dinsdag 31 maart 2009

Een andere Boudewijn Büch - Harry G.M. Prick

In Een andere Boudewijn Büch memoreert Harry G.M. Prick, destijds conservator van Het Letterkundig Museum in Den Haag, in een plezierig-archaïserende stijl zijn vriendschap met Büch, begonnen in de zomer van 1974, en alweer uitdovend in de tweede helft van 1981. Een twintiger was Büch toen; zijn gemediatiseerde leven moest toen nog helemaal beginnen. Natuurlijk maakt Prick melding van Büchs vele zelfvergrotende verzinsels. En steeds met mededogen. Op één uitzondering na.

Boudewijn Büch leerde Harry G.M. Prick kennen in diens functie als conservator van het Letterkundig Museum. De leergierige snaak en de romantische professor vonden elkaar in hun interesses: Goethe, Novalis, Van Deyssel en andere schrijvers.

Boudewijn had (althans destijds) van Von Platen nauwelijks iets in huis. Daarom zocht hij toen in mijn collectie Plateniana naar een sonnet, met welks vertaling hij Bernadette wilde bedenken. Over juist deze keuze, met die niet bepaald complimenteus te noemen aanhef, toonde ik mij oprecht verbaasd, zodat ik mij veroorloofde hem attent te maken op een stuk of drie, vier andere sonnetten van Von Platen, waarmee hij ongetwijfeld bij Bernadette veel meer furore zou hebben gemaakt. Hij sloeg echter het betreffende deel van Von Platens verzamelde werken met een klap dicht, onder het slaken, voor de eerste en (gelukkig) ook voor de laatste maal van de geprikkelde uitroep: ‘Bemoei jij je verdomme met je eigen zaken,’ of woorden van gelijke strekking, die ik te moeilijker kon verdragen nu daarmee nota bene mijn hem (als zo vaak reeds) spontaan te hulp schieten geheel onverwacht werd afgestraft!
Zonder veel problemen werkt Büch zich bij de Pricks naar binnen. Hij en Harry wisselen boeken uit, hangen uren met elkaar aan de telefoon ("tweespraken via het elektriek"), houden er een ronkende correspondentie op na en op woensdag komt Büch thuis eten bij het gezin Prick. Zijn eruditie, esprit en straffe anekdotes fungeren als een probaat glijmiddel.
Wat mij in Boudewijns verhalen zo aantrok was de fascinerende verteltrant waarmee hij ze, als op een zilveren dienblad, placht te serveren. Van jongs af aan was ik opgegroeid met het zo goed als volledige oeuvre van Charles Dickens, die onuitputtelijke en mij nooit teleurstellende verteller. Als veertienjarige had ik mij zelfs geen ogenblik gehinderd gevoeld door de (zoals ik eerst later achterhalen zou) zeer middelmatige vertaling van zijn werken door C.M. Mensing. Op diens graf zou ik alsnog graag een tuiltje viooltjes willen leggen, wanneer ik maar wist op welk kerkhof ik daarvoor terecht zou kunnen.
Wellicht is het de heimelijke drang van de salongeleerde om toch een groots en meeslepend leven te leiden, gecombineerd met de moeilijk te weerstane Sturm und Drang van Büch, dat Prick in eerste instantie in Büchs zelfverzonnen identiteit deed geloven.

Want wat maakte Büch het bont. De aankomende dichter stelde het voor dat zijn familie een landgoed in de Provence bezat (in werkelijkheid een heel bescheiden optrekje in Den Haag). Dat hij afgestudeerd was in de 'psychofarmacohistoriek' (eigenlijk had-ie met moeite zijn middelbaar afgemaakt). En dat zijn vader in het Engelse leger mee Dresden had gebombardeerd (niks van aan natuurlijk).

Met bewonderenswaardige minzaamheid haalt Prick herinneringen op aan deze verzinsels, waarvan vaak pas veel later de ware toedracht duidelijk werd. Voor Prick maakt Büch slechts één keer een ernstige ethische fout: wanneer hij de dood van zijn zogenaamde zoontje ensceneert en het echtpaar Prick om geldmiddelen vraagt voor een gepaste crematie. In werkelijkheid ging het om een kind van een bevriend echtpaar, dat trouwens nog steeds in blakende gezondheid verkeert. Ook Büchs roman daarover, De kleine blonde dood uit 1985, is dus gebaseerd op leugens.

Een andere Boudewijn Büch is in wezen een droog documentair boek, waarvan de onevenredige detailzucht gek genoeg toch op een bepaald type lezer (waaronder mezelf) een verslavende uitwerking heeft, net als bij de non-fictieboeken van Büch. Het imitatiemarmeren pronknederlands ("Ik draaide een nommer der Stones") deed me het dikke boek zelfs in één avond uitlezen.

Het enige wat te gênant is voor woorden is Pricks onbegrijpelijke interesse in die kleine brokjes rijmelarij van Büch, die om of een andere reden het label poëzie mogen dragen. Het zal door toedoen zijn van Pricks introductie van Büch bij De Arbeiderspers dat zijn schrijverscarrière van de grond komt, en ook in deze memoires etaleert Prick een heilig ontzag voor Büchs poëtische oeuvre. Of ik een parodie zat te lezen:
Ook het gedicht, bijgesloten in Boudewijns Brief van 26/28 augustus 1974, was getiteld ‘Voor de kleine G.’, titel die op 8 augustus 1975 kwam te vervallen. Dit gedicht -- in de bundel afgedrukt op p. 20 -- werd geschreven 28/29 augustus 1974, te Cuxhaven/Altenwalde (BRD), op de terugweg naar Leiden, van een fietstocht die de dichter naar Denemarken had gevoerd; ik fiets gedreven / naar de stad / die ik om jou / verlaten had. In de zesde regel is sprake van de graag door Gijsje beluisterde Bob Dylan & The Band. Bedoeld is hier de elpee Bob Dylan/ The Band, Before the Flood. Recorded Live in Concert.

[...]

Het gedicht dankte zijn ontstaan aan Boudewijns hevig verlangen naar een nieuwe typemachine, liefst een Precisa 3000, omdat alleen deze in staat bleek vierkante haken te produceren, alsook ‘wonderschone asterisken’.

[...]

Wat opgaat voor de hierboven genoemde bundels, gaat ook op voor wat algemeen beschouwd wordt als Boudewijns mooiste bundel, Nohant, uit 1979, die daarnaast ook nog eens schitterend werd uitgegeven, gezet uit de Cancelleresca Bastarda door Ger Kleis en gedrukt op Zerkall-Bütten in blauw en zwart in een oplage van 75 genummerde exemplaren. Voor de beschrijving van mijn exemplaar verwijs ik de daarin geïnteresseerde lezer naar de, nagenoeg volledig aan Boudewijn Büch gewijde Catalogus nr. 37, van antiquariaat Fokas Holthuis te Den Haag.

[...]

Voor een niet gering deel was Boudewijn poëtica geïnspireerd dóór en hecht gegrondvest óp een oneindig aantal keren door hem bestudeerd boek van Rolf Kloepfer en Ursula Oomen, Sprachliche Konstituenten moderner Dichtung, met de ondertitel: Entwurf einer descriptieven Poetik-Rimbaud, in 1970 verschenen bij Athenäum Verlag.
Uiteindelijk wordt de vriendschap tussen beide mannen bruusk afgebroken. In ietwat onduidelijke omstandigheden, zoals zo vaak bij Büch, aldus andere ex-intimi van de schrijver. Ik denk dat Ton Kok in De bibliotheek van Boudewijn Büch het dichtst bij de waarheid komt, door te stellen dat Büch zijn vriendschappen haastig opzegde wanneer diens kaartenhuisje van leugens en halve waarheden in elkaar dreigde te storten.

(Gebaseerd op notities van 9 februari 2006.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Harry G.M. Prick, Een andere Boudewijn Büch : terugblik op een vriendschap
352 p.
Uitgeverij Aspekt, 2005

____

maandag 30 maart 2009

Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen - Pierre Bayard

"Er bestaat niet één onbekend boek, aangezien het deze status bij de eerste ontmoeting kwijtraakt," schrijft Pierre Bayard als een volleerd sofist. En zijn eigen boek is een volmaakt voorbeeld bij die stelling. Ik heb de hype rond Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen zoveel mogelijk proberen te mijden, en toch had ik al mijn ideeën klaar over het boek, zonder er één letter uit te kennen. Maar bij nader inzien is dit niet het spectaculaire blufboek dat ik had verwacht.

Ik dacht dat Pierre Bayard de lezer met zin voor ironie allerlei praktische tips aan de hand zou doen om zich uit netelige maatschappelijke situaties te redden. Dat hij ons met andere woorden zou uitleggen hoe je je gesprekspartner de indruk geeft dat je dit of dat boek hebt gelezen. Maar dat is buiten het Franse sérieux gerekend. Met heilige ernst relativeert Bayard alle lezen tout court, en pompt hij de literatuurverzakers onder ons het nodige zelfvertrouwen in.

Bayards lange essay is gegroeid uit zijn beroepssituatie. Als literatuurdocent aan de universiteit ontkwam hij niet aan de verplichting tekst en uitleg te geven bij boeken die hij in de meeste gevallen niet eens opengeslagen had. Dat taboe wou hij met Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen doorbreken.

Bayard is zeker niet de eerste die openhartig doet over de hiaten in zijn leesbagage. Ook Karel van het Reve zei in interviews meermaals de recente literatuur nauwelijks bij te houden, zelfs de Russische niet, nochtans zijn vakgebied. Daardoor kwam het dikwijls dat hij zich nog snel moest inlezen om geen modderfiguur te slaan bij weer een nieuwe thesisstudent. Maar goed, in een land als Frankrijk -- nergens is het snob-appeal van literatuur groter -- mag Bayards publieke bekentenis niet onderschat worden.

Lezen wordt beschouwd als iets heiligs, voor bepaalde milieus gelden lijsten met boeken die je moet gelezen hebben, wil je niet uit de gratie raken. Daarbij wordt bedoeld: boeken lezen van kaft tot kaft. Doorbladeren of kriskras lezen is geen optie. Toch praten over boeken die je niet hebt gelezen is al helemaal uit den boze.
En daarom wordt er zoveel gejokt over zogenaamd gelezen boeken, zelfs in kringen van deskundigen, of beter gezegd: juist in die kringen, want de leugen is evenredig aan het belang dat het boek in een bepaald milieu heeft. "Ik ken in het persoonlijke leven weinig gebieden, met uitzondering van geld en seksualiteit, waarop het zo moeilijk is betrouwbare informatie te krijgen als op het vlak van boeken," aldus Bayard. Die zit.

Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen bevat dan ook een paar geestige praktijkvoorbeelden van hoe recensenten hun niet-lezen trachten te verbergen. In de Académie française schreef Paul Valéry laudatio's voor schrijvers wier boeken hij, die allereerst uit was op algemene literaire wetten, nauwelijks gelezen had. En er is die heerlijke passage uit Verloren illusies van Balzac (een boek dat ik deze zomer las) waarin een schrijvelaar uit de provincie de mores van het Parijse besprekersdom leert kennen.

Voor vele opmerkingen uit de koker van de recensenten uit Verloren illusies volstaat het het besproken boek op een willekeurige bladzijde open te slaan om tot die conclusie te komen. En als dat niet volstaat voor voldoende kopij, lullen de besprekers van Balzac wel een potje over de status van het schrijverschap, of de plaats van de schrijver in het literaire systeem. (Dat doet me eraan denken: één van mijn plannen is ooit op dit weblog een catalogus van kunstgemeenplaatsen aan te leggen: gebrabbel uit kunstcatalogusteksten.)

