voor even.

(9-11 maart 2009.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Verhelst op Achille: Memoires van een luipaard

Peter Verhelst, De kleurenvanger
298 p.
Uitgeverij Prometheus, 1996

____

dinsdag 24 november 2009

De tedere barbaar - Bohumil Hrabal

De tedere barbaar verscheen voor het eerst als samizdat-uitgave in 1973, hoewel er vermoedelijk een ouder origineel van bestond, dat vermist wordt. Het is het verhaal van een hechte driemanschap van bohémiens in het stalinistische Praag van de jaren vijftig, toen apolitieke kunstenaars gedoemd waren tot een leven in de marge. Het gaat om Hrabal zelf, zijn boezemvriend de kunstenaar Vladimir Boudnik (hij is 'de tedere barbaar', niet Hrabal) en de dichter/filosoof Egon Bondy.

Begin jaren tachtig verscheen in Tjechoslovakije een collage met gekuiste teksten uit De tedere barbaar en Al te luide eenzaamheid onder de noemer Kluby poezie ('Poëzieclubs', 1981). Deze Nederlandse vertaling gaat echter uit van de brontekst uit 1973.

De tedere barbaar herinner ik me als een mindere Hrabal, een boek vol meanderende monologen en bonte anekdotiek, maar zonder de ruggegraat van een plot.

Hrabal en Boudnik woonden samen Op de dam (Na hrázi), door de schrijver opgepompt tot de 'Dam der Eeuwigheid' in de arbeiderswijk Libeň — een omstandige beschrijving van de plaatselijke geografie maakt deel uit van de poëzie van het boek. Van daaruit ondernamen ze hun tochten door de straten, de steegjes, de pleinen en de bedrijfsterreinen van Praag. De kosmos is het dak boven hun hoofd, maar die kosmos is zo immens dat daar navenante hoeveelheden bier bij horen om zich toch enigszins geborgen te kunnen voelen.

Kees Merckx moet diep in zijn vocabularium tasten om Hrabal bij te benen. Vooral ter hoogte van die dranklokalen dus, waar de schrijver, de kunstenaar en soms de filosoof verhalen ophalen en pompeuze artistieke credo's ontvouwen. Aan elk kolderavontuur wordt meteen een existentiële betekenis gekoppeld.

Van gekarnde melk vervaardigde hij room, van roetvlokken briljanten, van een musje een feniks, van een lamme maakte hij een hardloper… steeds zette hij daar waar iets mankeerde, zijn talent in te bewijzen dat omnia ubique was en in het minimum het maximum en elk punt op aarde het centrum van het paradijs was, terwijl intussen de zwevende tuinen gestaag in puin en gruis veranderden, maar dat in dat gruis alle schoonheid bewaard bleef en dat in dat frummeltje aarde alles opnieuw begon.

[...]

Telkens wanneer een vliegtuig neerstortte, interesseerde Vladimir zich voor de kleinste details. Enerzijds beleefde hij de catastrofe als passagier die met de anderen de ruimte in geslingerd werd, anderzijds verbrandde hij met de medepassagiers bij het op de grond neerstorten of werd hij doorzeefd bij de ontploffing van de motoren, maar vooral beleefde hij zichzelf als het vliegtuig, wanneer het de oceaan in dook of op de aarde te pletter sloeg of in de lucht explodeerde om vervolgens stukje bij beetje, al naar gelang de materie, verspreid in het landschap neer te komen.

[...]

Toen was hij een volkomen ander mens en ook al bleef hij als van een kunstmaan die consumptiemaatschappij bekijken, speelde hij toch soms graag het spelletje mee, net zoals kinderen graag naar een panopticum gaan, naar spiegelzalen, naar het planetarium of naar het Julius Fucik-park. En zo zou je kunnen stellen dat de doorsnee mensen hem omhooggestuwd hebben en hem met hun ongebreidelde egoïsme de sporen hebben gegeven, hij was zo anders dat hij, net als zij zich kledend en net als zijn naar het werk gaand, in feite al dat allzumeschliches verachtte en dat hij via de uitschuifladder van zijn imaginatie omhoogklom om de laatste sport te betreden die hem naar prachtige donderwolken leidde…

[...]

