zaterdag 28 februari 2009

Verzoening - Philippe Besson

Waar Besson zich in andere boeken nog moeite getroost een originele invalshoek te vinden, is Verzoening een traditionele Franse liefdesroman. Een handvol lange brieven van een Parijse journaliste (ze weet niet eens wat het woord 'Hauptbahnhof' betekent) die in het buitenland haar wonden likt na een voorbije relatie. Werkelijk zonder schaamte serveert Besson de lezer een kitcherig rijtje kuuroorden: Havana, New York, Venetië, de Oriënt-Express, Parijs.

Verzoening heeft minder pretenties dan eerder werk, en heeft een paar aardige momenten. Een vrouw die de grens oversteekt om een schuilplaats te zoeken, de zon te voelen, de zee te zien, een tijdsverschil te ervaren, een land te hebben waarvan zij de taal niet spreekt -- het laat me niet onberoerd. Al vroeg beseft ze:

De herinnering remt herstel juist af.
Wat natuurlijk niet betekent dat ze niet aan die lust tot herinneren toegeeft. Het is het enige onderwerp van Philippe Besson, waar moet hij anders over schrijven? Alle opmerkingen die ik eerder maakte, met betrekking tot de manier waarop zijn personages met het verleden omgaan, zijn onverminderd van toepassing op Verzoening.

De roman heeft een gelijkmatige toon, wat een kwaliteit is voor een schrijver, maar behandelt het onderwerp al even gelijkmatig, wat juist een gebrek is, omdat het de geloofwaardigheid in de weg staat. Door een keurige, complete studie te schrijven over liefdesverdriet in al zijn aspecten, krijgt het boek zo'n bedachte indruk. Besson moet eens een paar speerpunten kiezen, en daar grondig op doorgaan.

Om een idee te geven van wat er gebeurt als een auteur niet zijn toevlucht zoekt in de werkelijkheid, maar in idées reçues over hoe liefde dient aangekaart in literaire romans, de hiernavolgende passage. Welke ervaren lezer kan zijn pap koelen met een orgasme, als volgt beschreven?
De allereerste nacht dat ik je zag klaarkomen, waarom zou ik het daar niet over hebben? Er was die opgewondenheid van je adem, je behoefte mijn mond te kussen, het schokken van je lichaam, en vooral, op de precieze seconde van het genot, die verkramping op je gezicht, iets kinderlijks plotseling, en dus ontwapenend, het ontsnapte je, je kunt niet weten wat voor uitdrukking dat is, ik heb nooit gedurfd die voor je te beschrijven, iets als een verrukkelijke zenuwrilling, maar ook een soort van verlegenheid, van verontschuldiging, moest ik daar onbeholpenheid of schroom in zien? En daarna je onmiddellijke vermoeidheid, een vrolijke uitputting, je opluchting, de glans van je ogen in het donker.
Soit, al bij al ben ik tevreden over mijn experiment van afgelopen week. Serieel lezen, alle boeken van een auteur in a row, doet me beter de hoofd- van de bijzaken scheiden in mijn logjes. Het is bij uitstek een manier om mediocere schrijvers te lezen, of schrijvers die me maar matig interesseren.

Een vorm van zelfbescherming is het ook. Na tien jaar intensief lezen ben ik nog altijd niet in staat om schrijvers van het tweede plan rücksichtslos terzijde te schuiven. De nieuwsgierigheid wint het steeds. Alleen maar meesterwerken lezen stompt af. Wie veel leest moet voldoende bulk verstouwen om de kwaliteit van vakmensen te kunnen blijven appreciëren. Gewenning treedt snel in, helaas.

Daar tegenover staat dat niets zo moeilijk is als het becommentariëren van matig werk. Om maar te zwijgen van de loomheid die je overvalt wanneer je je moet verdiepen in ongeloofwaardige plots.

Het uptempo lezen van een gans oeuvre lost een aantal van die problemen op. Je kan verbanden leggen. Je krijgt een klaardere kijk op de werkwijze en obsessies van een schrijver. En omdat de schrijver een soort logé wordt die je een weekje te slapen legt bij je thuis, zonder veel verdere verplichtingen, maakt rancune geen kans. Bovendien blijft het altijd leuk om de tekortkomingen in een boek nauwkeurig aan te duiden -- het plezier van de dartsspeler die recht in de roos mikt.

