Deze bundel kritieken laat zien dat een beetje kunstrecensent in de Lage Landen een jack of all trades moet zijn. Haai op sterk water brengt artikelen samen die tussen 1995 en 2007 in NRC Handelsblad stonden. Daarin werd Hans Den Hartog Jager verondersteld met evenveel kennis van zaken te schrijven over een zestiende-eeuwse meester, Amerikaanse straatfotografie en de laatste Documenta. Goed aan zijn boek is dat hij zijn twijfels niet onder de mat veegt.
Haai op sterk water doet me beseffen dat ik me meer moet verdiepen in Nederlandse kunstcatalogusteksten. In Vlaanderen zijn die vaak van een bedroevend niveau. Volgens een of andere stilzwijgende afspraak moet hier altijd over kunst geschreven worden in een pseudo-geleerd kwaak-maar-raak-taaltje. Het opmerkelijke is: als je de teksten voor jezelf hertaalt, blijken die overwegend betrekkelijk oppervlakkige notities te bevatten over een handjevol onderwerpen. De relatie tussen schijn en werkelijkheid is er één van, de spanning tussen individu en maatschappij een populaire tweede.
Neen, dan liever de Hollandse nuchterheid en transparantie, waarvan Hans Den Hartog Jager een schoolvoorbeeld is. Goed dat een deel van zijn werk verzameld is in dit boek. Het mocht wat kosten, getuige de glanzende hardcover, maar ook weer niet te veel -- afbeeldingen schitteren door afwezigheid. Dat laatste is triest voor een boek over kunst, dat ik nu voornamelijk heb gelezen met de computermuis en de webbrowser in de aanslag.
Jammer, want ik lees graag over kunst. Een handvol locaties in Parijs niet tenagesproken, vind ik een plaatboek verre te verkiezen boven museumbezoek. Kunst gaat voor mij verder dan het bezichtigen van een collectie topwerken in een gebouw. Kunst is vooral: deelnemen aan de leefwereld van een kunstenaar. In een museum, hoogstens een bloemlezing van twee à drie werken van een artiest, is dat onmogelijk. Bovendien kan ik in een kunstmuseum -- een rare instelling die het midden houdt tussen een circus, een bedrijf en een mortuarium -- zelden in de juiste sfeer raken. Niets irritanter daarom, dan het oeverloze geklets van directeuren die allemaal menen de ideale expositiecondities te hebben geschapen.
Geef mij maar een boek. Taschen brengt mooi snoepgoed uit, maar heeft een al te veilig fonds, dat steunt op boeken van netjes gecanoniseerde stromingen en een twintigtal onbetwistbare meesters. Liever koop ik werk van Phaidon. Hun reeks Contemporary artists is ideaal. Mooi uitgegeven, prikkelende teksten, een lang interview met de artiest, en veel kleurenfoto's op groot formaat.
Een oneindige matroesjka
Haai op sterk water opent met een positiebepaling van de hedendaagse recensent in een snel evoluerende kunstwereld. Den Hartog Jager verwijst naar het klassieke Beyond the Brillo box, waarin de Amerikaanse kunstcriticus Arthur Danto besefte dat Warhol met zijn werken een point of no return had bereikt. Niet alleen waren de grenzen tussen hogere en lagere kunst weggevallen, het was überhaupt niet meer duidelijk wat een kunstwerk nu precies tot kunstwerk maakte.
Aldus riep Danto het einde van de kunstgeschiedenis uit, en in die onwennige toestand leven we nog steeds. Aan het oog heeft de neutrale waarnemer niet meer genoeg om een kunstwerk te beoordelen, je moet ook de context kennen. Den Hartog Jager vindt dat als recensent boeiend en moeilijk tegelijk. Een kunstwerk, zegt hij, maakt dikwijl deel uit van de strategie van een kunstenaar, en die strategie moet je kennen om het kunstwerk te kunnen schatten. En dan nog.
Sinds het midden van de jaren negentig ben ik langzaam gaan beseffen dat je veel hedendaagse kunst het beste als een oneindige matroesjka kunt beschouwen: hoe goed je ook kijkt en hoe intens je er ook over nadenkt, je weet nooit of je het binnenste poppetje te pakken hebt.
Maar ook de kunstenaars zelf hebben het lastig. Het streven naar het grote geld, en het soort kunst dat dat met zich meebracht, devalueerde het aanzien van de hedendaagse kunstwereld.