Gezalfd en zich zalvend met zijn eigen zaad wanneer hij met de prentenpers in de weer was en haar met de rug tegen de grond duwde, haar in een Finse houdgreep hield of in de dubbele Nelson, besmeurd besmeerde hij alles met zijn zaad, ook het kindje dat erin de vorm van een grafische prent uit de vagina aan de achterkant van de prentenpers uitrolde. Een bliksem die de kortste weg zoekt naar de aarde, en zich in de aarde boort.
Zo eindigde wat uiterst subjectief leek te eindigen in een objectivering en werd deel van een eigenzinnige wereld waarin V. getroffen en zonder bemiddeling geroerd was, zonder wetmatigheid voelde hij zich aangetrokken door de beweging van de materie in de materie, regelrecht lanceerde hij zich met zijn grafische prenten in een ruimte waar het menselijk denken standhield. Via relatieve vrijheid kwam hij tot een absolute onvrijheid die geen uitleg en geen motivatie meer nodig heeft en waarin de mens degene is die hij is. De identiteit van muzikale sferen enover de aarde rondgestrooid objecten. Het absolute spel, fruicio dei, de monade der monaden, het ens realissimum, het Ding an sich selbst, de spelonk waarin niet de schaduwen der dingen zichtbaar zijn, maar de ideeën zelf. Zo was hij dat punt voorbijgegaan en was hij daar binnengegaan waar dat is wat ons te boven gaat. V. heeft toen als eerstgeboren Zoon Gods materie en het doen gehuldigd en heeft opnieuw het drama in werking gesteld als daadwerkelijke liefde tot de Kosmos en de Mens.
Ook De tedere barbaar is dus weer opgetrokken uit de typisch Slavische combinatie van dronkemansgelal en wijsgerige terzijdes, vol Latijn en filosofenduits. Dit moet ook het boek zijn waarin ik voor het eerst over George Grosz hoorde, wiens grafiek ik pas veel later ontdekte en nu, net zoals zijn dagboek, tot mijn favorieten reken.

Curieus overigens hoe bepaalde zeer particuliere motieven uit De tedere barbaar terugkeren in andere romans. De neergestorte vliegtuigen in Zwaarbewaakte treinen, de papierpers (hier een prentenpers) uit Al te luide eenzaamheid.

(Gebaseerd op notities van 30 maart 2000.)

Bohumil Hrabal, De tedere barbaar
129 p.
Uitgeverij Bert Bakker, 1994
Oorspr. Něžný barbar (1973)

____

maandag 23 november 2009

Het grote boek der ongekamde gedachten - Stanisław Jerzy Lec

Houd Stanisław Lem (1921-2006) en Stanisław Jerzy Lec (1909-1966) maar eens uit elkaar. Beiden Pools, beiden geboren in Lwów, beiden op hun manier satiricus. Lem als schrijver van SF, Lec als bedenker van puntige uitspraken. De aforismenbundel Het grote boek der ongekamde gedachten van Lec (spreek uit: Lets) is een klassieker in zijn genre. De Nederlandse editie, vijfendertig jaar oud, verdient een herdruk; en de vertaling een schrobbeurt.

Stanisław Jerzy Lec werd geboren in Lwów (dan nog Lemberg, in de Hongaars-Oostenrijkse dubbelmonarchie, nu Lviv in de Oekraïne) in een gegoede joodse familie. Vader was bankdirecteur, moeder de dochter van een grondbezitter. Het gezin week kort uit naar Wenen toen de Russen naar Oost-Gallicië kwamen en de Eerste Wereldoorlog uitbrak; daarna keerde de familie Lec terug naar Polen.

In 1927 begon Lec zijn studie polonistiek en rechten in Lviv, die hij in 1933 afrondde. Hij begon gedichten en satires te schrijven voor revolutionaire bladen van socialistische signatuur, maar moest voor zijn politieke activiteiten uitwijken naar Warschau. Daar werd zijn werk algauw geliefd en berucht. Zijn eerste poëzie werd getekend door onbeholpen echo's van het Russische imaginisme, het Italiaanse futurisme en het Duitse expressionisme. Het 'literaire cabaret' dat hij samen met Leon Pasternak (de neef van de schrijver) stichtte, werd door de autoriteiten verboden na amper acht voorstellingen.

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog zat Lec gevangen in het nazikamp Tarnopol. Het verhaal wil dat hij in 1943 samen met een aantal medegevangenen in een Duits uniform ontsnapte naar Warschau, waar hij lid werd van de ondergrondse strijdkrachten en redacteur van illegale soldatenbladen.

Na de oorlog ging hij door met schrijven, afgewisseld met kortdurende dienst als persattaché namens de Volksrepubliek Polen bij de ambassade in Wenen. Tijdens het stalinisme was de ambassade uiteraard naar communistisch model ingericht: na conflicten met de Poolse autoriteiten, wat resulteerde in een publicatieverbod, week Lec voor twee jaar uit naar Israël.

Met de Poolse Oktober in 1956 begon Lecs carrière als schrijver van aforismen. Eind jaren vijftig mocht hij weer boeken publiceren. De beknoptheid van zijn aforismen stond in schril contrast met de bombastische krachten die zijn leven tot dan toe hadden bepaald. Lecs populariteit was zo groot, dat ondanks de anti-totalitaire inslag van zijn werk, hij een staatsbegrafenis kreeg in Warschau.

De kwaliteit van Het grote boek der ongekamde gedachten is, Lecs reputatie indachtig, wisselvallig. Geeft niet: de grens tussen een geslaagd aforisme en een platitude ("Bedenk, dat in hetzelfde vuur dat Prometheus de goden ontstal, Giordano Bruno werd verbrand") is dun, en moet iedereen voor zichzelf uitmaken. Ik kan alleen maar zeggen dat de aforismen die niet steunden op een woordspeling me het liefste waren.

