Time-out
Nieuwe berichten niet eerder dan woensdag 4 november. PvD wordt vanaf morgen wel weer aangevuld.
___
Nieuwe berichten niet eerder dan woensdag 4 november. PvD wordt vanaf morgen wel weer aangevuld.
___
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
19:21
0
reactie(s)
rubrieken meta
Tot voor kort werd het conservatieve gedachtengoed in Vlaanderen voornamelijk verklankt door halfzachte politici van christen-democratische signatuur. Tot iemand als Bart De Wever op de voorgrond trad, die taalvaardig en snel redenerend modieus links van antwoord diende, daarbij duidelijk verwijzend naar de ideeën van Edmund Burke en Theodore Dalrymple. Ook voor de Engelse filosoof Roger Scruton was het werk van Burke een openbaring.
De betekenis van het conservatisme bevat de tekst van een lezing die Roger Scruton uitsprak voor een Nederlands gehoor in 2001. De tekst verscheen als de eerste uitgave van de Edmund Burke Stichting, het platform voor conservatieve gedachtevorming in Nederland. Scruton geeft om te beginnen mooi aan wat de vooroordelen zijn die het conservatisme aankleven:
Conservatief zijn, werd mij verteld, betekende de kant kiezen van de ouderdom tegen de jeugd, van het verleden tegen de toekomst, van autoriteit tegen vernieuwing, van de ‘structuren’ tegen spontaniteit en leven.Nog erger dan deze vooroordelen was het doodzwijgen van conservatieve denkers in de jaren dat Scruton (1944), een arbeidersjongen die zich opwerkte tot hoogleraar, tot intellectuele wasdom kwam. De kans dat je ernstig conservatieve ideeën met de paplepel mee naarbinnen krijgt, vroeger maar ook nu, is heel gering, tenzij je rijk of als aristocraat geboren bent.
De Nederlanders zouden eens moeten stilstaan bij het opmerkelijke feit dat de universiteit van Oxford, die een eredoctoraat heeft verleend aan Bill Clinton omdat die ooit op haar terrein heeft rondgehangen, hetzelfde eerbetoon heeft ontzegd aan Margaret Thatcher, de beroemdste van al degenen die er na de oorlog zijn afgestudeerd, en de eerste vrouwelijke premier van Groot-Brittannië. Ze zouden eens moeten stilstaan bij sommige anderen die eredoctoraten hebben gekregen van Britse academische instellingen — Robert Mugabe bijvoorbeeld, of wijlen mevrouw Ceausescu — of ze zouden eens (op de vingers van één hand) het aantal conservatieven moeten tellen dat is verkozen in de Britse Academie.Scrutons liefde voor de traditie kreeg eerst gestalte in de modernistische theorieën van T.S. Eliot, die de traditie beschouwde "als een zich voortdurend ontwikkelend maar toch ononderbroken proces, dat door elke toevoeging wordt gereconstrueerd, en dat het verleden aanpast aan het heden en het heden aan het verleden". Het gaf Scruton een rechtvaardiging voor zijn amodieuze interesse in de filosofische en literaire canon.
De wet wordt op alle punten ingeperkt door de realiteit en utopistische visies hebben er geen plaats. De Common Law van Engeland is daarnaast het bewijs dat er een duidelijk verschil bestaat tussen legitieme en illegitieme machtsuitoefening, dat macht kan bestaan zonder onderdrukking, en dat autoriteit een levende en werkzame kracht is in het menselijk gedrag. Het Engels recht, zo stelde ik vast, is het antwoord op Foucault.Scrutons denken spiegelt zich meer en meer aan de Amerikaanse intellectuele traditie, waar het conservatisme veilig werd gesteld door het Amerikaanse patriottisme en de Koude Oorlog, dat zich uitdrukkelijk tegen de marxistische vijand keerde. Daar las men nog Montesquieu, Tocqueville en de Founding Fathers. Daar kon men zich voeden met het werk van Leo Strauss, Eric Voegelin, Hayek, Friedman.
Dankzij Burke drong het tot mij door dat onze noodzakelijkste overtuigingen vanuit ons eigen perspectief wellicht onverantwoord zijn en ook nooit te verantwoorden, en dat de poging om ze te verantwoorden alleen maar zal leiden tot het verlies ervan. Door hen te vervangen door de abstracte rationele systemen van de filosofen denken wij wellicht dat wij onszelf daarmee tot een hoger niveau van redelijkheid verheffen en beter uitrusten voor het leven in de moderne wereld. Maar feitelijk zijn we minder goed uitgerust en zijn onze nieuwe opvattingen veel minder gerechtvaardigd, juist omdat ze uitsluitend door onszelf gerechtvaardigd zijn. De werkelijke verantwoording van een vooroordeel is die waardoor het wordt verantwoord als een vooroordeel, niet als een rationele conclusie van een betoog. Zij is een verantwoording die niet vanuit ons eigen perspectief kan worden gegeven, maar alleen als het ware van buitenaf, zoals een antropoloog de gewoonten en rituelen van een vreemde stam verantwoordt.Als voorbeeld geeft Scruton de vorm die seksuele relaties tegenwoordig aannemen.
Deze variëren van samenleving tot samenleving, maar tot voor kort hadden ze een gemeenschappelijk kenmerk, namelijk dat mensen fatsoenlijk van onfatsoenlijk gedrag onderscheiden, afschuw hebben van expliciet sekuseel vertoon, en bij de onderhandelingen die voorafgaan aan de seksuele vereniging eerbaarheid verlangen van vrouwen en ridderlijkheid van mannen. Daarvoor zijn heel goede antropologische redenen, zoals de stabiliteit van seksuele relaties op lange termijn, en de verplichtingen die ouders moeten aangaan om hun kinderen voor te bereiden op het volwaardig lidmaatschap van de samenleving. Maar dit zijn niet de redenen die het traditionele gedrag van mannen en vrouwen motiveren. Dat gedrag wordt bestuurd door diepliggende en onwrikbare vooroordelen, die uiteindelijk zijn geworteld in gevoelens van schandaal, schaamte en eer. De seksuele bevrijder zal zonder moeite laten zien dat deze motieven irrationeel zijn, in die zin dat het individu geen beredeneerde verantwoording ter verdediging ervan ter beschikking staat. En hij kan seksuele bevrijding voorleggen als een rationeel alternatief, omdat dit een complete code voor het handelen afleidt uit een doel dat zich kenmerkt door een transparante redelijkheid: seksueel genot.Scruton ontdekte terloops dat Burke in zijn debuut (Essay on the sublime and the beautiful) de link maakte tussen esthetiek en politiek, een band waar Scruton al van jongsaf van overtuigd was.
Als tiener leerde ik dat esthetische oordelen wel degelijk van belang zijn, dat zij niet louter een kwestie zijn van subjectieve meningen, maar voortkomen uit een diepgeworteld sociaal gebod, en dat ze voor ons van belang zijn op precies dezelfde manier als andere mensen voor ons van belang zijn, wanneer we met hen in een gemeenschap willen samenleven. En het kwam mij voor dat de esthetica van het modernisme, met zijn ontkenning van het verleden, zijn vernieling van landschappen en stadsgezichten, en zijn poging de wereld te ontdoen van de geschiedenis, ook een ontkenning betekende van gemeenschap, huis en woonplaats. Modernisme in de architectuur was een poging om de wereld te herscheppen alsof daar niets anders dan geatomiseerde individuen in leefden, losgeweekt uit het verleden, levend als mieren in hun metalen, functionele dozen.Uiteraard leest Scruton Burke's hoofdwerk over de Franse Revolutie. Tot dan toe deelde hij quasi-gedachtenloos de klassieke liberaal-humanistische interpretatie van de Franse Revolutie. Burke overtuigt Scruton er echter van dat samenlevingen niet zijn georganiseerd volgens een plan of een doel en dit ook niet kunnen zijn, dat er geen richting bestaat in de geschiedenis, en dat er niet zoiets is als een morele of spirituele vooruitgang. Burke verdedigde autoriteit en gehoorzaamheid, ook al omdat die uiteindelijk de vrijheden van het individu beter garanderen. Mensen, zeker in tijden van crisis, hebben behoefte aan organisatie, hiërarchie en een bevelstructuur. Al was het maar om de wereld als een keurige rentmeester te beheren voor toekomstige generaties, iets wat revolutionairen makkelijk uit het oog verliezen.
