In 2010 wil ik mijn cultuurfilosofie bijspijkeren. Het theoretische kader waarmee ik cultuuruitingen beoordeel ontbeert diepgang. Zo dat kader überhaupt aanwezig is. De komende weken volgen al enige preludiën op dat leesvoornemen. Om te beginnen dit boekje van Roger Scruton. Deze Britse publicist ontdekte in mei '68 dat het linkse gedachtengoed 'm totaal vreemd was. Sindsdien verdedigt hij conservatieve normen en waarden. Of, zoals hier, het behoud van de cultuur tout court.
Roger Scruton ziet de Verenigde Staten als de meest vieve vertegenwoordigers van de moderne westerse identiteit. Hij gaat daarmee in tegen cultuurpessimisten als Spengler (na de Eerste wereldoorlog) en Adorno (na de Tweede Wereldoorlog) die het failliet van de westerse cultuur uitriepen maar zich blindstaarden op de tragische gebeurtenissen op het oude Europese continent. Scruton ziet de Amerikaanse Revolutie ook als een belangrijker mijlpaal dan de Franse Revolutie. Omdat ze eerder begon vormde de Amerikaanse Revolutie de eerste gelegenheid waarbij de Verlichting 'aan de macht kwam' en de Europese rechtsorde getransformeerd werd in een constitutionele democratie. In tegenstelling tot Frankrijk werd dat staatsbestel ook nog eens geïmplementeerd in een land "dat geen geschiedenis had en zich onttrok aan de sociale normen van de Europese stad". Die erfenis blijft tot op vandaag springlevend. Door waarden die centraal staan in de Amerikaanse samenleving (vrijheid, optimisme, joods-christelijke geloofsovertuigen, de onderwijstraditie) is het vraagstuk van de westerse identiteit nog steeds onder ons, zegt Scruton, wat doemprofeten ook mogen beweren.
Alleen: twee van de belangrijkste verwezenlijkingen van de westerse samenleving -- levensvatbare democratieën en superieure technologie -- scheppen volgens Scruton niet die diepe verbondenheid waarvan "de toekomst van onze beschaving afhangt". De mensheid behoeft cultuur. Cultuur in zijn enge betekenis: hoge cultuur.
Antropologen schrijven over de ‘cultuur’ van de volkeren die ze observeren, waarmee dan die gebruiken en artefacten worden aangeduid die men deelt, en waarvan de gemeenschappelijkheid tot sociale cohesie leidt. Etnologen definiëren cultuur weer op een bredere manier: zij rekenen daartoe alle intellectuele, emotionele en gedragsmatige eigenschappen die door leren en sociale interactie en niet langs genetische weg worden overgedragen. Maar sociologen gebruiken de term weer in engere zin, om de gedachten en gewoonten aan te duiden door middel waarvan mensen hun groepsidentiteit definiëren en hun sociale territorium afbakenen. In al deze gevallen is de term ‘cultuur’ verweven met de menselijke behoefte aan verbondenheid en beschrijft die een gedeelde kwaliteit van een sociale groep. In dit boek zal ik ‘cultuur’ op een andere manier definiëren en omschrijven als een verworvenheid die niet door ieder lid van een gemeenschap hoeft te worden gedeeld, en die het hart, de geest en de zintuigen van haar bezitters openstelt voor een intellectuele en artistieke nalatenschap.
Hoge cultuur betekent hier dus: alle kunst, literatuur en humane reflectie, en het intellectuele referentiekader dat daaruit voortspruit. Dit soort cultuur heeft weinig uitstaans met feitelijke informatie of theoretische waarheid. Cultuuruitingen zijn een reactie "op de waargenomen kwetsbaarheid van het menselijke leven". Die reactie krijgt zijn beslag via "idealen en voorbeelden, beelden, vertellingen, symbolen en muziek". Scruton doet een poging om de humus van de westerse cultuur te inventariseren:
Beschavingen komen uit elkaar voort en vloeien in elkaar over, en ze delen zich dikwijls als amoebes om twee contemporaine uitlopers voort te brengen; het is dan ook erg moeilijk om de grenzen in ruimte en tijd van de westerse beschaving aan te geven. Ze kwam voort uit de versmelting van het christendom met het Romeinse recht en bestuur, werd zich bewust van zichzelf in de vroege Middeleeuwen, maakte een periode van scepticisme en Verlichting door, en werd terzelfdertijd over de aardbol verspreid door de handel en de koloniale belangen van haar meer avontuurlijke vertegenwoordigers. En gedurende haar belangrijkste bloeiperioden heeft de westerse beschaving een cultuur voortgebracht die de culturen van andere plaatsen, andere geloofsovertuigingen en andere tijden met groot gemak opneemt en assimileert. Haar basisvoorraad verhalen, haar morele voorschriften en haar religieuze beeldmateriaal zijn afkomstig uit de Hebreeuwse Bijbel en het Griekse Nieuwe Testament. Maar op deze joods-christelijke wortels is een boom met vele takken geënt, die vele soorten vruchten draagt.