Woordspelingen — "Eenzaamheid, wat ben je overbevolkt!" staat er ergens, Phil Bosmans komt dan akelig dichtbij — trekken de aandacht te veel naar zich toe. Een aforisme is de ultieme condensering in taal van een gedachte die geen context behoeft, en dat betekent naar mijn smaak dat die gedachte moet vooraf gaan aan het bedenken van het beeld. Bij woordspelingen lijkt de gedachte altijd een bijprodukt — een alibi om met woorden te kunnen spelen. Woordspelingen talen ook naar de gulle lach, terwijl aforismen, in hun hoedanigheid van waarheidszoekende volzinnen, vooral goed pijn moeten doen.

Vielen ook af: aforismen die zichzelf door expliciete beeldspraak overschreeuwden. Politiehonden, adelaars in vliegende kooien, al dan niet geladen geweren, marionetten, stroppen, menseneters — het hoefde allemaal niet. Hoe authentiek de levensloop van Lec er ook in doorklinkt.

Daar tegenover staat dat het beste uit de Ongekamde gedachten inderdaad tot het beste in het genre behoort. Voor die oneliners geldt dat je er eigenlijk elke morgen eentje toegemaild zou moeten krijgen, om de rest van de dag over na te denken. Serieel gelezen hebben ze de neiging elkaar te neutraliseren. Helaas.

Het grote boek der ongekamde gedachten volgt de Duitse editie van Lecs aforismen, aangevuld met een reeks aforismen uit de Engelstalige uitgave. Het boek steekt tussen een boeiend voor- en nawoord.

In [Lecs] kortheid vindt men niet slechts pit, maar ook de waarheid en kracht van het woord in zijn oorspronkelijke, bijbelse betekenis
schrijft Karl Dedecius vooraan. In zijn inleiding onderstreept hij de lange aforistische traditie in Polen — met in het Westen zo goed als onbekende figuren als Jan Kochanowski, Waclaw Potocki, Ignacy Krasicki, Tadeusz Zelensk — en de Duitstalige invloeden van Lec: Goethe, Grillparzer, Lessing, Morgenstern, Heine, Lichtenberg, Ebner-Eschenbach, Ringelnatz, Kästner, Kraus. Hij wijst ook op parallellen met de vormtaal van de Talmoed. Opmerkelijk: Letz betekent satiricus in het Hebreeuws.

Ooit nog eens aan te schaffen: Denkspiele : Polnische Aphorismen des 20. Jahrhunderts, samengesteld door A. Marianowicz en R.M. Gronski.

(Gebaseerd op notities van 17 april 2006.)

Stanisław Jerzy Lec, Het grote boek der ongekamde gedachten
184 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 1974
Vertaald door Martin Mooij en Menno Colleran
Oorspr. Mysli nieuczesane (1959) en Mysli nieuczesane nowe (1964)



Mijn selectie:
De satire moet opgraven wat door het pathos is bedolven.

‘Waarom’, vroeg ik een criticus, ‘heeft u het stuk een baanbrekende gebeurtenis van revolutionaire betekenis genoemd?’ — ‘Welk stuk?’, was zijn wedervraag.

Geen enkele hervorming van de kalender kan de tijd van de zwangerschap bekorten.

Als een menseneter met mes en vork eet — is dat vooruitgang?

Karakters zij niet breekbaar — wel rekbaar.

Uit moerassen zou men geen consequenties moeten trekken.

Men heeft mij in de provincie het voorstel gedaan voor een lager honorarium goedkopere gedachten te schrijven.

Er zijn vele gedachten nodig om er één vast te houden.

Nu bent u dan met uw hoofd door de muur. En wat gaat u nu in de cel van uw buurman doen?

Een paard zonder ruiter is altijd nog een paard. Een ruiter zonder paard is alleen maar een mens.

Of het volharden in eigen fouten ook trouw aan zichzelf zijn is?

Veel van mijn vrienden zijn mijn vijanden geworden, veel vijanden verwierven mijn vriendschap, maar de onverschilligen zijn mij trouw gebleven.

Hij had net zoveel gevoel van eigenwaarde als een spook dat nog nooit aan iemand verschenen is.

Wat een vleiers, die satirici: Bespotten de deugden van het volk, die het niet bezit.

Het paragraafteken alleen al ziet er uit als een martelwerktuig.

Spreek niet over uw dromen. Misschien komen de Freudianen aan de macht!

Wie heeft de these en de antithese ooit gevraagd of zij wel een synthese willen worden?

Wie geen geweten heeft, moet dit compenseren met zijn gebrek eraan.

Puriteinen zouden vijgebladen voor hun ogen moeten dragen.

Wegwijzers komen niet van hun plaats.

De witte vlekken zijn van de landkaart verdwenen, ze verhuisden naar de geschiedenisboeken.

Kent u het wachtwoord voor uw eigen innerlijk?

Ook het beest denkt. In de mens.

Er bestaat een ideale wereld der leugen, waar alles waar is.

Niet de afgrond scheidt,maar het verschil in niveau.

Het drama van onze tijd levert (zoals dat hoort) zijn scheppers royalties op.

Ik lees heiligenlevens graag van achteren naar voren, in de hoop dat er één allengs weer mens wordt.

Wie een tragedie heeft overleefd, is er niet de held van geweest.

