vrijdag 31 juli 2009

Nerveuze pixels - Johan de Vos

Een maand geleden nam een van mijn werkcollega's me mee naar haar computer. Ze startte een diavoorstelling op met foto's, en even later zag ik haar voorbijkomen in poses die je normaal alleen bij modellen ziet. Eén dia, een haarscherp beeld uitgesneden langs de contouren van haar lichaam, toonde haar in tweedelig badpak. Alsof de duivel ermee gemoeid is, begint Nerveuze pixels met een gelijkaardige scène.

Johan de Vos beschrijft hoe een meisje in een garage foto's van zichzelf neemt en ze vergelijkt met "de standaardbeelden van de verleiding" -- mannequins in klassieke houdingen. Het verhaal staat er niet zonder reden. De Vos is een gewezen docent fotografie die zich niet interesseert voor 'de' fotografie maar voor het effect van foto’s op mensen. De komst van de digitale fotografie heeft dat effect sterk beïnvloed. Om twee dingen te noemen: digitale foto's (goedkoop en makkelijk te wissen) hebben het experimenteren makkelijker gemaakt en nodigen uit tot hyperpersoonlijke onderwerpen (ze hoeven toch niet ontwikkeld te worden in een fotowinkel). Het meten van de aantrekkelijkheid van het eigen lichaam is zo'n hoogst persoonlijke toepassing, meer nog dan het kijken in de spiegel.

Bij het spiegelbeeld wordt een kijker afgeleid door de beweging en het anekdotische. Vaste beelden, binnen een rechthoekig kader en op een lichtend computerscherm zijn vergelijkbare materie. Het bekijken van deze foto’s is als het afnemen van een examen door de strengst denkbare examinator.
Het besef van de troeven van de digitale fotografie was er niet meteen bij De Vos. Hij was, zoals alle fotografen en fotorecensenten van zijn generatie, gepokt en gemazeld in de analoge fotografie en meende dat zijn ervaring en kennis een zekere eeuwigheidswaarde had. Rond de millenniumwisseling bleek deze theorie onhoudbaar. Het duurde een tijdje, maar uiteindelijk begon De Vos te genieten van "de nieuwe chaos", die veertig miljard digitale foto's die er elk jaar genomen worden -- op zijn minst.

De essaybundel Nerveuze pixels is een mooie poging om de implicaties van de digitale fotografie in kaart te brengen. De stukken gaan niet over technologie (alleen zijdelings) maar over de omgang met digitale foto's. De kracht van dit boek zit 'm in het complete beeld dat De Vos van het medium fotografie schetst. Zijn muizenissen over het artistieke en technische aspect, de historische terzijdes, de gedempte namedropping en de passages over hoe iemand foto's ervaart, maken dit zeer prettige lectuur. Ervaring speelt mee; Nerveuze pixels bevat stukjes residu van een leven lang fotograferen en lesgeven aan studenten. De Vos kent bovendien het beroepsfotografenmilieu van binnenuit. Het hoofdstuk over krantenfotografie is daarom een van de beste.

De Vos is een fotograaf die duidelijk ook in taal geïnteresseerd is. Hij schrijft zo mededeelzaam mogelijk, en daarom, meer dan de nerderige specificaties op het doorsnee fotoweblog, is dit aanbevolen lectuur. Beetje jammer is alleen dat elk stuk een thema behandelt, maar dat doet op een iets te vrijblijvende, ordeloze manier. Het is nogal zoeken naar snijdende opmerkingen of duidelijke conclusies. Bij het herlezen heb ik het materiaal herschikt naar eigen behoeften.

Privé versus openbaar
Analoge fotografie dreef voornamelijk op het werk van geoefende fotografen. Tenminste, het deel dat publiek werd vertoond: professionele fotoshoots, krantenfoto's, maar ook het werk van gevorderde amateurfotografen die dia-avonden organiseerden. Een foto onderstreepte de kunde en de glorie van de fotograaf. Hij maakte scherpe beelden, waarin storende elementen werden geweerd, de belichting snor zat, de kadrering functioneel was. De gevorderde amateur toonde trots zijn vakantiefoto's, met daarop landschappen die paradoxaal genoeg niet leken op landschappen, maar vooral op bestaande foto's van landschappen.

De meeste van die kenmerken gaan nog steeds op voor professionele digitale foto's, zoals te zien op tentoonstellingen, in fotoboeken en, vooral, op het internet. "Naarmate foto’s gemaakt worden voor een groter publiek en een langere periode," zegt De Vos, "zijn ze meer aan wetmatigheden gebonden. Ze raken minder de individuele emoties, de foto’s van de intimiteit zijn feller, meer aan tijd gebonden en minder aan regels." De alomtegenwoordigheid van foto's heeft wel een verschuiving van het waardeoordeel veroorzaakt. De kijker is meer dan ooit gewend aan verzorgde professionele beelden. De graad van intimiteit of openbaarheid is de eerste en voornaamste basis geworden waarop we een foto beoordelen. Vaklui en amateurs doen gewoon verschillende dingen en worden verschillend beoordeeld.
Een amateurfotograaf is niet zozeer een liefhebber van de fotografie, hij is meestal de liefhebber van hetgeen hij fotografeert. Voor hem is een mooie foto meer dan een foto die er goed uitziet, of een foto die lijkt op foto’s die in publicaties als mooi omschreven worden. Voor de meeste amateurfotografen is een mooie foto een foto die hun onderwerp aantrekkelijk afbeeldt: zijzelf als jeugdig en sportief, Pluto de hond als wild en met een glimmende vacht, het kleinkind Emma als schattig, het vakantielandschap in de Veluwe als ongerept en het tafereel in Tunesië als exotisch. Amateurfotografen vormen een kleurige meute. Hun foto’s zijn gevarieerd omdat hun verlangens uiteenlopend zijn. Laten we ze niet onderschatten, het zijn specialisten, elk in hun eigen visuele wereld.

[...]

De kijker heeft zich aangepast. Van de professionele fotografie verwacht hij de meest afgewerkte vormgeving en techniek en bij de amateurfoto’s stoort hij zich nauwelijks aan verregaande slordigheid. De schoonheidservaring past zich aan aan de context. Het is niet alleen de belevenis van het zien, het is een totale ervaring, waarbij ook het weten, herkennen en aanvoelen belangrijk zijn. Ook hierbij speelt de verhouding privé versus openbaar een belangrijke rol. De foto uit de directe omgeving wordt op een andere manier beoordeeld en ervaren dan de foto die in de openbaarheid verschijnt. Het potentieel meekijken van de anderen en de algemene normen voor schoonheid spelen dan mee. Bij het persoonlijke is de herkenbaarheid belangrijker.
De Vos houdt hartstochtelijk van deze foto's voor persoonlijk gebruik -- foto's die hoogst belangrijk zijn voor één persoon -- en is verheugd dat de digitale revolutie amateurfotografie meer vrijheid heeft gegeven. Amateurfotografie is veelzijdiger geworden, minder gebonden. Dat is een goede zaak. Het stelt haar beter in staat een noodzakelijk tegengewicht te zijn tegen het gelikte professionele werk. De uitdrukking ‘eeuwige schoonheid’ interesseert De Vos niet. Het is een vlucht in het abstracte, zegt hij. In de zin van: ‘De tijd zal uitwijzen of deze foto belangrijk is of niet.’ De Vos, en daar kan ik me alleen maar bij aansluiten, gelooft in de meer concrete, directe gewaarwordingen. Een foto beroert ons meer of minder, en wat hij later zal teweegbrengen, dat is een probleem voor later.
De ‘goede smaak’ is als een kankergezwel. Goede smaak is openbaar en herkenbaar, ze heeft niet alleen met onze eigen smaak te maken. Het is de smaak van de mensen die het beter weten, of tot de gegoede klasse behoren, of zich voeden met de populaire lifestyle magazines. Mensen met een goede smaak worden beloond. Ze horen erbij. Ze kunnen zich veilig voelen, hun huis en uiterlijk zijn ‘in orde’. Goede smaak heeft te maken met veiligheid, het zich aansluiten bij de grote groep mensen die herkenbare, officieel mooi erkende dingen mooi vindt. Het gebeurt in het verlengde van een ingebouwde drang naar harmonie en rust.
Natuurlijk brengt het digitale tijdperk nadelen met zich mee. Het tactiele van foto's ("vastpakken, meenemen, in een boek steken, vouwen, scheuren, strelen, stapelen, opplakken en inlijsten") is zo goed als verdwenen. Maar daartegenover staat dat de digitale fotosystemen goed zijn voor de privacy. Men kan wissen en opnieuw beginnen, eindeloos experimenteren en vooraf het resultaat beter inschatten via het beeldschermpje aan de achterzijde. Digitale fotografie biedt ook niet te onderschatten technische voordelen. De foto’s op het scherm (een lichtbron) zijn helderder dan foto’s op papier. Tegelijk is het fout te denken dat analoge foto's scherper of onscherper waren dan digitale.
Ze zijn anders scherp of onscherp omdat de elementen waaruit het beeld opgebouwd wordt, anders zijn. Als er meer sensoren zijn in de digitale camera, dan creëert dit toestel daarbij de mogelijkheid tot meer scherpte. Scherpte is een complex gegeven. Enerzijds is het meetbaar. Men kan de scherpte van een beeldsensor meten en ook de scherpte van een objectief bij een bepaald diafragma, maar de scherpte is daarboven nog afhankelijk van tientallen elementen zowel bij de opname als bij de projectie of de afdruk van de foto. Bepaalde onderwerpen kunnen nooit scherp genoeg zijn, andere onderwerpen kunnen beter in een vriendelijk donzigheid blijven. Meer scherpte betekent niet noodzakelijk een betere kwaliteit.
Johan de Vos is heel vaak op internet te vinden. Snuisterend in de portfolio's van vakmensen uiteraard, maar ook vaak botsend op die ene prachtige, ongerepte amateurfoto. Eentje die niet alleen op een van die 14 miljard cd-romschijven is beland die jaarlijks worden gemaakt, maar vanop een website de toevallige bezoeker lumineus aankijkt. Tussen de eenheidsfotografie op het net is veel oorspronkelijkheid te vinden. Vaak niet eens zo bedoeld, al was het maar omdat door de lange sluitertijd van digitale toestellen dergelijke foto's vaak een slordig gekozen moment tonen.
Het net zit vol onzuiverheden, slordig verwaarloosde beelden, flarden die uit hun oorspronkelijke context gegleden zijn. Ze lijken op versuikerde snoepjes, achtergelaten muizenvallen, geneesmiddelen waarvan de houdbaarheid allang verstreken is. De slordige beelden en de vergeetachtigheid geven de surfer de mogelijkheid om complexe en onbegrijpelijke beelden te vinden. Het kan prachtig zijn en zich koppelen aan de verbeelding. Het kan mensen inspireren.
Dat komt omdat we zien niet alleen wat we zien, maar voornamelijk de dingen zien in relatie tot wat we gezien hébben, wat in onze herinnering en genen gedraaid zit. Ook foto’s met weinig pixels en veel onscherpte kunnen ons prikkelen en informeren.



De waarheid is onzichtbaar
Wat dan met het heldendom van de beroepsfotograaf? Johan de Vos ziet bij vaklui vooral hoe ze hun beroep proberen af te schermen. Professionele fotografie moet duur gemaakt worden. Door het beschermen van het eigen circuit (hoeveel amateurfoto's ziet u in uw krant?), het inhuren van voor u en ik onbetaalbare modellen, studio's, decors en belichtingsapparatuur. Professionele fotografie is ook een zaak geworden van computerspecialisten -- zorgvuldig photoshoppen is moeilijk, tijdrovend en dus opnieuw duur. Geen kunst, maar geavanceerde techniek. De ‘normale’ foto en het normale model zijn nu nog slechts de basis voor het serieuze werk.

Tegelijk hebben veel fotografiedocenten op academies weinig ervaring met het digitale beeld. Dus leren ze studenten de dingen waar ze zelf goed in zijn -- analoge fotografie. Dat is een probleem. Met de academisering van het hoger onderwijs (Bologna-akkoord) bemerkt De Vos trouwens dat het fotografieonderwijs theoretischer geworden. Afstuderen doe je na onderzoekswerk op bestaande fotocollecties. Het resultaat is een scriptie. Woorden, geen beelden.

Wat Johan de Vos elders in zijn boek over krantenfotografie zegt is goed raak en heeft me met andere ogen naar kranten doen kijken. Mijn persoonlijke ergernis hield eigenlijk op bij het esthetiserende van de ‘betere’ kranten.
Veel van die foto’s moeten het hebben van symboliek. Ik zag de foto op de voorpagina van premier Yves Leterme net voor zijn ontslag. Hij hield een hand voor zijn ogen. Het leek alsof hij overmand werd door verdriet. Toch ben ik ervan overtuigd dat hij die hand voor zijn ogen hield om niet gestoord te worden tijdens een telefoongesprek.
Maar De Vos gaat verder, tot op het bot. Foto's zijn er niet in de eerste plaats voor de nieuwswaarde, zegt hij, ze zijn er vooral om de krant aantrekkelijk te maken voor zoveel mogelijk potentiële lezers en kopers.
De foto’s en vooral de foto’s op de voorpagina spelen daarbij een belangrijke rol. De redacties hebben artdirectors in dienst die de krant een passend aanschijn geven. Ze shaken psychologie en esthetiek tot een prikkelende cocktail. Ze creëren een ‘format’. De aanblik van de krant moet de lezers van een bepaalde doelgroep verleiden.
Toch gaat het bergaf met de krantenfotografie. "Een eindredacteur zei me eens: ‘We bedrukken naar best vermogen de achterkant van de reclame.’" Fotoredacties van kranten ontvangen steeds meer foto’s -- gemiddeld vijfduizend per dag, hoofdzakelijk geleverd door de pers- en fotoagentschappen waarop de kranten geabonneerd zijn, in mindere mate door de eigen fotografen, en zelden door de lezers. Toch worden er steeds minder gepubliceerd. Het heeft te maken met het format en met het kleinere formaat van de meeste kranten.

