dinsdag 30 juni 2009

Papieren tijgers - Gerrit Komrij

Ik ben een kind van de jaren tachtig. Maar terwijl hetgene wat ik uit de geschiedenisboeken weet van de jaren vijftig en zestig vrolijk weergalmt onder mijn schedelpan, kan ik me geen duidelijk beeld vormen van de jaren zeventig. Alles lijkt ook zo grauw in die dagen. Ook literair. Gerrit Komrij bleek met Papieren tijgers (1978) niet meteen een gids die een duidelijk tijdsbeeld schiep. Simpelweg omdat toon en thema's in dit boek niet verschillen met deze in zijn huidige werk.

Ook in de essays en polemieken van Papieren tijgers stak Gerrit Komrij al bordkartonnen monumenten in de fik, ging hij tekeer tegen B-auteurs die schuilen onder het hoge afdak van de Literatuur met de grote L, en verdedigde hij een bepaald soort elitarisme. Alleen staat 'elitair' bij Komrij nooit gelijk met dikdoenerigheid of obscurantisme.

Nochtans begint Papieren tijgers betrekkelijk onschuldig. In de afdeling 'Op de hoek van de straat' staan onderhoudende stukken over volkscultuur: de boeken van Pietje Bell, strips, stereoscopie, Donald Gill en de geschiedenis van de prentbriefkaart. Kennelijk was het in de jaren zeventig ook nog de moeite om een strijdschrift te plegen tegen de roddelbladencultuur. Komrij noemt het "de hormonenindustrie": goedkope sensaties aanwakkeren, de mensen niet geven wat ze willen, maar wat ze bekend voorkomt. In een gefingeerd gesprekje veegt Komrij daarna de vloer aan met populisten die hem buitenspel proberen te zetten door 'm snobisme te verwijten. Komrij's repliek:

Uw popularisering is een masker, Jammerdal. U gaat op uw knieeën bij het volk zitten omdat het lucratief is. U vertelt het sprookjes. En vervolgens zegt u (en u hult zich als een kameleon in de kleur van uw tegenstander) dat u een mensenvriend bent… U kwekt met de dommeriken mee, en noemt het ’n culturele heldendaad.
Onder het kopje 'Kunst' staan stukken over, laten we zeggen, toegepaste kunstenaars: kappers ("de moderne avant-garde"), decorateurs, kostuumontwerpers (Erté) en petomanen ("een petomaan is iemand die gasophopingen in dier voege manipuleert dat het resultaat een kunstwerk is, of althans verbazing teweegbrengt"). Komrij kondigt tussendoor zijn strontboek Kakafonie aan. In het opstel 'De literaire anekdote' maakt hij duidelijk waar het de anekdotenbundel van Brouwers, Zachtjes knetteren de letteren, aan schort (de stille aanname dat lullige verhalen over schrijvers van een wezenlijk andere orde zouden zijn dan die van een gewone sterveling). En in een stuk over interieurmodes legt hij uit waarin kunst verschilt met kunstnijverheid.
Binnenhuistheorieën berusten niet op een voortgaande ontwikkeling, waarbij elke volgende stap een verbetering of een aanvulling is van de vorige, maar wisselen elkaar af als de seizoenen, ze bezitten alleen waarde zolang ze duren. Ze zijn oneindig herhaalbaar.
In de afdelingen 'Reputaties', 'Neo-obscurantisme' en 'Het jongste dal en ander piepschuim' gaan de afbraakwerkzaamheden pas echt van start. De basisingrediënten van de Scientology-kerk -- ook toen al geld en afpersing -- worden te kijk gezet. De eigendunk van Ida Gerhardt wordt gehekeld (in een stuk waarin Komrij acht keer hetzelfde zegt, maar goed). Jacques Hamelink wordt bestraffend toegesproken over zijn pretentieuze verhalen. De mateloze zelfvergroting van Harry Mulisch in Mijn getijdenboek wordt beschimpt. Het laagje modernistische make-up op de oerconservatieve poëzie van Huub Oosterhuis ("de copywriter van de Firma Christus & Co") wordt weggekrabd. Voorts wordt de mediocriteit van de Nacht van de Poëzie geestig geboekstaafd. Komrij schrikt er immers niet voor terug om het hele literaire wereldje tegelijk aan te pakken.
De literatuur is, als alle kunsten, bedrog, en wat zo indrukwekkend de ‘letterkundige wereld’ heet, de literaire kliek, is slechts een samenzwering om dat bedrog in stand te houden. Dichter über Dichter, het zijn wederom niet alleen de epigonen die elkaar bejubelen; iedereen in het ‘vak’ is erbij gebaat de uitzonderingspositie van De Literatuur te handhaven. ’t Is één verrukkelijke oplichterij, met haar eigen magistrale verkooppraatjes, het is een bordeel vol Sirenen, maar critici zouden er niet zo dapper aan mee moeten doen. Ze zouden hun redelijkheid met wat meer graagte moeten vervangen door liederlijkheid, en wat meer afstand moeten doen van hun onzinnige exuberantie aan begrip. Ze zouden altijd banaler moeten zijn, dichter bij de lezers moeten staan, en niet meebouwen, maar slopen, plompverloren slopen. ’t Is nu een zootje angstige derivaten, de critici, onder de Paraplu van ’t Nut van ’t Onalgemeen. Het was de taak van de kritiek mede kunst te zijn, en zo is het ook nu. Het is een schande, waarachtig, om met begrip je geld te verdienen.
Er is nóg een bedenkelijk verschijnsel, het kan niet op: de literatuurstudenten aan onze universiteiten, die in hun laboratoriumpositie steeds luider zijn gaan beweren dat zij weten wat literatuur is, en moet zijn. Ze bestuderen niet alleen de literatuur, wat zou betekenen dat hun studie met de aard van de literatuur mee zou veranderen, nee, ze matigen zich aan dat ze kunnen, ja dienen aan te geven welke richting ‘de’ literatuur zal inslaan. (...)
Velen uit dit heerleger vrijgestelde suikerlords van de letterkunde schrijven ook weer hun eigen literaire kritieken, zodat de cirkel van bedrog rond is. Dat deze suikerlords binnenkort allen leraren Nederlands zullen zijn, het maakt ’t er niet vrolijker op.
In een paar recensies vertelt Komrij klaar en duidelijk waar het in zoveel Hollandse romans misloopt: het wereldbeeld is kunstmatig, bedacht, te groen achter de oren; de dialoog bestaat uit beuzelachtige gesprekken die, onder het mom van diepzinnige psychologie, onevenredig dramatische gevolgen kennen; grote woorden moeten kleine gedachten camoufleren.

In de jaren zeventig had Komrij zelfs zo'n meedogenloze reputatie opgebouwd dat niemand 'm meer geloofde wanneer hij voor de verandering een boek (Een romance van Dirk Ayelt Kooiman) de lucht inprees. [*De achterdocht was terecht, zie de commentaren hieronder.]

Toch kan hij werkelijk een boek prijzen. In de afdeling 'Eén en al redelijkheid' laat hij zich lovend uit over de verhalen van Bob den Uyl en Dood weermiddel van F.B. Hotz. In dat laatste geval legt hij fijntjes uit hoe je een historische roman moet schrijven: niet met negentiende-eeuwse beschrijflust, maar door het verzinnen van details waar niemand aan denkt.

Romans prijzen is verre van makkelijk, merkt Komrij terloops op, gezien Hollandse literatoren elkaar al heelder dagen volgens bovenstaand recept met superlatieven om de oren slaan.

In het slot van Papieren tijgers, de afdeling 'De negentiende eeuw', mag Komrij een van zijn stokpaardjes berijden. De negentiende-eeuwse poëzie, met name de Tachtigers die de beweging van Tachtig "meden of bestreden".

Mooi boek. Noodzakelijk boek.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve biografie in de commentaren hieronder

Gerrit Komrij, Papieren tijgers
233 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1980
Oorspr. (1978)

____

maandag 29 juni 2009

222 schrijvers - Eddy en Tessa Posthuma de Boer

De tijd dat ik me volledig kon overgeven aan schrijversfoto's is voorbij. Er is te veel bedrog in het spel. Het zijn gevleide portretten -- iedereen die schrijvers in het echt ontmoet, of een onbarmhartig plaatje van ze vindt op internet, weet dat. Zeker zwart/wit-foto's beelden de schrijver af zoals hij maar al te graag wil zijn: schrander, distinct en getormenteerd. Plus: op de achterflap van de nieuwe roman prijkt altijd een foto van tien jaar geleden.

Schrijvers zijn ook al ijdel genoeg van zichzelf; voor mijn part hoeven er geen aparte literaire fotoboeken worden gepubliceerd. Ondanks het verkooppraatje van de obligate Cees Nooteboom, staan in dit boek van vader en dochter Posthuma de Boer vooral schrijvers die zich donders goed bewust zijn van de camera. Je herkent ze aan het diepzinnige wegkijken, het luxueuze handgebaar, de uitgekiende setting tussen werktafel en boekenkast.

Mijn ergernis heeft misschien te maken met de bijna algemene keuze voor esthetisering in de Vlaamse persfotografie. Over fotografie wordt nogal duur gedaan, terwijl met een paar eenvoudige kunstgrepen in Photoshop een banale foto makkelijk een aureool van scherpzinnigheid krijgt. Trek de foto naar grayscale, foefel wat met de zwart/wit-drempel en -- een truc die in 222 schrijvers váák wordt toegepast -- maak de omgeving rond het gezicht flou, zodat de blik er meteen uitspringt.

Het is niet dat ik het niet mooi vind, het wordt me soms gewoon te veel. Vroeger genoot ik van een kunstzinnig portret. Maar nu zowat elke flapdrol door de Vanfleteren-filter wordt gehaald, is er niks meer aan.

Dit boek verscheen tegelijkertijd met de tentoonstelling van de foto’s in het Letterkundig Museum te Den Haag. Beetje vreemd, zo'n opzet. Want dat aan een foto te zien dat het om schrijvers gaat, zoals de ondertitel 'literaire portretten' doet uitschijnen, is onzin. Judith Mok zou evengoed een poetsvrouw kunnen zijn, Marcel Möring laborant, Vonne van der Meer verpleegster, Alfred Schaffer slagersjongen. Dat we soms toch een glimp van een literaire kern in elk plaatje menen waar te nemen, komt omdat we het werk van de schrijver of diens reputatie kennen.