Velen zien met het rechter- en met het linkeroog precies hetzelfde. En geloven dat dat objectiviteit is.

Een dialoog met een half-intelligente lijkt op de monoloog van een kwart-intelligente.

Zijn onwetendheid is encyclopedisch.

Traditie: erfelijke adel van het plagiaat.

De opvoering laat zien wat regie allemaal van een idee kan maken.

Zeg mij met wie je slaapt en ik zeg je van wie je droomt.

Heb ik het recht mij voor de auteur van gedachten te houden, die mij ongevraagd opzoeken?

Steeds witter brood en bloediger spelen.

Hoeveel levenslopen moet je plunderen om die van jezelf onsterfelijk te maken!

Zelfs de oppervlakkige mens heeft helaas drie dimensies.

Je ziet 't: de krachtsverhoudingen worden niet door estheten geschapen.

Wanneer zal de mens de intermenselijke ruimte veroveren?

Dichters zijn net als kinderen: als zij aan hun schrijftafel zitten, komen zij met hun voeten niet eens tot op de grond.

Op het gemaskerde bal van de begrippen gaat de slogan graag door voor definitie.

Er zijn diepgelovige mensen — die het alleen maar aan religie ontbreekt.

Sinds de uitvinding van de mens vervolmaakt men hem enkel met prothesen.

Om bij de bron te komen moet men tegen de stroom in zwemmen.

Een onsterfelijk auteur sterft in zijn epigonen.

Ach, als wij maar het leven zagen en niet de situaties.

Er zijn zebra’s die vrijwillig achter tralies zitten om er als witte paarden uit te zien.

Ik ben optimist. Ik geloof aan de bevrijdende invloed van het pessimisme.

Zijn geweten was rein. Hij gebruikte het nooit.

‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap!’ Maar hoe komen we aan de werkwoorden?

Of de mensen ooit zo’n moreel niveau zal bereiken dat hij voor nomaden mobiele gevangenissen inricht?

Nooit zal de satire voor haar examen slagen. In de jury zitten haar objecten.

Iets fijns: perspectief — een mogelijkheid om uw vijanden klein te krijgen.

Om een diepe gedachte te bereiken moet u klimmen.

De mens? Een afvalprodukt van de liefde.

Een mens met een groot hart moet aan evenwichtsstoornissen lijden.

Het begrijpen van menig werk komt overeen met het scheppen ervan.

Autodidacten zouden zichzelf trouw moeten blijven en niet de anderen willen beleren.
Op de smaak van criticus X kan men zich verlaten. Hij is betrouwbaar slecht.

Satirici sterven met een pinkend oog.

Rechtvaardiging van de kannibalen: 'Mensen zijn beesten.'

De armen van geest kunnen zich slechts een goedkoper optimisme veroorloven. Het kost weliswaar ook veel, niet hun, maar de anderen.

Vijl aan je gedachten; misschien is dat een manier om te ontkomen.

Ik ken gevolgen die ieder jaar weer een nieuwe oorzaak hebben.

Hoe rozig — wanneer er op het bloed een paar tranen vallen.

De leges veranderen de logos.

De waarheid ligt meestal in het midden. (En zonder gedenksteen.)

Waarheen leidt de consequentie ons? Dat wordt door haar escorte bepaalt.

Men moet het aantal gedachten dusdanig vermenigvuldigen dat het aantal bewakers er niet langer voldoende voor is.
____

vrijdag 20 november 2009

Low-flying aircraft and other stories - J.G. Ballard

Beroepsoplichters weten dat ze met hun verhalen zo dicht mogelijk bij de waarheid moeten blijven — dan worden leugens vlot geslikt. Op eenzelfde manier ben ik veel vatbaarder voor dystopiën die zich in de nabije toekomst afspelen, op deze planeet, dan voor SF-verhalen van schrijvers die alle remmen loslaten. Dystopiën op papier hebben ook nog eens voor op films dat een schrijver niet automatisch zijn toevlucht hoeft te nemen tot spektakel, lawaai en special effects.

In Low-flying aircraft and other stories, bijvoorbeeld, is het leven zowat even opwindend als in een terrarium. De wereld oogt kaal, zanderig, overwoekerd. Wat door mensenhanden is gemaakt, ligt meestal in puin, in staat van ontbinding, wegroestend. Het aantal personages wordt tot het minimum beperkt en hun daden hebben niets heroïsch. De apocalyps heeft al plaatsgevonden — buiten het beeldbereik van het verhaal. J.G. Ballard is Roland Emmerich niet.

Ballard, dit jaar overleden, had zo het pattent op dit type toekomstverhalen dat het adjectief 'Ballardian' het Engelse woordenboek haalde. 'Ballardian' betekent zo veel als: 'resembling or suggestive of the conditions described in J. G. Ballard’s novels and stories, especially dystopian modernity, bleak man-made landscapes and the psychological effects of technological, social or environmental developments'.

Zelf leerde ik Ballard kennen via de indrukwekkende roman Millenniummensen, en eigenlijk is het een raadsel waarom het jaren duurde voor ik nog eens een boek van 'm las.