Veel geëngageerde fotografen klagen dat hun onbestemde, ondefinieerbare foto's het niet halen, ten faveure van anekdotische foto's die een basale emotie moeten onderstrepen, of van foto's die de allure hebben van een historisch tafereel. Foto’s in kranten zijn meestal vertaalbaar in woorden: zichtbaar verdriet, duidelijke moederliefde. En alle beelden gaan op elkaar lijken, zeker online, waar foto's nauwelijks van elkaar verschillen qua formaat. Fotografen en mensen van het beeld kiezen voor complexe foto’s die niet in woorden te vertalen zijn en moeten het doen met troostprijzen.
Geëngageerde foto’s verschijnen in chique fotoboeken of ze krijgen een prijs of een World Press Photo Award. De prijs is aanleiding om de gelauwerde foto’s gratis in de krant te publiceren. Ze doen het gretig, vaak met melige verhalen erbij. Op dat moment, meestal een jaar na de opname, hebben die foto’s vooral een competitieve waarde. Ik bedoel: ze hebben gewonnen van andere foto’s. Vies is dat.
De Vos kan niet anders dan spreken over het waarheidsgehalte van foto's. Doet digitale fotografie de waarheid meer geweld aan dan analoge? Dat lijkt alvast zo -- we photoshoppen er op los, en digitale camera's zitten vol snufjes die ongevraagd onze foto's oppimpen. En toch. Ook in vroeger tijden werden er analoge films vervaardigd die invloed hadden op de kleuren. Ook vroeger werd er manipulatief omgesprongen met de belichting en de ontwikkelingstijd.

Daarbij komt dat in de tijd dat het vervalsen van foto’s nog riskant en arbeidsintensief was, er volgens De Vos meer schandalen waren dan nu. Het bijwerken van borsten en taille, van een onregelmatige huid, van de vetrolletjes van de Franse president, is peanuts in het licht van de eeuwigheid. Het is kleinschalig, de waarheid wordt hooguit een beetje opgelapt. Zelfs in het artistieke circuit zijn gladde digitale collages betrekkelijk zeldzaam; er wordt meer gewerkt met het recycleren van analoge foto's of bestaande beelden.

Belangrijker, als het om de authenticiteit van foto's gaat, is dat het verschil tussen analoge en digitale fotografie een non-issue is. Een foto is altíjd onwaar, want neemt maar een stuk van de werkelijkheid. Foto's tonen "een reep van het tafereel, een fractie van de tijd, een deel van de scherpte, een stuk uit het helderheid-contract van het onderwerp, het beeld vanuit één oog/objectief, een interpretatie van de kleuren en tinten. En toch laat een foto vaak meer zien dan de werkelijkheid. Dit komt omdat de aandacht gefocust wordt op het beeld binnen deze keuzes en omdat de foto een stilstaand beeld is, zonder klank of geur."
'Waarheid is vooral een woord. Over het verschijnsel kunnen we alvast twee dingen zeggen: het is alomvattend en grotendeels onzichtbaar. Gezien vanuit deze eigenschappen is een foto het slechtst om de waarheid weer te geven. Een foto toont letterlijk het zichtbare en slechts een welomlijnd stuk gedurende een zeer kort moment. Mensen die van een foto in de krant een soort waarheid verwachten, zijn naïef.
Rest De Vos nog na te denken over mooie foto's. Wat is schoonheid? Wanneer zijn foto's mooi? Foto’s houden het midden tussen de herkenbare werkelijkheid en de geabstraheerde vormgeving, klink het, en zo komt het dat we het lijk van een vrouw na een verkeersongeluk [zie foto hierboven] gefotografeerd door de Mexicaan Enrique Metinides toch 'mooi' kunnen vinden.

Vaste parameters over wat een mooie foto is, zijn natuurlijk niet te geven. Het is een tweerichtingsverkeer, zegt De Vos. "De kwaliteit van de foto is afhankelijk van hetgeen hij teweegbrengt bij de kijker. Dat heeft een beetje te maken met de foto en veel met de kijker." In de laatste afdeling van Nerveuze pixels, ‘Elke foto is een uitzondering’, brengt De Vos die theorie in de praktijk en keert hij terug naar de discipline waar hij best in is: het recenseren van -- doorgaans weinig spectaculaire -- foto's. Hij doet dat empathisch als geen ander.

Slotsom: ik lees in Nerveuze pixels uiteindelijk als een poging om de digitale fotografie te laten aansluiten bij De Vos' opvattingen over ongebonden fotograferen, die hij in het prachtige boek Wilde fotografie (1984) ontvouwde. Daarin riep hij de foto-amateur (wat iets anders is dan de amateurfotograaf) op om zich niet te laten knechten door de tradities die fotoclubs en fototijdschriften hun contribuanten opleggen, of zich te verliezen in fototechniek.

In het licht daarvan kan De Vos zich niet anders dan een warme pleitbezorger van de digitale fotografie tonen, zo het medium al pleitbezorgers nodig heeft. Jammer dat zijn boek ontsierd wordt door slap eindredactiewerk ("webblog", "flikr" en handenvol interpunctiefouten).

Onlangs verscheen het boek Ik zie ik zie, waarin de Nederlandse fotocriticus Hans Aarsman naar verluidt iets gelijkaardigs doet. Binnenkort bespreking op Achille.

[afbeelding: Enrique Metinides, Untitled (Primer plano de mujer rubia arrollada e impactada contra un poste, en avenida Chapultepec, Ciudad de Mexico), 1979]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer De Vos op Achille: De allermooiste foto van de wereld

Johan de Vos, Nerveuze pixels : fotografie sinds 1999
174 p.
Uitgeverij Mets en Schilt, 2009

____

donderdag 30 juli 2009

Franz Theodor Csokor

"Franz Theodor Csokor (1881-1969) war ein österreichischer Schriftsteller und Dramatiker. Franz Theodor Csokor gilt als einer der bedeutendsten Dramatiker des Expressionismus in Österreich. Sein erfolgreichstes und auch bekanntestes Stück ist 3. November 1918, das den Untergang der K. u. k. Monarchie behandelt. In vielen Werken spiegelt sich die Beschäftigung des Autors mit der Antike und dem Christentum."

> http://de.wikipedia.org/wiki/Franz_Theodor_Csokor

____

Julian of Norwich

"Julian of Norwich (1342-1416) was considered one of the greatest English mystics. Little is known of her life aside from her writings. Even her name is uncertain, the name "Julian" coming from the Church of St Julian in Norwich, where she was an anchoress (a type of hermit living in a cell attached to the church, engaged in contemplative prayer). At the age of 30, suffering from a severe illness and believing she was on her deathbed, Julian had a series of intense visions of Jesus Christ. She recorded these visions soon after having them, and then again twenty years later in far more theological depth. They are the source of her major work, called Sixteen Revelations of Divine Love (circa 1393). This is believed to be the first book written by a woman in the English language."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Julian_of_Norwich

____

Prudentius

"Aurelius Prudentius Clemens was a Roman Christian poet, born in the Roman province of Tarraconensis (now Northern Spain) in 348. He probably died in Spain, as well, some time after 405, possibly around 413. Prudentius practised law with some success, and was twice provincial governor, perhaps in his native country, before the emperor Theodosius I summoned him to court. (...) The poetry of Prudentius is influenced by early Christian authors, such as Tertullian and St. Ambrose, as well as the Bible and the acts of the martyrs. His hymn 'Da, puer, plectrum' (including "Corde natus ex parentis": "Of the Father's Love Begotten") and the hymn for Epiphany 'O sola magnarum urbium ' ("Earth Has Many a Noble City"), both from the Cathemerinon, are still in use today. The allegorical Psychomachia, however, is his most influential work and became the inspiration and wellspring of medieval allegorical literature."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Prudentius

____

Horatio Alger

"Horatio Alger, Jr. (1832-1899) was a prolific 19th-century American author whose principal output was formulaic juvenile novels that followed the adventures of bootblacks, newsboys, peddlers, buskers, and other impoverished children in their rise from humble backgrounds to lives of respectable middle-class security and comfort. His novels were hugely popular in their day. (...) Many of Alger's works have been described as rags to riches stories, illustrating how down-and-out boys might be able to achieve the American Dream of wealth and success through hard work, courage, determination, and concern for others. This widely held view involves Alger's characters achieving extreme wealth and the subsequent remediation of their "old ghosts." Alger is noted as a significant figure in the history of American cultural and social ideals."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Horatio_Alger,_Jr.

____

Carlo Gozzi

"Carlo, Count Gozzi (1720-1806), was an Italian dramatist. He soon made a reputation for himself as the wittiest member of the Granelleschi society, to which the publication of several satirical pieces had gained him admission. This society, nominally devoted to conviviality and wit, had serious literary aims, and was especially zealous to preserve Tuscan literature from foreign influence."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Carlo_Gozzi

____

woensdag 29 juli 2009

In de tijd van de kleine patatten - Julien van Remoortere

Julien van Remoortere was de eerste non-fictieschrijver die ik las. Ik was negen jaar en legde hele mappen aan met zijn stukjes 'Schooldocumentatie' die verschenen in het al lang opgedoekte tijdschrift Het rijk der vrouw. In de tijd van de kleine patatten bundelt een reeks reportages uit datzelfde blad. Over het leven in België in de eerste helft van de twintigste eeuw. Wat vooraf ging aan de periode uit Het wordt nooit meer als vroeger.

In de tijd van de kleine patatten is een evocatie aan de hand van getuigenissen. Julien van Remoortere ging mensen interviewen die tussen 1900 en 1945 volwassen werden. In het boek worden de beste lappen uit de gesprekken uitgeschreven, aaneengepraat door de auteur. Van Remoortere heeft de spreektaal waar mogelijk niet geredigeerd, wat de levendigheid ten goede komt, maar nogal vermoeiend is voor een goefende lezer.

Hoe zo’n koewachtersdag verliep? Dat is vlug verteld. Opstaan: in de winter om zes uur, in de zomer om vier uur. Je buiten wassen aan de pomp -- als het niet vroor tenminste, want dan had de boer de pomp afgetrokken en dus waste je je niet. Wat eten en met twee koeien het veld in. Die dieren graasden de slootkanten af. Rond halfelf terug naar de boerderij om de koestal uit te mesten. Middageten en tot vier uur meehelpen op het land. Een paar boterhammen opschrokken en opnieuw de koeien wachten tot acht uur ’s avonds, althans in de zomer. Avondeten, dat wil zeggen karnemelkpap plus een boterham, en daarna, om de dag te sluiten, de weiden in om de fonoplaten van de koeien op te rapen. Die koeienvlaaien werden dan in de aalput geworpen; allemaal gratis mest, zie je?
’s Zomers werd er gewerkt tot het donker was, in de winter tot zes uur of halfzeven. En daarna het bed in, want wat moest je anders doen? Op mijn zolderkamertje was trouwens geen verlichting.
Ik verdiende daarmee vijf frank per maand, en die was thuis hard nodig, geloof me.
In de tijd van de kleine patatten werd aangelengd met foto's, liedjes, affiches, dagboekfragmenten, bloemlezingen uit contemporaine kranten, een politiereglement, rantsoenlijsten en uittreksels uit frontblaadjes.

Naar Van Remoorteres eigen zeggen zouden die oude reportages onder het stof zijn blijven liggen, tot hij geconfronteerd werd met een aantal mensen die nogal dweperig terug naar ‘de onthaaste wereld van vroeger’ wilden. De tijd toen de overdadige luxe van nu nog niet de ‘echte’ waarden had verdrongen. Wélke waarden dan, vroeg Van Remoortere zich af.

De zeventigurenweek? Het baren van negentien kinderen van wie er vijf stierven tijdens hun eerste levensjaar, eentje toen het bijna drie was en dan nog twee in de bloei van hun leven? Je wereld zich beperkt tot één enkele straat of in het beste geval een wijk?

[...]

Er wordt vaak beweerd dat de band tussen de mensen in die ‘goeie ouwe tijd’ over het algemeen inniger en sterker was dan nu. Dat is wellicht terecht, maar dat had er waarschijnlijk ook mee te maken dat het een band betrof tussen lotgenoten, tussen mensen van wie het leven getekend was door eenzelfde lot: bikkelhard werken om de vele monden te voeden, zeg maar overleven, in een tijd dat er nog geen sprake was van maatschappelijke zekerheid en opgelegde solidariteit. De ontspanning was miniem, de kansen tot menselijke ontplooiing gering, de kloof tussen arm en rijk bijzonder groot.
Voor de lezer die zich, zoals ik, een solide beeld wil vormen van de halve eeuw Belgische geschiedenis voor de Tweede Wereldoorlog is het boek weinig interessant. Julien van Remoortere brengt de herinneringen van zijn interviewees niet op één noemer terug: de getuigenissen zijn vaak onvoldoende of niet gedateerd, zodat het niet mogelijk is een chronologie of een evolutie te volgen. Van Remoortere zet de interviews niet af tegen de officiële versie in geschiedenisboekjes, checkt de tekst niet op retorische overdrijvingen, gaat niet na in welke mate ervaringen werden bepaald door de maatschappelijke positie van de sprekers of door regionale verschillen.

