In De essentie van stijl beweert Joan DeJean dat de verfijning van het dagelijkse leven (lees: de omgang met luxe-produkten) diep geworteld is in het laatzeventiende-eeuwse Frankrijk. Als grote instigator ziet zij de ambitieuze koning Lodewijk de Veertiende die met zijn voorkeuren en zucht naar praal een paar generaties Franse ambachtslieden en ingenieurs motiveerde, daarin bijgestaan door de protectionistische minister van Financiën Colbert.
Aan het einde van Lodewijk de Veertiende werden zijn onderdanen overal ter wereld erkend als dé deskundigen op het gebied van stijl en goede smaak en was zijn land een economische missie begonnen: het gaf de toon aan in de handel in luxeartikelen en dat is sindsdien altijd zo gebleven. Maar hoe is dat zo kunnen komen?
Een aantal factoren versterkten elkaar, zegt DeJean. Rond 1700 waren Parijs en Londen vrijwel even groot (ongeveer 550.000 inwoners) en stonden ze op de vierde plaats van grootste steden van de de wereld -- Na Constantinopel, Yedo (het huidige Tokio) en Beijing. Parijs bevatte een enorm reservoir aan vakmanschap talent. Daarnaast was Lodewijk de Veertiende vastbesloten om de Hollanders, toentertijd Europa’s grootste handels-en scheepvaartmacht, te overvleugelen. Zijn minster van Financiën, Jean-Baptiste Colbert, een protectionist, besloot voor zijn land een monopoliepositie op te bouwen in een uiterst lucratieve markt: de handel in luxeartikelen. Hij zorgde ervoor dat alle goederen in Frankrijk werden gemaakt door Franse arbeiders en dat zoveel mogelijk mensen slaafs de voorschriften van de koning gingen volgen.
Dat laatste is trouwens nog altijd het leidende principe in de luxe-industrie: herkenning van merknamen leidt tot naäperij. En als de luxe-produkten te duur zijn, zoekt het snobisme zich een uitweg naar betaalbare afgeleiden van die produkten. Tegenwoordig is het accessoire de ruggengraat van de modeindustrie, en dat is niet zo moeilijk te begrijpen: veel vrouwen kunnen zich eerder een tas van een ontwerper veroorloven dan een japon van een couturier, en de winstmarge op de tas is vele malen groter.
Uiteraard hebben er altijd gradaties bestaan in luxe-artikelen. Kwaliteit is geen Franse uitvinding. Tijdens de Renaissance was bijvoorbeeld Italië de norm voor de betere keuken en kleding. Al die vroegere verschijningsvormen van het goede leven wijken echter op drie wezenlijke punten af van wat er in het zeventiende-eeuwse Frankrijk voor in de plaats kwam, zegt DeJean.
Ten eerste was het minder wijdverbreid: buiten Italië aten of kleedden zich maar heel weinig mensen Italiaans; zelfs binnen Italië drong de nieuwe luxe nauwelijks door tot het leven buiten de hofkringen. Ten tweede is er van die modes tegenwoordig niets meer over, hoewel we wat toen als een geweldig feest of een prachtig kostuum gold nog steeds buitengewoon zouden vinden. En tenslotte: nooit eerder had een stad gedurende langere tijd de dienst uitgemaakt op het gebied van mode en stijl.
De vervaardiging en de handel in luxe-produkten is niet eens de belangrijkste bijdrage van het regime van Lodewijk de Veertiende. Volgens DeJean werkt de invloed dieper door. De Zonnekoning wist een aantal primaire activiteiten in ons dagelijks leven opnieuw te definiëren:
In plaats van alledaagse bezigheden, dingen die nu eenmaal gedaan moeten worden, zijn ze omhooggetild naar de status van plezierig moment waarin we ons graag laten gaan. Veel van de zogenaamde betere dingen in het leven hebben dat dankzij het Versailles-tijdperk kunnen worden, niet iets gewoons maar iets fijners, gebeurtenissen waaraan we esthetisch genoegen beleven.
In een soms babbelzieke stijl, met smaak voor roddel en hofintriges, schetst DeJean het ontstaan van alle luxe-produkten die tussen 1660 en Lodewijks dood in 1715 in de Franse hoofdstad opgeld maakten.