Ik denk dan ook dat die voorkennis voor het grootste deel verantwoordelijk is voor de indruk die een foto op ons maakt. Anders is niet te verklaren waarom 222 schrijvers me niet zo heel veel deed, in tegenstelling met de fotoboeken van pakweg Gisèle Freund. Zij heeft dan ook de hele groten gefotografeerd -- Benjamin, Cocteau, Joyce, Valéry. Ik ken hun werk, ken waar hun namen voor staan, en wanneer ik ze dan eindelijk afgebeeld zie, gaat er een kleine schok door me heen: de reputatie is vlees geworden, het genie toont zich in menselijke gedaante.

Bij de Posthuma's de Boer betrapte ik me er vooral op lang te blijven stilstaan bij de mooie vrouwen in dit boek. Het is niet anders. Nederland kent vele mooie schrijfsters: Maria Barnas, Marion Bloem, Conny Braam, Désanne van Brederode, Marja Brouwers, Hiske Dibbets, Joke J. Hermsen, Nausicaa Marbe, Manon Uphoff.

Voor het overige komen de aardigste portretten van de schrijvers die ongegeneerd het medium misbruiken, en doorgaan op het mystifiërende elan dat ze in hun werk tentoonspreiden. De hyperrealistische enscenering van Gerard Reve bijvoorbeeld, of Jules Deelder, uitgedost als dandy (zie hieronder).

Bij elke foto hoort een citaat waarin de schrijver iets vertelt over zijn werk, of over de act van het schrijven. Ik merk in mijn notities dat ik vier jaar geleden tachtig procent van die quotes heb overgetikt. Nu schijnen de meeste quotes me leeg toe. Ik word ouder en mijn interesses evolueren mee. Ronkende schrijversclichés doen me steeds minder. Mijn voorkeur gaat nu uit naar eenvoudige uitspraken die doen nadenken.

(Gebaseerd op notities van 20 november 2005.)

> selectie van opgenomen schrijvers in de commentaren hieronder
> meer over fotografie op Achille

Eddy en Tessa Posthuma de Boer, 222 schrijvers : literaire portretten
245 p.
Uitgeverij Bas Lubberhuizen, 2005



Elk woord is als een lucifer, afgestreken in de duisternis. Alles wordt verlicht.
Peter Bekkers

Naarmate de schrijver schrijft, gumt hij zichzelf uit.
Jeroen Brouwers

Schrijven is een manier om te bestaan. Je bestaat als dichter niet wanneer daar niet de stijl is als bewijs van je bestaan. En stijl is tegelijkertijd ook een bewijs van lichamelijk bestaan.
Luuk Gruwez

Schrijven is ook wraak nemen op de werkelijkheid. Veel verhalen zijn ontstaan uit woede over de schijnheiligheid in mijn omgeving.
Arnon Grunberg

Ik schrijf om iets op te helderen waar ik de helft van vergeten ben, waar ik me slechts fragmenten van herinner. Ik schrijf uiteindelijk mijn eigen -- inwendige -- geschiedenis.
Jacques Hamelink

Ik voel geen enkele behoefte om zo karig mogelijk te schrijven; ik zie daar ook helemaal niet de verdienste van.
A.F.Th. Van der Heijden

Ik schrijf, omdat ik in iedere gedachte die ik heb, verloren ga.
W.F. Hermans

Schrijven is voor mij een manier om een eigen territorium uit te zetten.
Dick Hillenius

Schrijven is de dwingende behoefte om onverborgen te blijven. Is de consequentie van het verlangen om jezelf op te bergen in wat zich jou herinnert. Om schuldeloos te zijn.
C.O. Jellema

Schrijven is blijven zitten tot het er staat, en als het er staat weet je dat uitsluitend zelf.
Kees van Kooten

Ik schrik altijd als ik de planken zie met de boeken die ik heb geschreven. Wanneer in godsnaam? Welke idioot zit er in me die ik niet ken, nooit gekend heb en niet wil kennen?
Gerrit Komrij

Schrijven is ontzettend moeilijk. Je moet snel denken en snel combineren. Vergelijk het met filmen: je bent tegelijkertijd bezig met het opnemen en monteren.
Anton Koolhaas

Ik wil dat mijn boeken zowel alpha als bèta zijn. Ik wil een hele wereld beschrijven en niet een helft.
Gerrit Krol

De geschiedenis van een fascinatie. Zo zou ik elk boek van me wel willen noemen.
Doeschka Meijsing

Ik kan het onbegrijpelijke niet begrijpelijk maken. Ook niet als ik het andere namen geef.
Adriaan Morriën

Een verhaal is een lijst en wat je erin plaatst en de manier waarop krijgt door die daad samenhang en betekenis.
Erwin Mortier

Elk verhaal wint bij rigoureuze schrappingen. De meeste verhalen kunnen beter helemáál geschrapt worden, hetgeen ik tot mijn verlichting de laatste jaren veelvuldig heb gedaan.
Geert van Oorschot

Een goed boek is datgene wat aanzet tot schrijven.
Monika van Paemel

Schrijven komt bij mij voort uit een diepe behoefte om iets met een begin, een midden en een eind te maken.
J. Rentes de Carvalho

We hoeven maar een metafysische bril op te zetten en de werkelijkheid wordt uitschuifbaar.
August Willemsen

____ fotokey

zondag 28 juni 2009

Uit de feedreader [11]

> Free mathematics books

> What's so great about the Dewey decimal system?

> Assigning Wikipedia in a US history survey

> Literary tourism and the quest for authenticity

> What if the world emobied our highest potential?

> Far from liberating us, technology isolates us and makes us stupid

> Chris Anderson claims to know how the internet will rewrite the rules of business

> What is human wisdom?

> URL shortening services

> The French way of doing things

> High stakes in Mahmoud Ahmadinejad’s reelection campaign

> Reading Khamenei: the world view of Iran's most powerful leader [.pdf]

> Cheever in charge

> Data center overload

> Teaching in the twenty-first century

> 15 ways to fix the world

> Uncomfortable plot summaries

> Clive Thompson on the future of reading in a digital world

> Caricatures of writers, artists, philosophers and scientists, by illustrator Mike Caplanis

> What Jewish book changed your life?

> What ever happened to the live album?

> Malcolm Gladwell, everyone's favorite social scientist

> Richard Pryor: stand-up philosopher

> The entire archives of Nature, stretching back to the first issue in 1869, have been made available online

> The world of famous diamonds

> The Quaterly Conversation book review archive

> Stephane Halleux, sculpteur

> Is the US really a nation of god-fearing Darwin-haters?

> Why Europeans have it wrong about Americans

> Joseph Conrad’s tragic predicament

> A worrier’s guide to our economic future

> Malcolm Gladwell: the future of the media

> The Reading Miss Nude 2009

> The long goodbye? The book business and its woes

> Sean Gourley on the mathematics of war [TED]

> For a happier life, shake off your misplaced optimism

> I suppose you could describe literary festivals as a sort of live porn show for the educated classes

> Orwell’s instructive errors

> Short takes on books that don't exist

> The American system of education as it now exists is a status machine

> Who is Spengler?

> From Animal Farm to Zog, an A-Z of Orwell

> Michael Dirda on 'The complete Ripley novels'

> Secret of Googlenomics

> Aronson's book 'Living without God' welcomes the emergence of the New Atheists

> Julian Bell on a chromatic culture clash

> That “comics” persists in connoting “pulp” and “graphic novels” implies something “literary” is purely a matter of convention

> Web usability consultant Jakob Nielsen discusses the hazards and limitations of tweeting

> The uncelebrated beauty of men’s sexuality

> 6 ways that porn runs the world

> We should not rue the passing of a bookish golden age that never existed

> From Shakespeare's 'Cardenio' to Ovid's Getic poetry, missing texts hold tantalizing possibilities

> Julian Barnes on John Updike

> The body in the library - book covers

> Le site d'un bouquiniste des quais de Paris

> Adaptation: on literary darwinism

> The reason men want sex and women want to cuddle is all about our respective brains

> Twelve top female writers celebrate the many faces of Michelle Obama

> The competing myths about fresh food

> ‘Two cultures’ turns 50

> Why we love prequels

> The 13 people who made torture possible

> Why do we often care more about imaginary characters than real people?

> Encyclopedic knowledge, then vs. now

> Review of 'Memoirs' of duc de Saint-Simon

> 5 terrifying bastardizations of the Wikipedia model

> The global food crisis

> Thousands in scramble for free books after Amazon supplier abandons warehouse

> Souvenirs verdringen boeken langs de Seine

> German literature in exile

> French bibliomaniacs [YouTube]

> The 5 most likely ways humans will become obsolete

> Who controls the internet?

> If intellectuals disappear from the public eye, academia may suffer

> Do narcissists have better sex?

> Harold Bloom on Harry Potter

> My Father's Library - Finn-Olaf Jones

> El Ateneo op Flickr

> A new book explores the poetic, ever-changing world of slang

> Like boiling a frog : on Andrew Lih's 'The Wikipedia revolution'

> It's not Google that's killing the media

> The Kundera conundrum

> A guide to the best historical novels and tales (1911)

> One hundred best books : with commentary and an essay on books and reading (1916)

> A guide to historical fiction (1914)

> Comfort found in good old books (1911)

> The choice of books (1905)

> A thousand of the best novels (1919)

> What is the deal with Western men's erotic obsession with the East?

> The book-lover, a guide to the best reading (1889)

> Books for village libraries (1895)

> The world's best books: suggestions for the selection of a home library (ca. 1909)

> A guide to identifying fake dust jackets

> Bloom's western canon with links to fulltexts online

____

Spaties [2]

Noot aan zelf. Het aanpassen van de spaties in Blogger maakt het in Internet Explorer onmogelijk op het zicht te bepalen of ik tussen broodtekst en citaat genoeg zachte returns heb gegeven. Doe ik dat niet, de tovertruc van vier zachte returns geven en met Ctrl+Z de laatste return ongedaan maken, dan is het resultaat in Firefox en Opera bepaald desastreus.