Dat alles maakt het een heikel karwei om het boek samen te vatten. De gegevens hieronder moet ik daarom strikt anekdotisch noemen. Iedereen moet er zijn eigen weasel words ('vaak', 'meestal') maar bijdenken. Eén aspect miste ik trouwens deerlijk in het boek: de reactie van de mensen op de actualiteit van de dag.

Werk
Er werd ook ijverig gewerkt op zaterdag en ’s avonds werd er regelmatig bijgeklust. Kinderarbeid. Voldoende kleding, maar lang niet de overvloed van tegenwoordig. Eén paar schoenen, voor op zondag om naar de mis te gaan. De overige dagen van de week op klompen. Wie varkens, kippen en konijnen bezat, en een behoorlijk groot stuk land waarop aardappelen en groenten konden geteeld worden, kon zich tot vier maaltijden per dag permitteren. Met z’n drieën in een twijfelaar geslapen, een klein tweepersoonsbed. Wassen: wasgoed afkoken, afschrobben met een borstel en Sunlight-zeep en bruine zeep, spoelen, en twee dagen bleken. Bijverdienen bij de boer, want dat is weer een maaltijd uitgespaard. Vóór de Grooten Oorlog verdienden de werklieden normaal één frank per dag. Een brood kostte vijfenzeventig centiem (het waren wél broden van twee kilo) en een haring vijftien centiem. Soms een kotelet of een vingertop worst. Of speksaus, dobbelsteentjes spek, gebraden met ui in smout. Hoe groter de armoe, hoe meer er gedronken werd door de mannen. Schoolgaan was er niet bij. Bijverdienen: wassen, bij de boer in oogsttijd (weer een maaltijd gespaard), sokken stoppen, bij een hoefsmid, timmermansknecht, melkventer, visser. Kantwerkscholen voor vrouwen. De textielarbeid is de geschiedenis door steeds het minste betaald geweest. Om een paar centen bij te verdienen, brachten de mannen dan nog werk mee van de fabriek: zakken die genaaid moesten worden, en het hele gezin hielp daaraan mee. Werk was bijna slavenwerk.

Thuis
Bedolven onder het ongedierte. Geen eigen toilet, of eentje op de binnenplaats. Dompelaars helemaal geen uitzonderingen, zoals nu. Met vijf gezinnen in een oud, kreupel huis. Kleine huizen. Je deed de voordeur open en je stond meteen in de woonkamer. Een aarden vloer, waarvan elk jaar het bovenste laagje werd afgegraven. Vervolgens werd een nieuwe laag leem aangebracht en beklopt met een voorhamer. Om het fraai te maken bestrooid met fijn, wit zand. Geen badkamers, maar een teil of een gootsteen in de keuken. Ieder gezin beschikte over één relatief grote kamer, waarin het hele huishoudelijke leven zich afspeelde: wassen, koken, eten, kinderen verzorgen, en die kamer diende bovendien als slaapkamer voor de ouders. Op de overloop stond een wankele trap naar de zolder en daar sliepen dan alle kinderen, meisjes en jongens door elkaar, op strozakken of kafzakken. Soms niets eens waterleiding; in de keuken stond een grote, oude pomp bij een zwarte, arduinen gootsteen. Kachels op de benedenverdieping. Geen riolen, geen lopend water. Waterkraan meters van het huis verwijderd. Ook de begoeden verplaatsten zich praktisch niet als het niet echt nodig was. In de woonkamer alleen gas- of petroleumlicht. Buiten geen straatverlichting. De mensen willen dikke kinderen, teken van welstand. Vrijen mocht absoluut niet voor je 21 was. Vader en moeder wilden dat zo, en de kinderen gehoorzaamden. Meestal toch. Om de twee jaar een nieuw jurkje, maar alleen maar aant te trekken om naar de zondagsmis te gaan. Van mode was eigenlijk alleen maar sprake bij rijken en welstellenden. Lange kleren -- voor de benen mocht geen stukje te zien zijn -- grote hoeden, parasols. Rond 1925 zijn de zebrabadpakken al verdwenen, maar vooral de mannenpakken waren nog steeds weinig elegant.

Onderwijs
Zeer autoritaire nonnen en priesters. Meisjes en jongens nooit in dezelfde klas. Er was geen ruimte voor discussie. Kinderen moesten zwijgen en gehoorzamen, en desnoods werd dat met lijfstraffen afgedwongen. Soms verdrongen de leerkrachten, omdat dat van overheidswege werd opgelegd, de moedertaal van de kinderen door Frans. Op zondag begon de mis om halfacht, maar om halftien moest je alweer paraat zijn voor de hoogmis. Het signe, dat op vele scholen werd gebruikt, was een doosje waarin een papiertje stak. Wie Nederlands sprak, kreeg de doos en moest zijn naam op het papiertje schrijven. Die persoon probeerde de doos zo vlug mogelijk weer kwijt te raken door iemand anders te betrappen. In de jaren 1870-1880 was de armoe zó bitter dat zowat een derde van de dorpsbevolking ten einde raad uitweek naar Amerika, dat toen nog gold als het land van belofte. De Eerste Wereldoorlog doorkruiste de universitaire plannen van intellectuelen. Daarna vaak op zichzelf studeren en examen doen voor een middenjury. ("En zo ben ik advocaat geworden zonder een universiteit aan de binnenkant te zien.") Letterlijk alle advocatenkantoren bedienden zich uitsluitend van het Frans. Zeker negentig procent van de vonnissen werd in het Frans geveld, en het sprak vanzelf dat de eenvoudige mensen, de ongeletterden, in praktisch alle gevallen met de mond vol tanden stonden. Veelal huishuur- en strafzaken te behandelen. Er werd in die tijd nogal gevochten en gestolen. ("De drankzucht was een plaag en telkens als sommige kerels boven hun theewater waren, vochten ze dat het kraakte.") Velen konden lezen noch schrijven, laat staan telefoneren. Auto’s op de hoofdwegen per dag konden nog met twee handen geteld worden.

Ontspanning
Kermis, vieringen van heiligen, hoogstzelden jubilea van honderdjarigen. Duivenbonden. Wedstrijden en prijskampen. Toneelkringen. Sint-Maarten. Muziekkorpsen. Zaklopen, mastklimmen, worstenhappen… Volksliedjes. Kinderen: knikkeren. Met poppen spelen. Hinkelen, kaatsen. Het kursaal van Oostende was een plek voor mensen met poen. In het begin van de twintigste eeuw was de kloof tussen rijk en arm enorm diep. Tal van arme kinderen genoten nauwelijks enig onderwijs. De rijken werden vaak in pensionaten gestopt en daar was de voertaal (vanzelfsprekend) Frans, tot de teksten van de aftel- en springliedjes toe. Rond 1900 droegen de jongetjes, net als de meisjes, doorgaans jurkjes. De volksherbergen van toen, de ouderwetse cafés waren niet gezellig aangekleed. Veelal bestond de enige muurversiering uit notariële affiches. Soms had de waardin de vloer bestrooid met wit zand en daar met haar bezem sierlijke krullen in getekend. Tot de normale voorzieningen behoorden de houten of gietijzeren spuwbakken, want in de glorietijd van de pruimtabak werd er nogal wat afgesjiekt. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was televisie nog niet eens een verre droom. Radio was nog lang geen algemeen bezit. Aangewezen op aloude gezelschapsspelen, zoals kaarten. Roddelen en kletsen. De straat was een wezenlijk deel van de leefruimte.



Eten
"In de ‘goeie ouwe tijd’, en zeker tijdens de beide wereldoorlogen, was de zorg voor het dagelijks brood onbetwistbaar de grootste zorg van de kleine mens. Wie normaal kon functioneren en in staat was om op een vaak ongelofelijke manier te improviseren, sloeg er zich uiteindelijk wel doorheen, ook al bleef het bij heel schraal tafelen." Negentien kinderen, vader dagloner, nu eens werk, dan weer niet. Patatten en brood, besmeerd met reuzel. Toespijs: af en toe een stukje worst of soepvlees. Eieren. Soms vis: pladijs en wijting, klein slag. Eten uit één enkele pot, die in het midden van de tafel werd gezet. Tijdens de Tweede Wereldoorlog door de bezetter op rantsoen gezet. "Dat betekende dat je van de belangrijkste levensmiddelen, brandstof en kleding, slechts een beperkte hoeveelheid kon aankopen. Daartoe werden bonnetjes, rantsoenzegels in de volksmond, uitgereikt. Als je bijvoorbeeld een brood wilde kopen, dan moest je, naast het geld dat het brood kostte, ook nog een bonnetje nummer 1 afgeven. Waren je bonnetjes op, dan moest je ofwel wachten tot de volgende maandelijkse bonnetjesbedeling, ofwel duur brood kopen op de zwarte markt." "Een heel populair recept was bierpap. Dat was gewoon havermoutpap, waarin de melk vervangen was door tafelbier en de suiker door de sacharine. Het bruine, snel indikkende papje werd op je bord geschept en gloeiend heet opgelepeld." Eveneens fameus: de oorlogstaarten. De bloem werd vervangen door aardappelpuree (zo droog mogelijk) ofwel wortelpuree, en de schaarse suiker door sacharine natuurlijk. Zelfgekweekte konijnen waren, gestoofd in bruin bier met toevoeging van wat laurier en de gewone kruiden, een lekkernij. Tijdens de oorlog waren ook katten op de duur nergens meer veilig. In de streek rond de Schelde tijdens WOII: grote paardenslachtingen: achtergelaten paarden van zich terugtrekkende Duitsers.

Gezondheid
Gebrek aan geld om een simpel dokters- of apothekersbezoek te kunnen betalen zorgde regelmatig voor schrijnende toestanden. Vele kinderen stierven jong, moeders lieten vaak het leven in het kraambed en soms werden hele gezinnen geveld door een dodelijke ziekte. Kroepepidemie. Waar de kindjes vandaan komen wist men soms niet voor hun vijftiende, zestiende. "De domsten zelfs nog niet toen ze trouwden." De vrouwen bevielen allemaal thuis. "De kroost werd naar de zolder gejaagd en de vroedvrouw sloot het valluik dat de zolder afsloot heel zorgvuldig. Zuigkindjes kregen de borst, maar zodra het ook maar enigszins mogelijk was, werden ze gespeend en aten ze gewoon de dagelijkse kost plus, in veel gevallen, broodpap, dus in water geweekte broodkorsten, bestrooid met een beetje suiker." Dokters alleen in gevallen dat het niet anders kon. Wie verkouden was, kreeg een vel bruin papier op zijn borst gelegd. Dat papier was vooraf bedrupt met kaarsvet en bestrooid met geraspte muskaatnoot. Alle vallingen moesten daarmee maar genezen. Als de hoest te hardnekkig was, kon het gebeuren dat er een fles van de apotheker werd bijgehaald. Dat was dan het summum. Tanden werden zelf uitgerukt met een fijn touw aan de deurkruk, de pijn weggespoeld met jenever. Kindersterfte: het verdriet was even groot, maar veel tijd om erbij stil te staan was er niet. De apotheker bereidde of stelde zelf alle medicamenten samen. Voor mensen die helemaal geen geneesmiddelen kenden, waren er voor de gewoone kwaaltjes maar drie medicamenten: purgeermiddelen, galpilletjes en zenuwpoeders (die ongeveer dezelfde samenstelling hadden als de huidige aspirine). Grootste en moeilijkste deel van de universitaire stof (apotheker) werd uitsluitend in het Frans gedoceerd. Ook al in die tijd buisde de helft van de hoogstudenten. Kinderen die voor een cent (twee centiemen) een levende meikever opaten en die dan hun zuurverdiende centjes gingen verdoen in de snoepwinkel. Plattelandsdokters die uit hun bedden werden gehaald.

(Bij)geloof
"In het eerste kwart van de twintigste eeuw was het geloof bij heel veel Vlaamse mensen de onderstroom van het leven. De hoop op een beter leven na dit bikkelharde bestaan, een beloning na zoveel zwoegen, het weerzien van geliefden die al te vroeg gestorven waren, de ultieme rechtvaardigheid. Maar al te vaak was het een drukmiddel om de gewone mens klein en onwetend te houden, de eenvoudige dorpspastoor die van de mensen incluis." Ieder jaar bezocht meneer pastoor alle gezinnen om de Sint-Pieterspenning te innen. Dat was zogezegd het nieuwjaarscadeau voor de paus van Rome. Bijna niemand weigerde, hoe weinig de mensen ook bezaten. Het grote mensenleven bleef al te lang gesloten voor opgroeiende kinderen. Als je aan de leeftijd toe was, mocht je wel uit vrijen gaan, maar dan onder streng toezicht. Er werd je nooit iets verklaard, je zag niets, niemand vertelde je over de zogenaamde dingen des levens, je werd gewoon dom gehouden. Zéker de meisjes. Er waren toen heel veel jonge vrouwen die van toeten noch blazen wisten toen ze trouwden. "Een aantal arme mensen vroeg niet beter dan dat een van hun dochters zou intreden. Een beetje roeping kon al volstaan. Op slag was het broodje van dochterlief gebakken: ze had onderdak, eten, drinken en kleding. Was ze bovendien nog verstandig, dan kreeg ze de kans om gratis, zonder dat het de ouders iets kostte, te gaan studeren aan de normaalschool. Er waren priesters die echte rekruteurs waren: met alle mogelijke middelen stimuleerden ze roepingen. Later kwam de weerslag: de kloosterlingen, althans de halve roepingen, zijn bij bosjes weggelopen uit het klooster." Vóór het enkelvoudig algemeen stemrecht dat met de grondwetsherziening van 1919 werd ingevoerd, was alle politieke macht in handen van degenen die mochten kiezen, met andere woorden: de rijken, de geleerden, de bezittende klasse. De kerken zaten stampvol. Op feestdagen werd niet bespaard op wierook. De Tweede Wereldoorlog was een vruchtbare tijd voor de opbloei van de volksdevotie.