De contemporaine bronnen van de schrijfster omvatten societybladen als
Le Mercure galant van
Jean Donneau de Visé, reisverslagen, zeventiende-eeuwse woordenboeken als die van Pierre Richelet, Antoine Furetière en de Académie Française, en
insight guide nummer één op Versailles,
graaf de Saint-Simon. Daarnaast zijn er ook de reguliere kranten. In de jaren tussen 1652 en 1672 maakte de Franse pers een enorme groei door. Nieuwsbrieven die voorheen als handgeschreven bericht rondgingen werden nu gedrukt, en meer journalisten gingen hun verslagen van actuele gebeurtenissen publiceren. Voordat Lodewijk de Veertiende aan de macht was, deed in Frankrijk maar heel weinig nieuws publiekelijk de ronde.
1. Haute-couture. Mode ontwikkelt zich onder Lodewijk als een industrie: groeiende klantenkring voor haute-couture, geavanceerdere methoden om aan de vraag te voldoen, nieuwe fabricagetechnieken die snel over een groot gebied te verspreiden zijn. Vroeger werd de kleding door persoonlijke kleermakers ontworpen, zodat iedereen er uniek bijliep -- en daar was eigenlijk niets aan. Tot 1650 was er ook niet zoveel verschil tussen mannen- en vrouwenkleren en het kopen van kleren een privé-gebeurtenis, kleermakers kwamen aan huis. De enige reclame bestond uit de paar trendsetters die op chique soirees verschenen. Dat veranderde toen Parijs zich ging richten op topmode en dat druk ging afficheren. Adverteren leidt tot merkherkenning in die mate die groot genoeg is om een industrie in stand te houden. De modepop was het eerste marketinginstrument dat speciaal op een internationale klantenkring gericht was. Daarna ontstonden
gravures de mode (modeprenten). Reclame mikte niet op de vrouwen die de nieuwste Parijse trends met hun eigen ogen konden zien, maar op provinciale droomstertjes à la Emma Bovary. In 1680 werd het voornaamste argument in de modemarketing geïntroduceerd: de modeseizoenen.
2. Schoenen. De herenmode van Lodewijks dagen legde de nadruk op de benen, zodat schoenen voor mannen, hoewel die voor de rest weinig verschillen vertoonden met vrouwenschoenen, veel rijker versierd waren. Het accent lag op de details. Lodewijk had een voorliefde voor hoge hakken -- 'de Louishak' werd een nieuwe mode. Schoenen werden gemaakt van brokaat, zijde en satijn. Waterdichte schoenen werden pas in de negentiende eeuw gemeengoed.
3. Het kapsalon. Vóór Lodewijk de Veertiende waren op het terrein van de haarverzorging de seksen strikt gescheiden. De eerste barbiers waren medici, voorlopers van de huidige dokter. De behoeften van vrouwen werden vervuld door hun kamenierster, binnenskamers. In de coiffure werd vaak textiel verwerkt, het kapsel werd beschermd met een kapje (coiffe). Onder invloed van een zekere Champagne onderging de haarstyling een revolutie: coiffures en pruiken moesten voortaan makkelijk herkenbaar zijn als de unieke creatie van een bepaalde ontwerper.
4. Gastronomie. Een mijlpaal is de publicatie in 1651 van
Le cuisinier français. Het kookboek van
Varenne zette de culinaire revolutie in gang die uitmondde in de gastronomie. Koken en eten werd niet langer beschouwd als een noodzakelijke kwaad maar als iets wat zich leende voor verfijning. Varenne leerde hoe je fundamentele technieken systematisch kon combineren. Door de vele kruisverwijzingen is zijn kookboek geen samenraapsel van losse recepten. Twee jaar later verscheen anoniem
Le pâtissier français, over alle soorten gebak. Oosterse specerijen -- nootmuskaat, kaneel, gember -- die in de middeleeuwse bereidingswijzen in heel Europa de overheersende smaakmakers waren geweest, werden vervangen door inheemse kruiden -- peterselie, tijm, bieslook, sjalotjes. Zout en peper overheesten, zoete gerechten verschoven naar het einde van de maaltijd -- het dessert. Door de opmars van het gebruik van boter in de keuken gingen sauzen een belangrijke rol spelen. Rundsvlees verving wild op tafel. Belangrijkste culinaire uitvinding in de zeventiende eeuw: die van de hogedrukpan. De voornaamste huizen hadden mannen om de keuken te bestieren, geen vrouwen. Een categorie traiteurs begon geleidelijk aan met een eenvoudiger versie van wat bij de hoge heren plaatsvond, eerst thuis, daarna op locatie: de opkomst van het restaurant. Voor de komst van de haute cuisine was er geen aparte eetkamer.
