zondag 25 oktober 2009

Time-out

Nieuwe berichten niet eerder dan woensdag 4 november. PvD wordt vanaf morgen wel weer aangevuld.
___

dinsdag 20 oktober 2009

De betekenis van het conservatisme - Roger Scruton

Tot voor kort werd het conservatieve gedachtengoed in Vlaanderen voornamelijk verklankt door halfzachte politici van christen-democratische signatuur. Tot iemand als Bart De Wever op de voorgrond trad, die taalvaardig en snel redenerend modieus links van antwoord diende, daarbij duidelijk verwijzend naar de ideeën van Edmund Burke en Theodore Dalrymple. Ook voor de Engelse filosoof Roger Scruton was het werk van Burke een openbaring.

De betekenis van het conservatisme bevat de tekst van een lezing die Roger Scruton uitsprak voor een Nederlands gehoor in 2001. De tekst verscheen als de eerste uitgave van de Edmund Burke Stichting, het platform voor conservatieve gedachtevorming in Nederland. Scruton geeft om te beginnen mooi aan wat de vooroordelen zijn die het conservatisme aankleven:

Conservatief zijn, werd mij verteld, betekende de kant kiezen van de ouderdom tegen de jeugd, van het verleden tegen de toekomst, van autoriteit tegen vernieuwing, van de ‘structuren’ tegen spontaniteit en leven.
Nog erger dan deze vooroordelen was het doodzwijgen van conservatieve denkers in de jaren dat Scruton (1944), een arbeidersjongen die zich opwerkte tot hoogleraar, tot intellectuele wasdom kwam. De kans dat je ernstig conservatieve ideeën met de paplepel mee naarbinnen krijgt, vroeger maar ook nu, is heel gering, tenzij je rijk of als aristocraat geboren bent.
De Nederlanders zouden eens moeten stilstaan bij het opmerkelijke feit dat de universiteit van Oxford, die een eredoctoraat heeft verleend aan Bill Clinton omdat die ooit op haar terrein heeft rondgehangen, hetzelfde eerbetoon heeft ontzegd aan Margaret Thatcher, de beroemdste van al degenen die er na de oorlog zijn afgestudeerd, en de eerste vrouwelijke premier van Groot-Brittannië. Ze zouden eens moeten stilstaan bij sommige anderen die eredoctoraten hebben gekregen van Britse academische instellingen — Robert Mugabe bijvoorbeeld, of wijlen mevrouw Ceausescu — of ze zouden eens (op de vingers van één hand) het aantal conservatieven moeten tellen dat is verkozen in de Britse Academie.
Scrutons liefde voor de traditie kreeg eerst gestalte in de modernistische theorieën van T.S. Eliot, die de traditie beschouwde "als een zich voortdurend ontwikkelend maar toch ononderbroken proces, dat door elke toevoeging wordt gereconstrueerd, en dat het verleden aanpast aan het heden en het heden aan het verleden". Het gaf Scruton een rechtvaardiging voor zijn amodieuze interesse in de filosofische en literaire canon.

Maar op filosofisch vlak vormden Marx, Lenin en Mao dus het denkkader in Engeland, kijk alleen al naar het werk van de marxistische historicus Eric Hobsbawm, die in deze tekst zwaar wordt aangevallen. Ironischerwijs bevond Scruton zich ook nog eens in Parijs toen de meirevolte van '68 daar losbarstte. Terwijl de studenten de straatstenen uitbraken, al dan niet aangejaagd door Les mots en les choses, waarin Foucault stelde dat cultuur en kennis niets anders zijn dan 'discoursen' van macht, voelt Scruton dat er iets niet klopt. Dat het protest in wezen puberaal is, ondiep is, geen valabele alternatieven biedt.

Scruton stelt het voor dat hij, terwijl onder zijn raam de anarchie losbreekt, de Mémoires de Guerre leest van De Gaulle. Volgens de gaullistische visie wordt een natie niet gekarakteriseerd door haar instituties maar door haar taal, religie en hogere cultuur; in tijden van oorlog en onrust zijn het deze geestelijke zaken die moeten worden beschermd en herbevestigd in hun waarde.

Scrutons intuïtie wordt verder aangewakkerd door zijn opleiding. Hij studeert (onder meer) rechten en vindt in het Engelse wetboek een systeem dat staat als een huis, waarbij tot zijn vreugde aan utopisten en ontevredenen geen bijzondere voordelen worden gegeven.
De wet wordt op alle punten ingeperkt door de realiteit en utopistische visies hebben er geen plaats. De Common Law van Engeland is daarnaast het bewijs dat er een duidelijk verschil bestaat tussen legitieme en illegitieme machtsuitoefening, dat macht kan bestaan zonder onderdrukking, en dat autoriteit een levende en werkzame kracht is in het menselijk gedrag. Het Engels recht, zo stelde ik vast, is het antwoord op Foucault.
Scrutons denken spiegelt zich meer en meer aan de Amerikaanse intellectuele traditie, waar het conservatisme veilig werd gesteld door het Amerikaanse patriottisme en de Koude Oorlog, dat zich uitdrukkelijk tegen de marxistische vijand keerde. Daar las men nog Montesquieu, Tocqueville en de Founding Fathers. Daar kon men zich voeden met het werk van Leo Strauss, Eric Voegelin, Hayek, Friedman.

En dus ook met het werk van Edmund Burke. Scruton leert van hem dat het conservatisme uitgaat van de menselijke psyche in haar gewone, niet-geëxalteerde vormen. Dit in tegenstelling tot de utopisten, die starten vanuit een volstrekt abstracte kijk op de menselijke geest.
Dankzij Burke drong het tot mij door dat onze noodzakelijkste overtuigingen vanuit ons eigen perspectief wellicht onverantwoord zijn en ook nooit te verantwoorden, en dat de poging om ze te verantwoorden alleen maar zal leiden tot het verlies ervan. Door hen te vervangen door de abstracte rationele systemen van de filosofen denken wij wellicht dat wij onszelf daarmee tot een hoger niveau van redelijkheid verheffen en beter uitrusten voor het leven in de moderne wereld. Maar feitelijk zijn we minder goed uitgerust en zijn onze nieuwe opvattingen veel minder gerechtvaardigd, juist omdat ze uitsluitend door onszelf gerechtvaardigd zijn. De werkelijke verantwoording van een vooroordeel is die waardoor het wordt verantwoord als een vooroordeel, niet als een rationele conclusie van een betoog. Zij is een verantwoording die niet vanuit ons eigen perspectief kan worden gegeven, maar alleen als het ware van buitenaf, zoals een antropoloog de gewoonten en rituelen van een vreemde stam verantwoordt.
Als voorbeeld geeft Scruton de vorm die seksuele relaties tegenwoordig aannemen.
Deze variëren van samenleving tot samenleving, maar tot voor kort hadden ze een gemeenschappelijk kenmerk, namelijk dat mensen fatsoenlijk van onfatsoenlijk gedrag onderscheiden, afschuw hebben van expliciet sekuseel vertoon, en bij de onderhandelingen die voorafgaan aan de seksuele vereniging eerbaarheid verlangen van vrouwen en ridderlijkheid van mannen. Daarvoor zijn heel goede antropologische redenen, zoals de stabiliteit van seksuele relaties op lange termijn, en de verplichtingen die ouders moeten aangaan om hun kinderen voor te bereiden op het volwaardig lidmaatschap van de samenleving. Maar dit zijn niet de redenen die het traditionele gedrag van mannen en vrouwen motiveren. Dat gedrag wordt bestuurd door diepliggende en onwrikbare vooroordelen, die uiteindelijk zijn geworteld in gevoelens van schandaal, schaamte en eer. De seksuele bevrijder zal zonder moeite laten zien dat deze motieven irrationeel zijn, in die zin dat het individu geen beredeneerde verantwoording ter verdediging ervan ter beschikking staat. En hij kan seksuele bevrijding voorleggen als een rationeel alternatief, omdat dit een complete code voor het handelen afleidt uit een doel dat zich kenmerkt door een transparante redelijkheid: seksueel genot.
Scruton ontdekte terloops dat Burke in zijn debuut (Essay on the sublime and the beautiful) de link maakte tussen esthetiek en politiek, een band waar Scruton al van jongsaf van overtuigd was.
Als tiener leerde ik dat esthetische oordelen wel degelijk van belang zijn, dat zij niet louter een kwestie zijn van subjectieve meningen, maar voortkomen uit een diepgeworteld sociaal gebod, en dat ze voor ons van belang zijn op precies dezelfde manier als andere mensen voor ons van belang zijn, wanneer we met hen in een gemeenschap willen samenleven. En het kwam mij voor dat de esthetica van het modernisme, met zijn ontkenning van het verleden, zijn vernieling van landschappen en stadsgezichten, en zijn poging de wereld te ontdoen van de geschiedenis, ook een ontkenning betekende van gemeenschap, huis en woonplaats. Modernisme in de architectuur was een poging om de wereld te herscheppen alsof daar niets anders dan geatomiseerde individuen in leefden, losgeweekt uit het verleden, levend als mieren in hun metalen, functionele dozen.
Uiteraard leest Scruton Burke's hoofdwerk over de Franse Revolutie. Tot dan toe deelde hij quasi-gedachtenloos de klassieke liberaal-humanistische interpretatie van de Franse Revolutie. Burke overtuigt Scruton er echter van dat samenlevingen niet zijn georganiseerd volgens een plan of een doel en dit ook niet kunnen zijn, dat er geen richting bestaat in de geschiedenis, en dat er niet zoiets is als een morele of spirituele vooruitgang. Burke verdedigde autoriteit en gehoorzaamheid, ook al omdat die uiteindelijk de vrijheden van het individu beter garanderen. Mensen, zeker in tijden van crisis, hebben behoefte aan organisatie, hiërarchie en een bevelstructuur. Al was het maar om de wereld als een keurige rentmeester te beheren voor toekomstige generaties, iets wat revolutionairen makkelijk uit het oog verliezen.
Op geen enkele manier kunnen mensen collectief vrijheid, gelijkheid en broederschap nastreven, niet alleen omdat die zaken erbarmelijk slecht en louter abstract zijn omschreven, maar ook omdat de collectieve rede niet op die manier werkt.
De waarde van deze visie zou Scruton pas echt duidelijk worden toen hij zag hoe Tsjechische dissidenten zich bewogen onder de communistische dictatuur. Orwell leek veel relevanter voor Centraal-Europa dan de goegemeente dacht. Scruton zou zich actief inzetten ter ondersteuning van het anticommunistische verzet in (het toenmalige) Tsjechoslowakije.

Scrutons ideeën, hoe respectabel ook, zullen nooit de mijne worden. Al was het maar omdat ik "de vreugdeloze wereld" die zou ontstaan zijn door de seksuele bevrijding helemaal niet waarneem. Ik pas voor het Engeland van de landheren dat hij voorstaat. En ik ken iets te veel redelijke, interessante, weinig radicale mensen die leven in modernistische huizen, om Scrutons esthetische opvattingen serieus te nemen.

Hoogstens beschouw ik een denker als Scruton als een noodzakelijk correctief voor onzinnige linkse (of juist kapitalistische) uitwassen, en een wereld "waarin de mondiale economie de bindingen met onze woonomgeving grondig verstoort, en waarin materialisme en luxe de geest afleiden van zijn eigenlijke levenstaak."

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Scruton op Achille: Waarom cultuur belangrijk is

Roger Scruton, De betekenis van het conservatisme
48 p.
Uitgeverij Aspekt, 2001

____

maandag 19 oktober 2009

Brief aan de gelukkige jongen die ik was - Franco Ferrucci

Ik ben inmiddels de dertig gepasseerd, en daarom ben ik niet meer zo gevoelig voor de docerende vorm. De vorm waarin een schrijver zich opwerpt als leermeester, die aan zijn pupil de raadselen van het bestaan uitlegt. Meestal komt zo'n boek met een simpele religieuze insteek, of begint de schrijver het op een pantheïstisch gewauwel te zetten ('samen één met de moederlijke natuur'). Beide varianten kan ik niet uitstaan. Maar deze Ferrucci dwingt sympathie af.

Het betoog van Franco Ferrucci is dan ook areligieus, in bepaalde hoofdstukken antireligieus, en dat is geen vrijblijvende vaststelling voor een Italiaanse schrijver — lees: een schrijver met een Italiaans doelpubliek. Wat verder zo goed is aan zijn boek is dat het niet zozeer concrete adviezen geeft, als wel een genuanceerd wereldbeeld schetst, waar de pupil zelf mee aan de slag kan. Ferrucci getroost zich onder meer de moeite de darwinistische leer in dat wereldbeeld te verwerken, en welke consequenties die kan hebben voor onze kijk op de dingen.