Om verschillende redenen was ik opnieuw zeer geporteerd voor deze kortverhalen. Uiteraard zijn ze goed geschreven. In tegenstelling met zoveel SF-schrijvers is Ballard een, beladen woord, literator. Iemand voor wie woorden niet zomaar een vehikel zijn om ideeën of gebeurtenissen door de strot van de lezer te rammen. Ballard schrijft met liefde voor het totaaloverzicht en liefde voor het kleine detail, zoals een John Updike zou doen. Een realist is-ie, maar dan eentje die een realistische setting injecteert met het vergif van zijn nachtmerrie-achtige visioenen.

Ballard zit ook niet in het wilde weg te verzinnen. Hij draait de bankschroef rond de werkelijkheid een ietsje aan en ziet dan wel wat er gebeurt. Meer niet. Eén onheilspellende premisse is genoeg.

In het titelverhaal, dat aan de Spaanse kust speelt, slinken de geboortecijfers van de populatie snel, niet omdat de vruchtbaarheid te wensen overlaat, maar omdat steeds meer borelingen misvormd ter wereld komen en daarom meteen worden afgeslacht. Ballard toont de gevolgen. 'The dead astronaut' laat onder meer zien wat voor mensen rondscharrelen op een vergane NASA-basis. En in 'The life and death of God' lijkt God zich eindelijk te openbaren in zogenaamde "ultra-microwaves".

This almost intangible electromagnetic system unmistakably exhibited a complex and continously changing mathematical structure with all the attributes of intelligence.
Alle belangrijke godsdiensten verenigen zich na deze ontdekking. De wereldvrede lijkt even ophanden, maar die is alleen maar desastreus. Niemand durft nog te liegen met een opperwezen op de achtergrond, zodat het handelsverkeer, gebaseerd op leugen, verkruimelt. Sowieso komen alle belangrijke prestaties voort uit de duale (goed/slecht) natuur van de mens. Mensen worden ook overmoedig.
However, a few sporting rifles were retained when the spirit of universal brotherhood produced its first casualty — a Swedish engineer in Bengal who attempted to embrace a tiger. Warnings were issued that an awareness of God’s existence had yet to extend to the lower members of the animal kingdom, where for the time being the struggle for life remained as pitiless as ever.
En omdat duidelijke directieven van God uitblijven terwijl de chaos toeneemt, ziet de zogenaamde Faith Assemby zich ten slotte genoodzaakt openlijk aan het bestaan van God te twijfelen. Het had de synopsis van een roman van José Saramago kunnen zijn. Net zoals mijn favoriet 'The comsat angels', trouwens, over een groep wonderkinderen die achter de schermen alle sleutelposities van het wereldbestel innemen. En niet zomaar.

Toch vermoed ik dat Ballard, in tegenstelling tot Saramago, evenveel wordt gedreven door de esthetiek van de landschappen die hij beschrijft dan door nieuwsgierigheid in de afloop van een gedachte-experiment. Niet alle verhalen hebben een duidelijke clue. Het panaroma weegt zwaarder door dan de plot. Ballard volstaat vaak met enkele vale personages, rommelend in de marge van een vergane wereld. Soms zijn die figuren de enige levende wezens aan de horizon: koningen zonder rijk, urban explorers tegen wil en dank. Sinds ik als kind Robinson Crusoe las, houd ik erg van dat perspectief.

Ballard schildert graag ruïnes, als een romanticus bijna. Vaak starten zijn verhalen idyllisch, menselijk, van dichtbij, om daarna uit te zoemen tot een onherbergzame leefomgeving vol 'industrial waste' zichtbaar wordt. Opener 'The ultimate city' is daar een voorbeeld van. Wat begint met een mooie zweefvlucht eindigt toch weer in kaalgeslagen moderniteit.

Het knappe van 'The ultimate city' is dat de zaken er worden in omgedraaid. Een man die is opgegroeid in Garden City — een maatschappij drijvend op geavanceerde agricultuur en zonne-energie, met inwoners die naar Polynesisch model zijn opgevoed — wordt zowaar bekoord door de aanblik van een verlaten grootstad, en door de rauwe energie van machines en motoren. Zijn tocht door deze wereld van ijzer, glas en chroom krijgt zelfs bucolische trekjes: hij steekt rivieren over, eet bij het kampvuur... Het verhaal eindigt ermee dat een groepje vrijwilligers de stad weer levensvatbaar wil maken. Van microcosmos tot metropolis. Sim City, maar met alle infrastructuur al aanwezig.

Vliegtuigen zijn belangrijk in deze bundel. Om de chaos vanuit de lucht te overschouwen. Om aan de woestenij te ontsnappen. Als luchtbrug. Of als wrak, begraven in het zand — tastbaar relict uit een voltooid verleden. De vliegtuigen in 'The ultimate city' geven dan weer mooi aan hoe de hoofdpersoon evolueert. Het zweefvliegtuigje van eerst moet plaatsmaken voor een toestel met propeller.

Ik weet te weinig af van science-fiction — volbloed science-fiction — besef ik weer eens. Er is zoveel leven na Orwell, Huxley, Calvino of Douglas Adams. Door Low-flying aircraft and other stories ging ik het internet afzoeken naar de meer 'literaire' auteurs in het genre.