De Grooten Oorlog
Veel mensen die de Eerste Wereldoorlog als wreder ervaren dan de Tweede. Veel mannen uit het eigen dorp aan het IJzerfront. Het systeem van de militieloting (cf. Napoleon) in zwang tot 1909. Kapitaalkrachtigen hadden voldoende geld om arme sukkelaars in te kopen. Ze mochten namelijk tegen betaling van een bepaalde som een vervanger zoeken die in hun plaats legerdienst zou doen. Vlaggen op historische monumenten om ze, volgens de konventie van Genève, tegen beschieting te vrijwaren. Ingekwartierde Duitsers. Eerste job aan het front: het wegdragen van doden. Kruipen en sjouwen door de modder, opengescheurde aarde en stukgeschoten loopgrachten. Die grachten boven zich boven de grond, want anders liep de put binnen de kortste keren vol water. Soms wekenlang werkloos wegens gestaakte gevechten (te veel water tussen de linies). Nederland was niet betrokken bij het oorlogsgebeuren van 14-18. De Nederlanders bleven neutraal en dat hield onder andere in dat Belgische soldaten, die om de een of andere reden, bijvoorbeeld desertie of vlucht, Nederland binnenkwamen, werden geïnterneerd, vastgehouden in kampen tot na het beëindigen van de strijd. De frontsoldaten in de Grooten Oorlog haakten naar nieuws van thuis; de frontblaadjes voorzagen in die nood. Het waren druksels op bescheiden formaat, op papier van niet te hoge kwaliteit, maar met nieuws van thuis, van vrienden en bekenden en hier en daar een ‘culturele’ bijdrage. De Duitsers bouwden een elektrische draadversperring langsheen de Nederlandse grens.

De Tweede Wereldoorlog
De meeste teksten in dit hoofdstuk zijn een verslag van Van Remoorteres jeugd tijdens de oorlog; "een kwajongen van tien" toen die begon. "In mei 1940, bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, was de geruchtenstroom eenvoudigweg niet in te dijken. Eén gerucht bleek hardnekkiger dan alle andere: vluchtelingen vertelden dat de Duitsers alle mannen tussen achttien en vijfenveertig doodschoten. In onze straat waren er al die hun biezen pakten en sniffend afscheid namen van vrouw en kinderen, hun fietsen afgeladen met een deel van de gehamsterde voorraden." Het verkopen van Souvenirs from Belgium aan Amerikaanse soldaten die in Top Hat, het tentenkamp op de Antwerpse linkeroever, zaten te wachten om in Liberty-schepen terug te keren naar hun land van herkomst.

Als dit boek mij een ding doet begrijpen, is het waarom Vlaanderen zo weinig gereputeerde schrijvers kent uit dit tijdsvak. Overleven was al moeilijk genoeg in deze doffe omstandigheden. Ineens besef ik ook hoe jong mijn ouders zijn, hoewel inmiddels dappere zestigers (geboren in 1949 en 1950). Ze hebben ze nooit de ontberingen van de oorlog meegemaakt en dit boek blijkt de Tweede Wereldoorlog een nauwelijks te onderschatten demarcatielijn.

[afbeelding: Het huwelijk van Marie Bonnast uit Meerbeek en van rijkswachter Frans Romeyssens (1919), via]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> eerder verschenen in deze vormgeving: Bij ons in 't dorp en Met Madame aan zee

Julien van Remoortere, In de tijd van de kleine patatten
Vlaanderen 1900 tot 1945
240 p.
Uitgeverij Van Halewyck, 2007
____

dinsdag 28 juli 2009

Wie kan het paradijs weerstaan - Michaël Zeeman en Abdelkader Benali

Jaren geleden heb ik me zitten afvragen hoe men de elektronische correspondentie van schrijvers zou uitgeven. Kan u zich een dik boek voorstellen met de Verzamelde e-mails van die of die? Welnu, Wie kan het paradijs weerstaan brengt het antwoord. E-mails worden gewoon brieven genoemd, en verder geen gezeur. Zeeman en Benali zijn twee publicisten die me niets zeggen, maar het zijn allebei gepassioneerde lezers. Dat moest wel vonken geven. En toch.

Ik had de betreurde Michaël Zeeman (1958-2009) nog vele decennia lezersschap gegund. Op je vijftigste heengaan is pijnlijk vroeg voor een boekengek. Tegelijk vond ik Zeemans enorme reputatie bepaald mysterieus. Goed, de man beschikte over een brede en diepe belezenheid, maar als ik de reacties van vrienden en verwanten lees, kwam die wellicht het best tot uiting in vertrouwelijke gesprekken.

Ik althans heb Zeeman met boeken nooit meer dan een middelmatig televisieprogramma gevonden. Het leek heel wat, al dat praten met ijzige ernst, maar ik geef het je op een blaadje: elk doorsnee essay zal meer stof bevatten dan de transcriptie van die gesprekken in dat unheimlich zwarte decor. Ook Zeemans recensies waren zelden spectaculair goed geschreven of spectaculair goed bedacht. Als Zeeman dan toch zo'n cultuurpaus was, hoe komt het dan dat bij leven nooit iets van zijn journalistieke werk werd gepubliceerd in boekvorm?

Romeinse brieven is de ondertitel van deze correspondentie. Romeins: Zeeman was correspondent voor de Volkskrant in Rome; Abdelkader Benali had een Italiaanse vlam en was daarom ook vaak onder de zuiderzon te vinden. Rome is overigens de opvallende afwezige in deze briefwisseling. Beide schrijvers lijken Italië vooral als veilige uitkijkpost te hebben gekozen om zich te beklagen over hun thuisland, en de bijbehorende intelligentsia. Dat wordt een beetje goed gemaakt door het grote contingent Italiaanse schrijvers dat langskomt.

Het tweetal vindt elkaar in het gefoeter op de luiheid van de mensen in het Nederlandse literaire circuit. "De wereld staat in brand, er verschijnen onophoudelijk opwindende boeken en ideeën binnen de horizon -- en Nederland wentelt zich in het babbelen over een amourette tussen een uitgever en diens hoofdredactrice en de demonstratie van wansmaak van een politica, een mislukte presentator en een failliete omroep. Ergste van al was NRC Roddelblad, dat er meteen een relletje uit probeerde te fabrieken," staat er bijvoorbeeld.

Maar nogal symptomatisch voor beide heren is dat die luiheid bekampt wordt met al even grote achterklap. Vooral de eeuwig miskende Zeeman is daar goed in. Ik zal het rijtje literatoren dat in dit brievenboek voor de bijl gaat niet uitschrijven. Rancune is een belangrijke motor in zijn schrijverij, al zal hij dat niet met zoveel woorden toegeven. Op 19 februari 2004, even voor middernacht, tekent hij aan:

Jaren geleden werd mij eens in een programma gevraagd waarom ik nooit reageer op al die laster die er over mij wordt verspreid. ‘Als de leeuw terugkeert van de jacht,’ antwoordde ik toen, ‘is hij moe. Hij begeeft zich te ruste in zijn legerstee. De hyena’s ruiken het bloed dat nog in zijn manen hangt. Ze naderen, bij het vallen van de avond, de slaapplaats van de leeuw soms wel tot honderd, ja, tot vijftig meter. Ze janken dat het een aard heeft, maar de leeuw slaapt rustig door. Richt de leeuw echter één keer zijn kop op, de hyena’s vluchten als bezetenen tot achter de horizon en niemand kent hun plaats meer. De leeuw, ondertussen, heeft goed gegeten en slaapt rustig.’ Een kleine voorraad schriftuurlijke metaforiek helpt altijd, al was het maar ter bescherming van je eigen goede humeur.
Dat Zeeman nu in alle in memoriams en krantenberichten consequent 'journalist' wordt genoemd, zou hem pijn gedaan hebben. 'Intellectueel' had natuurlijk gemoeten, of 'homme de lettres'. Toch is het raar dat er in de correspondentie tussen twee intellectuelen zo weinig uitgewerkte ideeën (tot nader order de stof waar intellectuelen uit gemaakt zijn) staan. In wezen zijn dit pronkbrieven, waarin door beide heren hoog wordt opgegeven over hun koortsachtige lectuur, waarin veel boeken kort worden getypeerd, en nog meer namen van schrijvers worden genoemd.
De ochtend na ons als vanouds voortreffelijke diner ben ik maar eens voor de kast Russische literatuur in mijn woonkamer gaan staan. Daar staan zo’n vijfhonderd boeken in: oorspronkelijke werken en biografieën en commentaren.
Maar zelden nemen deze brieven dus een essayistische vlucht. Wie kan het paradijs weerstaan is, net als het boek van Meijsing en Freriks, niet de schriftelijke neerslag van een vriendschap, maar een rollenspel, waarin beide acteurs elkaar met monologen stimuleren. Zeeman vindt in de jeugdige Benali een belangrijk klankbord voor zijn fascinaties, Benali is de leergierige leerling die zichtbaar zijn best doet om gelijke tred te houden, daar niet in slaagt, maar één ding voor heeft op Zeeman: hij werkt wél aan een literair oeuvre van enige importantie.
Mijn boek vordert traag maar gestaag, het is eigenlijk net een lange bootreis met bestemming Indië om uiteindelijk Amerika te ontdekken. Je gooit de trossen los, je bent goed voorbereid, je hebt genoeg proviand aan boord, je rekent op storm, je laat het kraaiennest bemannen door een gebochelde, dan raak je van je koers, je wanhoopt, je ziet nieuwe horizonten, je maakt een tussenstop, verlegt je koers, verdwaalt, doorstaat noodweer, verliest wat hout om uiteindelijik ergens aan te komen waar de eerste de beste persoon die je de hand wilt schudden geen moment aarzelt en je met haar en huid opeet. Ik zal je tegen de tijd dat ik vind dat het goed genoeg is om deukjes in de grote wereld op te lopen met alle plezier het document opsturen.
In mijn notities bij dit boek vind ik nog een paar bon mots ("Verzin, vind uit, maar laat het al bekende niet doorgaan voor eruditie" en "Ik ken geen mislukte relaties: ze bleken alleen eindig te zijn.") en voor de rest veel trivia. Het waren Zeeman en Benali die me voor het eerst attent maakten op de verhalen van Somerset Maugham ("Wat een technicus, die man!"). Ik leerde Hanser kennen, "de mooiste Duitse uitgeverij, nog mooier dan Suhrkamp", en een paar boekhandels in New York, zoals Argosy.

Tot slot twee aardige snippers.

[Abdelkader Benali op 30 september 2003]

Dag Michaelovic,

Dat was een aangenaam samenzijn. Je bent een combinatie van een onemanshow, en librettist van je eigen leven, voeg er wat roddel en gepeperde achterklap bij en je bent denk ik juist gekarakteriseerd. Ik vertelde je over de schrijver C.D. Andriesse, zijn boek heet De opstand, en is bij Contact uitgekomen. Het verhaal moet je aanspreken want het gaat om de achttiende-eeuwer Gads Coopmans die aan de universiteit van Franeker studeert. Hij eindigt na omzwervingen, veroorzaakt door de Pruisische inval, in Denemarken. Een Verlichtingsman in hart en nieren, hij trekt zich terug op het eiland Oe (een O met een Deens satéstokje erdoorheen). Zo ver ben ik nog niet in het boek dat ik je meteen kan vertellen wat ik er echt van vind, maar de vermenging van feit en fictie vind ik niet slecht gedaan.
Ik hoorde net van Hubert Smeets dat het stuk deze week in De Groene Amsterdammer staat, en vrijdag twee stukken in de NRC; ik heb inmiddels ook gevraagd wat ik nu precies vang voor dit getik, want het moet natuurlijk nog wel om kapitalistische waarden gaan. Voor de rest ben ik heel gelukkig met hoe de zaken er nu voorstaan.
Ik stuur je een dichtbundel (moet je op 1 november in Olanda zijn, dan kan ik je die zelfs persoonlijk geven), zodat je er voor jezelf een oordeel over kunt vormen. Wat je vertelde over die domineescultuur (in elk huis een Tenach en de bijbel in het origineel) vond ik interessant. Hoe heette de auteur, Bosch? Dan ga ik eens achter dat boek aan.
En omdat ik het gesprek met jou over Edward Saïd waardevol vond, stuur ik je de regels toe die ik ter nagedachtenis heb geschreven. Ik denk dat je het zult waarderen.
Dat voor dit moment.