Op geen enkele manier kunnen mensen collectief vrijheid, gelijkheid en broederschap nastreven, niet alleen omdat die zaken erbarmelijk slecht en louter abstract zijn omschreven, maar ook omdat de collectieve rede niet op die manier werkt.De waarde van deze visie zou Scruton pas echt duidelijk worden toen hij zag hoe Tsjechische dissidenten zich bewogen onder de communistische dictatuur. Orwell leek veel relevanter voor Centraal-Europa dan de goegemeente dacht. Scruton zou zich actief inzetten ter ondersteuning van het anticommunistische verzet in (het toenmalige) Tsjechoslowakije.
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
23:33
0
reactie(s)
Ik ben inmiddels de dertig gepasseerd, en daarom ben ik niet meer zo gevoelig voor de docerende vorm. De vorm waarin een schrijver zich opwerpt als leermeester, die aan zijn pupil de raadselen van het bestaan uitlegt. Meestal komt zo'n boek met een simpele religieuze insteek, of begint de schrijver het op een pantheïstisch gewauwel te zetten ('samen één met de moederlijke natuur'). Beide varianten kan ik niet uitstaan. Maar deze Ferrucci dwingt sympathie af.
Het betoog van Franco Ferrucci is dan ook areligieus, in bepaalde hoofdstukken antireligieus, en dat is geen vrijblijvende vaststelling voor een Italiaanse schrijver — lees: een schrijver met een Italiaans doelpubliek. Wat verder zo goed is aan zijn boek is dat het niet zozeer concrete adviezen geeft, als wel een genuanceerd wereldbeeld schetst, waar de pupil zelf mee aan de slag kan. Ferrucci getroost zich onder meer de moeite de darwinistische leer in dat wereldbeeld te verwerken, en welke consequenties die kan hebben voor onze kijk op de dingen.
Zoals elk meester versus pupil-boek baadt Brief aan de gelukkige jongen die ik was in een aangename sfeer van medeplichtigheid. Ferrucci schrijft brieven aan een adolescent, waarin hij belooft tegemoet te komen aan zijn levensvragen. Het is een instructief boek van een schrijver die houdt van boeken die geschreven zijn in een communicatieve vorm: de dialogen van Plato, de briefvorm die Schiller bij gelegenheid gebruikte, de voor declamering bestemde teksten van Homerus, Shakespeare en Dante...
Ferrucci omzeilt de grote kwesties niet, en ziet de waarde in van de jeugd van de jongen; de adolescentie is voor velen de laatste leeftijd waarin men het leven in zijn totaliteit durft te bevragen, in plaats van praktische deelaspecten, waartoe volwassenen zich doorgaans beperken. Het motto bij dit boek is niet toevallig van Camus, die in De mythe van Sisyphus ook een vraag opperde die, toch theoretisch gezien, alle andere vragen vooraf zou moeten gaan.
Niet dat volwassenen niet klaar staan met allerlei antwoorden op vragen van pubers. Zij laten inderdaad geen gelegenheid voorbijgaan om pubers van advies te dienen. Alleen is de kern van de gedachte steeds dat pubers zouden moeten worden zoals zij. Dat is nog iets anders dan een antwoord op de vraag: waarom bestaan wij? of: wat is geluk?
Als de volwassenen je niet zeggen hoe alles zit, komt dat doordat ze het niet weten. Ik ken ze, en misschien kun je mij vertrouwen: weinig volwassenen hebben een idee van wat ze op de wereld doen. De meesten zouden zelfs geheel versteld staan van onze vraag. Het enige waartoe ze in staat zijn, is je opjagen naar een toekomst als volwassene waarin je geen antwoord weet te geven en zelfs de vraag niet meer stelt. Misschien zul je niet je hart luchten zoals je dat nu doet. Maar let eens op: wat zijn dat voor dwaasheden van jouw vader? Waarom is hij zo bezeten van zijn auto, van vermageren, van boeken als hij een intellectueel is, van macht als hij politicus of van roem als hij kunstenaar is? Als je het hem vraagt, zal hij heel kwaad reageren. Probeer hem maar te zeggen dat zijn belangstelling voor politiek of cultuur nauwelijks verschilt van zijn hartstocht voor het voetbalkampioenschap, je zult zien wat zijn antwoord zal zijn. Je moet je eens indenken hoe je, aarzelend tussen school en de straat, wacht tot iemand je de dingen uitlegt.Dat Ferrucci te goeder trouw is, bewijst het feit dat hij zich duidelijk afzet tegen een aantal schrijvers die hij eigenlijk hoog heeft zitten. Hij dient bijvoorbeeld Schopenhauer van antwoord, die beweerde dat het geluk een overgangsstadium is tussen verdriet en verveling en dus als zodanig geen echte substantie heeft. Het is een gevolgtrekking die zou kunnen worden omgedraaid, zegt Ferrucci: ongelukkig zijn is afwezigheid van geluk, niet omgekeerd. De mensen lijden omdat ze niet hebben wat ze willen hebben; het is niet juist dat ze alleen maar genieten omdat hun het verdriet wordt bespaard.
Bij Leopardi en andere grote pessimisten is er een inititiële dwaling die wel door het verstand, maar nooit door het gevoel is overwonnen; en het is een dwaling met diep religieuze wortels. Het is de wens te geloven dat het leven ons op de wereld heeft gezet om ons te eren en ons als ‘heren’ van de ‘schepping’ te behandelen. Het gaat om een der hardnekkigste denkbeelden die de mens ooit heeft gehad: je treft het zowel aan in het boek Genesis als in de mythe van de gouden era waarover de heidense dichters spreken. In beide gevallen is het geluksverlangen, dat van oudsher in de mens huist, omgezet in een droom; zoals wanneer jij over een brommer droomt en je die, zolang de droom duurt, werkelijk gelooft te hebben. De mensheid, bedreven in het dromen met open ogen, heeft gedroomd dat ze is geschapen om over de wereld te heersen; en toen ze besefte dat de werkelijkheid anders was, is ze in het andere uiterste vervallen en beschouwt zich als het slachtoffer bij uitstek in het universum; terwijl men juist de nederigheid had moeten opbrengen om de eigen dwaling toe te geven en te begrijpen hoe ze is ontstaan. In enkele heel rijpe perioden zoals de verlichte achttiende eeuw heeft men dit punt bereikt, om daarna terug te vallen in de enigszins infantiele klacht over het eigen verdriet. In plaats van haar dwaling te erkennen heeft de mensheid liever haar toevlucht gezocht in twee houdingen: een veroordeling van de natuur als wrede stiefmoeder, óf de aanklacht tegen de mens, die verantwoordelijk zou zijn voor de val uit de staat van gelukzaligheid (een denkbeeld dat ook bij Rousseau weer opbloeit). Volgens de bijbel ligt het aan de ongehoorzaamheid van Adam en Eva als wij nog steeds in deze wereld pijn lijden; zodat de mens, naast alle andere ellende, zich ook nog belast heeft met een vreselijk schuldgevoel; ik verzoek je dit gevoel te mijden, omdat het de zekerste aansporing is om vreselijke dingen te doen.Geluk is een teken van goedkeuring van het leven
Als je verder leert hoe belangrijk de liefde voor het behoud van de soort is, zal het je niet verbazen dat ze een zo grote geluksbelofte impliceert. Toch is de liefde een van de menselijke ervaringen die het sterkst aan symbolische transformaties zijn onderworpen. Aan tafel gebruiken de mensen mes, vork en servet, ze wensen elkaar smakelijk eten, ze toosten en refereren nooit aan het feit dat dit voedsel ontlast moet worden, kortom, ze gedragen zich beschaafd, oftewel symbolisch. In de liefde wordt het rituele karakter versterkt. Datgene waartoe de geslachtsdaad in essentie dient — de voortplanting, dus het behoud van de soort — , wordt toegedekt en als het ware in een groot symbolisch gewaad gehuld. De liefde is een van de verschijnselen waarbij de mens de natuurlijke behoefte ver achter zich heeft gelaten, veel meer dan de dieren hebben gedaan (die eveneens elkaar het hof maken).Voor Ferrucci is het duidelijk. Geluk, of een geluksgevoel, is een teken van goedkeuring afkomstig van het leven, die ons in zijn speciale taal meedeelt dat het tevreden is over de manier waarop de dingen lopen. Omgekeerd is lijden de manier waarop het leven zijn misnoegen uit, in het meest extreme geval is dat de doodangst bij levensgevaar: "het is het leven dat via ons lijdt, omdat het leven het onaangenaam vindt wat dan ook te verliezen; het zou elk deel van zichzelf willen behouden, terwijl het juist voortdurend stukjes van zichzelf verliest." Haat ziet Ferrucci dan als een omkering van liefde, vrucht van wrok en onbevredigd verlangen.