____

vrijdag 26 juni 2009

Classics for pleasure - Michael Dirda

Op jonge leeftijd las Michael Dirda, net als zoveel Amerikaanse intellectuelen in wording, het Lifetime reading plan van Clifton Fadiman. De leeslijst der leeslijsten, zeg maar. Maar toen Dirda zelf belezen werd, want een professioneel criticus, moest hij vaststellen dat er nogal wat ontbrak in die canon. In Classics for pleasure dicht hij de gaten. Als de echt grote jongens van Fadiman de witte toetsen op het klavier zijn, dan zijn de favorieten van Dirda de zwarte toetsen, de halve tonen.

Waarmee dit al het derde boek op rij is dat ik van Michael Dirda las waarin hij het uitsluitend over zijn lievelingsboeken heeft. Hij moet een van de weinige critici zijn die pas echt in zijn element is wanneer hij boeken mag aanprijzen. Voor Dirda is leesplezier belangrijker dan kritisch inhakken op een boek, en daarmee onderscheidt hij zich van een heel legioen recensenten dat cynisch en apathisch wordt door de praktijk van alledag.

Ook een eerbiedwaardige canon draait voor Dirda in de eerste plaats om leesplezier. Klassiekers zijn voor hem geen boeken die de eeuwiggroene status te danken hebben aan hun opvoedkundige waarde -- die dus omwille van een vermeend educatief aspect behoren gelezen te worden. Het is net andersom: een klassieker wordt een klassieker juist omdat mensen generatie na generatie het boek graag hebben gelezen. Naïef uitgangspunt, maar sympathiek uitgangspunt.

In Classics for pleasure schrijft Dirda over zijn persoonlijke favorieten: het boek herbergt een negentigtal korte stukken (twee à drie pagina's) die het informatieve en analytische van een essay paren aan het aanstekelijke van een liefdesverklaring.

Brief essays of introduction and invitation, hoping through summary, tantalizing quotation, and concise biography to convey a writer’s or a book’s particular magic. In general, my approach is that of a passionate reader rather than that of a critic or scholar.
Klinkt democratisch, maar vergis u niet: in de praktijk kan Dirda's trompetgeschal enkel bedoeld zijn voor hoogopgeleide lezers. Wie Fadiman of een gelijksoortige canon niet keurig in zijn kop heeft zitten, loopt vast verloren.

Dat het Dirda menens is met wat hij in eerdere boeken vertelde, valt af te lezen aan de vele stokpaardjes die in Classics for pleasure terugkomen. De voornaamste referenties zijn nog steeds dezelfde, en dat maakt Dirda tot een betrouwbaar heerschap.

Duidelijker dan ooit is ook wat Dirda nu een goed boek vindt. Bij hem zelden boeken met trendy thema's of grote maatschappelijke relevantie. Dirda houdt van drie dingen: van goede verhalen, van eeuwenoude wijsheden, en van esprit. Vooral dat laatste. Wit -- het woord valt wel tien keer.

Dirda's liefde voor verhalen komt duidelijk naar voren in zijn keuze. Naast grote (auto)biografieën, reiskronieken, cultuurhistorische kleppers en traditionele literaire romans, vind je in Classics for pleasure sprookjes, mythen, sagen, ridderromans en negentiende-eeuwse/vroeg-twintigste-eeuwse genrefictie.

Opnieuw vond ik dat laatste het interessantste deel: mijn kennis over de Victorianen en Edwardianen, over Regency romance, over typisch tijdsgebonden auteurs als Walter de la Mare is nogal pover. Dirda maakt trouwens van de gelegenheid gebruik om een paar kapotverfilmde boeken zoals Dracula of Frankenstein te rehabiliteren.

Redelijk wat boeken uit Classics for pleasure las ik zelf al; de andere kende ik meestal wel van inhoud en reputatie. Daarom ging ik sterk letten op welke middelen Dirda inzet om lezers te overtuigen.

Dat wisselt nogal per opstel. Er is die welgemutste toon van Dirda natuurlijk, de toon van een man die de foto van een mooie vrouw ophoudt en roept: kijk dan toch! Soms is een korte, vitale biografie van de schrijver voldoende om de aandacht te wekken: wat Dirda schrijft over het leven van Erasmus, Pound of Malraux prikkelt de verbeelding zeer. Weer op andere plekken kiest hij een autobiografisch citaat van de auteur, dat een sleutel kan zijn tot zijn of haar werk. Of verzint hij zelf een snedige pitch ("Think of the Icelandic sagas as Mafia crime dramas, or spaghetti westerns on ice.")

Daarnaast spelen psychologische factoren een rol. De autoriteit van Dirda's belezenheid weegt zwaar door. Van elke auteur die hij bespreekt, geeft Dirda de indruk alle hoofdwerken te hebben gelezen -- niet alleen het boek dat ter tafel ligt. Op de vraag wat we moeten lezen van Tsjechov, antwoordt hij doodleuk: diens "short stories, letters and plays".

Wat het beste werkte bij mij, is wanneer Dirda summier de receptiegeschiedenis van een boek ging verhalen. Het is altijd aangenaam je als lezer deel te voelen van een rijke traditie van eerdere lezers. Het effect is dat van een omgekeerde trechter: een boek met een goede stamboom, dat voor je voeten aanspoelt, en speciaal op jou lijkt toegespitst.
Up until the nineteenth century, Cicero was probably the most influential cultural and philosophical of Roman antiquity. His admirers ranged from St. Jerome, who once dreamt that he was more of a Ciceronian than a Christian, to Erasmus, who dubbed the pagan writer St. Cicero. Petrarch established him as a model for the Renaissance humanist, while eighteenth-century thinkers as eminent as Voltaire, Kant, Schiller, John Adams, and David Hume turned to him as a moralist and guide to life. During the Renaissance and the seventeenth century Cicero’s orations provided textbook examples of stately, majestic prose, not only for those who worked in Latin but also for many writing in the European vernacular languages, such as Thomas Browne and Bossuet. Edward Gibbon’s elegantly balanced sentences also bear the mark of his study of the antique Roman’s diction.
In modern times, however, Cicero had frequently come to be viewed as little more than a second-rate littérateur. As a thinker, he borrows most of his ideas from the Greeks; as a politician, he sometimes seems less a beacon of stern and noble virtue than a flexible trimmer (or perhaps we should say a true politician). His once admired speeches now sound over-elaborate and even pompous.
Waarna Dirda de waarde van Cicero voor de hedendaagse lezer gaat verdedigen. En als hij het alleen niet redt, worden aanbevelingen van andere beroemde schrijvers of critici opgesomd.

Dirda zorgt er altijd voor de plussen van een schrijver in de kijker te zetten ("Zola is goed in het portretteren van feestende, panische of oproerige volksmassa's") en bewaart zedig het stilzwijgen over onvolkomenheden. De verzamelde kwaliteiten van een schrijver ballen in één paragraaf, behoort tot de voornaamste talenten van Dirda. Zijn stukken openen er dikwijls mee.
We think of nineteenth-century novels as many things, but almost always as long. Phrases like “triple-decker” and “published in parts” hardly dispel this image, nor does the (quite properly) canonical status of such fat cats als Middlemarch, Bleak House and Vanity Fair. Yet some nineteenth-century fiction is as pointed and concise as any modern bestseller -- Alice in Wonderland, for instance, or the seven witty “conversation” novels of Thomas Love Peacock.

[...]

Ask readers to choose the most delightful work of medieval literature, and odds are that Sir Gawain and the Green Knight would head the list. It conveys a wonderful Mozartean lightness and wit, an air of make-believe and festivity, tinged with real darkness. It’s a perfect adult Christmas story. Just listen:

[...]

What Sherlock Holmes’s adventures are to the mystery, M.R. James’s thirty or so “ghost stories of an antiquary” are to horror and the supernatural. In his lifetime James was the greatest English authority on the New Testament apocrypha, a bibliographer of medieval manuscripts, an amateur expert on early church architecture and decoration, a Cambridge don, and eventually the provost of Eton. All these contribute their part to what are widely regarded as the finest ghostly tales in English.
De zwakte van Dirda is dat hij, net als ik, veel te veel heil ziet in adjectieven. Soms zíe je hem bijna in het woordenboek bladeren naar synoniemen van goed, spannend of fantastisch. Gemakzuchtige lyriek ("It lingers in the memory like a ghostly visitation or a dream.") is ook niet van de lucht. Classics for pleasure laat me bovendien zien hoe het gebruik van citaten vaak alleen lege galm oplevert; woorden waar één iemand aan hecht, met de rest van het boek in het achterhoofd, slaan uit de context gerukt helemaal dood voor iemand anders.

De uiteindelijke selectie? Die wordt een beetje scheefgetrokken door Dirda's achtergrond. Hij is een Amerikaan die Engelse letteren studeerde aan de universiteit. Daarom serveert hij voor tachtig procent Engelstalige boeken. Gelukkig verbleef Dirda als jongeman ook een tijdje in Frankrijk, zodat we een paar noodzakelijke Fransen niet hoeven te missen. Voor het overige gênant weinig wereldliteratuur. Wel een paar klassieken, waarvan Dirda schijnbaar alle voorradige vertalingen heeft gelezen.

Voor de gemiddelde Amerikaanse lezer moet Dirda's selectie exotischer ogen dan voor de gemiddelde Europeaan. Anders is niet te verklaren waarom dit boek zo'n brave, veilige indruk op mij maakte. Hoe meer ik ging nadenken over welke schrijvers ík in een boek als dit zou opnemen, hoe meer ik hen ging missen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lees ook in dit genre: Waarom zou je de klassieken lezen? - Italo Calvino
> meer Dirda op Achille: Book by book en Readings
> bibliografie in de commentaren hieronder

Michael Dirda, Classics for pleasure
341 p.
Uitgeverij Harcourt, 2007
____

donderdag 25 juni 2009

The Selvedge Yard

Pictures and comments.

> http://theselvedgeyard.wordpress.com/

____ fotokey

Face out books

"This venue has been created to appreciate the practice of book cover design. This is not a blog to rip apart what we dislike -- everyone has a different aesthetic. This is a blog about the challenges and outcomes of a project. We are here to teach and be taught by one another."