Ik kwam met het volgende lijstje thuis: Ursula K. Le Guin, Karel Čapek, Jonathan Lethem, William Gibson, Stanisław Lem, Philip K. Dick, John Wyndham, Robert A. Heinlein, Jevgeni Zamjatin, Ray Bradbury, Samuel R. Delany, Kurt Vonnegut, Robert Charles Wilson, John Scalzi, Arthur C. Clarke, Isaac Asimov, Neal Stephenson, Theodore Sturgeon, Cory Doctorow, Margaret Atwood, Roger Zelazny en Vernor Vinge.

Verdere tips altijd welkom.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

J.G. Ballard, Low-flying aircraft and other stories
191 p.
Uitgeverij Triad/Panther, 1985
Oorspr. (1976)

____

donderdag 19 november 2009

Gespot op blogspot dot com [17]

New York Intellectuals ['reconstituer un aspect de la vie quotidienne et intellectuelle aux Etats-Unis']
> http://newyorkintellectuals.blogspot.com/

The Pulitzer Project ['reading all 82 winners of the Pulitzer Prize for Fiction']
> http://pulitzerproject.blogspot.com/

News from 1930 ['my reading of the Wall Street Journal from the corresponding day in 1930']
> http://newsfrom1930.blogspot.com/

____

Journalisted

"Journalisted is an independent, not-for-profit website built to make it easier for you, the public, to find out more about journalists and what they write about. The site allows you to: search articles published on UK national newspaper websites and BBC News by journalist, news outlet, subject and key word; read all articles by a particular journalist; compare a journalist’s articles with those of other journalists who write about similar subjects; find similar articles to the one you’re reading."

> http://www.journalisted.com/

____

Found in mom's basement

"Vintage advertising — found in my mother's basement, flea markets and various corners of the Internet — dusted off and displayed for your viewing pleasure."

> http://pzrservices.typepad.com/vintageadvertising/

____

The Comics Curmudgeon

Blog on newspaper comics.

> http://joshreads.com/

____

woensdag 18 november 2009

Now & then - Robert Hass

Hallucinant hoe weinig Amerikaanse poëzie er in Nederlandse vertaling verschijnt, in vergelijking met het aantal romans, popsongs en films dat ons uit de States bereikt. Waarom, eigenlijk? Is het omdat er in Amerika, zoals overal, te veel gedichten verschijnen en het overzicht zoek is? Omdat de transatlantische poëzie vaak wordt verpest door Franse theorieën over taal? Of, in het verlengde daarvan, omdat Amerikaanse dichters alleen iets losmaken op universitaire campussen?

Wie dus wil weten wat er leeft in Amerika moet het internet op, of boeken als dit laten invliegen. Robert Hass (1941) — dichter, Pulitzerprijswinnaar, vertaler van Milosz — was Poet Laureate in de Verenigde Staten van 1995 tot 1997. In die hoedanigheid deed hij wat poet laureates meestal doen om poëzie te promoten: lezingen geven, congressen beleggen, een dichtwedstrijd uitschrijven.

Zijn beste zet, of in ieder geval de bijdrage met de meeste weerklank, lijken me evenwel de stukjes die hij schreef voor de Washington Post toen zijn ambtstermijn zowat ten einde liep. Op verzoek van de Post's Book World schreef hij elke week een column over poëzie voor een algemeen publiek. Zelfs voor de Amerikaanse krant was zo'n column over poëzie (niks bijzonders in de negentiende eeuw) een noviteit geworden.

The aim was to introduce poetry to people who had never read it at all; to reintroduce it to people who had read it in school but had gotten out of the habit and, having an impulse to find their way back to it, but didn’t know where to start; and to give people who did read poetry some poems and ideas about poems to think about.
De bijdragen van Hass kenden een groot succes en werden overgenomen door een vijfentwintigtal kranten in heel Amerika. Hass kreeg brieven met leestips, suggesties voor alternatieve interpretaties en zelfs vertalingen van amateurs. Vier jaar hield hij het vol, van 1997 tot 2000. Now & then brengt alle columns bijeen.

Now & then is opgevat als een getijdenboek. Hass kiest en becommentarieert gedichten die de seizoenen, het weer of de actualiteit hem ingeven. Een werkwijze die me overigens vreemd is: ik lees nooit gedichten die passen bij de stemming van het moment; ik lees gedichten juist om in een bepaalde stemming te komen (ook al omdat het weer in België, een land waar het 300 dagen per jaar tussenseizoen is, niets in me losmaakt).

Nu doet Hass er zeker goed aan poëzie te kiezen die bij de actualiteit aansluit. Het onderstreept de veelzijdigheid van het genre, en toont aan dat poëzie prima in de realiteit kan verankerd zitten. Hass leest Ierse dichters wanneer het vredesproces in Noord-Ierland zijn beslag krijgt, leest Vasko Popa wanneer Amerikaanse piloten Belgrado bombarderen, leest Keats op Halloween (zijn verjaardag) en leest een toepasselijk vers van Emerson op Independence Day.