Het staat bijvoorbeeld vast dat je masturbeert. Het is min of meer onvermijdelijk, gezien alle eisen waarmee de buitenwereld jou en je volop groeiende en zo naar leven hunkerende lichaam bestookt. Als je het nu niet meer doet, heb je het zeker eerder wel gedaan, en dat was een blijk van gezondheid, van nederige erkenning van je behoeften. Hierover zijn de volwassenen nog warriger dan over al het andere; ook de verstandigsten hebben de uitzinnigste en wanstaltigste denkbeelden over seksualiteit klaar om de meest overspannen noties te accepteren. Je hoeft maar te beseffen dat het al meer dan een halve eeuw haast onmogelijk is de theorie van Freud tegen te spreken (in menig ander opzicht een groot man), volgens wie elk klein kind onbewust zijn vader wil vermoorden om diens plaats bij de moeder in te nemen. Je hebt geen idee wat een ernstig gezicht de volwassenen trekken als ze eerbiedig aan zoiets bizars refereren. Terwijl de kinderen masturberen, bespreken de volwassenen met elkaar het Oedipus-complex (zo heet dit denkbeeld van Freud), in plaats van zich serieus te interesseren voor de behoeften van opgroeiende mensen, die heel wat eenvoudiger en natuurlijker zijn dan de wens hun vader te vermoorden. En je hoeft je niet te schamen, want schaamte staat aan de wieg van al onze vervormingen. De leugen is enkel een schandelijke manier om de waarheid te zeggen, waarbij men haar vrijwel onherkenbaar maakt.
Nu weten we het: het leven valt zichzelf aan. Iets anders kunnen we niet concluderen. Je kunt de spin en de vlinder als twee krijgers van vijandelijke legers opvatten, als individuen die onderling sterker verschillen dan wij zouden verschillen van een marsmannetje, maar het door ons ontdekte feit blijft geldig. Het leven, die wonderbaarlijke pracht, is ondanks al zijn aspecten één enkel ding en probeert van alles om te overleven. Twee van die pogingen zijn de spin en de vlinder, die evenwel honger hebben en dag en nacht naar voedsel zoeken; in feite denken ze nergens anders aan. En wanneer ze oog in oog met elkaar staan en weten dat tussen hen alles beslist is, wat is dat dan anders dan het leven dat zichzelf bekijkt, twee minuscule onderdelen van zichzelf die proberen te overleven?In geen enkele misdaadfilm ter wereld zag men ooit dat slachtoffer en moordenaar één en dezelfde persoon zijn; in het leven gebeurt dat echter voortdurend. Is dat niet om bij te huilen? Is het leven niet door en door slecht, als we op zo'n kwestie inzoemen?
De wereld is zeker niet voor ons mensen gemaakt, want wij maken deel uit van de wereld; en het leven handelt vía, niet vóór ons. Dat is een belangrijke waarheid die we moeten begrijpen; zoals je ziet, is de waarheid geen schepping maar een gebaar. Ze licht de sluier op die ons het zicht op de dingen beneemt.Kunst als spel
De antieke mythen, van de heidense tot de christelijke, spreken over een god die de mensen het verstand schenkt; hieruit blijkt dat vanaf het eerste begin het verstand de bezitters ervan zo heeft verbijsterd dat ze zich aangespoord voelden om het aan een opperwezen toe te schrijven, het dus te beschouwen als iets wat losstond van het natuurdomein, als een geschenk dat uit de hemel neerdaalt. Dit denkbeeld oefent nu nog grote invloed uit en gaat terug op dezelfde moeilijkheid, dat we ons volledig als deel van de natuur moeten aanvaarden.Ferrucci leidt daar ook een criterium uit af om boeken te beoordelen. Een literair en filosofisch boek, zegt hij, is onmogelijk te begrijpen zonder je te verdiepen in het type relatie dat het met het leven heeft gevestigd (een stelling die literatuurdocenten, critici en zelfs moderne schrijvers doet huiveren). De waarde van elk boek moet je beoordelen naar de inspanning die het doet om via de cultuur het leven nabij te komen. Maar vergis je niet: die afweging is een aartsmoeilijke oefening, zowel voor 'gewone' lezers als literatuurkenners.
De fout van de ‘gewone’ lezer is zijn gebrek aan intellectuele weerstand, te wijten aan een geringe culturele voorbereiding, zodat het gemakkelijk is hem absurde, maar op zijn gevoelens inwerkende denkbeelden te laten accepteren. De fout van intellectuelen evenwel is dat ze hebben vastgesteld dat de enige manier om met het leven van doen te hebben is dat we ons en het leven een dikke, stevige dam van boeken opwerpen.En dan gaat Ferrucci een beetje kort door de bocht door zonder reserves te stellen dat waarheid 'intuïtief' kan aangevoeld worden, want te meten naar het geluksgevoel dat het ons verschaft. Ik denk te weten waar hij naartoe wou — hij heeft iets tegen steriele logica, zonder praktisch nut, als een echte pragmatist — maar hij formuleert het nogal ongelukkig.
De vreugde is een beloning voor de bereikte waarheid, de kunst een belofte van deze vreugde. De kunst kan ook een doel op zichzelf worden, maar dan raakt ze in verval, wordt steriel en berustend; als het waar was dat ze geheel op eigen kracht kon leven, zou dit niet gebeuren. De kunst voedt zich met een verlangen naar waarheid; en wanneer die verdwijnt, houdt de jonge kunstenaar niet meer van zijn spel, want hij bespeurt daarin niet meer de zekerheid dat hij groeit.Vervalsingen
Het is merkwaardig te zien hoe het moderne denken dikwijls geprobeerd heeft de twee realiteiten te scheiden. Deze scheiding is begonnen bij Rousseau, een filosoof die een enorme invloed op de gehele cultuur van de negentiende eeuw heeft gehad. Rousseaus idee van een in oorsprong ‘goede’ natuur (die tevens de mens van de primitieve samenlevingen insluit), waar hij een maatschappij tegenover stelt die zich gaandeweg zo ver van de natuur heeft verwijderd dat uiteindelijk een onnatuurlijk ‘slechte’ toestand is geschapen, is een van de zwaarstwegende dwalingen in de geschiedenis der mensheid geweest. Om een even schadelijk equivalent te vinden moeten we terug naar het tegenovergestelde idee van een slechte of bedorven natuur, dat het middeleeuwse christelijke denken heeft beheerst en zijn sporen bij Machiavelli en Hobbes heeft nagelaten, twee renaissance-denkers die stellig atheïsten waren en toch diepgaand waren beïnvloed door een religieuze interpretatie van het leven.Inmiddels is een werkelijkheid geschapen die vanzelf verandert zonder er nog in te slagen stil te blijven staan, zegt Ferrucci. We moeten juist rekenen op hen die voldoende in staat zijn de wereld in handen te nemen wanneer het konvooi te pletter is gereden. Daarmee, met toespelingen op een kernoorlog en totale destructie, krijgt het boek op de valreep iets gedateerds, iets dat stamt uit het begin van de jaren tachtig.
Waarom zijn beide ideeën zo schadelijk geweest? Omdat ze gebaseerd zijn op het idee van een radicale tegenstelling tussen maatschappij en natuur (die ze vervolgens vergeefs trachten te verhelpen) die gewoonweg niet bestaat. Ook de maatschappij is een natuurverschijnsel, zij het reusachtig ontwikkeld en complex, net zoals de mens zelf, die vaak van de natuur is losgemaakt, alsof hij een gast van buiten in plaats van een in de natuur geworteld wezen is.
[...]
De menselijke samenleving, ontsproten aan de natuur, heeft essentiële trekken met haar gemeen. Ze is innerlijk tegenstrijdig en neigt derhalve tot zowel het behoud als de vernietiging van zichzelf. Omdat ze tevens een menselijk verschijnsel is (het meest complexe van alle natuurlijke groepsprocessen), vertoont de samenleving ook menselijke trekken: een behoefte aan kennis en een neiging voortdurend andere oplossingen te zoeken. De tragiek van onze tijd is dat het rusteloos experimenteren van twee eeuwen geschiedenis — vanaf de Franse revolutie tot op heden — heeft geleid tot een maatschappij die vrijwel uitsluitend functioneert dank zij de versnelling van inerte krachten (...).
