Nerveuze pixels - Johan de Vos
Een maand geleden nam een van mijn werkcollega's me mee naar haar computer. Ze startte een diavoorstelling op met foto's, en even later zag ik haar voorbijkomen in poses die je normaal alleen bij modellen ziet. Eén dia, een haarscherp beeld uitgesneden langs de contouren van haar lichaam, toonde haar in tweedelig badpak. Alsof de duivel ermee gemoeid is, begint Nerveuze pixels met een gelijkaardige scène.
Johan de Vos beschrijft hoe een meisje in een garage foto's van zichzelf neemt en ze vergelijkt met "de standaardbeelden van de verleiding" -- mannequins in klassieke houdingen. Het verhaal staat er niet zonder reden. De Vos is een gewezen docent fotografie die zich niet interesseert voor 'de' fotografie maar voor het effect van foto’s op mensen. De komst van de digitale fotografie heeft dat effect sterk beïnvloed. Om twee dingen te noemen: digitale foto's (goedkoop en makkelijk te wissen) hebben het experimenteren makkelijker gemaakt en nodigen uit tot hyperpersoonlijke onderwerpen (ze hoeven toch niet ontwikkeld te worden in een fotowinkel). Het meten van de aantrekkelijkheid van het eigen lichaam is zo'n hoogst persoonlijke toepassing, meer nog dan het kijken in de spiegel.
Bij het spiegelbeeld wordt een kijker afgeleid door de beweging en het anekdotische. Vaste beelden, binnen een rechthoekig kader en op een lichtend computerscherm zijn vergelijkbare materie. Het bekijken van deze foto’s is als het afnemen van een examen door de strengst denkbare examinator.Het besef van de troeven van de digitale fotografie was er niet meteen bij De Vos. Hij was, zoals alle fotografen en fotorecensenten van zijn generatie, gepokt en gemazeld in de analoge fotografie en meende dat zijn ervaring en kennis een zekere eeuwigheidswaarde had. Rond de millenniumwisseling bleek deze theorie onhoudbaar. Het duurde een tijdje, maar uiteindelijk begon De Vos te genieten van "de nieuwe chaos", die veertig miljard digitale foto's die er elk jaar genomen worden -- op zijn minst.
De essaybundel Nerveuze pixels is een mooie poging om de implicaties van de digitale fotografie in kaart te brengen. De stukken gaan niet over technologie (alleen zijdelings) maar over de omgang met digitale foto's. De kracht van dit boek zit 'm in het complete beeld dat De Vos van het medium fotografie schetst. Zijn muizenissen over het artistieke en technische aspect, de historische terzijdes, de gedempte namedropping en de passages over hoe iemand foto's ervaart, maken dit zeer prettige lectuur. Ervaring speelt mee; Nerveuze pixels bevat stukjes residu van een leven lang fotograferen en lesgeven aan studenten. De Vos kent bovendien het beroepsfotografenmilieu van binnenuit. Het hoofdstuk over krantenfotografie is daarom een van de beste.
De Vos is een fotograaf die duidelijk ook in taal geïnteresseerd is. Hij schrijft zo mededeelzaam mogelijk, en daarom, meer dan de nerderige specificaties op het doorsnee fotoweblog, is dit aanbevolen lectuur. Beetje jammer is alleen dat elk stuk een thema behandelt, maar dat doet op een iets te vrijblijvende, ordeloze manier. Het is nogal zoeken naar snijdende opmerkingen of duidelijke conclusies. Bij het herlezen heb ik het materiaal herschikt naar eigen behoeften.
Privé versus openbaar
Analoge fotografie dreef voornamelijk op het werk van geoefende fotografen. Tenminste, het deel dat publiek werd vertoond: professionele fotoshoots, krantenfoto's, maar ook het werk van gevorderde amateurfotografen die dia-avonden organiseerden. Een foto onderstreepte de kunde en de glorie van de fotograaf. Hij maakte scherpe beelden, waarin storende elementen werden geweerd, de belichting snor zat, de kadrering functioneel was. De gevorderde amateur toonde trots zijn vakantiefoto's, met daarop landschappen die paradoxaal genoeg niet leken op landschappen, maar vooral op bestaande foto's van landschappen.
