maandag 31 augustus 2009

Een stem van de overkant - Alain Finkielkraut

Moderne Franse denkers, zoals deze Alain Finkielkraut, zijn gemankeerde filosofen, gemankeerde priesters en gemankeerde dichters. En wat nog het ergste is: ze zijn het allemaal tegelijk. Dat maakt hun proza zo onleesbaar. Ze laten hun uitspraken niet landen in controleerbare feiten, en ze slagen er al helemaal niet in heldere zinnen te schrijven. Het gestoei met abstracte begrippen oogt indrukwekkend, maar de opbrengst na de ontcijfering is bijna altijd teleurstellend. Banaal.

Moderne Franse denkers, zo luidt mijn kleine theorette, gedijen op een warm bedje van katholieke humus. Maar omdat God definitief dood is in Frankrijk, zoekt de hang naar het absolute dan maar een andere uitweg: ze uit zich nu in een voorliefde voor levensgrote, het liefst met een hoofdletter geschreven begrippen, die geen nauwkeurige invulling behoeven, en waarmee het dus leuk spelen is.

Het schuilen bij autoriteiten is een andere katholieke verslaving bij onze zuiderburen: Alain Finkielkraut doet in dit boekje een paar boude uitspraken, en ziet elke echo van zo'n uitspraak bij andere filosofen als een nieuw bewijs voor de geldigheid ervan.

Maar het vermoeiendst is zo'n Finkielkraut dus op zinsniveau. Door de warrigheid van Een stem van de overkant kwam mijn begrip van wat nu eigenlijk wordt beweerd altijd een paar tellen later dan de tekst, als in een slecht gesynchroniseerde film. Soms kwam er helemaal niets. Dan bleef ik gewoon naar de blubber staren:

De hedendaagse waakzaamheid heeft Heraclitus omvergeworpen en John Stuart Mill achterhaald verklaard. Je slaapt, zegt ze, de slaap der onrechtvaardige als je gelooft in het bestaan van één enkele wereld. De ontdekking van de culturen heeft afgerekend met die grote illusie. Wanneer ze spreken beschrijven de wakenden de wereld niet zoals ze voor hen verschijnt, zoals ze zich aan hun blik en hun denken voordoet, ze onthullen iets van de wereld die hun eigen is. Ze verwoorden niet hun mening, ze openbaren hun identiteit. Daar waar de mening heerst is er plaats voor argumentatie, voor discussie, voor het streven naar de waarheid. Daar waar de identiteit heerst is er alleen maar plaats voor het tot uiting brengen van de verschillen. Daar waar de mening heerst doet de vrijheid een beroep op de eindigheid. Daar waar de identiteit heerst houdt de vrijheid in dat men zich uitdrukt. De gemeenschappelijke wereld moet dus oplossen, als een heraclitische droom, zodat de communicatie begint waarvan onze modernen zo verrukt zijn. Daaruit vloeit niet voort dat de mensen niets meer met elkaar te delen hebben, maar dat universaliteit en objectiviteit niet langer tot het domein van de cultuur behoren. Het nieuwe denken is niet solipsistisch, het weet dat de techniek vorm geeft aan een ‘wereldwijde wereld’, het neemt acte van de globalisering, het erkent dat wat het one-worldism noemt, het stemt zelfs met de opkomst daarvan in en wil dat, al op school, eenieder zich voegt naar die nieuwe identiteit. Het ideaal dat staat tegenover het door de eeuw in diskrediet gebrachte humanistische model, is de mogelijkheid zowel om te scoren op de bekabelde planeet als om krachten op te doen in de nis van de eigen identiteit. Een netwerk, parochies; een werktuig, mentaliteiten; een digitale samenleving, veelvuldige ankerplaatsen; een uniformiserend megasysteem, culturen gewijd niet aan de verheldering van het zijn maar aan de ontplooiing van de pluraliteit van de mens. De wereld: een aan elk overleg onttrokken objectiviteit. De werelden: een boomvormige veelvormigheid zonder enig ander doel dan zichzelf tentoon te spreiden. Het edele streven de cultuur te genezen van haar geschipper en van haar barbaarse neigingen leidt er dus toe dat het universele onder exclusieve jurisdictie komt te staan van de instrumentele rationaliteit: precies die rationaliteit die gebruikt is voor de fabrieken des doods en die aan de aan de schrijftafel beraamde misdaden van de twintigste eeuw hun atypische banaliteit en hun ongeëvenaarde monsterachtigheid heeft verleend.
Soit. Een stem van de overkant is een bundeling essays, duidelijk gericht op de (linkse) intellectuele achterban, waarin Finkielkraut het belang onderstreept van herdenkingsarbeid. We moeten herdenken -- met name alle gruwel en onrechtvaardigheid uit het verleden. De holocaust is natuurlijk het typevoorbeeld. Dat holocaustmusea geen overbodige luxe zijn, bewijst de toetreding van extreem-rechts tot de regering in Wenen in 2000.

Vergeten is gehoorzamen, zegt Finkielkraut in het essay 'Bestaat er herinneringsplicht?'. Vergeten is slaafs meedoen met de algemene trend. Het verleden moet "bij de mouw worden tegengehouden zoals iemand die zich verdrinkt". Daarbij is het televisiebeeld allerminst het geschikte medium, omdat het geen context kan scheppen. Context heeft te maken met het verleden, en televisie toont bijna uitsluitend het hier en nu.
Met andere woorden, informatie staat niet tegenover desinformatie zoals waarheid tegenover leugen. Er zijn nog meer vormen van dwang dan die welke wordt uitgeoefend door de propaganda van de machthebbers: het coveren door de media onthult niets zonder meteen ook iets te verhullen. Hoe vrij het ook is, hoe uitputtend het ook is bedoeld, het beeld haalt zijn materiaal uit het zichtbare en gaat voorbij aan het onzichtbare. Het hoeft niet te worden vervalst om tendentieus te zijn. Niet alleen tilt het beeld slechts fragmenten uit de toonbare werkelijkheid, het schuift ook het niet-toonbare deel van de werkelijkheid terzijde. Van het heden, dat het niet in zijn totaliteit kan vatten, doet het bovendien de historische diepte verdwijnen. Op de vragen ‘waarom’ en ‘sinds wanneer’ bestaat geen voor het blote oog toegankelijk antwoord. De menselijke ervaring wordt, onder het bewind van het visuele, als het ware beroofd van haar narratieve samenhang. De feiten worden losgekoppeld van de herinnering eraan. ‘De vreemde indruk die de eentonigheid van het nieuwe maakt dooft in ons de liefde voor en zelfs de behoefte aan de betekenis,’ zoals Valéry in zijn tijd al voorvoelde. We zijn zo in de ban van wat we voor ons zien, zo gefascineerd door wat live wordt uitgezonden dat we vergeten dat de werkelijkheid niet alleen uit tastbare en rechtstreeks waarneembare dingen bestaat. De actualiteit wordt haar eigen context, het medium is de omgeving en wat continuïteit zou moeten zijn is een ononderbroken stroom waarin niets duurzaam en blijvend is.
Maar dat is niet de enige moeilijkheid met herdenken. Soms loopt het herdenken gewoon uit de hand, zegt Finkielkraut. Dan verandert wat herdacht wordt in een versteend icoon dat voor diverse doeleinden inzetbaar is.

Zo wordt in 'Het oproepen van schimmen' de kijk van Régis Debray op Kosovo bekritiseerd. Voor Debray zijn de Serven het enige Balkanvolk dat zich niet voor zijn gedrag hoeft te schamen. In tegenstelling tot hun Kroatische, mohammedaanse en Albanese buren, zegt Debray, hebben zij zich tijdens de Tweede Wereldoorlog tegen de nazi's verzet, en de joden beschermd. Omdat ze moedig en hulpvaardig waren toen dat nodig was, verdienen zij dus toegeeflijkheid voor hun militaire acties tijdens de Kosovaarse oorlog. Finkielkraut verfoeit dit soort recuperatie van de holocaust, en herinnert Debray en passant aan de daden van de Servische collaborateurs.

Ook extreem-links misbruikt de erfenis van de holocaust, zegt Finkielkraut, in het stuk dat daarop volgt, 'De gedaanteveranderingen van de radicaliteit'. De inzet van de Franse communisten is niet langer het lot van de proletariër, maar dat van de illegaal. Niet het kapitalisme wordt bestreden, maar het nationalisme -- gezien de vaststelling hoe snel nationalisme een kwade keer kan nemen. Finkielkraut ziet het met lede ogen aan; hij acht de natie juist een stevige basis voor iemands gevoel van identiteit.

'De pedagogische verlossing' snijdt een afgezaagd thema aan: het failliet van het humanisme. Waar Ernest Renan in L'avenir de la science nog kon denken dat men een volk maar kennis en cultuur hoefde bij te brengen om de mensheid te verlossen van de boosaardigheid, zijn we nu gedwongen die pedagogische opvatting te zien. Duitsland, een van de hoogst ontwikkelde landen ter wereld is in staat is geweest de onherstelbare genocide op de joden te plegen. Dat doet hedendaagse pedagogen vervallen in cultuurrelativisme. Klassieke kennisoverdracht heeft een te autoritair karakter, vinden ze. Er moet meer aandacht komen voor diversiteit in opvattingen. Er wordt een absoluut gelijkheidsprincipe gehanteerd dat alle hiërarchie teniet doet.

Finkielkraut, net als een Roger Scruton, hekelt dit cultuurrelativisme en houdt een pleidooi voor de waarde van cultuur. In navolging van inspirator Milan Kundera ziet hij cultuur als dat wat ons tot mens maakt. In 'De kunst in Theresienstadt' verwijst hij naar het cultuurprogamma van concentratiekamp Terezin, dat met zijn toneelvoorstellingen, lezingen, exposities, poëzieavonden en concerten weliswaar diende als modelgetto voor de propagandamachine van de nazi's, maar tijdelijk een humane toets gaf aan het verblijf van de kampbewoners.

In 'De koppige eenzaamheid van Char en Camus' uit Finkielkraut onder meer overtuigende kritiek op Albert Camus, die in De pest de oorlog als een pestepidemie voorstelt: "dat wil zeggen als een natuurramp heeft behandeld, terwijl er geen natuurramp is: geen deel van de werkelijkheid is ontoegankelijk voor de Geschiedenis of niet daartoe te herleiden."

Ook misplaatste metaforen ontnemen het zicht op de waarheid.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> bibliografie in de commentaren hieronder

Alain Finkielkraut, Een stem van de overkant
108 p.
Uitgeverij Contact, 2001
Oorspr. Une voix vient de l'autre rive (2000)
Vertaald door Frans de Haan

____

zondag 30 augustus 2009

Inglourious Basterds

Gisteren met vrienden naar Inglourious Basterds. Me zelden zo geamuseerd in een bioscoopzaal. Een van de zeldzame films die geen moment verveelt.

Mijn eerste Tarantino, moet ik toegeven. Daarom was het goed dat ik geflankeerd werd door twee rabiate fans. Aan de hand van hun gegniffel in double surround kon ik wegwijs raken in de volstrekt unieke filmtaal van Tarantino. Het had hetzelfde effect als de laseraanwijzer. In een mum van tijd leerde ik waarop te letten en wat te verhopen.

Tarantino maakt het zeer onwaarschijnlijke (hier: een sterk staaltje joodse wishful thinking) plausibel met louter filmische middelen: een pervers talent. De fotografie klopt als een bus, de timing van Tarantino is perfect, de montage dodelijk efficiënt. En wat een casting, ook: de mij onbekende Oostenrijke acteur Christopher Waltz is weergaloos.

Was Braudel een filmcriticus geweest dan had hij Inglourious Basterds geprezen op evenementieel (nazi's met een glas melk voor de neus, nazi's met speelkaarten tegen hun voorhoofd geplakt), conjunctureel (de scène in het café, een kwartier (!) suspense in crescendo) en structureel (Tarantino's briljante vondst om het verhaal te laten pivoteren rond een nazipropagandafilm) vlak.

Dat laatste geeft Tarantino ruim baan om te spelen met cinematografische stijlcitaten. Het bijzondere (want er zijn meer filmmakers die postmoderne geintjes uithalen) is dat hij er ook in slaagt de tegenstrijdige sentimenten die erbij horen los te weken bij de kijker. En, wat een klein mirakel is: in hetzelfde tempo dat de montage oplegt. Inglourious Basterds is een emotionele rollercoaster. Je wacht nerveus af terwijl de spanning zich opbouwt, en zit onderwijl toch te lachen met de dialogen. Je walgt van het gratuite geweld, en tegelijk geniet je van de esthetisering ervan.