5. Koffiehuizen. Rond 1640 werd koffie voor het eerst geschonken, in particuliere huizen, toen Franse reizigers als souvenir uit de Oriënt koffiebonen meenbrachten en de nieuwe exotische drank voor hun vrienden maakten. In 1650 werd het eerste publieke koffiehuis geopend, in Oxford. In Parijs sloeg de formule niet aan, toen men daar in 1675 het eerste Franse koffiehuis opende. Het Engelse opzet (het was er behoorlijk vies en er werd ook bier gedronken) werd snel verlaten en door pionier Francesco Procopio vervangen door een klassevol café, dat wel aansloeg. Onder Lodewijk de Veertiende was er in Frankrijk alleen maar Arabisch koffie te krijgen. In de tijd van het Regentschap kwam er dankzij de Oosterse Compagnie ook koffie uit India het land binnen. Later in de achttiende eeuw, kwam er vooral vraag naar koffie uit de Caribische kolonies.
6. Diamant. Alleen de Fransen hebben twee woorden nodig om de
joailliers, de grootste kunstenaar in de juwelenwereld, te onderscheiden van de
bijoutiers, gewone handwerkers. Vóór de zeventiende eeuw dacht niemand ooit aan diamanten. In een paar geschriften uit de Renaissance staan ze wat betekenis betreft op de achttiende plaats, ruim na robijnen, saffieren en natuurlijk de edelsteen die in de Renaissance alle stenen in zijn schaduw stelde: de parel. Lodewijks honger naar diamanten zorgde er echter voor dat de relatief onbekende diamant de parel helemaal overvleugelde.
7. Straatverlichting. Voordat Lodewijk de Veertiende aan de macht kwam, schitterden steden niet na de schemering. Ze waren in totale duisternis gedompeld, zodat de straten van de stad maar moeilijk met enige vorm van amusement in verband konden worden gebracht. Lodewijk besefte dat Parijs nooit aan zijn ambities zou beantwoorden en de nieuwe hoofdstad van luxe glamour kon worden voordat de stijl die de stad overdag uitstraalde ook ’s nachts kon bestaan. Hij stelde
Nicolas de La Reynie aan als burgemeester/hoofdcommisaris van politie die de vaste verlichting in de stad introduceerde in plaats van de losse fakkeldragers. Dit betekende een
boom van het nachtleven en een navenante omzet voor de handelszaken. De wegen werden geplaveid, de uithangborden moesten aan een aantal uniforme eisen voldoen, de eerste boulevards werden aangelegd. Tussen 1670 en 1700 ontstond er een hausse in reizen naar Parijs. Voorheen waren het alleen diplomaten, pelgrims en avonturiers die flinke reizen maakten -- bijna niemand kwam ooit op het idee om naar een buitenlandse stad te gaan enkel en alleen om er de bezienswaardigheden te bekijken en de plaatselijke genoegens te beleven.
8. Spiegels. Tot de zestiende eeuw waren er weinig mensen die zelfs ooit maar een glazen spiegel hadden gezien, laat staan zichzelf hadden bekeken in een spiegel. De Venetianen luidden het gouden tijdperk van de spiegel in toen ze laat in de vijftiende eeuw de kunst ontdekten om helder, kleurloos glas te vervaardigen in plaats van het groenige glas dat ze tot die tijd maakten. In het begin van de jaren zestig van de zeventiende eeuw, toen Lodewijk de Veertiende voor het eerst de mogelijkheden inzag die de spiegel bood voor de inrichting van het interieur, kwamen alle spiegels uit Venetië en de grootste die ooit was geproduceerd was maar 71 centimeter hoog. Onder invloed van Colbert ontwikkelden Franse spiegelmakers een nieuwe technologie: spiegels werden niet langer geblazen, maar gegoten.