Boeken lezen
De voornaamste verdienste van Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen bestaat erin heel minutieus uit te leggen wat elke goede lezer intuïtief al wist, maar nooit hardop durfde te zeggen: dat het verschil tussen een gelezen en niet-gelezen boek, afgerekend op de uiteindelijke kennis die je van het boek overhoudt, niet binair van aard is (wel/niet gelezen), maar op een glijdende schaal dient gemeten te worden. Van een niet-gelezen boek kan je heel veel afweten, en een gelezen boek is zo weer vergeten.

Eerder dan over lezen, moeten we het dus over zoiets als ‘tevergeefs lezen’ hebben om de bezigheid te omschrijven waarbij we in een boek verdiept zijn. "Zelfs terwijl ik nog bezig ben met lezen," schrijft Bayard, "begin ik te vergeten wat ik gelezen heb, en dit proces is onontkoombaar, het gaat door tot het moment waarop het lijkt alsof ik het boek niet gelezen heb en waarbij ik weer de niet-lezer ben geworden die ik had kunnen blijven als ik beter geïnformeerd was." Hij verwijst daarbij naar een notoire boekvergeter als Montaigne.

Omwille van diezelfde reden antwoord ik nooit op de mij vaak gestelde vraag hoeveel boeken ik al heb gelezen in mijn leven. Hoewel ik het cijfer bij benadering ken. Als ik al die boeken voor de geest haal waarvan ik de plot vergeten ben, waarvan me alleen vaag de sfeer bijstaat, of waarvan me helemaal niets is bijgebleven, dan komt de roep naar dat cijfer me als een totaal zinledige vraag voor.

Passons. Een tweede vaststelling waarmee Bayard de act van het lezen relativeert, is de wetenschap dat zelfs een groot lezer altijd maar een uiterst gering deel van alle bestaande boeken geestelijk tot zich kan nemen: "Hoe kun je, ten overstaan van het ontelbaar grote aantal gepubliceerde boeken, anders dan denken dat elk lezen, ook al spreid je het uit over een heel leven, totaal in het niet valt als je kijkt naar alle boeken waarvan je nooit kenis zult nemen?"

Veel beter dan de boeken effectief te lezen is het volgens Bayard daarom om je te kunnen oriënteren in die wirwar van boeken. Cultuur is allereerst een zaak van oriënteringsvermogen. Ontwikkeld zijn betekent ‘je weg vinden’ in het literaire landschap, en hoe beter je daartoe in staat bent, hoe minder het nodig is een of ander boek in het bijzonder te lezen.
Verbindingen en aansluitingen, dat is waar de ontwikkelde mens naar dient te zoeken, en niet naar één speciaal boek, net zoals treinverkeersleider moet letten op de betrekkingen tussen de treinen, dat wil zeggen op hun tegenliggers en aansluitingen, en niet op de afzonderlijke inhoud van die of die trein.
De bibliothecaris uit De man zonder eigenschappen (Musil) die er prat op gaat nooit een boek gelezen te hebben uit zijn collectie, is Bayards ideaalbeeld. Juist zijn liefde voor boeken -- maar dan ook voor alle boeken -- brengt deze bibliothecaris ertoe zich voorzichtig tot hun buitenkant te beperken. Een boek lezen zou betekenen dat hij de andere verwaarloosde.

Na afloop van Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen is me nog altijd niet duidelijk of Bayard dit nu met een sofistische grijns op zijn gezicht vertelt, of dat het hem menens is, dat hij dus zijn logica tot in het absurde doortrekt. Maar ik ben het wel eens met zijn stelling, dat niet-lezen dient verdedigd en zelfs onderwezen te worden, omdat ordening aanbrengen in de enorme hoeveelheid boeken belangrijk is om er niet onder bedolven te worden.

Bayard is trouwens aangenaam consequent met betrekking tot de vage grens gelezen/niet-gelezen: Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen bevat voetnoten bij alle titels in de tekst, met de melding of Bayard het boek gelezen heeft of niet, doorbladerd heeft, reeds vergeten is, of enkel kent van horen zeggen.



Converseren over boeken
Met al het voorgaande in het achterhoofd, en vooral dan het falende geheugen van een mens, lijkt een goed gesprek over boeken ineens niet zo vanzelfsprekend meer. En inderdaad, Bayard schetst mooi en onverbiddelijk hoe praten over een boek nauwelijks nog iets te maken heeft met literatuur in de strikte betekenis. Meer dan over boeken praten we over vage herinneringen aan die boeken die, afhankelijk van de omstandigheden van het moment zelf, veranderingen ondergaan.
Geen van beiden heeft het over hetzelfde boek, want ieder heeft, na een heel bijzondere innerlijke ontwikkeling van gedachten, slechts een denkbeeldig voorwerp voor ogen. Een boek is wat we er ons nog van kunnen herinneren. Wat wij over boeken zeggen betreft voor een groot deel wat anderen er al over gezegd hebben, en dat tot in het oneindige.
Tijdens het praten verbinden we eigen beweringen (op basis van door onze eigen fantasie vervormde fragmenten) met gemeenplaatsen. Zelfs als ik Ulysses niet heb gelezen, kan ik er met gemak een boompje over opzetten, want een beetje ontwikkeld persoon weet dat dat boek een herhaling is van de Odyssee, zich afspeelt gedurende één dag in Dublin en de inwendige monoloog heeft geïntroduceerd in de wereldliteratuur.

Tweede euvel: twee lezers van hetzelfde boek praten toch langs elkaar heen, omdat elke lezer tijdens het lezen zich een ander boek heeft eigen gemaakt. Bayard noemt dat het 'innerlijke boek': het ideaalbeeld dat we hebben van het boek dat we eigenlijk zouden willen lezen projecteren we op het boek dat we in werkelijkheid aan het lezen zijn. Dat ideaalbeeld werkt dus als een filter, die het boek zoveel mogelijk aanpast aan onze noden. Juist die innerlijke boeken maken de gedachtenwisselingen over boeken zo moeilijk, omdat het gesprek nooit over hetzelfde onderwerp gaat.

En toch maken beide vaststellingen het praten over boeken niet tot een zinledige activiteit. Als we maar het idee opgeven dat we ten gronde over literatuur praten. "Het meeste van wat er over boeken gezegd wordt," schrijft Bayard terecht, "gaat ondanks de schijn niet over het boek zelf, maar over een veel ruimer geheel, namelijk het geheel van alle richtinggevende boeken waarop op een gegeven moment een bepaalde cultuur berust."

Met andere woorden: we praten met elkaar nooit over één boek, maar over een hele reeks tegelijkertijd die op het gesprek inwerkt via de omweg van één specifieke titel. In Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen wordt dat de 'gemeenschappelijke bibliotheek' genoemd. Als twee gesprekspartners die gemeenschappelijke bibliotheek kennen, komen ze al een heel eind. Bayard, ietwat warrig:
Een boek beperkt zich niet tot zichzelf; zodra het verspreiding heeft gevonden, bestaat het eveneens door het wisselend geheel van reeksen mededelingen die het uitlokt doordat het onder de mensen rondgaat. Aandacht hebben voor deze mededelingen is dus kennisnemen van het boek zonder het te lezen. Het typevoorbeeld is Baskerville, de protagonist van De naam van de roos, die dankzij deductie komt achter de inhoud van het boek waar het hele moordverhaal om draait.
Waarna Bayard, die niet toevallig ook is opgeleid als psychoanalyticus, tot zijn slotsom komt. Praten over boeken, zegt hij, mag dan wel weinig met literatuur te maken, maar vervult honderd-en-één andere noden. Wat van belang is, staat buiten het boek. Wat van belang is, is de aanleiding om over dat boek te praten.
Praten over een boek betreft niet zozeer wat erin staat, maar veeleer wat het gesprek erover van belang maakt. Wij zullen des te beter van gedachten kunnen wisselen naarmate het boek ons minder hindert en het een vaag voorwerp blijft.
Kritiek
Ik zou lezers enkel de eerste zeventig bladzijden aanraden van Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen. Daarin staan des schrijvers pittigste argumenten. Wat daarna volgt is van mindere kwaliteit. Bayard slaat te veel door in de verkeerde richting (die van het niet-lezen), gaat zeer omstandig citaten uit boeken becommentariëren die zijn theorieën moeten staven, en verliest zich soms in het zichtbare plezier in formuleren. Hoe te praten over boeken is spitant in zijn beste momenten, langdradig in de meeste momenten. De vertaling ("Denkend van doen te hebben met…") van Jan Versteeg is overigens matig.

Op Bayards theorieën valt ook makkelijk het een en ander af te dingen. De auteur gaat bijvoorbeeld compleet voorbij aan het genot dat we met zijn allen vinden in lezen. Zijn theorieën verklaren niet waarom we überhaupt nog willen lezen, soms zelfs in totale beslotenheid -- zonder uitzicht op conversatie met gelijkgestemde zielen. Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen lijkt gecomponeerd voor een gehoor van collega-docenten, niet voor vrolijk fluitende plezierlezers als ik.

Bepaalde ideeën vind je in helderder bewoordingen terug bij Schopenhauer. Bijvoorbeeld dat een boek, wanneer het de gedachten van de lezer in beslag neemt, ook een afstand kan scheppen tussen wat in die lezer het meest origineel is. Veellezerij brengt tevens het gevaar met zich mee dat je vastloopt in de boeken van anderen, waaraan je hoe dan ook moet zien te ontsnappen om zelf tot scheppende arbeid te komen. Misschien is ook deze website niet meer dan een treurige neurose, een kolossaal voorwendsel om zelf nooit iets van betekenis te hoeven schrijven.

Voorts stelt Bayard zoals menig Franse denker een overmatig, haast mystiek vertrouwen in de taal als middel om tot ons diepste wezen te komen. Als psychoanalyticus meent hij zelfs dat dat haar belangrijkste functie is, "los van de hinderlijke noodzaak te verwijzen naar de wereld" -- ik vind dat een catastrofale zin.

Ten slotte, en dat is mijn grootste kritiek, lijkt zijn essay uitsluitend over fictie te gaan. Waar praten over literatuur karaktervormend kan werken, weet je in verband met informatieve boeken toch best waar je het over hebt. Uit de eerste hand.

[Herkomst afbeelding niet meer te achterhalen; excuus.]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Pierre Bayard, Hoe te praten over boeken die je niet hebt gelezen
189 p.
Uitgeverij De Geus, 2008
Oorspr. Comment parler des livres que l'on n'a pas lus (2007)
Vertaald door Jan Versteeg

____

zondag 29 maart 2009

Theodor Kramer

"Theodor Kramer (1897-1958) was a Austrian poet. Though his works fell into oblivion for a time, Thomas Mann called him "one of the greatest poets of the younger generation" ("einen der größten Dichter der jüngeren Generation"). He won the 1958 Literature Prize of the City of Vienna."


> http://de.wikipedia.org/wiki/Theodor_Kramer

____

Philippe de Courcillon

"Philippe de Courcillon, marquis de Dangeau, né au château de Dangeau (Eure-et-Loir) le 21 septembre 1638 et mort à Paris le 9 septembre 1720, est un militaire, diplomate et mémorialiste français, connu surtout pour son Journal où il décrit la vie à la cour de Versailles à la fin du règne de Louis XIV."

> http://fr.wikipedia.org/wiki/Philippe_de_Courcillon_de_Dangeau

____

Francesco Guicciardini

"Francesco Guicciardini (1483-1540) was an Italian historian and statesman. A friend and critic of Niccolò Machiavelli, he is considered one of the major political writers of the Italian Renaissance. Guicciardini is considered as the Father of Modern History, due to his use of government documents to verify his History of Italy."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Francesco_Guicciardini

____

John Mandeville

"Jehan de Mandeville, translated as Sir John Mandeville, is the name claimed by the compiler of a singular book of supposed travels, written in Anglo-Norman French, and published between 1357 and 1371. By aid of translations into many other languages it acquired extraordinary popularity. Despite the extremely unreliable and often fantastical nature of the travels it describes, it was used as a work of reference -- Christopher Columbus, for example, was heavily influenced by both this work and Marco Polo's earlier Il Milione."