> http://www.faceoutbooks.com/

____

1001 rules for my unborn son

"Let's get some things straight before I get old and uncool."

> http://rulesformyunbornson.tumblr.com/

____

woensdag 24 juni 2009

Mijn vrouw & andere stukken - Ronald Giphart

Een verzameling columns die Ronald Giphart schreef voor de Volkskrant in de tweede helft van 2008. Op verzoek van Martin Bril moest hij in die periode bijna dagelijks opdraven als diens body double ("reservebril"). Giphart haalt niet het niveau van Bril. Giphart doet wat een matige columnist doet. Hij kijkt net als u en ik televisie en leest de krant, alleen heeft hij wel de tijd en een sluitend alibi om dat netjes op te schrijven.

De columns van Ronald Giphart hebben een respectabele lengte. Dat, gecombineerd met die dagelijkse deadlines, kon alleen maar resulteren in sterk afgelengd proza (breek me de bek niet open) en helaas bedroog mijn intuïtie mij niet: heel snel viel te overzien waar zo'n stukje over ging en naar welke oever Giphart uiteindelijk zou afdrijven. Zoals dat bovendien gaat in dit genre zijn de onderwerpen in Mijn vrouw & andere stukken zeldend boeiend op zich: lectuur, televisie, zoonlief, dochterlief, gezinstafereeltjes. Op de achtergrond ruist gelukkig ook de actualiteit, van voetbalkampioenengekte tot presidentsverkiezingenkoorts.

Een paar van de aardigste bladzijden staan in de afdeling 'Bonusmateriaal' -- stukken die niet in de Volkskrant verschenen, maar in het magazine Rails. Het profiel van de drankzuchtige literatuurdocent Redbad Fokkema, bijvoorbeeld, had ik niet willen missen. De beste columns -- 'Stoïjcijn', 'Euthanasie light' -- schrijft Giphart naar mijn smaak over zijn overleden vader. Ook mooi: de plekken waar hij mijmert over wat het nu betekent aan de verkeerde kant van de dertig te zijn.

Een wombat is een kruising tussen een marmot en een kangoeroe. The Wombats is de naam van een driemanschap Engelse jochies dat stormenderwijs de popwereld verovert. Het staat in een traditie van Britse bands als de Arctic Monkeys en de Kaiser Chiefs, die hun muziek hebben van Blur en Oasis, die hun sound op hun beurt creatief hebben gejat van The La’s, die weer waren beïnvloed door XTC, dat weer teruggreep op The Jam, dat zich liet inspireren door The Small Faces en The Who -- en dan zijn we inmiddels aan het eind van de jaren zestig aanbeland, toen de huidige Volkskrant-lezer gemiddeld elf jaar was.
Wat ik bedoel: er verandert niet zoveel. The Wombats maken uitgelaten energieke humorvolle muziek over meisjes, verliefdheid, veroveringen en vernederingen. Als je jong bent zit het leven simpel in elkaar: jongens willen met meisjes. Als die meisjes daar op ingaan levert dat geweldige nummers op, en als die meisjes dat niet doen ook.
Als een en ander werkelijk te flets dreigt uit te vallen, probeert Giphart, net als in de bundel Ten liefde! van enkele jaren geleden, zijn stukjes op te pimpen met tussen duim en wijsvinger vermalen korreltjes psychologie en ethologie, type "uit onderzoek is gebleken dat" en "volgens psychologen zou". Het best lukt dat in 'Dissen', waarin Giphart de clash in Pauw & Witteman tussen Freek de Jonge en Peter R. de Vries (die komt "egotoeteren over de val waarin hij Joran van der Sloot nu weer heeft laten lopen") afmeet aan de theorieën die Frans de Waal ontvouwt in Chimpanseepolitiek.

Mijn vrouw & andere stukken is minder grappig dan verhoopt. Misschien is Gipharts humor mijn humor niet, en moet ik dat eindelijk eens inzien. Een zoontje dat vloekt wordt algauw een "Gilles-de-la-tourettepatiëntje" genoemd, en Giphart grossiert in vondstjes als "hoestproestend" en "riltrillend". Ik weet: bepaalde mensen zijn daar dol op. Wim Daniëls heeft die dingen verzameld in een woordenboekje dat ik niet zal inkijken.

Twee keer moest ik luidop lachen. Met de definitie van de in bepaalde uithoeken van het internet inderdaad breedaangeprezen Fleshlight ("een van cyberskin gemaakte vrouwelijke vestibule, verstopt in een zaklantaarn") en met één van Gipharts vakantie-ervaringen: "Op de meeste plekken is het in het heelal min 270 graden, maar hier in Normandië is het zowaar redelijk broeierig voor een onbewolkte nacht: een graad of 8."

Daarnaast was me sympathiek hoe ongegeneerd Giphart vertelt over zijn werkwijze op inspiratiearme momenten. Google brengt dan soelaas; in geoefende handen wordt internet een bodemloze toverdoos.
Soms schrijft een scène of fragment zich vanzelf. Dan heb ik een spetterend idee onder de douche en kan ik niet wachten om schuimend achter mijn computer te schieten en die column eruit te beuken. Soms ook heb ik een inval die me niet meteen naar mijn werkkamer stuurt. Eerst even iemand bellen. Even in een oude New Yorker bladeren. Even in de koelkast kijken. Even zogenaamd nuttige zoektermen koekelen.

[...]

De mogelijkheden van Google zijn grenzeloos. Waar ik vroeger in een zoektocht naar inspiratie lukraak door mijn boekenkast ging, google ik tegenwoordig steeds vaker combinaties van lukraak gekozen zoektermen. Zojuist typte ik bijvoorbeeld de volkomen willekeurige woorden aardbeien, verlangen en Suriname. Het eerste zoekresultaat was een verhandeling van Michiel van Kempen over gelegenheidsdichters. Geweldig!
Voor de rest was het met dit boekje of ik een verkeerde trein had genomen. Ik kwam niet aan waar ik zijn wou, maar hey, de zon scheen, het landschap was mooi, en de zetels comfortabel.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Giphart op Achille: De beste schrijver van Nederland
> zeer beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

Ronald Giphart, Mijn vrouw & andere stukken
265 p.
Uitgeverij Podium, 2009

____

dinsdag 23 juni 2009

Inquirere

Ha! Blogger maakt eindelijk werk van deftige zoekmogelijkheden, via een netjes ingebedde versie van Blogsearch.

Dat was hard nodig. Voorheen, in de navbar, kreeg je geen zoekresultaten, maar direct een eindeloze sliert posts. Gegarandeerd scrollplezier. Nu offreert de nieuwe search box de titel van elke post en enige regels context rond de zoekterm. Je kan nu zoeken (1) in dit weblog, (2) in verlinkte sites (bij mij is dat zustersite Prins van Denemarken) en (3) op het internet. Zoekresultaten openen in een nieuw venster.

Het is nog even wachten op meer mogelijkheden om de zoekresultaten te presenteren en op slimme jongens met tips om eigenhandig een en ander te tweaken. Zo wil ik het Google-logo daar weg hebben en ik wil het tabblad 'Gekoppeld vanaf deze locatie' herbenoemen.

Voorlopige bugs: de paginering bij zoeken in 'Deze blog' is niet aanklikbaar, en vele oude posts zijn kennelijk nog niet geïndexeerd.

Om Booleaans te zoeken: plak het min- of plusteken aan de relevante zoekterm. Trunceren is niet mogelijk.
____

De maker - Jorge Luis Borges

De prozaboeken van Borges frustreren me, zonder uitzondering. Ook de miniaturen in De maker zijn weer kleine doosjes die ik niet openmaken kan. Ik zit eraan te peuteren, maar doe alleen mijn vingers pijn. Wil ik dit boek bespreken, dan moet ik me noodgedwongen baseren op het geluid dat ik hoor als ik aan de doosjes schud. Een tweede zaak die me ergert zijn rabiate Borges-fans, wier algemene loftuitingen me nooit een stap verder brengen.

Het proza lezen van Jorge Luis Borges is als het leggen van het vlak van je hand op een metalen plaat. Het voelt altijd kil aan. Borges is een compacte schrijver, met door en door rationele, wijsneuzige, door de halve wereldliteratuur ingegeven onderwerpen. Ik heb weinig meegemaakt maar veel gelezen, zegt Borges met nadruk aan het eind van De maker.

Maar het is niet dat aspect dat me stoort. En tot op zekere hoogte zie ik ook wel wat de Argentijnse schrijver doet. Borges onderzoekt altijd de relatie tussen schijnbare tegenstellingen. De maker gaat over de relatie tussen de dingen en de woorden voor die dingen, de dromer en het gedroomde, het deel en het geheel, oorzaak en gevolg, origineel en replica, bron en echo, kunst en natuur, herhaling en variatie.

In zijn beste verhalen (in deze context: degene waarvan de clue me het minst ontglipt) kijkt Borges pesterig of hij niet kan tornen aan de ijzeren logica van die concepten. Is de historische zeventiende eeuw van Cervantes inmiddels niet even mythisch als de waandenkbeelden van zijn grote held, Don Quijote? Als in onze dromen de beelden staan voor de indrukken waardoor ze veroorzaakt worden, niet voor de indrukken zelf ("wij voelen geen afgrijzen omdat een sfinx op ons drukt, wij dromen een sfinx ter verklaring van het afgrijzen dat wij voelen"), vanwaar halen we dan de illusie dat we de essentie van dromen kunnen uitleggen aan iemand, door gewoon die beelden op te sommen? En waarom zijn woorden soms krachtiger dan hetgeen waar ze naar verwijzen? (Borges heeft een mooie allegorie over een dichter die door een gedicht over een paleis dat paleis in de ogen van de opdrachtgever, de Chinese keizer, onherkenbaar verminkt, zelfs doet verdampen.)

