zondag 31 mei 2009

Verslaving

Mijn omgeving denkt al heel lang dat ik verslaafd ben aan boeken. De tijdelijke opschorting van dit weblog bracht eindelijk aan het licht dat dat niet klopt. Anderhalve week raakte ik nauwelijks een boek aan. Af en toe een bladzij of dertig, maar dat stelt niets voor. Toch voelde ik hoogstens een vaag ongemak, geen pijnscheuten door ontbering. Sterker nog: toen ik gisteren in lang weer een avond doorbracht met twee boeken, voelde ik weerzin tegenover de rust en passiviteit die nodig was om me over te geven aan de stem van een schrijver. In elke hoek schuilde afleiding: het gewemel van de televisie, een praatje met moeder de vrouw, het nadenken over wat morgen moet gebeuren. Ik leid daaruit af dat lezen nooit vanzelfsprekend wordt. Zelfs niet voor mij. Het is een gewoonte die je moet onderhouden. Voor wie dagelijks leest is het een koud kunstje om de dag daarop opnieuw te lezen, een automatische reflex bijna. Maar bij wie er een weekje mee ophoudt, is de kans groot dat die week een maand wordt, die maand twee maanden. Tot je nooit nog een boek aanraakt.

Dat ik dit weblog blauw blauw moest laten, daar liep ik wel lastig van rond. Al is het niet het ongemak van de handelaar die zijn winkel even moet sluiten tijdens de vakantie, in het besef dat een deel van zijn klandizie niet meer terugkomt. Ik geef niet om bezoekersaantallen. Het was het besef dat mijn persoonlijkheid aan het verdampen was. Teksten overtikken en die naar eigen goeddunken aan elkaar praten, dát is mijn verslaving, al twaalf jaar lang. Achille van den Branden is een alter ego dat ik inzet om dit vormeloze leven vorm te geven. Dingen zinvol aan elkaar te linken. Sporen achter te laten. Maar vooral is dit weblog een middel om te kijken wie ik ben. Teksten zijn spiegels die me -- vaak voor het eerst -- laten kennismaken met wat ik denk. In mijn hoofd hebben mijn gedachten immers geen substantie; het zijn er teveel, ze komen en gaan, ze gaan geen dialoog aan met elkaar. Omdat ik niet zo slim ben vergeet ik makkelijk wat ik denk. Omdat ik een opportunist ben pas ik mijn gedachten heel snel aan aan mijn omgeving. Verderbouwen op een eerdere gedachte wordt zo onmogelijk. Ik blijf steeds maar rondjes blijf draaien. Op Achille van den Branden wordt die treurnis een halt toegeroepen.

Nogmaals: ik ben niet verslaafd aan boeken. Ik wil vooral de dagelijkse sleur buiten de deur houden, en met lezen gaat dat perfect. Daarom is het raar dat nogal wat vrienden juist dat dagelijkse gelees ervaren als een mechanische, plichtmatige, haast gevoelloos makende handeling. Sleur. Zij verkijken zich echter op de uitwendigheden van mijn passie. Boekje vasthouden, lettertjes lezen, blaadjes omdraaien. Eén pot nat. Alsof het lezen van de poëzie van Boutens ook maar iets te maken heeft met het doornemen van de brieven van Rilke, lachen om de grappen van George Carlin, of nadenken bij een boek over pseudo-wetenschap.
____

zaterdag 30 mei 2009

Low-tech Magazine

"Low-tech Magazine refuses to assume that every problem has a high-tech solution. A simple, sensible, but nevertheless controversial message: high-tech has become the idol of our society."

> http://www.lowtechmagazine.com/
> http://www.notechmagazine.com/

___

Oh so beautiful paper

"I started Oh So Beautiful Paper in September 2008 with the goal of showcasing stunning paper goods and providing design and style inspiration."

> http://beautifulpaper.typepad.com/oh_so_beautiful_paper/

____

Whichbook

"Whichbook gives readers an enjoyable and intuitive way to find books to match their mood."

> http://www.whichbook.net/

____

vrijdag 29 mei 2009

Reizen in de onderwereld - Fiona Pitt-Kethley

Reizen in de onderwereld is het vlot weglezende reisverslag van een Engelse dichteres die een paar maal Italië heeft bezocht. Het boek lijdt aan oppervlakkigheid en een tekort aan algemeen geldende observaties. Dat wordt echter ruimschoots goedgemaakt door de flamboyante, geen blad voor de mond nemende persoonlijkheid van Pitt-Kethley, die in Italië haar obsessies is nagereisd: antiquiteiten, Romeinse mythen en seks. Veel seks.

Fiona Pitt-Kethley trekt vooral door het zuiden van het land. Ze bezoekt steden en oudheidkundige parken, en alles wat daartussen ligt. Vaak minder bekende locaties, maar steeds met een welopgevoede en dus door en door burgerlijke attitude.

Het is eigenaardig dat [Napels] zo afschuwelijk is. Het hele jaar door stroomt er geld van de toeristen in de zakken van de bewoners, en toch maakt alles een afgrijselijk arme indruk. Rome, het noorden en Sicilië zien er nu allemaal welvarend uit, maar Napels is aan het instorten. De helft van de kerken is gesloten wegens restauratie, maar je niet veel activiteit. De andere helft ziet eruit alsof het dringend behoefte aan restauratie heeft. Bijna iedereen is slecht gekleed. Veel oude vrouwen worden kaal en strompelen rond in gescheurde, stoffige, zwarte kleren. Iedereen heeft slechte voeten. De pedicures doen in ieder geval goede zaken. De straten liggen vol afval. De visverkopers laten overal stukken afval in de goten vallen. De fruitverkopers gooien hun verrotte waar op de grond. Erdoorheen spelen de kinderen voetbal. Iedereen gooit het papier van stukken meeneem-pizza, rissoles en stukjes gefrituurde, gezouten aubergine op de grond. Onder waslijnen vol met van zeepsop druipend slipjes in de achterafstraten staan half uit elkaar gehaalde en uitgebrande auto’s geparkeerd. Uitgehongerde katten en boosaardige duiven lopen in alles te wroeten. Er is geen stimulans om je netjes te gedragen. Ik betrapte mij erop dat ik tijdens mijn wandeling duizenden druivepitten aan het vuil toevoegde.
Ook zijn er enkele echte smerige bedelaars. In Rome lijken de bedelaars meer op zigeuners. In Napels zien zij eruit alsof zij over een stempelkussen zijn gerold, waarbij sommige plekken schoon zijn omdat er tijdens het wassen druppels op zijn gevallen of omdat erop is geplast door een van de gemuilkorfde honden die op straat rondzwerven.
Een leidmotiefje is de zoektocht naar reminiscenties van de Romeinse sibilles: in de klassieke oudheid de benaming voor een aantal vrouwen die werden geïnspireerd door een godheid (in de regel Apollo) en daardoor in extase, spontaan en ongevraagd de toekomst voorspelden. Door de literatuur werd de Sibille van Cumae het beroemdst: zij zou aan de Romeinse koning Tarquinius de zogenaamde Sibillijnse boeken hebben verkocht, en in de Aeneis van Vergilius begeleidde zij de held Aeneas op zijn tocht naar en doorheen de onderwereld. Bij Cumae werd in 1925 een 130 m lange gang ontdekt, die leidt naar een grot die door sommige onderzoekers wordt geïdentificeerd als de grot van de Sibille.

Ondertussen probeert Fiona de mannen van zich af te slaan die met haar naar bed willen -- Italianen, maar ook hitsige landgenoten op reis. Haar verbazing over de mannelijke primitiviteit klinkt dikwijls gespeeld, getuige ook het aantal losse scharrels waar de schrijfster dan toch op ingaat.
Later op de avond maakte Gerlando zo’n eigenaardige opmerking die me altijd het gevoel geeft dat ik de mannelijke psyche nog lang niet begrijp. Hij mompelde dat hij graag in mijn mond wilde klaarkomen omdat hij mijn haar zo mooi vond.
De schrijfster is zich zeer goed bewust van zichzelf en van haar effect op de omgeving. Ik, ik, ik: Reizen in de onderwereld is een erg egocentrisch verslag geworden. Ondanks alle gore en obscene details is het ook betrekkelijk vlak geschreven, zeker voor een schrijfster die van huis dichteres is. En toch, de combinatie van niet-sentimentele frivoliteit en seksuele honger, onder een overkapping van antieke geschiedenis, deed me het boek makkelijk uitlezen.

Op de kaft wordt het boek veelzeggend aangeprezen door zowel de Financial Times als de Cosmopolitan.

(Gebaseerd op notities van 7 september 2006.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
> lijst van bezochte plaatsen in de commentaren hieronder

Fiona Pitt-Kethley, Reizen in de onderwereld
267 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1990
Oorspr. Journeys to the underworld (1988)
Vertaald door Eduard de Zwart

____

maandag 18 mei 2009

Onderbreking

Wegens andere verplichtingen tijdens de meimaand last Achille een korte pauze in. Opnieuw van de partij op vrijdag 29 mei.

____

zondag 17 mei 2009

[Hörkassette]



Amazon.de behoort tot mijn favoriete internetleveranciers. Drie euro verzendkosten voor tweedehandsboeken en, mits enig speurwerk, boeken die zelf een fractie van dat bedrag kosten.

Het leidt tot haast en hebzucht. Bestellingen van tien boeken of meer per keer, en dagen waarop je de kleine lettertjes niet goed leest. Het boek van Mary Roach bleek geen boek te zijn, maar een set audiocassettes.

Alsof me ineens een archeologische vondst werd toegestuurd. De cassettes roepen alleen maar vragen op. Wie beluistert die dingen? Waarom geen cd's? Wie heeft er nog een cassettespeler tegenwoordig? En: hoe raken de fabrikanten in godsnaam uit de productiekosten?

Het valt niet mee om de cassettes te beluisteren. Een kleuterleidster spreekt me toe en legt veel meer animo in de tekst dan dit strakke non-fictieboek nodig heeft. Je hoort duidelijk de aan elkaar geplakte sesies. Bovendien is het geheel te stil opgenomen; wil ik de tekst verstaan in de andere kant van de kamer, moet ik bakken ruis mee gedogen. Anno 2009 wil ik daar niet meer aan.

De doos staat nu op de schouw. Als memento. Een beetje als de slaaf uit antieke tijden die de potentaat een por in de zij moest geven. Bedenk dat gij een verstrooid wezen zijt!
____

zaterdag 16 mei 2009

Beperkt zicht - Robert Irwin

"Vuil is een stenografische term voor een anomalistische klasse van voorwerpen die worden waargenomen als storend in de communicatie van de kamer en, in feite, communiceert het vuil niet met ons op dezelfde manier als de ordelijke collectie voorwerpen op, laten we zeggen, de schouw." Beperkt zicht is het verhaal van Marcia uit Londen: dertig jaar oud, wiskunde gestudeerd, maar door haar huwelijk gedegradeerd tot voltijdse huisvrouw.

We volgen Marcia op haar gedetailleerde schoonmaaktochten in huis, die in haar hysterische verbeelding wedijveren met de expedities van de grote negentiende-eeuwse natuuronderzoekers. Robert Irwin doet Marcia's neuroses voorkomen als het product van haar isolement en nutteloos grote culturele bagage. Een vermakelijk uitgangspunt, goed voor een verhaal, maar een hele roman?

Irwin slaagt er niet in mijn ongeloof op te schorten voor de duur van een heel boek. Ik schiep er behagen in te lezen over Marcia's gevecht met "stof, fermentatie, houtzwam, roestvlekken, motten, vet, remsporen, roet, vliegen, roos, pluis, uitwerpselen, wandluizen, mijt, opstijgend grondwater, tocht, roest, mufheid, kakkerlakken, schroeiplekken, gerammel, gekraak, geklepper, ketelsteen, lekken, scheuren, barsten, muizen, ratten en krassen", akkoord. Maar geen moment kon ik de gedachte van me afschudden dat dit het vrijblijvende uitstapje was van een verveelde schrijver, van huis uit historicus en oriëntalist.

