Memento
Lees altijd de Wiki-entry in alle talen die je kent. Die pagina's verschillen onderling vaak in kwaliteit. En kijk, van een van mijn lievelingsfilms, Memento, heeft de Nederlandse pagina veruit het duidelijkste schema.
Lees altijd de Wiki-entry in alle talen die je kent. Die pagina's verschillen onderling vaak in kwaliteit. En kijk, van een van mijn lievelingsfilms, Memento, heeft de Nederlandse pagina veruit het duidelijkste schema.
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
22:57
0
reactie(s)
rubrieken miscellanea, wikipedia
"CESAR (calendrier électronique des spectacles sous l'ancien régime et sous la révolution) is a dynamic resource at the service of all those with an interest in the French theatre of the seventeenth and eighteenth centuries -- students, researchers, scholars, enthusiasts."
> http://cesar.org.uk/cesar2/
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
22:56
0
reactie(s)
rubrieken conjunctiones
"This site is devoted to Marcel Proust's novel À la recherche du temps perdu -- known in English as In search of lost time and remembrance of things past -- for an audience of both general readers and scholars. While my interest in Proust is broad these pages focus on the novel rather than on biography."
> http://tempsperdu.com/
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
22:55
0
reactie(s)
rubrieken conjunctiones
Allerlei illustere geesten (André Gide, Enid Starkie, Dirk Leyman) schatten de brieven van Flaubert hoger in dan zijn romanproductie, en ze hebben gelijk. Madame Bovary is een oerdegelijke roman over een tijdloos thema, die zich ook na 150 jaar probleemloos laat lezen. Maar na twee leesbeurten behoort-ie nog steeds niet tot mijn lijfboeken; misschien loopt mijn huwelijk te goed. Maar die correspondentie, da's andere koek. Vijf Pléiade-delen zijn ermee gevuld. Alles bruisende lectuur.
In Privé-domein verschenen al een paar thematische keuzes van de brievenschrijvende Gustave Flaubert: de correspondentie met zijn minnares Louise Colet (De kluizenaar en zijn muze), de epistels aan collega George Sand (Wij moeten lachen en huilen) en een algemene keuze (Haat is een deugd). Selectieheer Edu Borger neemt in Geluk is onmogelijk de draad op waar de brieven aan Colet ophielden en blijft selecteren tot het stervensjaar van de schrijver -- het boek omvat de periode 1857-1880. Bezorging en vertaling zijn prijzenswaardig, al had Borger in de verantwoording mogen aangeven waarin onderhavige keuze verschilt van Haat is een deugd, dat ik nog niet gelezen heb.
In zijn voorwoord schetst hij kort het tweede luik van Flauberts leven. In 1858 staat deze nog maar aan het begin van zijn carrière als schrijver. Het proces naar aanleiding van Madame Bovary is net achter de rug: Flaubert zou een immorele roman hebben geschreven, luidt de aanklacht, maar de schrijver wordt vrijgesproken. Het proces laat diepe sporen na: "Ik ben van leem wanneer het om het ontvangen van indrukken gaat, en van brons om ze te bewaren."
Na Madame Bovary heeft Flaubert nog drie grote romans voor de boeg (Salammbô, De leerschool der liefde en Bouvard en Pécuchet), een bundel met drie novellen, en het visionaire 'script' De verzoeking van de heilige Antonius. Het succes van Madame Bovary heeft de schrijver inmiddels in contact gebracht met mensen als George Sand en Toergenjev en verschaffen hem toegang tot de salon van prinses Mathilde, het nichtje van Napoleon III, die sinds de staatsgreep van 1851 aan de macht was, en tot het hof zelf. In een briefje aan de prinses op 8 juni 1874 kalkt Flaubert de beknopte levensfilosofie neer waar deze bundel zijn titel aan ontleent.
Het voornaamste op deze wereld is (aangezien geluk er onmogelijk is) je tijd op een aangename manier doorbrengen.Het genoegzaam bekende beeld van Flaubert-de-nijvere-heremiet wordt in Geluk is onmogelijk alleen maar bevestigd. Flaubert probeert met hard werken zijn aangeboren melancholie tot zwijgen te brengen. De meeste tijd brengt hij door in Croisset, waar hij woont met zijn oude moeder. Flaubert doet het tegenover enkele correspondenten graag voorkomen of een wandeling in de tuin met mama het enige verzetje vormt, maar dat is dan zonder het bordeelbezoek in Parijs gerekend, de roemruchte diners bij Magny of de avondjes in het boulevardtheater ("Ik was zo verontwaardigd dat ik thuisgekomen de hele nacht heb doorgebracht met het herlezen van de Medea van Euripides om me van die melkpap te zuiveren"). Maar uiteindelijk bevat Parijs te veel verlokkingen om er rustig te kunnen werken. Flaubert blijft terugkeren naar de provincie.
Parijs begint me flink de keel uit te hangen. Wanneer ik er een aantal maanden woon, krijg ik het idee dat mijn hele wezen door duizend openingen wegvloeit en zich ter hoogte van het trottoir verspreidt. Mijn persoonlijkheid vliedt heen, alsof ze door de omgang met de anderen gebarsten is, ik voel me een domme gans worden en alleen al de gedáchte aan de Wereldtentoonstelling maakt me moe. Ik ben er twee keer heen geweest. Vanaf het Trocadéro is het uitzicht schitterend. Het roept vage gedachten aan de Babylons van de toekomst op. Wat de details betreft heeft een Japans hoenderhof me het meest geamuseerd. Je zou drie maanden en vier uur per dag nodig hebben om kennis te nemen van alles wat er in ‘die grote fundamenten van de beschaving te vinden is. Ik heb te weinig tijd, laten we ons met ons vak bezighouden.Flaubert betrekt in Croisset het huis dat door zijn nichtje te zijner beschikking is gesteld. Daar vindt hij de nodige afzondering, rust en monotonie. "Mijn bestaan is vlak als mijn werktafel, en even roerloos," klinkt het in een brief. Stof voor zijn romans haalt hij niet uit een veelzijdige levenswandel, maar door zich uitvoerig in te lezen in de materie en die paar bepalende ervaringen uit zijn eigen leven te herkauwen. Flaubert ziet de ironie van zijn zelfgekozen ballingschap wel in, getuige het fictieve palmares van zijn leven dat hij aan Ernest Feydeau overmaakt (zie p. 43). Flaubert werkt dag en nacht, alleen ’s avonds onderbroken door een duik in de Seine, die langs zijn tuin stroomt.
Het verslag en de beschrijving van een veldslag in de Oudheid zijn geen gering karwei, want je vervalt altijd weer in die eeuwige epische veldslag die alle verheven schrijvers op basis van vertalingen van Homerus op schrift hebben gesteld. Er bestaat geen klotezooi waar ik in dit verdomde boek niet tegenop loop. Het zal een flink pak van mijn hart zijn als het af is. Was ik maar aan het eind van mijn tiende hoofdstuk, waarin geneu… zal worden.Daarom lijkt het lezen van deze Flaubert op supporteren voor een slijkerige flandrien op de kasseien van Noord-Frankrijk. De verwachtingen worden door de schrijver zelf alsmaar hoger opgeschroefd, terwijl zijn verbeeldingskracht niet evenredig toeneemt. Je kan niet anders dan meevoelen met Flaubert, wanneer deze zijn zoveelste meerjarenplanning moet bijstellen. Alleen in Balzac, wiens correspondentie hij leest, moet Flaubert zijn meerdere erkennen, qua zwoegen en zweten.
…Omdat ik ervan uitga dat je niet dood bent, want je bent, tussen haakjes, wel een smerig varken dat je niets van je hebt laten horen, verzoek ik je me de volgende dienst te verlenen… Ik heb een steile kust nodig, die mijn twee kereltjes angst aanjaagt… ik heb hem de hele middag gezocht… in de omgeving van Le Havre. Maar dat is het niet. Ik heb loodrechte kalkrotsen nodig, zoals de kliffen in Fécamp en Étretat… jij moet die contreien op je duimpje kennen? Dus geef me een beschrijving van de hele kust van Barneval tot Étretat… Ik zou liever hebben gezien dat Bouvard en Pécuchet in Le Havre met het geologische uitstapje begonnen, maar dat is niet mogelijk, want ze hebben al soortgelijke kliffen gezien… Na een uiteenzetting over het waarschijnlijke einde van de wereld… als gevolg van een grote natuurramp, halen ze zich van alles in het hoofd… er rollen een paar steentjes naar beneden. Dan maakt een panische angst zich van hen meester en ze rennen weg. Een van de twee… verdwaalt in een duinpan… Ik vertrouw op je en ik reken op een onmiddellijk antwoord. Wanneer die inlichtingen gearriveerd zijn, hoef ik nog maar drie à vier bladzijden te schrijven om mijn hoofdstuk over de wetenschappen te voltooien.Geluk is onmogelijk is daarnaast een polemisch festijn. Wie kennis wil maken met Flauberts poëtica, die leze geen secundaire studie, maar deze brieven. Vooral bij zijn correspondentes grijpt de auteur elke gelegenheid aan om zijn visie op de romankunst te luchten. Aspirant-schrijfsters praat hij over literaire procédés en geeft hij directieven over behoorlijke lectuur -- voornamelijk oude meesters: Montaigne, Shakespeare, Goethe, Petronius, Plautus, Apuleius, Spinoza. En Voltaire natuurlijk; géén Rousseau. Onder de tijdgenoten prijst hij een Michelet. Flaubert maakt een onderscheid tussen schrijvers met af en toe een mooie opwelling, zoals De Musset, en de échte oeuvrebouwers. Voor hem is de Vorm belangrijk, niet de Vent -- zijn vrienden Sainte-Beuve en Taine misprijst hij omdat ze "het ware, het schone, de compositie, de stijl" verwaarlozen in hun beoordeling.