> http://en.wikipedia.org/wiki/John_Mandeville

____

vrijdag 27 maart 2009

Naar de natuur - W.G. Sebald

Van W.G. Sebald (1944-2001) wil ik langzaam alle vertaalde boeken laten langskomen op dit weblog. Te beginnen met Naar de natuur, het dichtwerk uit 1988 waarmee Sebald op zijn 44ste debuteerde. De sombere toon sprak me aan: "Maar alles, zegt Theophon, / alles, mijn zoon, verandert in ouderdom, / minder wordt het leven, / alles neemt af, / de proliferatie / der soorten is slechts / een illusie, en niemand / weet hoe het afloopt." Maar ook niet meer dan dat.

Naar de natuur is een triptiek waarin de levens van drie figuren in een cocon van poëzie en retoriek worden gedraaid. Eerst is er de zestiende-eeuwse schilder Matthias Grünewald, samen met Albrecht Dürer de belangrijkste exponent van de laatgotische schildertraditie. Vervolgens de achttiende-eeuwse bioloog en ontdekkingsreiziger Wilhelm Steller, die onder meer in barre omstandigheden de fauna op Beringeiland beschreef. Ten slotte een twintigste-eeuwse figuur in wie we op zijn minst grote stukken Sebald kunnen herkennen, zijn jaren in Manchester bijvoorbeeld.

W.G. Sebald plaatst drie Einzelgängers bij elkaar in de hoop dat er boeiende dingen gebeuren. Maar dat intimistische spektakel bleef uit, in mijn geval. Naar de natuur is voor mij een typisch debuut waarin de schrijver nog ver verwijderd lijkt van de schriftuur die hem ligt.

De panische halsknik, overal te zien bij
de personages in Grünewalds werk,
die de keel vrijgeeft en het gezicht
dikwijls keert naar een verblindend licht,
is de sterkste expressie van het lichaam
dat de natuur geen evenwicht kent,
maar blind het ene wilde
experiment na het andere uitvoert
en als een dwaze knutselaar alweer sloopt
wat ze nog maar net gefabriceerd heeft.
Proberen hoe ver ze nog kan gaan
is haar enige doel, een ontspruiten,
een voortjagen en voortplanten,
ook in en door ons en door
de aan onze hoofden ontsproten
machines in één grote wirwar,
terwijl achter ons de groene
bomen hun bladeren al loslaten en
kaal, zoals vaak te zien is op Grünewalds
schilderijen, de lucht in steken,
de dode takken bedekt met een
mossig omlaagdruipende substantie.
De zwarte vogel die in zijn snavel
het brood brengt aan de heilige
Antonius op zijn plek in de woestijn,
is misschien wel de vogel met het glazen hart,
die steeds verder in onze richting vliegt
en waarvan een andere heilige man
van de laatste dagen verkondigt
dat hij in de zee zal schijten
zo, dat die zal overkoken, dat
de aarde wankelt en de grote stad
met haar ijzeren toren in brand staat,
de paus in een praam hokt
en de duisternis komt en
daar waar het zwarte kistje neervalt,
geel en grijs stof
het land bedekt.
Afgezien van de stemmigheid van de regels, kan ik bij een passage als deze maar één vraag bedenken: waarin schuilt hier de noodzaak van een lyrische vorm? Misschien dat De ondergang van de Titanic, het versepos van Enzensberger uit 1978, Sebald te veel door het hoofd spookte.

(Gebaseerd op notities van 26 juni 2006.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

W.G. Sebald, Naar de natuur
101 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2006
Oorspr. Nach der Natur : ein Elementargedicht (1988)
Vertaald door Ria van Hengel

____

donderdag 26 maart 2009

Vijf soorten literatuur

Er zijn, waarom ook niet, vijf soorten van literatuur. De eerste bestaat uit het aanpakken van grootste onderwerpen in een grootste stijl: een jas die past. Dat is de wereldliteratuur, zoals daar zijn Dante en Nico van Suchtelen. De tweede is een literatuur waarmee ik nogal verguld ben: een eenvoudige stijl voor grootste onderwerpen -- hoe de heer Jansen op een maandag God ontmoet aan de Loosdrechtse plassen, hoe tante Sjaan in eigen woorden haar herinneringen ophaalt aan de slag bij Solferino; hoe een trein in een helse machine verandert terwijl in de wagon een klas met kinderen, niets vermoedend, aftelversjes zingt. De derde soort valt onvermijdelijk in twee delen uiteen: het eerste deel behandelt wereldschokkende onderwerpen in een klein of afwezig stijltje: het alle schaamte ontblotende hoela-hoela-rokje dat nagenoeg iedere Nederlandstalige dichter om de heupen zwiert, zoals in het liefdevers
Ik vuur mijn wapen
op je af
en merk hoe welkom
mijn
aanval bij je is.
Weet
dat ik met los zaad schiet.
Wat niet zo
dodelijk is.
Laat staan gevaarlijk
voor de liefde
van de in Vlaanderen luid bejubelde en dus in Nederland onbekende dichter Willie Verhegghe, die één keer een hele nacht zijn vuurwapen heeft laten liggen om een dichtbundel te schrijven, wat dan ook prompt een bundel werd van louter losse flodders. Dan het tweede deel van de derde soort: onbelangrijke onderwerpen in een smetteloze, lichtvoetige of ook lakonieke stijl: wederom iets moois en lang niet zeldzaam in onze literatuur! Dit is, om in de woordenschat van haute couture te spreken, de geestelijke slobberbroek, zo passend bij onze volksaard. De vierde soort, u raadt het al, betreft de niet-spectaculaire stijl voor niet-speculaire onderwerpen. Het kan hier vriezen of dooien. De vijfde soort, tenslotte, behelst alle andere soorten van literatuur.
Gerrit Komrij, in: Heremijntijd

____

woensdag 25 maart 2009

Wijlen Mattia Pascal - Luigi Pirandello

Ergens dromen we er allemaal van de bewerker van ons eigen levenslot te worden. Dungeons and Dragons en Second Life getuigen van het verlangen ons oude vel even af te stropen en onze identiteit van de grond af opnieuw te ontwerpen, afgesneden van verstikkende familiale banden en streekgebonden besognes. Goede literatuur schrijft niet alleen over persoonsverwisseling, maar problematiseert het verschijnsel ook. Met identiteit speel je geen onschuldige spelletjes.

Patricia Highsmith heeft er bijvoorbeeld prachtig over geschreven, en er is die sublieme roman van de Spaanse auteur Luis Landero, De geschiedenis van een onbegrepen man, waarin een kantoorbediende zich telefonisch uitgeeft voor een gevierde dichter en zich in alle bochten moet wringen om die maskerade vol te houden.

Luigi Pirandello kiest hier voor een macabere insteek. Wanneer een man tijdens zijn afwezigheid abusievelijk wordt herkend in het lijk van een zelfmoordenaar, ziet hij zijn kans schoon om eindelijk te breken met zijn saaie job, slabakkend huwelijk en tiranniserende familie.

Ik weet niet wat het precies zegt over de Italiaanse familiecultuur, maar Wijlen Mattia Pascal begint met een situatie als een scheurkalendergrap. Man verliest erfenis en de liefde van zijn leven aan een andere man, ziet zich verplicht te trouwen met het nichtje van de beheerder van de familiebezittingen en moet op de koop toe een bazige schoonmoeder in huis gedogen.

Het boek komt dan ook lastig op gang voor wie niet geïnteresseerd is in vaudeville-achtig gekibbel. Alleen de stemmige taferelen in de dorpsbibliotheek, waar Mattia Pascal voornamelijk dienst doet als muizenvanger, hielden me de eerste zestig bladzijden op de been. Maar van dan af wordt het leuk. Er broeit iets in de man.

In een Traktaat over Boomsoorten van Giovan Vittorio Soderini kan men lezen dat vruchten gedeeltelijk door warmte en gedeeltelijk door kou tot rijping komen; ‘want de warmte levert, zoals in alle gevallen duidelijk blijkt, de kracht voor het verbrandingsproces, en dat is de eenvoudige oorzaak van de rijping.’ Giovan Vittorio Soderini wist dus niet dat fruittelers behalve de warmte nog een andere ‘oorzaak van rijping’ toepassen. Om primeurs op de markt te brengen en ze duurder te verkopen, plukken zij de vruchten, appels en perziken en peren, voordat ze de toestand hebben bereikt die ze gezond en aangenaam van smaak maakt, en ze laten ze zelf door middel van kneuzingen rijpen. Op deze manier nu kwam ook mijn nog prille gemoed tot rijping.
Mattia Pascal krijgt het benauwd. Wanneer zijn moeder en dochtertje sterven, boezemen zijn vrouw en schoonmoeder hem stilaan ondraaglijke afkeer in. Hij is niet meer bestand tegen de verveling en tegen de walging van zijn manier van leven, zonder enige kans of hoop op verbetering. In een plotselinge opwelling ontvlucht hij het dorp, te voet, met hoop en al vijfhonderd lire op zak.

Hij bereikt Monte Carlo, en gaat er het casino binnen, hoewel hij de wansmaak van het gebouw laakt, "een tempel met acht marmeren zuilen voor Vrouwe Fortuna" -- het gemiddelde abattoir is mooier. Pirandello weet even later mooi de koortsachtigheid tijdens het roulettespel te beschrijven en het dubieuze volk dat aan de speeltafel zit.
‘Waar het jou mag behagen, waar het jou mag behagen neer te komen, sierlijk balletje van ivoor, onze wrede afgod!’
Na het winnen van een aanzienlijk geldbedrag overweegt Mattia Pascal nog wel terug te keren naar de echtelijke sponde om zich "vrij te kopen", en zich daarna ver van alle zorgen aan het molenaarsvak te wijden. Maar dat voornemen vervliegt ter plekke wanneer hij op de trein naar huis leest dat in het dorp waar hij woont zijn lijk werd gevonden in verregaande staat van ontbinding. Een vergissing. Een gelukzalige vergissing: Mattia heeft ineens geen schulden meer, geen vrouw meer, geen schoonmoeder meer, niemand. Terwijl de familieleden van het eigenlijke slachtoffer nog de hoop kunnen koesteren hem op een goede dag weer te zien verschijnen. Een perfecte win/win-situatie.

Dan volgen naar mijn smaak de mooiste bladzijden van Wijlen Mattia Pascal. De passages waarin hij zijn nieuwe persoonlijkheid bijelkaar harkt. Het verzinnen van biografische feitelijkheden. De keuze van een voor- en achternaam met een emotionele connotatie die hem bevalt. Mattia Pascal volgt in de straten en in de plantsoenen de jongetjes van vijf tot tien jaar, bestudeert hun bewegingen, verzamelt hun uitdrukkingen, om er stukje voor stukje de kindertijd van "Adriano Meis" uit samen te stellen, zijn nieuwe ik. Een nieuwe moeder bedenken gaat hem te ver; dat zou hem een ‘ontheiliging” toegeschenen hebben van de herinnering aan zijn echte moeder. Mattia laat zijn haar groeien, scheert zich glad, meet zich een bril aan, een redingote en een breedgerande hoed, en dan is hij klaar.
Een kinderlijke blijheid doorstroomt hem, zijn bewustzijn is weer maagdelijk en doorzichtig geworden, zijn geest waakzaam en gereed om uit alles voordeel te trekken voor de opbouw van zijn nieuwe ik. Het lot heeft hem een toeschouwer gemaakt die buiten de conflicten staat waarmee de anderen nog worstelen.