Cultuur en
beschaving zijn dus geen synoniemen, al hebben de begrippen wel met elkaar te maken: "de cultuur van een beschaving is de kunst en de literatuur waardoor ze tot bewustzijn van zichzelf komt en haar visie op de wereld definieert."
Het tastbare is voor Scruton een essentieel aspect van alle cultuur. Alleen via materiële overlevering kan cultuur overgedragen worden en kunnen cultuurprodukten dienen als modellen en inspiratie voor de volgende generatie. Cultuurprodukten met een langere houdbaarheidsdatum vormen samen de canon. De kritische conflicten over wat nu juist in de canon thuishoort, vormen zelf een onderdeel van de canon.
Oordelen
Waarmee we bij een van Scrutons stokpaardjes zijn gekomen. De kritische reflectie over wat waardevolle cultuur is. Cultuur is onlosmakelijk verbonden met oordelen. De essentie van cultuurprodukten wordt niet gedefinieerd door menselijke interesses, maar door de hoedanigheid van de dingen zelf: hun intrinsieke kwaliteit.
[Beeldende kunsten, literatuur en muziek] zijn interessant omwille van zichzelf. Maar ze leveren ook andere voordelen op. Ze creëren een referentiekader dat ons toestaat om onze geestestoestand met elkaar te delen. Ze bieden ons op talloze manieren, troost, amusement, genoegen en emotionele opwekking. Maar we beoordelen ze niet door die gunstige effecten te meten. Integendeel: we beoordelen ze op hun intrinsieke kwaliteiten. De vraag waarvoor de criticus zich gesteld ziet is niet: ‘Zijn de effecten hiervan goed of slecht?’, maar: ‘Behoren we ons voor dit object te interesseren?’
Het vermogen om te oordelen is niet aangeboren. Om de kwaliteit van cultuurproducten vast te stellen moet elke generatie zich opnieuw scholen in de cultuurgeschiedenis, en haar zintuiglijk waarnemingsvermogen verfijnen. (Scruton maakt een ietwat geforceerde vergelijking met lachen, dat evengoed niet enkel een sociale emotie is, maar ook een veelvuldig beoefende vorm van oordelen.)
Om de waarde van cultuur nauwkeuriger vast te stellen, grijpt Scruton terug naar
Schiller en andere Verlichtingsdenkers: zij zagen cultuur als de
bewaarplaats van emotionele kennis, waardoor we de betekenis van het leven als doel op zichzelf kunnen leren begrijpen. Zeker nu de rol van religie taant, vervult cultuur een belangrijke functie, meent Scruton.
Cultuur erft van de religie de ‘kennis van het hart’, waarvan sympathie de essentie vormt. Maar zelfs als de religie die haar aanvankelijk voortbracht er niet meer is, kan die kennis worden doorgegeven en uitgebreid. Ja, in die omstandigheden is het des te belangrijker dat de cultuur wordt doorgegeven, omdat ze de enige overdraagbare getuigenis vormt van het hogere leven van de mens.
In een duistere passage voegt Scruton daar nog aan toe dat de cultuur uiteindelijk toch niet de plaats kan innemen van de religie, omdat de religie "onze gevoelens alleen kan vormen wanneer de leerstukken worden geloofd." Het staat er zo laconiek, dat ik niet begrijp wat Scruton hiermee bedoelt. Op mij komt het over alsof hij de cultuur minderwaardig vindt aan de religie, juist omdat daar geen voorschriften aan verbonden zijn. Terwijl elk weldenkend mens die onafhankelijkheid precies als een troef zou inschatten, denk ik.