Madame Bovary heeft niets echts. Het is een volkomen verzonnen verhaal; ik heb er niets van mijn gevoelens of mijn leven in gestopt. De begoocheling (als daar al sprake van is) is juist het gevolg van de onpersoonlijkheid van het werk. Het is een van mijn principes dat je jezelf niet moet beschrijven. De kunstenaar moet in zijn werk zijn als God in de schepping, onzichtbaar en almachtig; laat Hij overal voelbaar maar nergens zichtbaar zijn.Wetenschappelijke eisen
En verder moet de Kunst boven persoonlijke gemoedsaandoeningen en nerveuze gevoeligheden uitstijgen! Het wordt tijd haar door middel van een genadeloze methode de precisie van de natuurwetenschappen te geven!
Victor Hugo is attent en voorkomend tegenover iedereen. Saint-simonisten, philippisten, tot en met herbergiers, allemaal […] ellende en strijd […] volgens het systeem van de […] kant-en-klare typetjes. Dat de waarheid het daarna zelf moet uitzoeken, is dan jammer. Waar vind je prostituees als Fantine, dwangarbeiders als Valjean en politici als die idiote kerels van het abc? Het zijn marionetten, suikerpoppen, te beginnen met monseigneur Bienvenu. Uit socialistische razernij heeft Hugo de kerk belasterd zoals hij de armoede belasterd heeft. Waar vind je een bisschop die de zegen van een lid van de Conventie vraagt? Waar vind je een fabriek waar ze een meisje op straat zetten omdat ze een kind gekregen heeft, enz.? En die uitweidingen! Hoeveel zijn het er niet! Die passages over meststoffen moeten Pelletan in verrukking hebben gebracht.Jammer genoeg is het bovenstaande een van de weinige plaatsen waar Flaubert voldoende in detail treedt. De meeste brieven in deze selectie kunnen niet op zichzelf staan, want bevatten een keur aan nauwelijks onderbouwde meningen. Geluk is onmogelijk behoeft gezwinde lectuur -- prettige deining voel je slechts wanneer je de brieven voldoende snel na elkaar leest.Dat boek is geschreven voor het katholiek-socialistische gepeupel, voor het filosofisch-evangelistische gespuis. Wat een fraaie figuur, die meneer Marius, die drie dagen op een kotelet leeft. En die meneer Enjolras, die in zijn hele leven maar twee zoenen heeft gegeven, de arme jongen! Wat hun conversatie betreft, ze praten heel goed, maar allemaal op dezelfde manier. Het geleuter van de oude Gillenormant, het allerlaatste geijl van Valjean, de humor van Tholomiès en Grantaire, het komt allemaal uit hetzelfde vaatje. Altijd geestigheden, kluchten, clichématige vrolijkheid en nooit iets komisch. – Uitgebreide uitleg over de dingen die buiten het onderwerp vallen, en niets over de dingen die voor het onderwerp onmisbaar zijn. Maar daarentegen zedenpreken om te vertellen dat het algemeen stemrecht iets heel erg moois is en de grote massa onderwijs behoeft, dat wordt eindeloos herhaald. Dat boek is, ondanks de mooie stukken en die zijn zeldzaam, bepaald kinderachtig. Het observeren is in de literatuur een kwaliteit van secundair belang, maar het is niet toegestaan om zo’n vertekend beeld van de maatschappij te geven, wanneer je een tijdgenoot van Balzac en Dickens bent. Toch was het een mooi onderwerp. Maar wat een kalmte zou ervoor nodig zijn geweest, en wat een wetenschappelijke vleugelwijdte! Maar het is waar dat de oude Hugo de wetenschap veracht. En hij bewijst het.
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
21:45
1 reactie(s)
rubrieken opinio
Tussen Nederland en Frankrijk ligt een diepe culturele kloof. Die kloof heet sinds 1830 'België' -- een koddig niemandsland waarvan het noordelijke deel de taal spreekt van Nederland, maar tegelijk het halfverteerde katholicisme en gemoedelijke savoir vivre gemeen heeft met de Fransen. Als Vlaming schipper ook ik tussen die twee polen, maar één ding weet ik zeker: ik ben niet licht geneigd me door een Nederlander over Frankrijk te laten onderrichten.
Gewoon, omdat alles wat voor mij tot de essentie van de Franse cultuur behoort -- frivoliteit, elegantie en stijl -- een grote blinde vlek is voor Nederlanders. Dat uit zich in de kleinste dingen. Kijk maar hoe weinig Nederlandse besprekers weten te halen uit Franse romans. Of luister naar het autorallycommentaar op Eurosport: wat in wezen een mooi, loom, welluidend woord is, Peugeot, wordt in een Hollandse mond altijd verhakkeld tot P'sjoow -- het geluid van een fietsventiel dat lost. Om van de NOS en hun verslaggeving van de Tour de Frans maar te zwijgen.
Het hoeft eigenlijk niet te verwonderen dat de Leidse historicus Henk Wesseling in dit boek veilig op zijn vakterrein blijft. Hij belooft betrekkelijk persoonlijke stukken, maar vlucht meestal toch in deskundigheid. Ik had best meer willen weten over zijn liefde voor Frankrijk, die hopelijk verder gaat dan vakantiehuisjes en studies in het Parijs van de jaren vijftig. Waarom schrijft Wesseling waarover hij schrijft?
Los van dit kleine bezwaar is Frans met de Fransen een zeer leesbare, plezierige bundel. Wesseling schrijft inzichtelijk over verschillende aspecten van de Franse cultuur en politiek, vaak sterk leunend op de lectuur van één bepaald boek. Zo puurt hij uit een boek van Alain Peyrefitte drie stukken over Charles De Gaulle.
Interessant was het stukje over Pierre de Coubertin, de oprichter van het IOC en grondlegger van de moderne Olympische Spelen. Afkomstig uit een rijke, royalistische familie werd hij toch getroffen door de noden van de arbeidersklasse. Hij bedacht dat sportbeoefening, naast het kolonialisme, een vlucht zou kunnen betekenen uit de zich industrialiserende samenleving, die volgens hem bedreigd werd door gemakzucht, specialisatie en gelijkheidsidealen. Hij liet zich inspireren door de Engelse opvoeding, die het democratische ideaal combineerde met de overtuiging van een natuurlijke ongelijkheid der mensen. Uit De Coubertins opvattingen over de betekenis van records en prestatiezucht, zegt Wesseling, blijkt een typisch sociaal-darwinistische conceptie van strijd en selectie.
Veel van wat Wesseling over de Franse keuken brengt, was me al bekend. Dat het Franse stokbrood een betrekkelijke recente uitvinding is. Of dat het restaurant zijn opkomst dankt aan de Franse Revolutie (want waar moest al wie kookte voor de aristocratie ineens naartoe?). Nieuw voor mij was de these dat het grote culinaire verschil tussen Frankrijk en Engeland voor een stuk terug te voeren is op het politieke bestel. Tot de Tweede Wereldoorlog leefde Engeland nog in het ancien régime, met de bijbehorende privileges voor de rijken. Koks konden langer blijven waar ze altijd al waren. Kijk naar India tegenwoordig; daar leeft men op de keper beschouwd nog altíjd in het ancien régime, en daarom eet je er het best bij de rijken thuis.
Wesseling heeft het daarnaast over het wazig onderscheid tussen een bistro en een brasserie, en schetst -- uiteraard -- een korte historiek van de Michelingids.
Het is thans niet goed meer voor te stellen, maar het hele schitterende, cartesiaanse Franse wegenstelsel dat wij thans kennen, bestond toen nog niet. Toch is dat eigenlijk heel logisch. Vroeger waren er de postkoetsen, en de koetsiers daarvan kenden het wegennet uit hun hoofd. Daarna werd de trein het belangrijkste transportmiddel en raakten de toch al slechte wegen nog verder in verval. Maar omstreeks 1900 kwam de auto en die stelde heel andere eisen aan de wegen en aan de bewegwijzering. Michelin nam het initiatief [en bracht in 1900 zijn eerste gids uit, AvdB]. Wie banden wil verkopen heeft er immers belang bij dat de mensen op pad gaan zodat die banden verslijten.Plezierig aan Frans met de Fransen is dat ik aan elk opstel wel iets overhoud. In zijn boek A pound of paper schetste John Baxter al heel mooi de psychè van de Franse cafébaas. En dus diept Wesseling mijn inzicht verder uit, als hij het heeft over de fundamenten van de Franse gastronomie.