Mooi, mooi. Het punt is: evenzoveel keren is de laatste gedachtensprong van Borges me er teveel aan. Iemand wordt in een straatgevecht vermoord, net als Caesar door zijn bloedverwanten, omdat deze bekende scène zich nu eenmaal eeuwig herhaalt. God schept een gekooid luipaard opdat Dante er in zijn Inferno over zou kunnen dichten. De mensen hebben het afscheid bedacht omdat ze weten dat ze op de een of andere manier onsterfelijk zijn, ook al beschouwen zij zichzelf als toevallig en vergankelijk. Telkens bots ik frontaal op dergelijke conclusies. Waarna enkel ergernis rest. Is dit het dan? Is dit het maar?

Geef mij maar de gedichten van Borges. Daar ben ik wel al tien jaar een bewonderaar van. Ooit hoop ik ze vlot in het Spaans te kunnen lezen, al was het maar om te kijken wat de vertaling met deze poëzie doet. In het Nederlands lijken het typisch de gedichten van een denker. Filosofisch parlando op rijm, streng gestructureerd in kwatrijnen met omarmend rijm.

ARS POETICA

De stroom bekijken, die van tijd en water,
de tijd gedenken als een andere stroom,
beseffen dat wij vlieden als die stroom,
dat een gezicht voorbijgaat als het water.

Het waken voelen als een vorm van slaap
die droomt geen droom te hebben en de dood
waarvoor ons lichaam bang is, als die dood
van iedere nacht, de zogeheten slaap.

De dag en het jaar zien als een zinnebeeld
van alle dagen en van alle jaren,
de smaad veranderen van onze jaren
in een gerucht, muziek en zinnebeeld.

De dood zien als de slaap, de avondstond
als treurig goud, zo is de poëzie,
onsterfelijk en arm. De poëzie
keert weer als dageraad en avondstond.

Somtijds bekijkt ons ’s middags een gezicht
vanuit de donkere diepte van een spiegel;
kunst hoort precies te zijn als deze spiegel:
ze onthult ons ons persoonlijke gezicht.

Odysseus huilde, zegt men, moe van wonderen,
geroerd bij het weerzien van zijn Ithaca,
zo groen en nietig. Als dat Ithaca
is kunst, van eeuwig groen en niet van wonderen.

Maar zij is ook de eindeloze stroom,
voorbijgaand, blijvend, spiegel van een zelfde
veranderlijke Heraclitus, hetzelfde
en anders, als de eindeloze stroom.
Wat me eraan bevalt is Borges' duidelijke ambitie om over elk thema het definitieve gedicht te schrijven. Of het onderwerp nu de zandloper betreft, het schaakspel, of de spiegel. De maker bestaat voor de helft uit gedichten, waarvan enkele onvergetelijk. De korte ode aan Luis de Camões. Het gedicht waarin de blinde Borges zichzelf plaatst temidden van een enorme bibliotheek, met al die voor hem nutteloos geworden boeken.

Extra: Ene Marin Monreal heeft op Amazon de boeken bijeengebracht die Borges verkoos voor zijn ideale persoonlijke bibliotheek: [1], [2], [3], [4], [5], [6] en [7].

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lees de integrale Engelse editie (Dreamtigers) hier
> meer Borges op Achille: Het boek van zand

Jorge Luis Borges, De maker
103 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 1988
Oorspr. El hacedor (1960)
Vertaald door Barber van der Pol
____

Karel Van Miert (1942-2009)

Schok. Karel Van Miert is overleden. Een van de weinige politici waar ik voor ging zitten, bij een debat op televisie. Behield het overzicht, zette het Nederlands in zoals het hoort, had een zeer nuchtere kijk op Europa. Hij zou in zijn tuin van een ladder gevallen zijn. Waar ik naartoe wou: soms is Google Afbeeldingen al te hardvochtig.
____

maandag 22 juni 2009

Spaties

Geen idee waarom ik zo lang zo lijdzaam heb toegezien hoe de spaties tussen quotes en broodtekst een tikje kleiner waren dan die tussen de alinea's van de broodtekst. Terwijl ik onrustig word van zulke details. Terwijl het me nu drie minuten sleutelen in de broncode kostte om dat euvel te verhelpen.
___

Handorakel en kunst van de voorzichtigheid - Baltasar Gracián

In het libertijnse vademecum Praktisch verstand haalde Theo Kars zoveel weg bij Baltasar Gracián dat hij me nieuwsgierig maakte naar deze Spaanse jezuiet. In Handorakel is heel goed te zien wat Kars zo aansprak. Als hooggeplaatste biechtvader kon Gracián allerlei wereldlijke leiders van nabij bestuderen. Zijn observaties resulteerden in een driehonderdtal leerstellingen. Een meedogenloze leidraad voor het profane leven. Een volstrekt amoreel geschrift. Een wonder van pragmatiek.

Theo Kars leverde zelf de vertaling af, die eerdere edities overbodig maakt, en schreef een nawoord. Baltasar Gracián (1601-1658) kwam uit een gegoed milieu en studeerde letteren en filosofie aan de universiteit van Toledo. In 1619 trad hij toe tot de kloosterorde van de Jezuieten. Een paar jaar later zou hij theologie studeren. In 1636 werd hij benoemd tot biechtvader en prediker bij het Colegio de Huesca. In 1640 wordt Gracián als biechtvader gekozen door de hertog van Nochera.

Zijn onorthodoxe boeken, waaronder dit Handorakel en kunst van de voorzichtigheid uit 1647, publiceert hij onder pseudoniem om de ordecensuur te omzeilen. Dat lukt min of meer tot 1658, wanneer hij vanwege De criticon (1658), een vuistdikke pessimistische allegorie die in vervolgafleveringen verschijnt, uit zijn functies wordt ontheven. Hij krijgt een openbare berisping, wordt op rantsoen gezet en overgeplaatst naar het plaatsje Graus. Gracián wordt gerehabiliteerd, maar overlijdt kort daarna.

Uit deze biografisch gegevens, schrijft Kars, blijkt dat Gracián vanaf zijn priesterwijding tot zijn dood in een paradoxale situatie heeft verkeerd.

Enerzijds stond hij in hoog aanzien in hofkringen, was de biechtvader en adviseur van machtige politici, maakte deel uit van de intellectuele elite van zijn tijd, en verkondigde a-christelijke ideeën, anderzijds stond deze amoralist onder de tucht van de strengste katholieke monnikenorde. Er moet veel mensenkennis, wijsheid, zelfbeheersing en voorzichtigheid nodig zijn geweest om over dit koord te lopen, en het is eigenlijk verbazingwekkend dat Gracián maar één keer zijn evenwicht verliest. Hij valt dan weliswaar diep (het moet buitengewoon vernederend voor hem zijn geweest als gerespecteerde literator op zevenenvijftigjarige leeftijd tot een brood- en waterdieet te worden veroordeeld, als een ongezeglijke kostschoolleerling) maar krabbelt snel overeind: binnen drie maanden is hij in ere hersteld.
Kars geeft aan hoe we Graciáns cynische voorschriften moeten zien: ingegeven door botsingen met de ordeleiding en het bekrompen bureaucratisme van de orde. Ook de oorspronkelijke doelgroep is belangrijk: het Handorakel was bedoeld voor het publiek dat Gracían als biechtvader en prediker had: hovelingen, hoge officieren en politici.

Naast de puntige, kristalheldere taal is dit de tweede factor die het boek tot op heden zeer leesbaar houdt. Gracián is niet de zoveelste zedenmeester met obsolete directieven uit lang vervlogen tijden, maar spreekt tot ons als een moderne consultant zou doen. Met een doelmatigheid die je anders alleen in managementlectuur vindt. (Handorakel is waarschijnlijk het enige boek uit de Spaanse barok dat gretige aftrek vindt in die kringen.) Gracián zegt: niet de moraal maar eigenbelang op lange termijn is het voornaamste baken om je handelen op af te stemmen.

Gracián staat een soort sluwe lijdzaamheid voort. Hij predikt hypocrisie waar dat maatschappelijk wenselijk is. Aanpassingsvermogen is een grote deugd. Je bent afhankelijk van de gunstige mening van anderen, trap daarom niet op zere tenen. Zoek aansluiting bij de succesvollen in het leven. Verwerf de algemene sympathie. Mijd lasten. Ontloop onaangenaamheden. Onttrek je aan sociale verplichtingen. Weet je ergens weinig vanaf, volg dan de geijkte paden. Wees bescheiden -- niet omdat het nobel staat, maar omdat je anders de gunst van het gemeen verspeelt. Wees welgemanierd -- niet uit beleefdheid, maar omdat het de snelste manier is om geaccepteerd te worden.

Gracián gaat verder. Laat anderen uw bekwaamheden niet volledig doorgronden. Zaai verwarring over je diepste bedoelingen. Doe niet wat schaadt aan uw reputatie. Ga niet om met iemand die een schaduw op u werpt, hetzij door grotere verdienste, hetzij door een slechte reputatie. Verspeel door medelijden met mislukkelingen niet de gunst van degenen die wel zijn geslaagd in het leven. Maak u onmisbaar, maar word zelf niet afhankelijk van anderen. Grote voorbeelden zijn nodig: niet om ze te na te volgen, maar om ze te overtreffen. Verkoop uzelf: de innerlijke waarde is niet genoeg; een gunstig uiterlijk is de beste aanbeveling voor een volmaakte inhoud. Veins onverschilligheid voor iets wat u van belang acht. Spreek iemand tegen om diens ware bedoelingen te achterhalen door emoties los te weken.

Enzovoort. De paar toefjes "christelijke garnering" (Kars) op Graciáns leerstellingen waren vooral bedoeld als bliksemafleider tegen mogelijke censoren. Toch wou Gracián geen machiavellist genoemd worden. Bij Machiavelli is het alleen om de macht op zich te doen. Gracián opereert toch in een iets ethischer kader en verliest nooit het persoonlijk geluk uit het oog. Overigens schreef Gracián met De held (een portret van de ideale christelijke leider) een kritiek op de auteur van Il principe.

Handorakel en kunst van de voorzichtigheid is een dun boekje dat in principe nog dunner had gekund. De driehonderd stellingen kan je makkelijk terugbrengen tot 30 kerngedachten. De rest zijn afgeleiden. Ook binnen eenzelfde stelling herhaalt Gracián zich voortdurend. Nu, dat stoort allemaal niet, door de vertaling van Kars, die een voornaam en zeer citabel Nederlands schrijft.
Wie het beeld nog als boomstronk in zijn tuin heeft gekend, zal het op het altaar nooit naar behoren vereren.