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
22:16
0
reactie(s)
rubrieken bibliotheca, opinio
Charing Cross Road 84, de correspondentie tussen de New Yorkse schrijfster Helene Hanff en het Londense antiquariaat Marks & Co, is een boekje dat door veel bibliofielen gekoesterd wordt. Verschillende toneelbewerkingen (BBC, Broadway) en een verfilming met Anne Bancroft en Anthony Hopkins droegen vast bij aan de bekendheid. Jaren geleden was ik teleurgesteld toen ik het las, maar ik moest een blik op mijn notities werpen om te weten waarom ook alweer.
Het is om te beginnen een dun boekje, honderd genereus gelay-oute pagina's, meer kattebelletjes dan brieven. Vermoedelijk zocht ik ook bedachtzame opmerkingen over boekenliefde, terwijl Helene Hanff een heel spontane vrouw is, die kraait van vreugde bij het zien van mooie edities — net dat aspect van boeken dat me koud laat, als het tenminste alleen maar daarover gaat. Boekenliefhebbers zouden eerst en vooral getuigenis moeten afleggen van wat de inhoud van een boek met hen doet.
DAT JE DIE MAMMOET-CATALOGI AL JAREN PUBLICEERT EN DAT DIT DE EERSTE KEER IS DAT HET IN JE HOOFD IS OPGEKOMEN MIJ ER EEN TE STUREN? GIJ SCHELM?Wel heel leuk is de ontwikkeling die elke goede brievenrelatie doormaakt. De correspondentie vangt aan met een schoorvoetend geschreven bestelling voor goedkope tweedehandsliteratuur, waarop Hanff keurig het pakket toegezonden krijgt. Een jaar later is de relatie hartelijker geworden en stuurt de schrijfster 'Paaspakketten' op, om de Londenaren te helpen die gebukt gaan onder een naoorlogs rantsoen vlees en eieren. Het meest contact heeft ze met Frank Doel, die persoonlijk haar bestellingen afhandelt, en diens vrouw Nora.
Ik weet niet meer welke schrijver uit de Restauratie iedereen een schelm noemde, ik heb het altijd al in een zin willen gebruiken.
Als U Uw Grolier Bijbel schoon moet maken, adviseren wij gewoon water en zeep. Gooi een theelepel soda in een kannetje warm water en neem een spons met wat zeep. Ik denk dat het vuil er dan af gaat en daarna kunt U het oppoetsen met wat lanoline.De bestellingen van Hanff omvatten, op een occasionele Catullus en Horatius na, voornamelijk Engelstalige literatuur, wat mij irriteert, zoals elk eenzijdig leesmenu. Omdat Hanff weinig vertelt over de boeken, moet de lezer zich aan de hand van de titels proberen een beeld te krijgen van haar smaak.
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
13:26
0
reactie(s)
"Robert Southey (1774-1843) was an English poet of the Romantic school, one of the so-called "Lake Poets", and Poet Laureate for 30 years from 1813 to his death in 1843. Although his fame tends to be eclipsed by that of his contemporaries and friends William Wordsworth and Samuel Taylor Coleridge, Southey's verse enjoys enduring popularity. Moreover, Southey was a prolific letter writer, literary scholar, essay writer, historian and biographer. His biographies include the life and works of John Bunyan, John Wesley, William Cowper, Oliver Cromwell and Horatio Nelson. (...) He was also a renowned Portuguese and Spanish scholar, translating a number of works of those two countries into English and writing both a History of Brazil (part of his planned History of Portugal which was never completed) and a History of the Peninsular War. Perhaps his most enduring contribution to literary history is the immortal children's classic, The Story of the Three Bears, the original Goldilocks story, which first saw print in 1834 in Southey's novel, The Doctor."
> http://en.wikipedia.org/wiki/Robert_Southey
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
20:49
0
reactie(s)
rubrieken curricula
"Hubert Fichte (1935-1986) was a German novelist. In the mid sixties Fichte published his first novels. (...) His main influences were Marcel Proust, Hans Henny Jahnn and Jean Genet. In the seventies Fichte worked more and more on ethnological research. From 1971 to 1975 he travelled to Bahia (Brazil), Haiti and Trinidad several times. (...) In the late sixties Fichte began writing his main work Die Geschichte der Empfindlichkeit (the history of the sensibility, or: the story of the pettishness) a monumental cycle of novels. His last set of plans showed his intention to write nineteen books, most of them novels, but also some volumes of essays, called “Glossen”."
http://en.wikipedia.org/wiki/Hubert_Fichte
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
20:48
0
reactie(s)
rubrieken curricula
Of boeken blijven nazinderen, hangt niet altijd af van de appreciatie tijdens het lezen ervan. Soms heb je de helft van een boek al vreugdeloos (want bevooroordeeld) weggegeten, wanneer iets van de bedoelingen van een auteur begint te dagen. De afgelopen jaren heb ik vaak aan 1979 moeten denken, terwijl ik het eerst een overgewaardeerd romannetje vond, veel soberder geschreven dan je van een Zwitserse miljonairszoon en zelfverklaard dandy mocht verwachten.
Maar ik dacht toen nog dat dandy's allemaal nakomelingen waren van Des Esseintes, badend in exclusieve luxe, en daarvan kond doend à la Huysmans, in praalzieke frasen. Inmiddels ken ik het werk van Anton Moonen en weet ik dat snobs minstens even vaak borg staan voor luchtige afstandelijkheid en uitgekiende eenvoud. Christian Kracht behoort tot die school. Kale zinnen, kille figuren.
De 'ik' in 1979 is een binnenhuisarchitect die zich aan de vooravond van de islamitische revolutie ophoudt in Teheran. Hij is er in het gezelschap van Christopher, een uitgedoofde vlam, ook een jonge rijke homo. Deze Christopher voelt zich als een vis in het water op de jetfeestjes in de decadente kringen van de sjah. Alcohol, drugs en minderjarige meisjes zijn binnen handbereik, terwijl buiten de tanks al door de straten rijden.
Op een van de feestjes ontmoet de binnenhuisarchitect de grimmige Mavrocordato, een Roemeense praatvaar die zich uit eigenbelang bedient van de retoriek van de revolutionairen ("jij, beste jongen, jij zult binnenkort worden gehalveerd, om daarna weer heel te worden. En die halvering zal gauw beginnen, de eerstkomende dagen al").
Hoewel de Duitse ambassade zijn burgers oproept om Iran ijlings te verlaten, geeft de architect daar geen gehoor aan en mengt hij zich onder de revolutionairen — een heterogene groep die zowel communisten bevat als islamitische fundamentalisten, die in de terugkeer van Khomeiny de komst van de heiland zien, die westerlingen "zal doen verdrinken in een schuimende zee van cornflakes en Pepsi-Cola".
Ik liep urenlang door de reusachtige stad. Er was iets nieuws gebeurd, iets wat absoluut niet te bevatten was, het was als een draaikolk waarin alles werd meegezogen wat niet vastgesjord zat, en zelfs die dingen waren daar niet meer voor gevrijwaard. Het leek alsof er geen centrum meer bestond, of tegelijkertijd alleen nog maar een centrum en niets meer eromheen.Hij ontmoet de Roemeen opnieuw. Mavrocordato praat handig in op de ijselijke, maar blijkbaar makkelijk tot wankelen te brengen estheet, die alleen iets afweet van luxewaren en binnenhuisdecoratie. Met kleine "alchemistische trucs" (hij sluit een bewakingscamera direct aan op een televisie, filmt de monitor, en genereert zo het Droste-effect) windt hij het gehoor om zijn vinger. Maar het blijft niet bij spelletjes. Mavrocordato spreekt. Hij, de architect, moet een daad stellen die de onduldbare bemoeizucht van de Verenigde Staten in het Midden-Oosten goedmaakt. De Roemeen geeft hem geld op de koop toe.
De lichtbruine schoenen die hij droeg waren van Berluti, Christopher had me een keer verteld dat het de beste schoenen van de wereld waren, je had zelfs een club van Berluti-schoendragers, die elkaar in de buurt van de Place de Vendôme ontmoetten om hun Berluti’s met champagne te poetsen.Na een lange reis, tussenlandingen makend op steeds kleiner en armoediger wordende vliegvelden, overstappend op bussen en tenslotte meerijdend op muilezels omdat er geen wegen meer zijn, bereikt hij een kale en stenige hoogvlakte.