Eens we de zaal uit zijn, kan het napraten beginnen. Dezelfde superlatieven als hierboven vliegen in het rond. Favoriete scènes worden samengevat, becommentarieerd, nagespeeld. De facto sommen we álle scènes van de film op -- laat dat een indicatie zijn van Tarantino's talent.

Nu heeft bioscoopbezoek zijn eigen dynamiek. Thuis, de morning after, begin ik dieper na te denken over wat ik gisteren heb gezien. De verwondering blijft intact, op twee zaken na.

Het eerste bezwaar is inhoudelijk: de filmzaal in Inglourious Basterds is wel erg makkelijk hermetisch af te sluiten; Hitler wordt nagenoeg niet geëscorteerd. Het tweede bezwaar wordt aangehaald door Christopher Orr in zijn uitstekende bespreking: "If Tarantino hopes to reach his full potential as a filmmaker, someday he's going to have to find the nerve to work once again outside the quotation marks."

> http://www.imdb.com/title/tt0361748/

____

vrijdag 28 augustus 2009

De weg - Cormac McCarthy

Een man en zijn zoontje trekken door een onverzoenlijk landschap. De wereld is getroffen door een niet nader genoemde ramp die bijna de gehele bevolking heeft uitgeroeid. De lucht, de regen en de sneeuw bevatten asdeeltjes die het landschap bevuilen. Vader en zoon trekken naar het zuiden, op zoek naar een oord om de winter door te komen. In de kar die ze voor zich uitduwen zit het enige wat hun nog rest: slaapgoed, wat voedsel, speelgoed, een verrekijker en een revolver.

In de revolver zitten maar een paar kogels. Daarmee moet de man het stellen om zich te verweren tegen de andere overlevenden van de ramp, die ook op zoek zijn naar voedsel -- desnoods mensenvlees. Lukt dat niet, dan zijn de kogels het laatste redmiddel om het heft in eigen handen te nemen.

Buiten dwalen "goeden" en "slechten" rond, maar die zijn niet makkelijk herkenbaar vanop een afstand. Paranoïa is een voorwaarde om te overleven. De man kijkt voortdurend in een spiegel om alles achter zich in de gaten te houden en probeert in zijn hazeslaapjes van gevaar te dromen ("alle andere dromen waren de lokroep van de apathie, van de dood").

Bijna tweehonderd bladzijden lang zal De weg uit weinig meer bestaan dan de dooltocht van twee strandjutters na de apocalyps. Het desolate heeft duur en herhaling nodig om indruk te maken, en Cormac McCarthy is blijkbaar bereid het hele boek aan die monotonie op te offeren. Met sobere precisie blijft hij de hellingen, vlaktes, kloven en verlaten woonkernen beschrijven die het tweetal op hun pad vindt. Een landschap dat doet denken aan Polidori's foto's van Pripyat. De adjectieven heten: verwilderd, uitgedroogd, geërodeerd, verkoold, doorweekt.

De volgende dag waren ze tegen het vallen van de avond bij de stad aangekomen. Lange betonnen lussen van verkeerspleinen als de ruïnes van een gigantisch lunapark tegen het grauw in de verte. Hij droeg de revolver voor in zijn riem en had de rits van zijn parka opengelaten. Overal de gemummificeerde doden. Het vlees langs de beenderen gespleten, De gewrichtsbanden verhard tot strengen en strak als snaren. Verschrompeld en verdroogd als veenbewoners der laatste dagen die gezichten van uitgekookt linnengoed, de vergeelde tanden als paaltjes in een hek. Ze waren stuk voor stuk barrevoets, als pelgrims van een of andere orde, want al hun schoenen waren lang geleden al gestolen.
Instinct en praktische zin moeten het verzwakte duo op de been houden. Om in leven te blijven, doorzoeken vader en zoon verlaten panden op mondvoorraad ("ze drentelden door de kamers als sceptische aspirant-kopers"). In het reikhalzend uitkijken en stilzwijgend hergebruiken van achtergelaten voorwerpen doet De weg denken aan Robinson Crusoe. Een schip dat hen komt redden is er echter niet. Integendeel: McCarthy wijdt enkele mooie bladzijden aan een half gekapseisde tanker op een strandvlakte.

Het enige menselijke sentiment dat nog in de man huist is de onvoorwaardelijke, door de uitputting bijna woordeloos geworden liefde voor zijn zoontje. Als de vader het niet redt, dan toch dat hummeltje. "Hij wist slechts dat het kind zijn opdracht was. Hij zei: Als hij niet het woord Gods is heeft God nooit gesproken." De dialogen die McCarthy tussen de twee bedenkt, zijn vaak van een pretentieuze eenvoud. Maar soms zijn ze perfect.
Hij opende de doos en draaide hem naar de jongen toe.
Het is een pistool.
Een seinpistool. Daarmee schiet je een ding in de lucht dat heel veel licht geeft.
Mag ik hem eens bekijken?
Ja hoor.
De jongen pakte het pistool uit de doos en hield het vast. Kun je er ook mee op een mens schieten? vroeg hij.
Ja, ook wel.
Gaat hij dan dood?
Nee. Maar hij vliegt misschien wel in brand.
Heb je hem daarom meegenomen?
Ja.
Want er is niemand om naar te seinen. Of wel?
Nee.
Ik zou het weleens willen zien.

[...]

Hij zou niet ver te zien zijn, hé, papa?
Voor wie?
Iemand anders.
Nee. Zeker niet.
Als je iemand zou willen laten zien waar je zat.
Zoals de goede mensen, bedoel je?
Ja. Of iemand anders die je wil laten weten waar je zit.
Zoals wie?
Weet ik niet.
God?
Ja. Zo iemand misschien.
Dit is de eerste McCarthy die ik las. Bij gebrek aan andere coördinaten kan ik nog niet nauwkeurig bepalen wat hij met deze tekst van plan was. Hoewel. Het verhaal van De weg is even eenvoudig als de slotsom -- McCarthy heeft gezorgd voor een mooie, maar moraliserende finale. Of is er meer?

Op een handvol geslaagde scènes na (de zelfmoord van de moeder, p. 37-39) en hier en daar een stemmige alinea deed het boek me dan ook weinig. Eigenlijk vond ik De weg kampen met een gebrek aan ambitie. Maar omdat McCarthy alom gerespecteerd wordt, en omdat wie ergens niet van houdt blind is voor de nuances daarvan, zeg ik dat maar niet luidop. Deze schrijver heeft duidelijk een eigen stemgeluid, en dat mocht vandaag volstaan.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Cormac McCarthy, De weg
176 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2007
Oorspr. The road (2006)

____

donderdag 27 augustus 2009

Yanko Design

"Yanko Design is a web magazine dedicated to introducing the best modern international design, covering from industrial design, concepts, technology, interior design, architecture, exhibition and fashion. It’s about the cutting edge and the classic, the new and the rediscovered."

> http://www.yankodesign.com/

____

Combustible celluloid

"Jeffrey M. Anderson has been a working film critic for more than 10 years now. A staff critic for the San Francisco Examiner from 2000 through 2003, Jeff returned to freelancing in 2004. Combustible Celluloid is his own attempt to continue to learn about movies."

> http://www.combustiblecelluloid.com/

____

Forgotten bookmarks

"I work at a used and rare bookstore, and I buy books from people everyday. These are the personal, funny, heartbreaking and weird things I find in those books."

> http://www.forgottenbookmarks.com/

____

Long now

"Long Now Foundation hopes to provide counterpoint to today's "faster/cheaper" mind set and promote "slower/better" thinking. We hope to creatively foster responsibility in the framework of the next 10,000 years."

> http://www.longnow.org

____

Ulterior epicure

"I’m the ulterior epicure. I live and travel to eat. Simple as that."

> http://ulteriorepicure.com/

____

woensdag 26 augustus 2009

Knippen - Ring Lardner

Nederlandse uitgevers surfen graag mee op de golven van het succes. Daarom is het verwonderlijk dat een vertaling uit het werk van Ring Lardner (1885-1933) zo lang op zich liet wachten. Terwijl Lardner door Holden Caulfield in The catcher in the rye (ook in de Lage Landen een heilig boek) toch met veel omhaal wordt geprezen als een van zijn favoriete schrijvers. In 2003 was het zover. Uit de meer dan honderd kortverhalen van Lardner werden er een stuk of tien gebundeld in Knippen.

Ringgold Wilmer Lardner wordt geboren in Niles, Michigan, en groeit op in een rijk gezin dat er een strikt Victoriaanse moraal op nahoudt. Wanneer de Lardners door een aantal ongelukkige investeringen het familiekapitaal verliezen, moet er echter gewerkt worden. Na enkele luizenbaantjes mag Lardner, honkbal-en bokskenner, beginnen als sportverslaggever bij diverse kranten in Chicago. Hij had er één taak, meldt Hans Heesen in zijn informatieve nawoord: verslag doen van het reilen en zeilen van de White Sox en de Cubs, de plaatselijke baseballteams.

Niet altijd is er voldoende nieuws te rapen van het sportieve front, dus begint Lardner de verhalen achter de coulissen steeds meer in zijn bijdragen te verwerken. Wanneer hij op een dag een van zijn stukken niet kwijt kan aan zijn krant -- een waargebeurd verhaal over een honkbalspeler die zijn analfabetisme probeert te verbergen -- stuurt hij het op naar een gereputeerd blad, dat het wel plaatst.

Het betekent het opstapje naar de 'echte' literatuur (wat pas later tot Lardner door zou dringen) en, wanneer het publiek dol blijkt op de verhalen, naar een circuit van gretige afnemers, waaronder Harper’s Bazaar en Cosmopolitan. In vele verhalen van Lardner staat de biecht of het geklets van iemand van eenvoudige komaf centraal, waarbij deze niet schijnt te snappen dat hij zichzelf door zo'n monoloog ontmaskert of in diskrediet brengt. Het titelverhaal 'The haircut', ontluisterende roddels in een kapsalon, is wat dat betreft exemplarisch.

Lardner weet heel goed hoe hij gesproken en geschreven taal moet laten klinken. Hij werkte zich op tot een erkende autoriteit op het gebied van onvervalst Amerikaans, schrijft Heesen, en hij liet die autoriteit graag gelden.

Zo tikte hij eens de dichter J.V.A. Weaver op de vingers, omdat die in zijn poëziebundel In American ‘de verkeerde fouten’ had gemaakt. Geen hond zegt everythin’ en anythin’, berispte Lardner. ‘We zeggen wel somethin’ en nothin’, maar we zeggen anything en everything. Het kost moeite om daarbij de g weg te laten, en in de regel zoekt onze taal geen moeilijkheden.’
In de jaren twintig is Lardner uitgegroeid tot de best betaalde en meest gelezen korte-verhalenschrijver van de Verenigde Staten. (De verhalen in Knippen stammen uit die glorieperiode, de jaren 1922-1929.) Foto's van Lardner, keurig in het pak achter de typemachine, sigaret uit de bek, ademen die typisch Amerikaanse schrijversromantiek uit. Maar zelf ziet de schrijver zijn kortverhalen louter als broodwinning. Lardner is inmiddels verhuisd naar een statig pand op Long Island, New York (op wandelafstand van W.C. Fields, Groucho Marx en Scott Fitzgerald) en heeft een gezin te onderhouden.

Door toedoen van Fitzgerald wordt Lardner naast zijn commerciële succes uiteindelijk ook als volwaardig literator beschouwd. William Faulkner, Virginia Woolf, Ernest Hemingway en André Breton zullen zich uiten als fans van zijn werk. Dat Hemingway zijn eerste probeersels onder het pseudoniem Ring Lardner Jr. doet verschijnen, is veelzeggend. Sommigen gaan volksschrijver Lardner als de nieuwe Twain zien, en dringen er bij hem op aan eens met een echte roman te komen. Lardner houdt bewust de boot af. Eigenlijk heeft hij de pest aan zijn werk, dat hem erg moeizaam afgaat.
'Ik bedenk ongeveer één plot per jaar, en vervolgens, als ik het begin op te schrijven, herinner ik me dat hij van iemand anders is, misschien wel van twee of drie anderen.'
In het nawoord wordt Lardner uiteindelijk neergezet als een Victoriaan die slecht aangepast is aan de mores van de jonge twintigste eeuw. Het verlies van het familiekapitaal, de Eerste Wereldoorlog, het jazz-tijdperk, de crisis en Lardners ervaringen met corrupte sporthelden hadden hem bitter gemaakt. Lardner rookt en drinkt bovenmatig, en kampt met chronische slapeloosheid. De gevierde schrijver sterft op achtenveertigjarige leeftijd aan de gevolgen van tuberculose.