De meeste van die kenmerken gaan nog steeds op voor professionele digitale foto's, zoals te zien op tentoonstellingen, in fotoboeken en, vooral, op het internet. "Naarmate foto’s gemaakt worden voor een groter publiek en een langere periode," zegt De Vos, "zijn ze meer aan wetmatigheden gebonden. Ze raken minder de individuele emoties, de foto’s van de intimiteit zijn feller, meer aan tijd gebonden en minder aan regels." De alomtegenwoordigheid van foto's heeft wel een verschuiving van het waardeoordeel veroorzaakt. De kijker is meer dan ooit gewend aan verzorgde professionele beelden. De graad van intimiteit of openbaarheid is de eerste en voornaamste basis geworden waarop we een foto beoordelen. Vaklui en amateurs doen gewoon verschillende dingen en worden verschillend beoordeeld.
Een amateurfotograaf is niet zozeer een liefhebber van de fotografie, hij is meestal de liefhebber van hetgeen hij fotografeert. Voor hem is een mooie foto meer dan een foto die er goed uitziet, of een foto die lijkt op foto’s die in publicaties als mooi omschreven worden. Voor de meeste amateurfotografen is een mooie foto een foto die hun onderwerp aantrekkelijk afbeeldt: zijzelf als jeugdig en sportief, Pluto de hond als wild en met een glimmende vacht, het kleinkind Emma als schattig, het vakantielandschap in de Veluwe als ongerept en het tafereel in Tunesië als exotisch. Amateurfotografen vormen een kleurige meute. Hun foto’s zijn gevarieerd omdat hun verlangens uiteenlopend zijn. Laten we ze niet onderschatten, het zijn specialisten, elk in hun eigen visuele wereld.De Vos houdt hartstochtelijk van deze foto's voor persoonlijk gebruik -- foto's die hoogst belangrijk zijn voor één persoon -- en is verheugd dat de digitale revolutie amateurfotografie meer vrijheid heeft gegeven. Amateurfotografie is veelzijdiger geworden, minder gebonden. Dat is een goede zaak. Het stelt haar beter in staat een noodzakelijk tegengewicht te zijn tegen het gelikte professionele werk. De uitdrukking ‘eeuwige schoonheid’ interesseert De Vos niet. Het is een vlucht in het abstracte, zegt hij. In de zin van: ‘De tijd zal uitwijzen of deze foto belangrijk is of niet.’ De Vos, en daar kan ik me alleen maar bij aansluiten, gelooft in de meer concrete, directe gewaarwordingen. Een foto beroert ons meer of minder, en wat hij later zal teweegbrengen, dat is een probleem voor later.
[...]
De kijker heeft zich aangepast. Van de professionele fotografie verwacht hij de meest afgewerkte vormgeving en techniek en bij de amateurfoto’s stoort hij zich nauwelijks aan verregaande slordigheid. De schoonheidservaring past zich aan aan de context. Het is niet alleen de belevenis van het zien, het is een totale ervaring, waarbij ook het weten, herkennen en aanvoelen belangrijk zijn. Ook hierbij speelt de verhouding privé versus openbaar een belangrijke rol. De foto uit de directe omgeving wordt op een andere manier beoordeeld en ervaren dan de foto die in de openbaarheid verschijnt. Het potentieel meekijken van de anderen en de algemene normen voor schoonheid spelen dan mee. Bij het persoonlijke is de herkenbaarheid belangrijker.