Hass haalt niet het niveau van pakweg Gerrit Komrij ten tijde van In liefde bloeyende, maar doet hoe dan ook a good job. De teksten zijn toegankelijk en informatief, de toon welwillend — de toon van een gids die achteraf geen fooi hoeft. Bestudeer, bijvoorbeeld, de manier waarop hij die ouwe Horatius nader bij een Amerikaans publiek probeert te brengen.
It’s spring. And here’s a chance to print a song of the season that comes from a very old, sun-lit, Mediterranean sanity. Also a chance to notice a remarkable new book.
One of the central poets to the history of lyric poetry in the European tradition is Quintus Horatius Flaccus, whom we know as Horace. He was born into the turmoil of Roman history when Rome was emerging as a world power. He fought, as a young man in those turbulent years, in the wars that followed the assassination of Julius Caesar, and wrote most of his poems in the age of Augustus.
With Catullus and Vergil and Ovid, he’s one of the four great lyric poets of ancient Rome, studied and studied by English poets when all schoolchildren studied Latin and English poetry was finding its way. Indeed for English poets from Shakespeare’s time to the end of the nineteenth century, he was the man. He spent most of his life in retirement — he practically invented the idea of “retirement” for European culture — on a modest Sabine farm in the country outside Rome. He wrote immensely civilized, poised, exquisitely polished, and apparently casual poems about the countryside and the Roman seasons, about not living in whatever the Augustan equivalents were for the corridors of power and the feeding frenzies of the media and the fevers of the deal.
His values were the gentleman farmer’s ideals. Balance was what he admired, independence, privacy, friendship, a sensible prosperity, good wine, the fruits of the season. Republican rather than Empire in a Roman — and probably American — sense. All of the founding fathers of the American republic had learned their Latin by translating his poems as schoolboys, and many of their assumptions (including the assumption, much uneasier in the Americas, of a slave-owning economy) were Horace’s assumptions. Thomas Jefferson’s vision, though he thought it would take a revolution to get there, was, I think it’s accurate to say, Horatian.
These are reasons to read Horace, but the deepest reason is pleasure. He’s a beguiling poet. Reading him in stray moments for weeks on end is, I’ve been finding, like carrying around a particularly delicious and soothing dream-trace. “Soothing” isn’t quite accurate for the complexity of Horace’s mind, but is was the idea of him for the poets of the early twentieth century, which is why he fell out of favor and why he hasn’t really had a good English translator — until now — in this century. But now there is one. David Ferry, a New England poet and a Wordsworth scholar, has published a complete translation of Horace’s most famous work, The Odes of Horace (Farrar, Straus & Giroux), and it’s wonderful to read, as if it were composed in the mind’s own suave version of English Latin. The Odes have to be lived with — they’ll make great summer reading of a mellow and reflective kind — and one sample won’t convey that. But here’s the flavor — cut to a spring day in Italy two thousand years ago where Horace’s friend Lucius Sestius is worried about his place in society and about his love life:

To Sestius

Now the hard winter is breaking up with the welcome coming
Of spring and the spring winds; some fishermen,
Under a sky that looks changed, are hauling their
caulked boats
Down to the water; in the winter stables the cattle
Are restless; so is the farmer sitting in front of his fire;
They want to be out of doors in field or pasture;
The frost is gone from the meadow grass in the early mornings.
Maybe, somewhere, the Nymphs and Graces are dancing,
Under the moon the goddess Venus and her dancers;
Somewhere far in the depth of a cloudless sky
Vulcan is getting ready the storms of the coming summer.
Now is the time to garland your shining hair
With myrtle or with the flowers the free-giving earth has given;
Now is the right time to offer the kid or lamb
In sacrifice to Faunus in the firelit shadowy grove.

Revenant white-faced Death is walking not knowing whether
He's going to knock at a rich man's door or a poor man's.
O good-looking fortunate Sestius, don't put your hope in the future;
The night is falling; the shades are gathering around;
The walls of Pluto's shadowy house are closing you in.
There who will be lord of the feast? What will it matter,
What will it matter there, whether you fell in love with Lycidas,
This or that girl with him, or he with her?.
Let wel: Hass is spaarzaam met aanwijzingen wanneer dat gepast is. In een van zijn stukjes geeft hij vier verschillende vertalingen van 'Herbsttag' (Rilke), met de onderliggende oproep: lees die dingen eens, beste mensen, en vergelijk. In een alleraardigst stukje, getiteld '‘One thousand years of poetry in English : a millennium gathering’, overloopt hij met zevenmijlspassen duizend jaar Engelse poëzie aan de hand van een dozijn goedgekozen coupletten en een minimum aan duiding.

Altijd geeft Hass editie-informatie en spoort hij zachtjes aan om boeken te kopen en te lezen. Ik leer op die manier dat veel Amerikaanse poëzie wordt gepubliceerd door university presses, en probeer tussendoor de namen te onthouden van de uitzonderingen: New Directions vooral, naast Ecco Press, Beacon Press, Houghton Mifflin, Herder & Herder, Copper Canyon Press... Hass vermeldt ook trouw de geboortestad van elke dichter, waaruit ik opmaak dat dat van belang is, dat er regionale verschillen zijn.