Het slijk en het stof legden een vieze laag over ons en onze viltkleding, het was alsof we, naarmate we hoger kwamen, langzaam korstig werden. Ik had de indruk alsof er geleidelijk een vernislaag op onze lichamen kwam, alsof we schilderijen van oude meesters waren die door de eeuwen heen telkens weer waren overgeschilderd, zodat de oorspronkelijke voorstelling niet meer te onderscheiden noch te herinneren was.Anders dan in De verloofde van Sado wordt het contact met de berg (hier geen bestijging maar een omtrekkende beweging, op de knieën) geen onverdeeld succes. 1979 persifleert het genre van de halfzachte zelfverwerkelijkingsliteratuur met brio. Het rondje rond de berg weekt niets los in de binnenhuisarchitect en kort daarop wordt hij met een groep Tibetanen gearresteerd door Chinese grenssoldaten vanwege vermeende spionage voor de Russen.
Een van ons werd telkens tot opziener benoemd, hij had de taak een bepaald kwantum aan overtredingen per week te melden. Kritiek op de Partij, reactionaire of contrarevolutionaire gesprekken of zelfs geuite ontevredenheid over omstandigheden in het kamp werden onmiddellijk door hem gemeld; haalde hij het aantal meldingen per week niet, dan moest de opziener zelf naar de zelfkritiek.Het leven van de estheet wordt drastisch omgegooid. Soulbroeken, paisley-pochetten en de choreografieën van Busby Berkeley hebben plaatsgemaakt voor anonieme werkkledij, zaagsel met maden en de flair van een totalitair regime. En ziet: het luxedier wordt getemd, zijn denken gestuurd en afgeremd. Het is onder deze dwingelandij dat zich eindelijk iets van moreel besef losmaakt in de ik-figuur.

Opgetekend door
Achille van den Branden
om
22:40
0
reactie(s)
Wie modebewust is, weet dat kleuren geen absoluut karakter hebben. Kleuren wisselen van uitstraling, naarmate je ze combineert met andere kleuren. Met schrijvers is het net zo. De romans van Michel Houellebecq heb ik vlot uitgelezen, maar acht ik niet zó bijzonder. Dat ze velen shockeren, vertelt vooral iets over de versuikerde cocon waarin de meeste mensen leven. Maar kijk, plaats Houellebecq naast een woordkramer als BHL, en zijn ideeën krijgen een aantrekkelijke glans.
Michel Houellebecq is zonder twijfel een weldaad voor de Franse literatuur. Een atypische Franse auteur: niet frivool maar dor, niet schrijvend over de liefde maar over seks, niet de televisiecamera's opvrijend, maar een goed heenkomen zoekend in Ierland. Houellebecq staat een illusieloze, genotzuchtige levensbeschouwing voor, wars van alle engagement; zijn geestelijke vaders heten Pascal, Dostojevski en Nietzsche.
Wie op het idee kwam juist deze man in een brievenboek te koppelen aan Bernard-Henri Lévy heeft gevoel voor humor. Lévy is in vele opzichten de complete tegenpool van Houellebecq. Een flamboyante motormouth, mediageil opinionater, gepokt en gemazeld in de continentale filosofie (Sartre, Lévinas) en maker van talloze snoepreisjes over de hele planeet die zijn zelfbeeld als geëngageerde intellectueel in leven moet houden.
Toch had dit boek kans op slagen. Samen zijn ze de enfants terribles van de Franse letteren, eindeloos gerecycleerd door de roddelgrage pers, veelvuldig gehoond en bekritiseerd door de literaire critici. Die positie als verschoppeling (nou ja) en levende schietschijf is, naast een voorliefde voor het maskeradespel van Baudelaire, wat de twee heren bindt. Houellebecq geeft in zijn allereerste brief een aardige roundup:
Als specialist in geflopte acties en schijnheilige mediaoptredens maakt u zelfs de witte overhemden die u draagt te schande. Als intimus der machtigen, sinds uw kindertijd badend in obscene rijkdom, bent u de belichaming van wat in sommige ietwat triviale bladen zoals Marianne nog altijd ‘salonsocialisme’ heet, en wat de Duitse publicisten veel subtieler Toskana-Fraktion noemen. Als denker zonder denken, maar bepaald niet zonder relaties, bent u bovendien de maker van de lachwekkendste film uit de filmgeschiedenis.Wie de correspondentie tussen Meijsing en Freriks of Zeeman en Benali al heel wat vond, moet Publieke vijanden maar eens lezen. Houellebecq en Lévy schreven elk veertien brieven naar elkaar. Het zijn lange, doorgecomponeerde brieven, verschoond van ditjes en datjes. Essays, maar uit de losse pols geschreven. Een uitgebreide kennis van de eigen cultuur is deel van het cement tussen de brieven; Lévy en Houellebecq zijn in zoverre Franse schrijvers dat ze sponsen zijn, volgezogen met Franse letterkunde en de heikele kwesties in de slipstream van die Franse letterkunde: Febvre die Bloch vraagt te zwichten voor de Duitsers, het nationalistische katholicisme van Barrès...
Nihilist, reactionair, cynicus, racist en verkapte vrouwenhater: het zou nog te veel eer zijn om mij tot de weinig appetijtelijke familie van de rechtse anarchisten te rekenen; in wezen ben ik niets anders dan een proleet. Als platte auteur zonder stijl heb ik alleen dankzij een onwaarschijnlijke inschattingsfout van een handvol verwarde critici literaire faam kunnen verwerven, een aantal jaren geleden. Gelukkig zijn mijn slappe provocaties sindsdien gaan vervelen.
Samen symboliseren wij perfect de schrikbarende futloosheid van de Franse cultuur en intelligentie waar Time Magazine onlangs streng doch rechtvaardig melding van maakte.
We spreken elkaar niet en ik heb dus geen flauwe notie van de manier waarop u te werk gaat.Voorbijgangers
Maar als ik uw brieven krijg, neem ik steeds een dag of twee.
Ik bekijk ze van alle kanten.
Ik zoek de hoek, het houvast.
Ik spied naar punten van overeenkomst, punten van verschil, punten van ogenschijnlijke overeenkomst maar werkelijk verschil — onze ‘correspondenties’.
Ik vraag me af wat iemand het meest onderscheidt, datgene wat hij laat zien of datgene wat hij verbergt — datgene wat hij zegt of datgene wat hij niet zegt en wat al met al misschien zijn interessantste kant is.
Ik probeer zo veel mogelijk te anticiperen op het antwoord dat u zult geven op mijn antwoord en op het antwoord dat ik u op mijn beurt zal geven.
Van een vaag idee van vooruitgang misschien, een begrip dat voor mij alleen wetenschappelijke of technische betekenis heeft. Een laatste restje ernst, daterend uit mijn kindertijd, versterkt door mijn studie, waardoor ik elke vorm van oorlog (of het nu een burger- of godsdienst-, onafhankelijkheids- of veroveringsoorlog is) als louter tijdverlies zie. Wat telt, nietwaar, is het bouwen van stoommachines, het ontwikkelen van de industriële productie, het temmen van het klimaat. Het is eigenlijk meer dan een restje, ik ben ermee grootgebracht, ik kan er niets aan doen.
Wij zijn voorbijgangers hier op Aarde, daar ben ik inmiddels van doordrongen; we hebben geen wortels, we brengen geen vruchten voort. Onze bestaanswijze is, om kort te gaan, anders dan die van bomen. Overigens hou ik veel van bomen, ik hou er zelfs steeds meer van; maar ik ben er geen. We hebben meer weg van stenen, geworpen in de leegte, en net zo vrij als zij; of als je de zaken per se van de goede kant wilt zien, we hebben iets van kometen.
Bij zo’n belastingpeil zeg je tegen jezelf dat je te maken hebt met elementaire, onbetwistbare uitgaven — openbare veiligheid, wegennet, dat soort dingen; je zegt nooit tegen jezelf dat de regering een gewaagde politiek is aangegaan waarover je je zou moeten uitspreken en waarvoor men je steun vraagt. Dat heeft allemaal een kalmerende uitwerking, geeft niet de indruk dat je werkelijk meedoet, zorgt er in elk geval voor dat je jezelf geen vragen hoeft te stellen; in één woord, het depolitiseert.