De ‘goede smaak’ is als een kankergezwel. Goede smaak is openbaar en herkenbaar, ze heeft niet alleen met onze eigen smaak te maken. Het is de smaak van de mensen die het beter weten, of tot de gegoede klasse behoren, of zich voeden met de populaire lifestyle magazines. Mensen met een goede smaak worden beloond. Ze horen erbij. Ze kunnen zich veilig voelen, hun huis en uiterlijk zijn ‘in orde’. Goede smaak heeft te maken met veiligheid, het zich aansluiten bij de grote groep mensen die herkenbare, officieel mooi erkende dingen mooi vindt. Het gebeurt in het verlengde van een ingebouwde drang naar harmonie en rust.Natuurlijk brengt het digitale tijdperk nadelen met zich mee. Het tactiele van foto's ("vastpakken, meenemen, in een boek steken, vouwen, scheuren, strelen, stapelen, opplakken en inlijsten") is zo goed als verdwenen. Maar daartegenover staat dat de digitale fotosystemen goed zijn voor de privacy. Men kan wissen en opnieuw beginnen, eindeloos experimenteren en vooraf het resultaat beter inschatten via het beeldschermpje aan de achterzijde. Digitale fotografie biedt ook niet te onderschatten technische voordelen. De foto’s op het scherm (een lichtbron) zijn helderder dan foto’s op papier. Tegelijk is het fout te denken dat analoge foto's scherper of onscherper waren dan digitale.
Ze zijn anders scherp of onscherp omdat de elementen waaruit het beeld opgebouwd wordt, anders zijn. Als er meer sensoren zijn in de digitale camera, dan creëert dit toestel daarbij de mogelijkheid tot meer scherpte. Scherpte is een complex gegeven. Enerzijds is het meetbaar. Men kan de scherpte van een beeldsensor meten en ook de scherpte van een objectief bij een bepaald diafragma, maar de scherpte is daarboven nog afhankelijk van tientallen elementen zowel bij de opname als bij de projectie of de afdruk van de foto. Bepaalde onderwerpen kunnen nooit scherp genoeg zijn, andere onderwerpen kunnen beter in een vriendelijk donzigheid blijven. Meer scherpte betekent niet noodzakelijk een betere kwaliteit.Johan de Vos is heel vaak op internet te vinden. Snuisterend in de portfolio's van vakmensen uiteraard, maar ook vaak botsend op die ene prachtige, ongerepte amateurfoto. Eentje die niet alleen op een van die 14 miljard cd-romschijven is beland die jaarlijks worden gemaakt, maar vanop een website de toevallige bezoeker lumineus aankijkt. Tussen de eenheidsfotografie op het net is veel oorspronkelijkheid te vinden. Vaak niet eens zo bedoeld, al was het maar omdat door de lange sluitertijd van digitale toestellen dergelijke foto's vaak een slordig gekozen moment tonen.
Het net zit vol onzuiverheden, slordig verwaarloosde beelden, flarden die uit hun oorspronkelijke context gegleden zijn. Ze lijken op versuikerde snoepjes, achtergelaten muizenvallen, geneesmiddelen waarvan de houdbaarheid allang verstreken is. De slordige beelden en de vergeetachtigheid geven de surfer de mogelijkheid om complexe en onbegrijpelijke beelden te vinden. Het kan prachtig zijn en zich koppelen aan de verbeelding. Het kan mensen inspireren.Dat komt omdat we zien niet alleen wat we zien, maar voornamelijk de dingen zien in relatie tot wat we gezien hébben, wat in onze herinnering en genen gedraaid zit. Ook foto’s met weinig pixels en veel onscherpte kunnen ons prikkelen en informeren.

De waarheid is onzichtbaar
Wat dan met het heldendom van de beroepsfotograaf? Johan de Vos ziet bij vaklui vooral hoe ze hun beroep proberen af te schermen. Professionele fotografie moet duur gemaakt worden. Door het beschermen van het eigen circuit (hoeveel amateurfoto's ziet u in uw krant?), het inhuren van voor u en ik onbetaalbare modellen, studio's, decors en belichtingsapparatuur. Professionele fotografie is ook een zaak geworden van computerspecialisten -- zorgvuldig photoshoppen is moeilijk, tijdrovend en dus opnieuw duur. Geen kunst, maar geavanceerde techniek. De ‘normale’ foto en het normale model zijn nu nog slechts de basis voor het serieuze werk.