De kritische houding van de vrouw is een van de drie pijlers waar de Franse gastronomie op rust. De twee andere zijn de psychologie van de Franse man en de fysiologie van het Franse land [de regionale verscheidenheid, AvdB]. Wie de economische grondslagen van de Franse horeca wil begrijpen, heeft niets aan Adam Smith of Karl Marx, want economische wetten over accumulatie, concentratie en winstmaximalisatie werken hier niet. Onafhankelijkheid, daar gaat het om.In het middendeel van de bundel staan een aantal columns over het Franse onderwijs, meer bepaald over de grote kwalen waar het mee kampt: het tanende niveau (en prestige op de beroepsmarkt) van het middelbaar onderwijs, de reusachtige aantallen studenten, het sterke overwicht van de letterenstudies en het feit dat voor deze studenten geen werkgelegenheid bestaat buiten de traditionele afzetmarkt van het middelbaar onderwijs.
Ook de omvang van de doelen is dringend aan herziening toe. Die omvang is, meen ik, sinds de opkomst van het voetbal ruim honderd jaar geleden even groot gebleven, maar de mensen zijn inmiddels veel langer geworden en de beroepsvoetballers veel sterker. Een paar meter erbij zou dus beslist geen kwaad kunnen.> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
18:09
3
reactie(s)
rubrieken opinio
Ik houd van boeken die spelen in mooi afgebakende ruimtes waarvan alleen sporadisch een hoekje belicht wordt. Hotel Savoy is daar een loepzuiver voorbeeld van. Roths aandacht is selectief. Nagenoeg alle kamers blijven op slot. Het hotel is volzet, maar toch focust de auteur op een beperkt aantal personages. Daarin lijkt hij op een andere held van me, Patrick Modiano, die ook zo sterk is in het schilderen van transitzones en de in nevelen gehulde figuren die zich daar ophouden.
Hotel Savoy is geen warm nest, maar een web, een kleverig web, waar de rijkaards evengoed als de berooiden blijven in hangen. Een van die berooiden is de Oostenrijkse militair Gabriel Dan, de hoofdpersoon van de roman. Hij komt na de Eerste Wereldoorlog terug uit Siberische krijgsgevangenschap en zwerft nu door Europa. In een grauwe, niet bij naam genoemde stad ("God strafte deze stad met industrie. Industrie is de zwaarste straf van God") neemt hij zijn intrek in een van de 864 kamers van Hotel Savoy.
Naar buiten toe straalt het hotel een en al luister uit, binnen huist de armoede. Het gebouw telt zeven verdiepingen en hoe hoger je komt, hoe bedrukter de sfeer, hoe kaler het interieur. Gabriel Dan moet er vrede mee nemen. Er zijn geen redenen meer om naar het ouderlijk huis in het Weense district Leopoldstadt te trekken. Zijn vader is in een verpleeghuis gestorven, moeder in een sanatorium. Geld kan Dan nergens loskrijgen, maar wanneer een oom, die in de nabijheid van het hotel woont, hem van passabele kledij voorziet, herwint hij alvast een stukje van zijn zelfrespect.
Andere minder fortuinlijke gasten van Hotel Savoy zijn onder meer Stasia, een variétémeisje dat Frans leert, van een carrière in Parijs droomt en misschien meegenomen wordt door een beter bemiddelde huwelijkspartner; Santschin de clown, die later in de roman op een hartverscheurende manier ten grave zal worden gedragen; en Fisch, residerend in de laatste kamer van het hotel, ooit een rijke fabrikant, nu "een loterijdromer" zonder geld.
Intrigrerend is verder Ignatz, de liftjongen, die een sleutelpositie bekleedt in het hotel. Hij leent iedereen die koffers heeft geld. Hij betaalt de rekeningen van de partijen die hun bagage aan hem in pand geven. De koffers blijven in de kamers van hun eigenaren, maar worden door Ignatz afgesloten en kunnen niet geopend worden. Elke ochtend komt hij controleren of ‘zijn’ koffers intact zijn. Later blijken hij en de sluwe hoteleigenaar, die de klokken in de kamers van de rijken met opzet doet achterlopen, een en dezelfde persoon.
Onvergetelijk zijn de openingsbladzijden van het boek, die perfect illustreren waarom ik zo van Joseph Roth houd. Niet meer dan twee nauwkeurige, zintuiglijk geschreven pagina's heeft Roth nodig om van Gabriël Dan een mens van vlees en bloed te maken. Dat Roth een in wezen troosteloze held ook nog eens luister bijzet met melodramatische effecten stoorde niet, maar deed me helemaal overstag gaan.
Ik kom om tien uur ’s ochtends bij Hotel Savoy aan. Ik had me voorgenomen een paar dagen of een week uit te rusten. In deze stad woont mijn familie -- mijn ouders waren Russische joden. Ik wil geld zien te krijgen om mijn weg naar het westen voort te zetten.De bedoelingen van Gabriël Dan in deze nagenoeg plotloze roman worden nooit echt duidelijk. Onder ex-militairen is overleven min of meer een streefdoel op zich in de net ter ziele gegane dubbelmonarchie. Knap als altijd, in dat verband, is de manier waarop Roth laat zien wanneer personages in militaire dienst zijn geweest. Het zit in hun gedachten, de houding, vestimentaire details, het aureool van soldaat dat hen omkranst. Ze wisselen morsige herinneringen uit en komen meestal verwilderd thuis van het strijdtoneel.
Ik keer terug van drie jaar krijgsgevangenschap, heb in een Siberisch kamp gezeten en ben door Russische dorpen en steden getrokken, als arbeider, dagloner, nachtwaker, kruier en bakkersknecht.
Ik draag een Russische kiel die iemand mij cadeau heeft gedaan, een korte broek die ik van een gestorven kameraad heb geërfd, en nog altijd bruikbare laarzen waarvan ik zelf niet meer weet hoe ik eraan gekomen ben.
Voor het eerst na vijf jaar sta ik weer voor de poorten van Europa.
Hotel Savoy met zijn zeven verdiepingen, zijn gulden wapen en een portier in livrei lijkt me Europeser dan alle andere hotels in het oosten. Het belooft water, zeep, closet met waterspoeling, een lift, kamermeisjes met witte kapjes, vriendelijk blinkende nachtspiegels als kostelijke surprises in bruin betimmerde kastjes, elektrische lampen die uit roze en groene kappen opbloeien als uit kelken, rinkelende bellen die aan één druk met de duim gehoorzamen, en met dons gevulde dekbedden die opbollen en met vreugde klaarstaan om het lichaam op te nemen.
Ik ben blij dat ik weer een oud leven kan afstropen, zoals zo vaak in deze jaren. Ik zie de soldaat, de moordenaar, de bijna vermoorde, de verrezene, de geketende, de zwerver.
Ik voel de ochtendnevel, hoor het tromgeroffel van de marcherende compagnie, rinkelende ruiten op de bovenste verdieping; ik ontwaar een man in witte hemdsmouwen, de stuiptrekkende ledematen van soldaten, een open plek in het bos, glinsterend van de dauw; ik werp me voor een ‘fictieve vijand’ in het gras en koester het wellustige verlangen daar te blijven liggen, voor eeuwig, in het fluwelige gras dat de neus streelt.
Ik hoor de stilte, de witte stilte van de ziekenzaal. Op een zomerochtend sta ik op, hoor het gekwinkeleer van gezonde leeuweriken, proef de ochtendchocola en de kadetjes en ruik de geur van jodium in het ‘eerste dieet’.
Ik leef in een witte wereld van hemel en sneeuw, barakken bedekken de aarde als gelige lepra. Ik proef het laatste zoete trekje van een sigarettenpeuk die ik van de straat heb opgeraapt, lees de advertentiepagina van een oeroude krant uit het vaderland waaruit je vertrouwde straatnamen kunt opzeggen, de kruidenier herkent, een portier, een blonde Agnes met wie je geslapen hebt.
Ik hoor de malse regen in een doorwaakte nacht, de rap smeltende ijspegels in de glimlachende ochtendzon, ik grijp de imposante borsten, de prachtige blanke dijen van een vrouw die ik onderweg ben tegengekomen en in het mos heb gevlijd. Ik slaap een bedwelmende slaap op een hooizolder, in een schuur. Ik stap voort over omgeploegde akkers en luister naar het ijle gezang van een balalaika.
Je kunt zoveel in je opzuigen, zonder dat je lichaam, je manier van lopen en gedragingen veranderen. Uit miljoenen bekers slurpen en toch nooit verzadigd zijn, alle kleuren van de regenboog vertonen en toch steeds een regenboog zijn met dezelfde kleurenscala.
In Hotel Savoy kon ik met één hemd aankomen en het als de gebieder over twintig koffers verlaten -- en nog altijd Gabriel Dan zijn. Misschien heeft deze inval mij zo zelfbewust gemaakt, zo trots en heerszuchtig dat de portier mij groet, mij, de arme zwerver in een Russische kiel, en dat een piccolo ijverig op mij wacht, ook al heb ik geen bagage.
Het is weer tijd van de naar huis terugkerende soldaten.De geur van de oorlog hangt ook in de kleren van ene Zwonimir Pansin, een Kroaat uit dezelfde compagnie van Dan. De twee ontmoeten elkaar op het station, waar Dan als stationsarbeider aan de bak probeert te komen. Pansin is een gezonde kerel met een rottig karakter, heeft geen verstand van boeken en geen respect voor vrouwen, maar is vrijgevig met zijn geld. Hij zal zich straks bij de revolutionairen voegen die de stad aan de kook brengen.