[...]

En allereerst, zei ik tot mezelf, zal ik de vrijheid die ik nu bezit goed behandelen; ik zal haar met me meevoeren over vlakke en altijd nieuwe wegen, en ik zal haar nooit enig bezwarend pak laten dragen. Ik zal mijn ogen sluiten en doorlopen zodra het levenstoneel zich ook maar ergens als onaangenaam aan me voordoet. Ik zal ervoor zorgen dat ik me vooral bezighoud met de dingen die men onbezield pleegt te noemen, ik zal op zoek gaan naar mooie uitzichten, naar rustige en bekoorlijke plekjes. Ik zal mezelf gaandeweg een nieuwe opvoeding geven; ik zal me met liefdevolle en geduldige toewijding transformeren, zodat ik aan het eind niet alleen zal kunnen zeggen dat ik twee levens heb geleefd, maar ook dat ik twee mensen ben geweest.
Pirandello verwoordt het prachtig: "het gif van de ervaring" is uit de aderen van zijn hoofdpersonage geweken en daarom voelt deze zich herboren. Toch valt het Mattia moeilijk in zijn onbegrensde vrijheid een bepaalde levenswijze aan te nemen. Hij zal ook met zichzelf moeten leren leven in vermomming.

Mattia Pascal/Adriano Meis kiest uiteindelijk Rome als nieuwe thuishaven, en betrekt een woonst met uitzicht op de Tiber. Dan begint zijn neergang. Het gescharrel met het meisje van zijn voorkeur verloopt niet naar wens in zijn nieuwe hoedanigheid ("alsof hij zijn liefde kuste met de lippen van een dode") en algauw raakt hij opnieuw verstrikt in het web van mensen in zijn huiselijke omgeving. Zijn geld wordt gestolen, een duel gaat niet door bij gebrek aan secondant en een spiritistische séance loopt uit op een klucht. Bovendien blijkt het niet langer houdbaar zich buiten de overheidsadministratie te stellen.



Het viel me sterk op dat ook een vakman als Pirandello niet echt weet hoe hij een bevredigend einde aan het ambitieuze uitgangspunt van de persoonsverwisseling moet breien. Wijlen Mattia Pascal bezit een in een ontluisterende vaart geschreven dénouement. De wetten van de romankunst wringen hier duidelijk met de eis om geloofwaardigheid. De lezer wordt ongeduldig en de schrijver wéét dat er weinig eer meer te behalen valt aan een terugkeer naar de beginsituatie. Het spektakel is op, en dus wordt Mattia's hernieuwde integratie in gezinsverband op een drafje afgehandeld. Denk aan de film Cast away, waarin Tom Hanks na jaren op een onbewoond eiland wordt gered en in het laatste kwartier herenigd wordt met zijn echtgenote.

Wijlen Mattia Pascal is een boek waar de hedendaagse lezer duidelijk de pieken (Pirandello's lucide ratio) en dalen (Pirandello's gedemodeerde humor) zal in onderkennen. Persoonlijk wou ik vooral dat de schrijver zijn getransformeerde held in een grotere diversiteit aan situaties had gebracht. Nu blijft het allemaal wat braafjes binnenskamers.

Maar ik begrijp zeker dat dit in Italië een klassieke roman is geworden. Pirandello maakt melding van de verscheurdheid van de moderne mens, maar immer gentlemanlike, niet zoals die verwilderde bruut van een Dostojevski. Zijn boek bezit een lankmoedig ritme, Rome is een prachtige locatie, en de schrijver weet waar hij precies moet zijn, en waar flou. Pirandello heeft ook een paar aardige paradoxen paraat ("Als wij erkennen dat vergissen menselijk is, is gerechtigheid dan geen bovenmenselijke wreedheid?") en zijn boek zit vol geestige uitweidingen. Over de narcistische krenking van de mens door Copernicus (p. 12). Over het geweten (p. 119). Over theosofie (p. 132). Over de dood (p. 185). Echt nieuwe inzichten zijn me niet te beurt gevallen, maar dat is misschien wat veel gevraagd voor een boek uit het vroeg-twintigste-eeuwse Italië.

In het vileine nawoord bij deze editie verdedigt Pirandello zich tegen criticasters die zijn figuren wat emotioneler hadden gewild. De schrijver verzet zich met hand en tand tegen de opvatting van de buitenwacht dat menselijkheid iets is dat bestaat in het gevoel. Integendeel, zegt Pirandello, juist de rede is wat ons menselijk maakt.

Uit het feit dat hij zo'n pleidooi überhaupt moet houden, leid ik af dat een boek vol afstandelijke zelfontleding een belevenis moet zijn geweest in het Italië van 1904, twee decennia dus voor Svevo zijn Bekentenissen van Zeno zou publiceren.

In zijn uitleiding toont Pirandello ook mooi aan hoe zelfs bij dit onwaarschijnlijke verhaal de realiteit de fictie nog maar eens overtreft. De statige vertaling van Jenny Tuin is overigens een plezier om te lezen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Luigi Pirandello, Wijlen Mattia Pascal
287 p.
Uitgeverij Querido, 1989
Oorspr. Il fu Mattia Pascal (1904)
Vertaald door Jenny Tuin
____

dinsdag 24 maart 2009

Lood en hagel - Gerrit Komrij

Titels van Komrij doen mij vaak denken aan de galeiboef uit Ben Hur die het ritme aangaf. Pek en zwavel. Boenk-boenk. Exercities en ketelmuziek. Boenk-boenk. Humeuren en temperamenten. Boenk-boenk. Ook in Lood en hagel zit Komrij weer aardig op ramming speed. Een remix is dit, van stukken die al eens eerder werden verzameld in de late jaren zeventig, begin jaren tachtig. Ik las alleen die paar ongebundelde teksten. De rest tref ik liever aan in zijn oorspronkelijke biotoop.

Blijkt dat Gerrit Komrij zich over de meeste onderwerpen al járen opwindt. Het lege ballonnetje van de Vijftigers in de jaren zeventig. Eeuwige kop van jut J. Bernlef. De adderkluwen van literair Nederland, waar alleen de jaloezie schrijvers met elkaar verbindt. Kostelijk is Komrij's catalogus van "Nederlandse schrijverjaloezieën in hun onderscheidene vormen":

De grote drie. Een hardnekkig instituut dat uitsluitend door onderlinge jaloezie zijn bestaan weet te rekken. Het aantal dat meent zich tot de grote drie te moeten rekenen maakt dat we beter kunnen spreken van de grote vijf of de grote zes. Omdat er nu eenmaal iets schijnt te moeten bestaan als de grote drie woedt de strijd om wie nummer drie is oppermachtig onder de grote zes.
De top-twintig van de boekhandel. Met uitzondering van de drie uit de top-zes allemaal jaloers op de zes van de top-drie.
De genadige critici zonder partij. (…) Als recensenten er nadrukkelijk op wijzen dat het hun taak is het algemene belang van de literatuur te dienen, kun je er donder op zeggen dat ze gebeten zijn op individueel talent. (…)
De opperhoofden van literaire supplementen. (…) Het is me ik weet niet hoe vaak overkomen dat een van die opperhoofden me vroeg, op bijna smekende toon, W.F. Hermans zou je die niet eens aanpakken? (…)
De poëtische keukenmeiden. Een populaire dichter die een wekelijkse poëzierubriek had slaagde er jarenlang in een collega-dichter op wie hij zeer jaloers was ongenoemd te laten, ook als de context de vermelding van zijn werk onvermijdelijk maakte. (…)
De gemankeerde literatoren. Vertalers die af en toe ook dichten zijn bijzonder jaloers op dichters die af en toe ook vertalen -- met de jaloezie die de muilezel koestert tegen het werkpaard.

Mijn natuurwetenschappelijke catalogus kan naar believen worden voortgezet. Hij kan worden aangevuld met critici die, omdat ze zo graag voor pionier willen doorgaan, moedwillig hun voorbeelden doodzwijgen. Met oud talent dat zich bedreigd voelt door jong talent. Met groot talent dat er, het verhaal van de tovenaarsleerling indachtig, voor bedankt ontluikend talent te stimuleren. Met klein talent dat zich denkt te vergroten door groot talent klein te maken. Met schrijvers van drie gedichten per jaar die stellig weten dat een veelschrijver zich prostitueert. Met veelschrijvers die smalen op de auteur van één boek. Met columnisten die ongegeneerd kwaadwillende leugens blijven herhalen tot ze verheven zijn tot feiten. Met stukjessschrijvers die, zonder aanhalingstekens, geruchten citeren zodat die een eigen leven gaan leiden. Met schrijvers die een collega tot artiest van nul en generlei waarde verklaren, omdat die collega er met hun vrouw vandoor is.
Nieuw is dat Benno Barnard ("tussen de Belgjes als koning Leopold tussen zijn Kongoleesjes") het moet bekopen. Anthony Mertens, die ik graag mag lezen, wordt in koelen bloede afgemaakt. Van Deel gaat voor de bijl. Idem dito voor Leonard Nolens...
Het wemelde in zijn regels van de geliefde, de vriendin, de begeerde en de afwezige. Alles zo symbolisch en zo weinig concreet, je begreep dat iedereen zich de uitverkorene mocht wanen, mits van het Nolens-bemoederende, Nolens-koesterende geslacht.
... en Harry Mulisch.
De wijn is drinkbaar dankzij het glas. Een dichtbundel met een programmatische titel. Als veel van Harry Mulisch’ stellingen maakt het even een indruk van goed gezien, o ja, briljant samengevat, zo simpel dat ik me voor mijn hoofd kan slaan dat ik er zelf niet op ben gekomen, om vervolgens, bij een tweede gedachte, geheel te verwaaien omdat er zoveel tegen in te brengen is. Je denkt aan de lange tuit die de Spanjaarden boven het geopende keelgat houden. Miljoenen liters wijn worden er wereldwijd gedronken zonder dat er een glas aan te pas komt. Toch klopt de stelling typisch weer binnen het Mulischiaanse universum, het is een vooral chique stelling. Harry kán het zich niet voorstellen. Elk deftig mens drinkt immers als deftige Harry zijn deftige wijn uit een deftig glas. De rest is barbaars, verwaarloosbaar. Hoe kan een mens anders drinken dan Harry? Ergo, er is geen speld tussen te krijgen.
Ik was blij om nog eens de recensie na te lezen van Een sterfgeval in Duitsland. Ook ik heb dat prul van Adriaan Venema gelezen, toen ik een zomer lang leed aan ongeneeslijke Ludwig II-gekte. Komrij deed me ineens verlangen naar een boek waarin historici met een vaardige pen aanwijzen wat er zoal schort aan veelgeprezen historische romans. Ja, doe mij maar meteen een standaardwerk, dat generaties kan meegaan. Het genre is te twijfelachtig om alleen aan literaire critici over te laten.

Voor het overige heb ik weinig te melden over deze bloemlezing. Tenzij dat het humoristische talent van Komrij onmiskenbaar is. Lood en hagel is gewoon stand-up comedy op papier, speaker's corner op schrift. Komrij bespreekt een bundeling doodgewone kranteartikelen van Jaap Goedegebuure en maakt zich vrolijk over de pretentieuze titel: Nederlandse literatuur 1960-1988. "Het is of iemand een artikel vol wetenswaardigheden over het Japanse telraam publiceert onder de titel Wiskunde in het Verre Oosten." En de kenschetsing van Chriet Titulaer (die ook mijn jeugd onveilig maakte in de jaren tachtig) als "de astronoom met het astrologengezicht" vergeet ik van mijn leven niet meer.