De officiële versie is dus dat alles goed gaat, dat alles steeds beter gaat, en dat alleen een paar nihilistische neuroten dat blijven ontkennen. Wier bestaan makkelijk kan worden verklaard aan de hand van een pijnlijke familiegeschiedenis (verkracht door haar vader, in de steek gelaten door zijn moeder… nou ja, heavy stuff). Vanuit dat oogpunt was de herrijzenis van mijn moeder een mooie zet, moet ik toegeven. Visueel was ze perfect — een onmiddellijke nachtmerrie. Maar toen ze begon te praten ging het wat minder goed. Haar ‘bekering tot de islam’, die veiligheidsagent Assouline stof tot interpretatie had gegeven, bleek algauw een farce; en vooral werd ook duidelijk dat wij elkaar nauwelijks kenden, zij en ik; dat we elkaar weleens hadden ontmoet, meer niet.
Om eerlijk te zijn herinner ik me niet ook maar één biografie helemaal te hebben uitgelezen. Die waarin ik ben begonnen, deden me denken aan het soort slechte spionageromans (of whodunits) waarin de persoonlijke voorkeuren van de auteur vanaf de eerste bladzijde voelbaar zijn en waarin alleen de voor de hand liggende drijfveren en combinaties worden verkend, het soort romans, kortom, waarin je na twintig bladzijden al raadt wie de dader is. Of anders gezegd: ik heb me nog nooit een biograaf kunnen voorstellen die niet iets vulgairs heeft.
Ik zou u kunnen zeggen, en het zou niet minder juist zijn, dat die houding te maken heeft met het idee dat ik heb over de redenen waarom mensen zich aan het schrijfavontuur wagen: mijn idee — en ook het idee dat Foucault in zijn allerlaatste teksten poneerde — is dat je niet zozeer schrijft om te weten wie je bent, als wel om te weten wie je wordt; ik ben ervan overtuigd dat de inzet van een boek niet zozeer is jezelf te zijn, naar jezelf terug te keren, samen te vallen met je waarheid, je schimmen, het eeuwige kind in jezelf en andere onbenulligheden van hetzelfde allooi, als wel te veranderen, iemand anders te worden dan degene die je was voor je begon en die juist door het groeien van het boek niet langer actueel en interessant is; schrijf je om je in te metselen of om je los te maken? Om te verdwijnen of om om te ontstaan? Om het terrein te bezetten of om het te ondermijnen en, nadat je het hebt ondermijnd, van territorium te veranderen en te verdwalen in de doolhof van een onvindbare identiteit? Het antwoord spreekt voor mij vanzelf en volstaat ter verklaring van het feit dat het mij geen donder kan schelen wat voor stompzinnigheden ze schrijven over de ‘waarheid’ van mijn verhouding tot geld, tot de media, tot de macht of tot commandant Massoed.
Ik zou u kunnen zeggen, en het zou nog altijd juist zijn, dat die manier van doen, die weerzin tegen bekentenissen en gedramatiseerde innerlijkheid, getuigt van een metafysica die, ten goede en ten kwade, bepalend voor mij is: grosso modo de metafysica die voortkomt uit de fenomenologie, die in Sartre en vervolgens in het anti-humanisme van Althusser, Lacan en opnieuw Foucault haar vervulling heeft gevonden; waarvan het grondbeginsel luidt dat het subject een lege vorm is, zonder werkelijke binnenkant, haast abstract — met als enige essentie het contact dat het met de wereld onderhoudt en de inhoud die het door dat contact krijgt toegemeten, op een telkens nieuwe, nooit substantiële manier.
Welnu, de neiging om betekentenissen af te leggen die ik af en toe tentoonspreid komt volgens mij uit twee heel verschillende bronnen voort. De eerste is, zoals ik al zei, de diepgewortelde zekerheid dat geen enkele bekentenis ook maar iets aan je eigen persoonlijkheid verandert, dat eventuele gebreken er niet door genezen en niet door verergeren, de antipsychoanalystische zekerheid kortom — misschien een van de weinige die ik nooit ben kwijtgeraakt, samen met die van het niet-bestaan van God. De tweede bron is de abnormale zelfoverschatting waaraan ik af en toe ten prooi ben, ik denk dan dat geen enkele bekentenis de oneindig rijkdom van mijn persoonlijkheid kan uitputten, dat de oceaan van mijn mogelijkheden nooit zal opdrogen — en dat als iemand me denkt te kennen, hij gewoon niet genoeg informatie heeft.
De kracht die bij mij socialiserend zou kunnen werken is van een heel andere orde: achter mijn verlangen om te mishagen gaat een enorm verlangen om te behagen schuil. Maar ik wil behagen ‘om wie ik ben’, zonder te verleiden, zonder eventuele beschamende eigenschappen te verhullen. Ik heb me weleens aan provocaties bezondigd; daar heb ik spijt van, want zo ben ik niet echt. Een provocateur noem ik iemand die los van wat hij eigenlijk denkt of is (en door al dat provoceren denkt en is de provocateur niets meer) de uitspraak of houding berekent waarmee hij zijn gespreksgenoot maximaal op stang kan jagen of in verlegenheid brengen; en die vervolgens het resultaat van zijn berekening toepast. Veel humoristen van de laatste decennia waren opmerkelijke provocateurs.
In mij schuilt juist een perverse vorm van oprechtheid: ik zoek hardnekkig, verbeten naar het allerergste in mij om het dan spartelend voor de voeten van het publiek te leggen — precies zoals een terriër een konijn of een pantoffel voor de voeten van zijn baasje legt. En ik doe dat niet om een of andere vorm van verlossing te bereiken, dat hele idee is me vreemd. Ik wil niet geliefd zijn ondanks het ergste wat ik in me heb, maar vanwege het ergste wat ik in me heb, ik wil zelfs dat het ergste wat ik in me heb hetgeen is wat men het meest waardeert.

Hoe u zomaar, unverfroren, kunt zeggen: ‘Schopenhauer denkt dat’ of ‘Nietzsche antwoordt hem dat’ of ‘de argumentatie van Spinoza over dit of dat onderwerp lijkt mij onweerlegbaar want’… Zoiets is ondenkbaar voor een beroepsfilosoof! En het is lastig voor een luie donder als ik, bij wie het idee erin is gestampt dat filosofieën systemen zijn, samenhangende, gesloten gehelen, en dat er niets riskanters bestaat dan daaruit een onderdeel te nemen, het af te zonderen, het op zijn bijzondere verdiensten te onderzoeken, het zich toe te eigenen, kortom het te citeren! Dat was de eerste les van Jacques Derrida wanneer hij op de École Normale nieuwe studenten ontving, die, net als in het leger, ‘groentjes’ werden genoemd — en het is een les, dat zeg ik zonder koketterie, die ik maar wat graag weer zou willen afleren: geen zwevende filosofemen! Geen filosofische uitspraken, nooit, losgekoppeld van de pagina waarop ze oorspronkelijk zijn geformuleerd! Nooit zeggen, uit principe: ‘Hegel, of Heidegger, of Heraclitus zegt dat…’! Want los van de context en, nog erger, van de brontaal, heeft wat ze zeggen niet meer dezelfde betekenis en soms zelfs helemaal geen betekenis meer!
het subject dat zich van zijn eigen subjectiviteit bewust is onmogelijk maakt, doordat het alles door elkaar haalt, doordat het individuen definieert als zuivere pakketjes materie, steentjes, atomen, terwijl het joods-christelijke denken datzelfde subject tegelijk denkbaar en mogelijk maakt dankzij het trucje van de ‘roeach’ en de transformatie van goddelijke adem in menselijk adem, dankzij de hypothese, anders gezegd, van een naar Gods evenbeeld geschapen ziel."
De aanmatiging waarmee a priori niet van elkaar te onderscheiden zoogdieren van gemiddelde omvang specifieke essenties willen vormen, is toch wel beangstigend. Hoe pijnlijk contrasteert dat niet met de houding van mijn hond (een hond van gemiddelde omvang, nou ja wat laag op de poten, maar al met al toch gemiddeld), die zonder aarzelen bij zowel chihuahua’s als dobermanns de hondheid herkent.
is het wel het idee van de absolute onomkeerbaarheid van elk aantastingsproces, als het eenmaal is begonnen. Of die aantasting nu een vriendschap, een familie, een huwelijk, een grote sociale groepering of een hele samenleving betreft, in mijn romans is er geen pardon, geen weg terug, geen tweede kans: alles wat verloren is, is inderdaad verloren, voorgoed. Het is meer dan organisch, het is haast een universele wet, omdat het ook voor dode voorwerpen geldt; het is letterlijk entropisch. Bij iemand die zozeer doordrongen is van de onontkoombaarheid van elke neergang, elk verlies, kan het idee van een reactie niet eens opkomen. Maar een dergelijk iemand mag dan nooit reactionair kunnen zijn, hij zal daarentegen volkomen automatisch behoudend zijn. Hij zal altijd van mening zijn dat je beter kunt behouden wat je hebt, dan je in een nieuwe ervaring te storten. Hij zal gevoeliger zijn voor gevaren dan voor hoop, en dus pessimistisch, en over het algemeen makkelijk in de omgang.