De keuze blijft het hele boek door boeiend, wat niet uitsloot dat de meeste gedichten me weinig zeiden. Hass selecteert een paar van mijn persoonlijke favorieten (Bishop, Zagajewski), maar ook gemakkelijk twee dozijn dichters die me volslagen onbekend zijn. Iemand gehoord van de Koreaanse dichter Ko Un, die een gedicht schreef over elke persoon die hij kende?

Soit. Hass' visie op gedichten is op de keper beschouwd ook de mijne: poëzie is taal die de menselijke ervaring nieuw leven inblaast en de retoriek van alledag probeert te overstijgen, zonder van de weeromstuit te vluchten in onbegrijpelijkheid. Toen hij deze bundel redigeerde — en Amerika steeds dieper in de Iraakse modder zakte — besefte Hass te leven
in a time of enormously heightened rhetorical violence, in which the politicians and the press, particularly the television news channels, have collaborated. This realization had the effect for me of making the poems, as I reread them, seem admirably measured and sane. They do not always succeed — I was trying to give people a sense of the breadth and range of poetry, both old and new, and I often turned to whatever came into my hands — but most of the poems were trying to get the weight and shape of experience.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Robert Hass, Now & then : the poet’s choice columns 1997-2000
301 p.
Uitgeverij Counterpoint, 2007


Robert Hass - via Echo in the sense


Vijf gedichten uit de bundel die me aanspraken:

Wind and water and stone - Octavio Paz

The water hollowed the stone,
the wind dispersed the water,
the stone stopped the wind.
Water and wind and stone.

The wind sculpted the stone,
the stone is a cup of water,
The water runs off and is wind.
Stone and wind and water.

The wind sings in its turnings,
the water murmurs as it goes,
the motionless stone is quiet.
Wind and water and stone.

One is the other and is neither:
among their empty names
they pass and disappear,
water and stone and wind.



Ghazal - Agha Shahid Ali

The only language of loss left in the world is Arabic.
These words werer said to me in a language not Arabic.

Ancestors--you've left me a plot in the family graveyard--
Why must I look, in your eyes, for prayers in Arabic?

Majnoon, his clothes ripped, still weeps for Laila.
O, this is the madness of the desert, his crazy Arabic.

Who listens to Ishmael? Even now he cries out:
Abraham, throw away your knives, recite a psalm in Arabic.

From exile Mahmoud Darwish writes to the world:
You'll all pass between the fleeting words of Arabic.

The sky is stunned, it's become a ceiling of stone.
I tell you it must weep. So kneel, pray for rain in Arabic.

At an exhibition of miniatures, such delicate calligraphy:
Kashmiri paisleys ties into the golden hair of Arabic!

The Koran prophesied a fire of men and stones.
Well, it's all now come true, as it was said in the Arabic.

When Lorca died, they left the balconies open and saw:
his qasidas bradided, on the horizon, into knots of Arabic.

Memory is no longer confused, it has a homeland--
Says Shammas: Territorialize each confusion in a graceful Arabic.

Where there were homes in Deir Yassein, you'll see dense forests--
That village was razed. There's no sign of Arabic.

I too, O Amichai, saw the dresses of beautiful women
And everything else, just like you, in Death, Hebrew, and Arabic.

They ask me to tell them what Shahid means--
Listen: it means "The Beloved" in Persian, "witness" in Arabic



Discourse - Lee Ann Brown

talking fancy
without much to
drink



Black stone on top of a white stone - César Vallejo

I shall die in Paris, in a rainstorm,
On a day I already remember.
I shall die in Paris-- it does not bother me--
Doubtless on a Thursday, like today, in autumn.

It shall be a Thursday, because today, Thursday
As I put down these lines, I have set my shoulders
To the evil. Never like today have I turned,
And headed my whole journey to the ways where I am alone.

César Vallejo is dead. They struck him,
All of them, though he did nothing to them,
They hit him hard with a stick and hard also
With the end of a rope. Witnesses are: the Thursdays,
The shoulder bones, the loneliness, the rain, and the roads...



Poem for the old year - Tessa Rumsey

January. The archer aims at himself.
His target is the eye of a fish. River
is frozen. Field rises in mists of lost
desire and steams the sealed sky open.
Fish be ruby-weeping. Fish be nailed
through scale onto door of silver birch.
Over the mountain beaten boy searches
for his teeth inside a clump of brambles.
The sound of thorns through his skin
is mercy. The sound of a beautiful fish
being nailed to a door is mercy, mercy.
Nobody knows the origin of music,
or who wind pitches for between rock
and rock like a bronco heart kicking
in its cage. Breeze seduces bow. Bow
abandons arrow. Boy finds shelter
in thicket and hears music of his breath
through ugly, twisted thistles. come
home. It's time to begin again. A boy
is nailed to the door and a fish is aimed
at an archer, mountain is weeping rubies
onto frozen river while wind grinds
two new teeth. Who are you
inside the music of another's suffering?
When I was a nail I loved only
the hammer. When I was a breeze I died
on a door. When I was a fish
I swam without knowing not yet, or last
breath, or shore.
____

Related Posts with Thumbnails