Ik ga ziedend terug de keuken in. De afwas is nog niet eens helemaal klaar. Men bewaart de pannen tot het laatst en er staat mij nog iets afschuwelijks te wachten, een steelplan met een laag verbrande risotto bedekt met koud, vet water van gisteravond. Het is heel belangrijk om je woede te uiten. Ik weet hoe het kan opkroppen. Ik gooi het eruit in de steelpan. Afwassen is een gevechtssituatie.
Het verbrande zwarte spul op de bodem, verkoolde stronkjes, doet me denken aan een woud in oorlogstijd -- de Ardennen in 1944 welllicht, en het vettige water erboven zou de dichte mist kunnen zijn die verhindert dat de geallieerden van tevoren gewaarschuwd worden over het naderende Duitse offensief. Deze gemene ring verder boven in de pan kan het niveau van het wolkendek zijn. (Daar is eigenlijk de rijst overgekookt -- iets wat niet mag gebeuren met risotto.)
Goed, ik heb deze steelpan netjes opgesteld, ik buig me erover als een stafofficier in de kaartenkamer. Laten we dit woud eens bestuderen. Het zou een jungle in Zuidoost-Azië kunnen zijn; dan is mijn reinigingsmiddel het ontbladeringsmiddel dat de Amerikanen gebruikten. Maar nee, dat was een eerloze oorlog en ik stel voor om een zegevierende veldtocht te houden. Het eerste idee was het beste -- het worden de Ardennen. De geallieerden werden overrompeld door het Duitse tegenoffensief, net als ik, toen mijn rijst te hoog en te lang opstond. Nu moeten we hergroeperen. De verbrande rijst op de bodem kan doorgaan voor het bos -- gebombardeerde eiken en verschroeid houtachtig struikgewas -- en ook voor de Duitse eenheden die voorzichtig een route zoeken tussen de resten van hun beschutting. De stukjes rijst die wit zijn gebleven, kunnen gezien worden als gebieden met sneeuw die nu in modder veranderen door de zware regenval.
Ik ken om te beginnen geen vrouw die zo redeneert (aan de aanbevelingen van Jeanette Winterson op de flap til ik niet zo zwaar) en ik begrijp ook niet waarom Irwin van zijn heldin een wiskundige heeft gemaakt. Tenminste, als hij dan toch een roman als een omgekeerde boekenkast heeft willen schrijven, met verwijzingen naar Lévi-Strauss, Chamisso, Sir Philip Sidney en wie niet al.

Daarnaast vond ik Marcia's feministische oprispingen te direct om me te kunnen beroeren. Zij staat aan het aanrecht en fantaseert tijdens de afwas enerzijds dat iedereen haar bewonderd om haar dagelijkse vaardigheden, terwijl het andere moment ze die "dagelijkse-schoonheid-van-het-huishouden-onzin" opgedrongen acht door de man. Waarom, vraagt ze zich af, is het lot van de gewone huisvrouw, de halve wereldbevolking nog altijd zo dof als drieduizend jaar geleden?

Maar goed, Beperkt zicht kende een paar geestige momenten die me de overkant deden halen. De theevisite van Mrs. Dalloway krijgt een aardige moderne remake. Marcia probeert een Proustiaanse herinnering te triggeren maar komt van een kale kermis terug. En er is de confrontatie met het brandschone doek 'Vrouw schilt appels' van de Nederlandse schilder Pieter de Hooch.
Vuile, vuile slons! Kijk daar eens! Die goede vrouw heeft jouw moderne foefjes en apparaten niet, maar haar huis is schoner dan het jouw, vermoed ik. kijk hier! Ik moet nieuwe technieken leren, ik, een heel oude schilder. Er zit een spinnenweb in de hoek van jouw kamer. Nooit eerder heb ik een spinnenweb hoeven schilderen. Kijk daar dan! Je ziet geen spinnenwebben. Er is niets vuil. De goede mevrouw heeft die kachelpook met polijststeen gepoetst, ze heeft Spaans wit gekocht voor de kozijnen, het mes maakte ze schoon met Venetiaans rood, ze heeft de tegels geschrobd, en ze heeft een stok met een punt waarmee ze tussen de tegels schraapt. Zo is het goed. De Nederlandse cultuur is geen bacillencultuur. Maar jou kan ik amper zien door al die bacillen.
(Gebaseerd op notities van 15 oktober 2006.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Irwin op Achille: Het Alhambra

Robert Irwin, Beperkt zicht
172 p.
Uitgeverij Atlas, 2003
Oorspr. The limits of vision (1986)
Vertaald door Marjolein Comman

____

donderdag 14 mei 2009

Fimoculous

"Feeding on itself."

> http://www.fimoculous.com/

____

The Modern Word

"The Modern Word is a large network of literary sites dedicated to exploring twentieth century writers who have pushed the envelope of traditional narrative and structure. This includes many writers associated with modernism, surrealism, magical realism and postmodernism."

> http://www.themodernword.com/

____

Metacritic

"What began as a simple idea back in the summer of 1999 -- to both provide access to and summarize the vast amount of entertainment criticism available online (...)"

> http://www.metacritic.com/

____

woensdag 13 mei 2009

Een zee van licht - Gail Jones

De Australische schrijfster Gail Jones onderneemt in Een zee van licht flink wat compositorische waagstukken. Er staat een historische roman op stapel. Ze wil fictie mixen met gemijmer over het medium fotografie. En haar jonge heldin moet ook nog eens verscheept worden van het negentiende-eeuwse Melbourne (waar ze woont), naar het Victoriaanse Londen (waar ze, wees geworden, naartoe wordt gestuurd) en naar het koloniale Bombay (voor een uithuwelijking).

Eerst de plussen. Gail Jones is zonder twijfel een goeie schrijfster. Iemand met een intuïtieve aanpak die toch zorgvuldige zinnen aflevert. Een zee van licht is een intens boek waar veel vrouwelijke lezers dol op zullen zijn. Het op te delen in zestig korte hoofdstukjes was een gelukkige greep, want komt de dosering ten goede.

De nacht verstilde en de olielampjes begonnen eindelijk te doven. Een zachte zeewind liet de laatste gloeiende puntjes in de bijna uitgebrande vreugdevuren kort en fel oplichten. In de vroege uren van de morgen maakte Bombay zich klaar om te gaan slapen, verzinkend in de vertraagde vuurwerkdromen. Toen het kind eindelijk ter wereld kwam, wist Lucy niet waar ze was, of wanneer: toen haar koepel instortte, spatte ook haar planetaire visioen uit elkaar en ze had het gevoel dat ze was aanbeland in een nieuwe, verloste tijd met een nieuwe, scherpe blik. Lucy zag hoe haar dochter ondersteboven voor haar werd opgetild, met slingerende navelstreng, nog niet helemaal ontkruld. Ze was verglaasd met een laagje slijm en bloed en was een teken, een wonder. Ze was onweerstaanbaar, schitterend, een soort absoluut licht.
Daarnaast schrijft Jones graag en veel over de verschijningsvormen van licht en dat is een onderwerp, hoe onmogelijk ook, waar ik zeer voor geporteerd ben. Al kan ze niet tippen aan dat prachtige kleine boekje Dukla, van de Poolse auteur Andrzej Stasiuk.

Maar veel minder zijn al die negentiende-eeuwse clichés die door Jones, Professor of Writing te Sydney, worden gebundeld in deze roman. Een weeskind, nauwe broer-zusterrelatie, ooms die de lijnen uitzetten, een tienerzwangerschap, tbc, noem maar op. Dat allemaal in betrekkelijk vaag gehouden historische settings, ondanks overduidelijke research.

Het helpt allerminst dat het meisje zelf verslingerd is aan de grote realisten die ze op jeugdige leeftijd onder ogen krijgt. Dickens, Eliot, Thackeray, Collins -- het hele A-elftal van Victoriaans Engeland komt langs.

En over fotografie, waar ik op zat te wachten, gaat het pas vanaf pagina 154. Rijkelijk laat, wat een deel van mijn teleurstelling verklaart. De heldin wordt leerling-fotografe in India, de roman analytischer van toon. Jones last chemisch-technische achtergrondinformatie in en laat het meisje vrijuit mediteren over het wezen van de fotografie: de associatieve mogelijkheden van beelden, foto's als trigger voor herinneringen aan wat zich buiten het frame afspeelt, enzovoort.

In feite wordt het personage Lucy Strange misbruikt om enkele gecanoniseerde kerngedachten over fotografie en reproductie te ventileren (Barthes, Sontag, Benjamin) en dat is niet zo netjes. Laat staan geloofwaardig.

(Gebaseerd op notities van 7 september 2006.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Gail Jones, Een zee van licht
271 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 2005
Oorspr. Sixty l
ights (2004)
Vertaald door Willemijn de Jonge

____

dinsdag 12 mei 2009

Kleurige stenen - Adalbert Stifter

Foto's laten hem zien als een kolos met enorme bakkebaarden en worstvingertjes. Adalbert Stifter. Een van de belangrijkste exponenten van de Oostenrijkse Biedermeierliteratuur. Hij zag niets in stormachtige idealen en was het liefst de kaarssnuiter van de Romantiek geweest. In zijn oeuvre wou Stifter de tijdloosheid van de eenvoud in ere herstellen, en dat uit zich in doodbrave, bijna plotloze verhalen waarin iedereen nog lang leefde en gelukkig.

Adalbert Stifter (1805-1868) groeide op als zoon van een vlashandelaar in de bossen van Bohemen. Hij ging naar school in het benedictijner klooster Kremsmünster en studeerde, na zijn vaders dood in 1817, rechten en natuurwetenschappen in Wenen. Hij zal die studie niet tot een goed einde brengen: faalangst. Stifter komt aan de bak als privéleraar, en schopt het tot docent van Richard von Metternich, de zoon van de staatskanselier. Hij verlaat de hoofdstad in 1848 om zich terug te trekken in de provinciestad Linz, dat dichter bij zijn geliefde Boheemse Woud ligt. Van 1850 tot 1865 is hij werkzaam als Schulrat -- onderwijsinspecteur.

Stifter leidt voor de rest een bestaan in de luwte, doet zich tegoed aan spijs en drank, schrijft succesvolle verhalenbundels van conservatieve strekking (Studien, Bunte Steine), en maakt schilderijen (cf. cover van Kleurige stenen). In 1865 wordt levercirrose bij hem vastgesteld, een escalatie van jarenlang drankmisbruik; de overheid zet hem uit zijn ambt. Op pensioensgerechtigde leeftijd schrijft Stifter nog een historische roman. Een paar jaar later, leidend aan angsten, depressies en pijnen, snijdt hij zich met een scheermes een halsslagader door.

De teneur van Kleurige stenen, gepubliceerd in 1853, is niet los te zien van het ideologische klimaat waarin het boek verscheen. De verhalen zijn deels te begrijpen als een pedagogische reactie van Stifter op het revolutiejaar 1848, waarmee in Oostenrijk het einde van de Restauratieperiode (1815-1848) zijn beslag kreeg.

'Revolutiejaar 1848' is de benaming voor een reeks opstanden die zich in 1848/1849 in grote delen van Europa voordeden. Doel van deze opstanden was de instelling van een liberaal politiek systeem, het mogelijk maken van een liberale grondwet of het verdrijven van vreemde heersers. Hoewel de beweging van 1848 slechts van korte duur was en vele van de afgedwongen maatregelen later werden teruggedraaid, oefenden de opstanden toch een grote invloed uit op de periode die volgde.

De onlusten begonnen in Frankrijk. Als reactie op de Februarirevolutie daar brak in Oostenrijk en Hongarije de Maartrevolutie uit, die begon toen revolutionairen de onafhankelijkheid van Hongarije eisten. De haat richtte zich met name tegen kanselier Klemens von Metternich, die een absolutistisch en reactionair beleid voerde namens de onbekwame keizer Ferdinand I. Een delicaat krachtenspel ontstond tussen de Oostenrijkers, de Russische tsaar (die gruwde van liberale ideeën), de Serven en Kroaten (die in opstand kwamen tegen de Hongaren, gesteund door de keizer) en de Tsjechische revolutionairen (die hun acties op de Hongaren afstemden).