Er zijn ineens tientallen schrijvers die ik op deze manier zou willen lezen. Het kortere proza van Boon, het beschouwend werk van Yourcenar. Wordt vervolgd.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Philippe Besson op Achille

Philippe Besson, Verzoening
181 p.
Uitgeverij Anthos, 2008 bessonkey
Oorspr. Se résoudre aux adieux (2007)
Vertaald door Martine Woudt

____

Franz Kafka, Bilder aus seinem Leben - Klaus Wagenbach

Op de middelbare school werd letterkunde onderwezen op een volkomen ontmenselijkte manier. Alsof schrijvers geen burgerleven hadden, en alleen maar geboren waren om meesterwerken te schrijven en in handboeken te belanden. Kafka lezen als tiener was in contact komen met een mastodont uit de prehistorie. Nu zie ik een mens, en voelt hij bijna aan als een tijdgenoot. Een besef dat moet rijpen met de jaren.

Dit boek had dat proces kunnen bespoedigen. Klaus Wagenbach stelde met Franz Kafka, Bilder aus seinem Leben een subliem fotodossier samen, uitgegeven in een nobel, vierkantig formaat, dat de leefwereld van de schrijver oproept in al zijn veelvormigheid. Ik heb er al heel wat tijd mee doorgebracht -- langzaam maar zeker komt Kafka los van het encyclopedische lemma, om daar nooit meer tot gereduceerd te kunnen worden.

Er staan vakantiekiekjes in, paginagrote diploma's, een handgeschreven cv, afbeeldingen van de sanatoria waar Kafka in zou belanden, straatbeelden van contemporain Praag (met synagogen, fabriekspanden en exquise feestgelegenheden), droedels van de schrijver, foto's van mensen uit zijn omgeving, noem maar op.

De huizen van Kafka kennen we nog van dat andere boekje. Je merkt ook dat Wagenbach voor Kafka's Praag deels de teksten uit dit boek heeft gerecycleerd.

Het boek sluit af met 'Stationen', een dubbelpagina met vooraanzichten van de schrijver. Kafka toont zich ineens veel kameleontischer dan die paar overbekende, icoonmatige fotos doen uitschijnen.


Kafka's derde boek, Die Verwandlung (De gedaanteverwisseling), geschreven in 1912, verschenen in 1915 als themanummer van het tijdschrift Der Jüngste Tag.




De schrijver en zijn zussen. Franz, 27 jaar oud; Elli (Gabriele), 21 jaar oud; [onder:] Valli (Valerie), 20 jaar oud; Ottla (Ottilie), 18 jaar oud.




Met verloofde Felice Bauer in Boedapest, juli 1917.




De laatste foto, 1923 of 1924.


> meer over fotografie op Achille

Klaus Wagenbach, Franz Kafka : Bilder aus seinem Leben
191 p.
Uitgeverij Verlag Klaus Wagenbach, 1983

____ fotokey

Kafka's Praag - Klaus Wagenbach

Kafka's Praag is een sympathiek koesterboekje, net als zijn Duitse en Engelse tegenhanger uitgegeven met een smalle, karmijnrode kaft. Ten behoeve van de hedendaagse reiziger somt het alle plekken op die een rol van betekenis speelden in Kafka's leven. Dat zijn er nogal wat. Alleen al diens verblijfsplaatsen zijn niet op één hand te tellen. Kafka verhuisde vaak, omdat zijn ouders het aan hun stand verplicht waren groter te gaan wonen, omdat zijn rusteloosheid hem daartoe dreef, of omdat hij weer eens op de vlucht moest voor burengerucht en nachtlawaai.

Kafka's Praag werd samengesteld door Klaus Wagenbach, oprichter van een kleine, fijne uitgeverij en al sinds zijn doctoraalscriptie in de ban van de Tsjechische meester. Maar in zijn veneratie schreef Wagenbach een nogal brave tekst. Het begint al in de ronkende openingsregels, waarin de auteur niet lijkt te beseffen dat hij in de opsomming zijn eigen stelling ondermijnt.

Franz Kafka, wiens koel, woordenarm en toch ‘Kleistisch’ proza, wiens literaire beelden -- van de declamerende aap of van de van gedaante verwisselde Samsa, van de landmeter of van de strafkolonie -- en wiens expertises van de macht sinds het midden van de twintigste eeuw zo’n duurzame invloed hebben gehad op bijna alle literatuur van de wereld, heeft zijn geboortestad Praag in de korte tijd van zijn leven (1883-1924) nauwelijks verlaten: verschillende dienstreizen, enkele studiereizen, vele verblijven in sanatoria, een half jaar in Berlijn en enkele maanden op het Boheemse land -- dat was alles.
Veel had ik aan de korte toelichting die Wagenbach gaf bij de gespleten identiteit van Praag. Ten tijde van Kafka (rond 1910) was Praag na Wenen en Boedapest de op twee na grootste stad van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie onder keizer Franz Joseph, met 230.000 inwoners. Door de sterke toestroom van Tsjechen was de ooit overwegend Duitse stad een bijna geheel Tsjechische stad geworden, met een minderheid van 32.000 Duitstaligen, waarvan meer dan de helft joden. In het centrum, het binnenste district waar ook Kafka woonde, werd vooral Duits gesproken ("dialectvrij, woordenarm" dixit Wagenbach), in de rest van de stad bijna uitsluitend Tsjechisch.