Wat wordt er eigenlijk bedoeld met die "kennis van het menselijke hart" van daarnet? Geen verzameling praktische vaardigheden, maar de wijsheid om die vaardigheden op de juiste manier te gebruiken. Scruton grijpt naar een taalkundige bruggetje om zich te verduidelijken: niet alleen weten
dat, of weten
hoe, maar weten
wat. En meer bepaald: weten wat je moet voelen. Door verhalen te lezen, de geschiedenis te bestuderen, naar preken te luisteren, afbeeldingen te bekijken, komen we tot zulke "kennis van het menselijke hart". Niet door personages te imiteren, maar door de empathie die we voelen met deze personages. Een empathie die wordt gegenereerd door het vakmanschap van de kunstenaar.
In één beweging door wijst Scruton twee bekende kritische geluiden van de hand die de status van de cultuur zouden aantasten. Het probleem dat wordt opgeworpen door de ‘slechte estheet’ (wat met de nazibeulen die hielden van klassieke muziek?) en de ‘aculturele filantroop’ (wat met goede zielen zonder de minste culturele bagage?). In een repliek op het eerste probleem stelt Scruton dat je van cultuur niet mag verwachten dat ze immorele excessen zomaar tegenhoudt. Geen enkele leerstelling, instelling, religie of set morele regels kan dat; waarom zou cultuur dat wel moeten kunnen? Wat de aculturele filantroop betreft: deze bezit zeker wat mensen in tijden van beproeving nodig hebben: de deugden die ervoor zorgen dat mensen zichzelf en hun medemensen van nut kunnen zijn.
Maar die deugden verdwijnen met hun bezitters. Alleen als hun herinnering in vertelling, beeld en zang wordt vereeuwigd, kunnen anderen in gedachten van hen genieten en wat hun door middel van kunst wordt getoond volop leren bewonderen en nabootsen.
Dat argument vind ik aantoonbare onzin. Deugden verdwijnen helemaal niet met hun bezitters, op voorwaarde tenminste dat zij die deugden in geïnstutionaliseerde vorm hebben kunnen organiseren. Structurele liefdadigheid, vrijwilligersorganisaties, belangengroepen die opkomen voor de rechten van de mens, en noem maar op, hebben in wezen niets met hoge cultuur te maken.
Terug naar de definitie van cultuur. Wie het fenomeen verder wil definiëren kan niet zonder het begrip vrije tijd. Cultuur is het product van vrije tijd, legt Scruton uit: ze wordt geschapen en genoten op die momenten, of in die geestestoestanden, dat de onmiddellijke urgentie van het praktische leven zijn opgeschort.
Onze cultuur was historisch gesproken het product van een vrijgestelde klasse -- een klasse die praktisch het monopolie had op vrije tijd. Maar vandaag de dag leven we in een maatschappij waar vrije tijd voor iedereen bruikbaar is, zelfs voor hen die die tijd niet weten te gebruiken. Dat is één oorzaak van de diepe onzekerheid over de ‘westerse cultuur’. Er lijkt sprake van een radicale scheidslijn tussen enerzijds ons erfgoed van de aristocratie en de gegoede burgerij, het product van een ontwikkelde klasse priesters, profeten en edelen, en anderzijds de werken van onze recent geëmancipeerde ‘gewone man’ (…)
Scruton ziet een devaluatie in de invulling van het begrip vrije tijd. Voor
Aristoteles was vrije tijd het doel van arbeid, en cultuur het doel van vrije tijd: letterlijk de tijd waarin de mens vrij is zich te kunnen overgeven aan contemplatie. Ook voor Schiller stond cultuur los van het praktische, doelmatige. Nu wordt de activiteit naar het beroepsleven gewoon voortgezet, in fysieke, recreatieve vrijetijdsbeoefening.

OnderrichtenAls ik
Waarom cultuur belangrijk is goed heb gelezen, onderscheidt Scruton uiteindelijk drie oorzaken voor het huidige achteruitbollen van de hoge cultuur. Om te beginnen is er de historische evolutie waarbij cultuurdragers zich langzaam hebben losgemaakt van de religie (de stamvader van alle cultuur). In de "aanvangstijd der beschavingen" bestond er een cultureel continuüm tussen de gewone man en de elite. De elite maakte religieus geïnspireerde kunst; de gewone man reserveerde het beetje vrije tijd dat hij had aan religieuze rituelen, zang en gebed. Maar overal waar cultuurdragers kritisch gingen reflecteren over religie en dus afstand namen van de religie (hoewel het respect voor mythes en religieuze boeken bleef), ontstond er een diepe kloof tussen de recreatieve interesses van gewone mensen en de cultuur van de kritische elite.