Haai in sterk water haalt in dat verband een ander ijkpunt aan, Damien Hirst. In een goeie bijdrage schetst Den Hartog Jager de opkomst van de zogenaamde
Young British Artists, en daarmee alles wat ik verfoei aan moderne kunst: het exhibitionisme, de relletjes, de commercie.
9/11, zegt Den Hartog Jager, had uitgewezen dat het werk van Hirst en dat van vele generatiegenoten geen uitstaans had met de dilemma’s die wereldwijd onder de oppervlakte woelden -- de religieuze vertwijfeling, de mondialisering, het consumentisme. Integendeel, aan dat laatste deden ze stevig mee. "Geheel in de geest van de tijd besefte Hirst in de jaren negentig dat de wereld van de kunst en die van alledag minstens één belangrijk belang deelden: geld. In samenwerking met reclamemagnaat en verzamelaar Charles Saatchi begon hij aan een uitgekiende wedloop om zijn werk zo duur mogelijk te maken -- veel uitgekookter dan Warhol ooit zijn prijzen had opgedreven."
Damien Hirst, Marc Quinn, Sarah Lucas en Gary Hume zijn bovendien allemaal kunstenaars die een opmerkelijke kunsthistorische desinteresse aan subtiele ironie koppelen. "Het zijn geen hermetische systeembouwers," zegt Den Hartog Jager, "die ervan uitgaan dat je hun oeuvre moet kennen om een nieuw werk te begrijpen; hun schilderijen en beelden en installaties zijn confronterend, mediageniek en
snappy."
Gevolg: wanneer zo'n kunst aanslaat (lees: wanneer kunstenaars handig weten boven te drijven in een poel van directeuren, galeriehouders en juryvoorzitters), is er voor hen geen probleem. De rest van de kunstenaars moet zich echter steeds vaker staande houden in de echte wereld, zonder nog een beroep te kunnen doen op de veilige beschutting van avant-gardes en tradities. Veel verderop in zijn boek heeft Den Hartog een alinea staan die perfect de identiteitscrisis van de hedendaagse kunst samenvat:
Kunst is voor veel mensen synoniem geworden met kunst over kunst en het museum is daarvan het symbool. Het museum is de veilige witte haven waar de kunstenaar, niet bedreigd door de echte wereld, kan doen wat hij wil. (…) [Maar] die echte wereld veranderde. De toeschouwer die het museum verliet, besefte steeds vaker dat verleiding en illusie niet langer waren voorbehouden aan museum, theater of pretpark. Sterker nog: het scheppen van illusies is een belangrijke economische factor geworden. Illusie is macht. Geld. Op internet, in film, op televisie en in reclame krijgt iedereen constant illusies voorgeschoteld die hem proberen te verlokken. (…) Vergeleken bij deze verleidingsvormen werd de kunst steeds machtelozer. Ze wist nauwelijks nog een houding te vinden tegenover die veranderende wereld. Sommige kunstenaars gingen dan het museum uit en probeerden werk in de ‘echte’ wereld te maken, maar dat bleken vaak slappe aftreksels van de werkelijkheid. De kunst, die zo graag reflectie biedt op de samenleving, had geen antwoord op het feit dat het leven van alledag complexer was geworden dan de meeste van haar verschijningsvormen. Kunst dreigde het minvermogende zusje van de visuele samenleving te worden, louter gerespecteerd omdat ze uit zo’n goede, adellijke familie kwam.
Als de eerste emoties weg zijnHaai op sterk water bestaat voor de rest uit beschouwingen voor een algemeen publiek (vaak naar aanleiding van exposities) over tal van kunstenaars, die Den Hartog Jager losjes gegroepeerd heeft rond een paar voor zichzelf sprekende trefwoorden: 'De makers', 'De denkers', 'De sfeerscheppers', 'De geëngageerden'. Te beginnen bij een rijtje oude bekenden.
Hij vat de visionaire ideeën samen van Andy Warhol. Toont aan dat Warhol op vele hedendaagse fenomenen vooruitliep: de weblogcultuur en de realityshow (Warhol liet door een secretaresse elke dag zijn leven documenteren en vervaardigde
time capsules), de consumptiecultuur ("Department stores are the new museums"), de celebritycultuur, het denken in strategieën, het ondermijnen van het originaliteitsprincipe, het ophemelen van de buitenkant, de snelle wissels aan de top ("fifteen minutes of fame").
Hij maakt een profiel van Dalí, het zelfverklaarde genie, de verpersoonlijking van de excentrieke kunstenaar, de kunstenaar die zijn werk lééft. Maar ook Dalí als epigoon, en exploitant van twee afgezaagde trucjes: de tegenstelling en de doorredenering.