Zoals elk meester versus pupil-boek baadt Brief aan de gelukkige jongen die ik was in een aangename sfeer van medeplichtigheid. Ferrucci schrijft brieven aan een adolescent, waarin hij belooft tegemoet te komen aan zijn levensvragen. Het is een instructief boek van een schrijver die houdt van boeken die geschreven zijn in een communicatieve vorm: de dialogen van Plato, de briefvorm die Schiller bij gelegenheid gebruikte, de voor declamering bestemde teksten van Homerus, Shakespeare en Dante...

Ferrucci omzeilt de grote kwesties niet, en ziet de waarde in van de jeugd van de jongen; de adolescentie is voor velen de laatste leeftijd waarin men het leven in zijn totaliteit durft te bevragen, in plaats van praktische deelaspecten, waartoe volwassenen zich doorgaans beperken. Het motto bij dit boek is niet toevallig van Camus, die in De mythe van Sisyphus ook een vraag opperde die, toch theoretisch gezien, alle andere vragen vooraf zou moeten gaan.

Niet dat volwassenen niet klaar staan met allerlei antwoorden op vragen van pubers. Zij laten inderdaad geen gelegenheid voorbijgaan om pubers van advies te dienen. Alleen is de kern van de gedachte steeds dat pubers zouden moeten worden zoals zij. Dat is nog iets anders dan een antwoord op de vraag: waarom bestaan wij? of: wat is geluk?

Als de volwassenen je niet zeggen hoe alles zit, komt dat doordat ze het niet weten. Ik ken ze, en misschien kun je mij vertrouwen: weinig volwassenen hebben een idee van wat ze op de wereld doen. De meesten zouden zelfs geheel versteld staan van onze vraag. Het enige waartoe ze in staat zijn, is je opjagen naar een toekomst als volwassene waarin je geen antwoord weet te geven en zelfs de vraag niet meer stelt. Misschien zul je niet je hart luchten zoals je dat nu doet. Maar let eens op: wat zijn dat voor dwaasheden van jouw vader? Waarom is hij zo bezeten van zijn auto, van vermageren, van boeken als hij een intellectueel is, van macht als hij politicus of van roem als hij kunstenaar is? Als je het hem vraagt, zal hij heel kwaad reageren. Probeer hem maar te zeggen dat zijn belangstelling voor politiek of cultuur nauwelijks verschilt van zijn hartstocht voor het voetbalkampioenschap, je zult zien wat zijn antwoord zal zijn. Je moet je eens indenken hoe je, aarzelend tussen school en de straat, wacht tot iemand je de dingen uitlegt.
Dat Ferrucci te goeder trouw is, bewijst het feit dat hij zich duidelijk afzet tegen een aantal schrijvers die hij eigenlijk hoog heeft zitten. Hij dient bijvoorbeeld Schopenhauer van antwoord, die beweerde dat het geluk een overgangsstadium is tussen verdriet en verveling en dus als zodanig geen echte substantie heeft. Het is een gevolgtrekking die zou kunnen worden omgedraaid, zegt Ferrucci: ongelukkig zijn is afwezigheid van geluk, niet omgekeerd. De mensen lijden omdat ze niet hebben wat ze willen hebben; het is niet juist dat ze alleen maar genieten omdat hun het verdriet wordt bespaard.

Dan is er nog Giacomo Leopardi, een canonstuk uit de Italiaanse negentiende eeuw. Leopardi was de verpersoonlijking van het soort pessimisme dat Ferrucci terecht afdoet als bijziendheid. Leopardi ging uit van de overtuiging dat het leven de mens niet wíl geven wat ze hem beloofd heeft en wat hij vraagt. Hij eiste iets van het leven en kon niet berusten bij de teleurstelling dat er niets kwam. Het verdriet om een mogelijk en vervlogen geluk speelde hem parten en daarom situeerde hij het geluk in de puberteit, omdat ze het rijkst aan verwachtingen is, de leeftijd waarop het een natuurlijke zaak lijkt naar het geluk te streven. Voor hem, de typische romanticus, vloeit, in de herinnering, het verlangen naar geluk samen met het geluk zelf. Alleen draagt het leven zelf natuurlijk geen schuld.
Bij Leopardi en andere grote pessimisten is er een inititiële dwaling die wel door het verstand, maar nooit door het gevoel is overwonnen; en het is een dwaling met diep religieuze wortels. Het is de wens te geloven dat het leven ons op de wereld heeft gezet om ons te eren en ons als ‘heren’ van de ‘schepping’ te behandelen. Het gaat om een der hardnekkigste denkbeelden die de mens ooit heeft gehad: je treft het zowel aan in het boek Genesis als in de mythe van de gouden era waarover de heidense dichters spreken. In beide gevallen is het geluksverlangen, dat van oudsher in de mens huist, omgezet in een droom; zoals wanneer jij over een brommer droomt en je die, zolang de droom duurt, werkelijk gelooft te hebben. De mensheid, bedreven in het dromen met open ogen, heeft gedroomd dat ze is geschapen om over de wereld te heersen; en toen ze besefte dat de werkelijkheid anders was, is ze in het andere uiterste vervallen en beschouwt zich als het slachtoffer bij uitstek in het universum; terwijl men juist de nederigheid had moeten opbrengen om de eigen dwaling toe te geven en te begrijpen hoe ze is ontstaan. In enkele heel rijpe perioden zoals de verlichte achttiende eeuw heeft men dit punt bereikt, om daarna terug te vallen in de enigszins infantiele klacht over het eigen verdriet. In plaats van haar dwaling te erkennen heeft de mensheid liever haar toevlucht gezocht in twee houdingen: een veroordeling van de natuur als wrede stiefmoeder, óf de aanklacht tegen de mens, die verantwoordelijk zou zijn voor de val uit de staat van gelukzaligheid (een denkbeeld dat ook bij Rousseau weer opbloeit). Volgens de bijbel ligt het aan de ongehoorzaamheid van Adam en Eva als wij nog steeds in deze wereld pijn lijden; zodat de mens, naast alle andere ellende, zich ook nog belast heeft met een vreselijk schuldgevoel; ik verzoek je dit gevoel te mijden, omdat het de zekerste aansporing is om vreselijke dingen te doen.
Geluk is een teken van goedkeuring van het leven
Hij zegt het niet met zoveel woorden, maar Ferrucci geeft daarna een lesje in kosmologie en evolutieleer. Hij legt geduldig uit dat volgens een waarschijnlijkheidsberekening het leven niet eens zou mogen bestaan. Wat een wonder het aardse bestaan is, in het licht van de astronomisch eeuwigheid. Waarom beginnen zo weinig volwassenen bij de eenvoudigste en authentiekste gebeurtenis? "We willen niet toegeven dat we deel uitmaken van een wonder dat al enkele miljarden jaren duurt — wat in het heelal niets voorstelt — en elke ochtend in dit wonder wakker worden, koffie zetten, boeken schrijven, voetballen en naar de meisjes kijken, allemaal gericht op het behoud van het leven."

Ferrucci ziet als de twee motors die het leven aandrijven: overleven en kennen. Het eerste is een darwinistische wetmatigheid, het tweede een wat mij betreft discutabele aanname, maar voor de duur van dit boek ben ik wel bereid daar in mee te gaan.

Brief aan de gelukkige jongen die ik was lees ik als een pleidooi voor een herwaardering van de diepste menselijke drijfveren. Het leven, en dat bedoelt Ferrucci zo onpersoonlijk mogelijk, begroet elke gebeurtenis die zijn overleven helpt met vreugde. Dat geldt voor de vervulling van lichamelijke behoeften "als je in een broodje hapt of een flinke slok neemt, voel je je voldaan, omdat het leven je laat weten dat het tevreden is met jouw ijver om het te behouden; en honger en dorst vormen sterke bedreigingen voor het overleven, er zijn immers nog plaatsen waar men van honger sterft."

Nog belangrijker voor ons overleven is wat Ferrucci dan maar liefde noemt (in enigerlei vorm, meer of minder duurzaam, al naar de uiteenlopendste behoeften). "Omdat de liefde, in sterkere mate dan andere dingen die ons overkomen, ons al is het maar heel even de zekerheid geeft dat het leven via ons een stap voorwaarts zet. Het leven betuigt ons zijn dankbaarheid, net als een hond die om ons heen springt wanneer we ons met hem bemoeien. Het leven kent, zoals wij allemaal, zijn problemen; en het nijpendste probleem is vooruit te komen en zich zoveel mogelijk te handhaven, en dat kan het leven alleen via ons en via alles waaruit het is opgebouwd: planten, dieren, mannen en vrouwen. Als wij overleven, overleeft het leven, ook alleen in een deeltje van zichzelf als jou en mij."

Terwijl een Houellebecq, opgegroeid in het katholieke Frankrijk, daar meteen het cynisme van zou inzien, begroet Ferrucci die wetmatigheid neutraal, of zelfs met een zekere waardering. Hij koestert integendeel wantrouwen tegen al te ingewikkelde rationalisaties van een normaal biologisch verschijnsel.
Als je verder leert hoe belangrijk de liefde voor het behoud van de soort is, zal het je niet verbazen dat ze een zo grote geluksbelofte impliceert. Toch is de liefde een van de menselijke ervaringen die het sterkst aan symbolische transformaties zijn onderworpen. Aan tafel gebruiken de mensen mes, vork en servet, ze wensen elkaar smakelijk eten, ze toosten en refereren nooit aan het feit dat dit voedsel ontlast moet worden, kortom, ze gedragen zich beschaafd, oftewel symbolisch. In de liefde wordt het rituele karakter versterkt. Datgene waartoe de geslachtsdaad in essentie dient — de voortplanting, dus het behoud van de soort — , wordt toegedekt en als het ware in een groot symbolisch gewaad gehuld. De liefde is een van de verschijnselen waarbij de mens de natuurlijke behoefte ver achter zich heeft gelaten, veel meer dan de dieren hebben gedaan (die eveneens elkaar het hof maken).
Het staat bijvoorbeeld vast dat je masturbeert. Het is min of meer onvermijdelijk, gezien alle eisen waarmee de buitenwereld jou en je volop groeiende en zo naar leven hunkerende lichaam bestookt. Als je het nu niet meer doet, heb je het zeker eerder wel gedaan, en dat was een blijk van gezondheid, van nederige erkenning van je behoeften. Hierover zijn de volwassenen nog warriger dan over al het andere; ook de verstandigsten hebben de uitzinnigste en wanstaltigste denkbeelden over seksualiteit klaar om de meest overspannen noties te accepteren. Je hoeft maar te beseffen dat het al meer dan een halve eeuw haast onmogelijk is de theorie van Freud tegen te spreken (in menig ander opzicht een groot man), volgens wie elk klein kind onbewust zijn vader wil vermoorden om diens plaats bij de moeder in te nemen. Je hebt geen idee wat een ernstig gezicht de volwassenen trekken als ze eerbiedig aan zoiets bizars refereren. Terwijl de kinderen masturberen, bespreken de volwassenen met elkaar het Oedipus-complex (zo heet dit denkbeeld van Freud), in plaats van zich serieus te interesseren voor de behoeften van opgroeiende mensen, die heel wat eenvoudiger en natuurlijker zijn dan de wens hun vader te vermoorden. En je hoeft je niet te schamen, want schaamte staat aan de wieg van al onze vervormingen. De leugen is enkel een schandelijke manier om de waarheid te zeggen, waarbij men haar vrijwel onherkenbaar maakt.
Voor Ferrucci is het duidelijk. Geluk, of een geluksgevoel, is een teken van goedkeuring afkomstig van het leven, die ons in zijn speciale taal meedeelt dat het tevreden is over de manier waarop de dingen lopen. Omgekeerd is lijden de manier waarop het leven zijn misnoegen uit, in het meest extreme geval is dat de doodangst bij levensgevaar: "het is het leven dat via ons lijdt, omdat het leven het onaangenaam vindt wat dan ook te verliezen; het zou elk deel van zichzelf willen behouden, terwijl het juist voortdurend stukjes van zichzelf verliest." Haat ziet Ferrucci dan als een omkering van liefde, vrucht van wrok en onbevredigd verlangen.