Het doet me nadenken over de vraag waarom mijn eigen besprekingen zo volstrekt humorloos zijn. Want als er één euvel is waar mijn stukjes aan lijden is het dat wel: aanhoudende droogte. Raar, omdat ik in gezelschap vrijwel continu grappen maak.

Achter het computerscherm ontbeer ik een sparring partner, en diens opmerkingen om giftig op in te pikken. Dat zal het zijn. Ik kan geen humor bedrijven in het ijle.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Gerrit Komrij, Lood en hagel
Schimpscheuten en handtastelijkheden : een keuze

241 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1998

____

maandag 23 maart 2009

La Place de la Concorde Suisse - John McPhee

Bij zogeheten 'literaire' non-fictie of de lange reportage streeft de auteur in kwestie naar een evenwichtige verhouding tussen lezer en schrijver. Hij zoekt het onderwerp zelf op, probeert het in levende lijve te benaderen, in plaats van als een alwetende autoriteit een systematisch exposé te geven. De schrijver poetst ook zijn eigen subjectiviteit niet weg, en daarom is de making-of vaak onderdeel van het verhaal. John McPhee is naar verluidt één van de meesters van het genre.

Pullitzerprijs-winnaar John McPhee, van wie nauwelijks iets in het Nederlands vertaald is, leerde ik kennen via IJsbrand. Na talloze loftuitingen van zijn kant bestelde ik op goed geluk dit deeltje over het Zwitserse militaire apparaat. Wie over zo'n non-event een boeiend boek kan schrijven, moet wel een groot schrijver zijn. En ja, McPhee lukt dat moeiteloos.

Het Zwitserse leger, leer ik uit La Place de la Concorde Suisse, valt omzeggens samen met het Zwitserse volk. Iedere Zwitserse man is in principe dienstplichtig (Wehrplicht); in totaal bestaat het leger uit 650.000 actieve militairen -- liefst tien procent van de totale bevolking. Vrouwen mogen in het Zwitserse leger dienen, maar zijn niet dienstplichtig.

Uitgestrekte oefenterreinen "set aside for explosive games" zijn er door de aard van het landschap natuurlijk niet. Het Zwitserse leger bivakkeert daarom verspreid in dorpjes en stadjes. Uit McPhee's boek lijkt het leger werkelijk overal aanwezig: achter rotsen, in schuren, bij de Zwitser thuis, waar zijn persoonlijke vuurwapen immer klaar staat voor het geval dat. De oplettende toerist zal allerlei enigmatische airstrips in de bergen bemerken ("No one is suggesting they are Autobahns that ran rapidly out of funds"). Ondergrondse garages kunnen snel omgeturnd worden tot atoomschuilkelders. Overal liggen schema's klaar om in een mum van tijd cruciale bruggen, treinsporen en andere toegangswegen op te blazen. Dat opblazen behoort overigens tot de meest routineuze oefeningen van het leger.

McPhee vervoegt het leger een tijdje -- bij de inlichtingendienst als ik het wel heb -- praat met militairen en geeft voor de rest zijn ogen goed de kost. La Place de la Concorde Suisse bestaat uit korte, zeer informatieve hoofdstukken. McPhee schrijft daarbij een sober, alleraantrekkelijkst Engels. Zijn boeken lijken me ideaal studiemateriaal voor aankomende journalisten en studenten Engels. Virtuoos schakelt hij over van harde boekenkennis op gesprekken met militairen en persoonlijke observaties. Het boek leest daarom als een briljant soort stageverslag. De lezer mag tegelijkertijd met McPhee ontdekken hoe de zaken zitten.

De terzijdes betreffen de aard van het leger (grensbewaking en guerillatactieken), de exploitering van de geografische voordelen van het land, de recrutering, de omgang met gewetensbezwaarden, de rol van Zwitserland in de Tweede Wereldoorlog en het onevenwicht binnen de hogere rangen tussen Frans- en Duitssprekenden. Aardig is dat McPhee ruime aandacht besteedt aan de eigenlijke burgerberoepen van de militairen.

Het meest interesseerde me nog het hoe en waarom achter de befaamde Zwitserse neutraliteit.

The Swiss have not fought a war for nearly five hundred years, and are determined to know how so as not to.

[...]

Neutrality does not exclude civil war.

[...]

Victory consisted of successfully avoiding the conflict.
McPhee verschaft de lezer weer eens de aangename illusie dat schrijven je per definitie vlot afgaat áls je maar iets te vertellen hebt. En dan schijnt dit nog een van zijn mindere boeken te zijn.

(Gebaseerd op notities van 7 juli 2008.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://en.wikipedia.org/wiki/Military_of_Switzerland

John McPhee, La Place de la Concorde Suisse
152 p.
Uitgeverij Farrar, Straus and Giroux, 1990
Oorspr. (1983)
____

zaterdag 21 maart 2009

Veertien avonden

"De grote winnaar van de verkiezingscampagne is nu al Bart De Wever, met 2.120.000 kijkers voor zijn acte de présence en zijn nipte nederlaag (als eeuwige Vlaamse underdog) in 'De slimste mens ter wereld' op Eén. Massa's kijkers hebben hem al op internetfora getroost en hebben Facebook opgezocht om hem te steunen. De VRT heeft de man dus in totaal veertien avonden in januari en februari aangeboden om te schitteren op het scherm en om zijn precampagne mee te lanceren (De Wever verwijst in zijn folders duidelijk naar 'De slimste mens'), en dat allemaal in een spelletje waartegen zijn eigen partij vroeger van leer trok, omdat politici zich er alleen maa 'belachelijk' konden maken.' In ieder geval moeten De Wever en zijn vele (nieuwe) fans de VRT eeuwig dankbaar zijn: zonder deze deelname bleef zijn partijtje allicht steken op vijf à zeven procent, maar nu mogen ze op basis van de nieuwe peilingen dromen van een verdubbeling van die score. En dat zonder één grote politieke verwezenlijking of een aangereikte oplossing voor de algemene crisis (behalve het herhaalde plaatje van 'Meer Vlaanderen')."

Conny Awouters, lezersbrief in Humo 3567

____

vrijdag 20 maart 2009

Kleine geschiedenis van de vooruitgang - Ronald Wright

Kleine geschiedenis van de áchteruitgang had dit boek moeten heten. De Canadese historicus Ronald Wright ziet de moderne beschaving niet als een vaststaand gegeven, maar als een wankel experiment, dat uit de hand kan lopen als we niet spaarzaam omspringen met onze natuurlijke rijkdommen. Om die stelling te staven onderzoekt hij een aantal oude beschavingen die ongeveer duizend jaar lang roofbouw pleegden op hun natuurlijke gastheer om vervolgens ten onder te gaan.

Als we een duidelijk beeld hebben van wat we zijn en wat we hebben gedaan, zegt Wright, kunnen we daaruit opmaken welk menselijk gedrag in veel tijden en culturen onveranderd is gebleven. Vanuit deze kennis kunnen we voorspellen wat we waarschijnlijk zullen doen, welke koers we in de toekomst allicht zullen kiezen. En wat blijkt? Veel van de grote ruïnes die de woestijnen en oerwouden van onze aarde sieren, zijn monumenten voor de valkuilen van de vooruitgang, grafstenen van beschavingen die aan hun eigen succes ten onder zijn gegaan.

Op de vragen wat we zijn en wat we hebben gedaan, kennen we het antwoord trouwens nog niet zo lang. Antropologen weten nu dat we afstammen van apen die ongeveer vijf miljoen jaar geleden in Afrika leefden. (Moderne mensapen stammen af van dezelfde voorouders als wij, maar onze voorouders waren geen moderne mensapen, al zijn we wel nauw verwant.) Maar de rationele twijfel over de kwestie van onze afstamming begon pas in de negentiende eeuw te knagen, toen geologen gingen beseffen dat de chronologie van de Bijbel niet strookte met de leeftijd van stenen, fossielen en sedimenten. In 1863 kwam Lyell met Geological evidences of the antiquity of man. In 1856 publiceerde Darwin On the origin of species, in 1871 The descent of man. In 1907 toonden Boltwood en Rutherford aan dat de leeftijd van de aarde niet in miljoenen maar in miljarden jaren moest worden geschat. De archeologie ontdekte dat de mens een laatkomer was.

Ook de vraag waar het naartoe moet, dus ervan uitgaand dat het ergens in lineaire zin naartoe gáát, is van betrekkelijk recente datum. Het materiële vooruitgangsdenken, het geloof in onomkeerbare veranderingen in één richting -- die van de verbetering, is pas driehonderd jaar oud. Het ontstond met de opkomst van wetenschap en industrie en het gelijktijdig verval van de traditionele geloofsovertuigingen.

Ondertussen is de vooruitgangsgedachte tot een bijna onaantastbare mythe geworden. De ineenstorting van de Sovjet-Unie, de gruwel in nazi-Duitsland en in China, hebben bij velen de gedachte doen ontstaan dat de uiteindelijke lotsbestemming van de moderne maatschappij alleen maar kan liggen in een door de democratie aangestuurd kapitalisme. "Na de Tweede Wereldoorlog groeide de consensus over de aanpak van de wortels van geweld: internationale intituties en democratisch gestuurde vormen van kapitalisme gebaseerd op keynesiaanse economische theorieën en Amerika’s New Deal."

Daarvoor moet alles wijken. Wright betoogt dat we bezig zijn met het ontketenen van immense krachten -- cybernetica, biotechnologie, nanotechnologie -- waarvan we hopen dat het goede instrumenten zijn, maar waarvan eigenlijk de consequenties niet kunnen overzien. Tegelijk blijven we de wereld in een ras tempo kaalplukken, droogleggen en vervuilen, zonder afdoende maatregelen daartegen. De mens verstoort het klimaat en weet zich geen raad met giftig afval.

Aan de hand van een aantal casestudies uit de wereldgeschiedenis wil Wright aantonen hoe kwistig omspringen met het ecologisch kapitaal, in een blind enthousiasme voor nieuwe technische/technologische ontwikkelingen, ernstige gevolgen kan hebben. Zo'n vooruitgang die een beschaving verlokt maar op de lange duur te gronde richt noemt Wright een "vooruitgangsval". Hij noemt in zijn boek vijf voorbeelden.

1. De volksverhuizingen in het late paleolithicum. "Een van de dingen die we over onszelf moeten weten is dus dat het late paleolithicum, dat misschien met genocide begon, eindigde in een gigantische wildbarbecue onder het motto ‘slacht wat je slachten kan’." De perfectionering van de jacht betekende meteen ook het einde van het jagen als levenswijze. De gemakkelijke toegang tot vlees betekende meer baby’s. Meer baby’s betekende meer jagers. Meer jagers betekende uiteindelijk minder wild. De meeste grote volksverhuizingen die in deze periode over de hele wereld plaatsvonden moeten zijn ingegeven door gebrek, nadat we het land met de ene braspartij na de andere volledig hadden uitgeput. [In het mesolithicum (de middensteenstijd) wordt de voedselbijdrage van de niet-jagers, de verzamelaars, groter. Op bepaalde plaatsen ontstonden nederzettingen. Sedentaire experimenten zullen uiteindelijk leiden tot de landbouw en veeteelt (neolithicum). In verschillende delen van de wereld leidde de nieuwe steentijd tot metaalbewerking, maar dat was geen fundamentele inhoudelijke verschuiving. Een neolithisch dorp leek sterk op een dorp uit de brons- of de ijzertijd (en overigens ook op een hedendaags dorp in de derde wereld).]