Ten tweede boert het onderwijs achteruit. We leven in een periode waarin sommige massa's leren, maar de massa's weinig of helemaal niets, zegt Scruton. Onderwijs begunstigt niet langer de kennis an sich (door intellectuelen op te leiden die de cultuur zullen overdragen), maar begunstigt de leerlingen. Modern onderwijs vermijdt moeilijkheden, speurt naar 'relevante' onderwerpen, en streeft er vooral naar de belangstelling van de leerling vast te houden, no matter what. Een brede culturele ontwikkeling behoort niet meer tot de prioriteiten. Zelfs de reputatie van 'kennis' in engere zin taant, in weerwil van allerlei modieuze begrippen.
Er wordt wel eens gezegd dat we tegenwoordig in een ‘kenniseconomie’ leven, en dat ‘informatietechnologie’ de hoeveelheid en de toegankelijkheid van de menselijke kennis enorm heeft vergroot. Beide beweringen zijn onjuist. ‘Informatietechnologie duidt simpelweg op het gebruik van digitale algoritmes bij het overbrengen van boodschappen. De ‘informatie’ die verwerkt wordt is geen informatie over iets, en staat ook niet gelijk met kennis. Ze behandelt waarheid en onwaarheid, werkelijkheid en fantasie, als gelijkwaardig, en beschikt niet over middelen om het verschil te beoordelen. En het internet maakt duidelijk dat de informatietechnologie veel effectiever is in het bevorderen van onwetendheid dan in het stimuleren van de wetenschap. Bij het veroveren van de cyberruimte heeft de onwetendheid een enorme voorsprong, omdat die ruimte is toegesneden op de gewoonten van luiaards. De bewering dat we in een ‘kenniseconomie’ leven is al even ongefundeerd. De informatietechnologie zorgt ervoor dat beelden voorrang krijgen boven gedachten en dat het lawaai dat de ruimte vult waarin ideeën worden geboren en overgedragen duizendvoudig worden versterkt. Als het op de grote beslissingen aankomt, overschreeuwt dat lawaai dan ook de zachte stem van het begrip.
Scruton is een groot voorstander van het competitie-element in het onderwijs. Het onderwijs moet erop gericht zijn de grootste talenten naar boven te halen. Eerst en vooral moeten de
basics van elke discipline onderwezen worden. De manier waarop Scruton het literatuuronderricht zou organiseren heeft wel iets weg van de
literatuuropvattingen van Ezra Pound en diens hang naar de wortels van de literatuur. Scruton:
Het lijkt me evident dat de leerling zo snel mogelijk een idee moet krijgen van wat een klassieker is -- een ‘toetssteen’, zoals Arnold het formuleerde -- met andere woorden, een werk dat generaties lang van betekenis blijft en een ijkpunt vormt voor andere en mindere scheppingen. Als de leerling zich dat idee eenmaal eigen heeft gemaakt, zal hij het niet moeilijk vinden om de literaire cultuur te behandelen als gedeeld bezit -- als referentiekader, dat de communicatie bevordert tussen alle mensen die het erkennen en ruimte biedt voor de bestendige waardering van nieuwe werken, nieuwe ervaringen en nieuwe sympathieën. De klassiekers der lyrische poëzie memoriseren, hardop voorlezen uit de heldendichten, de toneelstukken van Shakespeare opvoeren: dat moeten de eerste stappen zijn in het literatuuronderwijs.
Scruton draagt ook alternatieven aan voor het muziekonderwijs. En voor het kunstonderricht. Pupillen in de kunstacademie moeten zich de kunst van de visuele waarneming eigen maken via modeltekenen, doorgedreven natuurobservatie en het maken van stillevens en figuratieve landschappen. In plaats daarvan ziet Scruton tegenwoordig een hang naar collagekunst, assemblages en installaties. Zelfs de abstracte tradities moeten daarvoor plaatsmaken. Het zijn spitante bladzijden uit
Waarom cultuur belangrijk is, al geeft
Curtis White in
Het doorsneedenken een indringender beeld van de teloorgang van het (Amerikaanse) onderwijs.