Knippen is best een aangename verzameling. De verhalen worden rechttoe rechtaan verteld, met een duidelijke pointe. Door de levendige verteltrant in de beste Amerikaanse traditie blijft Lardners werk probleemloos te genieten voor de hedendaagse lezer.

'In minstreel van Maysville' wordt een ontvanger van de vorderingen van een gasbedrijf door zijn omgeving gesterkt in zijn schrijversambities. In een vlaag van naïviteit neemt hij ontslag om zich te wijden aan zijn (uiterst belabberde) dichtkunst. Om pas later te ontdekken dat hij bedot werd.
Ik moet zeker zijn van een inkomen.’
‘Inkomen! Als u zeventien dollar per half uur kunt verdienen, dat wil zeggen vierendertig dollar per uur, oftewel… Hoeveel uur maakt u hier?’
‘Tien.’
‘Driehonderdveertig dollar per dag! Als dat geen inkomen is, verkoop ik nagelvijltjes aan de vissen.’
‘Ik zou dat tempo nooit kunnen volhouden. Ik moet op inspiratie wachten,’ zei Stephen.
‘Een dollar per regel zou voor mij voldoende inspiratie zijn.’
In 'Het liefdesnestje' wordt een patser uit de filmbusiness bij hem thuis geïnterviewd door een journalist. Ook zijn vrouw mag mee op de foto ("‘Hij gaat een verhaal over mij schrijven. Ik bedoel, over óns.’"), maar die ziet dat helemaal niet zitten. Tijdens het gesprek kan niet meer voorkomen worden dat het drankprobleem van de vrouw aan de oppervlakte komt.

'Het kerstfeest van de ouwelui' gaat over een bemiddeld ouderpaar dat wacht op de terugkeer van hun twee kinderen. Hun zoon en dochter komen kerst vieren. De aankomst van die twee loopt niet alleen vertraging op, ze hebben ook hun vrienden meegebracht en lijken überhaupt niet geïntereseerd in kerstgezelligheid. Wat een feestje moest worden, eindigt kaal en wrang. ("‘Je hebt niet eens de moeite genomen je eigen cadeautje open te maken,’ zei hij.")

Echte jaren twintig-clichés -- opzwepende jazz en hardboiled misdaad -- vallen er in Knippen dus niet te rapen. Lardner schrijft weliswaar over immorele helden, maar die bewegen zich voornamelijk binnenskamers of in familiale kring. Even vergeet je een boek te lezen uit de roaring twenties, tot details je daarop attent maken. Een naam, een eigennaam. Norma Shearer is Keira Knightley niet.

Het verhaal 'Ik ga dood' doet het meest aan de schriftuur van Salinger denken. Een jong meisje trekt tegen wil en dank op met haar oom en tante. Haar dagboek is aanvankelijk half sarcastisch van toon, half gedrenkt in zelfmedelijden --
Pa en moeder zijn voor een maand naar het buitenland en mijn verblijf hier is bedoeld als schadeloosstelling voor het feit dat ze mij niet met hun hebben meegenomen. Een mooie schadeloosstelling om achter te worden gelaten bij oude mensen die naar een gelegenheid als deze komen om uit te rusten. Toch zou het hier zalig zijn onder andere omstandigheden, bijvoorbeeld als Walter hier ook was.
-- maar krijgt onder de aanhoudende telegrammen en telefoontjes van de verschillende minnaars van het meisje ook iets puurs en ontvankelijks. Geen enkele minnaar is zich bewust van de mededingers, en ook het meisje kan geen keuzes maken, en valt telkens weer voor le dernier cri.

'Een dag met Conrad Green' is een geestige afrekening met de fameuze Broadway-impressario Florenz “Flo” Ziegfeld, met wie Lardner als musical-auteur enkele aanvaringen heeft gehad. Green komt naar voren als een lompe, ijdele, schraapzuchtige plagiator.

Dan is er ook nog 'Trouwdag', waarin Lardner een koppel senioren langs elkaar heen laat praten. Alle genegenheid lijkt opgedroogt tussen meneer en mevrouw. Meneer verdiept zich op de dag van hun huwelijksverjaardag nog het liefst in de trivia-secties van zijn geliefde dagblad. Waarin toevallig ook, heel grappig, een bericht staat over het verpauperde België van de jaren twintig.
‘Moet je dit horen: “Het aantal werklozen in Nederland bedraagt 26.000 geschoolde en 24.000 ongeschoolde arbeiders.” En dit: “In België loopt een groot deel van de bevolking nog steeds op klompen.” Dat houd je toch niet voor mogelijk vandaag de dag!”
Knippen is typisch zo'n boek waarin de Nederlandse vertaling het Amerikaanse Engels banaliseert en steriliseert. Hoekig Engels wordt gladgestreken, soepel Engels gaat in het Nederlands al snel bobbels vertonen. Neem onderstaande woordenwisseling uit 'Wat een glimlach', het verhaal waar Caulfield zo dol op was. Een verkeersagent praat in op de hardrijdster waar hij een oogje op heeft laten vallen. Ik ken de Engelse tekst niet, maar je ziet meteen dat hier te veel lettergrepen staan. Wég vaart.
‘Word je wel eens geraakt?’
‘Doorlopend, maar alleen rakelings. Ik word zelden omver gekegeld en overreden.’
‘Is het niet vermoeiend om de hele dag op je voeten te staan?’
‘Altijd nog beter dan op m’n handen. Zonder gekheid, ik ben er zo aan gewend, dat ik ’s nachts zelfs zo slaap.’
Ook de grote verschillen in sociolect worden in het Nederlands, die zo'n traditie niet heeft, weggevlakt. Terwijl die volgens Heesen een vitaal onderdeel zijn van Lardners universum:
De moeite die mensen hadden met hun taalgebruik zag Lardner als een symptoom van de moeite die zij hadden met hun leven. Dat leven werd beheerst door de American Dream, het streven hogerop te komen, de aspiratie succesvol te zijn. De taal was daarbij voor de meesten geen hulpmiddel maar een handicap. Wie niet succesvol was, probeerde zich toch als zodanig te presenteren. Probeerde zich beter, gewichtiger, duurder voor te doen dan hij was, maar liep door zijn taalgebruik tegen de lamp. Door mensen zelf aan het woord te laten (…) had Lardner niet alleen een vorm voor zijn verhalen gevonden, maar bovendien een vorm die prachtig samenviel met wat hij te zeggen had. In al zijn verhalen zijn dromen bedrog, en illusies vals.
Tot die conclusie was ik op basis van deze vertaling nooit gekomen, zonder daarom de vertalers grote verwijten te willen maken. Het Nederlands werkt gewoon tegen hen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://www.tridget.com/

Ring Lardner, Knippen : verhalen
189 p.
Uitgeverij Contact, 2003
Oorspr. losse verhalen in diverse bladen (1922-1929)
Vertaald door Hans Heesen en Auke Leistra

____

dinsdag 25 augustus 2009

Waarom cultuur belangrijk is - Roger Scruton

In 2010 wil ik mijn cultuurfilosofie bijspijkeren. Het theoretische kader waarmee ik cultuuruitingen beoordeel ontbeert diepgang. Zo dat kader überhaupt aanwezig is. De komende weken volgen al enige preludiën op dat leesvoornemen. Om te beginnen dit boekje van Roger Scruton. Deze Britse publicist ontdekte in mei '68 dat het linkse gedachtengoed 'm totaal vreemd was. Sindsdien verdedigt hij conservatieve normen en waarden. Of, zoals hier, het behoud van de cultuur tout court.

Roger Scruton ziet de Verenigde Staten als de meest vieve vertegenwoordigers van de moderne westerse identiteit. Hij gaat daarmee in tegen cultuurpessimisten als Spengler (na de Eerste wereldoorlog) en Adorno (na de Tweede Wereldoorlog) die het failliet van de westerse cultuur uitriepen maar zich blindstaarden op de tragische gebeurtenissen op het oude Europese continent. Scruton ziet de Amerikaanse Revolutie ook als een belangrijker mijlpaal dan de Franse Revolutie. Omdat ze eerder begon vormde de Amerikaanse Revolutie de eerste gelegenheid waarbij de Verlichting 'aan de macht kwam' en de Europese rechtsorde getransformeerd werd in een constitutionele democratie. In tegenstelling tot Frankrijk werd dat staatsbestel ook nog eens geïmplementeerd in een land "dat geen geschiedenis had en zich onttrok aan de sociale normen van de Europese stad". Die erfenis blijft tot op vandaag springlevend. Door waarden die centraal staan in de Amerikaanse samenleving (vrijheid, optimisme, joods-christelijke geloofsovertuigen, de onderwijstraditie) is het vraagstuk van de westerse identiteit nog steeds onder ons, zegt Scruton, wat doemprofeten ook mogen beweren.

Alleen: twee van de belangrijkste verwezenlijkingen van de westerse samenleving -- levensvatbare democratieën en superieure technologie -- scheppen volgens Scruton niet die diepe verbondenheid waarvan "de toekomst van onze beschaving afhangt". De mensheid behoeft cultuur. Cultuur in zijn enge betekenis: hoge cultuur.

Antropologen schrijven over de ‘cultuur’ van de volkeren die ze observeren, waarmee dan die gebruiken en artefacten worden aangeduid die men deelt, en waarvan de gemeenschappelijkheid tot sociale cohesie leidt. Etnologen definiëren cultuur weer op een bredere manier: zij rekenen daartoe alle intellectuele, emotionele en gedragsmatige eigenschappen die door leren en sociale interactie en niet langs genetische weg worden overgedragen. Maar sociologen gebruiken de term weer in engere zin, om de gedachten en gewoonten aan te duiden door middel waarvan mensen hun groepsidentiteit definiëren en hun sociale territorium afbakenen. In al deze gevallen is de term ‘cultuur’ verweven met de menselijke behoefte aan verbondenheid en beschrijft die een gedeelde kwaliteit van een sociale groep. In dit boek zal ik ‘cultuur’ op een andere manier definiëren en omschrijven als een verworvenheid die niet door ieder lid van een gemeenschap hoeft te worden gedeeld, en die het hart, de geest en de zintuigen van haar bezitters openstelt voor een intellectuele en artistieke nalatenschap.
Hoge cultuur betekent hier dus: alle kunst, literatuur en humane reflectie, en het intellectuele referentiekader dat daaruit voortspruit. Dit soort cultuur heeft weinig uitstaans met feitelijke informatie of theoretische waarheid. Cultuuruitingen zijn een reactie "op de waargenomen kwetsbaarheid van het menselijke leven". Die reactie krijgt zijn beslag via "idealen en voorbeelden, beelden, vertellingen, symbolen en muziek". Scruton doet een poging om de humus van de westerse cultuur te inventariseren:
Beschavingen komen uit elkaar voort en vloeien in elkaar over, en ze delen zich dikwijls als amoebes om twee contemporaine uitlopers voort te brengen; het is dan ook erg moeilijk om de grenzen in ruimte en tijd van de westerse beschaving aan te geven. Ze kwam voort uit de versmelting van het christendom met het Romeinse recht en bestuur, werd zich bewust van zichzelf in de vroege Middeleeuwen, maakte een periode van scepticisme en Verlichting door, en werd terzelfdertijd over de aardbol verspreid door de handel en de koloniale belangen van haar meer avontuurlijke vertegenwoordigers. En gedurende haar belangrijkste bloeiperioden heeft de westerse beschaving een cultuur voortgebracht die de culturen van andere plaatsen, andere geloofsovertuigingen en andere tijden met groot gemak opneemt en assimileert. Haar basisvoorraad verhalen, haar morele voorschriften en haar religieuze beeldmateriaal zijn afkomstig uit de Hebreeuwse Bijbel en het Griekse Nieuwe Testament. Maar op deze joods-christelijke wortels is een boom met vele takken geënt, die vele soorten vruchten draagt.
Cultuur en beschaving zijn dus geen synoniemen, al hebben de begrippen wel met elkaar te maken: "de cultuur van een beschaving is de kunst en de literatuur waardoor ze tot bewustzijn van zichzelf komt en haar visie op de wereld definieert."

Het tastbare is voor Scruton een essentieel aspect van alle cultuur. Alleen via materiële overlevering kan cultuur overgedragen worden en kunnen cultuurprodukten dienen als modellen en inspiratie voor de volgende generatie. Cultuurprodukten met een langere houdbaarheidsdatum vormen samen de canon. De kritische conflicten over wat nu juist in de canon thuishoort, vormen zelf een onderdeel van de canon.