Na het afwijzen van petities voor liberale hervormingen braken op 12 maart in Wenen rellen uit. Klemens von Metternich ontvluchtte de stad en op 15 maart hief Ferdinand de censuur op en beloofde een nationale vergadering bijeen te roepen. In april werd een nieuwe constitutie uitgevaardigd, die na hernieuwde rellen in mei werd herzien. Na de Weense Oktoberopstand, die door Alfred I zu Windisch-Graetz bloedig werd neergeslagen, deed keizer Ferdinand troonsafstand ten gunste van zijn 18-jarige neef Frans Jozef I, die onder de hoede van Felix zu Schwarzenberg, met Russische hulp, de orde herstelde.

De zachte wet
Na deze woelige periode predikte Adalbert Stifter, die eerst ook liberale ideeën toegedaan was maar gaandeweg evolueerde naar een conservatief, het eenvoudige leven. De verhalen uit Kleurige stenen weerspiegelen sterk de waarden waar Stifter aan hechtte: rechtschapenheid, liefde (voor partner, ouders, naasten) en genegenheid. Romantische opzwellingen worden met argwaan bekeken.

Het waaien van de lucht, het ruisen van de aarde, het groeien van het graan, het deinen van de zee, het groenen van de aarde, het schitteren van de hemel, het flonkeren van de sterren houd ik voor groot. Het onweer dat geweldig komt opzetten, de bliksem die huizen splijt, de storm die de branding opstuwt, de vuurspuwende berg of aardbeving die landstreken bedelft, houd ik niet voor groter dan bovengenoemde verschijnselen, ik houd ze zelfs voor kleiner, omdat ze enkel de werking van veel hogere wetten zijn. Ze komen op bijzondere plaatsen voor en zijn het resultaat van eenzijdige oorzaken.
In het beroemde voorwoord bij deze bundel noemt hij dat waardenpakket das sanfte Gesetz, de zachte wet: een zedenwet die voeling houdt met de natuur en even onopvallend en stilletjes werkzaam is als een natuurkundige wet. Spectaculaire natuuruitbarstingen, zegt Stifter, vertroebelen het zicht op de achterliggende waarheid. Hij ziet de aarde als een aangenaam status quo door God geschapen, vol solide wetten. (Over het heelal, dat zoals bekend koud en leeg is, geen woord.) De innerlijke natuur van de mens moet daarmee corresponderen:
Een leven dat volledig in het teken staat van rechtvaardigheid, eenvoud, zelfbeheersing, redelijkheid, werkzaamheid in eigen kring, bewondering van schoonheid, gepaard aan een blijmoedig en kalm streven, houd ik voor groot. Sterke gemoedsbewegingen, vreselijk opbruisende drift, wraakzucht, de ontvlamde geest die daaddrang nastreeft, omverwerpt, verandert en verwoest en in de opwinding vaak het eigen leven vergooit, houd ik niet voor groter maar voor kleiner, omdat deze dingen evenzeer enkel voortbrengselen van bijzondere en eenzijdige krachten zijn als stormen, vuurspuwende bergen, aardbevingen. We zullen proberen de zachte wet te doorgronden waardoor het mensdom wordt geleid.
En dus krijgen we in Kleurige stenen Biedermeier-verhalen geserveerd waarin schoenmakers, hooizoekers, pekbranders en gemzenstropers braafjes en wars van pronk hun nering drijven. Mensen leren een ambacht, familietradities worden voortgezet, voorouders geëerd. Grootvader, een marginale figuur in onze hedendaagse literatuur, wordt bij Stifter met alle egards omringd en dist felgesmaakte verhalen op. Stifters decors zijn kleine dorpsgemeenschappen waar elkeen rouwt wanneer iemand sterft, iedereen weet hoe de nieuwe boreling heet, en de pastoor zelfbewust de kansel bestijgt.

In Kleurige stenen zijn de verhalen niet toevallig genoemd naar gesteenten. Een steen is solide. Vanop een steen overschouwt men de omgeving en vertelt men verhalen. Sterke beuken staan in stenige bodem. Stenen getuigen van constanten die het menselijke bevattingsvermogen te boven gaan. Een enkele keer hebben de titels ook een symbolische functie. Toermalijn is donker van kleur, en het gelijknamige verhaal is ook het donkerste van het boek.

Stifters thema is de huiselijkheid, het burgerlijk sentiment en, in het verlengde daarvan, de verzoening met de onmiddellijke natuurlijke omgeving. Hij beschrijft oprijzende bomen en groenende weilanden, nevels, mistbanken en de kleur van luchtlagen. Letterlijk elk verhaal begint met de uiteenzetting van een kloeke uitvalsbasis: een dorp, een domein, een huis, of nog kleiner: de huiskamer. Typisch de getemde romantiek van de Biedermeierliteratuur: verbondenheid met elkaar en nobele idealen, jawel, maar het liefst beleefd vanuit de knusse sofa. De Napoleontische oorlogen hebben de mensen doen snakken naar rust, gecelebreerd binnen vier stevige muren.

Lees Kleurige stenen dus niet om het plot, want dat is onveranderlijk zwak, of bijna afwezig. Een pastoor laat in zijn testament een geldsom na om een school te bouwen (Stifter zelf stichtte in Linz een middelbare school). Kinderen verliezen de weg in een besneeuwd landschap (worden in "één witte duisternis gehuld") maar komen veilig thuis. Als een huis in de fik schiet wordt de achtergeblevene gered. Enzovoort.

Het enige wat deze verhalen een beetje kruidt is de introductie van körperfremde personages, meestal kinderen. Theo Kramer wijst er in zijn nawoord op dat deze gemodelleerd zijn naar het ongerepte kinderbeeld van Rousseau. Zij schikken zich niet zomaar naar Stifters zachte wet en vormen een welgekomen contragewicht.

Voor de rest schrijft Stifter verhalen als een gladgestreken tafellaken. Sprookjes, maar zonder wrede accenten. Kitsch in een kunstige theoretische vatting. De verhalen zijn bovendien te lang en slordig: ik-personen lossen elkaar soms af in onhandige raamvertellingen.

In retrospect worden ineens de kwaliteiten van schrijvers als Flaubert, Tolstoj en Ibsen duidelijk, die in hetzelfde tijdsvak opereerden. En er zijn ook Duitstalige voorbeelden te bedenken. Wanneer Stifter dit boek publiceert, hebben Heine en Büchner hun belangrijkste werken al dertig jaar eerder geschreven.

Toch, moet ik eerlijk zeggen, las ik Kleurige stenen niet met tegenzin. Het deed me denken aan mijn jeugd, toen ik me laafde aan de boeken van Johanna Spyri. Met behulp van Stifter warmde ik me aan de gloed van die herinnering.

Uit het nawoord leer ik nog dat bij Duitstalige auteurs als Stifter, Von Kleist en Goethe eruptief natuurgeweld (aardbevingen, vuurzee, de pest) vaak een zinnebeeld is voor politieke omwentelingen. Ach ja.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Adalbert Stifter, Kleurige stenen : een feestgeschenk
316 p.
Uitgeverij Atlas, 2008
Oorspr. Bunte Steine (1853)
Vertaald door Wilfred Oranje

____

maandag 11 mei 2009

Het jaar van magisch denken - Joan Didion

Ik zou een slechte beroepsbespreker zijn. Die geen meesterwerken kan herkennen. Pas na het lezen van Het jaar van magisch denken vernam ik, beteuterd, welke triomftocht het had gemaakt in Amerika. En pas veel later leerde ik de reputatie van de schrijfster kennen. Ik las een goed boek, meer niet. 'Beetje oppervlakkig,' staat er zelfs in mijn notities. Didion schrijft over het lijden, en weinig is moeilijker over te brengen dan dat. Zeker als de lezer veertig jaar jonger is.

In december 2003 kwam er een abrupt einde aan het veertigjarig samenzijn van romancière/essayiste Joan Didion en schrijver/scenarist John Gregory Dunne. Kort nadat hun negenendertigjarige dochter Quintana door een longontsteking en septische schok in coma raakte, stort de schrijver in terwijl Joan bij hem aan tafel zit. Hartaanval.

Negen maanden na de dood van haar man -- alsof ook dit boek negen maanden draagtijd nodig had -- begint Didion haar lijdensweg vorm te geven op papier. Ze probeert door aanhoudende geheugenarbeid greep te krijgen op wat er gebeurde, en wat er met háár gebeurde. Het herinneren verloopt in meerdere rondes, waarbij de aandacht telkens verschuift naar een ander aspect van het verwerkingsproces.

We zitten in die periode van onbestemde duur die we rouw noemen als het ware in een onderzeeër, stil op de zeebodem, ons bewust van de dieptebommen die ons, soms van vlakbij, soms van veraf, bestoken met herinneringen.
Ik veronderstel dat vooral wie het overige werk kent van Didion -- hogelijk gewaardeerde journalistiek die we nu literaire non-fictie zouden noemen -- gegrepen wordt door de metamorfose die de schrijfster ondergaat. Overweldigd door onmacht en intense rouw begint ze te redeneren als een klein kind. Alsof ze haar gedachten en wensen de macht toeschrijft het verhaal terug te kunnen draaien en de afloop te veranderen.

Dat is 'het magisch denken' uit de titel. Een begrip uit de psychologie, dat doelt op alle wishful thinking waarbij algemeen geldende regels voor oorzaak en gevolg genegeerd worden. Het waardevolle aan Het jaar van magisch denken is natuurlijk dat Didion op het moment van schrijven al voldoende afstand heeft genomen van het verschijnsel en het kan rationaliseren.

Maar wat ik waarschijnlijk miste aan het boek waren beelden die afdoende het lijden beschrijven. Een Thomése, hoe larmoyant ook, heeft die in Schaduwkind wel paraat. Didion vlucht in feitelijkheid en maakt haar verslag daarmee ook heel particulier. Ze zet de gebeurtenissen op een rijtje en begraaft zich in een berg medische tijdschriften en boeken. Het vertrouwde ritueel van de analytisch denkende intellectueel, zeg maar. Een jaar vóór Didion ging Max Pam op dezelfde manier te werk in Het ravijn, als hij revalideert van een hersenbloeding. Van Pam was ik zelfs meer onder de indruk, omdat in zijn geval de aandoening hem intellectuele arbeid belet.

Maar zo'n afstandelijke aanpak betekent dus niet dat dit boek zonder effectbejag is. Het is me te makkelijk enkel documentaire waarde toe te schrijven aan zakelijk opgeschreven gegevens. Wanneer je de uitdraai van een CT-uitslag krijgt, kan je er als auteur voor kiezen daar in algemene termen over te spreken, of haar helemaal uit te schrijven. Didion kiest voor het laatste. De lezer zit erbij en kijkt ernaar.
De scan toont een subduraal hematoom in de rechterhemisfeer, met tekenen van acute bloeding. Actieve bloeding niet uitgesloten. Het hematoom veroorzaakt een duidelijke verdringing van het rechtercerebrum, met rechtersubfalcale en vroege unciale herniatie, met een verschuiving van de middenlijn van 19mm van rechts naar links ter hoogte van de derde ventrikel. De rechterzijventrikel is totaal verstreken en de linkerzijventrikel vertoont vroege tekenen van inklemming. Er bestaat een matige tot sterke compressie van de middenhersenen en de perimescencephale cisterne is ook verstreken. Bij de posterieure falx en het linkertentorium vallen eveneens smalle hematomen op. Er is een kleine parenchymbloeding in de rechter inferolaterale frontaalkwab. De cerebellaire tonsillen liggen ter hoogte van het foramem magnum. Er is geen sprake van een schedelfractuur. Er is een groot parietaal hematoom onder de rechter hoofdhuid.
Dat ook de persoonlijke herinneringen aan haar man wat teleurstellen, was omdat ze buiten mijn wil om de vergelijking moesten doorstaan met wat John Bayley in zijn memoires over Iris Murdoch vertelt. Daarbij, de inside stories van een columniste bij diverse New Yorkse bladen staan heel ver van me af.