[Michaël Zeeman op 19 februari 2004]

Beste Abdel,

Van wielrennen weet ik niks -- en begrijp me goed: ik ben daar niet trots op. Maar het is ermee als met de plezierit op het IJsselmeer: een deel van mijn voorgeslacht was visser. Vanaf het eiland Marken voeren ze, eeuwenlang, met onooglijke en levensgevaarlijke bootjes de zee op. De Zuiderzee, toen, maar ook wel verder, voorbij Texel en Vlieland, het ware zeegat uit, de Noordzee op. Jongens van het eiland gingen als ze nog zeer jong waren met hun vaders mee om, als ze niet overboord sloegen en verdronken, vechtend met de elementen hun karige brood te verdienen. Waren ze een jaar of veertien, vijftien, dan werden ze naar de logger gestuurd, soms zelfs naar de grote vaart. Ik kan me, omdat ik als kind de levende herinnering van mensen aan die harde, bittere en armoedige tijden heb gehoord, er nooit toe zetten voor de lol in zo’n omgebouwd scheepje te gaan zitten en de zee op te gaan. Ik vind dat spotten. Op de bodem rusten de skeletten van mijn voorouders en hun verwanten.
Mijn vader was een dominee, die vaak in kleine dorpen stond (zo heet dat, als een dominee ergens is aangesteld: hij ‘staat’ ergens. Er bestond een grapje onder dominees, dat behelsde dat militairen het een stuk makkelijker hebben. Die ‘liggen’ namelijk ergens. Tja, het waren sombere tijden). Dat bracht met zich mee dat ik mijn hele jeugd per fiets naar school ben gegaan, soms tien, soms vijftien kilometer heen en dito terug. Met je lijf vol verdovende middelen zogenaamd voor je lol een beetje hard gaan fietsen om uiteindelijk terug te keren waar je vertrokken bent -- dat is immers het idee van, bijvoorbeeld, de Tour de France -- maakt op mij een even misselijke indruk. Ik voel mij achteraf voor gek gezet.

(Gebaseerd op notities van 25 november 2006.)

> bibliografie in de commentaren hieronder
> meer Benali op Achille: De eeuwigheidskunstenaar

Michaël Zeeman en Abdelkader Benali, Wie kan het paradijs weerstaan
Romeinse brieven

236 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2006

____

maandag 27 juli 2009

Het wordt nooit meer als vroeger - Marc Hooghe

De Vlaamse politicoloog en socioloog Marc Hooghe (KULeuven) bekeek waarin het België van kort na de Tweede Wereldoorlog verschilde met het België van een halve eeuw later. In Het wordt nooit meer als vroeger maakt hij de balans op. Hij doet dat vanuit ruim sociologisch oogpunt; het zijn niet de spectaculaire feitelijkheden die hem interesseren, maar de tendenzen. En wat blijkt? Vroeger was niet noodzakelijk beter of slechter. Vroeger was vooral ánders.

Voor wie met een idyllisch beeld van het verleden zit, haalt Marc Hooghe de Nederlandse historicus Jacob Presser aan: "De beste genezing voor een sentimentele liefde is nog altoos de kennis van dat verleden." Hij memoreert dat de levensomstandigheden van vorige generaties altijd onzeker waren: de mensen waren overgeleverd aan natuurrampen, epidemieën en hongersnoden. Ook wat Hooghe ziet als het belangrijkste kenmerk van de oude samenleving die achter ons ligt, de geslotenheid, de dorpsmentaliteit, moet niet zomaar als iets positiefs worden gezien.

We hebben het over het algemeen genomen veel beter dan vroeger, blijkt uit dit boekje. Tegelijk wil Hooghe ageren tegen de westerse zelfgenoegzaamheid en wat hij noemt "het sprookje van de voltooide samenleving". Met politieke tirannie hebben we allang niet meer te maken, alleen wordt het bevel van vroeger vervangen door een ander dictaat: dat van het consumentisme, dat ons niet meer bestookt met bevelen, maar met verleidelijke prikkels. En vergis u niet: nog altijd wordt een grote massa van arbeiders uitgebuit door een kleine elite van kapitaalbezitters.

Het verschil is echter dat heel het Belgische volk nu tot die kleine elite behoort; de dompelaars wonen in de derde wereld.
Dit soort pittige zinnetjes miste ik elders een beetje in Het wordt niet meer als vroeger. Het is een onpersoonlijk en monotoon werkje, geschreven op de toon van iemand die alle conclusies voor zichzelf op een rijtje zet.

Maar de grootste teleurstelling bestond er voor mij in dat Hooghe België te weinig afzet tegen andere Europese landen. Nergens wordt duidelijk wat typisch Belgisch zou kunnen zijn aan sommige ontwikkelingen. Het boekje leest niet als een exclusief portret van mijn vaderland, wat in de ondertitel toch wordt beloofd. De meeste conclusies van Het wordt nooit meer als vroeger lijken toepasbaar op elk West-Europees land. Of misschien is dat een veelbetekenende conclusie op zich.

Op één punt is het boekje volkomen gedateerd: internet was in 1995 nog een zeer marginaal medium, waar niemand conclusies aan vastknoopte.

Hieronder een samenvatting van de zeven ontwikkelingen die Hooghe ziet sinds 1945. Mijn samenvatting, bedoeld voor eigen gebruik, is een opeenstapeling van (voor het merendeel) letterlijke zinnetjes uit het boek.

Er zijn geen afstanden meer
De wereld is een stuk kleiner geworden door transportmiddelen en telecommunicatie. We hebben ons ontworsteld aan natuurlijke beperkingen: dat was een emancipatieproces maar bracht ook een gevoel van ontworteling met zich mee. De invoering van het betaald verlof in 1936 (6 hele dagen per jaar!) bracht een eerste bescheiden reisgolf met zich mee. Explosie van de mobiliteit na WOII. Metrotunnels in de jaren zeventig: men wou de trams weg, zodat het autoverkeer vrij baan kreeg. Vanaf jaren zeventig kentering in het geloof in de automobiel: veiligheidsbeperkingen, waaronder een strenger rijbewijs. Vanaf de jaren tachtig begint men hier en daar de auto terug te dringen. Wie werkt kan nu door de auto nu ook in uithoeken van het land wonen: uren tijdverlies in de files. CIAM-ideologie: de verstrengeling van functies (winkels, bedrijven, woning) wordt uiteengerukt: de industrie wordt verbannen naar industriezones, de mensen trekken naar voorsteden, winkels bezetten reusachtige oppervlakten nabij de ringwegen. De auto wordt een onmiskenbaar instrument om die afstanden te overbruggen. Dat leidt tot een geheel van dode, monofunctionele zones, waaruit elk leven verdwenen is. Binnen een gesloten gemeenschap vroeger hanteerde men vooral een ‘toegeschreven status’: mensen hadden al een idee over je klaar, omdat ze wisten uit welke familie je kwam. Nu, door het opengooien van de dorpen, wordt de ‘verworven status’ belangrijker: beroep, grootte van je villa, type wagen. Een oudere vorm van uitsluiting, gebaseerd op traditie, maakt plaats voor een nieuwe vorm, gebaseerd op materiële consumptie. Identiteit moet zichtbaar gemaakt worden. Mondialisering van de economie, maar in werkelijkheid beperkt die zich tot drie eilanden: West-Europa, de VS en de nieuwe industriële landen in Azië. De nationale overheid kan nauwelijks nog een economisch beleid voeren.

We zijn lawaaieriger geworden
Een van de minst opgemerkte sociale veranderingen van de afgelopen decennia is wel het verdwijnen van de stilte uit onze samenleving. Industriezones, autowegen, vliegvelden en spoorwegen. Overal storende invloed van de verlichting van de wegen, industriecentra en grote agglomeraties. Opkomst van de massamedia. Elektronisch versterkte klank was kort na de oorlog nog een zeldzaamheid; niet iedereen had een radio en het vermogen van platenspelers was beperkt. Bijna elk geluid dat de mensen toen hoorden, kwam rechtstreeks van de geluidsproducent zelf. Nu is dat volledig omgedraaid: tv’s, video’s, omroepsystemen, muzak, discotheken, gettoblasters, mobilofoons, synthesizers. Verhouding tussen media en politiek: het is niet zo dat de politiek op onafhankelijke wijze functioneert en dat de media moeite moeten doen daarover te rapporteren. Het is veeleer zo dat de politici voortdurend de pers opvrijen. Positieve evolutie: vroeger waren de kranten onverholen verzuild en subjectief. Politici mogen niet alleen steeds minder zeggen van de media (soundbites), ook de onderwerpen waarover ze iets mogen zeggen, zijn geëvolueerd. Aanbod van de massamedia in de laatste decennia geëxplodeerd. Dat betekent niet noodzakelijk een ruimere keus in het aanbod. De commerciële media draaien niet rond cultuur, maar zijn vooral een grootschalige mensenhandel. Global village zeer beperkt: Latijns-Amerika, Afrika, Oceanië, en flinke stukken van Azië halen zelden of nooit de internationale headlines. De grote internationale persagentschappen bevinden zich alleen in de ‘beschaafde’ steden. Massamedia beperken zich tot feitjes, die als los zand aan elkaar hangen. Paradoxale van de global village: de wereld is kleiner geworden, maar de toeschouwers luier, en minder betrokken. De term massacommunicatie is eigenlijk foutief, want meestal eenrichtingsverkeer. Terwijl ‘homosociale arrangementen’ meer en meer verdwijnen, hebben vrouwen en mannen nog niet echt geleerd met elkaar te praten.

We zijn sceptischer geworden
Vroeger: verzuiling, netwerken. De katholieke identiteit bleef bewaard door de gelovigen te isoleren van de corrumperende invloed van de boze buitenwereld. De verzuilde instellingen bestaan nog altijd en zijn nog even machtig als vroeger, maar hun fundamentele bestaansreden is wel verdwenen. Velen hebben op het pluralisme gereageerd met relativisme. Zee van feitjes, zonder maatstaf. Op beperkte deelgebieden van de maatschappij heeft de rationaliteit terrein geworden, maar dat betekent niet dat de maatschappij als geheel rationeler is geworden. Rawls: De notie ‘rechtvaardigheid’ slaat alleen op de spelregels van het maatschappelijk verkeer: mensen moet gelijke kansen krijgen, mogen niet gediscrimineerd worden en moeten genieten van de fundamentele rechten en vrijheden. Als die voorwaarden vervuld zijn, is een maatschappij ‘rechtvaardig’, maar daarom is ze nog lang niet ‘goed’. Alisdair MacIntyre: krachtige kritiek op het postmodernisme. Weber: als we de rationeel-wetenschappelijke methode ook willen gebruiken voor onze levensbeschouwelijke keuzes, blijft er alleen morele leegte over; de wereld heeft dan alle betovering verloren en de mens wordt een wandelende automaat. Identiteit is minder onherroepelijk. Engagement wordt beperkt in de tijd: mensen geloven nog vurig in hun zaak, maar ze zijn niet langer bereid er hun hele leven aan op te offeren. Een goede kiescampagne en de persoonlijkheid van de kandidaten worden steeds belangrijker in de politiek. Rorty: je kan relativeren zonder sceptisch te worden en ironie betekent niet noodzakelijk dat het geloof in solidariteit uitgehold wordt, ethische waarden zijn niet onomstotelijk maar wel waardevol. Zygmunt Bauman: het consumentisme is uitgegroeid tot een moderne religie. John Clammer: "Shopping is not merely the acquisition of things: it is the buying of identity." Commerciële jeugdcultuur.



We hebben ons ontdaan van tradities
Alle culturen, behalve de onze, hechten veel belang aan traditie. Deskundigen houden zich enkel met hun eigen vakje bezig. De traditie verdwijnt ook omdat de objectieve omstandigheden waarin ze wortelde (armoede en de daaruit voortspruitende solidariteit) niet meer bestaan. We zijn zo rijk geworden, dat we niets of niemand meer nodig hebben. De drie grote systemen die volgens Habermas de wereld beheersen: godsdienst, staat en kapitaal. Ook onze meest intieme arrangementen zijn onderworpen aan die logica van staat en kapitaal. Voorbeeld: vroeger werd de zorg voor de ouderen uitgeoefend door leden van de familie, nu hebben we bejaardeninstellingen, ziekenhuizen, dokters en ziekefondsen. Nog een voorbeeld: wie zich overwerkt voelt, gaat niet minder werken, maar koopt een vakantie of een pijnstiller. Veel tradities konden vroeger bestaan door de beschikbaarheid van onbetaalde arbeid door huisvrouwen. Ook in 1966 gebruikte 80 procent van de seksueel actieve bevolking al anticonceptie. Door het onderzoek van mensen als Kinsey, Masters en Johnson is duidelijk geworden dat de vroegere vooroordelen over homoseksualiteit niet houdbaar zijn. De democratie (Verlichting) is beperkt gebleven tot de politieke sfeer, niet tot de economische sfeer. Anoniem grootkapitaal hoeft nauwelijks nog aan iemand verantwoording af te leggen. Het politieke establishment houdt slechts in zeer beperkte mate met de verzuchtingen van nieuwe sociale bewegingen (vredesbeweging, derdewereldbeweging, vrouwenbeweging, milieubeweging).