9. Parfum. Tijdens de hele Renaissance en tot het begin van de zeventiende eeuw was Italië de marktleider op parfumgebied: pastilles die moesten verbrand worden, potpourri, aromatische poeders of zeep, geparfumeerde handschoenen, you name it. Geen van die dingen was een zeventiende-eeuwse uitvinding. Maar toen in de zeventiende eeuw de productiemethoden moderner werden, waren de Fransen erbij. Schoonheidsrituelen (het maken van de
toilette) werden populairder door de verkrijgbaarheid van spiegels. Onder leiding van de Franse Oost-Indische Compagnie werden er geurstoffabrieken opgericht op de Franse eilanden. Lodewijk de Veertiende kreeg alleen maar migraine en opvliegers van parfum, zodat dit een tak was die hij verhoudingsgewijs niet erg stimuleerde. Zodoende waren de Fransen waren niet de eersten die de sterk geconcentreerde alcohol distilleerden die nodig is bij de moderne parfumbereiding of de techniek beheersten waarmee deze alcohol in contact met de bloemen werd gebracht. Dat gebeurde in Keulen door Gian Paolo Feminis (eau de cologne). In 1884 kocht een Frans concern wél het familiebedrijf over.
10. De paraplu. Tot laat in de zeventiende eeuw fungeerden parasollen (aparte paraplu's bestonden nog niet) als statussymbool. Ze waren zwaar en onhandelbaar, en werden vooral toevertrouwd aan bedienden. Tegen de regen beschermde men zich liever met hoeden met een brede rand, of met zware capes. Pas op het einde van de zeventiende eeuw kwam de paraplu, met het mechanisme om hem op te vouwen als een bevrijding. Dames kregen er een bepaalde graad van onafhankelijkheid door. Lodewijk verleende zijn koninklijk privilege aan de uitvinder, te vergelijken met onze moderne patenten.
11. Champagne.
Dom Pérignon (1639-1715) mengde druiven van verschillende wijngaarden, verschillende kwaliteit en verschillende gradaties van rijpheid, want hij wist dat de wijn veel meer schuimde als de druiven waren geplukt voordat ze helemaal rijp waren. Tevens had hij als eerste door dat een tweevoudig fermentatieproces essentieel is om gewone wijn in mousserende wijn te laten veranderen. De Spaane kurkindustrie heeft Pérignon lang vereerd als degene die haar op de kaart heeft gezet toen hij ontdekte dat er kurken nodig waren om de champagne bruisend te houden.
12. De winkelervaring, meubelen, antiek en woningdecoratie. Vóór de jaren zestig van de zeventiende eeuw was de verzamelwereld klein en privé. Toen vond, rond 1665, een revolutie op winkelgebied plaats: de koopwaar werd anders uitgestald en een nieuw genre artikelen werd aangeboden. Er ontstond openlijke competitie en beurzen waar kostbaarheden naast elkaar werden gepresenteerd. De koopwaar vond zijn weg van het privé-museum naar woonkamers overal in Europa. Tot de zeventiende eeuw bloeide de middeleeuwse traditie van jaarmarkten (zoals de Foire Saint-Germain) over heel Europa. Maar toen maakte de primitieve kermisachtige ambiance van de jaarmarkten plaats voor de oervorm van het kopen in boetieks, maar dan in openlucht: markthandelaren boden een zo chique mogelijke winkelervaring aan met elegante standjes en verfijnde koopwaar. Ze maakten van deftig inkopen doen een vrolijk winkeltheater. Modes: oriëntaalse stijl,
lachinage, japannerie. Specialiteit van de Franse
ébénistes (schrijnwerkers): vernissen, ingewikkeld inlegwerk en vergulden.
Na de prettige lectuur van
De essentie van stijl blijft vooral de twijfel knagen. Kan één man zo'n grote impact hebben op de cultuurgeschiedenis, of hebben we hier te maken met een hoogleraar die haar vakgebied overschat? Is zij selectief geweest in haar keuzes om een mooi coherent boek te kunnen schrijven? De link met Lodewijk de Veertiende is soms toch wat vaag. En wat met andere aantoonbare luxe-produkten als dure vervoermiddelen, sigaren, horloges, chocolade, thee, whisky, geraffineerde tuinarchitectuur, kant?
[afbeelding:
Café Procope heden ten dage]
> lees een fragment uit dit boek op
Prins van Denemarken> beknopte, selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
Joan DeJean, De essentie van stijl
336 p.
Uitgeverij Mouria, 2005
Oorspr. The essence of style : how the French invented high fashion, fine food, chic cafés, style, sophistication, and glamour (2005)
Vertaald door Sonja van Wierst
____