Het jaar van magisch denken kent zijn sterkste momenten wanneer Didion feit en sentiment doet samenkomen in een perfecte alinea, of wanneer ze erin slaagt in een analyse boven het particuliere uit te stijgen.
Eén ding dat me die weken in het UCLA opviel was dat veel mensen die ik kende, in New York of Californië of waar dan ook, een trekje gemeen hadden dat doorgaans aan bijzonder succesvolle mensen wordt toegedicht. Ze geloofden allemaal rotsvast in hun eigen organisatietalent. Ze geloofden rotsvast in de macht van de telefoonnummers die ze voor het grijpen hadden: de juiste arts, de rijke donateur, de juiste contactpersoon die iets bij de overheid of justitie gedaan kon krijgen. Het organisatietalent van deze mensen wás ook wonderbaarlijk. De macht van hun telefoonnummers wás ongeëvenaard. Zelf had ik het grootste deel van mijn leven datzelfde basisvertrouwen gehad in mijn vermogen de gebeurtenissen naar mijn hand te zetten. Als mijn moeder in Tunis plotseling in het ziekenhuis belandde, kreeg ik het voor elkaar dat ze via de Amerikaanse consul Engelstalige kranten kreeg en dat hij een vlucht met Air France regelde zodat ze naar mijn broer in Parijs kon. Als Quintana plotseling strandde op het vliegveld van Nice, kon ik met iemand van British Airways regelen dat ze op een BA-vlucht meeging naar haar nichtje in Londen. En toch had ik, omdat ik van nature angstig ben, op een bepaald niveau altijd gevreesd dat sommige gebeurtenissen in het leven mijn macht om ze te beheersen of te regelen te boven zouden gaan. Sommige dingen zouden toch gewoon gebeuren. En dit was er een van. Je gaat aan tafel en het leven dat je kent houdt op.
Veel van de mensen met wie ik sprak in die eerste dagen dat Quintana in coma lag leken die angst niet te kennen. Hun eerste reactie was: dit moet te regelen zijn. Het enige wat ze daarvoor nodig hadden was informatie. Ze hoefden alleen maar te weten hoe het was gebeurd. Ze hadden antwoorden nodig. Ze moesten weten wat ‘de prognose’ was.
Ik had geen antwoorden.
Ik had geen prognose.
Ik wist niet hoe het was gebeurd.
Zoals bovenstaand fragment aangeeft: ook de ziekenhuisopnames van Quintana maken deel uit van dit boek. Hartverscheurend is daarom de wetenschap dat de dochter overleed nog voor het boek was verschenen. Maar Didion weigerde nog aanpassingen in het manuscript aan te brengen. Het was goed zo. En genoeg geweest.

(Gebaseerd op notities van 13 september 2006.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Joan Didion, Het jaar van magisch denken
204 p.
Uitgeverij Prometheus, 2006
Oorspr. The year of magical thinking (2005)
Vertaald door Christien Jonkheer

____

zondag 10 mei 2009

Literaire aanleg

Hij herinnert zich nog goed hoe verbazingwekkend moeilijk het bleek om proza te vervaardigen, al was het maar enkele regels, dat de vergelijking kon doorstaan met het proza van publicerende schrijvers. Zijn -- en andermans -- aanvankelijke overmoed was ongetwijfeld gevolg, begreep hij, van het feit dat iedereen op school schrijven geleerd had: haast niemand kan een schilderij van Rubens kopieren, zoals het ook maar weinigen gegeven is om een gitaarsolo van Jimi Hendrix na te spelen, maar elke boerendochter van twaalf is technisch prefect in staat om, als ze maar voldoende moed en tijd heeft, Misdaad en straf over te pennen. Kind kan de was doen. Het eerste zinnetje dat hijzelf op school op papier leerde zetten, was: ‘Ik eet een peer met zus.’ Een zinnetje van niets, bestaande uit evenveel lettergrepen als ‘Ik ben zwanger, Lester’. Zes jaar oud was hij toen, en geen enkele moeite had hij tien jaar later om voor zichzelf toe te geven dat hij niet de minste literaire aanleg had.
Christophe Vekeman, in: Lege jurken

____

The Children's Literature Web Guide

"Internet resources related to books for children and young adults."

> http://www.ucalgary.ca/~dkbrown/index.html
____

Readerville

"Readerville is founded on the idea that literature -- and discussion thereof -- is one of life’s finest pursuits. Since May of 2000, the Readerville Forum has provided a broad and flexible space for readers, writers, librarians, publishers, critics and anyone else who loves books to have thoughtful and engaging discussions about everything from favorite books and authors to why they buy what they buy, to current writing conundrums, to the latest literary news."

> http://www.readerville.com/
____

vrijdag 8 mei 2009

Haai op sterk water - Hans den Hartog Jager

Deze bundel kritieken laat zien dat een beetje kunstrecensent in de Lage Landen een jack of all trades moet zijn. Haai op sterk water brengt artikelen samen die tussen 1995 en 2007 in NRC Handelsblad stonden. Daarin werd Hans Den Hartog Jager verondersteld met evenveel kennis van zaken te schrijven over een zestiende-eeuwse meester, Amerikaanse straatfotografie en de laatste Documenta. Goed aan zijn boek is dat hij zijn twijfels niet onder de mat veegt.

Haai op sterk water doet me beseffen dat ik me meer moet verdiepen in Nederlandse kunstcatalogusteksten. In Vlaanderen zijn die vaak van een bedroevend niveau. Volgens een of andere stilzwijgende afspraak moet hier altijd over kunst geschreven worden in een pseudo-geleerd kwaak-maar-raak-taaltje. Het opmerkelijke is: als je de teksten voor jezelf hertaalt, blijken die overwegend betrekkelijk oppervlakkige notities te bevatten over een handjevol onderwerpen. De relatie tussen schijn en werkelijkheid is er één van, de spanning tussen individu en maatschappij een populaire tweede.

Neen, dan liever de Hollandse nuchterheid en transparantie, waarvan Hans Den Hartog Jager een schoolvoorbeeld is. Goed dat een deel van zijn werk verzameld is in dit boek. Het mocht wat kosten, getuige de glanzende hardcover, maar ook weer niet te veel -- afbeeldingen schitteren door afwezigheid. Dat laatste is triest voor een boek over kunst, dat ik nu voornamelijk heb gelezen met de computermuis en de webbrowser in de aanslag.

Jammer, want ik lees graag over kunst. Een handvol locaties in Parijs niet tenagesproken, vind ik een plaatboek verre te verkiezen boven museumbezoek. Kunst gaat voor mij verder dan het bezichtigen van een collectie topwerken in een gebouw. Kunst is vooral: deelnemen aan de leefwereld van een kunstenaar. In een museum, hoogstens een bloemlezing van twee à drie werken van een artiest, is dat onmogelijk. Bovendien kan ik in een kunstmuseum -- een rare instelling die het midden houdt tussen een circus, een bedrijf en een mortuarium -- zelden in de juiste sfeer raken. Niets irritanter daarom, dan het oeverloze geklets van directeuren die allemaal menen de ideale expositiecondities te hebben geschapen.

Geef mij maar een boek. Taschen brengt mooi snoepgoed uit, maar heeft een al te veilig fonds, dat steunt op boeken van netjes gecanoniseerde stromingen en een twintigtal onbetwistbare meesters. Liever koop ik werk van Phaidon. Hun reeks Contemporary artists is ideaal. Mooi uitgegeven, prikkelende teksten, een lang interview met de artiest, en veel kleurenfoto's op groot formaat.

Een oneindige matroesjka
Haai op sterk water opent met een positiebepaling van de hedendaagse recensent in een snel evoluerende kunstwereld. Den Hartog Jager verwijst naar het klassieke Beyond the Brillo box, waarin de Amerikaanse kunstcriticus Arthur Danto besefte dat Warhol met zijn werken een point of no return had bereikt. Niet alleen waren de grenzen tussen hogere en lagere kunst weggevallen, het was überhaupt niet meer duidelijk wat een kunstwerk nu precies tot kunstwerk maakte.

Aldus riep Danto het einde van de kunstgeschiedenis uit, en in die onwennige toestand leven we nog steeds. Aan het oog heeft de neutrale waarnemer niet meer genoeg om een kunstwerk te beoordelen, je moet ook de context kennen. Den Hartog Jager vindt dat als recensent boeiend en moeilijk tegelijk. Een kunstwerk, zegt hij, maakt dikwijl deel uit van de strategie van een kunstenaar, en die strategie moet je kennen om het kunstwerk te kunnen schatten. En dan nog.

Sinds het midden van de jaren negentig ben ik langzaam gaan beseffen dat je veel hedendaagse kunst het beste als een oneindige matroesjka kunt beschouwen: hoe goed je ook kijkt en hoe intens je er ook over nadenkt, je weet nooit of je het binnenste poppetje te pakken hebt.
Maar ook de kunstenaars zelf hebben het lastig. Het streven naar het grote geld, en het soort kunst dat dat met zich meebracht, devalueerde het aanzien van de hedendaagse kunstwereld. Haai in sterk water haalt in dat verband een ander ijkpunt aan, Damien Hirst. In een goeie bijdrage schetst Den Hartog Jager de opkomst van de zogenaamde Young British Artists, en daarmee alles wat ik verfoei aan moderne kunst: het exhibitionisme, de relletjes, de commercie.

9/11, zegt Den Hartog Jager, had uitgewezen dat het werk van Hirst en dat van vele generatiegenoten geen uitstaans had met de dilemma’s die wereldwijd onder de oppervlakte woelden -- de religieuze vertwijfeling, de mondialisering, het consumentisme. Integendeel, aan dat laatste deden ze stevig mee. "Geheel in de geest van de tijd besefte Hirst in de jaren negentig dat de wereld van de kunst en die van alledag minstens één belangrijk belang deelden: geld. In samenwerking met reclamemagnaat en verzamelaar Charles Saatchi begon hij aan een uitgekiende wedloop om zijn werk zo duur mogelijk te maken -- veel uitgekookter dan Warhol ooit zijn prijzen had opgedreven."

Damien Hirst, Marc Quinn, Sarah Lucas en Gary Hume zijn bovendien allemaal kunstenaars die een opmerkelijke kunsthistorische desinteresse aan subtiele ironie koppelen. "Het zijn geen hermetische systeembouwers," zegt Den Hartog Jager, "die ervan uitgaan dat je hun oeuvre moet kennen om een nieuw werk te begrijpen; hun schilderijen en beelden en installaties zijn confronterend, mediageniek en snappy."

Gevolg: wanneer zo'n kunst aanslaat (lees: wanneer kunstenaars handig weten boven te drijven in een poel van directeuren, galeriehouders en juryvoorzitters), is er voor hen geen probleem. De rest van de kunstenaars moet zich echter steeds vaker staande houden in de echte wereld, zonder nog een beroep te kunnen doen op de veilige beschutting van avant-gardes en tradities. Veel verderop in zijn boek heeft Den Hartog een alinea staan die perfect de identiteitscrisis van de hedendaagse kunst samenvat:
Kunst is voor veel mensen synoniem geworden met kunst over kunst en het museum is daarvan het symbool. Het museum is de veilige witte haven waar de kunstenaar, niet bedreigd door de echte wereld, kan doen wat hij wil. (…) [Maar] die echte wereld veranderde. De toeschouwer die het museum verliet, besefte steeds vaker dat verleiding en illusie niet langer waren voorbehouden aan museum, theater of pretpark. Sterker nog: het scheppen van illusies is een belangrijke economische factor geworden. Illusie is macht. Geld. Op internet, in film, op televisie en in reclame krijgt iedereen constant illusies voorgeschoteld die hem proberen te verlokken. (…) Vergeleken bij deze verleidingsvormen werd de kunst steeds machtelozer. Ze wist nauwelijks nog een houding te vinden tegenover die veranderende wereld. Sommige kunstenaars gingen dan het museum uit en probeerden werk in de ‘echte’ wereld te maken, maar dat bleken vaak slappe aftreksels van de werkelijkheid. De kunst, die zo graag reflectie biedt op de samenleving, had geen antwoord op het feit dat het leven van alledag complexer was geworden dan de meeste van haar verschijningsvormen. Kunst dreigde het minvermogende zusje van de visuele samenleving te worden, louter gerespecteerd omdat ze uit zo’n goede, adellijke familie kwam.
Als de eerste emoties weg zijn
Haai op sterk water bestaat voor de rest uit beschouwingen voor een algemeen publiek (vaak naar aanleiding van exposities) over tal van kunstenaars, die Den Hartog Jager losjes gegroepeerd heeft rond een paar voor zichzelf sprekende trefwoorden: 'De makers', 'De denkers', 'De sfeerscheppers', 'De geëngageerden'. Te beginnen bij een rijtje oude bekenden.