Met het verhaal van de spin die de vlinder vangt en opeet (geen leermeesterboek zonder allegorieën en parabels) probeert Ferrucci vervolgens te wijzen op de innerlijke tegenspraak van het leven.
Nu weten we het: het leven valt zichzelf aan. Iets anders kunnen we niet concluderen. Je kunt de spin en de vlinder als twee krijgers van vijandelijke legers opvatten, als individuen die onderling sterker verschillen dan wij zouden verschillen van een marsmannetje, maar het door ons ontdekte feit blijft geldig. Het leven, die wonderbaarlijke pracht, is ondanks al zijn aspecten één enkel ding en probeert van alles om te overleven. Twee van die pogingen zijn de spin en de vlinder, die evenwel honger hebben en dag en nacht naar voedsel zoeken; in feite denken ze nergens anders aan. En wanneer ze oog in oog met elkaar staan en weten dat tussen hen alles beslist is, wat is dat dan anders dan het leven dat zichzelf bekijkt, twee minuscule onderdelen van zichzelf die proberen te overleven?
In geen enkele misdaadfilm ter wereld zag men ooit dat slachtoffer en moordenaar één en dezelfde persoon zijn; in het leven gebeurt dat echter voortdurend. Is dat niet om bij te huilen? Is het leven niet door en door slecht, als we op zo'n kwestie inzoemen?

Neen, het leven is niet goed (zoals Rousseau beweerde) of slecht (Schopenhauer), het is gewoon onverschillig. "Het is een immens organisme dat naar beste vermogen weerstand poogt te bieden, in een eeuwig verbijsterende reeks metamorfosen." Dat is ook helemaal geen drama, als we maar willen aannemen dat het leven niet op maat gemaakt is voor ons mensen.
De wereld is zeker niet voor ons mensen gemaakt, want wij maken deel uit van de wereld; en het leven handelt vía, niet vóór ons. Dat is een belangrijke waarheid die we moeten begrijpen; zoals je ziet, is de waarheid geen schepping maar een gebaar. Ze licht de sluier op die ons het zicht op de dingen beneemt.
Kunst als spel
Dan komt voor mij het interessantste deel van deze 'novelle'. Wat Ferrucci toevoegt aan dit mij bekende wereldbeeld. Zo legt hij de nadruk op de 'speelzucht' van het leven. Het spelelement. Hij ziet spelen als een zeer oud overlevingsinstinct. Ferrucci brengt het in verband met de kunstheorieën van Kant en vooral Schiller, die in feite een kritiek zijn op de kunstopvatting van Plato.

Plato dacht dat kunst volstrekt nutteloos was, en veroordeelde haar, omdat kunst van het zoeken naar de waarheid niet zijn voornaamste drijfveer had gemaakt. Voor Schiller is kunst echter een cognitieve activiteit die niet vergeet dat ze ‘spel’ is, dat wil zeggen een complete relatie aangaat met de wereld en actieve communicatie wil met alle lezers, niet alleen met de cultuurspecialisten.

Ferrucci omarmt de 'speltheorie' van Schiller en beschouwt kunst als dé activiteit van zowel de zintuigen als de rede teneinde het evenwicht en begrip tussen beide te herstellen. Hij oppert voorts een gedachte waar ik ook nogal van overtuigd ben, namelijk dat ook de rede een instinct is, niet meer en niet minder dan de andere instincten (honger, dorst, seksueel verlangen), en dat dat een moeilijk te accepteren waarheid is.
De antieke mythen, van de heidense tot de christelijke, spreken over een god die de mensen het verstand schenkt; hieruit blijkt dat vanaf het eerste begin het verstand de bezitters ervan zo heeft verbijsterd dat ze zich aangespoord voelden om het aan een opperwezen toe te schrijven, het dus te beschouwen als iets wat losstond van het natuurdomein, als een geschenk dat uit de hemel neerdaalt. Dit denkbeeld oefent nu nog grote invloed uit en gaat terug op dezelfde moeilijkheid, dat we ons volledig als deel van de natuur moeten aanvaarden.
Ferrucci leidt daar ook een criterium uit af om boeken te beoordelen. Een literair en filosofisch boek, zegt hij, is onmogelijk te begrijpen zonder je te verdiepen in het type relatie dat het met het leven heeft gevestigd (een stelling die literatuurdocenten, critici en zelfs moderne schrijvers doet huiveren). De waarde van elk boek moet je beoordelen naar de inspanning die het doet om via de cultuur het leven nabij te komen. Maar vergis je niet: die afweging is een aartsmoeilijke oefening, zowel voor 'gewone' lezers als literatuurkenners.
De fout van de ‘gewone’ lezer is zijn gebrek aan intellectuele weerstand, te wijten aan een geringe culturele voorbereiding, zodat het gemakkelijk is hem absurde, maar op zijn gevoelens inwerkende denkbeelden te laten accepteren. De fout van intellectuelen evenwel is dat ze hebben vastgesteld dat de enige manier om met het leven van doen te hebben is dat we ons en het leven een dikke, stevige dam van boeken opwerpen.
En dan gaat Ferrucci een beetje kort door de bocht door zonder reserves te stellen dat waarheid 'intuïtief' kan aangevoeld worden, want te meten naar het geluksgevoel dat het ons verschaft. Ik denk te weten waar hij naartoe wou — hij heeft iets tegen steriele logica, zonder praktisch nut, als een echte pragmatist — maar hij formuleert het nogal ongelukkig.
De vreugde is een beloning voor de bereikte waarheid, de kunst een belofte van deze vreugde. De kunst kan ook een doel op zichzelf worden, maar dan raakt ze in verval, wordt steriel en berustend; als het waar was dat ze geheel op eigen kracht kon leven, zou dit niet gebeuren. De kunst voedt zich met een verlangen naar waarheid; en wanneer die verdwijnt, houdt de jonge kunstenaar niet meer van zijn spel, want hij bespeurt daarin niet meer de zekerheid dat hij groeit.
Vervalsingen
Waarna nog dient afgerekend met de krachten die het leven en de bijbehorende vragen trachten te vervalsen. Religie is daarvan de kwalijkste: Ferrucci gaat in op de clevere introductie van de christusfiguur in het evangelie, die de figuur van de Vader, die permanent de baas speelt, zachter maakt, omdat deze nu kan treuren om het verlies van zijn zoon. Hij rekent ook af met de omkering van de waarheid in de mythe van het boek Genesis: in werkelijkheid heeft de mens de schepping van de wereld bedacht ná het beruchte vergrijp van Adam en Eva.

Religie heeft weliswaar begrepen dat de mens zich wil verlossen van de restricties die hem aan de wereld der dieren bindt (agressiviteit, geweld, fysieke behoeften, onwetendheid) maar ontspoort vervolgens, en wijst alle banden met het leven af. De hele Europese literatuur kan beschouwd worden als de soms tegenstrijdige, soms harmonische dialoog tussen een christelijk idee van de wereld en de vitale krachten die zich niet in hun verdwijning schikken en, gebruik makend van allerlei uitwegen, weer opduiken. De terugkeer van de antieke cultuur in de Italiaanse renaissance was een van deze uitwegen. (Met die kennis in het achterhoofd overwin ik mijn huiver om ooit De schepping te gaan lezen; het doorbraakboek van Ferrucci dat hier ook nog in de kast staat.)

Evenzo moeten denkrichtingen als het nationalisme, evolutionisme en marxisme het ontgelden, omdat deze zich elk van een diepgeworteld verlangen meester hebben gemaakt (het idee van gemeenschap, de strijd tegen armoede, de drang naar vrijheid) en een soort parodievoorstelling van het verlangen zelf hebben geënsceneerd. We moeten niet langer de werkelijkheid ‘veranderen’ zoals de afgelopen twee eeuwen hebben geprobeerd, vindt Ferrucci.
Het is merkwaardig te zien hoe het moderne denken dikwijls geprobeerd heeft de twee realiteiten te scheiden. Deze scheiding is begonnen bij Rousseau, een filosoof die een enorme invloed op de gehele cultuur van de negentiende eeuw heeft gehad. Rousseaus idee van een in oorsprong ‘goede’ natuur (die tevens de mens van de primitieve samenlevingen insluit), waar hij een maatschappij tegenover stelt die zich gaandeweg zo ver van de natuur heeft verwijderd dat uiteindelijk een onnatuurlijk ‘slechte’ toestand is geschapen, is een van de zwaarstwegende dwalingen in de geschiedenis der mensheid geweest. Om een even schadelijk equivalent te vinden moeten we terug naar het tegenovergestelde idee van een slechte of bedorven natuur, dat het middeleeuwse christelijke denken heeft beheerst en zijn sporen bij Machiavelli en Hobbes heeft nagelaten, twee renaissance-denkers die stellig atheïsten waren en toch diepgaand waren beïnvloed door een religieuze interpretatie van het leven.
Waarom zijn beide ideeën zo schadelijk geweest? Omdat ze gebaseerd zijn op het idee van een radicale tegenstelling tussen maatschappij en natuur (die ze vervolgens vergeefs trachten te verhelpen) die gewoonweg niet bestaat. Ook de maatschappij is een natuurverschijnsel, zij het reusachtig ontwikkeld en complex, net zoals de mens zelf, die vaak van de natuur is losgemaakt, alsof hij een gast van buiten in plaats van een in de natuur geworteld wezen is.

[...]

De menselijke samenleving, ontsproten aan de natuur, heeft essentiële trekken met haar gemeen. Ze is innerlijk tegenstrijdig en neigt derhalve tot zowel het behoud als de vernietiging van zichzelf. Omdat ze tevens een menselijk verschijnsel is (het meest complexe van alle natuurlijke groepsprocessen), vertoont de samenleving ook menselijke trekken: een behoefte aan kennis en een neiging voortdurend andere oplossingen te zoeken. De tragiek van onze tijd is dat het rusteloos experimenteren van twee eeuwen geschiedenis — vanaf de Franse revolutie tot op heden — heeft geleid tot een maatschappij die vrijwel uitsluitend functioneert dank zij de versnelling van inerte krachten (...).
Inmiddels is een werkelijkheid geschapen die vanzelf verandert zonder er nog in te slagen stil te blijven staan, zegt Ferrucci. We moeten juist rekenen op hen die voldoende in staat zijn de wereld in handen te nemen wanneer het konvooi te pletter is gereden. Daarmee, met toespelingen op een kernoorlog en totale destructie, krijgt het boek op de valreep iets gedateerds, iets dat stamt uit het begin van de jaren tachtig.

Slotsom: mooie masterclass van Ferrucci, die vooral twintigers zal aanspreken, eerder dan de adolescenten die de schrijver op het oog heeft. Het boek bevat een paar mooie lessen, die ik soms zelf vergeet. De wereld is niet voor de mens gemaakt, de rede op zich maakt niet gelukkig... Al is het gevaar van een halfbegrepen darwinisme reeël — dat een lezer zou denken dat het evoluerende leven toch een 'bedoeling' heeft, in plaats van het product te zijn van toevallige mutaties en genetische fouten.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Franco Ferrucci, Brief aan de gelukkige jongen die ik was
156 p.
Uitgeverij Wereldbibliotheek, 1994
Oorspr. Lettera a me stesso ragazzo
Vertaald door Wilfred Oranje

____

zaterdag 17 oktober 2009

Charing Cross Road 84 - Helene Hanff

Charing Cross Road 84, de correspondentie tussen de New Yorkse schrijfster Helene Hanff en het Londense antiquariaat Marks & Co, is een boekje dat door veel bibliofielen gekoesterd wordt. Verschillende toneelbewerkingen (BBC, Broadway) en een verfilming met Anne Bancroft en Anthony Hopkins droegen vast bij aan de bekendheid. Jaren geleden was ik teleurgesteld toen ik het las, maar ik moest een blik op mijn notities werpen om te weten waarom ook alweer.

Het is om te beginnen een dun boekje, honderd genereus gelay-oute pagina's, meer kattebelletjes dan brieven. Vermoedelijk zocht ik ook bedachtzame opmerkingen over boekenliefde, terwijl Helene Hanff een heel spontane vrouw is, die kraait van vreugde bij het zien van mooie edities — net dat aspect van boeken dat me koud laat, als het tenminste alleen maar daarover gaat. Boekenliefhebbers zouden eerst en vooral getuigenis moeten afleggen van wat de inhoud van een boek met hen doet.

DAT JE DIE MAMMOET-CATALOGI AL JAREN PUBLICEERT EN DAT DIT DE EERSTE KEER IS DAT HET IN JE HOOFD IS OPGEKOMEN MIJ ER EEN TE STUREN? GIJ SCHELM?
Ik weet niet meer welke schrijver uit de Restauratie iedereen een schelm noemde, ik heb het altijd al in een zin willen gebruiken.
Wel heel leuk is de ontwikkeling die elke goede brievenrelatie doormaakt. De correspondentie vangt aan met een schoorvoetend geschreven bestelling voor goedkope tweedehandsliteratuur, waarop Hanff keurig het pakket toegezonden krijgt. Een jaar later is de relatie hartelijker geworden en stuurt de schrijfster 'Paaspakketten' op, om de Londenaren te helpen die gebukt gaan onder een naoorlogs rantsoen vlees en eieren. Het meest contact heeft ze met Frank Doel, die persoonlijk haar bestellingen afhandelt, en diens vrouw Nora.