Ze komen in groepen, er komen er veel tegelijk. Ze worden aangespoeld als bepaalde vissen in bepaalde jaargetijden. Door het noodlot worden de thuiskeerders naar het westen gespoeld. Twee maanden lang was er geen mens te zien. Dan stromen ze wekenlang uit Rusland en Siberië en uit de randstaten toe.
Het stof van jarenlange omzwervingen ligt op hun laarzen, op hun gezichten. Hun kleren zijn aan flarden, hun stokken ruw en versleten. Ze komen steeds langs dezelfde weg, ze reizen niet met de trein, ze lopen. Jarenlang hebben ze misschien zo gelopen voordat ze hier aankwamen.
Ze weten van vreemde landen en vreemde levens en hebben, net als ik, veel levens afgestroopt. Het zijn landlopers. Of ze blij huiswaarts trekken? Zouden ze niet liever in het grote moederland zijn gebleven, in plaats van naar het kleine terug te keren, naar vrouw en kind en de warme kachel?
[...]
Je zag thuiskeerders bedelen, ze voelden geen schaamte. Ze waren ten strijde getrokken als robuuste en fiere mannen en nu konden ze het bedelen niet meer afleren. Slechts een enkeling zocht werk. Ze stalen bij de boeren, rooiden aardappelen, sloegen kippen dood, draaiden ganzen de nek om en plunderden hooimijten leeg. Alles sleepten ze naar de barakken, daar kookten ze, maar ze groeven geen latrines, je kon ze langs de weg zien hurken om hun behoefte te doen.
Over tien jaar groeit er op de hele wereld geen enkel gewas meer, alleen nog in Amerika.De hele stad is in blijde afwachting van een zekere Bloomfeld, een fabrikant die uitweek naar Amerika, maar van over de plas participant bleef in zowat alle fabrieken van zijn geboorteplaats. Iedereen lijkt er vanuit te gaan een graantje te zullen meepikken bij de thuiskomst van Bloomfeld (die overigens doet denken aan Samuel Spoelmann uit Koninklijke Hoogheid, die ook fortuin heeft gemaakt in Amerika.)
Ik sta alleen. Mijn hart klopt alleen voor mij. Mij kunnen de stakende arbeiders niets schelen. Ik voel geen gemeenschap met een massa en ook niet met individuen. Ik ben een kil mens. In de oorlog voelde ik me niet één met de compagnie. We lagen allemaal in dezelfde stront en wachtten allemaal op dezelfde dood. Maar ik kon alleen aan mijn eigen leven en aan mijn eigen dood denken. Ik ging over lijken, en soms vond ik het erg dat ik geen pijn voelde.Het oeuvre van Roth alleen al is alibi genoeg om mijn Duits op te krikken. Zodat ik het origineel met voldoende vaart kan lezen, binnen een jaar of tien.
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
19:07
0
reactie(s)
rubrieken opinio
French book covers ['des couvertures de livres rares trouvées sur le net']
> http://frenchbookcovers.blogspot.com/
Planet Cioran ['Cioran's life and works']
> http://planetcioran.blogspot.com/
A piece of monologue ['the online journal of Rhys Tranter']
> http://rhystranter.blogspot.com/
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
19:49
0
reactie(s)
rubrieken conjunctiones
"The inspiration for this website, and the source of much of its content, is a book by Hugh Rawson called The Unwritten Laws of Life. Hugh, a former director of Penguin Reference Books in the USA, set himself the task of collecting all the adages, maxims, morals, observations, precepts, principles, proverbs, and other sayings that have been handed down over the years by humanity’s ‘unelected legislators’, and which, taken together, constitute the collective wisdom of mankind."
> http://lawsoflife.co.uk/
> zie ook
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
19:48
0
reactie(s)
rubrieken conjunctiones
"Since 1996, I have compiled word lists in order to spread the joy of the English language. Here, you will find the International House of Logorrhea (an online dictionary of obscure and rare words), the Compendium of Lost Words (a compilation of ultra-rare forgotten words), and many other glossaries, word lists, essays, and other language and etymology resources."
> http://phrontistery.info/
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
19:47
0
reactie(s)
rubrieken conjunctiones
Alleen van grote schrijvers wordt de correspondentie gepubliceerd in boekvorm. Maar enkel van de allergrootsten krijgen de liefdesbrieven ook nog eens een aparte uitgave. Pessoa is zo'n schrijver. De bundel Liefdesbrieven 1920/1929-1932 documenteert de enige verhouding die naam waard in het leven van de Portugese dichter -- die met Ofélia Queiroz, een negentienjarig meisje werkzaam op het kantoor waaraan Pessoa als handelscorrespondent verbonden was.
In het autobiografische aanhangsel bij de brieven memoreert Ofélia Queiroz haar eerste kennismaking met Fernando Pessoa. De dichter maakte op haar een verlegen, excentrieke, sfinxachtige indruk. "Hij liep alsof zijn voeten de grond niet raakten. En zijn broekspijpen zaten in slobkousen." Maar ze herinnert zich Pessoa ook als een goedgeluimde, speelse man -- iets wat je niet meteen associeert met de lucide ernst in zijn literaire werk.
De bekende foto van Ofélia laat haar zien als een klein vogeltje met kraaloogjes en een grote spuuglok over het voorhoofd. Hoewel niet bepaald knap, was Pessoa erg ingenomen met haar. Naar Ofélia's eigen zeggen nam Pessoa op een dag plaats op haar stoel en bekende haar zijn liefde middels een citaat uit Hamlet: "O lieve Ofélia! Ik bemeet mijn verzen slecht; ik mis de kunst om mijn zuchten te meten; maar ik hou extreem veel van je. Extremer kan niet, geloof mij!" Voor ze het pand kon verlaten pakte Pessoa het meisje beet bij haar middel en kuste haar, "als waanzinnig".
Het voorval luidde, naast een liefdesaffaire, ook een intensieve briefwisseling in. Een vroegrijpe verhouding als deze bleef immers best verborgen voor de buitenwereld in het katholieke, geborneerde Lissabon (lees over de amoureuze zeden in Portugal Neef Bazilio van Eça de Queiroz) en kreeg daarom in grote mate zijn beslag op papier. Pessoa nam sowieso al grote discretie in acht waar het zijn privé-leven betrof.
Een keuze uit (Pessoa's deel van) de correspondentie verscheen eerder, in het -- matige -- Privé-domein Mijn droom is van mij. In dat boek heeft Harrie Lemmens het niet over zijn selectiecriteria, al laat het zich aanzien dat hij vooral de brieven heeft opgenomen waarin Pessoa zich programmatisch uitlaat over zijn verhouding. In Liefdesbrieven 1920/1929-1932 (dat deel uitmaakt van het verzameld werk, waarbij De Arbeiderspers contractueel verplicht is alles in aparte, prijzige deeltjes uit te brengen), krijgt de lezer álle brieven geserveerd.
Wie Pessoa verder niet kent heeft aan dit boek een aardige briefroman, inclusief stampvoetende bekentenissen, larmoyante eisen en passionele smeekbedes. Aan de authenticiteit van de brieven moet eigenlijk niet getwijfeld worden: ze getuigen van het fysiek ongemak van de liefde, er wordt druk teruggeblikt op eerdere ontmoetingen, reikhalzend uitgekeken naar nieuwe, en de geste van het schrijven is veel belangrijker dan het mot juste.
Maar wie dus vertrouwd is met de grote werken van Pessoa, schrikt ervan hoe één van Europa's schranderste geesten kinds wordt gemaakt door de hartstocht. De literator schaamt zich niet om mallepraat uit te wisselen met zijn geliefde. Ofélia noemt Fernando meu preto of meu pretinho (mijn neger, mijn zwartje, nu nog altijd een koosnaam in Brazilië); Fernando spreekt Ofélia aan als zijn babytje.
Vreselijke Baby,Met deze brief van 9 november 1929 zitten we nochtans al in het tweede, bedaagdere stadium van hun briefwisseling. Het eerste jaar van hun corresponderen, 1920, waarin Pessoa nauwelijks brieven richtte aan iemand anders, zou op niets uitlopen: Ofélia bleef verbeten haar trouwplannen projecteren op Pessoa, lijkt hem zelfs even te overhalen om haar te huwen, waarna de dichter zich ingesloten voelt en kiest voor de schrijverij. Daarmee stapt Pessoa in een lange traditie van auteurs (zoals Rilke en Kafka) die voor een soortgelijke tweestrijd stonden, leven versus werk, en dezelfde keuze maakten. Pessoa op 29 november 1920:
Ik hou van je brieven, die heel lief zijn, en ik hou ook van jou, want jij bent ook lief; en je bent een bonbon, en een wesp, en honing, die van de bijen is en niet van de wespen, en alles klopt, en je moet mij altijd schrijven, zelfs als ik niet schrijf, wat ik altijd doe, en ik ben bedroefd, en ik ben gek, en niemand houdt van mij, en waarom zou ook iemand, precies ja, en dan begint alles weer van voren af aan, en ik denk dat ik je vandaag nog bel, en ik heb zin om je een kus op de mond te geven, heel precies en gulzig, en je mond op te eten en de zoentjes te eten die je daar verborgen zou hebben en mijn hoofd op je schouder te leggen en zachtjes teder omlaag te laten glijden, en dan pardon zeggen, maar alleen voor de show, en dat vaak overnieuw en dan punt uit tot alles opnieuw begint, en waarom houdt Ofelinha van een galgenbrok en een dikzak en een lomperik en een kerel die neusgaten heeft als een gasmeter en er over het geheel uitziet alsof hij niet hier is maar in de gootsteen van het huis hiernaast, en exact, en afijn, en ik houd ermee op want ik ben gek, dat ben ik altijd geweest, is aangeboren, hetgeen is alsof ik zeg sinds ik geboren ben, en ik zou willen dat Baby een pop van mij was, dan deed ik als een kind, ik zou haar uitkleden, en hier houdt het papier op, en dit lijkt onmogelijk te zijn geschreven door een menselijk wezen, maar het is geschreven door mij,
Fernando.