Oordelen
Waarmee we bij een van Scrutons stokpaardjes zijn gekomen. De kritische reflectie over wat waardevolle cultuur is. Cultuur is onlosmakelijk verbonden met oordelen. De essentie van cultuurprodukten wordt niet gedefinieerd door menselijke interesses, maar door de hoedanigheid van de dingen zelf: hun intrinsieke kwaliteit.
[Beeldende kunsten, literatuur en muziek] zijn interessant omwille van zichzelf. Maar ze leveren ook andere voordelen op. Ze creëren een referentiekader dat ons toestaat om onze geestestoestand met elkaar te delen. Ze bieden ons op talloze manieren, troost, amusement, genoegen en emotionele opwekking. Maar we beoordelen ze niet door die gunstige effecten te meten. Integendeel: we beoordelen ze op hun intrinsieke kwaliteiten. De vraag waarvoor de criticus zich gesteld ziet is niet: ‘Zijn de effecten hiervan goed of slecht?’, maar: ‘Behoren we ons voor dit object te interesseren?’
Het vermogen om te oordelen is niet aangeboren. Om de kwaliteit van cultuurproducten vast te stellen moet elke generatie zich opnieuw scholen in de cultuurgeschiedenis, en haar zintuiglijk waarnemingsvermogen verfijnen. (Scruton maakt een ietwat geforceerde vergelijking met lachen, dat evengoed niet enkel een sociale emotie is, maar ook een veelvuldig beoefende vorm van oordelen.)

Om de waarde van cultuur nauwkeuriger vast te stellen, grijpt Scruton terug naar Schiller en andere Verlichtingsdenkers: zij zagen cultuur als de bewaarplaats van emotionele kennis, waardoor we de betekenis van het leven als doel op zichzelf kunnen leren begrijpen. Zeker nu de rol van religie taant, vervult cultuur een belangrijke functie, meent Scruton.
Cultuur erft van de religie de ‘kennis van het hart’, waarvan sympathie de essentie vormt. Maar zelfs als de religie die haar aanvankelijk voortbracht er niet meer is, kan die kennis worden doorgegeven en uitgebreid. Ja, in die omstandigheden is het des te belangrijker dat de cultuur wordt doorgegeven, omdat ze de enige overdraagbare getuigenis vormt van het hogere leven van de mens.
In een duistere passage voegt Scruton daar nog aan toe dat de cultuur uiteindelijk toch niet de plaats kan innemen van de religie, omdat de religie "onze gevoelens alleen kan vormen wanneer de leerstukken worden geloofd." Het staat er zo laconiek, dat ik niet begrijp wat Scruton hiermee bedoelt. Op mij komt het over alsof hij de cultuur minderwaardig vindt aan de religie, juist omdat daar geen voorschriften aan verbonden zijn. Terwijl elk weldenkend mens die onafhankelijkheid precies als een troef zou inschatten, denk ik.

Wat wordt er eigenlijk bedoeld met die "kennis van het menselijke hart" van daarnet? Geen verzameling praktische vaardigheden, maar de wijsheid om die vaardigheden op de juiste manier te gebruiken. Scruton grijpt naar een taalkundige bruggetje om zich te verduidelijken: niet alleen weten dat, of weten hoe, maar weten wat. En meer bepaald: weten wat je moet voelen. Door verhalen te lezen, de geschiedenis te bestuderen, naar preken te luisteren, afbeeldingen te bekijken, komen we tot zulke "kennis van het menselijke hart". Niet door personages te imiteren, maar door de empathie die we voelen met deze personages. Een empathie die wordt gegenereerd door het vakmanschap van de kunstenaar.

In één beweging door wijst Scruton twee bekende kritische geluiden van de hand die de status van de cultuur zouden aantasten. Het probleem dat wordt opgeworpen door de ‘slechte estheet’ (wat met de nazibeulen die hielden van klassieke muziek?) en de ‘aculturele filantroop’ (wat met goede zielen zonder de minste culturele bagage?). In een repliek op het eerste probleem stelt Scruton dat je van cultuur niet mag verwachten dat ze immorele excessen zomaar tegenhoudt. Geen enkele leerstelling, instelling, religie of set morele regels kan dat; waarom zou cultuur dat wel moeten kunnen? Wat de aculturele filantroop betreft: deze bezit zeker wat mensen in tijden van beproeving nodig hebben: de deugden die ervoor zorgen dat mensen zichzelf en hun medemensen van nut kunnen zijn.
Maar die deugden verdwijnen met hun bezitters. Alleen als hun herinnering in vertelling, beeld en zang wordt vereeuwigd, kunnen anderen in gedachten van hen genieten en wat hun door middel van kunst wordt getoond volop leren bewonderen en nabootsen.
Dat argument vind ik aantoonbare onzin. Deugden verdwijnen helemaal niet met hun bezitters, op voorwaarde tenminste dat zij die deugden in geïnstutionaliseerde vorm hebben kunnen organiseren. Structurele liefdadigheid, vrijwilligersorganisaties, belangengroepen die opkomen voor de rechten van de mens, en noem maar op, hebben in wezen niets met hoge cultuur te maken.

Terug naar de definitie van cultuur. Wie het fenomeen verder wil definiëren kan niet zonder het begrip vrije tijd. Cultuur is het product van vrije tijd, legt Scruton uit: ze wordt geschapen en genoten op die momenten, of in die geestestoestanden, dat de onmiddellijke urgentie van het praktische leven zijn opgeschort.
Onze cultuur was historisch gesproken het product van een vrijgestelde klasse -- een klasse die praktisch het monopolie had op vrije tijd. Maar vandaag de dag leven we in een maatschappij waar vrije tijd voor iedereen bruikbaar is, zelfs voor hen die die tijd niet weten te gebruiken. Dat is één oorzaak van de diepe onzekerheid over de ‘westerse cultuur’. Er lijkt sprake van een radicale scheidslijn tussen enerzijds ons erfgoed van de aristocratie en de gegoede burgerij, het product van een ontwikkelde klasse priesters, profeten en edelen, en anderzijds de werken van onze recent geëmancipeerde ‘gewone man’ (…)
Scruton ziet een devaluatie in de invulling van het begrip vrije tijd. Voor Aristoteles was vrije tijd het doel van arbeid, en cultuur het doel van vrije tijd: letterlijk de tijd waarin de mens vrij is zich te kunnen overgeven aan contemplatie. Ook voor Schiller stond cultuur los van het praktische, doelmatige. Nu wordt de activiteit naar het beroepsleven gewoon voortgezet, in fysieke, recreatieve vrijetijdsbeoefening.



Onderrichten

Als ik Waarom cultuur belangrijk is goed heb gelezen, onderscheidt Scruton uiteindelijk drie oorzaken voor het huidige achteruitbollen van de hoge cultuur. Om te beginnen is er de historische evolutie waarbij cultuurdragers zich langzaam hebben losgemaakt van de religie (de stamvader van alle cultuur). In de "aanvangstijd der beschavingen" bestond er een cultureel continuüm tussen de gewone man en de elite. De elite maakte religieus geïnspireerde kunst; de gewone man reserveerde het beetje vrije tijd dat hij had aan religieuze rituelen, zang en gebed. Maar overal waar cultuurdragers kritisch gingen reflecteren over religie en dus afstand namen van de religie (hoewel het respect voor mythes en religieuze boeken bleef), ontstond er een diepe kloof tussen de recreatieve interesses van gewone mensen en de cultuur van de kritische elite.

Ten tweede boert het onderwijs achteruit. We leven in een periode waarin sommige massa's leren, maar de massa's weinig of helemaal niets, zegt Scruton. Onderwijs begunstigt niet langer de kennis an sich (door intellectuelen op te leiden die de cultuur zullen overdragen), maar begunstigt de leerlingen. Modern onderwijs vermijdt moeilijkheden, speurt naar 'relevante' onderwerpen, en streeft er vooral naar de belangstelling van de leerling vast te houden, no matter what. Een brede culturele ontwikkeling behoort niet meer tot de prioriteiten. Zelfs de reputatie van 'kennis' in engere zin taant, in weerwil van allerlei modieuze begrippen.
Er wordt wel eens gezegd dat we tegenwoordig in een ‘kenniseconomie’ leven, en dat ‘informatietechnologie’ de hoeveelheid en de toegankelijkheid van de menselijke kennis enorm heeft vergroot. Beide beweringen zijn onjuist. ‘Informatietechnologie duidt simpelweg op het gebruik van digitale algoritmes bij het overbrengen van boodschappen. De ‘informatie’ die verwerkt wordt is geen informatie over iets, en staat ook niet gelijk met kennis. Ze behandelt waarheid en onwaarheid, werkelijkheid en fantasie, als gelijkwaardig, en beschikt niet over middelen om het verschil te beoordelen. En het internet maakt duidelijk dat de informatietechnologie veel effectiever is in het bevorderen van onwetendheid dan in het stimuleren van de wetenschap. Bij het veroveren van de cyberruimte heeft de onwetendheid een enorme voorsprong, omdat die ruimte is toegesneden op de gewoonten van luiaards. De bewering dat we in een ‘kenniseconomie’ leven is al even ongefundeerd. De informatietechnologie zorgt ervoor dat beelden voorrang krijgen boven gedachten en dat het lawaai dat de ruimte vult waarin ideeën worden geboren en overgedragen duizendvoudig worden versterkt. Als het op de grote beslissingen aankomt, overschreeuwt dat lawaai dan ook de zachte stem van het begrip.
Scruton is een groot voorstander van het competitie-element in het onderwijs. Het onderwijs moet erop gericht zijn de grootste talenten naar boven te halen. Eerst en vooral moeten de basics van elke discipline onderwezen worden. De manier waarop Scruton het literatuuronderricht zou organiseren heeft wel iets weg van de literatuuropvattingen van Ezra Pound en diens hang naar de wortels van de literatuur. Scruton:
Het lijkt me evident dat de leerling zo snel mogelijk een idee moet krijgen van wat een klassieker is -- een ‘toetssteen’, zoals Arnold het formuleerde -- met andere woorden, een werk dat generaties lang van betekenis blijft en een ijkpunt vormt voor andere en mindere scheppingen. Als de leerling zich dat idee eenmaal eigen heeft gemaakt, zal hij het niet moeilijk vinden om de literaire cultuur te behandelen als gedeeld bezit -- als referentiekader, dat de communicatie bevordert tussen alle mensen die het erkennen en ruimte biedt voor de bestendige waardering van nieuwe werken, nieuwe ervaringen en nieuwe sympathieën. De klassiekers der lyrische poëzie memoriseren, hardop voorlezen uit de heldendichten, de toneelstukken van Shakespeare opvoeren: dat moeten de eerste stappen zijn in het literatuuronderwijs.
Scruton draagt ook alternatieven aan voor het muziekonderwijs. En voor het kunstonderricht. Pupillen in de kunstacademie moeten zich de kunst van de visuele waarneming eigen maken via modeltekenen, doorgedreven natuurobservatie en het maken van stillevens en figuratieve landschappen. In plaats daarvan ziet Scruton tegenwoordig een hang naar collagekunst, assemblages en installaties. Zelfs de abstracte tradities moeten daarvoor plaatsmaken. Het zijn spitante bladzijden uit Waarom cultuur belangrijk is, al geeft Curtis White in Het doorsneedenken een indringender beeld van de teloorgang van het (Amerikaanse) onderwijs.

Redeneren
De derde trend die volgens Scruton verantwoordelijk is voor de hedendaagse devaluatie van de hogere cultuur ligt bij de intellectuelen zelf, die bewust schamper doen over de bevoorrechte klasse waartoe ze behoren. Scruton noemt dit de "cultuur van de verwerping". Enerzijds door de opmars van de multiculturaliteit -- de opvatting dat elke cultuur begrensd is, tijdelijk en dus relatief. Dit cultuurrelativisme muilkorft elk debat, want zorgt er angstvallig dat er geen minderheden worden gekwetst. (Waarom cultuur belangrijk is bevat een mooie tirade tegen de vraag van Edward Said in Orientalisme om culturen op hun eigen voorwaarden te beoordelen, en Scruton toont mooi aan dat de westere cultuur al zo multicultureel is als maar zijn kan.)

Anderzijds zijn er de kwalijke gevolgen van de postmodernistische en deconstructivistische cultuurkritiek, volgens dewelke elke waarheid het kind is van het gebruikte discours (Foucault: ‘Waar komt uw spreken vandaan?’). Scruton gaat -- terecht -- fel tekeer tegen elke denkrichting die het bestaan van objectieve procedures, autoriteiten en een beredeneerde canon verwerpt. Volgens hem komt dit in de praktijk neer op de censuur van alle traditionele overtuigingen. De postmodernistische methodologie ontwikkelt zich
om de heimelijke betekenis van culturele werken te onthullen, hun ideologische pretenties aan de kaak te stellen en vervolgens per kerende post naar het verleden te zenden. Ze richt zich echter niet op het verwerven van kennis, maar op de vernietiging van het vat waarin de ongewenste kennis heeft gezeten.
De verwerping van de cultuur en de rede is op zich niet nieuw. Hume en Kant waren criticasters van de rede, en Adorno formuleerde felle kritiek op de massacultuur, die hij beschouwde als een instrument van kapitalistische exploitatie. Nieuw is dat de verwerping zich niet richt tegen de gewone mensen, maar tegen de culturele elite zelf.