We zijn rijker geworden
Een economische crisis betekent dat de economie niet zo sterk groeit als men zou willen. We hoeven steeds minder uit te geven voor onze basisbehoeften. De personenwagen is de grootste slokop van het gezinsbudget. De uitgaven voor buitenlandse vakanties zijn verzevenvoudigd. De meerderheid van de bevolking woont in een eigen huis, wat kort na de oorlog, voor het in werking treden van de wet-De Taeye, nog een uitzondering was. Door de betere voeding en de betere levensomstandigheden leven we langer. De betere voeding heeft ook als resultaat dat meisjes steeds vroeger menstrueren. We verdienen meer geld, en op een andere manier: niet meer in de landbouw of de industrie, maar in de tertiare sector -- de handel en de diensten. Al dan niet tot de arbeidersklasse behoren heeft nog weinig met inkomen te maken. De vroegere scheidslijnen (arbeid vs. kapitaal) zijn blijven bestaan maar de werkende bevolking maakt er zich minder druk om. De economie heeft geen producenten meer nodig, maar consumenten. Zoals de Franse socioloog Alain Touraine het uitdrukt: "De manipulatie van de consument is tegenwoordig even noodzakelijk als destijds de onderdrukking van de arbeider." De instellingen die nog altijd zweren bij het bevel (ambtenarij, onderwijs) verkeren meestal in moeilijkheden. De welvaart die we kennen is historisch ongeëvenaard. Nooit heeft zo’n grote groep mensen het zo lange tijd zo goed gehad. De Tweede Wereldoorlog fungeert hier duidelijk als breuklijn.

We zijn beter opgeleid
Kort na de oorlog had driekwart van de bevolking niet veel meer dan lager onderwijs genoten. Nu is dat nog maar ruim een derde. Bijna overal zie je dat meer scholing samengaat met een verminderend belang van de godsdienst. Meer scholing leidt tot een sterke betrokkenheid bij het politiek gebeuren, tot meer aandacht voor de media, en tot een grotere mobiliteit. Nog nooit werd de Belgische bevolking zo goed opgeleid. Evolutie van elite-onderwijs naar massa-onderwijs. Het politiek bedrijf moet zich veel sterker dan vroeger legitimeren bij de bevolking. De elite is groter geworden, maar daardoor ontstaat een nieuw soort duale samenleving: als slechts een relatief klein percentage het zonder middelbaar diploma moet rooien, komen zij nooit meer aan de bak. Onderwijs is niet bij machte een volledige democratisering van de maatschappij door te voeren: voor een flink stuk bestendigt het de bestaande ongelijkheden. Het onderwijs is er mee verantwoordelijk voor dat kinderen uit een kansarm gezien later opnieuw in de kansarmoede terechtkomen. Academisch proletariaat: een groep met een groot ‘cultureel kapitaal’, maar laag ‘economisch kapitaal’. De intellectuele elite maakt niet langer automatisch deel uit van de maatschappelijke elite. Ook vroeger was er het aanbod aan ontspanningscultuur, die met het onderwijs om de aandacht van de kinderen wedijverde. Maar het duidelijke concurrentievoordeel -- de school was belangrijk -- is weggevallen. Duik van de leerkracht van de maatschappelijke ladder. Het onderwijs is herleid tot het bijbrengen van vaardigheden die van pas komen bij de latere beroepsloopbaan.

We gaan niet meer naar de kerk
Kort na de Tweede Wereldoorlog ging nog 70 procent van de Vlamingen wekelijks ter kerke. De teloorgang van de kerk heeft echter niet geleid tot een evenredige groei van de vrijzinnigheid; het aandeel van de vrijzinnigheid blijft beperkt tot 10 procent. De meerderheid van de bevolking blijft zich ‘christelijk’ noemen. Het overgrote deel van de mensen die kerks zijn, blijft ook kerks. Maar de nieuwe generaties komen totaal niet meer in de kerk opdagen. Wel behoorlijke cijfers bij de rites de passages: doop, huwelijk, katholieke begrafenis. De kerkelijke rituelen zijn al eeuwenoud, waardoor ze vanzelf een zekere sacraliteit krijgen. Bovendien is het aanbod van alternatieve rituelen aan de magere kant. Het centraal ontmoetingspunt is slechts gedeeltelijk overgenomen door het café, het terras en de supermarkt. De encycliek Humanae Vitae (Paulus VI) betekende in 1968 voor veel gelovigen de breuk met Rome (abortus, anticonceptie). Secularisering binnen de kerk: nuchterder en wetenschappelijker geloofsinhoud. Het katholieke karakter van universiteiten van ondergeschikt belang. De encycliek Veritatis Splendor (Johannes Paulus II, 1993) stipuleert dat de waarheid bestaat, en dat de moraal absoluut is. Breuklijn gelovigen versus vrijzinnigen verliest aan belang; vooral de christen-democraten hebben hieronder te lijden. De liberalisering van abortus was allicht het laatste grote politieke conflict (1971-1990) dat zich op voornoemde breuklijn afspeelde. Ondanks alle ideologische en religieuze verschilen is de gemeenschappelijke consensus over een aantal basiswaarden veel groter dan we denken, stelt John Rawls.

De lectuurlijst hieronder is overigens meer dan behoorlijk.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> uitgebreide bibliografie in de commentaren hieronder

Marc Hooghe, Het wordt nooit meer als vroeger
België een halve eeuw modern 1945-1995
136 p.
Uitgeverij Van Halewyck, 1995

____

zondag 26 juli 2009

Uit de feedreader [12]

> Quotes van wielerverslaggever Maarten Ducrot

> Amazon taps its inner Apple

> C.P. Cavafy: 'Collected poems'

> The 'Selected poems' of Umberto Saba

> Michael Jackson had 10,000 books

> Michael Jackson, de ziel van een mime-artiest

> Being reader in rare book libraries

> The ABC's of Amazon

> Library card collector interview - collection holds 3,500 cards

> How to believe: join experts as they blog great works of religion and philosophy

> Longtime Utah bookseller Sam Weller dies at 88

> The library of the International Research Center for Islamic History, Art and Culture

> Persopolis 2.0, inspired by the work of Marjane Satrapi

> The 50 greatest trailers of all time

> Michael Jackson videography

> Malcolm Gladwell reviews Chris Anderson

> The Museum of Forgotten Art Supplies

> A 13 year old swapping his MP3 player for a Sony Walkman cassette player for a week

> A conversation with Eduardo Galeano

> Highest body count movies

> Books on Iran reviewed by Rosemary Righter

> Top 10 literary ménages à trois

> 'King of Pop' Michael Jackson dies at age 50 [Washington Post]

> Some Ezra Pound links

> How fiction works: King James and the battle for the novel

> One wish for the members of my profession, college and university professors of literature: give up readings

> A list of original concert riders

> Aleksandar Hemon on reading 'The magic mountain'

> Blame it on the boogie: Andrew O'Hagan on Michael Jackson

> Michael Jackson: a tragedy of our times - Theodore Dalrymple

> Obama and Afghanistan

> Can you name the 100 best novels according to Modern Library?

> The well-preserved ruins of the Roman Forum are nineteenth-century reconstructions

> Umberto Saba's self-inventions

> Welcome to BlindSearch, the search engine taste test

> Divided Iran on the eve (bookreviews)

> Review of books on sexuality and gender

> Titian, Tintoretto, Veronese: rivals in Renaissance Venice

> Library look, revised

> Ten of the dumbest things in science fiction film

> What to do about Darfur?

> The Google Books settlement - Caleb Crain's letter of objection

> World's top five real fantasy/SF cities

> Elmore Leonard's rules for Westerns

> A librarian picks the best zombie lit

> Why women aren't funny - Christopher Hitchens

> The rules of shelving books: science fiction, fantasy, and its literary friends

> Writers on writing

> Elmore Leonard's rules of writing

> A few thoughts on poetry and criticism

> How uses, not innovations, drive human technology

> What Hollywood gets right, wrong about laywers

> Sa'di's 'Gulistan'

> 'Havesting the waste land' : an anthology of New Criticism

> No wonder Iceland has the happiest people on earth

> Is the world’s food system collapsing?

> Why aren't there more women in science and engineering?

> Eagleton was an influential English don

> Are men boring?

> Karen Spaink - Zelfmoord gaat niet op recept

> Books v. cigarettes - George Orwell

> JeanYves Lemoigne, photographer

> The defence of poesie - Sir Philip Sidney

> What books would you recommend to cure those suffering from literary indigestion?

> What the mainstream media can learn from Jon Stewart

> Our students' spectacular hunger for life makes them radically vulnerable

> The bookhunter [online strip]

> Novelists have always turned their hands to essays, and the essay-writing novelist remains a literary force to be reckoned with

> The 10 oddest travel guides ever published

> George Orwell - collected essays online

> Readymade remade

> Hoe jaag ik mijn blogbezoekers weg?

> Frans de Waal, interview in The Believer

> BBC World at YouTube

> Which novels—and novelists—from the past several years will be taught in 50 years’ time?

> A snapshot of student reading habits over two decades

> Imprisoned on 'evidence' provided by memories from dreams and flashbacks

> One language fits all

> The decline and fall of literature

> Augusten Burroughs doesn’t just write about his past. He holds séances.

> Poldernederlands

> John Sutherland looks at past Nobel prize acceptance speeches

> Boek.be at YouTube

> When books turn into art

> And therefore… I write elsewhere

> Which SF/F books have the best and worst endings?

____

vrijdag 24 juli 2009

Party tijdens de blitz - Elias Canetti

Als twintiger wist ik al dat Elias Canetti behoort tot de zeldzame soort schrijvers die een leven lang meegaan. Het heeft natuurlijk met zijn schranderheid te maken, maar vooral met de vorm waarin hij deze goot: zo kort mogelijk gehouden aantekeningen die het intellect uitdagen, of op zijn minst verwarring zaaien. Omdat Canetti's notities erg cerebraal zijn, is elk autobiografisch boek welkom als toelichting. Het postume Party tijdens de blitz bevat losse aantekeningen over zijn Engelse jaren, tijdens en na WOII.

Elias Canetti (1905-1994) werd geboren in Bulgarije als de oudste zoon van een gegoede koopmansfamilie van Sefardische afkomst. Na de vroege dood van zijn vader woonde hij met zijn moeder en jongere broers in verschillende Duitssprekende landen: in Oostenrijk, Zwitserland en Duitsland. Vanaf 1924 woonde hij in Wenen, totdat de inval van Duitsland hem dwong in 1939 met zijn vrouw Veza naar Engeland te emigreren, waar hij ook na de Tweede Wereldoorlog bleef.

In Engeland werkte Canetti vooral aan zijn magnum opus, de cultuurantropologische studie Massa en macht, die in 1960 zou verschijnen. Zijn naaste omgeving in Hampstead wist dat. Canetti genoot al een zekere reputatie over de plas, hoewel zijn grote roman Die Blendung (in Nederlandse vertaling Het martyrium) alleen op het vasteland was verschenen, in 1935, en een Engelse editie pas na de oorlog zou uitkomen.

Boeklog deed nogal lauw over Party tijdens de blitz. Ik vond het juist een verrukkelijk boek. Omdat geen twee lezers met dezelfde bagage aan een boek beginnen, voel ik me niet geroepen om een apologie te schrijven, maar het dwingt me wel om nauwkeuriger na te gaan wat me in dit rommeltje uit de nalatenschap aansprak.

Ten eerste ben ik nog niet toegekomen aan Canetti's driedelige autobiografie (eveneens verschenen in Privé-domein). Er is geen vergelijkingspunt.

Daarbij komt dat een boek met zulke vileine roddels een heel prettige manier is om te worden bijgepraat over de Engelse intellectuele elite van rond de oorlog -- een milieu waar ik te weinig van afweet. Party tijdens de blitz verhaalt over intellectuelen over wie je nooit iets leest in het Nederlands. Canetti maakt nieuwsgierig naar de Prefaces van George Bernard Shaw en de briefwisseling van Horace Walpole; om er lukraak twee dingen uit te halen.

En wie ik wel uit de eerste hand ken (mastodonten als Dylan Thomas, T.S. Eliot en Iris Murdoch) brengt Canetti terug tot menselijke proporties. Zijn portretten zijn zo levendig, dat ik 'm meteen geloof. Het fragmentarische, onbewerkte, vooringenomene ("Ik moet een deel van mijn herinnering afdekken om het andere, dat sterk aanwezig is, te laten opleven") vind ik juist een pre. In een mooi nawoord zet Jeremy Adler Canetti's manier van werken af tegen de Karakterschetsen van Theophrastus en de Brief lives van Aubrey.

Maar het meeste plezier beleefde ik aan Canetti's doorlichting van de Engelse volksaard. Hoezeer ik hun nuchtere empirisme en utilitarisme waardeer, er irriteert me veel aan de Engelsen, en Canetti beschrijft die bezwaren beter dan ik ooit zal kunnen. Nooit kon de schrijver wennen aan de party's ("nietaanrakingsfeesten") waar de intelligentsia uit Londen samentroepten.

Over Engelse party’s zou je een boek kunnen schrijven. Ik heb er nooit aan kunnen wennen. Ze komen me even onzinnig als harteloos voor, passend bij de kilheid van die mensen. Je mocht elkaar immers niet te na komen. Zodra er een gesprek op gang kwam (wat helemaal niet zo gauw gebeurde) moest je afstand nemen en je tot iemand anders wenden. Het was uit den boze te lang met een iemand te praten, dat gold als ‘selfish’, zelfzuchtig. Je was aanwezig om snel contact te maken en vooral om je snel af te wenden. Soms wist je niet eens met wie je had gepraat. Dat waren zeg maar de ideale situaties van deze nietaanrakingsfeesten.