De Tijd, die gezichten en haren laat verouderen, laat ook, alleen nog sneller, felle gevoelens verouderen. De meeste mensen hebben dat, omdat ze dom zijn, niet door en denken dat ze beminnen omdat ze de gewoonte hebben zich ontwikkeld te voelen dat ze beminnen. Als het niet zo was, waren er geen gelukkige mensen op de wereld. Superieure wezens echter hebben de mogelijkheid van die illusie niet, want zij weten dat de liefde niet eeuwig duurt en ze houden zichzelf, als de liefde eindigt, ook niet voor de gek door haar te verwarren met de waardering of dankbaarheid die ze heeft achtergelaten.Het komt tot een lange breuk. Wanneer Ofélia negen (!) jaar later via via een foto in handen krijgt van Pessoa (de beroemde foto in de wijnbar, Pessoa 'en flagrant délitre'), schrijft ze 'm een schoorvoetende brief om de draad terug op te pikken. Maar ook de tweede fase van hun briefwisseling zal verzanden in eenrichtingsverkeer. Pessoa laat steeds minder van zich horen, met als dieptepunt de dag waarop de dichter zijn eigen verjaardagsfeestje rateert en Ofélia in de kou laat staan, getuige de hartverscheurende brief nr. 151.
Jammer dat je zo-even niet langer aan de telefoon kon blijven, maar toch was ik blij dat je had gebeld, ik heb in elk geval je stem gehoord en je hebt getoond dat je je baby niet bent vergeten.[‘Ibis’ is de naam van de drukkerij die Pessoa in 1909 had getracht op te zetten. Later placht hij zijn neefjes en achterneefjes te vermaken door op één been te gaan staan en een voor die gelegenheid gemaakt nonsensgedichtje te zeggen.]
Dan zal ik je nu vertellen hoe het gaat met de kleine Ibis, met mijn mooie Nininho die ook mijn ‘kleine lieverdje’ is.
Hij lacht de hele tijd, heel tevreden, hij houdt van me, hij zegt dat hij niet meer terug wil naar waar hij was, hij houdt erg van mijn usjes – ja, ik heb hem al usjes gegeven - , hij gedraagt zich heel keurig, heel verstandig, in één woord: het is een wolk van een Ibis.
Omdat het erg koud is maak ik voor hem een doosje in orde dat ik opvul met watten, waarin hij het lekker warm zal hebben. Ik zou hem het liefst op mijn arm dragen…maar omdat dat niet kan omdat hij nog zo klein is en ook niet als hij gróter is, stop ik hem zo lekker in als ik maar kan.
Ik was ook erg blij met de brief van Nininho, maar alleen omdat het een brief van hém was en niet om de inhoud. Je spreekt over je gezicht altijd met een minachting waar ik niet van houd. Je hebt een gezicht dat ik erg mooi vind, waar ik veel van houd en waarvan ik niet toesta dat je er iets lelijks van zegt. Trouwens, de gelaatstrekken van mijn Ibis hebben niets dat hij zou kunnen of mogen minachten. Je ogen zijn mooi in hun kleur en hun uitdrukking, uitdrukkingen moet ik zeggen, want ze hebben er vele en allemaal boeiend, maar die waar ik het meest van hou is die van de tederheid die uit je ogen spreekt en daarom kan ik niet lang achter elkaar naar je kijken, je hele gezicht heeft iets van zo’n tederheid dat het me ontroert, en dan zou ik me tegen je gezicht willen aandrukken en er een heleboel kussen op geven, en omdat dat niet kan lijkt het of ik door te lachen mijn zenuwachtigheid verdrijf, nou ja lieveling, ik kan niet goed uitleggen wat het ís. En wat de rest betreft van wat ik van mijn mooie Ibis heb te zeggen: je mond is ook mooi en welgevormd, een beetje klein, met mooi gevormde lippen, en heel schoon, en je hebt een prachtige huid, heel blank en fris, helemaal niet gerimpeld. Dus je ziet, Nininho, dat je geen enkele reden hebt om te spreken van ‘neusgaten als een gasmeter’ en andere loftuitingen van dien aard. Mijn Nininho is van mij, en daarom is zijn gezicht ook het mijne, en als mijn gezicht, wat het is, sta ik niet toe dat je er nog eens lelijke dingen van zegt.
Ik zou er een heleboel usjes op willen geven, maar jammer genoeg kan ik zelfs niet één geven. Eens op een dag, wanneer mijn Ibis helemaal van mij zal zijn, eet ik hem op met kussen. […]
Want de persoon die wij als preuts, gereserveerd en terughoudend menen te kennen was slechts de man in de werkelijkheid, in de dagelijkse omgang. Op schrift daarentegen, als dichter, was het deze zelfde man erom te doen zoveel mogelijk getuigenissen, en zoveel mogelijk tegenstrijdige getuigenissen, van zichzelf na te laten. Of anders gezegd: om ervoor te zorgen dat niemand hem kende of zelfs na zijn dood zou kennen, liet Pessoa, in constante vermenigvuldiging van zichzelf, een zo duizelingwekkende hoeveel gegevens, suggesties, aanwijzingen en pseudo-explicaties omtrent zichzelf na dat wij nu door de bomen het bos niet meer zien. In deze strategie paste het nalaten van de liefdesbrieven.Willemsen beschouwt Pessoa's heteronymie als uitvloeisel van de uitvindersmentaliteit, de ludieke ‘wat als?’-houding. De schrijver dicht niet iemand anders, maar zichzelf een gevoel toe, en verbeeldt zich hoe dat gevoel zich zou kunnen ontwikkelen.
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
20:53
0
reactie(s)
rubrieken bibliotheca, opinio
"The Electronic Labyrinth is a study of the implications of hypertext for creative writers looking to move beyond traditional notions of linearity."
> http://www2.iath.virginia.edu/elab/
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
13:06
0
reactie(s)
rubrieken conjunctiones
"Interessant materiaal met betrekking tot de Antieken."
> http://www.stilus.nl/gedicht/index.htm
> http://www.stilus.nl/cartoons/index.htm
> http://www.stilus.nl/vocabularium/index.htm
> http://www.stilus.nl/romeromans/index.htm
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
13:06
0
reactie(s)
rubrieken conjunctiones
"The Directory of Open Access Journals covers free, full text, quality controlled scientific and scholarly journals. We aim to cover all subjects and languages. There are now 4067 journals in the directory."
> http://www.doaj.org
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
13:05
0
reactie(s)
rubrieken conjunctiones
Erg bizar -- in de blogosfeer, maar ook in de traditionele poëziekritiek -- is het gebrek aan besprekingen van aparte gedichten. Poëzie is meestal alleen een hefboom voor 'n ronkende beginselverklaring of andere vormen van zelfvergroting. Maar daaraan heb ik nu werkelijk het schurft. Zelfs De Contrabas, een prima site, gaat voornamelijk over randfenomenen: nieuwe bundel van zus of zo, festivalletjes, puberachtige polemieken over de enige ware poëzie.
Bekijk de site maar 'ns. Je kan er gif op innemen dat als de actualiteit uitnodigt tot gekrakeel, de vaste commentatoren zich zullen roeren. Maar wordt er een poëem gepubliceerd van een collega, dan blijft het vaak akelig stil. Terwijl de enige efficiënte manier om over poëzie te spreken is, dat op basis van één gedicht te doen, lijkt mij. Het dwingt de bespreker in detail te treden én de lezer kan te allen tijde controleren waar de bespreker het over heeft, in het integraal geciteerde gedicht.
Het is een besef dat me terneer drukt als ik door de gangen van de openbare bibliotheek dwaal. Een monstrueus aantal bundels, en niemand die ooit getuigenis aflegt van wat daarin staat. Hoog opgeven van thema's, oeuvres, roergangers, stromingen, dé Poëzie, dat wel. Maar gedichten?
Boeken waarin die discipline beoefend wordt zijn al even schaars. Midden jaren negentig brachten Stassijns en Van Strijtem twee InVers-bloemlezingen uit waarin ze korte leuterstukjes brouwden bij de gedichten. Neen, dan liever de essays van Herman de Coninck, de verleider met de vaderlijke toon, vroege mijlpalen in mijn ontwikkeling als poëzielezer. In Nederland trad Guus Middag, minder getalenteerd maar even helder schrijvend, in zijn voetsporen. Komrij mag ik niet vergeten, allicht de beste van allemaal, de vingervlugge freestyler die tegenwoordig zowat het monopolie heeft. En er zijn er nog wel een paar. Iemand als Yves T'Sjoen, wiens schriftuur hopeloos bedorven is door zijn academische achtergrond.