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
20:10
3
reactie(s)
rubrieken opinio
Geloof nooit, nooit Franse juichkreten op boekomslagen. Pierre Assouline bundelde in Rosebud zeven lange biografische schetsen. Hij kondigt aan die stukken te zullen ophangen aan het voorwerp dat de gebiografeerde ten voeten uit typeert — denk aan de slee in Citizen Kane, waaraan de krantenmagnaat van kindsbeen af zo verknocht is. De werkwijze van Assouline wordt door Franse critici als uiterst origineel ervaren. Maar al bij al zijn dit tamelijk conventionele portretten.
De stukken van Pierre Assouline zijn wat mij betreft niet eens opgehangen aan de voorwerpen. Hooguit vertrekt hij vanuit zo'n object, en dat lijkt me een weinig bijzondere truc: zeker een kwart van de essayisten gebruikt hem om op gang te komen. Het is als met Archimedes en zijn hefboomprincipe: geef me een vast punt om op te staan en ik til de wereld op.
Het is gemakkelijk te begrijpen waarom de beroepsbiograaf die Assouline is, deze stukken graag heeft geschreven. Hij kon er in kwijt wat in een respectabele levensbeschrijving niet mag. In de klassieke biografie, zegt Assouline, moet je de vormen en verhoudingen eerbiedigen, evenwichtige hoofdstukken schrijven, je onthouden van uitweidingen.
Je moet vooral bij je onderwerp blijven, terwijl je misschien had willen uitzoemen en een tijdsbeeld schrijven, of inzoemen naar dat preciese detail dat je heeft geraakt. Een detail van een schilderij, een woord uit een gedicht, een uniek kledingstuk, een voorwerp, een typische manier van doen. Assouline verklaart waarom die romantische zoektocht zo waardevol is.
Bij gebrek aan een wereldbeschouwing hebben velen van ons een gevoelsmatig contact met de wereld. Zeer velen zelfs, waarbij lezen ons een warme dekmantel biedt en wij ervan overtuigd zijn dat we een leven altijd beter leren kennen via kleine dingen die vaak naar de marge worden verdreven dan door de opsomming van belangrijke gebeurtenissen.Als rolmodellen voor zijn werkwijze noemt hij onder andere de grote verslaggever Hunter S. Thompson en diens zoektocht naar wat mensen drijft (Assouline: "Al ruim dertig jaar zoek ik bij iedereen naar die rosebud") en Roland Barthes, die er ooit van droomde een biografie te schrijven, en in afwachting daarvan biografemen bedenkt:
dat wil zeggen beschrijvingen van schijnbaar losstaande onderdelen: de witte mof van markies de Sade wanneer hij Rose Keller aanhoudt, de voorliefde van de theoreticus Fourier voor ‘mirlitons’ geheten Parijse gekruide pasteitjes, de door tranen versluierde blauwe ogen van Ignatius van Loyola.In 'De 'Duchess' van Kipling' is het leidmotief de rolls royce waarmee Rudyard Kipling de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog doorkruist, op zoek naar een spoor van zijn vermiste zoon John, waarschijnlijk omgekomen bij de slag bij Loos. De tragiek wou dat Kipling zijn zoon koste wat kost in de oorlog wou hebben. Alles wat hij na het verdwijnen van zijn zoon nog schrijft, draagt het stempel van zijn afwezigheid. Hoe zei Herodotus het ook alweer?
‘Niemand is zo gek om liever oorlog dan vrede te willen: in vredestijd begraven zonen hun vaders; in oorlogstijd begraven vaders hun zonen.’'De zitstok van meneer Henri' is een zitstok voor golfspelers. Een featherwate, voor de kenners. Het is de stok waarmee Henri Cartier-Bresson door het kunstmuseum sjokt. Een fotograaf is één groot oog, en het museum "de leerschool van het kijken". Volgens Goethe zijn schilders de beste 'kijkers', want wat je niet getekend hebt heb je niet gezien. Cartier-Bresson wordt ontroerd door een kleine Goya in het Szépmüvészeti Muzeum in Boedapest. Of Assouline, die hem vergezelt, geen foto van het schilderijtje wil nemen? Natuurlijk. Thuis blijkt zijn Leica dienst te hebben geweigerd.
Karl Kraus verklaart dat een gedicht goed is tot je erachter komt van wie het is. Jean Tardieu beweert dat er van poëzie sprake is wanneer een woord voor het eerst een ander woord ontmoet. Weer anderen zeggen ons dat een belangrijk gedicht taal in een ander register is, waardoor het lijkt of het een vreemde taal is die we niet kennen maar wel begrijpen. Voor Paul Celan, die als geen ander gevoel heeft voor verborgen zaken, is poëzie telkens weer een eenmalig in handen van de taal leggen van zijn leven. Daarbij is het gedicht duidelijk een roep om stilte. Bij het lezen van sommige van zijn gedichten bekruipt je net zo’n gevoel van onbehagen als bij het zien van een stil schilderij. Je wordt er aangenaam door in de war gebracht.En dat horloge? Celan bezwoer dat hij het op zijn nachtkastje zou leggen, net voordat hij zich zou verdrinken in de Seine. Aardig detail: Celan schreef enkele gedichten op papier met briefhoofd van Hotel Lutetia.
Het gaat door voor een Chinese gewoonte, die eruit bestaat degene die een onrechtvaardigheid heeft begaan waarvan je het slachtoffer bent, gezichtsverlies te laten lijden door hem publiekelijk je zelfmoord in het gezicht te smijten. Het is een daad waarmee de mens de dood iets afpakt. Een daad van absolute vrijheid van degene die zichzelf ombrengt.De mister uit 'De nieuwe schoenen van Mr. Owen' slaat op David Owen, medeoprichter van de sociaal-democratische partij in Groot-Brittannië. Assouline, verslaggever voor een Franse krant, stond naast hem op het huwelijk van Charles, de prins van Wales en lady Diana Spencer in de St. Paul’s Cathedral in Londen op 29 juli 1981.
Bij Engelsen ontbreekt er altijd iets, een ik-weet-niet-wat. Eigenlijk weet ik het wel, iets Italiaans: die befaamde sprezzatura waar Castiglione het zo duidelijk over heeft in zijn boek De hoveling. Zoiets als ongedwongenheid, die grenst aan een soort natuurlijke vlotheid waarbij elk spoortje van inspanning of gemaaktheid is verdwenen.Veruit het mooiste verhaal staat onder het kopje 'Een gedenkplaats in de Rue des Grands-Augustin'. Het mooiste, omdat het schildersatelier dat erin wordt beschreven, in tegenstelling tot alle voorgaande attributen ook werkelijk een fascinerend knooppunt is van wonderlijke gebeurtenissen. Het is een verhaal waar K. Schippers vast over had willen schrijven.
Castiglione heeft gelijk: te veel ijver is schadelijk. Je moet op tijd weten op te houden. Er komt een moment dat het mooi is geweest. Ga je door, dan bederf je de frisheid van het schilderij. Alleen wat onvoltooid is lijkt door bevalligheid aangeraakt, want het is juist een provocatie met betrekking tot het ijverig bezig zijn, tot de opvatting dat kunst hard werken is, inspanning vraagt. De kunst om te verdoezelen dat iets kunst is, wordt als een blijk van voortreffelijkheid beschouwd. Bevalligheid laat zich niet in termen van omvang en harmonie uitdrukken, maar het wordt met een andere maat gemeten, volgens regels die met veel geheimzinnigheid zijn omgeven.Voltooidheid heeft ook een economische factor. In de negentiende eeuw valt het voltooide bij de burger in de smaak als duidelijk resultaat van het werk dat de schilder heeft verricht. "De onderneming is tot een goed einde gebracht, wat de vrijheid van de toeschouwer om te fantaseren en kritiek te leveren beperkt. Wat af is, is helder en duidelijk."