De vijf procent Duitsers waartoe Kafka behoorde bestond voornamelijk uit gegoede conservatieve burgers (directeuren, fabrikanten, hoge officieren) die onevenredig veel culturele faciliteiten te hunner beschikking hadden (theaters, een concertgebouw, vele scholen, twee dagbladen). De onderlaag was Tsjechisch, nationaal-democratisch, of zelfs nationalistisch. Vechtpartijen tussen scholieren uit beide groepen waren gebruikelijk. De universiteit was gesplitst in een Tsjechisch en Duitse tak. "Het rijke culturele leven," schrijft Wagenbach,
kon de onzekere politieke situatie evenwel nauwelijks verhullen: de van het overwegend nationalistische Duits-Boheemse platteland komende studenten ageerden tegen de liberale burgerij, de arbeiders tegen hun kapitalistische uitbuiters, de Tsjechen tegen de economische en politieke overheersing van de Duitsers.
In oktober 1918 werd uiteindelijk de republiek Tsjecho-Slovakije uitgeroepen, met Praag als hoofdstad.

Gelardeerd met citaten uit de brieven leert Wagenbach ons de huizen kennen van Kafka, welk werk daar gestalte kreeg, wat 's mans favoriete wandelroutes waren, waar zijn uitgaansleven zich afspeelde. Frappant: Kafka woonde voor het eerst alleen toen hij eenendertig jaar was. Ik keek ook op van het feit dat hij eerst het begin –en het slothoofdstuk schreef van Het proces en daarna pas het middendeel. Kafka had altijd meerdere literaire projecten lopen -- een roman, kortverhalen, een hoofdstuk van een tweede roman.

Het meest interesseerde me het beroepsleven van de schrijver. Na zijn rechtenstudie aan de keizerlijk-koninklijke Karl-Ferdinands-universiteit, het voorgeschreven ‘gerechtsjaar’, en een jaar bij verzekeringsmaatschappij Assicurazioni Generali, werkte Kafka tot aan zijn vervroegde pensioen op de Arbeiter-Unfall-Versicherungs-Anstalt für das Königreich Böhmen in Prag.
Kafka’s werkzaamheden bestonden in het begin uit het indelen van de bedrijven in de verschillende ‘gevarenklassen’ in combinatie met de dienovereenkomstige controlebezoeken in de ondernemingen, later in het opstellen van de beroepen tegen bezwaren van ondernemers, in het vertegenwoordigen van de maatschappij voor het gerecht (vordering tegen het ontduiken van bijdragen, eis tot schadevergoeding) en in zijn bemoeienis met de ongevallenpreventie.
In de verzekeringsmaatschappij werkten zo'n 250 ambtenaren. De leiding was in handen van Duitse ambtenaren, de overige ambtenaren spraken Tsjechisch. Onderstaande afbeelding hoort bij een preventiemaatregel bij houtschaafmachines die door Kafka werd opgesteld.



Wat me stoorde is de respectueuze toon die Wagenbach aanslaat. Hier spreekt duidelijk een fan, wat aanstekelijk is, maar -- en ik spreek voor mezelf -- voor je het weet ontstaat er zo'n klef, romantisch beeld van Kafka-de-gekwelde-artiest.

Kafka wás geen hongerkunstenaar. Hij kwam uit gegoede middens. Dat hij als een van de weinige kinderen thuis een eigen kamer had, maakte zijn schoolkameraden jaloers. Hij kon zonder problemen studeren. Zijn betrekking bij de verzekeringsmaatschappij (à zes en een half uur werken per dag) liet hem ruimschoots toe te schrijven. Met zijn 1.82m is hij ook groter dan je geneigd bent 'm voor te stellen.

De uitlatingen die Wagenbachs biootje moeten adstrueren, werken het cliché in de hand. Kafka's Brieven aan Felice en Milena laten maar een deel van het verhaal zien. Wie de correspondentie met Max Brod leest, Een vriendschap in brieven, schrikt meermaals van Kafka's agressieve, arrogante en zeker ook vrolijke kantjes. Ik meen me zelfs passages over bordeelbezoek te herinneren. Daarom was ik ook zo verbaasd over die heisa afgelopen zomer.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Klaus Wagenbach, Kafka's Praag : een reisleesboek
126 p.
Uitgeverij Byblos, 2000
Oorspr. Kafkas Prag : ein Reiselesebuch (1993)
Vertaald door Theo Dautzenberg
____

Een onbewaakt ogenblik - Philippe Besson

Man begaat onvergeeflijke misdaad tegenover een familielid, wordt door de maatschappij gestraft, en keert na jaren gevangenis terug naar zijn dorpsgemeenschap. Wordt hem ook daar absolutie geschonken? Yep, zelfs voor beginnende formalisten zou het een koud kunstje moeten zijn om de morfemen van Vladimir Propp te detecteren in Een onbewaakt ogenblik. Ik nader het einde van mijn leesweek rond Philippe Besson en ben daar niet echt rouwig om.