Of deze Rudolf van de Perre, die van eind jaren zestig tot begin jaren negentig toegankelijke beschouwingen publiceerde over gedichten. De boeken verschenen bij brave Vlaamse uitgeverijen, en de keuzes die Van de Perre -- onderwijzer en bibliothecaris -- maakte, waren al even Vlaams en braaf. Denk Jozef Deleu en zijn Groot gezinsverzenboek.
Ook een boek als Die lezen mogen eenzaam wezen getuigt van wat al decennia lang in Vlaanderen (niet in Nederland) de impliciete opvatting is van poëzie: gedichten als middel tot troost, contemplatie en innerlijke verrijking. Poëzie als spel, strijdschrift of explosie van taal, blijft nagenoeg buiten beeld. Maar vergis u niet, een slecht gedicht staat er niet in. Integendeel, Die lezen mogen eenzaam wezen herbergt met Anton van Wilderode, Paul Snoek, Jos de Haes, Roland Jooris en Gust Gils enkele Vlamingen die grotere naambekendheid verdienen in Nederland.
Van de Perre koos uiteindelijk vijftig Nederlandstalige gedichten, rangschikte ze chronologisch en schreef er een korte toelichting bij. Bij wijze van sample het gedicht 'Het dier' van Hugo Claus:
Het beest in de weide (van de vlammen gescheiden)Waarbij Van de Perre dan heel consciëntieus aantekent:
Ziet hoe op poten de dag aanbreekt
Hoe met gebaren de zon haar zevenstaart omslaat
En (in bladgoud, lichtogig en bevend)
Het verlangt niet meer.
’s Nachts begeeft het zacht en dringt weer in het
Woud waar de koude jager roept.
Zo veilig, zo tam gaat geen mens
De wereld binnen.
Het dier vervult in de poëzie van Hugo Claus een belangrijke functie en is een veel gebruikt symbool. In dit gedicht vormt het de antipode van de door de cultuur ontluisterde en verminkte mens. Het dier is symbool van een wereld van onschuld en een haast primitieve zuiverheid, waar geen passie het ritme van het leven vertroebelen en ontwrichten.De beknoptheid van Van de Perre komt dus tweemaal als geroepen. Zijn proza bevat ten eerste teveel grijstinten om blijvend te boeien. Bovendien gaat poëzie vaak over het breekbare, het frivole, het zintuiglijke -- al wat makkelijk gesmoord raakt in lange analyses. Het doceren van poëzie ís een hachelijke onderneming. Een goede leraar hanteert de aanwijsstok alleen discreet en houdt zoveel mogelijk zijn mond. Van de Perre krijgt hier niet echt de kans om te ouwehoeren.
Claus drukt zijn heimwee naar die wereld niet uit, maar hij zet om in beelden en metaforen die de ‘dierlijke’ staat van eenvoud en natuur-lijkheid haast voelbaar oproepen. Het gedicht bestaat, naast drie strofen, uit drie zinnen, drie bewegingen als het ware. De eerste en tweede hebben betrekking op wat het dier doet en in de derde wordt het vergeleken met de mens. De bewegingen worden gedragen door werkwoorden en zijn aangevuld met bepalingen en bijstellingen.
In de eerste fase ziet het dier hoe ‘de dag op poten aanbreekt’ en hoe de zon ‘haar zevenstaart met gebaren omslaat’. Het verlangt niet meer. Het ondergaat dus meer dan het doet. ’s Nachts begeeft het zacht en het dringt weer in het woud waar de koude jager roept. Deze nachtelijke activiteiten zijn al even passief. Dat is alles. Kan ‘leven’ in essentie eenvoudiger vastgelegd worden als in het opstaan en weer slapen gaan? Tussen deze twee momenten echter voltrekken zich in de wereld der mensen drama’s, speelt zich de ‘beschaving’ af. Het dier is daarvan onwetend, denkt niet en beleeft ook niets. Het leidt een vegetatief bestaan, het neemt waar, ziet, maar heeft geen diepere verlangens en ’s nachts keert het automatisch naar zijn schuilplaats terug.
De beelden die deze primitieve of primaire handelingen vergezellen laten ons toe nog verder door te dringen in het wezen van het dier-zijn. Twee soorten beelden horen samen: vlammen, zon, gebaren, zevenstaart, tegenover: bladgoud, lichtogig, bevend, zacht, koud. De eerste reeks wijst op dreiging, gevaar, verandering. De tweede op rust, eenvoud en onschuld. Tegenover de dreiging van de vlammen, het verterende vuur en de zon die haar zevenstaart (een beeld uit mythe en sprookje, dat wellicht eveneens op gevaar en bedreiging duidt) omslaat (in de richting van de menselijke wereld?), staat het dier zonder verlangens, onbeweeglijk, als een prille, frisse, bijna schuchtere verschijning. Het ziet hoe de dag ‘op poten’ aanbreekt, d.w.z. voor het dier is alles dier-lijk, zonder nuances, als vanzelfsprekend. In ‘’s Nachts begeeft het zacht’ kan een contaminatie schuilgaan: begeeft het en begeeft het zich zacht, d.w.z. het slaapt zoals het opstaat en leeft. Mogelijk is ‘de koude jager’ symbool van de aanrander, de dood en kan de betekenis verruimd worden: het dier sterft zoals het geleefd heeft: zacht, zonder opstandigheid zoekt het zijn laatste rustplaats op, legt het zich ‘ten dode’ neer.
Zo volkomen rustig, eenvoudig en veilig, leeft en sterft geen enkel mens, constateert de dichter. Dit gedicht getuigt niet -- zoals elders bij Claus -- van een harde, bittere opstandigheid tegen een absurde, vijandige, door de cultuur besmette wereld, wèl van een tedere gevoeligheid en een heimwee naar een staat die niet voor ècht levende mensen voorbehouden is. Tenzij hij met het dier ook de anonieme mens zou bedoelen, het ‘kuddedier’, dat in zijn haast plantaardig bestaan gelukkig is en zich geen andere vragen stelt.
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
22:40
1 reactie(s)
rubrieken bibliotheca, opinio
Félix Fénéon, mij tot voor kort alleen bekend omdat Signac een portret van 'm schilderde, was een kunsthandelaar en -criticus die kort bij de Parijse krant Le matin werkzaam was. Hij mocht er de gemengde berichten verzorgen. Een perfectionist, Fénéon. Onder hoge tijdsdruk wist hij in drie volmaakte regels telkens de tragiek van een leven op te roepen. Het nieuws in drie regels is Faces of death, op het tempo van America's funniest homevideos.
Geboren in Turijn (vader was handelsreiziger) en opgegroeid in Bourgondië trok Félix Fénéon (1861-1944) toch naar Parijs, waar hij zijn hele leven voornamelijk een dienende rol zou spelen, zowel artistiek, politiek als literair.
Als hoofdredacteur van de Revue Blanche, zag hij al vroeg het talent in van Apollinaire, Jarry, Mallarmé en Laforgue. Hij redigeerde de Illuminations van Rimbaud. Hij gaf werk van Joyce uit. Als kunstcriticus promootte hij het werk van Seurat, Signac en andere neo-impressionisten (de term is trouwens van hem).
Hij was tevens een overtuigd anarchist, maar ook hier bleven zijn activiteiten beperkt tot papier -- tijdschriften, manifesten en petities. (In 1894 werd hij valselijk beschuldigd van betrokkenheid bij een bomaanslag op een collega-anarchist, en vrijgesproken bij gebrek aan bewijzen.)
Zelfs bij zijn eigen literaire werk bleef Fénéon bescheiden. Dat de Nouvelles en trois lignes gered zijn van de vergetelheid -- ze verschenen anoniem in de krant -- is alleen te danken aan zijn maitresse Camille Plateel, die ze uitknipte en verzamelde in een album dat na haar dood door Jean Paulhan werd gevonden.
Niettemin was Fénéon volgens tijdgenoten een zeer zelfbewust man, die stond op beheersing, raffinement en goede omgangsvormen. "Hij gaf de indruk dat hij volledig selfmade was, van zijn uiterlijk, tot zijn woorden en gedrag," schrijft Luc Sante in zijn inleiding bij het boek.
Dat vormelijke kon hij helemaal botvieren op de pagina met 'faits divers' van Le Matin, een Parijs dagblad van ruimdenkende liberale strekking. Fénéon had er zich in dienst laten nemen, in een poging een hiaat tijdens zijn loopbaan als criticus en kunsthandelaar te overbruggen zonder honger te leiden. Drie regels kreeg Fénéon per bericht. Niet meer. Daarin moest alles staan. Bewerker Ruud Ronteltap in zijn verantwoording:
De ruimte is beperkt tot drie kolomregels van elk 44-46 aanslagen,In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister, sprak ooit een Duits orakel, en dat geldt zeker voor Fénéon. Tijdsdruk en vormdwang wakkerden zijn creativiteit aan. Zoals je met een tandenstoker dat ene restje vuil uit je mond probeert te peuteren, zocht Fénéon naar mogelijkheden om ballast te weren uit zijn berichten. In 1906 zou hij er zo'n twintig per dag schrijven.
gemiddeld 135 per bericht. Dat is al krap, maar er gaat nog af. In mindering op de tekst komen ook het ‘balkje’ (vier aanslagen, inclusief witjes) en de accreditatie (persbureau, eigen garing, correspondent) aan het einde: gemiddeld vijf aanslagen. Blijven over voor de tekst: gemiddeld 126 aanslagen, inclusief spaties. Bij berichten uit Parijs moet het arrondissement worden genoemd (2de, Xde), liefst met het adres; bij berichten uit de provincie het departement. De algemeen bekende, in de buurt, mogen worden afgekort, maar hoe verder van de hoofdstad, hoe liever voluit. Een redacteur van de Nouvelles en Trois Lignes heeft dus gemiddeld 25 woorden om de W’s van een nieuwsbericht -- Waar, Wat/Wie, Wanneer, Waarom/Waardoor -- te beantwoorden. In de praktijk nóg minder, want het is niet ideaal als regel drie wordt volgeschreven. Dan oogt de luchtig bedoelde rubriek te zwart en te zwaar. Dus hier en daar wat wit, graag.