Tegelijk hebben veel fotografiedocenten op academies weinig ervaring met het digitale beeld. Dus leren ze studenten de dingen waar ze zelf goed in zijn -- analoge fotografie. Dat is een probleem. Met de academisering van het hoger onderwijs (Bologna-akkoord) bemerkt De Vos trouwens dat het fotografieonderwijs theoretischer geworden. Afstuderen doe je na onderzoekswerk op bestaande fotocollecties. Het resultaat is een scriptie. Woorden, geen beelden.
Wat Johan de Vos elders in zijn boek over krantenfotografie zegt is goed raak en heeft me met andere ogen naar kranten doen kijken. Mijn persoonlijke ergernis hield eigenlijk op bij het esthetiserende van de ‘betere’ kranten.
Veel van die foto’s moeten het hebben van symboliek. Ik zag de foto op de voorpagina van premier Yves Leterme net voor zijn ontslag. Hij hield een hand voor zijn ogen. Het leek alsof hij overmand werd door verdriet. Toch ben ik ervan overtuigd dat hij die hand voor zijn ogen hield om niet gestoord te worden tijdens een telefoongesprek.Maar De Vos gaat verder, tot op het bot. Foto's zijn er niet in de eerste plaats voor de nieuwswaarde, zegt hij, ze zijn er vooral om de krant aantrekkelijk te maken voor zoveel mogelijk potentiële lezers en kopers.
De foto’s en vooral de foto’s op de voorpagina spelen daarbij een belangrijke rol. De redacties hebben artdirectors in dienst die de krant een passend aanschijn geven. Ze shaken psychologie en esthetiek tot een prikkelende cocktail. Ze creëren een ‘format’. De aanblik van de krant moet de lezers van een bepaalde doelgroep verleiden.Toch gaat het bergaf met de krantenfotografie. "Een eindredacteur zei me eens: ‘We bedrukken naar best vermogen de achterkant van de reclame.’" Fotoredacties van kranten ontvangen steeds meer foto’s -- gemiddeld vijfduizend per dag, hoofdzakelijk geleverd door de pers- en fotoagentschappen waarop de kranten geabonneerd zijn, in mindere mate door de eigen fotografen, en zelden door de lezers. Toch worden er steeds minder gepubliceerd. Het heeft te maken met het format en met het kleinere formaat van de meeste kranten.
Veel geëngageerde fotografen klagen dat hun onbestemde, ondefinieerbare foto's het niet halen, ten faveure van anekdotische foto's die een basale emotie moeten onderstrepen, of van foto's die de allure hebben van een historisch tafereel. Foto’s in kranten zijn meestal vertaalbaar in woorden: zichtbaar verdriet, duidelijke moederliefde. En alle beelden gaan op elkaar lijken, zeker online, waar foto's nauwelijks van elkaar verschillen qua formaat. Fotografen en mensen van het beeld kiezen voor complexe foto’s die niet in woorden te vertalen zijn en moeten het doen met troostprijzen.
Geëngageerde foto’s verschijnen in chique fotoboeken of ze krijgen een prijs of een World Press Photo Award. De prijs is aanleiding om de gelauwerde foto’s gratis in de krant te publiceren. Ze doen het gretig, vaak met melige verhalen erbij. Op dat moment, meestal een jaar na de opname, hebben die foto’s vooral een competitieve waarde. Ik bedoel: ze hebben gewonnen van andere foto’s. Vies is dat.De Vos kan niet anders dan spreken over het waarheidsgehalte van foto's. Doet digitale fotografie de waarheid meer geweld aan dan analoge? Dat lijkt alvast zo -- we photoshoppen er op los, en digitale camera's zitten vol snufjes die ongevraagd onze foto's oppimpen. En toch. Ook in vroeger tijden werden er analoge films vervaardigd die invloed hadden op de kleuren. Ook vroeger werd er manipulatief omgesprongen met de belichting en de ontwikkelingstijd.