Het heen en weer schrijven zou uiteindelijk twintig jaar duren, van 1949 tot 1969. De brieven draaien om bestellingen, editiegegevens, betaalformaliteiten, de schrijverscarrière van Hanff, en boeken die ze maar niet kan vinden. Churchill wordt verkozen in 1951, voor de rest doet weinig denken aan de buitenwereld.
Als U Uw Grolier Bijbel schoon moet maken, adviseren wij gewoon water en zeep. Gooi een theelepel soda in een kannetje warm water en neem een spons met wat zeep. Ik denk dat het vuil er dan af gaat en daarna kunt U het oppoetsen met wat lanoline.
De bestellingen van Hanff omvatten, op een occasionele Catullus en Horatius na, voornamelijk Engelstalige literatuur, wat mij irriteert, zoals elk eenzijdig leesmenu. Omdat Hanff weinig vertelt over de boeken, moet de lezer zich aan de hand van de titels proberen een beeld te krijgen van haar smaak.

Met mijn leesbagage anno 2009 was me dat veel beter gelukt dan in 2002. Vele boeken heb ik ondertussen zelf gelezen: de memoires van Saint-Simon, de sermoenen van John Donne, de dagboeken van Samuel Pepys, essays van William Hazlitt. Maar er blijven onvermijdelijk gaten. Charles Lamb. Izaak Walton. E.M. Delafield en haar Diary of a provincial lady.

Voor een uitgebreidere topografie van bibliofiel Londen zie onder meer A pound of paper, van John Baxter, een boek dat meer lof verdient dan dit van Hanff.

(Gebaseerd op notities van 12 september 2002.)

Helene Hanff, Charing Cross Road 84
100 p.
Uitgeverij De Harmonie, 1982
Oorspr. 84, Charing Cross Road (1970)
Vertaald door Barbara van Kooten

____

donderdag 15 oktober 2009

Robert Southey

"Robert Southey (1774-1843) was an English poet of the Romantic school, one of the so-called "Lake Poets", and Poet Laureate for 30 years from 1813 to his death in 1843. Although his fame tends to be eclipsed by that of his contemporaries and friends William Wordsworth and Samuel Taylor Coleridge, Southey's verse enjoys enduring popularity. Moreover, Southey was a prolific letter writer, literary scholar, essay writer, historian and biographer. His biographies include the life and works of John Bunyan, John Wesley, William Cowper, Oliver Cromwell and Horatio Nelson. (...) He was also a renowned Portuguese and Spanish scholar, translating a number of works of those two countries into English and writing both a History of Brazil (part of his planned History of Portugal which was never completed) and a History of the Peninsular War. Perhaps his most enduring contribution to literary history is the immortal children's classic, The Story of the Three Bears, the original Goldilocks story, which first saw print in 1834 in Southey's novel, The Doctor."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Robert_Southey

____

Hubert Fichte

"Hubert Fichte (1935-1986) was a German novelist. In the mid sixties Fichte published his first novels. (...) His main influences were Marcel Proust, Hans Henny Jahnn and Jean Genet. In the seventies Fichte worked more and more on ethnological research. From 1971 to 1975 he travelled to Bahia (Brazil), Haiti and Trinidad several times. (...) In the late sixties Fichte began writing his main work Die Geschichte der Empfindlichkeit (the history of the sensibility, or: the story of the pettishness) a monumental cycle of novels. His last set of plans showed his intention to write nineteen books, most of them novels, but also some volumes of essays, called “Glossen”."

http://en.wikipedia.org/wiki/Hubert_Fichte

____

woensdag 14 oktober 2009

1979 - Christian Kracht

Of boeken blijven nazinderen, hangt niet altijd af van de appreciatie tijdens het lezen ervan. Soms heb je de helft van een boek al vreugdeloos (want bevooroordeeld) weggegeten, wanneer iets van de bedoelingen van een auteur begint te dagen. De afgelopen jaren heb ik vaak aan 1979 moeten denken, terwijl ik het eerst een overgewaardeerd romannetje vond, veel soberder geschreven dan je van een Zwitserse miljonairszoon en zelfverklaard dandy mocht verwachten.

Maar ik dacht toen nog dat dandy's allemaal nakomelingen waren van Des Esseintes, badend in exclusieve luxe, en daarvan kond doend à la Huysmans, in praalzieke frasen. Inmiddels ken ik het werk van Anton Moonen en weet ik dat snobs minstens even vaak borg staan voor luchtige afstandelijkheid en uitgekiende eenvoud. Christian Kracht behoort tot die school. Kale zinnen, kille figuren.

De 'ik' in 1979 is een binnenhuisarchitect die zich aan de vooravond van de islamitische revolutie ophoudt in Teheran. Hij is er in het gezelschap van Christopher, een uitgedoofde vlam, ook een jonge rijke homo. Deze Christopher voelt zich als een vis in het water op de jetfeestjes in de decadente kringen van de sjah. Alcohol, drugs en minderjarige meisjes zijn binnen handbereik, terwijl buiten de tanks al door de straten rijden.

Op een van de feestjes ontmoet de binnenhuisarchitect de grimmige Mavrocordato, een Roemeense praatvaar die zich uit eigenbelang bedient van de retoriek van de revolutionairen ("jij, beste jongen, jij zult binnenkort worden gehalveerd, om daarna weer heel te worden. En die halvering zal gauw beginnen, de eerstkomende dagen al").

Hoewel de Duitse ambassade zijn burgers oproept om Iran ijlings te verlaten, geeft de architect daar geen gehoor aan en mengt hij zich onder de revolutionairen — een heterogene groep die zowel communisten bevat als islamitische fundamentalisten, die in de terugkeer van Khomeiny de komst van de heiland zien, die westerlingen "zal doen verdrinken in een schuimende zee van cornflakes en Pepsi-Cola".

Ik liep urenlang door de reusachtige stad. Er was iets nieuws gebeurd, iets wat absoluut niet te bevatten was, het was als een draaikolk waarin alles werd meegezogen wat niet vastgesjord zat, en zelfs die dingen waren daar niet meer voor gevrijwaard. Het leek alsof er geen centrum meer bestond, of tegelijkertijd alleen nog maar een centrum en niets meer eromheen.
Hij ontmoet de Roemeen opnieuw. Mavrocordato praat handig in op de ijselijke, maar blijkbaar makkelijk tot wankelen te brengen estheet, die alleen iets afweet van luxewaren en binnenhuisdecoratie. Met kleine "alchemistische trucs" (hij sluit een bewakingscamera direct aan op een televisie, filmt de monitor, en genereert zo het Droste-effect) windt hij het gehoor om zijn vinger. Maar het blijft niet bij spelletjes. Mavrocordato spreekt. Hij, de architect, moet een daad stellen die de onduldbare bemoeizucht van de Verenigde Staten in het Midden-Oosten goedmaakt. De Roemeen geeft hem geld op de koop toe.

Wanneer Christopher na een overdosis en een gebrek aan medische zorgen het leven laat in een Perzische kliniek, lijkt de ik-persoon half tot inkeer te komen. Het onhoudbare van zijn waardenvrije levenswijze wordt hem duidelijk, en hij trekt inderdaad voor een zelfreinigende pelgrimage naar Tibet, naar de berg Kailasha. Maar niet zonder zich eerst vrij te bedienen van het peperdure schoeisel van zijn overleden vriend.
De lichtbruine schoenen die hij droeg waren van Berluti, Christopher had me een keer verteld dat het de beste schoenen van de wereld waren, je had zelfs een club van Berluti-schoendragers, die elkaar in de buurt van de Place de Vendôme ontmoetten om hun Berluti’s met champagne te poetsen.
Na een lange reis, tussenlandingen makend op steeds kleiner en armoediger wordende vliegvelden, overstappend op bussen en tenslotte meerijdend op muilezels omdat er geen wegen meer zijn, bereikt hij een kale en stenige hoogvlakte.
Het slijk en het stof legden een vieze laag over ons en onze viltkleding, het was alsof we, naarmate we hoger kwamen, langzaam korstig werden. Ik had de indruk alsof er geleidelijk een vernislaag op onze lichamen kwam, alsof we schilderijen van oude meesters waren die door de eeuwen heen telkens weer waren overgeschilderd, zodat de oorspronkelijke voorstelling niet meer te onderscheiden noch te herinneren was.
Anders dan in De verloofde van Sado wordt het contact met de berg (hier geen bestijging maar een omtrekkende beweging, op de knieën) geen onverdeeld succes. 1979 persifleert het genre van de halfzachte zelfverwerkelijkingsliteratuur met brio. Het rondje rond de berg weekt niets los in de binnenhuisarchitect en kort daarop wordt hij met een groep Tibetanen gearresteerd door Chinese grenssoldaten vanwege vermeende spionage voor de Russen.

Buitenlandse politieke gevangenen gaan normaal gesproken naar de loodmijnen van Gansu, maar na ampele bestudering is de Partij van mening dat de binnenhuisarchitect prima voer is voor heropvoeding. Hij wordt naar een verbeteringskamp overgebracht en daar onderworpen aan een loodzwaar programma — slavenarbeid, "zelfkritieksessies", bloedtransfusies, voedsel dat garant staat voor diarree.
Een van ons werd telkens tot opziener benoemd, hij had de taak een bepaald kwantum aan overtredingen per week te melden. Kritiek op de Partij, reactionaire of contrarevolutionaire gesprekken of zelfs geuite ontevredenheid over omstandigheden in het kamp werden onmiddellijk door hem gemeld; haalde hij het aantal meldingen per week niet, dan moest de opziener zelf naar de zelfkritiek.
Het leven van de estheet wordt drastisch omgegooid. Soulbroeken, paisley-pochetten en de choreografieën van Busby Berkeley hebben plaatsgemaakt voor anonieme werkkledij, zaagsel met maden en de flair van een totalitair regime. En ziet: het luxedier wordt getemd, zijn denken gestuurd en afgeremd. Het is onder deze dwingelandij dat zich eindelijk iets van moreel besef losmaakt in de ik-figuur.

Hij krijgt zelfs schik in zijn situatie. "Ik was een goede gevangene. Ik heb telkens geprobeerd me aan de regels te houden. Ik heb me gebeterd. Ik heb nooit mensenvlees gegeten." Waarop Kracht zijn laatste, bijkans misdadige troef uitspeelt en zijn held tevreden laat kijken naar zijn taille, slanker geworden door ondervoeding.



In de Duitse pers werd 1979 goed gewaardeerd. De timing zat Kracht ook mee. De roman, waarin afgestompte westerlingen moeten buigen voor een uitheemse bevolking (Perzen en Chinezen) die wel nog heilige idealen kent, verscheen net voor de aanslagen van 9/11, waarna hij prompt iets profetisch kreeg. Een criticus van een serieuze krant nam knipogen waar naar Bruce Chatwin (net zoals Christopher knap, blond en met plannen een boek te schrijven over de Oriënt), Lord Byron (bekend met de Griekse staatsman Alexander Mavrocordato) en kunstcriticus Robert Byron. Een Nederlandse critica zou die informatie later overnemen, maar de schrijvers van Childe Harold's Pilgrimage en De weg naar Oxiana voor een en dezelfde persoon aanzien.

Mij zei 1979 dus niet zoveel, op twee dingen na. Kracht schrijft een volstrekt onvoorspelbaar boek, gebruikmakend van een setting die in mindere handen voorspelbare, politiek correcte boeken oplevert. Knap, en waarschijnlijk is het daarom dat het boek me is bijgebleven. De stijl van het boek is bij nader inzien echt die van een dandy: proza als een sober, makkelijk zittend hemd van luxueuze snit. Kracht bezit daarnaast een soort vingervlugheid in het mixen van grote thema's en consumptiekitch. Bovendien, en opnieuw typisch voor de dandy, valt niet zo makkelijk te achterhalen welke positie Kracht zelf inneemt. Hij maakt geen persoonlijk contact met zijn onderwerp. Een schrijver met glacé handschoentjes aan.

Verder blijft de uitwerking van mateloze rijkdom en de bijbehorende zelfverwennerij me interesseren. Rijkdom maakt onafhankelijk, stelt een auteur in staat een groot stuk van de wereld te zien — Kracht studeerde in Baden, Ontario en New York en werkte als journalist in New Delhi en Bangkok. Maar rijkdom maakt misschien ook moreel onafhankelijk — onafhankelijk in de betekenis van detached, losgeslagen, zonder wortels. Blijft er dan nog voldoende emotionele bagage over om diepmorele problemen te herkennen en dienovereenkomstig te handelen? Zie ook het naïeve activisme van Bernard-Henri Lévy.