Hij vat de visionaire ideeën samen van Andy Warhol. Toont aan dat Warhol op vele hedendaagse fenomenen vooruitliep: de weblogcultuur en de realityshow (Warhol liet door een secretaresse elke dag zijn leven documenteren en vervaardigde time capsules), de consumptiecultuur ("Department stores are the new museums"), de celebritycultuur, het denken in strategieën, het ondermijnen van het originaliteitsprincipe, het ophemelen van de buitenkant, de snelle wissels aan de top ("fifteen minutes of fame").

Hij maakt een profiel van Dalí, het zelfverklaarde genie, de verpersoonlijking van de excentrieke kunstenaar, de kunstenaar die zijn werk lééft. Maar ook Dalí als epigoon, en exploitant van twee afgezaagde trucjes: de tegenstelling en de doorredenering.

Hij probeert de vraag te beantwoorden waarom Tuymans van onbenullige foto’s zulke prachtige schilderijen maakt, maar slaagt daar niet echt in. "Beter dan wie ook herkent hij in bepaalde afbeeldingen een amalgaam van herinneringen, twijfels en verlangens die een grote groep mensen aanspreken."

En hij schetst het hoofdprobleem van iedere portretschilder: hoe bewaar je het evenwicht tussen enerzijds het weergeven van je model en anderszijds het verlangen een mooi schilderij te maken? Hij doet dat aan de hand van Hans Holbein, die Anna van Kleef zo mooi schilderde voor Hendrik VIII dat ze in het echt onvoldoende leek op haar portret en de koning teleurstelde.

Het is allemaal niet onaardig, maar weinig verrassend. Beetje tegen de canon aanschurkend. De stukken daarna, over hedendaagse kunst, brachten meer nieuws, voor mij, als leek. Den Hartog Jager combineert algemene stukken over buitenlandse kunstenaars met interviews van Nederlandse kunstenaars, waarin hij hen ondervraagt over hun inspiratiebronnen, carrièrezetten, artistieke twijfels, de verhouding kunst/leven én werkwijze. Zo vertelt beeldhouwster Maria Roosen dat ze elke keer vijf tekeningen maakt. Precies vijf.
De eerste tekening verbeeldde dan meestal heel letterlijk mijn stemming. Bij de tweede probeerde ik de esthetiek te laten varen en de kern van mijn gevoel te treffen, en zo verder. Op die manier was ik meestal bij de vierde wel klaar, dan waren de emoties eruit. Maar dan moest ik nog een vijfde. Dan begon ik maar vrijblijvend wat te doen, mijn kwast leeg te maken, zeg maar. Maar het opmerkelijk was nu juist dat in die tekeningen er vaak precies uitkwam wat ik bedoelde. Blijkbaar kon ik het pas een vorm geven als de eerste emoties weg waren.
Andere namen: Ger van Elk (die een blokje wit verfde, midden op zee, om een zo stofvrij mogelijk oppervlak te hebben); On Kawara (de man van de date paintings, die alle jaartallen van een miljoen jaar in het verleden tot een miljoen jaar in de toekomst uittypte en inlas); Bernd Becher (die met foto’s aantoont dat anonieme gebouwen een ziel hebben als je ze in reeksverband plaatst); Philip Akkerman (die alleen maar zichzelf schildert, in steeds nieuwe vermommingen); Roman Opałka; Pierre Huyghe (The Third Memory); Olafur Eliasson (Notion Motion); Bill Viola (Five Angels for the Millennium); Jeroen de Rijk en Willem de Rooij (Bantar Gebang, een shot van een kwartier van een bewoonde Indonesische vuilnisbelt); Mariko Mori; Gregor Schneider (maakte een huis waarin de kamers een soort willekeurig gevormde blokken zijn die steeds op andere manieren naast, boven of onder elkaar kunnen worden geplaatst).

Vooral de kunstenaars wier werk bestaat uit een koppig volgehouden artistieke daad, en niet een of ander voorwerp, bleken mijn belangstelling weg te dragen. Al is Den Hartog Jager steeds een goede gids -- helder schrijvend, waar nodig waardering uitdrukkend, zonder in beate bewondering te vervallen. Hij signaleert wat hij niet begrijpt, of waar hij woorden bij te kort komt. Hij conformeert zich ook niet met het wereldje, heb ik de indruk: opvallend cynisch, en daarom veelzeggend, begint zijn ooggetuigenverslag van Documenta 12 (2007).



Hoe het toeval commentaar geeft op de mens

Niettemin is het luik 'De fotografen' met voorsprong het beste van het hele boek. Omdat Den Hartog Jager daarin het duidelijkst zijn strenge, onmodieuze smaak ter zake laat spreken en deze mooi toelicht, compleet met voorbeelden en tegenvoorbeelden. Hij bood me onder andere de woorden om de zwaarmoedigheid te verklaren die me overvalt wanneer ik een uurtje zoet maak op Flickr, en tegen al die technisch volmaakt gefotografeerde nulliteiten aankijk.

Voor Den Hartog Jager is de fotografie bij uitstek het medium dat de toeschouwer terug in de tijd werpt, en een stilstaand beeld van de werkelijkheid pretendeert te bieden. In feite is dat documentaire aspect hem genoeg. De ellende begint wanneer moderne fotografen hun persoonlijke visie willen doordrukken, zich "niet als cameraslaaf, vastgeklonken aan de werkelijkheid" gaan beschouwen, maar als "een visionair, die nieuwe vergezichten toont waar anderen hun ogen gesloten houden."
De meeste fotografen zijn luie schilders geworden, die hun werkelijkheidspretentie als een prettig extraatje beschouwen, zoals mensen bij een melodramatische televisiefilm ook harder huilen als ze weten dat het ‘echt gebeurd’ is.
Den Hartog Jager wil niet gemanipuleerd worden door de esthetisering van een onderwerp. Niet ondergesneeuwd worden door het meest geliefde genre tegenwoordig, de gestileerde portretfotografie. Niet ingepakt worden door opgepompte clichés (Annie Leibovitz). Niet ontroerd worden door mooie beelden van imperfectie over de rug van de modellen heen.

De fotomusea, die gretig inspelen op de populariteit van fotografie en niet snel geneigd zijn de nodige demarcatielijnen aan te brengen, zijn volgens hem medeverantwoordelijk voor de devaluatie van het medium.
In schilder-, beeldhouw- en installatiekunst wordt nauwkeurig en subtiel onderscheid gemaakt tussen tijdvakken, stromingen en bedoelingen. In de fotografie worden alle genres gemakzuchtig op een hoop gegooid, hoewel ze toch zijn ontstaan uit heel verschillende intenties. Je hebt bijvoorbeeld de journalistieke fotografie, waarbij men ten behoeve van kranten, weekbladen en websites het leven van alledag zo adequaat mogelijk wil betrappen. In de documentaire fotografie doen ze ongeveer hetzelfde, maar kiezen ze ervoor meer tijd te nemen, en afstand. Reclamefotografen daarentegen proberen een wereld om een product heen te creëren en de toeschouwer vervolgens die wereld binnen te lokken. En kunstfotografen willen, vaak door middel van enscenering of manipulatie, de toeschouwer laten nadenken over de ‘zichtbare wereld’ waarin hij leeft. Het zijn allemaal verschillende genres, met andere methoden en bedoelingen, maar in de fotomusea worden ze al te gemakkelijk zonder inhoudelijke distinctie getoond. En dat niet alleen: ook kwalitatief onderscheid is ver te zoeken. Rijp en rot, vernieuwend en modieus: de fotomusea tonen alles, als het er maar een beetje prettig uitziet. Dat leidt tot een opmerkelijke vervlakking: fotomusea worden in toenemende mate bastions van semi-modieuze foto’s waarvan de conservatoren denken dat het publiek er behoefte aan heeft.
Den Hartog Jager zet een paar strenge krijtlijnen uit waardoor het makkelijker wordt een matige foto van een goede te onderscheiden. Het beste werk van de Amerikaanse straatfotograaf Garry Winogrand mag exemplarisch heten. Winogrand was nooit op zoek naar een 'mooi plaatje'. Anticiperen en het bepalen van het juiste moment om af te drukken zijn doorslaggevend voor hem, en het werk van alle straatfotografen. [Zie ook bovenstaande afbeelding: World's Fair, New York, 1964]
Met zulke foto’s, composities die geen composities zijn, treft Winogrand de essentie van de straatfotografie: hij ziet hoe het lot, het toeval commentaar geeft op de mens. Dat lot is de vorm, het licht, een subtiel beeldrijm, dat iets inhoudelijks toevoegt aan het beeld dat je zelf nooit zou kunnen verzinnen -- niet zou durven verzinnen zelfs.
Jammer dat voor de schilderkunst minder algemene criteria zijn op te stellen. Den Hartog Jager probeert soms wel, maar is zo wijs zijn probeersels in de plooien van een preciezer onderwerp te verbergen. Iedere goede kunstenaar probeert "zijn beelden te reduceren tot het minimum aantal mededelingen dat hij nodig heeft om zijn schilderij te laten spreken," zegt hij naar aanleiding van Fabritius. Het werk van Freud, Bacon, Auerbach is "een zoektocht naar het punt waarop materie, voorstelling en compositie elkaar in balans houden". Mja.

Het oude vertrouwde "Kunst ontregelt, vermaak bevestigt," komt nog het dichtst in de buurt van de waarheid.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lijst van terloops vermelde kunstenaars in de commentaren hieronder

Hans den Hartog Jager, Haai op sterk water
309 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2008

____

donderdag 7 mei 2009

Ring Lardner

"Ringgold Wilmer Lardner (1885-1933) was an American sports columnist and short story writer best known for his satirical takes on the sports world, marriage, and the theatre. (...) In 1916 Lardner published his first successful book, You Know Me Al, which was written in the form of letters (an epistolary), written by "Jack Keefe," a bush league baseball player, to a friend back home. The letters made heavy use of the fictional author's idiosyncratic vernacular. (...) Lardner influenced Ernest Hemingway, who sometimes wrote articles for his high school newspaper under the pseudonym Ring Lardner, Jr."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Ring_Lardner

____

Friedrich Maximilian von Klinger

"Friedrich Maximilian von Klinger (1752-1831) was a German dramatist and novelist. (...) Klinger was a man of vigorous moral character and full of fine feeling, though the bitter experiences and deprivations of his youth are largely reflected in his dramas. It was one of his earliest works, Sturm und Drang (1776), which gave its name to this artistic epoch."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Friedrich_Maximilian_Klinger

____

Pigault-Lebrun

"Charles-Antoine-Guillaume Pigault-Lebrun [Pigault de l'Espinoy] (1753-1835) was a French novelist. (...) The style of Pigault's novels is insignificant, and their morality very far from severe. As almost the father of a kind of literature which later developed enormously, Pigault-Lebrun deserves a certain place in literary history. Among the most celebrated of his novels may be mentioned L'Enfant du Carnaval (1792) and Angelique et Jeanneton de la place Maubert (1799). His Citateur (2 vols., 1803), a collection of quotations against Christianity, was forbidden and yet several times reprinted."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Pigault_Lebrun

____

Giuseppe Giacosa

"Giuseppe Giacosa (1847-1906) was an Italian poet, playwright and librettist. (...) He wrote La Dame de Challant for noted French actress Sarah Bernhardt, which she produced in New York in 1891. He also wrote the librettos used by Giacomo Puccini in La bohème, Tosca and Madama Butterfly in conjunction with Luigi Illica."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Giuseppe_Giacosa

____

woensdag 6 mei 2009

Diesels droom en Donders' bril - Bert Theunissen

Práchtig boekje. Kristalhelder en beknopt laat het zien dat wetenschap achter de coulissen een veel complexere en ook groezeligere onderneming is dan de kant-en-klare weetjes op de middelbare school doen uitschijnen. Weetjes van het type: 'Alexander Fleming is de uitvinder van de penicilline'. Theunissen, wetenschapshistoricus, neemt een kijkje achter de clichés, en toont aan hoe een ontoelaatbare vereenvoudiging van de feiten in weinig verschilt met een echte leugen.