Waarom cultuur belangrijk is eindigt met de tekenen van hoop die Scruton om zich heen ziet. De intellectuele underground in communistische landen. Componisten die het tonale stelsel in ere houden. Schilders die de figuratieve traditie willen voortzetten. Architecten als Quinlan Terry, die een tegengewicht bieden voor de megalomane, utopistische, modernistische bouwkunst -- de erfenis van Le Corbusier.

Persoonlijke bedenkingen
Op mijn eigen bescheiden manier probeer ik volgens de oude humanistische idealen te leven. Niet noodzakelijk door zelf bijdragen te leveren aan de hoge cultuur, wel door er bewust naar te streven de mooiste cultuuruitingen tot mij te nemen. Toch kijk ik op veel punten anders tegen cultuur aan dan Roger Scruton.

Naar mijn gevoel is diversiteit in cultuurbeleving even belangrijk als kwaliteit. Ik zie cultuurproducten vooral als een manier om de wereld in versneld tempo te begrijpen. Maar dan wel de volledige wereld, hoog en laag. Ik zie geen wezenlijk verschil tussen hoge en lage cultuur, alleen een gradueel verschil. Misschien maakt het van mij een typische eenentwintigste-eeuwer, maar ik denk dat ik in de praktijk hoge cultuur vooral omarm als recreatie op niveau. Mijn omgang met hoge cultuur wordt maar zeer ten dele ingegeven door nobele motieven. Door mijn verstandelijke vermogens (waar ik zelf geen verdienste aan heb), mijn opleiding en mijn persoonlijke interesses gaat lage cultuur mij algauw vervelen. Veel meer komt daar niet bij kijken. Ik snap trouwens de hedendaagse relevantie niet van Scrutons stelling dat cultuur geworteld is in de religie.

Scruton onderschat de empancipatorische waarde van lage uitingen van cultuur. En hij onderschat de intrinsieke attractiviteit van een bepaald medium. Voor Scruton is hoge cultuur een massief blok: kunst, muziek, literatuur, één pot nat. Maar dat klopt niet. Ik beschouw mezelf als een lezer met een verfijnde smaak, maar dat betekent daarmee niet automatisch dat ik er een even verfijnde muzieksmaak of kunstsmaak op nahoudt. Ik houd van het goede boek, maar de meeste klassieke muziek laat mij compleet onverschillig. Dé cultuurmens is een fictie.

Bovendien betrekt Scruton de waarde van wetenschap en techniek niet mee in zijn verhaal, en zou hij bij wijze van fairplay ook iets mogen zeggen over de blunders die intellectuelen en cultuurdragers de laatste paar honderd jaar hebben gemaakt. De kritiek dat cultuurmensen hun fijnere emoties goeddeels spenderen aan verzinsels, en vaak geneigd zijn de wereld te esthetiseren, door schoonheid boven goedheid te stellen, legt hij in zijn boek ook nogal gemakkelijk naast zich neer. Scruton suggereert tot slot een paar maal dat hoge cultuur ook afstraalt op de gewone man, maar over de manier waarop blijft hij mij te vaag.

Het meest genoot ik daarom van de cultuurcriticus Scruton. Hij zegt bijvoorbeeld hele zinnige dingen over moderne kunst. Over de groteske overschatting van de vraag 'Wat is kunst?' (een ergernis die ik zeer sterk deel). Over de routinisering van de avant-garde, "waarbij abstract-expressionistische clichés de plaats innamen van de figuratieve clichés van de zondagsschilders".

Het meest inzichtelijk schrijft Scruton over muziek. (Hij heeft ook apart over dat onderwerp gepubliceerd.) Het was Scruton die er met zijn boek Moderne cultuur : een gids voor kritische mensen voor zorgde dat ik eindelijk het dedain voor popmuziek begreep dat veel klassieke muziekminnaars aan de dag leggen. In dit boekje staat er weer zo verhelderende passage. Daarbij vergeleken zijn de losse flodders in de columns van Maarten 't Hart klein bier:
In popmuziek geschoolde oren zoeken naar beat in plaats van naar ritme, naar ‘begeleiding’ in plaats van stemvoerende harmonie, en naar melodieën die zich verdelen in meeneuriebare frasen. Zulke oren zijn in eerste instantie doof voor het contrapunt, en voor de echte tonale ervaring, als de driedimensionale uitwerking van structurele relaties. Ze beluisteren in Steve Reich of Philip Glass een soort verheven en hypnotiserende versie van hun favoriete akkoorden, en omdat ze buiten hun gevoel voor herhaling geen gevoel voor structuur bezitten, beschouwen ze dat als het nec plus ultra van de serieuze muziek. In feite is de muziek van de minimalisten veel banaler en clichématiger dan al die half-serieuze muziek die uit de mode is geraakt. Met haar onvermogen om de stap van de begeleidende figuren naar de polyfonie te maken geeft ze uitdrukking aan haar hulpeloxe fixatie op het akkoord, in tegenstelling tot de stemmen die het akkoord vormen als ze zich tijdens hun melodieuze tochten om dat akkoord heen bewegen.
Het nieuwe publiek ziet bovendien de spiritualiteit van Górecki en Tavener als een toegankelijke ervaring van het ‘hogere’ muzikale leven. Want zij componeren serieuze muziek, die ons lijkt te zullen bevrijden van de vervreemde wereld van de populaire cultuur. Tegelijkertijd is die precies als popmuziek gecomponeerd, met eenstemming gepsalmodieer op stemloze akkoorden. Het is net alsof de serieuze muziek opnieuw moet beginnen, vanaf de eerste aarzelende tonale stappen, om het postmoderne oor te kunnen bereiken.
Maar natuurlijk is dit een rationalisatie achteraf van iemand die toch al in de armen van de klassieke muziek zou zijn beland. Scruton beschrijft de formele kenmerken van popmuziek, maar zal nooit de opwinding van een popliefhebber navoelen. Hij begrijpt het genre niet, en heeft een zeer wazige kennis van het bijbehorende jargon. Wat is in godsnaam "techno-rock"?

[afbeelding: Joel Trussell, Culture Jelly Show, via Flickr]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Roger Scruton, Waarom cultuur belangrijk is
144 p.
Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2008
Oorspr. Culture counts : faith and feeling in a world besieged (2007)
Vertaald door Jabik Veenbaas

____

maandag 24 augustus 2009

Dichtersgesprekken - Marjoleine de Vos

Een half jaar terug heb ik woedend de radio afgezet bij een interview met Peter Verhelst. Hij kwam er praten over de bundel Nieuwe sterrenbeelden. De interviewster van dienst, een en al verering voor Verhelst, weigerde dieper op zijn teksten in te gaan. Ze zei letterlijk: "Ik ga u natuurlijk niet vragen om uw gedichten uit te leggen." Waarbij ik alleen maar denk: waaróm dan wel niet? Waarom mag een lezer een dichter niet ter verantwoording roepen voor wat hij schrijft?

Daarom was ik blij met het opzet van dit boek. Marjoleine de Vos koos voor NRC Handelsblad regelmatig een gedicht uit van een dichter, en vroeg hem of haar om nadere toelichting. Dichtersgesprekken bundelt veertig van die interviews, voorafgegaan door het gedicht in kwestie. Het gaat er gedetailleerd en technisch aan toe. De Vos polst naar het hoe en waarom van een bepaalde regellengte, het gebruik van enjambementen, de regelval, de strofe-indeling, bepaalde muzikale effecten.

Die praktische, ambachtelijke invalshoek aan de hand van aparte gedichten bevalt me zeer erg. Dé poëzie bestaat immers niet. Geen enkele algemene beginselverklaring over dé poëzie kan ik serieus nemen. De waarde van poëzie kan alleen maar tot uiting komen in de reacties van individuele lezers op individuele gedichten. Natuurlijk wordt de reactie van de lezer gekleurd door de opvattingen over poëzie waarvan hij kennis heeft genomen, maar toch: meestal is zo'n poëtica veel te algemeen geformuleerd om iets zinnigs te zeggen over een concreet vers. Welbeschouwd zijn getuigenissen van poëzielezers over aparte gedichten dus de enige secundaire literatuur over poëzie die me interesseert.

Daarom is het zo jammer dat er nauwelijks van gedachten wordt gewisseld in Dichtersgesprekken. De titel van het boek is misleidend. Dit zijn geen gesprekken. Dit zijn een reeks vragen aan een helpdesk. Marjoleine de Vos start niet met een persoonlijke interpretatie van het gedicht. Ze overloopt het gedicht regel per regel en vraagt meteen aan de dichter om zijn keuzes te motiveren. Daarbij komt De Vos te weinig met alternatieven aanzetten.

Ik kan me ook niet van de indruk ontdoen dat veel dichters mooi passen bij De Vos' eigen poëzieopvatting. Tot een intellectuele clash komt het nooit. Alleen Erik Spinoy wordt eventjes vermanend toegesproken, maar alles wordt snel in der minne geregeld.

Dichtersgesprekken is een weke bloemlezing geworden. Weinig van de opgenomen dichters hebben de ambitie om een ferme gedachte te ontwikkelen, om een gedicht te schrijven dat nog even meekan. Meestal wordt een gedicht opgehangen aan een gewaarwording, een paar details, een kortstondige stemming. De kwaliteit van de gedichten is hoogst wisselvallig. Van veel dichters werd naar mijn smaak een minder gedicht gekozen.

Frappant is wel dat de dichters hun keuzes tot in de puntjes kunnen motiveren. Elk woord, elke komma wordt vlot verantwoord. Daardoor wordt dit boek enigszins gered. Zo zegt Robert Anker over zijn eigengereide interpunctie:

De interpunctie hoort bij het proza en is, althans in de meeste talen, sterk grammaticaal bepaald. Mijn poëzie is anakoloetisch, zinnen lopen grammaticaal uit de hand, en dan kom je met interpunctie in de knoop te zitten. Bovendien creëer je zonder interpunctie vaak meer betekenis, doordat zinsdelen in elkaar schuiven, en hoewel een dichter met elke zin hetzelfde zegt wil hij toch wel graag veel mogelijk betekenis oproepen. Helemaal niets doen, geen hoofdletter of punt, kan ook niet meer. Dan ga je in een geur van gedateerd modernisme staan en dat wil ik niet. Ik wil in mijn eigen geur staan.
Dat dichters bewust keuzes maken, betekent echter allerminst dat een gedicht de resultante is van een vooraf uitgedokterd meesterplan. Dichtersgesprekken bevestigt mijn vooroordeel dat poëtica's schromelijk overschat worden. Wie gedichten schrijft heeft een talent voor taal, is belezen, is niet vies van bijschaven en herschrijven, en laat voor de rest ervaring en toeval het werk doen. Grote theorieën komen daar niet bij kijken. Veel dichters, blijkens dit boek, weten niet wat hen overkomt wanneer een gedicht gestalte krijgt. Goeie regels worden niet zozeer bedacht, maar dienen zich spontaan aan. Past de regel in het geheel, dan blijft hij staan.

De beginregel is heel belangrijk: hij zet de toon van het gedicht. Ook metrisch. Daarna begint het gepieker, het moeizaam geconstrueer. Waarmee ik me gesteund weet in een tweede vooroordeel: dat een goed gedicht en het vakmanschap van de dichter worden bepaald door de kwaliteit van de opvullertjes, de bruggetjes, de mindere regels. Veel dichters die De Vos interviewt verklaren overigens dat nogal wat poëzie ontstaat dankzij en niet ondanks technische problemen. De beperkingen die het toeval de dichter oplegt, inspireren hem. Mede daarom zijn die breed openzwaaiende poëtica’s lichtjes onnozel.

Dichtersgesprekken gaat niet alleen maar over het metier. Marjoleine de Vos weet de dichters ook op een hoffelijke manier te bevragen over duistere regels. Hoezo is de dichter ‘meegevlogen’? Hoe kan een moment ‘de gedegen zwaarte van een eeuw’ hebben? Hoe kan een kerk 'een landschap beschermen'? Wanneer is een wonder ‘helder’?