Kracht suggereert van niet. Zijn personages laten zich voornamelijk leiden langs de lijnen van hun hoogopgeleide genotzucht. De filter waardoor zij de wereld bekijken is een esthetische. De gewaden van Tibetaanse pelgrims doen de binnenhuisarchitect denken aan Star Wars. Menselijk lijden in Teheran krijgt iets attractiefs, vanuit de juiste camerahoek gezien. Op een gegeven moment staart een van de helden naar boven, naar de "absoluut volmaakte wolkjes" die voorbij zweven en — symptomatisch — "geen enkele associatie oproepen".

(Gebaseerd op notities van 20 januari 2003.)

[afbeelding Christian Kracht via Wikipedia]

Christian Kracht, 1979
150 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2002
Oorspr. 1979 (2001)
Vertaald door Hans Horn

____

dinsdag 13 oktober 2009

Publieke vijanden - Michel Houellebecq en Bernard-Henri Lévy

Wie modebewust is, weet dat kleuren geen absoluut karakter hebben. Kleuren wisselen van uitstraling, naarmate je ze combineert met andere kleuren. Met schrijvers is het net zo. De romans van Michel Houellebecq heb ik vlot uitgelezen, maar acht ik niet zó bijzonder. Dat ze velen shockeren, vertelt vooral iets over de versuikerde cocon waarin de meeste mensen leven. Maar kijk, plaats Houellebecq naast een woordkramer als BHL, en zijn ideeën krijgen een aantrekkelijke glans.

Michel Houellebecq is zonder twijfel een weldaad voor de Franse literatuur. Een atypische Franse auteur: niet frivool maar dor, niet schrijvend over de liefde maar over seks, niet de televisiecamera's opvrijend, maar een goed heenkomen zoekend in Ierland. Houellebecq staat een illusieloze, genotzuchtige levensbeschouwing voor, wars van alle engagement; zijn geestelijke vaders heten Pascal, Dostojevski en Nietzsche.

Wie op het idee kwam juist deze man in een brievenboek te koppelen aan Bernard-Henri Lévy heeft gevoel voor humor. Lévy is in vele opzichten de complete tegenpool van Houellebecq. Een flamboyante motormouth, mediageil opinionater, gepokt en gemazeld in de continentale filosofie (Sartre, Lévinas) en maker van talloze snoepreisjes over de hele planeet die zijn zelfbeeld als geëngageerde intellectueel in leven moet houden.

Toch had dit boek kans op slagen. Samen zijn ze de enfants terribles van de Franse letteren, eindeloos gerecycleerd door de roddelgrage pers, veelvuldig gehoond en bekritiseerd door de literaire critici. Die positie als verschoppeling (nou ja) en levende schietschijf is, naast een voorliefde voor het maskeradespel van Baudelaire, wat de twee heren bindt. Houellebecq geeft in zijn allereerste brief een aardige roundup:

Als specialist in geflopte acties en schijnheilige mediaoptredens maakt u zelfs de witte overhemden die u draagt te schande. Als intimus der machtigen, sinds uw kindertijd badend in obscene rijkdom, bent u de belichaming van wat in sommige ietwat triviale bladen zoals Marianne nog altijd ‘salonsocialisme’ heet, en wat de Duitse publicisten veel subtieler Toskana-Fraktion noemen. Als denker zonder denken, maar bepaald niet zonder relaties, bent u bovendien de maker van de lachwekkendste film uit de filmgeschiedenis.
Nihilist, reactionair, cynicus, racist en verkapte vrouwenhater: het zou nog te veel eer zijn om mij tot de weinig appetijtelijke familie van de rechtse anarchisten te rekenen; in wezen ben ik niets anders dan een proleet. Als platte auteur zonder stijl heb ik alleen dankzij een onwaarschijnlijke inschattingsfout van een handvol verwarde critici literaire faam kunnen verwerven, een aantal jaren geleden. Gelukkig zijn mijn slappe provocaties sindsdien gaan vervelen.
Samen symboliseren wij perfect de schrikbarende futloosheid van de Franse cultuur en intelligentie waar Time Magazine onlangs streng doch rechtvaardig melding van maakte.
Wie de correspondentie tussen Meijsing en Freriks of Zeeman en Benali al heel wat vond, moet Publieke vijanden maar eens lezen. Houellebecq en Lévy schreven elk veertien brieven naar elkaar. Het zijn lange, doorgecomponeerde brieven, verschoond van ditjes en datjes. Essays, maar uit de losse pols geschreven. Een uitgebreide kennis van de eigen cultuur is deel van het cement tussen de brieven; Lévy en Houellebecq zijn in zoverre Franse schrijvers dat ze sponsen zijn, volgezogen met Franse letterkunde en de heikele kwesties in de slipstream van die Franse letterkunde: Febvre die Bloch vraagt te zwichten voor de Duitsers, het nationalistische katholicisme van Barrès...

Met hun Nederlandse collega's verschillen Houellebecq en Lévy voorts dat ze ideeën hebben, en vooral: dat ze elkaar wel serieus nemen, in de zin dat ze een echte dialoog met elkaar aangaan. Beide literatoren worden gestimuleerd door de repliek van hun tegenstrever. Houellebecq noemt het "een soort zwartepieten voor twee personen": als je het niet meer weet, kun je de hete aardappel naar de ander doorschuiven. Lévy vergelijkt de briefwisseling met een potje correspondentieschaak:
We spreken elkaar niet en ik heb dus geen flauwe notie van de manier waarop u te werk gaat.
Maar als ik uw brieven krijg, neem ik steeds een dag of twee.
Ik bekijk ze van alle kanten.
Ik zoek de hoek, het houvast.
Ik spied naar punten van overeenkomst, punten van verschil, punten van ogenschijnlijke overeenkomst maar werkelijk verschil — onze ‘correspondenties’.
Ik vraag me af wat iemand het meest onderscheidt, datgene wat hij laat zien of datgene wat hij verbergt — datgene wat hij zegt of datgene wat hij niet zegt en wat al met al misschien zijn interessantste kant is.
Ik probeer zo veel mogelijk te anticiperen op het antwoord dat u zult geven op mijn antwoord en op het antwoord dat ik u op mijn beurt zal geven.
Voorbijgangers
Alsof de logica ermee gemoeid is, begint de briefwisseling met een intellectuele en een religieuze plaatsbepaling. Vooraan het boek staan meteen de meest persoonlijke bladzijden, waarin de heren vertellen over hun vaders en hun afkomst. De joodse Bernard-Henri Lévy is een typisch product van de École Normale Supérieure. Hij werd er omringd door studenten die, indien joods, allemaal "atheïstische universalisten" waren, actief in linkse splintergroeperingen en vooral in La Gauche Prolétarienne. Lévy vertelt het verhaal van een generatie joden die met de religie van hun vaderen gebroken had, maar zich weigerden te bekeren tot het katholicisme van hun gastland. Eigenlijk bleef toen alleen het communistische geloof nog over, maar ook dat begon stilaan af te brokkelen.

Houellebecq studeerde niet aan École Normale Supérieure of de École des Sciences Politiques, maar aan een landbouwhogeschool. Hij beschrijft zichzelf als een schoolvoorbeeld van "de tweede generatie volstrekte atheïsten". Ook zijn vader had al geen intieme omgang met religieuze teksten meer. Toen hij rijk werd, verdween het geloof helemaal. Wat voor Houellebecq overbleef was een atheïsme dat in dit tweede stadium niets vrolijks, heldhaftigs of bevrijdends meer had. Het ging niet meer gepaard met antiklerikalisme en had ook niets militants meer. Houellebecqs atheïsme impliceert ook een afkeer van elk politiek engagement.

Verderop in het boek licht hij dat standpunt, "een aan atheïsme grenzende ideologische bescheidenheid", toe. Houellebecq heeft niet het gevoel in een democratie te leven, maar in een soort technocratie, zonder trouwens te denken dat dat een slechte zaak is. Houellebecq is van heel weinig te overtuigen.
Van een vaag idee van vooruitgang misschien, een begrip dat voor mij alleen wetenschappelijke of technische betekenis heeft. Een laatste restje ernst, daterend uit mijn kindertijd, versterkt door mijn studie, waardoor ik elke vorm van oorlog (of het nu een burger- of godsdienst-, onafhankelijkheids- of veroveringsoorlog is) als louter tijdverlies zie. Wat telt, nietwaar, is het bouwen van stoommachines, het ontwikkelen van de industriële productie, het temmen van het klimaat. Het is eigenlijk meer dan een restje, ik ben ermee grootgebracht, ik kan er niets aan doen.
Houellebecq verklaart door niets algemeens of universeels (of bijzonders of plaatselijks) echt te kunnen worden geroerd. Hij ondergaat met de rest van de grote kudde de geschiedenis, en interesseert zich in wezen alleen voor wat hem of zijn naaste omgeving direct raakt. Ook een verantwoordelijkheid jegens Frankrijk heeft hij nooit gevoeld, en de keuze van een land om te wonen heeft voor Houellebecq ongeveer dezelfde emotionele lading als de keuze van een hotel.
Wij zijn voorbijgangers hier op Aarde, daar ben ik inmiddels van doordrongen; we hebben geen wortels, we brengen geen vruchten voort. Onze bestaanswijze is, om kort te gaan, anders dan die van bomen. Overigens hou ik veel van bomen, ik hou er zelfs steeds meer van; maar ik ben er geen. We hebben meer weg van stenen, geworpen in de leegte, en net zo vrij als zij; of als je de zaken per se van de goede kant wilt zien, we hebben iets van kometen.
Het is dan ook met meewarigheid dat hij naar de moderne geschiedenis van Frankrijk kijkt, omdat daaruit blijkt hoe futloos de bevolking, inclusief de intellectuele klasse er tegenwoordig bijloopt. Denk aan de generatie die in 1914 bereid was zich te laten afslachten met het gevoel dat ze niet meer deed dan haar plicht. Denk aan het elan van de surrealisten, het blinde geloof in het communisme. Houellebecq, met zijn afwezigheid van "zielenadel" en enthousiasme, de dwarse scribent met de hardnekkige cyclothymie, verbleekt erbij. Hij gelooft niet dat Frankrijk nog een mondiale rol van betekenis kan spelen op de punten waar het nu om draait: computertechnologie, exporteconomie, of als financieel knooppunt. Niet dat dat erg is: "Toeristische activiteit en het ongerepte achterland zal als economische activiteit voldoende zijn."

Intussen pleegt de kleine schrijver dan maar griezelverhalen zoals zijn grote voorbeeld Lovecraft. "Materialistische griezelverhalen, waaraan ik ook nog eens een gevaarlijke geloofwaardigheid heb gegeven." Van het Franse stemrecht heeft de schrijver nauwelijks gebruik gemaakt. Vanwege de centjes en de apolitieke rust mag hij graag in Ierland verblijven.
Bij zo’n belastingpeil zeg je tegen jezelf dat je te maken hebt met elementaire, onbetwistbare uitgaven — openbare veiligheid, wegennet, dat soort dingen; je zegt nooit tegen jezelf dat de regering een gewaagde politiek is aangegaan waarover je je zou moeten uitspreken en waarvoor men je steun vraagt. Dat heeft allemaal een kalmerende uitwerking, geeft niet de indruk dat je werkelijk meedoet, zorgt er in elk geval voor dat je jezelf geen vragen hoeft te stellen; in één woord, het depolitiseert.
Ook als publieke figuur wil Houellebecq niet in naam van een of ander ideaal spreken. Zelfs niet in naam van de 'menselijke waardigheid': "Persoonlijk voel ik bij mezelf geen enkele speciale waardigheid: je kunt me laten lijden of slecht behandelen, je kunt me zeker breken, je kunt me onherstelbare fysieke of psychologische schade toebrengen. Ik zal klagen dat ik lijd, dat ik slecht word behandeld, ik zal erover klagen als dier, en niet specifiek als mens." Hij is niet noodzakelijk trots op die houding, die hij egoïstisch en laf noemt, en vindt het onaangenaam te bedenken dat die hem in de ogen van zijn tijdgenoten sympathieker kan maken dan Lévy, die de wereld rondreist voor de goede zaak.

Het bovenstaande betekent niet dat Houellebecq totaal onverschillig staat tegenover zijn omgeving. Zijn gebrek aan engagement komt integendeel voort uit de teleurstellende zoektocht die hij ondernam naar wat mensen in deze wereld nog zou kunnen binden. Een van zijn grote helden is Auguste Comte, die van het positivisme zijn ‘religie van de mensheid’ probeerde te stichten, maar zoals andere sociale hervormers die een religie zonder God wilden stichten (Saint-Simon, Pierre Leroux) daar nooit ver mee raakte.