[...]

Misschien zijn er mensen die Engelse party’s voorbeeldig vinden, een richtlijn voor tolerantie en tact. Ik hoor daar niet bij en heb me nergens ongelukkiger gevoeld dan op zulke feesten. Onderdeel ervan is dat er veel mensen bijeen zijn, in een vrij kleine ruimte, ze moeten elkaar bijna verdringen en toch zo kunnen ontwijken dat ze elkaar zelfs niet even aanraken. De kunst is heel dicht bij elkaar te zijn en toch niets belangrijks over jezelf los te laten. Niets mag opvallen. Je bent een van de velen. Wie iets bijzonders is, dient dat zorgvuldig te verbergen. De grootste kunst is zelfs je naam niet prijs te geven. Bij het voorstellen wordt hij zo onduidelijk mogelijk uitgesproken. Des te groter is dan het gewicht van de belangrijke naam, die de anderen toch heimelijk bespeuren. Wie nergens vandaan komt, dat wil zeggen nergens uit Engeland, bestaat niet, daar staat tegenover dat hij met bijzondere hoffelijkheid wordt bejegend, een hoffelijkheid die des te exquiser is naarmate men minder achter hem zoekt.
Men mag bij deze beschrijving niet denken aan party’s met uitsluitend academici. Zij hebben alleen al vanwege hun vak een zeker recht op nieuwsgierigheid, namelijk uitgesproken nieuwsgierigheid naar het specialisme van de ander. Iemand die in staat is van specialist naar specialist te gaan en naar iedereen te luisteren op de manier waarop hij graag dingen van zichzelf prijs zou geven, wordt beslist een schrijver die enig aanzien verwerft.
Maar deze Oxford- en Cambridge-gevallen, die echt interessant kunnen zijn, zijn speciale gevallen en kunnen we hier beter buiten beschouwing laten.
De Engelse party gaat ervan uit dat mensen deel uitmaken van kasten van verschillend niveau en ter verlevendiging af en toe leden van andere kasten toelaten. Nooit zal men dat aan iemand die uit en lagere kaste komt laten merken. Zolang hij uit het feit dat hij op een party was maar geen conclusies trekt. Hij moet niet aan namedropping doen en mensen die hij op die manier heeft leren kennen, blijven van elk later contact met hem gevrijwaard.
Je mag voorzichtig vragen stellen als je elke indiscretie vermijdt. Je mag niet te nadrukkelijk en niet te lang vragen. Daarmee geef je te kennen dat je weet dat een vraag een machtsmiddel is. Mensen die te uitgebreid ingaan op vragen over hun werk, worden bestempeld als buitenlander en met een glimlach bekeken, ook al hebben ze zich zeer verdienstelijk gemaakt.
Combineer zulke passages met de intellectuele prikkels waar Canetti naar op zoek is (in het bijzonder de presocratici en alle vormen van mythologie), zijn niet te temmen nieuwsgierigheid naar de mensen (hi brow of low brow) in zijn omgeving én de achtergrondruis van de oorlog ("op klaarlichte dag keek je naar de lucht en volgde je de sporen van de vliegtuigen als een sportieve gebeurtenis") en je krijgt een waardevolle tekst, die zelfs met losse alinea's meer bereikt dan de meeste andere autobiografieën.

(Gebaseerd op notities van 6 november 2006.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
> meer Privé-domein op Achille

Elias Canetti, Party tijdens de blitz : de Engelse jaren
224 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2005
Oorspr. Party im Blitz (2003)
Vertaald door Elly Schippers
Privé-domein nr. 258

____

donderdag 23 juli 2009

Herr Flickr [10]



____

woensdag 22 juli 2009

Over de zin van nut - Peter Venmans

Ik weet niet waarom, maar in de humaniora kregen we bijna uitsluitend continentale filosofen onderwezen. Ik wist niet beter of deze zwaarmoedige traditie met zijn wereldvreemde, abstraherende denkers -- Nietzsche, Wittgenstein, Heidegger -- belichaamde de enige juiste manier om filosofie te bedrijven. Terwijl er dus ook een Angelsaksische traditie bestaat waarin denkers de waarde van theorieën alleen afwegen aan het praktisch nut dat ze hebben.

Ik had de Vlaamse essayist Peter Venmans nodig om die vrolijke traditie te ontdekken, en ik ben hem dan ook erkentelijk voor zijn zeer leesbare inleiding. In Over de zin van nut schetst hij een profiel van de voornaamste utilitaire en pragmatische denkers, waarbij de opmerkingen over hun onderlinge invloed de schakels vormen die de afzonderlijke teksten bij elkaar houden.

'Utilitair' en 'pragmatisch' zijn overigens geen synoniemen. Utilaristen willen dat de hoeveelheid geluk op aarde zo groot mogelijk is en de hoeveelheid pijn zo klein mogelijk. Ook pragmatici willen dat, maar voornamelijk door het oplossen van problemen wanneer die zich stellen; in hun optiek is de mens in de eerste plaats een handelend wezen dat zich voortdurend aan zijn omgeving dient aan te passen. Belangrijke parallel is wel dat beide groepen veel belang hechten aan verificatie, daar zij weten dat ze in een onzekere wereld leven waar geen absolute waarheden voorhanden zijn. Het komt erop aan te proberen en te leren uit je fouten.

Is een boek over het nuttigheidsdenken wel nodig? 'Nut', in de courante zin van het woord, is immers al een kernbegrip in het dagelijks leven van de westerling. "Voor ons modernen," schrijft Venmans, "is geluk blijkbaar onlosmakelijk verbonden met nut. Wij willen nuttig zijn, dat wil zeggen: we willen met ons handelen bijdragen tot het geluk van anderen. Wij willen het verschil maken en zijn pas tevreden wanneer een als problematisch ervaren situatie door ons toedoen opgelost raakt."

Jazeker. Wat Venmans wil doen in dit filosofisch essay ("dat wil zeggen een oprechte poging om zonder volledigheid na te streven iets zinnigs te zeggen over een onderwerp dat de essayist van actueel belang acht") is de breed-filosofische visie herstellen waar het nuttigheidsdenken oorspronkelijk op gebaseerd was.

Veel aandacht is daar niet voor, tegenwoordig. Enerzijds werden de begrippen pragmatisch en nuttig vlotjes gerecupereerd door managers en CEO's, die het verschraalden tot efficiëntie en probleemoplossend denken op korte termijn. Anderzijds houden de meeste beroepsfilosofen zich afzijdig van de wereld van het nut. "De alliantie die het utilitarisme aangegaan is met de economische wetenschap," aldus Venmans, "heeft schijnbaar een eind gemaakt aan het grote morele verhaal dat het te vertellen had. Het is dan ook niet raar dat bijna alle belangrijke filosofische stromingen sinds de romantiek een min of meer uitgesproken anti-utilitaire inslag hebben."

Aan bod in dit boek komen de volgende denkers: Jeremy Bentham, de man die het principe van het grootste geluk (PGG) formuleerde; zijn leerling John Stuart Mill, die de nutsdoctrine verfijnde, corrigeerde en verzoende met het begrip vrijheid (en zo het liberalisme vrij baan gaf); de techno-utopist David Pearce; de hedonistische filosoof-econoom Richard Layard, de radicale utilitaristische ethicus Peter Singer; de stichters van het pragmatisme Charles Peirce en William James; de invloedrijkste pragmaticus John Dewey; en neopragmaticus Richard Rorty. Hieronder een samenvatting van het boek, notities vooral bedoeld voor mezelf, in telegramstijl.


Peetvader van het Engelse utilitarisme: Jeremy Bentham
Historische context: de armoede onder de bevolking van het Engeland van het eind van de achttiende eeuw. De burgerij had nooit echt aandacht geschonken aan de schrijnende leefomstandigheden van het proletariaat; de armenwetten bekommerden zich alleen om de werklozen, de echte paupers. Bentham was een tegenstander van de pleitbezorgers van het traditionele gewoonterecht als William Blackstone en Edmund Burke. Maakte een begin met het analyseren van fallacies (drogredenen) in het rechtssysteem en in de politiek. Stond taalzuivering en taalvereenvoudiging voor, een taal zonder dubbelzinnigheden, verschoond van waardeoordelen. Hedonist. Zag de mens als een krachtveld van pijn en plezier ('plezier', 'geluk' en 'nut' worden door Bentham door elkaar gebruikt), als een zintuiglijk ingesteld, kwetsbaar, gevoelig dier dat een kosten-batenanalyse moet maken, en daarna zijn keuzes moet afstellen in functie van het geluk. Schreef voornamelijk voor wetgevers en politici. Kritiek op Bentham: (1) zag niet in dat er vaak een tegenstelling bestaat tussen nut en geluk; (2) zag geluk als een strikt morele opgave; (3) wat doe je bij gebrek aan kennis om de juiste keuzes te maken?; (4) zadelt de mens op met een verantwoordelijkheid die niet te dragen is; (5) de totalitaire trekjes van het panopticon (de verbondenheid tussen totaliteit en detail); (6) boekte vrij povere resultaten in de praktijk (zelfs het plan voor een panopticongevangenis vond nergens ingang); (7) makkelijk te recupereren door de kapitalisten (winstmaximalisatie i.p.v. geluksmaximalisatie).

John Stuart Mill
Verfijnt Benthams beeld van de mens als utilitaire hamster in een tredmolen, een manipuleerbare en gehoorzame producent van nutsgoederen, ontdaan van alles wat hem een karakter geeft: zijn gevoel van eigenwaarde, zijn koppigheid, zijn vrijheid om naar eigen inzicht te handelen, zelfs als dat niet bijdraagt tot de maximalisatie van het nut in de wereld. Zag in dat er kwalitatieve verschillen waren tussen hogere (Bach) en lagere genietingen (bier). Combineerde het nutsprincipe met het vrijheidsbeginsel, wijzer geworden door zijn depressie na een eenzijdige, overbevragende, intellectuele opvoeding: met intellect alleen red je het niet. Probeerde de romantische Coleridge en de erfenis van de Verlichting te verzoenen. Pleitte voor een zo breed mogelijke ontplooiing van het zelf. Mill: "Als mensen redelijk fortuinlijk zijn in hun uiterlijke lot en toch niet voldoende plezier in hun leven vinden om het als waardevol te ervaren, dan ligt de oorzaak meestal hierin dat zij voor niemand anders te zorgen hebben dan voor zichzelf." Het geweten moet de rekenkunde van Bentham aanvullen. Complexe genoegens zijn volgens Mill per definitie van een hogere orde omdat ze meer een beroep doen op onze vermogens, en dat is precies wat ons gelukkig maakt: het vrije, onbelemmerde uitoefenen van datgene waar we goed in zijn, het realiseren van onze talenten. Om het geluk te bereiken is inspanning nodig. Daarvoor dient te opvoeding: zij moet bij individuen een karakter kweken waardoor die in staat zijn hun talenten zo optimaal en zo veelzijdig mogelijk te ontwikkelen. Een rijk leven is een goed leven. Alleen wie vele vormen van genot kent, zal in staat zijn om te vergelijken. Je moet dus flink wat levenservaring opgedaan hebben om verschillende activiteiten een plaats te geven in je streven naar geluk. Kritiek op Mill: (1) zijn aristocratische idee van opvoeding; (2) Mill heeft het moeilijk om fenomenen als liefde en altruïsme te duiden; (3) wat met al die luie en onverschillige mensen?

David Pearce
Hanteert een negatief-utilitaristisch uitgangspunt: het wegnemen van pijn. Abolitionisme: het biologische substraat van pijn aanpakken en het lijden elimineren. Gelukkig worden met behulp van de technologie: genetica, eugenetica, nanotechnologie, psychofarmacologie, neurochirurgie. Euforie als life-style optie. Kritiek op Pearce: (1) de ervaring alleen is voor de mens niet voldoende; we willen dingen doén; (2) we streven niet alleen maar naar het ideaal, we hechten belang aan wie we zijn, ons karakter, onze eigenschappen; (3) we willen het leven op ons laten inwerken, het transcendente ervaren; (4) verslaafd worden aan de roes.

Richard Layard
Wil af van het strakke rendementsdenken (als hetBNP stijgt is het voor de doorsnee economoom allang goed) en wil nuttigheid weer met het menselijke geluk verbinden. Want we worden rijker, maar niet gelukkiger. Pleit voor het standaard leefloon, voor de rest moeten we zelf zorgen. Verklaring voor ongeluk in tijden van rijkdom: gewenning, jaloezie (vergelijkingen met je onmiddellijke leefomgeving) en mimesis (hetzelfde willen van je buurman). Geluksfactoren volgens Layard, in volgorde van belangrijkheid: familierelaties, financiën, werk, gemeenschapsleven (kennissenkring), gezondheid, autonomie en persoonsgebonden waarden (de morele identiteit van een individu, de stabiliteit van zijn waardenpatroon). Wet van het afnemend grensnut: het nut van iedere extra eenheid product neemt af, naarmate je er meer van hebt. Wanneer je in huis al vier televisies hebt staan, hecht je waarschijnlijk weinig waarde aan nog een vijfde exemplaar.