Dat we die feiten graag in vereenvoudigde vorm doorslikken, kadert in het stereotiepe beeld van 'de wetenschapper' dat we erop nahouden en onbewust bevestigd willen zien: de wetenschapper als nerd die compleet opgaat in zijn vak; de wetenschapper als belangeloze held die het beste voorheeft met de mensheid; of de wetenschapper als gevaar, want wegbereider voor onethische praktijken.

De waarheid is veel ingewikkelder dan dat. Maar dat besef komt pas als je je in de wetenschapsgeschiedenis verdiept. Diesels droom en Donders' bril kan gelezen worden als een prettige introductie tot het vakgebied van Bert Theunissen en de problemen die zich er stellen. Om nieuwe ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderzoek te kunnen beoordelen, zegt hij, moet je er iets van afweten.

Maar feitenkennis is niet het enige. Zeker zo belangrijk is inzicht in hoe die kennis tot stand komt, wat je wel en niet van wetenschappelijk onderzoek mag verwachten, en hoe je de resultaten moet interpreteren. De populaire media spelen hierin vaak een kwalijke rol. Boeken en krantenartikelen focussen op de nieuwe theorie, de experimenten en de proeven. Maar hoe het meten of waarnemen verliep, daar lees je zelden iets over.

Theunissen ontleedt in zijn boekje negen bekende voorbeelden uit de wetenschapsgeschiedenis. Hij toont het volledige plaatje: de zijde en keerzijde van elke medaille, de grillen van de geschiedenis, en de kreukbare mens achter de smetteloze stofjas.

1. Het voorbeeld van Alexander Fleming maakt duidelijk dat de vraag wie een bepaalde vondst heeft gedaan niet zo eenduidig te beantwoorden is. Ontdekken is niet één aanwijsbare gebeurtenis maar een proces. Het blijft vreemd dat alleen Fleming in de schijnwerpers stond bij de uitvinding van de penicilline. Niemand keek om naar de twee mannen die minstens zo belangrijk waren: Howard Florey en Ernst Chain.

2. Dat wetenschappelijke inzichten zich in één geniale flits openbaren is in de meeste gevallen een romantische voorstelling van de feiten. Dat Darwin bijvoorbeeld dankzij de vinken op Galápagos tot zijn evolutietheorie kwam, is een mythe. Darwin had wel naar de vinken gekeken, maar begrepen had hij ze niet. Hij begreep ze niet, omdat hij toen nog niet in evolutionaire termen dacht. Pas jaren later realiseerde hij zich dat de vinken als bewijs voor zijn evolutionaire ideeën konden dienen. Hetzelfde met Newton. Of de anekdote met de appel waar gebeurd is, weet niemand. Zeker is wel dat er daarna nog twintig jaar overheen gingen voordat Newton zijn theorie van de zwaartekracht rond had.

3. Wetenschappelijke metingen verrichten is geen kinderspel. Hoe nauwkeurig moet je meten, en hoe vaak? Hoe weet je of je het goed doet? En meet je eigenlijk wel wat je denkt te meten? Allemaal reële problemen voor elke wetenschapper. Bovendien moet een meting herhaalbaar zijn, waar en wanneer ook. Theunissen illustreert deze problematiek in de casestudie van Joule, en de moeizame metingen die zouden leiden tot de wet van behoud van energie.

4. Er bestaan levensgrote verschillen tussen het doen van een ontdekking, het belang ervan inzien, de ontdekking gestalte geven in een concrete uitvinding en die uitvinding in massaproductie brengen. Het voorbeeld van Rudolf Diesel, op zoek naar een motor met een hoger rendement dan de belangrijkste krachtbron van de negentiende eeuw, de stoommachine, toont hoe de goedkeuring van een eerdere patentaanvraag hem nekte. De essentie van dat patent werd namelijk in de commerciële versie van zijn uitvinding niet gerealiseerd, wat tot juridisch getouwtrek leidde. Mechanische onvolkomenheden -- en bijgevolg tanend succes -- van zijn eindproduct deden Diesel wegzakken in een financieel moeras. Daarbij was hij te trots om zakenpartners om hulp te vragen.

5. Twee wetenschappelijke experimenten spreken elkaar vaak tegen. Vervolgens zie je dat onderzoekers zich in hun oordeel laten leiden door wat ze denken dat de goede uitkomst is. Anders gezegd: een experiment dat oplevert wat je verwacht, is blijkbaar een goed experiment, en als er iets anders uitkomt twijfel je aan het experiment. Hoe kan een experiment op deze manier nog voor je beslissen hoe de natuur in elkaar zit? Een omstreden natuurkundig experiment uitgevoerd door Helmut Schmidt leek aan te tonen dat mensen over telepathische vermogens beschikten. Het leidde tot tegenexperimenten en twisten over hoe je de experimenten moest interpreteren. Ander voorbeeld: de moeilijke experimenten die tot het waarnemen van zwaartekrachtgolven moeten leiden.

6. Voor ons is het vanzelfsprekend, zegt Theunissen, dat artsen volgens wetenschappelijke principes te werk gaan. Maar historisch gezien kwamen de idealen van -- bijvoorbeeld -- de wetenschappelijke geneeskunde eerder te vroeg. Want toen men besloot ziektes wetenschappelijk te gaan bestrijden, waren er nog maar weinig aanwijzingen dat de patiënten daar ook echt bij gebaat zouden zijn. Kennis is één ding, het vinden van effectieve behandelwijzen en geneesmiddelen is een ander. Het duurde tot het eind van de negentiende eeuw voordat de wetenschappelijke aanpak op den duur vruchten zou afwerpen. Het klopt niet dat de vaak gelauwerde Nederlandse oogarts F.C. Donders een nieuwe behandelwijze voor allerlei oogaandoeningen kon afleiden uit zijn wetenschappelijke kennis. Hij moest zich behelpen met het uitproberen van glazen van verschillende sterkte, zoals ook tegenwoordig nog gebeurt. Wel pakte hij de zaken systematisch en grootschalig aan. Zijn instrumentencollectie was afdoende en bij problemen had hij alle relevante literatuur ter beschikking. Zo concurreerde hij de niet-academische ogendokters en brillenmakers uit de markt.

7. Soms moeten wetenschappers de natuur een handje helpen. Efficiënt experimenteermateriaal ligt niet altijd voor het grijpen. De Amerikaanse bioloog Thomas H. Morgan ontdekte de voordelen van het fruitvliegje als proefdier. Om de erfelijkheidswetten van Mendel te herontdekken moest hij duizenden kruisingsexperimenten uitvoeren en dat ging het best met fruitvliegjes: ze waren makkelijk te krijgen, goedkoop en plantten zich razendsnel voort. Alleen had hij mutanten nodig: aan hun nakomelingen kon hij zien hoe gemuteerde eigenschappen overerfden. Die proefdiertjes waren uiteindelijk het product van een zorgvuldig kweekprogramma, met het juiste voedsel, 'n ideale omgevingstemperatuur en behuizing, en voldoende bescherming tegen natuurlijke vijanden.



8. Aan Louis Pasteur danken we vaccins tegen dodelijke infectieziekten als miltvuur en hondsdolheid. Hij ontdekte voorts dat je bederfelijke voedingswaren langer kunt bewaren als je ze een tijd verhit. Maar ondanks zijn beruchte doorzettingsvermogen is hij niet het perfecte rolmodel voor de aankomende onderzoeker. Hij grossierde in dubieuze publiciteitsstunts en speelde af entoe vals om publieke demonstraties te doen lukken. In de race om het miltvuurvaccin keek hij bepaalde methodes af van zijn concurrent Jean-Joseph Toussaint. Bovendien probeerde hij het vaccin in het geheim op mensen uit terwijl hij in zijn publicaties beweerde dat zoiets misdadig was.

9. De meeste kennis die door de wetenschap wordt voortgebracht is, in weerwil van de publieke opinie, niet tijdloos. Wie naar de opeenvolging van theorieën kijkt, ziet dat waarheden niet lang standhouden. Zeker heden ten dage gaat kennis steeds minder lang mee. Voorbeelden genoeg die aantonen dat wetenschap even cultuurgebonden is als politiek, kunst of sport. Theunissen noemt het geval van Sherwood Washburn en Sarah Blaffer Hrdy. De theorieën van Washburn, voor wie de ontstaansgeschiedenis van de mens te karakteriseren als de evolutie van de jagende man in een door de man gedomineerd groepsgebeuren, paste goed bij de verklaring van de rechten van de mens, met als uitgangspunt dat iedereen gelijkwaardig is. Alleen lieten nieuwe apenstudies daarna zien dat haremvorming en mannelijke dominatie niet bepaald standaard waren. Zowel mannen en vrouwen hadden een sociale rol te vervullen in de groep. Hrdy, niet toevallig een antropologe met een feministische achtergrond, maakte er haar levenswerk van de theorieën van Washburn in vraag te stellen en de rol van de vrouw en het individu in het groepsgebeuren uit te klaren.

Tot zover de negen casestudies. Ook minder expliciet vallen in Diesels droom en Donders' bril interessante feiten te rapen waaruit blijkt wat een janboel wetenschap kan zijn. Wetenschappers die met hetzelfde bezig zijn, maar wier onderzoek door omstandigheden geen bevredigende resultaten oplevert en wordt gestaakt. Slordige of perfide exegeten, die wetenschappers conclusies in de mond leggen die ze niet trokken (zoals de Engelse vogelkenner David Lack met Darwin deed). Belangrijke doorbraken die ontstaan door onwaarschijnlijk toeval, of ondanks foute inschatting en menselijke fouten (zie daarvoor ook het boek Briljante momenten). Uitvindingen of methodes die werken, zonder dat de theoretische ideeën daarachter waar zijn. Niet de harde bewijzen die de doorslag geven, maar iemands autoriteit, of de reputatie van het onderzoekslab.

Goed was dat Theunissen me nog eens herinnerde dat de ideeën over hoe wetenschappelijke kennis tot stand komt de laatste vijfentwintig jaar nogal zijn veranderd. Een en ander wist ik nog wel van Feyerabend, maar toch.

Vroeger dacht men dat de wetenschapper een onfeilbare methode had om de natuur te leren kennen: de zogenoemde ‘wetenschappelijke methode’. Maar helaas, zo’n waterdichte methode bestaat niet. Wetenschappelijk onderzoek is een grillig proces dat niet volgens vaste regels verloopt. Lang heeft men ook gedacht dat wetenschap iets tijdloos was: mensen veranderen, de wetenschap blijft altijd wat ze is. Ook dit idee is achterhaald. Wetenschap maakt deel uit van onze cultuur, en als de cultuur verandert, verandert ook de wetenschap.

[...]

Wat komt er eerst in de wetenschappelijke methode? Waarnemingen doen of een theorie bedenken? Hoeveel waarnemingen en experimenten had je nodig om zekerheid te krijgen? En als er een waarneming opdook die niet in de theorie paste, moest je je theorie dan aanpassen of opgeven?
Diesels droom en Donders' bril is weer eens zo'n boek dat de lezer het besef inpepert van everything you know is wrong. En bij het lezen ken ik eigenlijk geen prettiger sensatie dan dat, of het moet de ontroering zijn die een meesterlijke roman verschaft. Theunissens boek gaat bovendien over levende mensen die dode voorwerpen moeten bestuderen en manipuleren, en ik stel vast dat ik daar graag over lees.