De antwoorden die daarop volgen zijn bijna altijd leerzaam -- op een onbedoelde manier. Gedichten die mij initieel niet aanspreken worden nooit boeiend door de motivering van de dichter. Veel duistere passages blijken alleen maar duister omwille van een onmogelijk te achterhalen autobiografische aanleiding. Bijzonder opgelucht was ik met de vaststelling dat dichters die ik onleesbaar acht -- Astrid Lampe, Rob Schouten, Kees Ouwens -- niets te melden hebben die hun poëzie zou kunnen ontsluiten.

Als ik mijn favorieten op een rijtje zet -- Mark Boog, Jan Eijkelboom, Anna Enquist, Piet Gerbrandy, Rutger Kopland, Erik Menkveld, Leonard Nolens, Jean Pierre Rawie, Nachoem Wijnberg -- kan ik alleen maar vaststellen dat mijn smaak minder avontuurlijk is dan vroeger. Ik ben ook kritischer geworden. Op slechts één gedicht had ik helemaal niets aan te merken. Het heet 'Eiland', en werd geschreven door Willem van Toorn.
Zeker een eiland zijn. Zeker de brug
nog weigeren zolang je kan, de dijk
niet denken. Buiten het bereik
blijven van wat daar op de grens
van lucht en water loert: het land
waar eindeloos hongerig land achter ligt.

Maar wel de steiger teren voor het veer,
de vaargeul openhouden, het uitzicht
bewaren op wat voor ieder kind weer
in dromen opdoemt: later ooit nog van
hier oversteken naar wat daar onzicht-
baar lokkend ligt: de overkant.
Maar symptomatisch voor dit boek: de duiding van Van Toorn voegde niets toe aan mijn appreciatie.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Marjoleine de Vos, Dichtersgesprekken : over het maken en lezen van poëzie
272 p.
Uitgeverij Prometheus, 2005



Quotes uit Dichtersgesprekken:

Er zijn geen wetten, behalve per keer. Je hoeft ook helemaal je best niet te doen om een bepaald soort gedicht te schrijven, dat schrijf je toch wel. Als je een bundel even laat liggen, zie je dat de gedichten erin, ook al vond je ze eerst heel verschillend, toch duidelijk van één persoon afkomstig zijn.
Mark Boog

Als je iets in alexandrijnen schrijft leg je er een extra harnas op voor de lezer, als het toch al hermetisch is kun je het beter los houden. Dichters die maar in één vorm dichten, proberen een stijl te hebben, dat vind ik een van de armoedigste kanten van de menselijke natuur.
Hugo Claus

In deze gedichten is een koketterie aanwezig met de onwaarachtigheid. Dit is helemaal niet ‘echt’ of ‘authentiek’. Dat zijn begrippen die meer in huiselijke ruzies thuishoren: ‘Je hebt me bedrogen!’
Hugo Claus

Als mensen aldoor hetzelfde zeggen dan liegen ze, let maar op.
Hugo Claus

Je krijgt een inval, al schrijvend krijg je meer invallen en de titel is het laatste wat je krijgt.
Jan Eijkelboom

Een gedicht doet zich in eerste instantie voor als ritme, een ritmische zin. Ik schrijf het meestal gewoon op zoals ik denk, en als het kan laat ik het zo staan.
Eva Gerlach

Ik heb me lang geleden voorgenomen om zo min mogelijk externe referenties te gebruiken. Zoals The Wasteland bijvoorbeeld, met al die pagina’s noten, zo wil ik het niet. Je trekt een tekst ermee uit elkaar. Ik heb liever dat alles wat je nodig hebt ook in het gedicht staat.
K. Michel

Er zijn zoveel literatuurkenners en ook wel dichters die zeggen: een gedicht is in de eerste plaats gemaakt van woorden. Ja, en een boom is gemaakt van hout -- maar waarvan is dat hout gemaakt? Woorden zijn gemaakt van mensen, je bent met individuele levens, ritmes, hele geschiedenissen, fantasieën, met ménsen bezig. Je bent niet bezig met een woord aan een breinaald te prikken en er een mooi truitje van te breien. Je neemt met de woorden de levens van anderen in de mond.
Leonard Nolens

De eerste regel is de moeder van de andere regels, ook ritmisch gesproken.
Willem Jan Otten

Ik heb geen beslissing genomen over die regel. Ik heb hem laten staan omdat hij juist is.
Willem Jan Otten

Te veel harmonie bederft de stemming.
Kees Ouwens

Het rijm vertegenwoordigt in poëzie wat toeval in het leven vertegenwoordigt.
Miguel de Unamuno

Ik heb eigenlijk een hekel aan gedichten over het maken van poëzie. Dat vind ik net zoiets als wanneer je een restaurant het recept opgediend krijgt in plaats van het eten.
Jean Pierre Rawie

Ironie heb ik in de poëzie zoveel mogelijk uitgebannen, omdat de vorm al afstand genoeg schept.
Jean Pierre Rawie

Als een zin in zijn geheel op een regel kan dan doe ik dat, anders breek ik hem na een zinsdeel af. Ik vind de zin de natuurlijke eenheid van het gedicht.
Martin Reints

Ik vind die draai nu juist het mooie van het sonnet, je weet dat je naar binnen moet, of een andere kant op.
Patty Scholten

De titels in deze bundel hebben vaak een ironiserend effect. Er wordt daardoor iets uitgehaald met het gevoel van de lezer. Je kunt niet hopen dat je in deze afgestompte wereld nog met beschaafde middelen verontrusting op kunt roepen. Daarom probeer ik het met barbaarse middelen, contrasten in het gevoel.
Erik Spinoy

Ik heb een sterk bundelgevoel. Pas door de plaats die een gedicht in de bundel krijgt, kun je er sommige dingen in zeggen, anders zeg je ze tegen de lucht. Dat is een kwestie van de toon van de bundel. Soms wil ik een motief nog eens herhalen of het juist in een ander licht stellen.
Ad Zuiderent

____

vrijdag 7 augustus 2009

Zomervakantie 2009 [2]

Achille trekt met zijn levensgezellin naar de Auvergne. Hij heeft er een vakantiehuisje gehuurd van een Nederlander (die belooft zelf niet aanwezig te zullen zijn). Nieuwe berichten niet eerder dan maandag 24 augustus. Zustersite Prins van Denemarken wordt opnieuw aangevuld vanaf 17 augustus.



____

Hitlers schutkleur - Peter den Hertog

Hitlers schutkleur laat leken zien hoe geschiedschrijving werkt. Geschiedenis bereikt ons meestal in de vorm van een keurige opsomming van gebeurtenissen. Maar geschiedschrijving is in de eerste plaats het zoeken naar onomstreden feiten, die feiten interpreteren, en zoeken naar oorzakelijke verbanden. Anders dan wat schoolboeken en canons suggereren is die samenhang zelden een uitgemaakte zaak. Zo is de oorsprong van Hitlers antisemitisme nog steeds niet goed ontraadseld.

De Nederlandse historicus Peter den Hertog zet in Hitlers schutkleur alle gangbare verklaringen over het ontstaan van Hitlers jodenhaat op een rij en knoopt er zijn eigen interpretatie aan vast. Den Hertog beoordeelt vijftien vooraanstaande historici die publiceerden in de periode 1936-2001 op hun argumenten, methodologie en gebruikte bronnen ("Fromm steunt via Smith op Jetzinger"). Hij presenteert het werk van deze historici heel systematisch en schrikt er niet voor terug veel plaats in te ruimen voor elkaar gedeeltelijk overlappende interpretaties, die hij steeds opnieuw samenvat. Omdat Den Hertog zeer leesbaar schrijft, stoort dat geen moment. Het consecutieve aspect van dit boek is zelfs ronduit aantrekkelijk; alsof de onderzoeker in steeds diepere concentrische cirkels afdaalt naar de meest plausibele verklaring.

Bijna alle onderzoekers van het eerste uur zien in Hitler in zijn Weense periode (1908-1913) al een felle antisemiet. Latere historici delen dit inzicht niet zonder meer. Zij benadrukken dat voor het ontstaan van Hitlers antisemitisme de chaotische periode direct na het einde van de Eerste Wereldoorlog, die Hitler voornamelijk in München beleefde, van belang is geweest. Maar waarom, vraagt Den Hertog zich dan af, werd met name Hitler wél een rabiate jodenhater en anderen, die ook aan dezelfde antisemitische invloeden hebben blootgestaan, juist niet? Die vraag probeert Den Hertog op lovenswaardig multidisciplinaire wijze op te lossen door, naast historische bronnen, voorzichtig gebruik te maken van inzichten uit de psychopathologie.

Jeugd
De voornaamste bronnen over de veranderende gedaante die Hitlers antisemitisme door de jaren heen aanneemt zijn Hitlers twee boeken, Mein Kampf en Zweites Buch, de meeste van zijn speeches sinds 1919 (een paar duizend bladzijden), en getuigenissen van intimi, politici en naaste medewerkers. Eigenlijk zijn die bronnen niet toereikend. Over zijn jeugd is niet zoveel bekend. Pas vanaf 1919 neemt het aantal bronnen over hem substantieel toe, maar dan is Hitler al dertig jaar oud -- en een jodenhater. Bovendien was Hitler zeer op zijn hoede. Den Hertog haalt zijn perschef Otto Dietrich aan. Te allen tijde handhaafde Hitler volgens deze "met ijzeren gestrengheid het principe dat niemand van belangrijke zaken meer mag weten dat hij voor zijn werk nodig heeft."

Antisemitische uitingen van vóór 1918 blijken er eigenlijk niet te zijn, wat Mein Kampf als bron voor het ontstaan van Hitlers antisemitisme meteen onbetrouwbaar maakt. Hierin hangt Hitler volgens historica Brigitte Hamann de mythe op van een Germaanse leider die in zijn jeugd zelfstandig de juiste intellectuele weg vindt. Daar klopt niet alleen niets van, in het boek rept Hitler ook met geen woord van de onschuldige contacten die hij had met joden voor de Eerste Wereldoorlog. Die zijn niet gering. De dokter die zijn moeder in haar laatste dagen verzorgde was een jood en werd gewaardeerd door Hitler. Toen Hitler in het Weense Männerheim (een tehuis voor mannen) verbleef -- in de periode 1910-1913, toen een berooide Hitler tweemaal was afgewezen door de kunstacademie -- verkocht hij verschillende van zijn schilderijen aan joden. Bovendien kreeg Hitler in de Eerste Wereldoorlog het ijzeren kruis opgespeld op voorstel van een joodse officier.

Jeugdvrienden zoals August Kubizek kunnen zich sowieso geen persoonlijke afkeer van joden herinneren bij Hitler. Wel groeide Hitler op in een periode waarin het historische Duitse antisemitisme op de achtergrond meetrilde, gevoed door pleitbezorgers als Hermann Gödsche, Joseph Arthur de Gobineau, Eugen Dühring, Theodor Fritsch, Adolf Wahrmund, Houston Stewart Chamberlain en Richard Wagner. Al in de achttiende eeuw was het begrip ‘ras’ onder invloed van de Europese koloniale expansie in zwang geraakt, en ook het sociaal-darwinisme gaf een sterke impuls aan het denken over rassen in biologische zin. Maar onder impuls van de Franse revolutie en de verbreiding van liberale ideeën, was er in de negentiende eeuw een zekere tolerantie ontstaan tegenover joden. Na hun juridische gelijkstelling in 1867 trokken de joden zelfs in groten getale naar de hoofdstad in Wenen -- in vergelijking met steden in Duitsland telde Wenen veel meer joden.

Na de economische crisis van 1873 neemt het antisemitisme in Duitsland toe, met een hoogtepunt in 1893, wanneer een kleine drie procent van de bevolking op antisemitische partijen stemt. Daarna zakt het antisemitisme weer weg. In Oberösterreich, waar Hitler opgroeit, is er veel haat tussen de verschillende nationaliteiten, maar dan vooral tussen Tsjechen en Duitsers. Joden staan daarbuiten. In Linz, verblijfplaats van de Hitlers, wonen er maar enkelen, en die zijn goed aangepast. Neemt niet weg dat Hitler een abstract soort bewondering voelt voor radicale Oostenrijkse nationalisten als Georg Ritter von Schönerer en Karl Lueger.

Wenen
Na het overlijden van zijn moeder in 1907 toog Hitler naar Wenen om kunstschilder te worden, nadat verschillende familieleden hem de raad hadden gegeven eindelijk eens een vak te gaan leren. Maar Hitler wordt afgewezen door de academie en moet in de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog naast zijn wezenuitkering de kost verdienen met allerlei kleine baantjes. Hitler werkte onder meer als ongediplomeerd kunstschilder. Zijn landschapjes leverden weinig op en daarom overnachtte hij dikwijls in een daklozenpension. Rond 1909 begon hij antisemitische pamfletten te lezen. Uit die pamfletten smeedde hij inderdaad een racistische doctrine, maar dit was een langzaam proces, waar hij niet eerder dan vlak voor de Eerste Wereldoorlog mee klaar was.