Daarbij komt dat in de tijd dat het vervalsen van foto’s nog riskant en arbeidsintensief was, er volgens De Vos meer schandalen waren dan nu. Het bijwerken van borsten en taille, van een onregelmatige huid, van de vetrolletjes van de Franse president, is peanuts in het licht van de eeuwigheid. Het is kleinschalig, de waarheid wordt hooguit een beetje opgelapt. Zelfs in het artistieke circuit zijn gladde digitale collages betrekkelijk zeldzaam; er wordt meer gewerkt met het recycleren van analoge foto's of bestaande beelden.
Belangrijker, als het om de authenticiteit van foto's gaat, is dat het verschil tussen analoge en digitale fotografie een non-issue is. Een foto is altíjd onwaar, want neemt maar een stuk van de werkelijkheid. Foto's tonen "een reep van het tafereel, een fractie van de tijd, een deel van de scherpte, een stuk uit het helderheid-contract van het onderwerp, het beeld vanuit één oog/objectief, een interpretatie van de kleuren en tinten. En toch laat een foto vaak meer zien dan de werkelijkheid. Dit komt omdat de aandacht gefocust wordt op het beeld binnen deze keuzes en omdat de foto een stilstaand beeld is, zonder klank of geur."
'Waarheid is vooral een woord. Over het verschijnsel kunnen we alvast twee dingen zeggen: het is alomvattend en grotendeels onzichtbaar. Gezien vanuit deze eigenschappen is een foto het slechtst om de waarheid weer te geven. Een foto toont letterlijk het zichtbare en slechts een welomlijnd stuk gedurende een zeer kort moment. Mensen die van een foto in de krant een soort waarheid verwachten, zijn naïef.Rest De Vos nog na te denken over mooie foto's. Wat is schoonheid? Wanneer zijn foto's mooi? Foto’s houden het midden tussen de herkenbare werkelijkheid en de geabstraheerde vormgeving, klink het, en zo komt het dat we het lijk van een vrouw na een verkeersongeluk [zie foto hierboven] gefotografeerd door de Mexicaan Enrique Metinides toch 'mooi' kunnen vinden.
Vaste parameters over wat een mooie foto is, zijn natuurlijk niet te geven. Het is een tweerichtingsverkeer, zegt De Vos. "De kwaliteit van de foto is afhankelijk van hetgeen hij teweegbrengt bij de kijker. Dat heeft een beetje te maken met de foto en veel met de kijker." In de laatste afdeling van Nerveuze pixels, ‘Elke foto is een uitzondering’, brengt De Vos die theorie in de praktijk en keert hij terug naar de discipline waar hij best in is: het recenseren van -- doorgaans weinig spectaculaire -- foto's. Hij doet dat empathisch als geen ander.
Slotsom: ik lees in Nerveuze pixels uiteindelijk als een poging om de digitale fotografie te laten aansluiten bij De Vos' opvattingen over ongebonden fotograferen, die hij in het prachtige boek Wilde fotografie (1984) ontvouwde. Daarin riep hij de foto-amateur (wat iets anders is dan de amateurfotograaf) op om zich niet te laten knechten door de tradities die fotoclubs en fototijdschriften hun contribuanten opleggen, of zich te verliezen in fototechniek.
In het licht daarvan kan De Vos zich niet anders dan een warme pleitbezorger van de digitale fotografie tonen, zo het medium al pleitbezorgers nodig heeft. Jammer dat zijn boek ontsierd wordt door slap eindredactiewerk ("webblog", "flikr" en handenvol interpunctiefouten).
Onlangs verscheen het boek Ik zie ik zie, waarin de Nederlandse fotocriticus Hans Aarsman naar verluidt iets gelijkaardigs doet. Binnenkort bespreking op Achille.
[afbeelding: Enrique Metinides, Untitled (Primer plano de mujer rubia arrollada e impactada contra un poste, en avenida Chapultepec, Ciudad de Mexico), 1979]
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer De Vos op Achille: De allermooiste foto van de wereld
Johan de Vos, Nerveuze pixels : fotografie sinds 1999
174 p.
Uitgeverij Mets en Schilt, 2009
____