[...]

Roem is van oudsher de zuster van reuzen. Zij houdt alleen van uitersten: óf van monsters die afschuw, óf van wonderen die bijval opwekken.

[...]

Rede en recht hebben maar weinig aanhangers. Velen roemen hen weliswaar, maar niet voor eigen gebruik.

[...]

De ene helft van de wereld maakt zich vrolijk over de andere helft, en de domheid is algemeen.

[...]

Een gunstig uiterlijk is de beste aanbeveling voor een volmaakte inhoud.

[...]

Zich met andermans oneer inlaten is een teken van een geschandvlekt eigen aanzien.

[...]

Een oplettend man beseft dat de anderen niet hem zoeken, maar in hem of via hem hun eigen voordeel.

[...]

Vertoon vult veel aan, voegt veel toe en verleent aan alles een tweede leven, vooral wanneer er werkelijke waarde aan ten grondslag ligt.
Een van mijn pleziertjes bestond erin om vast te stellen hoe hedendaagse modebegrippen al in de zeventiende eeuw hoog stonden aangeschreven. Stelling 15, Over nuttige kennissen beschikken, gaat gewoon over netwerken. Stelling 23, Geen enkel gebrek bij uzelf dulden, noemen we vandaag 'perfectionisme'. Stelling 36, Het gunstige ogenblik weten te bepalen, vertalen we tegenwoordig met de gevleugelde woorden 'timing is everything'. De modieuze frase 'stoppen op je hoogtepunt' staat in Handorakel beschreven onder kopje 38, De kunst op te houden voor de kansen keren.

Ergerlijk is dan weer de vrijblijvendheid van de auteur op bepaalde plekken. Gracián heeft het over 'goede smaak' en 'de juiste keuze' maken, maar het wordt nooit duidelijk wat hij daarmee bedoelt. En volledig is zijn handleiding allerminst. Over liefde en seksualiteit wordt bijvoorbeeld met geen woord gerept.

Soit. Ik denk dat ik Handorakel voornamelijk zie als een boekje om een hele stock van op te kopen, en jarige vrienden toe te stoppen. Lekker tegendraadse lectuur, die meer betekenis krijgt naarmate je eigen levenservaring toeneemt. Wat nog niet betekent dat je Gracián altijd ter harte moet nemen. Zoals Jean Cocteau ooit zei: cultiveer je onhebbelijkheden, het zou weleens de basis van je persoonlijkheid kunnen zijn.

Ik heb me ook de ideale mens proberen voor te stellen zoals die in Handorakel en de kunst van voorzichtigheid opdoemt. Een succesrijke gladjakker in een dik omhulsel van berekening. Hij doet me een beetje denken aan iemand uit Disneyland in zo'n kolossaal Mickey Mouse-pak. Akkoord, iedereen wil met jou op de foto, maar is het niet ook ontzettend eenzaam, daarbinnen?

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> hieronder de 15 leerstellingen die me het meest troffen
> http://www.kirjasto.sci.fi/gracian.htm

Baltasar Gracián, Handorakel en kunst van de voorzichtigheid
136 p.
Uitgeverij Athenaeum-Polak en Van Gennep, 1990
Oorspr. Oráculo manual y arte de prudencia (1647)
Vertaald door Theo Kars


3. In spanning houden. De verwondering over het onverwachte leidt tot achting bij het slagen van een onderneming. Met open kaart spelen is onelegant en dient geen enkel doel. Wie niet meteen zijn opzet laat blijken, houdt de spanning erin, vooral als men door een hoge positie de algemene belangstelling trekt. Alles lijkt dan geheimzinnig, en deze mysteriositeit wekt ontzag. (...)

19. Niet te hoge verwachtingen koesteren. Al wat van tevoren hoog wordt geroemd, valt tegen omdat het niet beantwoordt aan het idealistische beeld dat men zich ervan heeft gevormd. De werkelijkheid kan nooit onze verbeelding evenaren, omdat het verzinnen van iets volmaakts makkelijk is, maar de uitvoering heel moeilijk. Doordat fantasie gepaard gaat met verlangen, stelt zij zich altijd veel meer voor dan de werkelijkheid rechtvaardigt. Hoe voortreffelijk iets ook mag zijn, het beantwoordt toch nooit aan de voorstelling die men zich ervan maakt, en doordat men het ziet in het valse licht van een hoog gespannen verwachting, zal het eerder tot ontgoocheling dan tot bewondering leiden. (...)

26. Ieders duimschroef vinden. Dit is de kunst iemands wil naar onze hand te zetten. Meer nog dan vastberadenheid is hiervoor bedrevenheid vereist: men moet weten langs welke weg men toegang tot iemand krijgt. Iedereen die naar iets streeft, heeft ergens een zwak voor, afhankelijk van de verscheidenheid van doelstellingen. Alle mensen vereren bepaalde afgoden; sommigen is het om eer te doen, anderen om gewin, de meesten om genot. Het gaat er dus om te weten te komen wie de afgoden zijn die deze mensen tot handelen aanzetten. Als wij weten wat iemands drijfveer is, bezitten wij de sleutel tot zijn wil. Wij dienen af te gaan op zijn eerste beweegreden, die niet altijd de meest verhevene is, omdat er in de wereld nu eenmaal meer bandeloze dan fatsoenlijke mensen zijn. Dan moeten wij eerst zijn karakter doorgronden, vervolgens aftasten hoe intelligent hij is, en hem ten slotte aangrijpen bij zijn speciale voorkeur. Dit is een feilloze methode iemands wil schaakmat te zetten.

41. Nooit overdrijven. Het is heel belangrijk erop bedacht te zijn niet in overdreven bewoordingen te spreken, deels om niet het risico te lopen de waarheid geweld aan te doen, deels om ons oordeelsvermogen geen slechte reputatie te bezorgen. (...) Door overdrijven verliest u de naam zowel over een goede smaak als gezond verstand te beschikken. Het eerste is erg; het tweede nog veel erger.

43. Denken als weinigen en spreken als velen. Door tegen de stroom in te willen gaan, stuit men de dwaling niet, maar brengt men alleen zichzelf in gevaar. Alleen Socrates kon zoiets wagen. Verschil van mening wordt als belediging opgevat, omdat het een veroordeling is van andermans oordeelsvermogen. Het aantal ontevredenen groeit snel, de ene keer omdat iets wordt afgekeurd, de andere keer omdat het wordt geprezen. De waarheid is uitzondering, de dwaling algemeen en ordinair. (...)

81. Steeds opnieuw schitteren, het voorrecht van de feniks. Bekwaamheid slijt, en daarmee ook de reputatie. Gewenning vermindert de bewondering; een middelmatige nieuwigheid trekt meer aandacht dan grote verdienstelijkheid waaraan men sinds lang is gewend. Daarom moet men ervoor zorgen steeds op andere wijzen uit te blinken in moed, intellect, geluk, kortom in alles. Men dient net als de zon iedere keer weer met nieuwe pracht te verschijnen, nu eens boven het ene dan weer het andere landschap stralend, zodat wij op de ene plaats door afwezigheid schitteren en op de andere door aanwezigheid.

88. Voornaam gedrag verheft de mens. Een groot man mag niet klein te werk gaan. Men moet zich nooit te veel in bijzonderheden verdiepen, vooral niet als het om zaken van niet al te hoog allooi gaat. Het mag dan nutig zijn alles terloops op te merken, alles willen uitpluizen is dat niet. In de regel dient men een voorname voorkeur voor de grote lijnen te tonen, wat een vorm van welgemanierdheid is. Veinzen iets niet op te merken is een belangrijk onderdeel van de kunst te regeren. (...)

133. Beter met allen dwaas, dan alleen wijs te zijn, zeggen politici. Als iedereen gek is, steekt men tegen niemand af, terwijl wijsheid die alleen staat, voor dwaasheid wordt gehouden -- zo belangrijk is het met de stroom mee te gaan. De hoogste kunde bestaat soms uit onkundigheid of het voorwenden daarvan. Men moet met de anderen leven, en de onwetenden zijn het talrijkst. Om alleen te leven moet men veel van een god of alles van een dier hebben. Ik zou dit aforisme liever anders willen formuleren, en stellen: liever wijs met de meesten dan dwaas alleen. Er zijn namelijk mensen die willen opvallen door zich met hersenschimmen bezig te houden.

142. Nooit uit eigenzinnigheid de verkeerde partij kiezen omdat de tegenstander u voor is geweest en de juiste keuze heeft gedaan. Maakt u deze fout, dan bent u al aan het verliezen als het gevecht begint, en zal u oneervol het veld moeten ruimen. Door de verkeerde partij te kiezen komt men nooit goed terecht. (...) Een algemeen kenmerk van vooringenomen mensen is dat zij bij tegenspraak niet op de waarheid letten en bij geschillen niet op hun belang. Een verstandig man kiest nooit de zijde van de hartstocht, maar altijd -- spontaan of na overleg -- die van de rede. Als de tegenstander dwaas is, zal hij door zijn kortzichtigheid van koers veranderen en de verkeerde kant opgaan, waardoor zijn positie verslechtert. Het enige middel hem van zijn goede standpunt af te brengen is het zelf in te nemen. Zijn domheid brengt hem er dan toe het te verlaten, waardoor u profiteert van zijn eigenzinnigheid.

182. Enige durf bij alles wat u onderneemt is verstandig en zinvol. Men moet zijn oordeel over anderen matigen en niet zo’n hoge dunk van hen krijgen dan men hen vreest. Uw verbeeldingskracht mag u nooit de baas worden. Sommige mensen lijken heel wat tot men in persoonlijk contact met hen komt. Dan leidt die omgang meer tot ontgoocheling dan waardering. Niemand kan buiten de nauwe perken van het menselijke treden; voor een ieder geldt een limiet, bij de een heeft deze betrekking op zijn verstand, bij de ander op zijn karakter. De waardigheid van het ambt dat iemand bekleedt, gaat maar zelden samen met persoonlijke waardigheid. Meestal wreekt het lot zich op de hoogheid van een ambt door de inferioriteit van de verdiensten van wie het uitoefent. (...)