In de lente van 1913 emigreert Adolf Hitler naar München in het Zuid-Duitse koninkrijk Beieren. Het feit dat Hitler naar München (artistiek centrum) ging en niet naar Berlijn (politiek centrum), wijst volgens een bepaalde interpretatie op zijn niet-politieke, artistieke gerichtheid in die periode. In München ontsnapte Hitler hoe dan ook aan de militaire dienst in Oostenrijk -- het conglomeraat van volkeren dat hij haatte. Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, neemt hij onmiddellijk enthousiast dienst in het Duitse leger. Kennelijk zag hij voor Oostenrijk geen zelfstandige rol meer weggelegd; toen al was in zijn denken aansluiting bij Duitsland een onontkoombaar feit. Tijdens de oorlog maakt hij als Meldegänger (een koerier die de bevelen van de staf naar het front brengt), onder meer in Vlaanderen, een dappere indruk.

Volgens bepaalde historici wordt zijn wereldbeschouwing sterk gevormd door de gruwel die Hitler in de oorlog te zien krijgt. De basis van het menselijk bestaan, concludeert Hitler, is de eeuwige strijd tussen volkeren. Onder de soldaten heerst ook de Volksgemeinschaft, waarin beroep, stand, klasse, opleiding en inkomen geen rol spelen. Later zal hij die in geheel Duitsland tot stand willen brengen.

Naarmate Den Hertogs betoog vordert, blijken, meer dan de Weense periode, de chaotische Münchener jaren na de Eerste Wereldoorlog van beslissende invloed op Hitlers antisemitisme. Door de catastrofe van de oorlog, de nederlaag en de novemberrevolutie van 1918 (Philipp Scheidemann roept de republiek uit, Duitsland is geen keizerrijk meer) wordt het antisemitisme weer hevig aangewakkerd. Tijdens de oorlog waren er vele Ostjuden, die er heel anders uitzagen dan de westerse geassimileerde joden, naar Duitsland gevlucht en dat maakt grote indruk op Hitler.

München
In München maakt Hitler dus de revolutionaire geleide gebeurtenissen mee (1918-1919) waar vele joodse voormannen in meededen. Zeer opmerkelijk: historicus Anton Joachimsthaler wijst erop dat Hitler zich na de oorlog niet aansloot bij rechtsgeoriënteerde en nationalistische ‘Freikorpsen’ maar actief participeerde ten gunste van de socialistische en later communistische regeringsraden in München -- wat hij later natuurlijk zou verzwijgen. Als dit waar is dan lijkt dit te suggereren dat Hitler begin 1919 nog geen rabiate antisemiet was.

Wanneer Müchen echter veroverd wordt door de rijksregeringsgetrouwe witten, komt de macht in handen van de rechtsgeoriënteerde militairen. Hitler maakt een spectaculaire omslag en sluit zich prompt aan bij een rechtse onderzoekscommissie die moet nagaan wie er met de roden gesympathiseerd had. Mogelijk komt Hitlers 'plotse' antisemitische felheid juist voort uit het feit dat hij eerst in de ‘joodse val’ was gelopen. Hitler was diep ontgoocheld over de afloop van de oorlog waarvoor hij de socialisten en communisten schuldig achtte.

De jonge oorlogsveteraan wou ook absoluut bij het leger blijven, uitzicht op een andere maatschappelijke betrekking was er nauwelijks. Daarom bleef hij zich inzetten voor de contrarevolutionaire Reichswehr in Beieren en kwam er in contact met de antisemitische kapitein Karl Mayr. In juni 1919, het moment van Hitlers omslag, volgde hij op instigatie van Mayr een antisemitische redenaarscursus aan de universiteit van München. Eén jaar later (13 augustus 1920) hield Hitler al in het Hofbräuhaus zijn beruchte redevoering ‘Waarom zijn wij antisemieten?’

De rest is (stukken beter gedocumenteerde) geschiedenis. Hitlers ster rijst in de partij DAP, dankzij zijn retorisch talent. In zijn speeches staat hij geen gevoelsmatige jodenhaat voor, maar een antisemitisme van het verstand: Duitsland moet de voorrechten voor joden afschaffen, een striktere vreemdelingenwetgeving invoeren, en ten slotte de joden verwijderen in een gebaar van nationale eenheid. Het Verdrag van Versailles is een joods instrument, de joden zitten achter het grootkapitaal en achter de linkse partijen. Het joodse complot moet stoppen. De invloed op Hitlers gedachtegang van de Protocollen van de wijzen van Sion (1905), die in 1920 in Duitse vertaling verschenen, is overigens niet nauwkeurig te bepalen.

Hitler verhoogt met dit virulente antisemitisme hoe dan ook zijn populariteit met het publiek, maar de partij als militant orgaan wordt er niet sterker door. Dat wordt zij wel door de actieve belangstelling van kapitein Ernst Röhm, officier van de zevende divisie van de Reichswehr in Berlijn, die verantwoordelijk is voor de bewapening van kleine en grote paramilitaire eenheden en een belangrijke contactpersoon (geld, auto's, wapens) is met Berlijn voor Hitler en de NSDAP, zoals de DAP sinds februari 1920 heet.

Hitler wint meer en meer macht binnen de NSDAP -- de zogenaamde Führerpartij ontstaat. Hij dreigt met een partijsplitsing als hij voor zichzelf geen dictatoriale bevoegdheden mag opeisen. De partijstatuten worden in die zin gewijzigd. In 1921 worden de turn- en sportafdeling van de NSDAP omgedoopt tot SA. In 1922 sluit de bezeten antisemiet en politicus Julius Streicher zich met zijn gevolg aan bij de NSDAP -- het ledenaantal verdubbelt en de partij domineert nu heel Frankenland en Noord-Beieren. In januari 1923 bezetten Frankrijk en België het Ruhrgebied, omdat Duitsland met herstelbetalingen achterloopt. In de herfst van 1923 stort de Duitse mark in: geestelijke ontreddering en economische malaise zijn het gevolg -- veel mensen sterven aan de hongersnood.

Op 9 november 1923 wordt op aandringen van Hitler een slecht georganiseerde poging gedaan de macht in Beieren te grijpen en daarna de Republiek van Weimar omver te werpen. Deze Bierkellerputsch mislukt; Hitler krijgt vijf jaar celstraf, maar komt al na een jaar vrij uit de gevangenis van Landsberg. In Landsberg schrijft Hitler Mein Kampf. Daaruit blijkt dat zijn zelfbeeld resoluut anders is geworden: hij ziet zichzelf nu als leider, niet als wegbereider. Historicus Eberhard Jäckel heeft er op gewezen dat in Mein Kampf Hitlers wereldbeschouwing een zeer radicale keer heeft genomen: de strijd tegen de joden wordt nu het centrale motief van zijn politieke missie; het jodenprobleem is van betekenis voor de gehele wereld; jodendom en internationalisme zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden; en Hitler radicaliseert de middelen om het jodendom te bestrijden.



Paranoia

Peter den Hertog is niet echt tevreden met deze 'Münchener interpretatie'. Hij stelt zichzelf de essentiële vraag: waarom werd Hitler wél een rabiate jodenhater en anderen, die ook aan dezelfde antisemitische invloeden hebben blootgestaan, juist niet? Wat is dat eigenlijk, invloed?Den Hertog, die naast geschiedenis ook cultuurwetenschappen studeerde, betrekt om uit de impasse te geraken de hedendaagse inzichten over psychopathologie bij zijn onderzoek. Maar niet zonder eerst een paar slordige en gemakzuchtige interpretaties van niet-historici van tafel te vegen.

In de jaren zeventig bloeide de psychohistorie: een geschiedkundige discipline die met behulp van dieptepsychologische benaderingen in historische personages probeert door te dringen. Terwijl psychoanalyse van oorsprong een leer en behandelingsmethode is om patiënten te genezen, wordt ze in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw in handen van Amerikaanse wetenschappers die kritisch geschoold zijn in Marx en Freud, een theoretisch wapen tegen de gevestigde orde. Prominente filosofen en psychologen zoals de neofreudianen Wilhelm Reich, Herbert Marcuse, Jacques Lacan, Erich Fromm en Robert Laing 'ontmaskeren' de verborgen belangen van de machthebbers.

Het lijkt erop dat dit intellectuele klimaat de ontwikkeling van de psychohistorie als aanvulling op en correctie van de traditionele geschiedwetenschappen stimuleerde, zegt Den Hertog. Psychologen en psychiaters -- de meeste geen geschiedkundige van beroep -- gingen fantasieën en metafoorgebruik van historische personages, hun vergissingen, zijdelingse commentaren en grappen betrekken in de analyse. Vaak op een slordige, selectieve manier. Den Hertog toont aan waarom de analyse van bijvoorbeeld Fromm methodisch niet correct is, want een postfactumredenering. Fromm zocht naar aanwijzingen voor een vooropgestelde theorie, en niet andersom.

De aanwijzing voor necrofilie, zoals [Fromm] haar formuleert, zou wel geloofwaardig zijn als hij zowel Hitlers kwaadaardige, incestueuze relatie met zijn moeder als de latere koude relatie onafhankelijk van elkaar had kunnen vaststellen én daarna het verband tussen die twee verschijnselen aannemelijk had gemaakt. Vervolgens had Fromm een verband moeten aantonen tussen enerzijds deze twee verschijnselen en anderzijds Hitlers zucht om te doden.
Vruchtbaarder voor Den Hertog is de vraag of Hitler naar hedendaagse normen leed aan paranoia -- een ziekelijk wantrouwen dat nauwelijks of geen rechtvaardiging vindt in de werkelijkheid. Den Hertog bevraagt de bronnen in dat licht, onder het motto: wanneer bronnen niet de juiste vragen worden gesteld, blijven ze zwijgen. De aanwijzingen blijken behoorlijk overtuigend. Getuigen uit Hitlers directe entourage melden overdreven blijken van wantrouwen. Hitler is zeer bang om vergiftigd te worden en is beducht voor manipulatie van foto's waarop hij staat afgebeeld. Hitler laat zijn medewerkers zo weinig mogelijk onderling contact hebben. Naarmate de oorlog slechter verloopt voor Duitsland radicaliseert Hitlers wantrouwen ten opzichte van zijn generaals.

Maar ook op grotere schaal, ver voorbij de grenzen van de Realpolitik, wordt zijn denken ingegeven door een onredelijke haat voor joden. Zo dacht Hitler er niet aan om ten koste van zijn moord op de joden middelen vrij te maken voor de oorlog in Rusland, toen aan het oostfront elke arbeider dringend nodig was. En zelfs in de zomer van 1944, toen bleek dat de oorlog niet meer te winnen was, ging het deporteren van joden gewoon door.

Dat betekent niet dat Hitler te allen tijde en in alle omstandigheden ziekelijk paranoïde was. Hitler interpreteerde het gedrag van hem toegewijde mensen correct, ook als zij in zijn ogen faalden. Maar volgens Den Hertog levert dat juist een tragisch evenwicht op.
Hitlers paranoia -- dus de werking van zijn paranoïde persoonlijkheid -- lijkt op het gebied van de sociale omgang pas te beginnen waar door afstand en gebrek aan contact zijn directe emotionele relatie met de hem toegewijde mensen ophoudt. Het belang van deze kwalificatie van Hitlers paranoia ligt in het feit dat als hij meer paranoïde was geweest -- en hij dus ook zijn directe getrouwen al snel had gewantrouwd -- hij in Duitsland niet met behulp van de hem toegewijde volgelingen een relatief stabiel regime had kunnen opbouwen. Was hij minder paranoïde geweest, dan zou hij naar alle waarschijnlijk niet het beleid hebben gevoerd dat hij heeft gevoerd, in het bijzonder jegens de joden. Anders gezegd: Hitler had precies die graad van paranoia waardoor hij de zo extreem fatale rol kon spelen in de geschiedenis.
Schutkleur
Hitler was dus een paranoïcus, maar werd niet zo sterk door paranoia gedicteerd dat hij niet anders kon dan genocide op de joden te plegen. Dat wordt bewezen door de graduele opgang van de ernst van Hitlers maatregelen tegen de joden. In het begin van de jaren twintig spreekt Hitler telkens van de verwijdering van de joden. Toen Hitler eenmaal aan de macht was, werden joden ‘gestimuleerd’ te emigreren. Na de Anschluss in 1938 werden ze massaal uitgewezen. In 1941 trachtte hij ze als onderpand te gebruiken om Engeland en de VS te chanteren. Dit alles betekent dat Hitler tegenover de joden keuzevrijheid had, zeker niet samenviel met zijn paranoia, en dus een verpletterende verantwoordelijkheid draagt voor zijn daden.