25
De Duinkerker Scheid schiet driemaal op zijn
vrouw. Driemaal mis. Nu neemt hij zijn schoonmoeder
op de korrel. Meteen raak.
42
Op de Quai de Javel zetten vier legerknollen het op
een hollen, zonder hun dragonders erop. Het huurkoetsje
van Fouché werd onder de hoef gelopen.
79
M. Abel Bonnard, uit Villeneuve Saint-Georges,
verspeelde tijdens een pot biljart zijn linkeroog door
op zijn keu te vallen.
145
De douanier Ackermann uit Fort-Philippe, die vandaag
zou hertrouwen heeft zich boven het graf van zijn vrouw
verhangen.
156
‘Poef,’ deed het gas bij de Larrieus te Bordeaux. Hij
gewond. Het kapsel van zijn schoonmoeder afgebrand.
Het plafond weggeblazen.
241
Een naar schatting dertigjarige man heeft in een hotel
te Mâcon zelfmoord gepleegd. ‘Zoek niet uit hoe ik heet,’
schreef hij nog.
487
Met haar hoedenpen heeft Pauline Rivera, twintig,
de vlinderende Luthier, bordenwasser uit Chatou,
ingescherpt dat zij zich niet zomaar laat afslanken.
542
De reservist Montalbetti, bijgenaamd Gnafron, ontkent bij
hoog en bij laag dat hij Titine Giraud, de bloem van Grenoble,
zou hebben gewurgd.
616
De lijkschouwing van een jochie, dood aangetroffen
in een greppel bij Niort, wees uit dat Magere Hein zich
niet als enige aan hem had vergrepen.
884
MM. Weiss, Roubaud hebben zich te Pauillac ingescheept.
Zij vertrekken naar de Congo om daar onderzoek te doen naar
de slaapziekte. De neger slaapt er te lang.
992
In een aflaatvrije tent te Versailles bereikte de ex-priester
Rouslot bij het elfde glas absint een delirante plek die tot zijn
transsubstantiatie leidde.
1001
Om zeker te zijn van een plaatsje in de hemel, had
Desjeunes, uit Plainfaing, het bed waarop hij zich aan de
rum dooddronk vooraf met bidprentjes bestrooid.

Door middel van een gevoeligheid die nog gevormd is door de cadansen en symmetrieën van klassiek proza, kondigen ze het tijdperk van de massamedia aan. Ze voorspellen een eeuw van statistieken terwijl ze het individuele alledaagse detail op de voorgrond plaatsen. Ze nodigen uit tot snelle consumptie, terwijl ze duidelijk het resultaat zijn van tijdrovend schrijfwerk.Wat Sante niet vertelt is de gewenning die er optreedt als je de Nouvelles in één ruk uitleest. Uiteindelijk schrijft Fénéon minieme variaties op steeds weer dezelfde thema's en dat gaat al na pagina dertig vervelen. Daarom heb ik voor mezelf een kleine best of aangelegd, in de wetenschap dat ik Fénéon daarna nooit meer hoef te herlezen. Daarbij zij aangetekend dat bewerker Ronteltap prima werk heeft afgeleverd.
53
‘Vaderlandsliefde belet ons verschil te zien tussen
de natie en het bewind dat zij over zich afroept,’ hield
de generaal Blancq het 9de legerkorps voor.
275
Christian, boswachter in de Vogezen, poogde op de steile
helling van de Volonte zijn afgewaaide kepie te grijpen, viel
uit de wagen, en zo voort, te pletter.
294
Luttele schreden van het ruiterfestijn in Toulouse, is de
31-jarige oud-onderofficier G. Durbach door zelfmoord aan
de werkloosheid ontkomen.
329
Depalle, de Belmont en Laville, bakkersjongens, zijn
in de Loire verdronken. Zij stapten gedrieën in een gat
en hervonden hun evenwicht niet.
693
Belgische kikkers, die door een wervelstorm uit hun
vijvers waren gezogen, regenden neer op Duinkerken,
daar waar geen meisje nog in prinsen gelooft.
763
Tussen Parijs en Arpajon hebben zeer onbevoegden
tien kilometer en 750 meter telefoondraad
verwijderd.
847
Drie Pyrenese beren, door hoge sneeuwval naar beneden
gedreven, hebben met de schapen in het stroomdal van de
Lys bloedbruiloft gevierd.
1062
Terwijl zij in Boulogne een scheepslading drank aan
land brachten, hoorden de smokkelaars roepen: ‘Halt,
politie!’ Zij ontzwommen de dans.
Op het einde van de negentiende eeuw was het anarchisme in Frankrijk niet zozeer een duidelijk omschreven ideologie dan wel een verzameling opvattingen die een aantal raakpunten hadden: de erfenis van de enragés van de Revolutie, de geschriften van de Proudhon, de bittere herinnering aan de bloedige repressie van de Parijse Commune, een voorkeur voor Bakoenin boven Marx na het schisma in de Eerste Internationale en wantrouwen tegenover politici en haat tegenover het leger en de kerk. Sébastien Faure omschreef het eenvoudiger: ‘Het raakpunt is de afwijzing van het autoriteitsprincipe en de haat van alle dwang oplegd door instellingen die op dat principe gebaseerd zijn.’____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
13:52
2
reactie(s)
rubrieken opinio
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
21:37
0
reactie(s)
rubrieken eros
Ideeën, producten en gedragingen verspreiden zich op dezelfde manier als virussen, beweert Malcolm Gladwell. Een kleine groep hyperactieve mensen kan een grote groep aansteken, of algemener: kleine oorzaken kunnen grote verschillen maken. Gladwells voorbeelden zijn echter zeer uiteenlopend, en lijken me daarom iets te moeizaam bijelkaar geharkt. Maar Het omslagpunt bracht me er wel toe de evenredigheid tussen oorzaak en gevolg te relativeren.
Wij mensen hebben immers geleerd te denken dat wat in een transactie, relatie of systeem wordt gestoken rechtstreeks in verband moet staan, qua intensiteit en hoedanigheid, met wat eruit komt. Maar dat is dus lang niet altijd zo, zegt Malcolm Gladwell. Wanneer inspirerende figuren ineens greep krijgen op de zaken, of wanneer een bepaalde grens wordt overschreden, kunnen in relatief korte tijd grondige evoluties plaatsvinden. Dat moment noemt Gladwell 'het omslagpunt'. Hush puppies, schoenen gedragen door een handjevol hippies en ontwerpers uit Manhattan, waren binnen twee jaar opeens een succes en in ieder Amerikaans winkelcentrum te koop. Gewoon, door mond-aan-mondreclame.
Zo zijn er meer voorbeelden, van kleine dingen die plots de doorslag geven. Seksueel overdraagbare aandoeningen worden vaak door een relatief klein aantal seksueel zeer actieve mensen verspreid. Demografisch onderzoek toont aan dat zodra een bepaalde kritische massa aan zwarte inwijkelingen overschreden is (werkelijk een kwestie van percenten) blanke autochtonen de neiging hebben te verhuizen uit hun wijk. En waarom werd 1987 ineens het jaar van de fax? 1998 het jaar van de gsm? Die dingen bestonden heus al langer.
Laatste voorbeeld van een omslagpunt. Uit onderzoek blijkt dat 150 de natuurlijke grens is van mensen waarmee je een echte sociale relatie kunt uitbouwen. Met 150 mensen is er nog een hecht team mogelijk, met grotere aantallen gaan er vaker dingen mis. Daarom zijn de eenheden van het leger op dat aantal afgestemd, daarom zijn middelgrote ondernemingen ideaal, daarom (denk ik bij mezelf dan) zijn Facebook-accounts met 300 vrienden of meer nonsens.
Hoe ontstaan epidemieën?
Gladwell ziet drie wetmatigheden die bij elke epidemie spelen. De Wet van de Enkelingen: een relatief kleine groep mensen steekt de rest aan. De Beklijvende Factor: de kenmerken van een boodschap of product die ervoor zorgen dat een aanstekelijk bericht onthouden wordt. En de Kracht van de Context: de omstandigheden moeten ook gunstig zijn.
De Wet van de Enkelingen steunt zwaar op het fenomeen van de six degrees of separation (Milgram en zijn small world-experiment) dat aangeeft dat een zeer klein aantal mensen zich via enkele stappen in verbinding kunnen stellen met alle anderen en dat wij allemaal dankzij die bijzondere enkelingen met de wereld verbonden zijn: onze vriendenkring is helemaal geen kring, maar een piramide.