Redeneren
De derde trend die volgens Scruton verantwoordelijk is voor de hedendaagse devaluatie van de hogere cultuur ligt bij de intellectuelen zelf, die bewust schamper doen over de bevoorrechte klasse waartoe ze behoren. Scruton noemt dit de "cultuur van de verwerping". Enerzijds door de opmars van de multiculturaliteit -- de opvatting dat elke cultuur begrensd is, tijdelijk en dus relatief. Dit cultuurrelativisme muilkorft elk debat, want zorgt er angstvallig dat er geen minderheden worden gekwetst. (
Waarom cultuur belangrijk is bevat een mooie tirade tegen de vraag van
Edward Said in
Orientalisme om culturen op hun eigen voorwaarden te beoordelen, en Scruton toont mooi aan dat de westere cultuur al zo multicultureel is als maar zijn kan.)
Anderzijds zijn er de kwalijke gevolgen van de postmodernistische en deconstructivistische cultuurkritiek, volgens dewelke elke waarheid het kind is van het gebruikte discours (
Foucault: ‘Waar komt uw spreken vandaan?’). Scruton gaat -- terecht -- fel tekeer tegen elke denkrichting die het bestaan van objectieve procedures, autoriteiten en een beredeneerde canon verwerpt. Volgens hem komt dit in de praktijk neer op de censuur van alle traditionele overtuigingen. De postmodernistische methodologie ontwikkelt zich
om de heimelijke betekenis van culturele werken te onthullen, hun ideologische pretenties aan de kaak te stellen en vervolgens per kerende post naar het verleden te zenden. Ze richt zich echter niet op het verwerven van kennis, maar op de vernietiging van het vat waarin de ongewenste kennis heeft gezeten.
De verwerping van de cultuur en de rede is op zich niet nieuw.
Hume en
Kant waren criticasters van de rede, en Adorno formuleerde felle kritiek op de massacultuur, die hij beschouwde als een instrument van kapitalistische exploitatie. Nieuw is dat de verwerping zich niet richt tegen de gewone mensen, maar tegen de culturele elite zelf.
Waarom cultuur belangrijk is eindigt met de tekenen van hoop die Scruton om zich heen ziet. De intellectuele underground in communistische landen. Componisten die het tonale stelsel in ere houden. Schilders die de figuratieve traditie willen voortzetten. Architecten als
Quinlan Terry, die een tegengewicht bieden voor de megalomane, utopistische, modernistische bouwkunst -- de erfenis van Le Corbusier.
Persoonlijke bedenkingen
Op mijn eigen bescheiden manier probeer ik volgens de oude humanistische idealen te leven. Niet noodzakelijk door zelf bijdragen te leveren aan de hoge cultuur, wel door er bewust naar te streven de mooiste cultuuruitingen tot mij te nemen. Toch kijk ik op veel punten anders tegen cultuur aan dan Roger Scruton.
Naar mijn gevoel is diversiteit in cultuurbeleving even belangrijk als kwaliteit. Ik zie cultuurproducten vooral als een manier om de wereld in versneld tempo te begrijpen. Maar dan wel de volledige wereld, hoog en laag. Ik zie geen wezenlijk verschil tussen hoge en lage cultuur, alleen een gradueel verschil. Misschien maakt het van mij een typische eenentwintigste-eeuwer, maar ik denk dat ik in de praktijk hoge cultuur vooral omarm als recreatie op niveau. Mijn omgang met hoge cultuur wordt maar zeer ten dele ingegeven door nobele motieven. Door mijn verstandelijke vermogens (waar ik zelf geen verdienste aan heb), mijn opleiding en mijn persoonlijke interesses gaat lage cultuur mij algauw vervelen. Veel meer komt daar niet bij kijken. Ik snap trouwens de hedendaagse relevantie niet van Scrutons stelling dat cultuur geworteld is in de religie.
Scruton onderschat de empancipatorische waarde van lage uitingen van cultuur. En hij onderschat de intrinsieke attractiviteit van een bepaald medium. Voor Scruton is hoge cultuur een massief blok: kunst, muziek, literatuur, één pot nat. Maar dat klopt niet. Ik beschouw mezelf als een lezer met een verfijnde smaak, maar dat betekent daarmee niet automatisch dat ik er een even verfijnde muzieksmaak of kunstsmaak op nahoudt. Ik houd van het goede boek, maar de meeste klassieke muziek laat mij compleet onverschillig. Dé cultuurmens is een fictie.