Volière

Dat Lévy en Houellebecq totaal verschillende karakters hebben, komt fraai tot uiting in de manier waarop ze met hun bekendheid en alle onprettige bijwerkingen omgaan. Eén van die bijwerkingen is de verpulvering van de grens tussen privé en openbaar. Vooral Houellebecq lijkt daaronder te lijden: "In onze westerse beschaving kan een individu zich heel goed voor een paar jaar van de groep verwijderen, en een relatief vrije galop beproeven. Maar vroeg of laat wordt de meute wakker en zet ze de achtervolging in, en uiteindelijk wordt de eenling altijd ingehaald."

Het thema is brandend actueel: Lévy en Houellebecq schrijven hun brieven midden in de heisa bij het verschijnen van het boek van Houellebecqs moeder. De correspondentie wordt dan een van de weinige bronnen van vreugde van Houellebecq. Hij laakt de "totale verdelgingsoorlog van de pers, behalve van een paar vrouwenbladen" en de manier waarop kranten in het privéleven van een schrijver wroeten om daarmee zijn negatieve boodschap te neutraliseren.
De officiële versie is dus dat alles goed gaat, dat alles steeds beter gaat, en dat alleen een paar nihilistische neuroten dat blijven ontkennen. Wier bestaan makkelijk kan worden verklaard aan de hand van een pijnlijke familiegeschiedenis (verkracht door haar vader, in de steek gelaten door zijn moeder… nou ja, heavy stuff). Vanuit dat oogpunt was de herrijzenis van mijn moeder een mooie zet, moet ik toegeven. Visueel was ze perfect — een onmiddellijke nachtmerrie. Maar toen ze begon te praten ging het wat minder goed. Haar ‘bekering tot de islam’, die veiligheidsagent Assouline stof tot interpretatie had gegeven, bleek algauw een farce; en vooral werd ook duidelijk dat wij elkaar nauwelijks kenden, zij en ik; dat we elkaar weleens hadden ontmoet, meer niet.
Houellebecq is sowieso geen liefhebber van biografieën. Hij heeft geen van de aan Lévy gewijde biografieën gelezen. Ook de biografie waarvan hij zelf tegen wil en dank het onderwerp is heeft hij naar eigen zeggen niet gelezen.
Om eerlijk te zijn herinner ik me niet ook maar één biografie helemaal te hebben uitgelezen. Die waarin ik ben begonnen, deden me denken aan het soort slechte spionageromans (of whodunits) waarin de persoonlijke voorkeuren van de auteur vanaf de eerste bladzijde voelbaar zijn en waarin alleen de voor de hand liggende drijfveren en combinaties worden verkend, het soort romans, kortom, waarin je na twintig bladzijden al raadt wie de dader is. Of anders gezegd: ik heb me nog nooit een biograaf kunnen voorstellen die niet iets vulgairs heeft.
Maar schrijvers zijn nu eenmaal publieke figuren. Lévy verzucht: "Reputatie, dat is het lot. In onze groteske maatschappij is de geruchtenmachine een van de gezichten van het fatum. En tegen geruchten, roddel, desinformatie die zich als een virus verbreidt, daartegen kunnen we inderdaad niets beginnen." Blijven over: camouflagetechnieken. Dwaalsporen uitzetten. Lévy schaamt er zich niet voor om op televisie een act op te voeren, of om in kranten desinformatie te verspreiden. Hij noemt het "de gideaanse kunst van de valsemunter". Gary en Pessoa zijn de voorbeelden. De mens is geen vaststaand object, maar een volière van persoonlijkheden.
Ik zou u kunnen zeggen, en het zou niet minder juist zijn, dat die houding te maken heeft met het idee dat ik heb over de redenen waarom mensen zich aan het schrijfavontuur wagen: mijn idee — en ook het idee dat Foucault in zijn allerlaatste teksten poneerde — is dat je niet zozeer schrijft om te weten wie je bent, als wel om te weten wie je wordt; ik ben ervan overtuigd dat de inzet van een boek niet zozeer is jezelf te zijn, naar jezelf terug te keren, samen te vallen met je waarheid, je schimmen, het eeuwige kind in jezelf en andere onbenulligheden van hetzelfde allooi, als wel te veranderen, iemand anders te worden dan degene die je was voor je begon en die juist door het groeien van het boek niet langer actueel en interessant is; schrijf je om je in te metselen of om je los te maken? Om te verdwijnen of om om te ontstaan? Om het terrein te bezetten of om het te ondermijnen en, nadat je het hebt ondermijnd, van territorium te veranderen en te verdwalen in de doolhof van een onvindbare identiteit? Het antwoord spreekt voor mij vanzelf en volstaat ter verklaring van het feit dat het mij geen donder kan schelen wat voor stompzinnigheden ze schrijven over de ‘waarheid’ van mijn verhouding tot geld, tot de media, tot de macht of tot commandant Massoed.
Ik zou u kunnen zeggen, en het zou nog altijd juist zijn, dat die manier van doen, die weerzin tegen bekentenissen en gedramatiseerde innerlijkheid, getuigt van een metafysica die, ten goede en ten kwade, bepalend voor mij is: grosso modo de metafysica die voortkomt uit de fenomenologie, die in Sartre en vervolgens in het anti-humanisme van Althusser, Lacan en opnieuw Foucault haar vervulling heeft gevonden; waarvan het grondbeginsel luidt dat het subject een lege vorm is, zonder werkelijke binnenkant, haast abstract — met als enige essentie het contact dat het met de wereld onderhoudt en de inhoud die het door dat contact krijgt toegemeten, op een telkens nieuwe, nooit substantiële manier.
Houellebecq is niet zo handig als Lévy en staat te kijken van diens strijdvaardigheid. Het lef van een vechtende jood in plaats van een lijdende jood. "Feit is dat u een soort toverdrank hebt ontwikkeld die uw kwetsbaarheid aanzienlijk vermindert, en het geheime recept interesseert me." Maar hij twijfelt ook aan de wenselijkheid van die maatschappelijke poppenkast. Hij noemt het voorbeeld van een andere literaire mediaster. Bestaat er onder de maatschappelijke Philippe Sollers nog wel een echte Philippe Sollers? En daarom houdt Houellebecq het liefst van volstrekte eerlijkheid.
Welnu, de neiging om betekentenissen af te leggen die ik af en toe tentoonspreid komt volgens mij uit twee heel verschillende bronnen voort. De eerste is, zoals ik al zei, de diepgewortelde zekerheid dat geen enkele bekentenis ook maar iets aan je eigen persoonlijkheid verandert, dat eventuele gebreken er niet door genezen en niet door verergeren, de antipsychoanalystische zekerheid kortom — misschien een van de weinige die ik nooit ben kwijtgeraakt, samen met die van het niet-bestaan van God. De tweede bron is de abnormale zelfoverschatting waaraan ik af en toe ten prooi ben, ik denk dan dat geen enkele bekentenis de oneindig rijkdom van mijn persoonlijkheid kan uitputten, dat de oceaan van mijn mogelijkheden nooit zal opdrogen — en dat als iemand me denkt te kennen, hij gewoon niet genoeg informatie heeft.
Lévy waarschuwt Houellebecq voor mistroostige of rancuneuze gedachten, omdat ze van de mens een schim maken. "Vreugde maakt intelligent en sterk; kwaadaardigheid is een gif en dat gif is vroeg of laat dodelijk." Maar Houellebecq is niet geïnteresseerd in de overwinning op zich. Hij wil niet zegevieren, wil niet te allen prijze bemind worden. Daarom test hij de Franse samenleving uit. Hoeveel oprechtheid kan zij tegenwoordig verdragen? Weinig, zo blijkt. Het Frankrijk van de jaren vijftig omarmde zonder morren lieden als Camus, Sartre, Ionesco en Beckett. Het Frankrijk van de jaren tweeduizend noemt de confessies van Houellebecq al provocaties.
De kracht die bij mij socialiserend zou kunnen werken is van een heel andere orde: achter mijn verlangen om te mishagen gaat een enorm verlangen om te behagen schuil. Maar ik wil behagen ‘om wie ik ben’, zonder te verleiden, zonder eventuele beschamende eigenschappen te verhullen. Ik heb me weleens aan provocaties bezondigd; daar heb ik spijt van, want zo ben ik niet echt. Een provocateur noem ik iemand die los van wat hij eigenlijk denkt of is (en door al dat provoceren denkt en is de provocateur niets meer) de uitspraak of houding berekent waarmee hij zijn gespreksgenoot maximaal op stang kan jagen of in verlegenheid brengen; en die vervolgens het resultaat van zijn berekening toepast. Veel humoristen van de laatste decennia waren opmerkelijke provocateurs.
In mij schuilt juist een perverse vorm van oprechtheid: ik zoek hardnekkig, verbeten naar het allerergste in mij om het dan spartelend voor de voeten van het publiek te leggen — precies zoals een terriër een konijn of een pantoffel voor de voeten van zijn baasje legt. En ik doe dat niet om een of andere vorm van verlossing te bereiken, dat hele idee is me vreemd. Ik wil niet geliefd zijn ondanks het ergste wat ik in me heb, maar vanwege het ergste wat ik in me heb, ik wil zelfs dat het ergste wat ik in me heb hetgeen is wat men het meest waardeert.


Chihuahua’s

Ongeveer in het midden van Publieke vijanden dringen de schrijvers door tot de kern van hun wereldbeeld, wat vervolgens wordt uitgelegd in de abstracte termen die de filosofie toebehoren. De simpele vaststelling dat ik met mijn middelbare schoolkennis zonder problemen kon volgen, bewijst dat, alleszins bij Houellebecq, het niveau nu ook weer niet zó hoog ligt. Lévy merkt overigens terecht op dat zijn bestemmeling graag het zijne neemt uit de filosofische canon.
Hoe u zomaar, unverfroren, kunt zeggen: ‘Schopenhauer denkt dat’ of ‘Nietzsche antwoordt hem dat’ of ‘de argumentatie van Spinoza over dit of dat onderwerp lijkt mij onweerlegbaar want’… Zoiets is ondenkbaar voor een beroepsfilosoof! En het is lastig voor een luie donder als ik, bij wie het idee erin is gestampt dat filosofieën systemen zijn, samenhangende, gesloten gehelen, en dat er niets riskanters bestaat dan daaruit een onderdeel te nemen, het af te zonderen, het op zijn bijzondere verdiensten te onderzoeken, het zich toe te eigenen, kortom het te citeren! Dat was de eerste les van Jacques Derrida wanneer hij op de École Normale nieuwe studenten ontving, die, net als in het leger, ‘groentjes’ werden genoemd — en het is een les, dat zeg ik zonder koketterie, die ik maar wat graag weer zou willen afleren: geen zwevende filosofemen! Geen filosofische uitspraken, nooit, losgekoppeld van de pagina waarop ze oorspronkelijk zijn geformuleerd! Nooit zeggen, uit principe: ‘Hegel, of Heidegger, of Heraclitus zegt dat…’! Want los van de context en, nog erger, van de brontaal, heeft wat ze zeggen niet meer dezelfde betekenis en soms zelfs helemaal geen betekenis meer!
Opnieuw is het het contrast in stijl dat de attractiviteit van het schouwspel uitmaakt. De narcist tegen de positivist. De pirouettes van Lévy versus de beenvegen van Houellebecq. Lévy beweegt hemel en aarde om onder de loden last van het materialisme sinds Lucretius uit te komen. Hij stelt dat het heidendom
het subject dat zich van zijn eigen subjectiviteit bewust is onmogelijk maakt, doordat het alles door elkaar haalt, doordat het individuen definieert als zuivere pakketjes materie, steentjes, atomen, terwijl het joods-christelijke denken datzelfde subject tegelijk denkbaar en mogelijk maakt dankzij het trucje van de ‘roeach’ en de transformatie van goddelijke adem in menselijk adem, dankzij de hypothese, anders gezegd, van een naar Gods evenbeeld geschapen ziel."
Houellebecq van zijn kant gelooft niet in 'de' joden, wil er niet in geloven, al voelt hij zich er op een ongeïnformeerde manier wel mee verbonden. Filosofie is voor hem een literair genre, dat niet thuishoort aan de kant van de rationele zekerheid, maar aan de kant van de interpretaties en de verhalen. Houellebecq is een literator pur sang: liever dan in zichzelf te graven naar een hypothetische waarheid houdt hij ervan te voelen hoe er in hem personages ontstaan en zich ontwikkelen; te voelen hoe er tussen hen onderling bewondering, haat, afgunst, fascinatie en verlangen groeit. Voor de rest gelooft hij alleen in falsificeerbare beweringen. Het beestje mens is toch een beetje té onvolgroeid om met goed fatsoen te kunnen geloven in een unieke persoonlijkheid.
De aanmatiging waarmee a priori niet van elkaar te onderscheiden zoogdieren van gemiddelde omvang specifieke essenties willen vormen, is toch wel beangstigend. Hoe pijnlijk contrasteert dat niet met de houding van mijn hond (een hond van gemiddelde omvang, nou ja wat laag op de poten, maar al met al toch gemiddeld), die zonder aarzelen bij zowel chihuahua’s als dobermanns de hondheid herkent.
Dat pessimistische mensbeeld maakt van hem nog geen reactionair, vindt hij. Omdat een reactionair iemand is die een vroegere toestand van de samenleving verkieslijk vindt, die denkt dat we daarnaar kunnen terugkeren en daarvoor strijdt. Als de romans van Houellebecq echter van één idee doortrokken zijn, soms op het obsessieve af
is het wel het idee van de absolute onomkeerbaarheid van elk aantastingsproces, als het eenmaal is begonnen. Of die aantasting nu een vriendschap, een familie, een huwelijk, een grote sociale groepering of een hele samenleving betreft, in mijn romans is er geen pardon, geen weg terug, geen tweede kans: alles wat verloren is, is inderdaad verloren, voorgoed. Het is meer dan organisch, het is haast een universele wet, omdat het ook voor dode voorwerpen geldt; het is letterlijk entropisch. Bij iemand die zozeer doordrongen is van de onontkoombaarheid van elke neergang, elk verlies, kan het idee van een reactie niet eens opkomen. Maar een dergelijk iemand mag dan nooit reactionair kunnen zijn, hij zal daarentegen volkomen automatisch behoudend zijn. Hij zal altijd van mening zijn dat je beter kunt behouden wat je hebt, dan je in een nieuwe ervaring te storten. Hij zal gevoeliger zijn voor gevaren dan voor hoop, en dus pessimistisch, en over het algemeen makkelijk in de omgang.
Persoonlijke appreciatie
Publieke vijanden is een erg mooie uitgave geworden. Het boek is net zoals in Frankrijk het product van een samenwerking tussen de respectievelijke uitgeverijen van de auteurs — De Arbeiderspers voor Houellebecq, De Geus voor Lévy. Houellebecqs bijdrage werd omgezet door zijn vaste vertaler Martin de Haan; Rokus Hofstede nam Lévy (die geen vaste vertaler heeft) voor zijn rekening.