204. Een makkelijke onderneming zwaar opnemen, een moeilijke licht. Het eerste om niet roekeloos te worden door zelfvertrouwen, het tweede om niet geremd te raken door onzekerheid. Om iets niet uit te voeren hoeft men zich alleen maar wijs te maken dat het werk al is gedaan. Daar staat tegenover dat men door nauwgezette inspanning het onmogelijke ten uitvoer kan brengen. Over zware opgaven mag men niet piekeren; het volstaat dat ze er zijn. Door zich blind te staren op grote moeilijkheden lost men ze niet op.

232. Over enige koopmanszin beschikken. Niet alles dient overpeinzing te zijn, er moet ook daadwerkelijk worden geleefd. Zeer ontwikkelde mensen zijn gemakkelijk te bedriegen, omdat zij weliswaar veel af weten van buitengewone zaken, maar niets van het leven van alledag, wat van groter nut is. Hun overpeinzingen over verheven zaken laten hun geen ruimte voor de praktische. Aangezien zij dus niet op de hoogte zijn van het eerste wat zij dienen te weten, en al de anderen daarin juist erg bedreven zijn, worden zij óf met verbazing bekeken, óf door de oppervlakkige massa voor dom aangezien. Daarom dient elk ontwikkeld man ervoor te zorgen iets van een koopman te hebben, net genoeg om niet bedrogen of uitgelachen te worden. (...)

239. Niet spitsvondig zijn, nuchterheid is van meer belang. Meer weten dan nodig is, betekent de scherpte van uw verstand schaden, omdat van spitse zaken de punt nu eenmaal snel breekt. Men kan beter vertrouwen op een beproefde waarheid. Het is goed scherpzinnig te zijn, maar zich niet met academische haarkloverijen in te laten. Lange betogen houden is al verwant aan redetwisten. Degelijk gezond verstand dat zich alleen uitlaat over wat van belang is, heeft meer waarde.

288. Naar de gelegenheid leven. Handelen, spreken, alles moet opportuun zijn. Men dient alleen iets te willen als dit kan, want tijd en gelegenheid wachten op niemand. Men moet niet volgens vaste principes leven, behalve in zedelijk opzicht. Ook mag men voor de wil geen precieze wetten uitvaardigen, want morgen zal men het water moeten drinken dan men nu versmaadt. Er bestaan van die dwarse doordrijvers die willen dat alle omstandigheden zich naar hun waanidee schikken, en niet andersom. Een wijs man weet echter dat de voorzichtigheid altijd aanpassing aan de gelegenheid voorschrijft.

____

zondag 21 juni 2009

Cacoethes scribendi

If all the trees in all the woods were men;
And each and every blade of grass a pen;
If every leaf on every shrub and tree
Turned to a sheet of foolscap; every sea
Were changed to ink, and all earth's living tribes
Had nothing else to do but act as scribes,
And for ten thousand ages, day and night,
The human race should write, and write, and write,
Till all the pens and paper were used up,
And the huge inkstand was an empty cup,
Still would the scribblers clustered round its brink
Call for more pens, more paper, and more ink.
Oliver Wendell Holmes

____

zaterdag 20 juni 2009

Vachel Lindsay

"Nicholas Vachel Lindsay (1879-1931) was an American poet. He is considered the father of modern singing poetry as he referred to it, or lyrical poetry as it is more widely known. His numerous correspondences with the poet Yeats detail his intentions to revive the musical qualities in poetry as had been practiced by the ancient Greeks. Because of his use of American Midwest themes he also became known as the "Prairie Troubador.""

> http://en.wikipedia.org/wiki/Vachel_Lindsay

____

Alexander Moszkowski

"Alexander Moszkowski (1851-1934) war ein deutscher Schriftsteller und Satiriker polnisch-jüdischer Abstammung. (...) Neben seinen satirischen Arbeiten umfasst das Werk Moszkowskis zahlreiche populärwissenschaftliche Bücher vor allem über Sprache und Philosophie. Er war Witze- und Aphorismensammler und veröffentlichte Die Unsterbliche Kiste mit den "333 besten Witzen der Weltliteratur", "befür- und bevorwortet von Alexander Moszkowski". Des Weiteren erschien Der Jüdische Witz und seine Philosophie mit 399 Beispielen. Sein bis heute interessantestes Werk ist der Utopische Roman Die Inseln der Weisheit von 1922. Dieses in der Tradition von Daniel Defoe und Jonathan Swift stehende Werk nutzt die Rahmenhandlung einer Expedition zu unbekannten, aber teils hochtechnisierten Inseln, um verschiedene Geistesströmungen seiner Zeit mittels Gesellschaften auf den verschiedenen Inseln zu schildern. Diese Gesellschaften führen jeweils eine Idee ins Extrem und damit ad absurdum."

> http://de.wikipedia.org/wiki/Alexander_Moszkowski

____

Denis de Rougemont

"Denis de Rougemont (1906-1985) était un écrivain suisse. (...) Il est considéré notamment comme l'un des grands penseurs pionniers de l'idée d'instituer un fédéralisme européen."

> http://fr.wikipedia.org/wiki/Denis_de_Rougemont



____

Walter Kaufmann

"Walter Arnold Kaufmann (1921-1980) was a German-American philosopher, translator, and poet. A prolific author, he wrote extensively on a broad range of subjects, such as authenticity and death, moral philosophy and existentialism, theism and atheism, Christianity and Judaism, as well as philosophy and literature. He served for over 30 years as a Professor at Princeton University. He is particularly renowned as a scholar and translator of Nietzsche. Kaufmann's lucid English helped make accessible to an English-speaking readership the dense language and thought of many of the theologians and philosophers whom he discussed. Kaufmann also published a translation of Goethe's Faust, Part I."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Walter_Kaufmann_(philosopher)

____

Elisée Reclus

"Élisée Reclus (1830-1905) est un géographe, militant et penseur de l’anarchisme français. (...) Il rédigea de très nombreux articles, prononça nombre de conférences sur le thème de l’anarchie. Il participa aussi à des congrès d’organisations ouvrières (AIT notamment, ligue de la Paix et de la Liberté) dans lesquels il se retrouva avec d’autres révolutionnaires libertaires (Bakounine, Kropotkine, Dumartheray, Jean Grave, James Guillaume, Max Nettlau)."

> http://fr.wikipedia.org/wiki/Elisee_Reclus

____

vrijdag 19 juni 2009

How Mumbo-Jumbo conquered the world - Francis Wheen

Het viel de uitgever van Francis Wheen niet moeilijk lovende quotes te vinden voor het binnenwerk van How Mumbo-Jumbo conquered the world. Ik stel dit verbaasd vast. Ten eerste is de titel misleidend. De hoogst interessante vraag hoe leuterkoek het zo makkelijk haalt van een geïnformeerde mening, wordt niet beantwoord. Ten tweede is dit geen boek maar een dozijn zwaargeladen dossiers, nevengeschikt in een ringmap. Algemene conclusies zijn schaars.

How Mumbo-Jumbo conquered the world begint nochtans veelbelovend. Theoretisch, en met een solide uitgangspunt. Francis Wheen plaats zichzelf pontificaal in de traditie van de Verlichting. Hij ziet de erfenis van de Verlichting -- het streven naar intellectuele autonomie, wars van bijgeloof, traditie en autoriteit -- niet als een ideologie, maar als een levenshouding.

Hij legt uit hoe waardevol de verlichtingsfilosofen zijn geweest. De achttiende eeuw had geen wetenschappelijke doorbraken van zeventiende-eeuws formaat (Newton, Galileo), maar er ontstond wel langzamerhand zoiets als een systematische wetenschappelijke attitude. De kopstukken van de Verlichting beseften dat er wereldbeschouwelijke conclusies moesten getrokken worden uit de stand van de wetenschap. Dat godsdienst en de natuurwetenschappen gescheiden grootheden waren, om maar iets te zeggen. Wheen schetst onder meer het belang van Kant:

In the Critique of pure reason (…) Kant had sought to reconcile the two dominant schools of modernist philosophy -- the British empiricist approach of Bacon, Locke and Hume (who held that knowledge was the product of experience and experiment, and thus subject to amendment), and the continental rationalism exemplified by Descartes and Spinoza, which maintained that certainty could be achieved by inferential reasoning form first principles. What these traditions had in common was far more important than what divided them, and by incorporating elements from both he was able to demolish the pretensions of religion to superior knowledge or understanding. ‘The critical path alone is still open,’ he announced after almost seven hundred pages, having cleared away the metaphysical obstacles.
Daarom doet het Wheen pijn dat hij vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw het obscurantisme opnieuw om zich heen ziet grijpen. Het woord 'Verlichting' wordt schaamteloos gerecupereerd in de spirituele sfeer. Gebruik van de ratio is verdacht. Hyperrespect is de norm ("we live in a non-judgmental era").

Wheen noemt in de opmaat van zijn boek twee momenten van regressie die hij exemplarisch acht. De terugkeer van Khomeini uit zijn Parijse ballingschap -- de religieuze leider van Iran die in westerse ogen middeleeuwse waarden voorstaat. En de preoccupatie van Margaret Thatcher met Victoriaanse waarden, in de jaren tachtig. Interessanter is de denkoefening over de vraag waarom volkeren zich laten verleiden tot zo'n terugkeer. Wheen haalt Ryszard Kapuscinski aan, die zei dat heelder naties natuurlijk niet kunnen verhuizen in de ruimte, en daarom soms migreren in de tijd.

Het boek dat daarop volgt is een curieus allegaartje. We zien Wheen nogal willekeurig molenwieken over alles wat hem niet zint. In een hoofdstukje breit hij een reeks platitudes uit de managementsfeer aan elkaar, gebruikmakend van de bestsellers in het genre en hun onwelriekende neologismen. Niet zonder humor en concrete voorbeelden (zoals daar zijn: Deepak Chopra) legt Wheen uit hoe new age en bedrijfsbeheer elkaar hebben gevonden ("the marriage of mysticism and money-making").