Bovendien betrekt Scruton de waarde van wetenschap en techniek niet mee in zijn verhaal, en zou hij bij wijze van fairplay ook iets mogen zeggen over de blunders die intellectuelen en cultuurdragers de laatste paar honderd jaar hebben gemaakt. De kritiek dat cultuurmensen hun fijnere emoties goeddeels spenderen aan verzinsels, en vaak geneigd zijn de wereld te esthetiseren, door schoonheid boven goedheid te stellen, legt hij in zijn boek ook nogal gemakkelijk naast zich neer. Scruton suggereert tot slot een paar maal dat hoge cultuur ook afstraalt op de gewone man, maar over de manier waarop blijft hij mij te vaag.
Het meest genoot ik daarom van de cultuurcriticus Scruton. Hij zegt bijvoorbeeld hele zinnige dingen over moderne kunst. Over de groteske overschatting van de vraag 'Wat is kunst?' (een ergernis die ik zeer sterk deel). Over de routinisering van de avant-garde, "waarbij abstract-expressionistische clichés de plaats innamen van de figuratieve clichés van de zondagsschilders".
Het meest inzichtelijk schrijft Scruton over muziek. (Hij heeft ook apart over dat onderwerp gepubliceerd.) Het was Scruton die er met zijn boek
Moderne cultuur : een gids voor kritische mensen voor zorgde dat ik eindelijk het dedain voor popmuziek begreep dat veel klassieke muziekminnaars aan de dag leggen. In dit boekje staat er weer zo verhelderende passage. Daarbij vergeleken zijn de losse flodders in de columns van
Maarten 't Hart klein bier:
In popmuziek geschoolde oren zoeken naar beat in plaats van naar ritme, naar ‘begeleiding’ in plaats van stemvoerende harmonie, en naar melodieën die zich verdelen in meeneuriebare frasen. Zulke oren zijn in eerste instantie doof voor het contrapunt, en voor de echte tonale ervaring, als de driedimensionale uitwerking van structurele relaties. Ze beluisteren in Steve Reich of Philip Glass een soort verheven en hypnotiserende versie van hun favoriete akkoorden, en omdat ze buiten hun gevoel voor herhaling geen gevoel voor structuur bezitten, beschouwen ze dat als het nec plus ultra van de serieuze muziek. In feite is de muziek van de minimalisten veel banaler en clichématiger dan al die half-serieuze muziek die uit de mode is geraakt. Met haar onvermogen om de stap van de begeleidende figuren naar de polyfonie te maken geeft ze uitdrukking aan haar hulpeloxe fixatie op het akkoord, in tegenstelling tot de stemmen die het akkoord vormen als ze zich tijdens hun melodieuze tochten om dat akkoord heen bewegen.
Het nieuwe publiek ziet bovendien de spiritualiteit van Górecki en Tavener als een toegankelijke ervaring van het ‘hogere’ muzikale leven. Want zij componeren serieuze muziek, die ons lijkt te zullen bevrijden van de vervreemde wereld van de populaire cultuur. Tegelijkertijd is die precies als popmuziek gecomponeerd, met eenstemming gepsalmodieer op stemloze akkoorden. Het is net alsof de serieuze muziek opnieuw moet beginnen, vanaf de eerste aarzelende tonale stappen, om het postmoderne oor te kunnen bereiken.
Maar natuurlijk is dit een rationalisatie achteraf van iemand die toch al in de armen van de klassieke muziek zou zijn beland. Scruton beschrijft de formele kenmerken van popmuziek, maar zal nooit de opwinding van een popliefhebber navoelen. Hij begrijpt het genre niet, en heeft een zeer wazige kennis van het bijbehorende jargon. Wat is in godsnaam "techno-rock"?
[afbeelding: Joel Trussell,
Culture Jelly Show, via
Flickr]
> lees een fragment uit dit boek op
Prins van Denemarken> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
Roger Scruton, Waarom cultuur belangrijk is
144 p.
Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2008
Oorspr. Culture counts : faith and feeling in a world besieged (2007)
Vertaald door Jabik Veenbaas____