Hij probeert de vraag te beantwoorden waarom Tuymans van onbenullige foto’s zulke prachtige schilderijen maakt, maar slaagt daar niet echt in. "Beter dan wie ook herkent hij in bepaalde afbeeldingen een amalgaam van herinneringen, twijfels en verlangens die een grote groep mensen aanspreken."
En hij schetst het hoofdprobleem van iedere portretschilder: hoe bewaar je het evenwicht tussen enerzijds het weergeven van je model en anderszijds het verlangen een mooi schilderij te maken? Hij doet dat aan de hand van Hans Holbein, die Anna van Kleef zo mooi schilderde voor Hendrik VIII dat ze in het echt onvoldoende leek op haar portret en de koning teleurstelde.
Het is allemaal niet onaardig, maar weinig verrassend. Beetje tegen de canon aanschurkend. De stukken daarna, over hedendaagse kunst, brachten meer nieuws, voor mij, als leek. Den Hartog Jager combineert algemene stukken over buitenlandse kunstenaars met interviews van Nederlandse kunstenaars, waarin hij hen ondervraagt over hun inspiratiebronnen, carrièrezetten, artistieke twijfels, de verhouding kunst/leven én werkwijze. Zo vertelt beeldhouwster Maria Roosen dat ze elke keer vijf tekeningen maakt. Precies vijf.
De eerste tekening verbeeldde dan meestal heel letterlijk mijn stemming. Bij de tweede probeerde ik de esthetiek te laten varen en de kern van mijn gevoel te treffen, en zo verder. Op die manier was ik meestal bij de vierde wel klaar, dan waren de emoties eruit. Maar dan moest ik nog een vijfde. Dan begon ik maar vrijblijvend wat te doen, mijn kwast leeg te maken, zeg maar. Maar het opmerkelijk was nu juist dat in die tekeningen er vaak precies uitkwam wat ik bedoelde. Blijkbaar kon ik het pas een vorm geven als de eerste emoties weg waren.
Andere namen:
Ger van Elk (die een blokje wit verfde, midden op zee, om een zo stofvrij mogelijk oppervlak te hebben);
On Kawara (de man van de
date paintings, die alle jaartallen van een miljoen jaar in het verleden tot een miljoen jaar in de toekomst uittypte
en inlas);
Bernd Becher (die met foto’s aantoont dat anonieme gebouwen een ziel hebben als je ze in reeksverband plaatst);
Philip Akkerman (die alleen maar zichzelf schildert, in steeds nieuwe vermommingen);
Roman Opałka;
Pierre Huyghe (
The Third Memory);
Olafur Eliasson (
Notion Motion);
Bill Viola (
Five Angels for the Millennium);
Jeroen de Rijk en Willem de Rooij (
Bantar Gebang, een shot van een kwartier van een bewoonde Indonesische vuilnisbelt);
Mariko Mori;
Gregor Schneider (maakte een huis waarin de kamers een soort willekeurig gevormde blokken zijn die steeds op andere manieren naast, boven of onder elkaar kunnen worden geplaatst).
Vooral de kunstenaars wier werk bestaat uit een koppig volgehouden artistieke
daad, en niet een of ander
voorwerp, bleken mijn belangstelling weg te dragen. Al is Den Hartog Jager steeds een goede gids -- helder schrijvend, waar nodig waardering uitdrukkend, zonder in beate bewondering te vervallen. Hij signaleert wat hij niet begrijpt, of waar hij woorden bij te kort komt. Hij conformeert zich ook niet met het wereldje, heb ik de indruk: opvallend cynisch, en daarom veelzeggend, begint zijn ooggetuigenverslag van Documenta 12 (2007).

Hoe het toeval commentaar geeft op de mensNiettemin is het luik 'De fotografen' met voorsprong het beste van het hele boek. Omdat Den Hartog Jager daarin het duidelijkst zijn strenge, onmodieuze smaak ter zake laat spreken en deze mooi toelicht, compleet met voorbeelden en tegenvoorbeelden. Hij bood me onder andere de woorden om de zwaarmoedigheid te verklaren die me overvalt wanneer ik een uurtje zoet maak op Flickr, en tegen al die technisch volmaakt gefotografeerde nulliteiten aankijk.