In een ander hoofdstuk fileert hij het kwalijke kwartet structuralisme, post-structuralisme, deconstructie en postmodernisme, met nadruk op de invloed van de Franse postmodernisten op de Amerikaanse universiteiten sinds de jaren tachtig. Hun stelling dat objectiviteit niet bestaat, óók niet in de wetenschap. Dat helderheid demagogisch is en per definitie verdacht. Betekenis een privé-aangelegenheid. Natuurwetten sociale conventies. Wheen voert daar weinig principieels tegen aan. Geestig is alleen het befaamde nepartikel dat Alan Sokal geplaatst kreeg in een postmodern blad. Maar die historie kende ik al.

Op dezelfde manier, meer suggererend dan verklarend, buigt Mumbo-Jumbo zich over dubieuze economische theorieën (de Laffer-curve), astrologie, UFO's, normvervaging bij bedrijven, godsdienstwaanzin, complottheorieën, het blind geloof in het (neo)liberalisme, de dotcom-bubble en de weerstand tegen Darwin (het proces Scopes). Filosoof John Gray wordt neergezet als windhaan, Noam Chomsky krijgt een paar kletsen...

Geen voorspellingen
Behalve alle economie in het boek, stond er voor mij bitter weinig nieuws in. Wheen deed me vooral beseffen dat ik me moet interesseren voor de vroege geschiedenis van Amerika, dat meer dan ik dacht beïnvloed werd door de Verlichting.
As vice-president, [Al Gore] had on his desk a plancard with the toe-curling motto ‘WWJD’ -- What Would Jesus Do? Apparently he never pondered a more pertinent question: what would the founding fathers think?
Daarnaast onthoud ik vier dingen. (1) Dat er naast celebrities zoveel royalties en toppolitici soelaas zoeken bij kwakzalvers. (2) Dat globalisering minstens zo oud is als de (Britse) Oost-Indische Compagnie. (3) Dat de economische migratiestromen in de negentiende eeuw veel indrukwekkender waren dan nu. (4) Dat ik me moet hoeden voor boeken die bij het verlopen van een tijdperk (zoals de millenniumwende) de balans opmaken en een of andere grote verandering suggereren. Interessant is ook de opmerking dat grote sociologische of geopolitieke theorieën hypegevoelig zijn zodra ze een simpelklinkend concept bevatten dat makkelijk te recupereren is door politici en andere leken.

Wheen documenteert in dat verband drie casussen: Paul Kennedy, die in het boek The rise and fall of the great powers (1987) de ondergang van de VS voorspelde, niet die van de Sovjet-Unie. Francis Fukuyama die in zijn gelijknamige boek het einde van de geschiedenis voorspelde (Kagan maakt er brandhout van, in De terugkeer van de geschiedenis). Ten slotte Samuel Huntington, die het begrip clash of civilizations muntte, maar voorbij ging aan het feit dat de meeste conflicten niet tussen naties plaatsvinden, maar binnen naties.

De enorme zwakte van dit boek is dat Wheen nergens een algemeen kader aanbiedt waarmee ongerijmdheden vast te stellen zijn. Hij kiest nogal willekeurig de passages en personen die hij gelooft. Is dat kader er eigenlijk wel, of heeft Wheen zich gewoon suf gedocumenteerd ("as ... pointed out") om zijn eigen ergernissen te rechtvaardigen? Tekenend is dat hij geen enkele voorspelling doet: Mumbo-Jumbo bevat alleen gemakkelijke praatjes achteraf.

Het meeste leesplezier beleefde ik derhalve aan de generaliserende motto's die de dossiers voorafgaan, of wanneer Wheen iemand anders aanhaalt, die wel tot systematisch nadenken dwingt. Zoals die twee redeneringen van Richard Dawkins.
Those who defend horoscopes as harmless fun never explain what is either funny or harmless in promoting a contrick which preys on ignorance and fear. Professor Richard Dawkins has pointed out that a pharmaceuticals manufacturer who marketed a birth-control pill with no demonstrable effect on fertility would be prosecuted under the Trades Descriptions Act, and sued by trusting customers who found themselves pregnant. ‘If astrologers cannot be sued by individuals misadvised, say, into taking disastrous business decisions, why at least are they not prosecuted for false representations under the Trades Descriptions Act and driven out of business?’ he demanded. ‘Why, actually, are professional astrologers not jailed for fraud?’

[...]

Dawkins: "Soap operas, cop series and the like are justly criticised if, week after week, they ram home the same prejudice or bias. Each week The X-Files poses a mystery and offers two rival kinds of explanation, the rational theory and the paranormal theory. And, week after week, the rational explanation loses. But it is only fiction, a bit of fun, why get so hot under the collar? Imagine a crime series in which, every week, there is a white suspect and a black suspect. And every week, lo and behold, the black one turns out to have done it. Unpardonable, of course. And my point is that you could not defend it by saying: ‘But it’s only fiction, only entertainment.’"
Wheens boek is een grabbelton, en daarom niet fair. De ene domheid is de andere niet. Mensen maken af en toe foutieve inschattingen. Maar een keuze die achteraf verkeerd blijkt te zijn is niet altijd een logische fout, die dus voorkomen kan worden. Wheens dossiermatige aanpak komt daarom alleen tot zijn recht wanneer hij vastlegt hoe regeringen inconsequente maatregelen nemen door de jaren heen (de omgang van de VS met evil empires) of aantoont hoe geruisloos politici van opinie veranderen en daarmee wegkomen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Francis Wheen, How Mumbo-Jumbo conquered the world
A short history of modern delusions

368 p.
Uitgeverij HarperPerennial, 2004

____

donderdag 18 juni 2009

Neglected books

"Here you'll find lists of thousands of books that have been neglected, overlooked, forgotten, or stranded by changing tides in critical or popular taste."

> http://neglectedbooks.com

____

The Booklist Center

"Currently 346 book lists in 82 categories. Includes lists prepared by authorities in dozens of fields as well as comprehensive listings of award winning books complete from the first year of the award to the present."

> http://home.comcast.net/~dwtaylor1/

____

Digital Defoe

"Digital Defoe is an online peer-reviewed publication of the Defoe Society."

> http://www.english.ilstu.edu/digitaldefoe/index.shtml

____

European history primary sources

"An index of scholarly websites that offer online access to primary sources on the history of Europe."

> http://primary-sources.eui.eu/

____

Oddee

"An entertainment blog on oddities, attracting over a million visitors each month. Focused on the odd, bizarre and strange things of our world, its daily articles and sections explore subjects from science to advertising and technology."

> http://www.oddee.com/

____

woensdag 17 juni 2009

De roerloze reis en andere verhalen - Jean Vautrin

Jaren voor Paul Auster het scenario schreef van de film Smoke, en lang voor de time-lapse-rage uitbrak op YouTube, verzon Jean Vautrin al een man die elke dag dezelfde foto neemt. In het titelverhaal van De roerloze reis maakt een fotograaf dagelijks een portret van zijn vrouw -- steeds in dezelfde houding, steeds voor hetzelfde decor. Als hij dat heel haar leven doet, en daarna die duizenden afdrukken verfilmt, hoopt hij "het aangrijpendste document ter wereld" te verkrijgen.

Wat de poëtisch ingestelde lezer niet vermoedt (want, hey, is dit een Frans boek of niet?) is dat de fotograaf hiermee doorgaat als de vrouw overlijdt. Hij blijft foto's nemen, terwijl zijn vrouw in de sofa, ondersteund door kussens, langzaam tot een skelet verwordt. Vervolgens heeft de schrijver nóg een macabere verrassing in petto.

'De roerloze reis (van Kléber Bourguignault)' is, toegegeven, meteen het best gelukte verhaal uit de bundel, die een selectie bevat uit Baby Boom, waarmee Vautrin in 1986 de Goncourt won.

Maar ook 'Was getekend: Bondoufle' mag er zijn. Daarin houdt een bejaarde wijnkeldermeester zijn pis op in een rustoord. Uit protest. Althans: zo lijkt het.

'Jesse Owens heeft zijn laatste sigaret gerookt' is Vautrins poging om zo Amerikaans mogelijk te schrijven. Brutaal, veel dialoog, kortafgebeten.

In 'De Hoop van de Azzuri' treffen we een bokser aan, die na een verloren kamp met geheugenverlies worstelt.

Vautrin kan bogen op een breed lexicon, heeft duidelijke ideeën en schrijft met gevoel voor detail. Dit boekje, inderdaad als introductie bedoeld, smaakt dus naar meer. Naar het Franse origineel vooral. Ondanks de vertaling van Ernst van Altena.

Ook Vautrins leven is interessanter en veelzijdiger dan dat van de doorsnee Franse schrijver. Ik citeer graag Van Altena's laconieke bio.

Jean Vautrin is een opmerkelijk man. Hij werd als Jean Herman in 1933 geboren in Lotharingen, studeerde letteren in Parijs en vertrok daarna naar de universiteit van Bombay waar hij lector in de Franse literatuur werd. Hij ruilt de universitaire wereld vervolgens voor de tekenpen en wordt cartoonist voor ‘Illustrated Weekly’. Daarna loopt hij warm voor de film en gaat werken als assistent van Roberto Rosselini. Tijdens de Algerijnse oorlog is hij cineast in dienst van het Franse leger; daarna draait hij als onafhankelijk filmer zo’n dertig documentaires en zeven speelfilms. Voor zijn eerste speelfilm -- naar een roman van Raymond Queneau -- ontvangt hij meteen al de Marilyn Monroe-prijs.
In 1973 breekt hij zijn loopbaan als filmer af. De reden is triest. Zijn derde kind, in dat jaar geboren, blijkt autistisch te zijn. Eerst besluit zijn vrouw, de actrice Anne Doat, haar toneelwerk erbij neer te leggen omdat het kind alle zorg behoeft. Jean Herman is solidair met zijn vrouw en besluit -- omdat je dat thuis kunt doen -- zich toe te leggen op het schrijven. Jean Vautrin wordt geboren. Dat pseudoniem ontleent hij aan een personage uit de Comédie Humaine van Balzac, de ontsnapte dwangarbeider Vautrin.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Jean Vautrin, De roerloze reis en andere verhalen
77 p.
Uitgeverij Goossens en uitgeverij Kritak, 1990
Oorspr. Baby Boom (1986) [selectie]

Vertaald door Ernst van Altena
___

Related Posts with Thumbnails