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
19:46
1 reactie(s)
rubrieken opinio
Ik lees weinig, maar ik herlees voortdurend, Flaubert en Jules Verne, Roussel en Kafka, Leiris en Queneau; ik herlees de boeken waarvan ik houd en houd van de boeken die ik herlees, en telkens met hetzelfde genot, of ik nu twintig bladzijden, drie hoofdstukken of het hele boek herlees: het genoegen van een saamhorigheidsgevoel, van een gevoel van verstandhouding, of meer dan dit nog, van een eindelijk hervonden verwantschap.
Georges Perec, in: W, of De jeugdherinnering
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
19:58
1 reactie(s)
rubrieken dixit
Geen afstompender les dan de Engelse les, vroeger. Een handboek met lelijke illustraties, teksten zonder kraak of smaak, en woordenlijsten waar je zelf debiele dialoogjes moest mee brouwen. Hoewel ik nooit meer naar school hoef, vraag ik me soms af welke auteurs ik toen had willen lezen om de taal machtig te worden. De verhalen van Somerset Maugham, omdat hij zoveel bereikt met een beperkte woordenschat. De columns van Joe Bennett, omwille van het rijke Engels, de humor, de pit.
Joe Bennett (1957) werd geboren in Engeland en verhuisde naar Nieuw-Zeeland toen-ie negenentwintig was ("At the immigration desk I met the local passion for forms in triplicate"). Hij gaf les aan middelbare schoolkinderen in Christchurch en schrijft nu hoofdzakelijk columns, die op gezette tijden worden gebundeld. In zijn introductie bij Fun run and other oxymorons, schrijft hij terecht dat er over zijn stukjes weinig samenvattends valt te vertellen.
I anything holds these articles together it is that I like people but not in herds. I distrust all beliefs, most thought and anything ending in ism. Most opinion is emotion in fancy dress.Bennett schrijft betrekkelijk lange columns, waarin hij één onderwerp grondig aangepakt, of jongleert met een aantal verwante voorvalletjes, wat soms resulteert in een driedubbele pointe. Bennett tapt uit hetzelfde vaatje als vele cabaretiers of stand-up comedians: persoonlijke aanvaringen met de moderniteit, zeg maar. Huiselijke reparaties, bodypiercings, obers met praatjes, een lopende neus, een everzwijn op de camping. Nodeloos ingewikkelde apparaten. Overbodige spullen.
Don’t acquire things. Things fill the house and shrivel the soul. Who amongst us has not got a cupboard of things that were thought once to bestow ease and wonder on our lives but became dump-fodder within days? Bread-makers, miniature vacuum cleaners, datadays, exercycles, solarpowered shoe trees, all of them now standing in mute testimony to our acquisitive folly, our possessive myopia, our desperate yearning for a better world.In tegenstelling tot cabaretiers heeft Bennett de luxe om mooie volzinnen te mogen maken. Dat doet die dan ook, met zichtbaar plezier. "I’m full of angst and arrogance and out of sync with chlorophyll," staat er, wanneer Bennett gewoon een hekel aan tuinieren wil overbrengen. Hij is een heel lexicale schrijver, die zijn proza opdirkt met veel exclusieve woorden. De kunst daarbij is om licht op de hand te blijven. Dat lukt meestal, waarop de lezer glimlacht. Bennett over een spelletje Monopoly dat op zijn laatste benen loopt:
Once upon a time we were kids at Christmas who couldn’t sleep for the excitement of being given things. But then we unwrapped the things and instantly discarded the things and started looking forward to Christmas again. And we remain kids at Christmas, but nobody loves us any more so we have to buy ourselves things and it still doesn’t do the trick.
The game inevitably ends with two tycoons lumbering round the board like dinosaurs, fixing each other with a flat dead eye. For them the world has shrunk to a board awash with property. It’s Kerry Packer and Rupert Murdoch, each with enough dollar bills to light cigars for the rest of their lives.Daarom is het jammer dat, opnieuw net zoals bepaalde cabaretiers, Bennett zijn pijlen niet richt op iets groters, op structurele mistoestanden. De enige keer dat hij dat hij deed, kwam er meteen een kwaaie reactie van. Bennett had afgegeven op het dikdoenerige taaltje van consultants en reclamejongens.
But neither cares for money now, because they have seen through money. They know that money is just a token for something seated even deeper in the soul. That something is power. The dinosaurs circle, eyeing the jugular, probing for the chance to kill and so to reign alone, to become lords of all survey: Mobutu, Marcos, Stalin, Ozymandias, master of the universe.
But the tycoons are blind. For when the deathblow comes and at last the victor stands alone he finds he stands atop a heap of rubble. The board has lost all meaning. Someone tips it over. The tokens of power jumble into nothingness. They are just plastic toys and bits of coloured paper. The master of the universe feels robbed. This is not what he wanted at all.
He stamps his feet. He wants another game. He rushes over to the window and shouts at the kids in the yard to come and play again. They are happy on their bicyles. They ignore him.
The bicycle game looks such fun. The master of the universe lusts to join it, but the others have glimpsed the malice in his soul. They will not let him play. He begs. He wheedles. He tries to bribe them. They laugh. The master of the universe bursts into tears.
Mum emerges to see what all the fuss is about. Mum is the Commerce Commission, the United Nations and God. She tells the children to be nice to each other. Sulkily they submit. For a while. Then someone suggests a game of Monopoly. Eyes lit up.
The job description announced that ‘the appointee will facilitate the ongoing development of the school’s future positioning, strategic, quality management and planning processes’. (…) I object to language like this because it says little, bears little relation to reality, is needlessly complex and aims to impress by that complexity. It can be boiled down to very little. For example in the passage I have quoted, the word ‘ongoing’ means nothing. If development doesn’t go on, then it isn’t development. And instead of ‘facilitating development’ why can’t the appointee just ‘develop’ something? The reason, I suspect, is that it sounds less impressive.Toch bestaan er betere schrijvers. Bennett moet het hebben van woorden, terwijl briljante schrijvers meestal beelden inzetten. Het juiste woord stelt de blik van de lezer scherp op een concreet gegeven; maar een goedgekozen beeld toont hem een verband dat hij nog niet eerder zag.
[...]
We live in a world of things and deeds. Language names those things and deeds and enables us to consider them, to order them and to understand them. It is our best tool for thinking. In short, language civilizes us. If we use language badly we think less clearly and we become less civilized.
[...]
In rational matters like this, we think largely through words. It is not a question of the words catching up with the idea because, in the act of thinking, words and the idea become one. If the words are woollly it is because the thinking is shoddy.
A brace of young Mormons visited me the other day, dark-suited, soft-spoken and both called Elder.____
[...]
The first law of the shower states that no two shower controls in the universe are the same. The second states that the temperature markings on shower controls bear no relation to the temperature of the water. The third states that, however much a shower control may rotate, the degree of rotation required to change from ice-cold to scalding is never more than one millimeter.
[...]
If you want to learn good stuff about, say, scorpions, get stung by one. That’s exactly fifty per cent of everything you need to know about scorpions. The other fifty per cent is the best way of killing them. It’s napalm.
[...]
Every dog has its own dietary idiosyncrasies. My first dog ate wallets.
[...]
The first essential of boring a child is silence. Churches invented the idea. Libraries took it up. Museums perfected it.
[...]
Television news works on the theory that no one can understand a technical item without pictures of a scientist doing something with test-tubes. What you do with the test-tubes is immaterial; it just has to look sciency.
[...]
Nevertheless there are joys to having a cold. The first of these is that I cannot taste my own cooking.
[...]
I know quite a lot about cars. I know that red cars go faster than other cars and that men don’t drive automatics. I know that driving fast is safer than driving slowly because an accident is a random happening in a random place and so the less time one spends in any random place the less chance one has of meeting the accident lurking there.
[...]
Over the course of any year we accrete things which we consider important. We gain money, status and vanities. At the beach we take them off again.
[...]
As a child of the late twentieth century I suspect that I am typical. Not only do I not grow vegetables, I don’t eat them unless they are disguised by salt, grease or, ideally, meat.
[...]
So President Clinton ordered his navy to fire missiles on to the foreign territory of other countries. There used to be a word for this robust style of diplomacy. That word was war.
[...]
Life is a sentence punctuated by rituals.
[...]
The importance of death in art has been underrated, but the reasons for it are clear enough. It’s all to do with economics. Dead painters stop painting. Thus the art market, that bustling throng of bored billionaires, knows for certain how many canvases the corpse has done and can be sure of the value of their investments.
[...]
The Elders and I parted amiably. In the windy sunshine I watched them climb the neighbour’s steps. They had dog-hair all over the backs of their black suits.
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
13:18
0
reactie(s)
rubrieken bibliotheca, opinio