Voor Den Hartog Jager is de fotografie bij uitstek het medium dat de toeschouwer terug in de tijd werpt, en een stilstaand beeld van de werkelijkheid pretendeert te bieden. In feite is dat documentaire aspect hem genoeg. De ellende begint wanneer moderne fotografen hun
persoonlijke visie willen doordrukken, zich "niet als cameraslaaf, vastgeklonken aan de werkelijkheid" gaan beschouwen, maar als "een visionair, die nieuwe vergezichten toont waar anderen hun ogen gesloten houden."
De meeste fotografen zijn luie schilders geworden, die hun werkelijkheidspretentie als een prettig extraatje beschouwen, zoals mensen bij een melodramatische televisiefilm ook harder huilen als ze weten dat het ‘echt gebeurd’ is.
Den Hartog Jager wil niet gemanipuleerd worden door de esthetisering van een onderwerp. Niet ondergesneeuwd worden door het meest geliefde genre tegenwoordig, de gestileerde portretfotografie. Niet ingepakt worden door opgepompte clichés (Annie Leibovitz). Niet ontroerd worden door mooie beelden van imperfectie over de rug van de modellen heen.
De fotomusea, die gretig inspelen op de populariteit van fotografie en niet snel geneigd zijn de nodige demarcatielijnen aan te brengen, zijn volgens hem medeverantwoordelijk voor de devaluatie van het medium.
In schilder-, beeldhouw- en installatiekunst wordt nauwkeurig en subtiel onderscheid gemaakt tussen tijdvakken, stromingen en bedoelingen. In de fotografie worden alle genres gemakzuchtig op een hoop gegooid, hoewel ze toch zijn ontstaan uit heel verschillende intenties. Je hebt bijvoorbeeld de journalistieke fotografie, waarbij men ten behoeve van kranten, weekbladen en websites het leven van alledag zo adequaat mogelijk wil betrappen. In de documentaire fotografie doen ze ongeveer hetzelfde, maar kiezen ze ervoor meer tijd te nemen, en afstand. Reclamefotografen daarentegen proberen een wereld om een product heen te creëren en de toeschouwer vervolgens die wereld binnen te lokken. En kunstfotografen willen, vaak door middel van enscenering of manipulatie, de toeschouwer laten nadenken over de ‘zichtbare wereld’ waarin hij leeft. Het zijn allemaal verschillende genres, met andere methoden en bedoelingen, maar in de fotomusea worden ze al te gemakkelijk zonder inhoudelijke distinctie getoond. En dat niet alleen: ook kwalitatief onderscheid is ver te zoeken. Rijp en rot, vernieuwend en modieus: de fotomusea tonen alles, als het er maar een beetje prettig uitziet. Dat leidt tot een opmerkelijke vervlakking: fotomusea worden in toenemende mate bastions van semi-modieuze foto’s waarvan de conservatoren denken dat het publiek er behoefte aan heeft.
Den Hartog Jager zet een paar
strenge krijtlijnen uit waardoor het makkelijker wordt een matige foto van een goede te onderscheiden. Het beste werk van de Amerikaanse straatfotograaf
Garry Winogrand mag exemplarisch heten. Winogrand was nooit op zoek naar een 'mooi plaatje'. Anticiperen en het bepalen van het juiste moment om af te drukken zijn doorslaggevend voor hem, en het werk van alle straatfotografen. [Zie ook bovenstaande afbeelding:
World's Fair, New York, 1964]
Met zulke foto’s, composities die geen composities zijn, treft Winogrand de essentie van de straatfotografie: hij ziet hoe het lot, het toeval commentaar geeft op de mens. Dat lot is de vorm, het licht, een subtiel beeldrijm, dat iets inhoudelijks toevoegt aan het beeld dat je zelf nooit zou kunnen verzinnen -- niet zou durven verzinnen zelfs.
Jammer dat voor de schilderkunst minder algemene criteria zijn op te stellen. Den Hartog Jager probeert soms wel, maar is zo wijs zijn probeersels in de plooien van een preciezer onderwerp te verbergen. Iedere goede kunstenaar probeert "zijn beelden te reduceren tot het minimum aantal mededelingen dat hij nodig heeft om zijn schilderij te laten spreken," zegt hij naar aanleiding van Fabritius. Het werk van Freud, Bacon, Auerbach is "een zoektocht naar het punt waarop materie, voorstelling en compositie elkaar in balans houden". Mja.
Het oude vertrouwde "Kunst ontregelt, vermaak bevestigt," komt nog het dichtst in de buurt van de waarheid.
> lees een fragment uit dit boek op
Prins van Denemarken> lijst van terloops vermelde kunstenaars in de commentaren hieronder
Hans den Hartog Jager, Haai op sterk water
309 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2008____