Ik vermoed dat het een buitenstaander (lees: niet opgegroeid in de Franse kwaak-maar-raak-cultuur) weinig moeite kost om zoals ik te sympathiseren met Houellebecq. Ik kan me ook niet van de indruk ontdoen dat Houellebecq zich welwillender gedraagt tegenover zijn opponent dan hij normaal zou doen. Als ik mijn notities overloop, zie ik nauwelijks iets van waarde te hebben genoteerd uit de mond van Lévy. Misschien zou het helpen als ik zijn reportageboeken las, om hem te leren appreciëren. Voorlopig onthoud ik dat hij zich in Publieke vijanden verschillende malen diskwalificeert.

De redenen waarom hij de hele wereld afreist bijvoorbeeld. Lévy somt ze netjes op. Engagement? Niet echt. Het is de hang naar avontuur, de drang om te presteren (hij vermeldt zijn palmares op p. 84 en 85) en een behoefte aan zelfoverstijging. Malebranche die verklaart in een van zijn Lettres à Dortous de Mairan, dat een mens alleen groot is door ‘de verhouding die hij aangaat met grote dingen’ — dát vindt Lévy een mooie uitdrukking: de idee dat er voor iedereen een meer of minder groot leven kan zijn.

Twijfelachtig is ook de trots waarmee Lévy verklaart dat hij niet gelooft dat het om de waarheid draait (p. 142), dat begrippen worden aangezwengeld door woorden, niet andersom (p. 268), dat hij doctrines en ideeën terzijde schuift als ze onbruikbaar blijken (p. 141) en dat hij alleen in zaken (kunst, politiek,...) geïnteresseerd is in de mate dat hij er gebruik van kan maken in een nog te schrijven tekst. De filosoof die elke dag zijn naam googlet, moet zichzelf dwingen contact te houden met de plaatselijke bevolking van een bezocht land, om maar niet in de verleiding te komen hen te zien als figuranten.

Toegegeven, ook Lévy kent dus af en toe een verlicht moment. Het is die naaktheid, langs weerskanten, die Publieke vijanden tot een moeilijk te negeren brievenboek maakt.

[afbeeldingen via Wikimedia en Flickr]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Michel Houellebecq en Bernard-Henri Lévy, Publieke vijanden
Een steekspel in brieven
349 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers en uitgeverij De Geus, 2009
Oorspr. Ennemis publics (2008)
Vertaald door Martin de Haan en Rokus Hofstede
____

maandag 12 oktober 2009

Rosebud - Pierre Assouline

Geloof nooit, nooit Franse juichkreten op boekomslagen. Pierre Assouline bundelde in Rosebud zeven lange biografische schetsen. Hij kondigt aan die stukken te zullen ophangen aan het voorwerp dat de gebiografeerde ten voeten uit typeert — denk aan de slee in Citizen Kane, waaraan de krantenmagnaat van kindsbeen af zo verknocht is. De werkwijze van Assouline wordt door Franse critici als uiterst origineel ervaren. Maar al bij al zijn dit tamelijk conventionele portretten.

De stukken van Pierre Assouline zijn wat mij betreft niet eens opgehangen aan de voorwerpen. Hooguit vertrekt hij vanuit zo'n object, en dat lijkt me een weinig bijzondere truc: zeker een kwart van de essayisten gebruikt hem om op gang te komen. Het is als met Archimedes en zijn hefboomprincipe: geef me een vast punt om op te staan en ik til de wereld op.

Het is gemakkelijk te begrijpen waarom de beroepsbiograaf die Assouline is, deze stukken graag heeft geschreven. Hij kon er in kwijt wat in een respectabele levensbeschrijving niet mag. In de klassieke biografie, zegt Assouline, moet je de vormen en verhoudingen eerbiedigen, evenwichtige hoofdstukken schrijven, je onthouden van uitweidingen.

Je moet vooral bij je onderwerp blijven, terwijl je misschien had willen uitzoemen en een tijdsbeeld schrijven, of inzoemen naar dat preciese detail dat je heeft geraakt. Een detail van een schilderij, een woord uit een gedicht, een uniek kledingstuk, een voorwerp, een typische manier van doen. Assouline verklaart waarom die romantische zoektocht zo waardevol is.

Bij gebrek aan een wereldbeschouwing hebben velen van ons een gevoelsmatig contact met de wereld. Zeer velen zelfs, waarbij lezen ons een warme dekmantel biedt en wij ervan overtuigd zijn dat we een leven altijd beter leren kennen via kleine dingen die vaak naar de marge worden verdreven dan door de opsomming van belangrijke gebeurtenissen.
Als rolmodellen voor zijn werkwijze noemt hij onder andere de grote verslaggever Hunter S. Thompson en diens zoektocht naar wat mensen drijft (Assouline: "Al ruim dertig jaar zoek ik bij iedereen naar die rosebud") en Roland Barthes, die er ooit van droomde een biografie te schrijven, en in afwachting daarvan biografemen bedenkt:
dat wil zeggen beschrijvingen van schijnbaar losstaande onderdelen: de witte mof van markies de Sade wanneer hij Rose Keller aanhoudt, de voorliefde van de theoreticus Fourier voor ‘mirlitons’ geheten Parijse gekruide pasteitjes, de door tranen versluierde blauwe ogen van Ignatius van Loyola.
In 'De 'Duchess' van Kipling' is het leidmotief de rolls royce waarmee Rudyard Kipling de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog doorkruist, op zoek naar een spoor van zijn vermiste zoon John, waarschijnlijk omgekomen bij de slag bij Loos. De tragiek wou dat Kipling zijn zoon koste wat kost in de oorlog wou hebben. Alles wat hij na het verdwijnen van zijn zoon nog schrijft, draagt het stempel van zijn afwezigheid. Hoe zei Herodotus het ook alweer?
‘Niemand is zo gek om liever oorlog dan vrede te willen: in vredestijd begraven zonen hun vaders; in oorlogstijd begraven vaders hun zonen.’
'De zitstok van meneer Henri' is een zitstok voor golfspelers. Een featherwate, voor de kenners. Het is de stok waarmee Henri Cartier-Bresson door het kunstmuseum sjokt. Een fotograaf is één groot oog, en het museum "de leerschool van het kijken". Volgens Goethe zijn schilders de beste 'kijkers', want wat je niet getekend hebt heb je niet gezien. Cartier-Bresson wordt ontroerd door een kleine Goya in het Szépmüvészeti Muzeum in Boedapest. Of Assouline, die hem vergezelt, geen foto van het schilderijtje wil nemen? Natuurlijk. Thuis blijkt zijn Leica dienst te hebben geweigerd.

'Celan zonder zijn horloge' gaat over de omgang van Celan met het Duits ("de taal van Goethe en Goebbels"), het vertalen van diens poëzie, zijn leermeesters (Rilke, Hölderlin, Kafka, Mandelstam), de moderne Celankunde, de exegese van zijn gedichten, de ontmoeting met Heidegger, het wezen van de poëzie.
Karl Kraus verklaart dat een gedicht goed is tot je erachter komt van wie het is. Jean Tardieu beweert dat er van poëzie sprake is wanneer een woord voor het eerst een ander woord ontmoet. Weer anderen zeggen ons dat een belangrijk gedicht taal in een ander register is, waardoor het lijkt of het een vreemde taal is die we niet kennen maar wel begrijpen. Voor Paul Celan, die als geen ander gevoel heeft voor verborgen zaken, is poëzie telkens weer een eenmalig in handen van de taal leggen van zijn leven. Daarbij is het gedicht duidelijk een roep om stilte. Bij het lezen van sommige van zijn gedichten bekruipt je net zo’n gevoel van onbehagen als bij het zien van een stil schilderij. Je wordt er aangenaam door in de war gebracht.
En dat horloge? Celan bezwoer dat hij het op zijn nachtkastje zou leggen, net voordat hij zich zou verdrinken in de Seine. Aardig detail: Celan schreef enkele gedichten op papier met briefhoofd van Hotel Lutetia.

Ergens voor de rijen boeken in zijn kasten heeft Assouline een foto staan van Jean Moulin, de Franse verzetsheld met de emblematische sjaal. In 1939 werd Moulin prefect van het département Eure-et-Loir. De Duitsers arresteerden hem in juni 1940 omdat hij weigerde een Duits document te ondertekenen dat de schuld van een Senegalees bloedbad in de streek onjuist bij het Franse leger legde. In november 1940 beval het Vichy-regime alle prefecten om alle linkse burgemeesters te ontslaan. Toen Moulin dit weigerde werd hij zelf uit zijn ambt gezet. Hij vertrok toen naar Saint-Andiol in Bouches-du-Rhône, en voegde zich bij het Franse verzet.

'Onder de sjaal van Jean Moulin' gaat onder meer over de kwaliteit van de ethische inschattingen die Moulin maakte en of de symboolwaarde die hem wordt toegekend wel terecht is. Hij stelde inderdaad een aantal verzetsdaden, maar hij keurde ook antisemitische verordeningen goed. En wat met die raadselachtige zelfmoordpoging in 1940? In relatief veilige omstandigheden probeert hij zijn strot door te snijden (het litteken bedekt hij later met de sjaal). Een geval van seppoekoe?
Het gaat door voor een Chinese gewoonte, die eruit bestaat degene die een onrechtvaardigheid heeft begaan waarvan je het slachtoffer bent, gezichtsverlies te laten lijden door hem publiekelijk je zelfmoord in het gezicht te smijten. Het is een daad waarmee de mens de dood iets afpakt. Een daad van absolute vrijheid van degene die zichzelf ombrengt.
De mister uit 'De nieuwe schoenen van Mr. Owen' slaat op David Owen, medeoprichter van de sociaal-democratische partij in Groot-Brittannië. Assouline, verslaggever voor een Franse krant, stond naast hem op het huwelijk van Charles, de prins van Wales en lady Diana Spencer in de St. Paul’s Cathedral in Londen op 29 juli 1981.

In het geestige stuk ("voor onze ogen wordt een nieuwe Murder in the cathedral gepleegd, al is T.S. Eliot niet hier om er getuige van te zijn") ziet Assouline zijn kans schoon om te hekelen wat hem wezensvreemd is. Het Britse protocol, het klassebewustzijn, de kathedraal, de gestroomlijnde wansmaak.
Bij Engelsen ontbreekt er altijd iets, een ik-weet-niet-wat. Eigenlijk weet ik het wel, iets Italiaans: die befaamde sprezzatura waar Castiglione het zo duidelijk over heeft in zijn boek De hoveling. Zoiets als ongedwongenheid, die grenst aan een soort natuurlijke vlotheid waarbij elk spoortje van inspanning of gemaaktheid is verdwenen.
Veruit het mooiste verhaal staat onder het kopje 'Een gedenkplaats in de Rue des Grands-Augustin'. Het mooiste, omdat het schildersatelier dat erin wordt beschreven, in tegenstelling tot alle voorgaande attributen ook werkelijk een fascinerend knooppunt is van wonderlijke gebeurtenissen. Het is een verhaal waar K. Schippers vast over had willen schrijven.