2. De ondergang van de samenleving op het Paaseiland ten gevolge van houtkap (p. 66-72).

3. De Soemeriërs (uitvinders van de irrigatie, de stad, de corporatie en het schrift) en de exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van Mesopotamië (p. 75-89). Overal waar de oerbossen en hun bodems werden vernietigd door kaalslag, brandstichting, overbegrazing of intensief ploegen, werd de kale onderbodem door de zon gebakken tot een harde korst die bij regenval als een glad dak werkte. Dit leidde tot plotselinge hevige modderstromen. Daarnaast bodemverarming: "Rivieren spoelen zout aan uit de rotsen en de aarde en voeren het af naar de zee. Maar als mensen waterlopen verleggen om droog land te bevloeien, verdampt veel van het water en blijft het zout achter. Door irrigatie raakt land van water verzadigd, waardoor brak grondwater de kans krijgt zich naar boven te verspreiden. Zonder goede afwatering, regelmatige braakligging en voldoende regenval om de grond zo nu en dan schoon te spoelen, leidt irrigatie op termijn tot het ontstaan van zoutpannen." Na verloop van tijd moesten de Soemeriërs de tarwe vervangen door gerst, dat beter bestand is tegen zout. Bovendien bereikte de bevolkingsomvang vanaf het midden van het derde millennium v. Chr. haar hoogtepunt, de heersende klasse werd topzwaar en de voortdurende oorlogen maakten het noodzakelijk continu legers op de been te houden. "Ze pleegden roofbouw op de toekomst om het heden te kunnen betalen." Stilaan verschoof de macht naar het noorden, naar Babylon en Assyrië, en nog later, onder de islam, naar Bagdad.

4. Bij de Grieken: ontbossing bij de Atheners. Bij de Romeinen: de neergang na de hoogtijdagen van het Romeinse rijk vanaf de dood van Marcus Aurelius (p. 93 e.v.). Tot Caesar: Romeinse burgers die ten strijde trokken wilden thuis pronken met oorlogsbuit: gemeenschapsgronden gaan verloren, sterke stijging grondprijzen rond hoofdstad, familiebedrijfjes kunnen niet concurreren met herenboeren met slaven. Verklaringen ondergang Romeinse rijk: plagen, loodvergiftiging, waanzinnige keizers, corruptie, barbaren, christendom, de wet van Parkinson, export van bodemexploitatie naar de koloniën en de afhankelijkheid daarvan, milieubelasting (archeologisch bewijs: het keizerrijk verviel het snelst in de kern, het Middellandse Zeebekken waar het milieu het zwaarst werd belast).

5. De neergang van het Maya-rijk (zie voor hun uitvindingen p. 105). Oorlog, droogte, ziekte, uitputting van de grond, invasies, verstoring van de handel, boerenopstanden. Maar ook ecologische malaise: erosie. Onderzoeken van stuifmeel uit die tijd bevestigen dat naarmate de steden groeiden, de jungle bezweek onder de stenen bijl. Bomen maakten plaats voor korenvelden en daarmee verdween ook het wild, de belangrijkste bron van dierlijke eiwitten voor de Maya’s, naast vis, kalkoen en een enkele haarloze hond.

Wright vermeldt ook een paar belangrijke tegenvoorbeelden, het Egyptische rijk en het Chinese, maar alleen om te suggereren dat de duurzame ontwikkeling aldaar niet zozeer aan menselijke matiging te danken is, maar aan gunstige natuurlijke basisvoorwaarden. In het Egyptische rijk bakenden de bergen aan weerszijden van de Nijl al bij voorbaat de grens van de bewerkbare grond af. De Egyptische landbouwmethoden waren ook conservatief en werkten met de watercyclus mee, niet ertegenin. Het verziltingsproces dat Soemerië vergiftigde verliep hier veel trager. En China was door de natuur meer dan evenredig bedeeld met vruchtbare grond in de vorm van lössafzetting. Erosie bracht hier alleen maar nieuwe lagen goede grond te voorschijn.



De les die ik leer uit het verleden, zegt Wright, is deze: dat geen enkele beschaving kan overleven en bloeien als de gezondheid van grond en water -- en van de bossen, de hoeders van het water -- niet blijvend verzekerd is. Alleen, vervolgt hij, het grote verschil tussen bovenstaande voorbeelden en de moderne maatschappij is dat onze geglobaliseerde wereld ondertussen te klein is om grote vergissingen nog te kunnen rechtzetten. Onze economie kent overal ter wereld te diepe vertakkingen. "We hebben nog steeds verschillende culturen en politieke systemen, maar op economisch niveau is er slecht één grote beschaving, die zich voedt met het natuurlijke kapitaal van de gehele planeet."

Na voorbeelden te noemen uit de Victoriaanse cultuurpessimistische traditie en de utopische en dystopische literatuur, geeft Wright een opsomming van alle hedendaagse pijnpunten. Sinds het begin van de twintigste eeuw is de wereldbevolking verviervoudigd en is de economie -- een globale maatstaf voor de belasting van de natuur door de mens -- meer dan veertig keer zo groot geworden. De ijskappen op beide polen brokkelen af. Oeroude gletsjers in de Andes en de Himalaya smelten. De graanproductie stagneert, terwijl de bevolking toeneemt. Op 11 september vielen er in New York drieduizend slachtoffers, terwijl er op aarde iedere dag vijfentwintigduizend mensen sterven door vervuild water. Ieder jaar raken twintig miljoen kinderen geestelijk gehandicapt door ondervoeding. Elk jaar gaat een landbouwgebied ter grootte van Schotland verloren door erosie en stadsuitbreiding, vooral in Azië. Wright noemt de mens -- verantwoordelijk voor de laatste mammoet, de laatste dodo en misschien binnenkort zelfs de laatste gorilla -- zonder verpinken een massamoordenaar.

Waarna we komen bij de slotsom. Bijzonder aan de mens was zijn vermogen cultuur door te geven van generatie op generatie via spraak en schrift. "De mens is een generalist zonder slagtanden, klauwen of gifklieren die werktuigen, kleding en voertuigen is gaan ontwikkelen die hem in staat stelden nog voor de laatste IJstijd voorbij was de hele planeet te koloniseren. Zijn specialisme is het verstand. Maar zijn genie kan hem ook tegen hem keren." Als ze nu wil overleven, moet de beschaving leren leven van de rente in plaats van het kapitaal van de natuur.

Ik heb veel gehad aan dit boek. Kleine geschiedenis van de vooruitgang stelt het romantische beeld bij dat leken van primitieve beschavingen hebben, en dat vond ik voor mezelf broodnodig. Voorts valt er zeker iets te zeggen voor Wrights stellingen. De bewijskracht komt voort uit het feit dat zich gelijklopende ontwikkelingen hebben voorgedaan in beschavingen die vaak volstrekt van elkaar gescheiden waren -- in het geval van de Maya's en het Europese continent op zijn minst vijftienhonderd jaar lang.

Maar mij viel ook op hoe paniekerig en bijziend Wrights laatste hoofdstuk was. Of ie plots van afstandelijk waarnemer met het overzicht van millennia verandert in een ondergangsprofeet. Daarmee ontstond de indruk dat-ie de wereldgeschiedenis speciaal had uitgepluisd op zoek naar argumenten om zijn visie te staven. Maar als leek kan ik natuurlijk niet direct tegenvoorbeelden aandragen. Beschavingen kunnen tegen stootje, als je maar aanvaardt dat ze ten onder gaan en in een andere gedaante opnieuw verrijzen. Ja, het Romeinse rijk kwijnde weg, maar het maakte wél plaats voor de christelijke Europese beschaving.

Overigens is het niet zo moeilijk de ondergang van een bepaald systeem te voorspellen. Wet van Van den Branden: alles slaat ooit om in zijn tegendeel. De kunst is: voorspellen wannéér. Doemdenkers vergeten altijd hoe creatief een mens kan zijn, hoe rekbaar zijn aanpassingsvermogen. De mensheid heeft hele ijstijden overleefd.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> uitgebreide bibliografie in de commentaren hieronder
> http://en.wikipedia.org/wiki/A_Short_History_of_Progress

Ronald Wright, Kleine geschiedenis van de vooruitgang
205 p.
Uitgeverij Cossee, 2006
Oorspr. A short history of progress (2005)
Vertaald door Olaf Brenninkmeijer

Kennis uit dit boek die me verder bruikbaar was:

a. Enkele handzame definities. CULTUUR is het geheel van kennis, technologie, geloofsovertuigingen en gebruiken van een maatschappij. Een BESCHAVING is een specifiek soort cultuur: een omvangrijke complexe samenleving gebaseerd op het temmen van planten, dieren en mensen. De structuur van een beschaving kan variëren, maar de meeste beschikken over dorpen, steden, overheden, sociale klassen en gespecialiseerde beroepen. Er is overigens geen koppeling tussen het begrip beschaving en MORELE WAARDEN: denk aan het Romeinse circus, de mensenoffers bij de Azteken, de inquisitie en concentratiekampen.

b. Roundup van de EERSTE BESCHAVINGEN. Die van Soemerië in Zuid-Mesopotamië in het huidige Irak, en Egypte, die allebei rond 3000 v.Chr. bestonden. Ze legden een patroon vast dat overal in de oude wereld door Semitische en andere volkeren zou worden nagevolgd. Gilgamesj-epos. Spijkerschrift. Oeroek. Rond 1000 v. Chr. waren er al veel meer beschavingen, onder meer in India, China, Mexico, Peru en delen van Europa.

c. Wetenswaardigheden uit de PREHISTORIE. De oude steentijd of het paleolithicum duurde van bijna drie miljoen jaar geleden, toen de eerste door mensachtigen vervaardigde werktuigen verschenen, tot het eind van de laatste ijstijd, ongeveer twaalfduizend jaar geleden (slechts zes keer verder terug dan de geboorte van Christus en het Romeinse rijk). In totaal liefst 99,5 procent van de bestaansgeschiedenis van de mens. * Het is moeilijk vast te stellen wanneer de homo erectus het vuur voor het eerst temde en zijn overlevingskansen ineens sterk toenamen. Het enige dat we weten is dat de mens al minstens een half miljoen jaar gebruikmaakt van vuur, mogelijk zelfs tweemaal zo lang. De volgende revolutie kwam een half miljoen later, toen de cro-magnonmens of homo sapiens, nadat hij de neanderthaler had verdreven, de jacht perfectioneerde. Nieuwe wapens, decoratieve elementen, begrafenisrituelen, rotsschilderingen. Vrije tijd als gevolg van voedseloverschot. Globale verspreiding: niet later dan vijftienduizend jaar geleden -- dus lang voordat het ijs zich definitief had teruggetrokken -- had de mens zich op alle continenten behalve Antarctica gevestigd. * De stambomen van de mens en de mensaap splitsten zich ongeveer miljoen jaar geleden, waarna het nog twee miljoen jaar zou duren voor de mensachtigen primitieve stenen werktuigen begonnen te maken. * De neanderthalers verschijnen ongeveer honderddertigduizend jaar geleden om honderdduizend jaar later weer te verdwijnen. Het lijkt erop dat ze zich min of meer in dezelfde periode hebben ontwikkeld als de eerste exemplaren van een soort die we als de moderne mens beschouwen en die vaak cro-magnonmens wordt genoemd. Zo’n tien millennia lang, van veertig- tot dertigduizend jaar geleden, zullen de neanderthalers en de cro-magnonmensen elkaar inderdaad met stenen hebben bekogeld, maar ook elkaars kampvuren hebben gedoofd, wild hebben gestolen en misschien zelfs elkaars vrouwen en kinderen hebben geroofd. Na afloop van deze onvoorstelbaar lange strijd behoorden Europa en de rest van de wereld aan onze soort, de cro-magnon toe.