Peter Singer
Systematische liefdadigheid is gelukkig makend. Tel je winst uit en geef al het geld weg dat je anders zou besteden aan luxe. Verzet zich tegen speciesisme: discriminatie op basis van de species: als je vlees eet, eet je vlees van een andere soort, maar niet van je eigen soort. Ook het menselijk leven is niet heilig. Kritiek op Singer: (1) een aalmoes is een tijdelijke leniging van de nood; (2) dieren zijn wel 'speciesistisch'.



Ontstaan van het pragmatisme in de Verenigde Staten
De Onafhankelijkheidsverklaring van 1776 draagt in zich de kiem van het pragmatisme: "We houden deze waarheden als zichzelf bewijzend: dat alle mensen gelijk geschapen zijn, dat hun door de Schepper zekere onvervreemdbare rechten gegeven zijn, dat hiertoe behoren leven, vrijheid en het streven naar geluk." Er is evenwel een verschil met Bentham: Bentham geloofde niet zoals de Founding Fathers in zichzelf bewijzende waarheden en onvervreemdbare rechten omdat hij zijn vertrouwen niet stelde op God en evenmin op het natuurrecht. De utilitaristen sloegen overigens ook niet aan in Amerika, of pas veel later. De jonge Verenigde Staten waren bedoeld als een standenloze maatschappij, naar het model van de Verlichting. Niet de Kerk maar het individu was verantwoordelijk voor zijn zielenheil. Bedrijvigheid en geldgewin stonden niet haaks op christelijkheid. In dit klimaat van praktisch denkende pioniers ("robuuste christenen, daadkrachtige overlevers") werd filosofie als geïsoleerde bezigheid van enkelingen niet gewaardeerd. Pas na de Burgeroorlog zouden 'echte' filosofen zich aandienen: Emerson, Thoreau, Whitman.

William James
Na Charles Sanders Peirce een van de aartsvaders van het Amerikaanse pragmatische denken. Een pragmaticus definieert waarheid als betrouwbaarheid of nut op langere termijn. Nutsdenken is een manier om geen tijd te verspillen aan metafysische schijnproblemen ("het geslacht van de engelen"). Een pragmaticus verwerpt autoriteit om de autoriteit, maar ook de autonome rede. De werkelijkheid is niet zelfbewijzend: als wij de werkelijkheid niet uitdagen door met haar te experimenteren komen we ook niets te weten. Peirce: "Als je iets wil begrijpen, moet je nagaan wat de praktische effecten zijn van je idee. Het geheel van die effecten is het geheel van je begrip." Ook James verwerpt het absolute, de ene universele waarheid. In het essay ‘The Will to Believe’ zegt hij: "Wij verhouden ons tot het universum zoals onze katten en honden zich moeten voelen wanneer ze een van onze bibliotheken betreden. Verbaasd kijken we dan om ons heen en we hebben geen idee wat er gaande is. Soms schurken we per ongeluk tegen een tafel of stoel aan, die dan plotseling een nieuwe plaats inneemt, zonder dat we nu precies weten hoe dat komt." Was evenwel niet dogmatisch-wetenschappelijk: ook geloof en het hart krijgen een plaatsje in zijn denken. Filosofie is een manier om langdurig tot rust te komen (in plaats van kortstondige momenten van euforie).

John Dewey
Aanhanger van het 'instrumentalisme': theorieën zijn slechts instrumenten waarmee redelijke wezens integreren in hun omgeving, door te handelen. Ideeën zijn actieplannen. De mens is niet alleen een economische factor maar ook een volwaardige moreel subject, een verantwoordelijke burger met een eigen mening, een acteur op het politieke veld van eer. De veelzijdige ontwikkeling van het individu vormt voor denkers als Dewey de basis van de samenleving. Dewey zette zich in om het individu sterker te maken door hem actief te laten deelnemen aan een vrije, democratische gemeenschap. Het komt er volgens hem op aan steeds opnieuw je evenwicht herwinnen in een voortdurend veranderende omgeving en daar steeds beter uitkomen (de ware betekenis van 'groeien'). Ideaal van zelfontplooiing, maar dan wel -- in tegenstelling tot Mill -- door interactie, in een gemeenschap. Hechtte veel belang aan opvoeding en onderwijs. Ging tegen het autoritaire Amerikaanse onderwijs in: focus van kennisoverdracht naar experimenteren. Vergroten van de participatie: town hall democracy. Herstel van het individu tijdens de snelle industrialisering van de VS aan het eind van de negentiende eeuw, evenwel niet op een illusoir eilandje, maar in interactie. Doorwerking van Deweys pragmatisme doorwerking via Wittgenstein (nadat ook hij de afbeeldingstheorie van de waarheid verwierp) en Popper (wegens de nadruk op het onzekerheidsprincipe). Kritiek op Dewey: (1) het is niet mogelijk van onderaf de democratie vorm te geven, door de algemene onwetendheid; (2) methodiek en ordening waren voor Dewey vaak belangrijker dan de praktijk; (3) de mens als stelselmatig probleemoplossend wezen is een toch wel erg eng mensbeeld.

Richard Rorty
Postmoderne denker. Zorgde voor de heropleving van het pragmatisme. Zag 'vooruitgang' niet als het nader komen tot iets wat bij voorbaat precies kan worden omschreven, maar als het oplossen van meer problemen. Zal zijn leven lang verscheurd blijven tussen handelend optreden (trotskistische ouders) en burgerlijke luxe (een passie voor orchideeën). Neemt afscheid van de representatie, de funderingsdrang, de vraag of onze ideeën met iets reëels corresponderen. De kenleer en de metafysica komen te vervallen. Filosofie moet met een kleine letter geschreven worden. De platoonse jacht op absolute waarheden moet vervangen worden door een pragmatische zoektocht naar dagelijkse wijsheid; kennen door kunnen. (Dubbelzinnige positie dus van Rorty als beroepsfilosoof: verdedigt zich met de these dat vakmanschap belangrijker is dan geloof.) Het doel van de filosofie is vorm geven aan het leven, meer bepaald aan het goede leven. Met andere woorden: nagaan hoe we ons leven zo kunnen organiseren dat we er niet te veel last van hebben, dat we spontaan zin ervaren zonder dat dit geëxpliciteerd hoeft te worden, dat we ons bij elkaar op ons gemak voelen. Rechtvaardigheid is publiek, esthetica is privé. Filosofie is zelfopvoeding van het individu. Rorty verwerpt ook het idee van de ideale taal. Onze moedertaal, bevat de geaccumuleerde ervaring van eeuwen is prima om ons te oriënteren in tijd en ruimte. Elke taal heeft een praktische wijsheid. Geen universele waarden maar spontane waardenpartronen. Het inzicht dat onze morele overtuigingen niet absoluut zijn noemt Rorty 'ironie'. Nieuwsgierigheid naar andere vocabulaires is aangewezen. Sensibiliteit ontwikkelen. Je gevoeligheid cultiveren. Omgang met literatuur traint ons in dat soort empathie. Menselijkheid heeft te maken met details, klein leed, tegenstrijdige gevoelens, misverstanden die de stof uitmaken van ons eigen dagelijkse leven. Cf. Kundera: de boodschap van het romangenre is dat het komisch is te denken dat "een theorie meer zou zijn dan een middel tot geluk, dat er een zogenaamde waarheid is die pijn en plezier te boven gaat". Rorty hecht geen belang aan intrinsiek-literaire kwaliteiten van boeken: van belang is alleen de receptie van het werk: wat zijn de praktische effecten bij de lezer? Verschil met Popper die gelooft in permanent verbeterbare kennis. Rorty geloof slechts in toename van verbeeldingskracht. Politiek verlengstuk van Rorty's opvattingen: hoe kunnen wij instituties zo veranderen dat ieders recht om begrepen te worden beter gehonoreerd wordt? Antwoord: maatschappelijk ageren tegen alle vormen van wreedheid. In verband met de multiculturaliteit introduceert Rorty de metafoor van de bazaar: de contacten zijn zakelijk, vluchtig en conflicten worden niet op de spits gedreven. De gemeenschappelijke taal is die van de handel, de warenvergelijking, de onderhandeling, de transactie. We hoeven elkaar niet te bekeren om goed samen te leven. Multiculturisme: het feit dat we telkens nieuwe buren krijgen is geen probleem. Enkele citaten van Rorty:

Op mijn twaalfde wist ik dat je om echt menselijk te zijn, je leven moest wijden aan het bestrijden van onrecht.

[...]

Filosofie werd voor intellectuelen een substituut voor religie. Het was het bed van de cultuur waar men de bodem raakte, waar men het vocabulaire en de overtuigingen vond die iemand in staat stelden om zijn activiteit uit te leggen en te rechtvaardigen als een intellectueel, en op die manier de betekenis van zijn leven te ontdekken.

[...]

Zodra een links persoon een beschouwelijke en retrospectieve houding aanneemt, houdt hij op links te zijn.

[...]

De laatste fase van de progressie van de pragmatist komt wanneer hij begint in te zien dat zijn eerdere peripetieën geen fasen zijn in de opgang naar verlichting, maar slechts contingente resultaten van ontmoetingen met verschillende boeken die toevallig in zijn handen vallen.

Slotsom; wat ik uit dit boek leer
Over de zin van nut is over de ganse linie goed en inzichtelijk geschreven. Venmans anticipeert op vooroordelen en overhaaste conclusies en heeft ook oog voor de innerlijke tegenstellingen van elke leer. Heel instructief voor mij waren de passages waarin hij het utilitair-pragmatisch denken definieert aan de hand van wat het niet is. Zo strookt het pragmatisme niet met het ideaal van Nietzsche -- de tragische Übermensch die voortdurend probeert zichzelf te overwinnen en daarbij niet al te zeer let op zijn welbevinden.
Niet geluk is het doel van het menselijke bestaan, gesteld dat er zoiets zou bestaan als een doel, maar de affirmatie van de wil en het scheppen van waarden. Er is een levensgroot verschil tussen het nietzscheaanse perfectionisme dat gebaseerd is op de zelfoverwinning van hoogbegaafde ‘heren’ en het progressieve, egalitaire denken van utilitaristen.
Het pragmatisme was ook niet het kopje thee van de technofoben en cultuurpessimisten van de Frankfurter Schule. Zij vonden dat als de natuur volledig onderworpen wordt aan de mens, zij haar betovering verliest, en de mens op zijn beurt zijn vermogen verliest om zich te verwonderen. Tot slot stond het morele fundament van het pragmatisme haaks op de leer van Kant. Die vond emoties per definitie verdacht.
Pas als iemand niet langer bewogen wordt door sympathie voor anderen of door andere neigingen, kan wat hij doet enige morele waarde hebben. Kantiaanse plichtethiek bestaat bij de gratie van de ontkenning van het plezier.
Nu legt Venmans ook weer geen feilloos parcours af. Al bij al is Over de zin van nut, tegen de leer van het pragmatisme in, een zeer theoretisch boek. Venmans draagt nauwelijks voorbeelden aan van historische toepassingen van de utilitair-pragmatische beweging in de praktijk. In het bijzonder over Benthams principe van het 'kwantificeerbare geluk' blijft het boek zo vaag dat ik er mij nauwelijks iets bij kan voorstellen. Bovendien had ik het pragmatisme ook eens afgemeten willen zien langs de lat van het darwinisme of de sociobiologie.

Voor wie de tijd niet heeft Over de zin van nut volledig door te lezen is er de prima synthese, achteraan het boek. Daarin diept Venmans de kernpunten van de utilitair-pragmatische beweging op die ook vandaag nog relevant zijn. Hij betoogt dat het pragmatisme waarmee wij in ons dagelijks leven geconfronteerd worden er een is "van de smalle soort": het technische, procedurele oplossen van problemen. Het succes van dit smalle pragmatisme verduistert ons zicht op de morele bronnen van het nutsdenken.

Het historische nutsdenken, vat Venmans samen, koos immers radicaal voor het menselijk belang. Het geloofde niet in transcendente normen en vond die zelfs vernederend. Een belangrijk inzicht van de utilitaristen in de menselijke natuur is dat geluk verbonden is met onze fysiologie: de mens is een behoeftewezen, een bundel van driften en noden. Het nutsdenken heeft oog voor onze zwakheid, het lijden, het kwaad en wil daar concreet iets aan doen, door de verdediging van de zwakkere op zich te nemen. Dat is niet christelijk geïnspireerd (‘naastenliefde’) maar door het principe van het grootste geluk. De utilitair-pragmatische beweging is er een van handelen, met gebruikname van ons gezond verstand. En niets levert zoveel gezonde inzichten op als de praktische wijsheid die we verworven hebben door onze levenservaring.

Wat me persoonlijk zeer aansprak is dat de nutsdenkers zeer wantrouwig aankijken tegen zedenmeesters en andersoortige asceten. Nutsdenkers proberen de krachten die voor katholieken ondeugden zijn -- zucht naar comfort, zelfbehoud, seksuele lust, zelfzuchtigheid -- positief aan te wenden.

Maar de grootste waarde van dit boek zat voor mij in de kennismaking met Richard Rorty. Met stijgende opwinding las ik de dwarsnede die Venmans van Rorty's leven en werk maakte, in het besef op het oeuvre van een zielsverwant te zijn gestoten. Een mooier soort lezen is er niet. Wordt zeker vervolgd.

[afbeeldingen: de 'auto-icoon' van Jeremy Bentham, University College London, twee maal via Flickr.]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> uitgebreide bibliografie in de commentaren hieronder

Peter Venmans, Over de zin van nut : een filosofisch essay
302 p.
Uitgeverij Atlas, 2008

____

Related Posts with Thumbnails