[afbeelding: Thomas Hunt Morgan in zijn lab]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Bert Theunissen, Diesels droom en Donders' bril : hoe wetenschap werkt
160 p.
Uitgeverij Nieuwezijds, 2004

____

dinsdag 5 mei 2009

Een bevoorrechte toestand

In republikeinse kring doet men trouwens nogal hypocriet over dat erfelijke voorrecht. Een Belg is tenslotte ook alleen maar een Belg omdat zijn ouders Belgen zijn, en mondiaal beschouwd is dat een nogal bevoorrechte toestand.
Benno Barnard over de ondemocratische erfelijkheid van de monarchie,
in: Kun je het Nederlandse volk doodrijden?

____

De laatste van mijn demonen : voor Hugo Claus

De heisa rond de dood van Hugo Claus (1929-2008) was een zeldzaam schizofrene ervaring. Terwijl de intellectuele bovenbouw van Vlaanderen royaal in beeld werd gebracht op de begrafenis en er in de nieuwsmedia geen onvertogen woord viel over de schrijver, stroomden de commentaarboxen van online krantenedities vol met -- naast condoléances -- kritische noten, ongecontroleerde rancune en scheldproza. En het waren niet allemaal geborneerde geesten die in actie kwamen.

De begrafenis van Hugo Claus heeft me vooral geleerd hoe moeilijk het is, zo niet onmogelijk, om ons los te wurmen uit de katholieke Vlaamse klei. Het volstaat immers niet om het geloof te verwerpen, of zelfs te verachten, om ineens voor vrije, vrijzinnige geest te kunnen doorgaan.

Denk alleen al aan de filippica van Erwin Mortier. De gemiddelde Vlaamse puber -- die geen letter Claus leest, geloof me -- is vrijgevochtener dan deze Mortier, die, vechtend met schimmen uit het verleden, meende kardinaal Danneels op zijn donder te moeten geven. Oké, hij was begonnen, maar hoeveel jonge mensen hechten nog belang aan wat zo'n gemijterde man te vertellen heeft? De ware vrije geest (zo stel ik me voor, want ik ben er ook geen) haalt gewoon de schouders op bij clericale prietpraat en gaat verder met zijn leven.

Pijnlijk ironisch waren ook de andere katholieke accenten tijdens de herdenking. Een serene (modewoord) viering was het, dat zeker, maar ze bezat niets van het kritische, dwarskoppige karakter dat Claus' schrijverschap óók typeerde. We werden getrakteerd op een soort heiligenverering, compleet met foto op totalitair formaat en hagiografische toespraken.

De laatste van mijn demonen kan gezien worden als het misboekje bij die heiligverklaring. Het bevat welwillende teksten van vrienden en collega's, van erg ongelijke kwaliteit.

In een aardige bijdrage memoreert Erwin Mortier de pudeur die hem overkwam bij de eerste ontmoeting met de meester. Mortier deelde de collegebanken met zoon Thomas Claus en kon via hem meehelpen met de verhuis van Claus' inboedel -- dezelfde verhuis waarin volgens de legende het manuscript van de 'Grote Gentse roman' zou zijn verloren gegaan, het boek waarmee Claus Het verdriet van België wou overtreffen.

Remco Campert schreef een gedicht. Connie Palmen herdenkt hoe zij Claus kende, met zijn "ijzeren beminnelijkheid". Marc Didden schreef een flutstukje over het cinematografische oeuvre. De tenenkrullende lofrede van Guy Verhofstadt wordt hier voor het eerst bijgezet in boekvorm. In het staf- en binnenrijmzwangere stuk van Dimitri Verhulst is goed de stilistische impact van Claus aan te wijzen. De dichters Geert Buelens, Paul Bogaert en Bart Meuleman ondernemen een poging om Claus gedichten te 'verbeteren' maar komen van een kale reis terug.

Het werd een ontnuchterende leeservaring. Deze op zijn zachtst gezegd ongebruikelijke manier van lezen leerde mij dat Claus eigenlijk geen enkel zwak gedicht heeft geschreven. Uiteraard vond ik ze niet allemaal even goed of interessant, maar binnen de geplogenheden en beperkingen van de verschillende soorten poëzie die hij bedreef maakt hij er telkens opnieuw letterlijk en figuurlijk het beste van. Alsof een atleet niet alleen elk onderdeel van de tienkamp beheerst, maar ook nog eens onklopbaar blijkt in zakdoek leggen, kleurenwiezen, petanque en schaak. Er bestaat geen spel of Claus excelleerde erin.
Voorts bevat De laatste van mijn demonen twee mooie interviews van Piet Piryns, waar Mark Schaevers rijkelijk uit putte voor zijn abecedarium, en die ik praktisch uit mijn hoofd ken. Twee bijdragen van verschillende auteurs citeren dezelfde passage uit de prachtige novelle Een slaapwandeling, die zinspeelt op Claus' eigen dementie. En gelukkig is er Michaël Zeeman, die wijst op de toneelproductie van Claus.

Want dat is wat dit boekje node mist: een goeie, nuchtere introductie tot het gehele literaire oeuvre. Superlatieven en goedbedoeld clichérijgen genoeg, maar wie geeft er een antwoord op de vraag waarom iemand deze oude meester zou moeten lezen?

De meeste andere media waren overigens in hetzelfde bedje ziek. Veel anekdotische columns in de kranten, herkauwde schrijversinterviews in tijdschriften, soundbites in het journaal, documentaires over de levenswandel (niet de boeken) op televisie. En de literatuur, dames en heren?

Zelf heb ik al eens een schuchtere poging ondernomen om een paar instapboeken van Claus op een rijtje te zetten, maar De laatste van mijn demonen gaat er vanuit dat Claus' reputatie aanbeveling genoeg is.

Enfin, dat is niet helemaal waar: Paul Claes doet een poging om één aspect van het oeuvre in begrijpelijke taal te duiden, Claus' allusiekunst.
Critici hebben Claus meer dan eens van plagiaat beschuldigd. Hun verbolgenheid berust op een misverstand. Plagiatoren verbergen angstvallig hun bronnen, allusiekunstenaars als Eliot of Claus hopen dat de lezer hun modellen herkent.

[...]

Critici doen citatenkunst soms af als gewichtigdoenerij, mystificatiezucht, boerenbedrog, gemakzucht of gebrek aan inspiratie. Dat is een psychologiserende reductie van een literair procédé. In feite is elke vorm van intertekstualiteit een stellingname: de zin van een tekst is wat hij met vorige teksten doeet. Constructief is intertekstualiteit die het model zonder meer assimileert: dat doet de klassieke imitatie. Daartegenover staat de destructieve intertekstualiteit, die de traditie aanvalt: dat doet de avant-gardetekst. Tussen beide in staat de constructieve intertekstualiteit van Claus, die een kritisch spel met de traditie speelt. Niet als een uit een boom gevallen Neanderthaler, maar als een homo sapiens die in het land Allusië nieuwe teksten grift op van ouds bekende stammen.

[...]

Zoals nogal wat schrijvers overschatte [Claus] de parate kennis van de lezer. Daarom moet er dringend een commentaar op zijn werk komen. Helaas is daar in onze analfabetische tijd weinig belangstelling voor. Diverse uitgevers die ik voorstelde een leeswijzer bij zijn poëzie te schrijven wimpelden dat voorstel af. De meester zal voorlopig meer geprezen dan gelezen blijven.
Voor de rest mankeerde het dit boekje aan kritische geluiden. Raar. In kranten en tijdschriften was het die week met een vergrootglas zoeken naar tegenstemmen, maar ze wáren er wel. Saskia de Coster kreeg in De Morgen een paar regels waarin ze de barokke woordkramerij van Claus maar niks mocht vinden. Benno Barnard zag in Knack de volkshysterie met lede ogen aan. Rik Van Cauwelaert, in datzelfde Knack, relativeerde de politieke soevereiniteit van Claus en voorspelde dat toekomstige biografen zullen aantonen dat zijn jeugd in een gezin van vervolgde Vlamingen (fout in de oorlog) meer impact heeft gehad op zijn schrijverschap dan links Vlaanderen tot nu toe heeft willen erkennen. Geen van die stukken haalde De laatste van mijn demonen.

Ik herinner me die week vooral de internetreacties te hebben gelezen, de enige waar ik iets van kon leren. Naast de deprimerende kortzichtigheid van velen, kon je er ook netjes onderbouwde kritiek aantreffen. Goed formulerende mensen die zeiden het navelstaren van Claus niet boeiend te vinden en meer geporteerd waren voor Elsschot, Mulisch, Hermans. Mensen die zeiden het vermoeiend te vinden "de dialectteksten" van Claus voor zichzelf te moeten vertalen in het Nederlands. Mensen die meedeelden hoe weinig Claus gelezen werd in Franstalige (Brusselse en Waalse) middens. Iemand schreef:
Claus stamt uit een tijdperk waarin niet alleen de pastoor, de non, de huisdokter en de burgemeester, maar ook de kunstenaar en de dichter op handen gedragen werden. De concurrentie was beduidend minder. De heilige huisjes, een goudmijn voor een kunstenaar, des te talrijker. De mediakanalen waren schaars, werden gecontroleerd en behandelden kunstenaars met respect en sérieux. Zoute voetnoten via het internet bestonden nog niet.
Nu, Hugo Claus zelf was zich goed bewust van hoe toevallig en tijdelijk populariteit is. Het grappige is dan ook dat de verstandigste woorden in deze bundel opnieuw van hem komen. Wat ik voorzie, dat binnen twintig jaar nauwelijks nog iemand vrijwillig Claus ter hand zal nemen (ik zie het reeds aan mijn vriendenkring), wist hij bij leven al.
In die onnozele tijdsspanne waarin men mij zich nog zal herinneren, zal men een paar gedichten van mij op school leren, denk ik. En voorts… Het verdriet van België is te dik, Schaamte te onleesbaar, De Oostakkerse gedichten te vrouwonvriendelijk, De verwondering te hermetisch, De koele minnaar te frivool, Wreed geluk niet hermetisch genoeg… Ik maak me weinig illusies.
En waar ik eerder al over schreef, het lauwe onthaal van individuele gedichten, stipt Claus hier nog eens aan.
Ik heb hier en daar wel eens een prijs gekregen, maar ik heb uiterst zelden iets behoorlijks gelezen over mijn poëzie. Als ik dat dikke boek met mijn verzamelde gedichten opensla, denk ik: hier heeft geen mens ooit naar omgekeken. Van die 1200 pagina’s zijn er misschien twintig ooit gerecenseerd, laat staan dat ze verheerlijkt werden, zoals het hoort.
Weet u naar wie mijn sympathie eigenlijk nog het meest uitging? Suzanne Holtzer, de stijlvolle redactrice van Claus. (Zij haalde het anachronisme 'Coca Cola light' uit De geruchten, dat in de jaren zestig speelt.) Van alle contribuanten is zij de enige die met zoveel woorden de vrouw van Hugo Claus moed inspreekt. Een elementaire daad van empathie, waarmee ze al die o zo gevoelige schrijvelaars in één keer het nakijken geeft.

(Gebaseerd op notities van 3 juli 2008.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> in memoriam in De Morgen
> in memoriam in De Standaard
> Erwin Mortier over Het verdriet van België

Diversen, De laatste van mijn demonen : voor Hugo Claus
143 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2008

____

maandag 4 mei 2009

Lege jurken - Christophe Vekeman

Als om mineure schrijvers ter wille te zijn, heeft de allegorische toneelkunst van de vijftiende eeuw het begrip 'Elckerlyc' gebaard: een hoofdpersoon waarvan elke individuele karaktertrek achterwege wordt gelaten. Een hedendaagse auteur heeft nog altijd twee redenen om zo'n figuur te introduceren: een tactische (de lezer kan zich makkelijk met de held vereenzelvigen) en een didactische (lekker alle biografische ballast overboord). In de handen van een genie -- Kafka -- groeit dat procedé uit tot een volmaakte romanvorm. Bij mindere goden is de Elckerlyc een mooi excuus om de grootste gemene deler te kunnen verkopen als literatuur. Wie zich inschrijft in een nobele traditie wordt zelf ook groter.