d. De prehistorische HERKOMST VAN GEWASSEN. De zes miljard mensen van nu voeden zich met de gewassen van een stuk of tien volken uit de prehistorie. * Het Midden-Oosten, ‘de vruchtbare halve maan’: het kruispunt van Afrika, Europa en Azië. In de oude steentijd hadden neanderthalers en cro-magnons vijftigduizend jaar lang om dit gebied gestreden. Maar hoe rijk dit gebied ook was aan cultiveerbare planten en dieren en gunstige natuurlijke omstandigheden, de ontwikkelingsgang verliep er zeer traag. De grootste nederzettingen (Jericho en Çatal Hüyük) waren zeer klein, een paar hectare. * Het Verre Oosten: rijst en gierst.* Midden-Amerika (het gebied rond het huidige Mexico): maïs, bonen, pompoenen, amarant en tomaten. * Zuid-Amerika (de Andes): aardappelen, pompoenen, pinda’s en eiwitrijke graansoorten als quinoa. * In al deze kerngebieden verschijnen de eerste gekweekte gewassen tussen acht- en tienduizend jaar gelden. Naast deze grote vier zijn er nog een stuk of twaalf kleinere kerngebieden in tropisch Zuid-Oost-Azië, Ethiopië, de Amazone en het oostelijk deel van Noord-Amerika, die ons respectievelijk de banaan, koffie, maniok en de zonnebloem hebben opgeleverd. * Landbouw leidde tot meer kwantiteit ten koste van kwaliteit (zetmeelrijk voedsel i.p.v. eitwitrijk wild voedsel), tot meer voedsel en meer mensen, maar zelden tot betere voeding of betere leefomstandigheden. * "Een effectieve en betrouwbare voedselvoorziening was in het verleden even zeldzaam als in de huidige derde wereld." In de oudheid beschikten de meeste staten nog niet over voldoende opslag -of transportmogelijkheden om crises van enige omvang het hoofd te kunnen bieden.

e. Domesticatie van dieren, p. 53.

f. Bevolkingsschatting prehistorie, p. 54.

g. Uitvinding van het wiel, gebruik van metalen, schrift, aardewerk, p. 56-57.

h. Exponentiële groei van de wereldbevolking, p. 118.

i. Toevallige, onbewuste herstelmaatregelen, p. 119.

j. De onvoorstelbare economische injectie die Europa kreeg door de ontdekkingen in Latijns-Amerika, p. 120. Marx was de eerste die inzag dat het goud van Atahuallpa een onmisbare voorwaarde was voor het ontstaan van de industriële productie.

____

donderdag 19 maart 2009

The alt reality Nobel prize in literature

"Imagine a world in which such honors are exempt from pettiness, politics and tokenism. Imagine a Nobel Prize in which the contributions of Proust, Kafka, Nabokov and Joyce are not forgotten. Imagine a Nobel Prize in Literature in which genre writers have a chance. Imagine a Nobel Prize in Literature that doesn't bend over backward to exclude native born U.S. writers (only three honored during the last 52 years!)."

> http://www.greatbooksguide.com/altnobel08.html

____

Bad banana blog

"Ideas, inspiration, ephemera."

> http://www.badbanana.typepad.com/

____

Letteratura Italiana

"I testi qui pubblicati sono tratti dalla Letteratura Italiana Einaudi in 10 CD-ROM."

> http://www.letteraturaitaliana.net/

____

Het goede nieuws verspreiden

Ik [schrijf literaire kritieken] wanneer ik, A, enthousiast raak over een auteur, zoals over Spark of Borges, en ik het goede nieuws wil verspreiden, B, een beschouwing wil schrijven, zoals over de romantische liefde of de theologie van Barth, C, het gevoel heb dat ik ergens niet voldoende van weet, zoals moderne Franse letterkunde, en het accepteren van een recensieopdracht me dwingt om te lezen en iets te leren.
John Updike, in: De ontdekking van de literatuur

____

woensdag 18 maart 2009

Het huis bij de mispelboom - Giovanni Verga

Elk taalgebied heeft wel een klassieker die het lastige bestaan van eenvoudige werklieden behandelt. Na jaren lezen weet ik inmiddels dat al die boeken gelijkaardige elementen bevatten: sterke familiebanden, sterke preoccupatie met geld en grondbezit, een vaag soort vaderlandsliefde, knoestige volksmensen die ongeïnformeerde opinies blaffen tegen elkaar, ontzag hebben voor gestudeerde mensen, wantrouwen koesteren tegen een regering die altijd te ver weg is.

Het huis bij de mispelboom is de Siciliaanse variant in het genre. (Spreken over een Italiaanse variant bij een boek dat speelt in het nog piepjonge negentiende-eeuwse koninkrijk Italië is ietwat misplaatst.) Het oorspronkelijke plan van Giovanni Verga (1840-1922) was een naturalistische romancyclus te schrijven, naar het model van Zola's Rougon-Macquart. Het huis bij de mispelboom is een van de twee boeken die afraakte.

Dat het Verga menens was met het verismo, een meer streekgebonden Italiaanse variant van het naturalisme, blijkt uit zijn thematiek, het eenvoudige Siciliaanse leven van plattelandsbewoners: hijzelf kwam immers uit gegoede middens en woonde een tijdlang in Milaan en Florence.

In Het huis bij de mispelboom verhaalt Verga over een Siciliaanse visserfamilie uit Aci Trezza, een dorpje bij Catania. (Volgens de plaatselijke legende zouden de drie eilanden voor de kust van Aci Trezza de kolossale stenen zijn die naar Odysseus werden gegooid in de Odyssee.) De familie wil na jaren van visserij in opdracht van groothandelaars met een eigen handeltje beginnen. Om de zaak op te zetten wordt het huis bij de mispelboom in onderpand gegeven.

Maar tijdens een storm op zee vergaat de boot van de familie (door Verga grijnzend de Provvidenza gedoopt), de bemanning en een lading op krediet gekochte lupinebonen. Het is het dramatische begin van een reeks miserabele ontwikkelingen die de familie te gronde zullen richten. De moeder en een zoon sterven. Grootvader blaast zijn laatste adem uit in een armenhospitaal. Het gezin moet het huis verlaten. Een kleinzoon wordt met een partij smokkelwaar betrapt en in de cel gegooid.

De personages van Verga voelen niet alleen het overwicht van God de Almachtige, maar ervaren ook de wijze waarop een kwetsbare maatschappelijke positie de mogelijkheden beknot.

Ik ben precies een laag muurtje, waar iedereen op gaat zitten als het hem belieft en dat allemaal omdat ik niet kan praten als een advocaat en mijn geval kan uitleggen.
Het huis bij de mispelboom, overigens verfilmd door Visconti, was me te taai. Dat ligt eerst en vooral aan de barre vertaling. Verga moet het overduidelijk hebben van vinnige dialoog en een van volkse zegswijzen doordrenkt Siciliaans ("Varkensvlees en krijgsvolk bederven vlug") en op dat punt schiet het Nederlands in deze editie hopeloos te kort. Te laat ontdekte ik dat dit boek onlangs een nieuwe vertaling kreeg: De leeglopers.

Voorts verveelde de roomskleurigheid van Het huis van de mispelboom me zeer. Er worden kapelletjes versierd, patroonheiligen vereerd. De katholieke feestdagen zijn de belangrijkste coördinaten van het jaar. Verga's naturalistische aanpak resulteert bovendien in een nogal panoramisch beeld van het dorpje, met te veel gelijkwaardige personages, zonder eentje waar ik echt warm van werd. In zijn roman is er ook niet één verhaallijn die fungeert als scheprad, die de lezer oppikt en ergens anders neergooit. Er is vooral smart. Smart die smartelijk wordt beschreven.
“Och God, het huis bij de mispelboom! Je doet waarachtig alsof het het mooiste paleis van de hele wereld is, omdat je nooit wat anders hebt gezien.”
“Ik weet best dat het niet het mooiste paleis van de hele wereld is. Maar het is niet aan jou dat te zeggen, jij, die er geboren bent en nadat je moeder er niet eens heeft mogen sterven.”
“Vader immers ook niet! Het is ons lot te eindigen als aas voor de haaien. Maar intussen wil ik ook een beetje van het leven genieten, want het heeft geen zin dat ik mijn huid voor niets riskeer. En als je het huis terug zult hebben? En de boot? Wat dan? En de bruidsschat van Mena? En die van Lia? … O, wat ’n vooruitzichten, alle duivels nog aan toe!”
Wel aardig aan de roman, en typisch Zuid-Europees, is dat het leven zich voornamelijk op straat afspeelt, met veel rumoer voor elkeens deur. De setting -- dorp, lavaveld, zee -- is mooi. De zeden en gebruiken van een geïsoleerde gemeenschap zijn puur. Zo maakt een brief van een familielid uit Napels, waarin deze melding maakt van steedse gewoonten, grote indruk. Ook met erotiek gaat Aci Trezza nogal beschaamd om: "De man is het vuur en de vrouw is het stro en de duivel komt en blaast erop."

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Giovanni Verga, Het huis bij de mispelboom
192 p.
Uitgeverij Veen, 1966
Oorspr. I Malavoglia (1881)
Vertaald door André M. Pols

____

dinsdag 17 maart 2009

De bibliotheek van Boudewijn Büch - Frans Mouws

Met Boudewijn Büch (1948-2002) verloor de Nederlandse literatuur haar laatste romantische schrijver. Een maniakale boekenverzamelaar ook, die meer dan 100.000 titels samengebracht in zijn Bibliotheca Didina et Pinguina. Na Büchs dood bleven de rekeningen binnenstromen en dienden er juridische stappen te worden genomen om te voorkomen dat het huis werd leeggehaald. Wat moest men aanvangen met de bibliotheek?

Schenken aan de Amsterdamse universiteitsbibliotheek? Neen, want Büch wou volgens de goede bibliofiele traditie dat zijn bezit opnieuw verspreid raakte, ten behoeve van een nieuwe generatie boekengekken.

De literaire nalatenschap werd uiteindelijk aan het Letterkundige Museum overgemaakt. Een doorsnede van Büchs bibliotheek en verzameling is ondergebracht in het Teylers Museum in Haarlem -- het boek Herkomst : Boudewijn Büch van Bert Sliggers beschrijft een groot deel van die collectie. De artefacten (meubels, kunst...) uit het huis werden door Sotheby's Amsterdam geveild. De boekenverzameling (liefst tweeduizend verhuisdozen) ging onder de hamer bij Bubb Kuyper en werd beschreven in drie dikke catalogi [doorzoekbaar op hun site].

De bibliotheek van Boudewijn Büch was gehuisvest in een statig huis, De Koning van Zweeden genaamd, aan de Keizersgracht 149 te Amsterdam. Hoofdstedelijk interior-consultant Pieter van der Zwan, die zelf een zeventiende-eeuws grachtenpand aan het verbouwen was, hielp hem met de inrichting van het huis. Hij onthult dat de praalbibliotheek nogal wat oogverblinding bevat. Büch en Van der Zwan gingen naar de goedkoopste tegelhandel van Amsterdam en kochten daar tegels van fl 25,- per vierkante meter, om ze wel netjes in een zeventiende-eeuws patroon te leggen. De bekleding van de bibliotheek ziet eruit als mahonie, maar is in feite gebeitst multiplex. En de grote wereldbol die op alle foto's prominent aanwezig is, werd per toeval gevonden bij een Antwerpse antiquair.