De kennissen aan de top van de piramide noemt Gladwell de Verbinders: sociaalvaardige mensen, gretig naar menselijke contacten, innemend en -- zéér belangrijk -- ze dringen door tot in vele verschillende milieus. Gladwell haalt het historische voorbeeld aan van Paul Revere, een welvarende zilversmid uit Boston die in het begin van de Amerikaanse revolutie door zijn gezag en uitgebreide netwerk nagenoeg in zijn eentje grote groepen revolutionairen in Lexington en Convord kon waarschuwen dat de Britse troepen op komst waren.
Verbinders zijn niet genoeg. Je hebt ook Kenners nodig: mensen met kennis van zaken, inderdaad, maar die informatie niet alleen maar verzamelen maar de onweerstaanbare drang voelen om daar met iedereen over te praten. Kritische mensen, die voortdurend informatie verzamelen en vergelijken, maar ook de problemen van de andere mensen willenoplossen (leerkracht) en tegelijk zeer leergierig zijn (leerling).
Ten slotte noemt Gladwell het type van de Verkopers, de mensen met overtuigingskracht. "Bij een sociale epidemie dienen Kenners dus als databanken. Zij formuleren de boodschap. Verbinders zijn de sociale lijm: zij verspreiden die boodschap. Verkopers zijn dan weer in staat ons te overtuigen als we twijfelen aan wat we te horen krijgen; zij zijn even doorslaggevend voor de omslag van een mondelinge epidemie als de beide groepen."
Volgt: De Beklijvende Factor, de specifieke middelen die zorgen dat een aanstekelijk bericht onthouden wordt. Een boek als De plakfactor [eerder besproken op Achille], is daar geheel aan gewijd. Hier geldt dat betrekkelijk eenvoudige veranderingen in de presentatie en de structurering van de informatie voor een groot verschil kunnen zorgen voor de indruk die ze maakt. De mooiste bladzijden van Het omslagpunt gaan over de beginjaren en het eindeloos finetunen van Sesamstraat, waarbij de programmamakers tot op de seconde nauwkeurig gingen analyseren wat werkte en wanneer kinderen wegkeken. (Conclusie: kinderen kijken niet weg wanneer ze verveeld zijn, maar wanneer ze zaken niet begrijpen.)
Gladwell verwijst ook naar onderzoek waaruit blijkt dat een harde aanpak bij gezondheidscampagnes niet per definitie meer mensen aanzet tot ingrijpen. Een experiment toonde immers aan dat een brochure met confronterende plaatjes studenten niet sneller doet stappen naar het gezondheidscentrum voor pakweg een vaccinatie tegen tetanus. Wel effectief was of er in die brochure een plattegrond van dat gezondheidscentrum stond, zodat een deel van de studenten die vaccinatie kon inpassen in hun concrete leven, en gemobiliseerd werd.
Let wel: er moet een strikt onderscheidt gemaakt worden tussen factoren die iets aantrekkelijk maken en factoren die het doen beklijven. Ander onderzoek toont aan dat rokers niet roken omdat ze de risico’s van roken onderschatten. Ze roken ondanks het feit dat ze de risico’s van roken overschatten. Van de andere kant brengt nicotine niet iedereen die met haar contact komt op slag aan de sigaret. (Het verslavend karakter van roken zou goeddeels te maken hebben met emotioneel geladen jeugdherinneringen aan roken.)
Ten slotte is er de Kracht van de Context. We hebben de neiging om de impact van de omstandigheden te onderschatten en het belang van fundamentele persoonlijkheidstrekken te overschatten (fundamental attribution error). Hulpvaardigheid, bijvoorbeeld, is geen fundamentele persoonlijkheidstrek, maar wordt in aanzienlijke mate beïnvloed door de situatie, de omgeving, het aantal aanwezige getuigen, en de aard van die getuigen. Hoe groter het aantal mogelijke toeschouwers en het besef dat ze van elkaar hebben, hoe kleiner de kans dat iemand toesnelt om iemand hulp te bieden bij een overval.
Een verbijsterend experiment in dat verband is datgene waarbij studenten theologie werden gevraagd in een gebouw in de buurt een lezing te geven over de parabel van de Barmhartige Samaritaan. Onderweg naar dat gebouw werd een ontmoeting met een hulpbehoevende zwerver geënsceneerd. Wat bleek? De enige factor die een rol speelde of ze de man daadwerkelijk hielpen was de tijd die er nog restte om hem te helpen.
Karakter, zegt Gladwell, is eerder een verzameling gewoonten, neigingen en interessegebieden afhankelijk van de omgeving. De schijnbare consistentie die we desondanks ervaren met betrekking tot onze persoonlijkheid is te danken aan het feit dat we de omgeving zo goed kunnen controleren. Ga maar na: we zoeken meestal alleen die mensen, situaties, locaties op waarbij we ons goed voelen, die herkenbaar zijn, waarbij we de nodige experise hebben.
Een mooi voorbeeld dat de kracht van de context illustreert, is de plotse daling van de misdaadcijfers in New York in de jaren negentig. Die waren niet alleen te verklaren door de neergang van de handel in cocaïne, effectievere misdaadbestrijding, de veroudering van de bevolking en de geleidelijke verbetering van de stedelijke economie. Neen, toen men ging investeren in het verwijderen van graffiti en het aanpakken van zwartrijden, weegde dat op de algehele criminele sfeer die er in de metro hing. Het klimaat van wetteloosheid taande. Gladwell spreekt van de 'theorie van de kapotte ramen':
"Als een kapot raam niet wordt gerepareerd, concluderen de voorbijgangers dat het niemand iets kan schelen en dat niemand er verantwoordelijk voor is. Al gauw gaan er meer ramen kapot en de sfeer van anarchie zal zich vanuit het gebouw uitbreiden naar de straat waar het staat; er gaat een signaal van uit dat alles mag.
De kracht van de context illustreert Gladwell voorts aan de hand van de zelfmoordepidemie op Micronesië en enkele notities over het nature/nurture-debat.
Gladwell schreef een prachtig boek, dat ik evenwel niet klakkeloos durf te geloven, ook vanwege de ernstige kritiek die bij zijn theorieën is geformuleerd. Vervelend vond ik trouwens de structuur, waarbij theorie en navenante voorbeelden soms ver uit elkaar liggen, verspreid over het hele boek.
Ronduit grappig is dat je recensies van Het omslagpunt doorgaans alleen vindt in managementkringen, die natuurlijk beter hopen te worden van dit boek. Terwijl ík vooral Gladwells praktijkvoorbeelden onthoud die tonen dat met name de kwaliteiten die van iemand een Verbinder of een Verkoper maken juist niet aan te leren zijn en vaak microscopisch subtiel van aard.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder
Malcolm Gladwell, Het omslagpunt
Hoe kleine dingen een groot verschil uitmaken
240 p.
Uitgeverij Contact, 2001
Oorspr. The tipping point : how little things can make a big difference (2001)
Vertaald door Marjolijn Stoltenkamp
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
18:48
1 reactie(s)
rubrieken desiderata, ex cathedra, opinio
"Ada Leverson (1862-1933), nee Beddington, was a British writer, now known as a novelist. She began writing during the 1890s, as a contributor to Black and White, Punch, and The Yellow Book. She was a loyal friend to Oscar Wilde, who called her Sphinx; in the 1997 film Wilde she is played by Zoe Wanamaker. She was a wit, and a friend of Max Beerbohm; her writing has been compared to Beerbohm's, and the stories of Saki."
> http://en.wikipedia.org/wiki/Ada_Leverson
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
21:21
1 reactie(s)
rubrieken curricula
"Walker Percy (1916-1990) was an American Southern author whose interests included philosophy and semiotics. Percy is best known for his philosophical novels set in and around New Orleans, Louisiana, the first of which, The Moviegoer, won the National Book Award for Fiction in 1962. He devoted his literary life to the exploration of "the dislocation of man in the modern age." His work displays a unique combination of existential questioning, Southern sensibility, and deep Catholic faith."
> http://en.wikipedia.org/wiki/Walker_Percy
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
21:20
0
reactie(s)
rubrieken curricula
"Johannes Urzidil (1896-1970) was a Czech-German writer, poet, historian, and journalist. Born in Prague, he died in Rome. (...) Although he published poetry, Urzidil is best known for his prose which, though written in exile, reflects his Bohemian heritage. Among his more notable works are a collection of short stories, The Lost Beloved (1956; the title refers to Prague); the novel Der Trauermantel, and the story collection Prague Triptych (whose composition is derived from that of an altarpiece)."
> http://en.wikipedia.org/wiki/Johannes_Urzidil
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
21:19
0
reactie(s)
rubrieken curricula
"Alphonse Gallaud de la Pérouse, dit Zo d'Axa, né à Paris le 24 mai 1864 et mort à Marseille le 30 août 1930, est un anarchiste individualiste, anti-militariste, pamphlétaire et journaliste satiriste français. (...) Il fonde en mai 1891 L'En dehors, un hebdomadaire dont le titre résume à lui seul sa pensée et qui publie 91 numéros jusqu'en 1893 (le titre sera repris par Émile Armand en 1922). Les collaborateurs, anarchistes ou non, y sont nombreux : Tristan Bernard, Georges Darien, Lucien Descaves, Sébastien Faure, Félix Fénéon, Bernard Lazare, Errico Malatesta, Charles Malato, Louise Michel et Octave Mirbeau, pour n'en nommer que quelques-uns."
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Zo_d'Axa
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
21:17
0
reactie(s)
rubrieken curricula