Lester Brandman, de figuur die Christophe Vekeman opvoert in Lege jurken, is geen volbloed Elckerlyc, maar zweemt toch vervaarlijk naar nietszeggende algemeenheid. Er is die naam natuurlijk, maar vooral het feit dat we zo verdomd weinig over hem te weten komen. Hij is de burgerman met het onbenullige baantje en het vereenzaamde huwelijk. That's it.

Vekeman beseft allicht dat een kwart van de wereldliteratuur al is opgegaan aan dat thema. Maar waarin hij zich dan denkt te onderscheiden met dit boek? Geen idee.

Zo doodjammer aan de nieuwe lichting jonge Vlaamse auteurs is dat ze geen realistische settings kunnen beschrijven. Ik ben een eenendertigjarige Vlaming met een voltijdse baan en een normaal sociaal netwerk, maar de eerste roman waar ik mezelf, mijn tijdsvak, mijn leefwereld of kennissenkring in kan herkennen, in al zijn precisie, moet nog geschreven worden. Voorlopig is het kiezen tussen het dronkemansgelal en de sanseveria's van Verhulst, auteurs die het decor van hun roman bewust vaag houden (Terrin, Verbeke, deze Vekeman) of schrijvers van vermoeiend linkse signatuur (Theunissen, Olyslaeghers). De onderschatte Yves Petry komt nog het dichtst in de buurt van wat ik wil. Maar ook bij hem meestal personages zonder smoel (en wéér die namen, Leo Wekeman).

Vekeman heeft Brandman niet toevallig opgezadeld met beperkte interesses. "Niet zozeer heeft hij een slecht geheugen," schrijft hij over hem, "de zaak is eenvoudig deze dat hij slechts bitter weinig belangwekkend genoeg vindt om te onthouden. Hij onthoudt enkel wat hij niet kan vergeten." Een aantal scènes uit zijn leven speelt Brandman na op basis van wat hij in films heeft gezien en ook zijn wereldbeeld kan op de achterkant van een bierviltje.

Hij walgt van tijdschriften, kranten en televisie, hij geeft geen reet om ‘het wereldgebeuren’ en ‘de actualiteit’: hij meent oprecht dat deze tijd, het begin van de eenentwintigste eeuw, de slechtste en lelijkste van alle tijden is -- de toekomstige weliswaar buiten beschouwing gelaten. Hij leeft in een land dat hij veracht, zijn leiders en zijn inwoners, zijn klimaat en zijn cultuur. Het is een land met een duidelijke nationale identiteit, die sedert een jaar of vijftien geheel en al is opgetrokken uit niets dan zelfgenoegzaamheid en eigenliefde. Een land dat zozeer tracht zich als een paradijs te profileren dat het de hel op aarde dreigt te worden voor iedereen die niet als een bezetene ‘het leven leeft’, maar daarentegen, heel menselijk, onder zichzelf en het leven gebukt gaat en zich daarom noodgedwongen afkeert van de alledaagse realiteit. Het is een wreed en genadeloos land, en vooral is het een cynisch land, waarin de gelukkigen in de meerderheid zijn, de doodnormalen, de museumbezoekers, de theatergangers, de reizigers, de goedverdieners, de opiniehebbers en de wel héél cynische lieden die doen alsof zij denken dat poëzie de wereld kan redden. Uit protest tegen dit land zou hij soms zichzelf op straat in brand willen steken en vervolgens willekeurige voorbijgangers innig om de hals vallen.
Op een dag vertelt Alicia, de vrouw waar Lester Brandman al vier jaar mee samen is, dat zij zwanger is van hem. Paniek natuurlijk, maar misschien ook een aanleiding tot herbronning, voor beiden. Voor Alicia, die ineens een artistieke carrière ziet gedwarsboomd, maar bijdraait. En voor Lester: kan de komst van een eigen kind Brandmans vastgeroeste ideeën over relaties openbreken?
Lester heeft het al vaak gedacht, de eerste keer dat hij het vaststelde dateert van jaren her, lang voordat hij Alicia leerde kennen: een relatie valt uiteen in twee delen. Tijdens het eerste, veruit kortste deel doet de vrouw er alles aan om zo goed en mooi mogelijk voor de dag te komen en tracht zij ten aanzien van haar nieuwe partner koste wat het kost haar onvolkomenheden te verdoezelen. Zij schuwt het scherpe zonlicht dat door de ramen valt en zonder omhaal aantoont dat zij bestaat uit vlees en niet uit plastic, dat zij een mens is en geen etalagepop. Zij wendt fatsoen of preutsheid voor wanneer zij na het liefdesspel zichzelf bedekt, maar zij bedekt zich uitsluitend uit angst dat zij haar bedgenoot niet langer zal bevallen nu het verblindende vuur van zijn wellust geblust is. Zij haat het om zich op te maken in zijn bijzijn, alsof zij hem in de waan wenst te laten dat zij nooit make-up gebruikt. Zij let op duizend dingen tegelijk, alle haar uiterlijk betreffend, en hoe consequenter zij dat doet, hoe sneller zij het opgeeft en de tweede fase aanvangt, die van de eerste het tegendeel vormt: vrijwel van het ene moment op het andere meet zij zich de gewoonte aan om dezelfde -- vaak vermeende -- onvolkomenheden die zij voordien verborgen heeft willen houden hardnekkig onder de aandacht van haar niet langer nieuwe partner te brengen, er hem elke dag opnieuw op wijzend dat zij dik wordt, dat zij rimpels krijgt, dat er onder haar ogen met de dunne, bleke wimpers onmiskenbaar walvorming ontstaat.

[...]

Uitsluitend zij zijn gelukkig die in het verleden hebben gezwegen, die hun gevoelens en gedachten nooit genoeg hebben vertrouwd om ze ten overstaan van derden in bekentenissen, meningen en wat dies meer zij om te zetten. Wie praat, creëert met elke zin die hij uitspreekt een onverschrijdbare, eeuwige grens, die zijn wereld alsmaar kleiner maakt, kleiner en eenzamer, definitief en onherroepelijk. Alicia is te kwistig met woorden geweest, en nu valt er niets meer te zeggen.
Erg veel méér gebeurt er niet in Lege jurken. Brandman overweegt en heroverweegt, interpelleert vrienden en collega's. Man en vrouw babbelen langs elkaar heen en missen een paar uitgelezen kansen om het uit te praten. Tussendoor is er het (vermeende) geflikflooi van Brandman met een van zijn werkmakkers, Claudia (woonachtig in de Wigstraat 32 -- god, moest dat nou, Christophe?)

Vekeman probeert de awkwardness tussen Alicia en Lester gestalte te geven via
drukdoend gepsychologiseer. Het is de aandrift/truc/noodoplossing (schrappen wat niet van toepassing is) van veel auteurs met een korte adem en weinig fantasie: elk piepklein voorval moet koste wat het kost universele betekenis krijgen. Het delirium en het gehannes met de gescheurde jas, waar Lege jurken mee opent en waar Vekeman zichtbaar zijn best op heeft gedaan, slaat wat dat betreft alles. Intrigerende bladzijden, maar onnatuurlijk proza -- toneel gezien door het oog van een televisiecamera in close-up.

De daaropvolgende hoofdstukken wordt die toon gehandhaafd. Terwijl een goed romancier een verhaal afwisselend indikt en uitspint, als een accordeon, is vooral het eerste derde van Lege jurken een lome tocht langs staties van gelijke lengte.

Het boek bevat bovendien gemiste kansen. Brandman lijkt makkelijk fantasieën te kunnen oproepen, maar de auteur doet weinig met dat gegeven. Brandman vindt het werk van Alicia, die kunstenares is, rotzooi, maar met die interessante tegenstelling wordt niets gedaan. Brandman mijmert over het jonge stel dat in het restaurant op hun vrije plaats heeft kunnen plaats nemen op de avond van zijn mislukte trouwverjaardag, maar verder niets over hen.

In plaats daarvan mediteert Vekeman vaak over de werkelijkheidsbeleving van zijn hoofdpersonage. Lege jurken staat vol ondiepe zinnetjes als "Alles kan. Het hoeft maar plaats te vinden en het gebeurt" en "Wat is het leven, op de keper beschouwd? Een verhaal, dat je kan geloven of niet".

Het enige aspect van Lege jurken dat me raakte was de manier waarop Vekeman, en zijn held, een uitweg proberen te vinden uit de ironie. Brandman beschouwt zichzelf op een gegeven moment "te jong om nu al vrede te nemen met wat zijn persoonlijkheid bleek. Hij moest, zoals dat hoorde op zijn leeftijd, proberen zijn karakter te veranderen, een beter, groter, fraaier mens te worden dan hij was en, achteraf bekeken, zou blijven. Hij moest idealen koesteren waaraan hij zou beantwoorden." Bij de gedachte aan zijn toekomstige kind, acht hij de tijd aangebroken "voor echte emoties, onbetwijfelbare liefde, vrouw en kind en daden en doen".

Misschien zijn we met deze generatie auteurs wel op een kantelmoment beland. "De beschaving zit misschien in een dip," zegt Brandman ergens, "maar optimisme is onze godverdomde plicht." Ik verdenk Vekeman er ook van het met zijn hoofdpersonage eens te zijn wanneer deze afgeeft op de gemiddelde intellectueel op televisie.
Het moet liggen, eerder dan aan die lage stem, aan het toontje waarop de schrijver praat: het soppige toontje dat niets te raden overlaat en, los van wat er wordt gezegd, enkel wenst mede te delen dat de eigenliefde van de spreker zonder meer terecht is, logisch, een natuurlijk feit. Het is, jawel, het toontje van deze tijd. Nog twintig jaar, hooguit, denkt Lester, doelend op het einde van de West-Europese beschaving. Gelukkig zal hij zelf steeds de liefde hebben, niet aan zijn zijde, en misschien zelfs niet in zijn hart, maar in ieder geval in zijn bloed. Wat kan hem de beschaving schelen?
Het manco van Lege jurken zit 'm erin dat Vekeman geen grootse situaties kan verzinnen om dat schuchtere idealisme vorm te geven. Daarvoor is zijn Brandman een verkeerd gekozen personage, dat nooit buiten de beslotenheid van zijn huiskamer komt, laat staan daarbuiten een daad van betekenis stelt. Zijn morele heropleving beperkt zich tot het out of the blue opzeggen van het Onzevader en enkele hulpeloze dialogen met zijn vrouw.
‘Ik hou van je.’
‘Meen het.’
Na drie boeken weet ik trouwens nog altijd niet wat te denken van Vekemans stijltje. Een stijltje dat de welwillende bespreker noopt het negentiende-eeuwse koppelteken van stal te halen: omstandig-koel, sierlijk-ironisch, zoiets. Vekeman kan iets met taal; tegelijk gebruikt hij haar nog als een straatboefje zijn stiletto-mes: vingervlug imponeren, zonder ooit echt toe te steken. Tot tweemaal toe (p. 65 en p. 101) laat Vekeman trots een frase als "Niet maakt zij van een mug een olifant, eerder is het omgekeerde het geval" op de lezer los.

En ondingen als "Aan gene zijde van de buitendeur" en "Hij neemt een paar slokken van zijn bier, die terstond effect sorteren" -- is dat Vekemans idee van dandy-achtige chic, of gewoon onhandigheid?

Afrondend: Vekeman is beslist een eigen toon op het spoor. En een onderwerp dat van hemzelf is komt wel met de jaren. Meer zorgen maak ik me over zijn gebrek aan vertelstof. Lege jurken is een boek met een verhaal en een uitgangspunt die weinig opzien baren, en met een povere climax. Op het einde maakt Vekeman een grote U-bocht, met in die bocht nog een knikje, maar alles even voorspelbaar.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Vekeman op Achille: Een borrel met Barry

Christophe Vekeman, Lege jurken
187 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2008

____

Related Posts with Thumbnails