Als negatieve stimulansen voor paranoia noemt Den Hertog het groeiende aantal frustraties. Het opgroeien onder harde en bedreigende omstandigheden. Zijn tirannieke vader. De mislukking op de Realschule. Het overlijden van zijn moeder wanneer hij achttien is. Twee afwijzingen door de kunstacademie. Bittere armoede in de Weense jaren. Vier jaar stress tijdens de Eerste Wereldoorlog. De onoverzichtelijke constellatie na de oorlog. Het grote niets dat dreigde toen zijn ontslag uit het leger nakende was. Als resultante van dit alles ervoer hij de samenzweerderige informatie over de joden tijdens de redenaarscursus in München ten slotte als juist.

Waarom Hitlers antisemitisme met een conventioneel karakter (in 1929-1920) in 1924 zo extreem was geworden, probeert Den Hertog te verklaren aan de hand van Hitlers (door enkele getuigen gerapporteerde) alles-of-niets-mentaliteit -- de attitude van een gokker: altijd tot het uiterste willen gaan. Aannemelijk is dat zijn soldatenervaringen zijn neigingen hadden gevoed om extreme oplossingen te zoeken: een vijand maken en dan doden, met strategische minachting voor individuele Duitse burgers. Voorts zal het effect van het publiek een rol gespeeld hebben: Beieren en München vormden het meest antisemitische deel van heel Duitsland. Hitler kreeg applaus, feedback. Hij ontdekte daardoor dat hij misschien radicaler was dan gedacht.

Rest er nog één kwestie: de vraag waarom Hitler juist een paranoïde antisemiet werd, en geen paranoïde antikapitalist of antiklerikaal. Het antwoord moet gezocht worden in wat Den Hertog noemt "Hitlers emotionele kompas": zijn wensen en angsten en identificatie.
Rond het einde van de Eerste Wereldoorlog waren het met name de joden die door völkische Duitsers in Beieren werden ‘ontdekt’ als degenen die ondermijnden wat Hitler het hartstochtelijkst nastreefde, namelijk de overwinning van Duitsland en een sterke Duitse staat. Het antisemitisme was op dat moment voor Hitler de kracht die het best aansloot op zijn eigen wensen en paranoïde angsten. Tien jaar eerder had hij in Wenen al een grondige antisemitische leerschool doorlopen, en de antisemitische verkondigingen van na de oorlog activeerden en bevestigden nog eens wat hij in Wenen had geleerd. Het antisemitisme waarin Hitlers paranoia zich manifesteerde, was dus allesbehalve willekeurig.
De reden waarom deze paranoia-theorie nooit eerder werd onderzocht is dat Hitlers paranoia mooi beschut bleef. Aan directe vernederingen van joden is Hitler nooit onderworpen. De cultuur waarin Hitler leefde gedroeg zich bovendien als een schutkleur voor zijn paranoia. Juist doordat er een kern van waarheid zit in zijn interpretaties en beweringen, deze voor een deel werden ondersteund door aanwezige tradities in zijn cultuur en hij niet overduidelijk wanen had -- afgezien van zijn paranoïde trekken is zijn persoonlijkheid intact -- wordt een politicus als Hitler niet herkend als psychiatrisch gestoord.

Hitlers schutkleur is een prima werkstuk, dat de Tweede Wereldoorlog benadert op een mij welgevallige, niet al te technische manier. Tegelijk laat het een wrange nasmaak in de mond. Het zoeken en vinden van verklaringen suggereert aanvankelijk dat iets kan voorkomen worden door de oorzaken weg te nemen die in het verdere onderzoek aan het licht komen. Maar het geval van Hitler bewijst nu juist dat er een veelvoud aan parameters werkzaam waren, en, in retrospect, allemaal op het juiste moment. Een van de belangrijkste parameters is domweg: aanleg. Toevallige aanleg voor paranoia.

Die uitkomst liet zich eigenlijk al raden. Valt ooit te verklaren waarom Federer zo'n briljant tennisser is geworden -- uit de beschrijving van zijn jeugd, zijn oefenomgeving, de trainers waarmee-ie gewerkt heeft? Zeer gedeeltelijk, lijkt me. Het solide fundament blijft talent.

[afbeelding: Hitler spreekt in München op de verjaardag van de Bierkellerputsch, 1941]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Peter den Hertog, Hitlers schutkleur : de oorsprong van zijn antisemitisme
264 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2005

____

donderdag 6 augustus 2009

Dingen die mij slechts doen twijfelen

Ik heb geen geloof en kan dus niet gelukkig zijn, want een mens die geneigd is te vrezen dat zijn leven slechts een absurde dooltocht is naar een wisse dood, kán niet gelukkig zijn. Ik heb geen god geërfd noch een vast punt op aarde vanwaar ik de aandacht van een god kan trekken: men heeft mij ook de goed vermomde woede van de scepticus niet nagelaten, of de lepe trucs van de rationalist of de bevlogen naïviteit van de atheïst. Ik durf dus geen steen te werpen naar de persoon die gelooft in dingen die mij slechts doen twijfelen, noch naar hem die zwelgt in zijn twijfel als ware ook die twijfel niet omringd door duisternis. De steen die ik oppak zou alleen mijzelf treffen, want één ding weet ik zeker: de behoefte aan troost van het menselijke wezen is onverzadigbaar.

Stig Dagerman, geciteerd in: Magie van het gezond verstand

____

woensdag 5 augustus 2009

Bier met een trechter, thee met een zeefje - Gerd de Ley (samenst.)

Het doornemen van dit boekje, een verzameling quotes van Belgen en Hollanders over elkaar en zichzelf, verliep als steeds in drie stappen: lezen, overtikken wat memorabel lijkt, en die selectie nog eens uitdunnen met het oog op dit weblog. Bij elke fase nam de ergernis toe. Gerd de Ley heeft gewoontegetrouw zijn voorkeur voor flauwiteiten en woordspelingen botgevierd. Gaston Durnez ("Sinds 1830 zijn de Vlamingen gebelgd") is zo ongeveer het hoogste voor hem.

Bier met een trechter, thee met een zeefje wordt op die manier meer een moppentrommel dan een aforismenbundel. Weinig quotes brachten iets nieuws -- wat ik overhield waren clichés over Belgen en Hollanders die op een geestige manier waren bijgepunt. Daarbij gaat het bij Belgen over onze gespletenheid, bourgondische levenskunst en aanleg tot taalverkrachting; bij Nederlanders wordt de zelfoverschatting bespot, de zuinigheid, handelsgeest en neiging tot conformisme. Of er nu een Belg aan het woord is, of een Nederlander.

Nogal wat quotes hebben niet eens het gehalte van een aforisme, maar zijn stukjes tekst die uit de context zijn gelicht. Bier met een trechter, thee met een zeefje is ook een lui werkstuk. Het materiaal biedt geen historische diepgang en is geput uit een duidelijk beperkt tekstcorpus. Ik schat de meeste bijdragen niet ouder dan twintig jaar. Veel duistere namen. Daniël van Hecke, Dries Janssen, Juul Kinnaer, Luc Lamon... wie zijn dat eigenlijk?

Het enige wat me aan dit bundeltje nog zou interesseren is een blinde test. Of eentje waarin de nationaliteiten zijn omgewisseld. Gaan de stellingen nog steeds op?

Belgen over zichzelf:

Bij ons in Vlaanderen zijn er te veel letterkundigen, en te weinig mensen die over iets te schrijven hebben.
Louis Paul Boon

De Belg is iemand die weet dat de kortste verbinding tussen twee punten inderdaad een rechte lijn is, maar dat je, als je wérkelijk vooruit wilt komen in dit leven, rekening moet houden met een wegomlegging.
Gaston Durnez

Als ik aan Vlaanderen denk zie ik altijd een leeuw, als ik een leeuw zie denk ik nooit aan Vlaanderen.
Karel Jonckheere

België is één pot nat en Koning Boudewijn is het deksel.
Hugo de Kempeneer

De fonteinen van Versailles worden bij ons door Manneken Pis vervangen.
Hubert Lampo

Vlaanderen heeft altijd meer herdenkers dan denkers voortgebracht.
Piet Piryns

Atheense democratie:
de staat wordt door het volk gedragen.
Belgische democratie:
het volk wordt door de staat gedragen.
Willy Vaerewyck

Ik ben van het ras der Belgen die Belgisch spreken, hard werken in hun kruidenierswinkel en geen manieren hebben.
Gerard Walschap

Wie voor de televisie verkondigt: ‘Ik wil u niet versteken dat we daar nog voor het groot zomervakantieverlof in de schoot van de regering moeten over negociëren’ en daarbij niet door de grond zinkt van schaamte, is een Belgische minister.
Paul de Wispelaere

Belgen over Hollanders:
Nederland is samengesteld uit veertien miljoen infantiele monarchisten, het land noemt zich democratisch en progressief, maar ik heb nog nooit één karikatuur op koningin Juliana in de Nederlandse pers kunnen ontmoeten.
Johan Anthierens

Een Hollander is een Engelsman die rechts rijdt.
Louis Paul Boon

Hollanders zijn bulldozers van rechtvaardigheid.
Hugo Claus

De gemiddelde Nederlander is een mens die voor negentig procent gevuld is met water en voor tien procent met stof voor statistieken.
Gaston Durnez

Ge moet waarachtig Hollander zijn om te zeggen en te schrijven dat het leger moet gedemocratiseerd worden, dat wil zeggen dat voortaan de cirkels vierkant moeten zijn.
Gerard Walschap

Hollanders over zichzelf:
De Nederlander wordt alleen pathetisch als hij het tegen de pathos heeft.
Godfried Bomans

Met een Nederlander valt niet te disputeren. Hij heeft tot het einde toe gelijk en daalt met deze zekerheid opgewekt het graf in.
Godfried Bomans

Wij gedragen ons als bruto mensen in een netto land.
Kadé Bruin

Nederland is zo’n door en door ernstig land, dat als je af en toe een grapje maakt, de mensen denken dat je een humorist bent.
C. Buddingh’

Ook in Holland schieten de eetgelegenheden als paddestoelen uit de grond. Maar dan als gifzwammen en knolamanieten.
Jan Cremer

Voor de meeste Nederlanders, wel of geen kunstenaars, was de laatste oorlog een Happening die vijf jaar duurde. 25 jaar later nog steeds Het Gesprek Van De Dag.
Jan Cremer

Hollands lesje
Hoe noem je ‘koud’? ‘Heerlijk fris.’
Hoe noem je ‘naar’? ‘Flink.’
Hoe noem je ‘lekker’? ‘Mag niet.’
Hoe noem je ‘houd ik van’? ‘Niet naar kijken.’
Jan A. Emmens

We zitten hier in Nederland met een religie van het jaar nul, een oranjedynastie van 1500, wetten van 1800 en een benauwde mentaliteit van 1900.
Dimitri Frenkel Frank

Een Nederlander walst niet, maar stoomwalst…
Seth Gaaikema

Nederland is een democratie dank zij het feit dat ook de voorlichters van het publiek van niets weten.
Willem Frederik Hermans

Nederland is een kind met een waterhoofd en België een siamese tweeling.
Fons Jansen

Weet u dat Nederland het enige land is waar de minderheid de meerderheid tot iets weet te dwingen dat de minderheid zelf ook niet wil?
Wim Kan

De drie groten van Nederland schrijven net als alle anderen alleen maar voor de middelbare scholieren. Volwassenen lezen niet in dit land.
Adriaan Morriën

Televisie in Nederland is een vuilverbrandingsoven waarbij het publiek gefascineerd naar de rook zit te kijken.
Alexander Pola

Hollanders over Belgen:
Zuidnederlands is ook Nederlands is een slagzin in dezelfde orde als: wie een houten been draagt kan ook lopen.
Jeroen Brouwers

België is het dichtste land waar de Hollander zich kan gaan onthollandsen.
Jan Greshoff

Het Algemeen Beschaafd dat de Belgen schrijven bezit een eigenschap die alle andere overheerst: hun Nederlands is veel gemakkelijker in het Frans te vertalen dan het onze…
Willem Frederik Hermans
> nog meer quotes uit dit boek op Prins van Denemarken

Gerd de Ley, Bier met een trechter, thee met een zeefje
Bekende Belgen en Hollanders over elkaar en zichzelf

64 p.
Uitgeverij Peter van der Velden, 1982

____

Related Posts with Thumbnails