Balzac voert in de novelle Het onbekende meesterwerk de schilder Poussin ten toneel in het atelier. Picasso ging in het atelier wonen, waar hij Guernica schilderde. De kunsthandelaar Ambroise Vollard bezat etsen van Picasso, waarop Cendrars hem voorstelt ze te combineren met de novelle. Nog later zou atelier de verzamelplaats worden van Georges Bataille en zijn groep Contre-Attaque.

Het opstel 'In de zakken van Bonnard', ten slotte, is aardig omdat Assouline daarin een kleine cultuurgeschiedenis van onvoltooide kunstwerken ten beste geeft. Da Vinci, David, Orson Welles... Gustave Moreau, die zijn doeken maar bleef vergroten en aanvullen. Bonnard, die ook geen afscheid kon nemen van zijn schilderijen en ooit op heterdaad werd betrapt toen hij in een museum in Grenoble zijn eigen schilderij bijwerkte.

Als verklaring voor het zo vaak onvoltooid laten van een werkstuk noemt Assouline "esthetische redenen, het verlammende spook van de volmaaktheid, de eigen ontwikkeling die op den duur inwerkt op de uitvoering, ongeduld omdat schilderen zo traag gaat en vooral grote nieuwsgierigheid die de kunstenaar onrustig maakt en hem voortdurend naar elders lokt."
Castiglione heeft gelijk: te veel ijver is schadelijk. Je moet op tijd weten op te houden. Er komt een moment dat het mooi is geweest. Ga je door, dan bederf je de frisheid van het schilderij. Alleen wat onvoltooid is lijkt door bevalligheid aangeraakt, want het is juist een provocatie met betrekking tot het ijverig bezig zijn, tot de opvatting dat kunst hard werken is, inspanning vraagt. De kunst om te verdoezelen dat iets kunst is, wordt als een blijk van voortreffelijkheid beschouwd. Bevalligheid laat zich niet in termen van omvang en harmonie uitdrukken, maar het wordt met een andere maat gemeten, volgens regels die met veel geheimzinnigheid zijn omgeven.
Voltooidheid heeft ook een economische factor. In de negentiende eeuw valt het voltooide bij de burger in de smaak als duidelijk resultaat van het werk dat de schilder heeft verricht. "De onderneming is tot een goed einde gebracht, wat de vrijheid van de toeschouwer om te fantaseren en kritiek te leveren beperkt. Wat af is, is helder en duidelijk."

Slotsom: ik geloof absoluut niet dat mensen vanuit één treffend detail te typeren zijn. Dat in het kleine de hele waarheid schuilgaat. Dat er in elk mensenleven te midden van die grote hoeveelheid details überhaupt maar een enkel de status van rosebud heeft. Ik geloof wel dat details vaak symptomen zijn die dus serieus genomen moeten worden.

Belangrijk hier was alleen dat het proza van Rosebud aanzet tot doorlezen.

Jammer soms van de vertaler, die nogal slordig omgaat met anderstalige boektitels (soms worden ze vertaald, ook als er geen Nederlandse uitgave bestaat, dan weer niet, wanneer er wel één is) en de naam van de fictieve Belgische stad 'Ieperen' aan het papier toevertrouwt.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> bibliografie in de commentaren hieronder
> meer Assouline: Hotel Lutetia
> meer over biografen: De zeven hoofdzonden van de biografie en Dubbelspoor

Pierre Assouline, Rosebud : biografieën over het kleine detail
219 p.
Uitgeverij De Geus, 2009
Oorspr. Rosebud : éclats de biographies (2006)

Vertaald door Jan Versteeg
____

zondag 11 oktober 2009

Ik herlees voortdurend

Ik lees weinig, maar ik herlees voortdurend, Flaubert en Jules Verne, Roussel en Kafka, Leiris en Queneau; ik herlees de boeken waarvan ik houd en houd van de boeken die ik herlees, en telkens met hetzelfde genot, of ik nu twintig bladzijden, drie hoofdstukken of het hele boek herlees: het genoegen van een saamhorigheidsgevoel, van een gevoel van verstandhouding, of meer dan dit nog, van een eindelijk hervonden verwantschap.

Georges Perec, in: W, of De jeugdherinnering

____

vrijdag 9 oktober 2009

Fun run and other oxymorons - Joe Bennett

Geen afstompender les dan de Engelse les, vroeger. Een handboek met lelijke illustraties, teksten zonder kraak of smaak, en woordenlijsten waar je zelf debiele dialoogjes moest mee brouwen. Hoewel ik nooit meer naar school hoef, vraag ik me soms af welke auteurs ik toen had willen lezen om de taal machtig te worden. De verhalen van Somerset Maugham, omdat hij zoveel bereikt met een beperkte woordenschat. De columns van Joe Bennett, omwille van het rijke Engels, de humor, de pit.

Joe Bennett (1957) werd geboren in Engeland en verhuisde naar Nieuw-Zeeland toen-ie negenentwintig was ("At the immigration desk I met the local passion for forms in triplicate"). Hij gaf les aan middelbare schoolkinderen in Christchurch en schrijft nu hoofdzakelijk columns, die op gezette tijden worden gebundeld. In zijn introductie bij Fun run and other oxymorons, schrijft hij terecht dat er over zijn stukjes weinig samenvattends valt te vertellen.

I anything holds these articles together it is that I like people but not in herds. I distrust all beliefs, most thought and anything ending in ism. Most opinion is emotion in fancy dress.
Bennett schrijft betrekkelijk lange columns, waarin hij één onderwerp grondig aangepakt, of jongleert met een aantal verwante voorvalletjes, wat soms resulteert in een driedubbele pointe. Bennett tapt uit hetzelfde vaatje als vele cabaretiers of stand-up comedians: persoonlijke aanvaringen met de moderniteit, zeg maar. Huiselijke reparaties, bodypiercings, obers met praatjes, een lopende neus, een everzwijn op de camping. Nodeloos ingewikkelde apparaten. Overbodige spullen.
Don’t acquire things. Things fill the house and shrivel the soul. Who amongst us has not got a cupboard of things that were thought once to bestow ease and wonder on our lives but became dump-fodder within days? Bread-makers, miniature vacuum cleaners, datadays, exercycles, solarpowered shoe trees, all of them now standing in mute testimony to our acquisitive folly, our possessive myopia, our desperate yearning for a better world.
Once upon a time we were kids at Christmas who couldn’t sleep for the excitement of being given things. But then we unwrapped the things and instantly discarded the things and started looking forward to Christmas again. And we remain kids at Christmas, but nobody loves us any more so we have to buy ourselves things and it still doesn’t do the trick.
In tegenstelling tot cabaretiers heeft Bennett de luxe om mooie volzinnen te mogen maken. Dat doet die dan ook, met zichtbaar plezier. "I’m full of angst and arrogance and out of sync with chlorophyll," staat er, wanneer Bennett gewoon een hekel aan tuinieren wil overbrengen. Hij is een heel lexicale schrijver, die zijn proza opdirkt met veel exclusieve woorden. De kunst daarbij is om licht op de hand te blijven. Dat lukt meestal, waarop de lezer glimlacht. Bennett over een spelletje Monopoly dat op zijn laatste benen loopt:
The game inevitably ends with two tycoons lumbering round the board like dinosaurs, fixing each other with a flat dead eye. For them the world has shrunk to a board awash with property. It’s Kerry Packer and Rupert Murdoch, each with enough dollar bills to light cigars for the rest of their lives.
But neither cares for money now, because they have seen through money. They know that money is just a token for something seated even deeper in the soul. That something is power. The dinosaurs circle, eyeing the jugular, probing for the chance to kill and so to reign alone, to become lords of all survey: Mobutu, Marcos, Stalin, Ozymandias, master of the universe.
But the tycoons are blind. For when the deathblow comes and at last the victor stands alone he finds he stands atop a heap of rubble. The board has lost all meaning. Someone tips it over. The tokens of power jumble into nothingness. They are just plastic toys and bits of coloured paper. The master of the universe feels robbed. This is not what he wanted at all.
He stamps his feet. He wants another game. He rushes over to the window and shouts at the kids in the yard to come and play again. They are happy on their bicyles. They ignore him.
The bicycle game looks such fun. The master of the universe lusts to join it, but the others have glimpsed the malice in his soul. They will not let him play. He begs. He wheedles. He tries to bribe them. They laugh. The master of the universe bursts into tears.
Mum emerges to see what all the fuss is about. Mum is the Commerce Commission, the United Nations and God. She tells the children to be nice to each other. Sulkily they submit. For a while. Then someone suggests a game of Monopoly. Eyes lit up.
Daarom is het jammer dat, opnieuw net zoals bepaalde cabaretiers, Bennett zijn pijlen niet richt op iets groters, op structurele mistoestanden. De enige keer dat hij dat hij deed, kwam er meteen een kwaaie reactie van. Bennett had afgegeven op het dikdoenerige taaltje van consultants en reclamejongens.
The job description announced that ‘the appointee will facilitate the ongoing development of the school’s future positioning, strategic, quality management and planning processes’. (…) I object to language like this because it says little, bears little relation to reality, is needlessly complex and aims to impress by that complexity. It can be boiled down to very little. For example in the passage I have quoted, the word ‘ongoing’ means nothing. If development doesn’t go on, then it isn’t development. And instead of ‘facilitating development’ why can’t the appointee just ‘develop’ something? The reason, I suspect, is that it sounds less impressive.

[...]

We live in a world of things and deeds. Language names those things and deeds and enables us to consider them, to order them and to understand them. It is our best tool for thinking. In short, language civilizes us. If we use language badly we think less clearly and we become less civilized.

[...]

In rational matters like this, we think largely through words. It is not a question of the words catching up with the idea because, in the act of thinking, words and the idea become one. If the words are woollly it is because the thinking is shoddy.
Toch bestaan er betere schrijvers. Bennett moet het hebben van woorden, terwijl briljante schrijvers meestal beelden inzetten. Het juiste woord stelt de blik van de lezer scherp op een concreet gegeven; maar een goedgekozen beeld toont hem een verband dat hij nog niet eerder zag.

Op het einde merkte ik overigens een beetje gevoelloos te worden voor Bennetts uitsloverij. Mijn fout. Had ik dit boek met mate moeten lezen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Joe Bennett, Fun run and other oxymorons
276 p.
Uitgeverij Scribner, 2000



Nog een greep citaten:
A brace of young Mormons visited me the other day, dark-suited, soft-spoken and both called Elder.

[...]

The first law of the shower states that no two shower controls in the universe are the same. The second states that the temperature markings on shower controls bear no relation to the temperature of the water. The third states that, however much a shower control may rotate, the degree of rotation required to change from ice-cold to scalding is never more than one millimeter.

[...]

If you want to learn good stuff about, say, scorpions, get stung by one. That’s exactly fifty per cent of everything you need to know about scorpions. The other fifty per cent is the best way of killing them. It’s napalm.

[...]

Every dog has its own dietary idiosyncrasies. My first dog ate wallets.

[...]

The first essential of boring a child is silence. Churches invented the idea. Libraries took it up. Museums perfected it.

[...]

Television news works on the theory that no one can understand a technical item without pictures of a scientist doing something with test-tubes. What you do with the test-tubes is immaterial; it just has to look sciency.

[...]

Nevertheless there are joys to having a cold. The first of these is that I cannot taste my own cooking.

[...]

I know quite a lot about cars. I know that red cars go faster than other cars and that men don’t drive automatics. I know that driving fast is safer than driving slowly because an accident is a random happening in a random place and so the less time one spends in any random place the less chance one has of meeting the accident lurking there.

[...]

Over the course of any year we accrete things which we consider important. We gain money, status and vanities. At the beach we take them off again.

[...]

As a child of the late twentieth century I suspect that I am typical. Not only do I not grow vegetables, I don’t eat them unless they are disguised by salt, grease or, ideally, meat.

[...]

So President Clinton ordered his navy to fire missiles on to the foreign territory of other countries. There used to be a word for this robust style of diplomacy. That word was war.

[...]

Life is a sentence punctuated by rituals.

[...]

The importance of death in art has been underrated, but the reasons for it are clear enough. It’s all to do with economics. Dead painters stop painting. Thus the art market, that bustling throng of bored billionaires, knows for certain how many canvases the corpse has done and can be sure of the value of their investments.

[...]

The Elders and I parted amiably. In the windy sunshine I watched them climb the neighbour’s steps. They had dog-hair all over the backs of their black suits.
____

Related Posts with Thumbnails