In zijn zelfgeschapen universum bleef Büch jarenlang onverzadigbaar de boeken optasten. Tragisch is hoe Büch, die enorme verzameling ten spijt, vooral geobsedeerd werd door boeken die hij niet bezat. Gelezen boeken wonden hem niet op, neen, alleen de deeltjes die niet te vinden waren. Büch was natuurlijk een poseur, die maar wat graag de gekwelde salongeleerde speelde -- "Een van zijn grootste hobby’s was ongelukkig zijn, of laat ik het anders zeggen: doen alsof hij ongelukkig was," aldus intimus Ton Kok -- maar hij scheen ook echt weinig plezier te beleven aan zijn eigenlijke boekenbezit. Büch:

Die seconde van het uitgepakte pakje, van de afhamering en aankoop op een veiling, van die eerste seconde dat je een boek ziet staan in een antiquariaat… Na die ene seconde is het gauw over. Dan begint het gedonder: het niet-lezen, de conservering, de verzekeringspremie, de klimatisering, vreemden die met hun tengels aan je schatten gaan zitten…
Ondanks een grote opruiming literatuur die Büch doorvoerde in de jaren negentig, bleek het huis op het laatst te klein om alles te herbergen. Gert Jan Bestebreurtje, specialist in zeventiende en achttiende-eeuwe reisboeken, memoreert in dit boekje hoe Büch eraan dacht een ruimte naast zijn eigen woning erbij te kopen. Het eerste huis was aan het dichtgroeien, en misschien bood een grote loods buiten Amsterdam een uitweg.

Verschillende intimi gaan er in bedekte termen vanuit dat Büchs vroegtijdige dood eigenlijk een zegen was voor de dwangmatige collectioneur. Het huis barstte uit zijn voegen, Büch vond op het laatst geen koopjes meer; mensen werden minder naïef door prijzenvergelijk op internet. Büch raakte ook meer en meer financieel klem toen hij door problemen met de Vara een groot deel van zijn inkomsten dreigde te verliezen.

De bibliotheek van Boudewijn Büch is het nogal rommelig geschrift van een trouwe fan. Frans Mouws weet zijn materiaal niet te synthetiseren. Het blijft bij veel te letterlijke transcripties van losse interviews. De auteur gaat ook niet in op de samenstelling van de bibliotheek, of desnoods op de topstukken. Bovendien staan er voor een boekje over een pronkbibliotheek bitter weinig foto's in.

Wat we wel krijgen is een sympathiserend portret bij monde van enkele vrienden en antiquaren. Niet dat er echt een nieuw beeld ontstaat, behalve misschien dat Büch bij de meeste handelaren altijd en zonder problemen betaalde en openstaande rekeningen vereffende. Voor de rest komt hij naar voren als de kopschuwe man die we kennen, die bewust afstand hield, niet tegengesproken wou worden, en leed aan onverbeterlijke pseudologica fantastica. Maar dat Büch erop los fantaseerde leek niemand echt te deren. Pieter van der Zwan:
Vanaf het begin was het me duidelijk dat Boudewijn vooral mooie verhalen wilde vertellen, waar gebeurd of niet. Toen hij op een dag vertelde dat hij nu buitengewoon hoogleraar was, reageerde ik net als anders met een of andere dooddoener als: ‘Goh, wat leuk’. Ik heb dat altijd uitgelegd als de wens naar een groots en meeslepend schrijversleven, waarvoor hij vaak verhalen op mij uitprobeerde om mijn reactie te peilen, niet als het manipulatieve Machiavelli-gedrag waarvan hij na zijn dood plotseling vanuit allerlei hoeken beschuldigd werd.
Ton Kok is doortastender, en linkt Büchs fabuleerzucht aan de vele abrupt afgebroken vriendschappen van de schrijver.
Zelf denk ik dat hij, omdat hij zoveel fantasieverhalen vertelde, op een gegeven moment wel moest stoppen met een vriendschap omdat hij dan niet meer wist wat hij verteld had en dan wordt het lastig.
Veruit de grootste waarde van De bibliotheek van Boudewijn Büch zit 'm in het feit dat duidelijker dan ooit aan het licht komt dat die hele Bibliotheca Didina et Pinguina nu ook weer niet zoveel voorstelde, vanuit bibliofiel oogpunt. Ondanks die spectaculaire klimaatkamer, mét vochtregulator. Er zat geen lijn in de verzameling, en zaken van onschatbare waarde ontbreken nagenoeg. Büch kon niet focussen, geen weerstand bieden aan verleidingen. Hij verzamelde alles, desnoods sleepte hij een totaal onbruikbaar Deens biografisch woordenboek naar zijn hol, veertig in leer gebonden delen. Als hij zich in één onderwerp had gespecialiseerd, had hij een hele bijzondere collectie kunnen opbouwen, aldus Ton Kok:
Boudewijn was eigenlijk een soort verslaafde, een junk, een boekenjunk. Als er een uitspraak op hem van toepassing zou zijn geweest, was het deze: ‘het bezit van de zaak is het einde van het vermaak.’
Het ging hem steeds minder om het bezitten en meer om het zoeken, jagen, bijna letterlijk. Uiteindelijk ging het om de boeken die hij NIET had. Daar kon hij echt van wakker liggen, van alles wat hij nog NIET had en nog moest vinden.
Boudewijn was rusteloos, er zat een soort chaos in zijn hoofd. Misschien wilde hij die chaos wel tot rust brengen met behulp van zijn bibliotheek. Boeken kun je netjes naast elkaar op de plank zetten, op kleur, op onderwerp, op alfabet. Je kan er zelf een kunstmatige orde in aanbrengen. Dat hield hij tot het einde toe vol: hoe groter de warboel in zijn hoofd, hoe groter de orde om hem heen.
Veilingmeester Jeffrey Bosch doorprikt trouwens heel relaxt de mythe als zou Büch alles wat hij onder pannen had gelezen hebben, gezien het aantal exemplaren dat nog geseald in de bibliotheek stond. Ook hij is categoriek:
Boudewijns verzameling was geen collectie die het waard was om bij elkaar te blijven. Er zaten wel veel leuke dingen bij, maar een topcollectie was het niet. Omdat niet alles naar handelaren, bibliotheken en musea is gegaan, kon ook de particuliere Büchverzamelaar, boeken van Büch zelf bemachtigen. Als het alleen topstukken waren geweest, had dat natuurlijk nooit gekund. (...) Internationaal gezien was Büchs collectie en zijn eigen schrijven misschien niet van groot belang. Zijn betekenis ligt denk ik vooral in het populair maken van het antiquarische boek en het verzamelen; daar hebben de veiling en de ontmanteling van zijn eigen bibliotheek uiteindelijk ook weer aan bijgedragen.
Terloops wordt in De bibliotheek van Boudewijn Büch dan ook een beeld geschetst van het antiquarische boekenvak. De markt van oude boeken is een beetje aan het teruglopen en dat komt volgens handelaars ook omdat de enthousiaste reclame van Büch achterwege blijft. Literaire schrijvers mogen dan wel steen en been klagen over het afnemen van het aantal recensies in kranten, over non-fictie, wetenschappelijke of antiquarische boeken wordt er helemáál niet geschreven in de boekenbijlage. Antiquaren ondervinden bovendien nogal wat "concurrentievervalsing" op het internet: mensen die boeken verkopen terwijl ze geen echte handel hebben, en niet voor huur of personeelskosten moeten opdraaien.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Büch op Achille : De bril van Buddy Holly
> Boudewijn Büch: Een manisch-depressieve fantast - Rudie Kagie

Frans Mouws, De bibliotheek van Boudewijn Büch
147 p.
Uitgeverij Aspekt, 2008


Toemaatje: Sotheby's Amsterdam maakte kort voor het ontruimen van de bibliotheek een korte videoimpressie van Büchs boekenvertrekken. De dvd werd aangeboden aan de gasten op het 'Boudewijn Büch Commemorative Dinner' op 16 september 2004. De documentaire zoomt vooral in op de architectuur en het meubilair en is daarom een beetje teleurstellend voor de echte boekenliefhebber. Uit dat kwartier beeldmateriaal niettemin een zelfgemaakte best of van anderhalve minuut.



____

maandag 16 maart 2009

De komeet - Bruno Schulz

De handeling van dit kortverhaal gaat terug tot het jaar 1910, toen het verschijnen van de Komeet van Halley de gemoederen beroerde. Een legendarische gebeurtenis, de eerste maal dat men de komeet op foto kon vastleggen. Bovendien beweerden de media, tegen het protest van gevestigde astronomen in, dat de komeet voor emissie van cyanide zou zorgen richting aarde. Schulz doet niets met beide gegevens. Al ademen zijn beschrijvingen de sfeer van de apocalyps uit.

De Poolse schrijver Bruno Schulz (1892-1942) liet een klein maar precieus oeuvre na. Iedereen die dezer dagen zit te genieten van de lyriek in Godenslaap van Erwin Mortier, zou ook eens De kaneelwinkels en Sanatorium Klepsydra moeten doornemen, de beroemde boeken van Mortiers leermeester.

Opvallend in De komeet is het romantische wetenschapsideaal dat Schulz (die zelf nooit zijn studies kunst en architectuur voltooide) er nog op nahoudt. Want de komeet zelf is maar een van de elementen in het verhaal. Mooier aan bod komt de vader van de ik-figuur, en zijn tot mislukken gedoemde wetenschappelijke proefnemingen.

De natuur was wil en oorzaak, de mens niet meer dan een oscillerend pijltje, een spoeltje in een weefgetouw dat nu eens hierheen, dan weer daarheen schoot, zoals het haar beliefde.
1910 is ook de tijd waarin de fiets en de elektriciteit eindelijk een Gallicisch provinciestadje als Drohobycz (toen onder Oostenrijk-Hongaars bestuur, nu deel van Oekraïne) bereiken. Dat maakt indruk. Wetenschappers zijn in Schulz' verbeelding nog genieën, terwijl elk boek over wetenschapsgeschiedenis duidelijk maakt dat wetenschap overwegend bestaat uit aanmodderen. Schulz' opvatting blijkt ook uit de overvloedig-lyrische manier waarop hij de ingebruikname van nieuwe uitvindingen in het dagelijkse leven evoceert. Schulz' beschrijvingen hebben evenveel op met de wetenschappelijke praktijk als Panamarenko met luchtwaardige vliegtuigen.

Bizar: volgens Schulz, lees ik in het nawoord van Gerard Rasch, waren exacte wetenschappers, de "onderzoekers van de materie", zelfs verder verwijderd van het aardse en prozaïsche dan gewone lieden. Er school een bijna dierlijk te noemen leven in de materie en wetenschappers moesten de geheimen daarvan ontfutselen vond-ie. Ook de komeet in zijn boek, zegt Rasch, staat symbool voor de rusteloze, aan onophoudelijke gedaanteverwisselingen onderhevige materie.

De komeet is een elegante pas op de plaats. Het boekje bestaat uit louter beschrijvingskunst, die ook nog eens wisselend van kwaliteit is. Er staan lange, repetitieve zinnen in, die weinig meer doen dan improviseren op hetzelfde thema -- retorica dus, geen literatuur. Maar op een ander moment componeert Schulz dan weer volmaakte, rijkgeschakeerde alinea's.
De maan, die eeuwige transformiste, werkte geheel verdiept in haar late maanpraktijken een voor een haar fazen af, werd lichter en lichter en liet alle poppen van haar préférence zien, doubleerde in alle kleuren. Te vroeg gereed stond ze vaak overdag al terzijde, koperkleurig en nog zonder glans -- een melancholieke boer met een lichtend klaverblad -- en wachtte haar beurt af.
Met bloedend hart vernam ik uit het nawoord dat bijna alle brieven van Schulz -- duizenden zijn er dat -- verloren zijn gegaan. Het lijkt me een genre dat op zijn lijf was geschreven.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Bruno Schulz, De komeet
35 p.
Uitgeverij Signum, 1992
Oorspr. Kometa (1938)
Vertaald door Gerard Rasch
____

Related Posts with Thumbnails