Ik ben het statische gemijmer in zijn boeken beu, het scheutig gebruik van witruimte, zijn passieve personages.

De gevoelerigheid die de mannen en vrouwen van Philippe Besson tentoon spreiden, hun zogenaamde warmte, is die van een broeikas. Ze zijn introvert, mompelen binnensmonds, kunnen alleen maar terugblikken op wat was en bedwelmen zichzelf met die herinneringen.

Het verleden lijkt hun enige bezit. Zelden stellen ze nog een daad van betekenis na het punt waarop de auteur het actuele verhaal laat beginnen.

Oké, het is niet al kommer en kwel. In zijn beste momenten doet Besson me denken aan Jens Christian Grøndahl, ook zo'n romancier met een fijne toets. Maar het verschil met de Deen is: Besson is niet bij machte drama te creëren.

Daarom denkt hij, bij gebrek aan drama, mijn aandacht te kunnen vasthouden door met mondjesmaat prijs te geven wat er in het verleden gebeurde. Alleen, na een paar romans expertise kan ik rond pagina veertig min of meer voorspellen wat er komt. Besson levert puzzels af met te weinig stukken. Met te grote stukken. En hij herhaalt zichzelf. De barman, de verdrinkingsdood en de zee.

De poëzie van zijn zinnen doet in Een onbewaakt ogenblik meer dan ooit machinaal aan. Het is een trucje. Je beschrijft alles in zo algemeen mogelijke termen, in de hoop dat het archetypische er doorheen schemert.

Natuurlijk is niemand vergeten dat de mannen me op een dag zijn komen halen, dat ze me ver van de stad hebben weggevoerd, dat er ver van de stad jaren zijn verstreken. Het is een ander die bij hen terugkomt. De mensen van hier, degenen die niet vertrekken, die nooit zullen vertrekken, denken dat je wel een ander moet worden als je ver van hen wordt weggevoerd. Zíj hebben gelijk.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Philippe Besson op Achille

Philippe Besson, Een onbewaakt ogenblik
182 p.
Uitgeverij Ambo, 2006 bessonkey
Oorspr. Un instant d’abandon (2005)
Vertaald door Martine Woudt

____

vrijdag 27 februari 2009

De ontdekking van de literatuur - Joost Zwagerman (samenst.)

In mijn apenjaren, toen de wereldliteratuur er nog bij lag als een onmetelijke vlakte die wachtte om door mij betreden te worden, had ik een boek als dit, vol dieptegesprekken met vooraanstaande schrijvers, in een avond of twee uitgelezen. Maar inmiddels weet ik dat je het geheim van het schrijven hoogstens benadert met een omtrekkende beweging. Zelfs in de interviews met de achtenswaardige Paris Review gaat het vaak over de randcondities van het vak.

In welke omgeving schrijft de schrijver het best? Hoe ziet zijn dagindeling eruit? Hoe stelt hij zich zijn ideale lezer voor? Hoeveel kladversies maakt hij? Dat soort vragen. Uit de antwoorden die volgen zijn er weinig algemene wetmatigheden te puren. Voor elke schrijver werkt het blijkbaar anders.

Hoewel. Hard werken, meerdere versies maken, die een tijdje wegleggen, en veel herschrijven, dat refrein komt altijd terug. (Hemingway herschreef de laatste pagina van Afscheid van de wapenen wel negenendertig keer.) Ook een courant advies: stop met schrijven als je weet hoe je de volgende dag verder moet. Herlees 's anderendaags wat je al hebt, zo kom je terug in het ritme, en ga dan verder.

The Paris Review is een Amerikaans literair magazine dat vier keer per jaar verschijnt en kantoor houdt te New York. Het blad werd opgericht in 1953 te Parijs door William Pène du Bois, Thomas H. Guinzburg, Harold L. Humes, Peter Matthiessen, George Plimpton en John P. C. Train, en verwierf gaandeweg een ijzersterke reputatie inzake het lange, doorwrochte schrijversinterview. Om een idee te geven wat een rijkdom dat de voorbije halve eeuw heeft opgeleverd: van de meer dan driehonderd gesprekken kon Joost Zwagerman er amper twintig selecteren voor dit dikke boek.

Een typisch Review-gesprek verloopt in meerdere sessies, gebeurt vaak voor een deel schriftelijk, en wordt achteraf door de ondervraagde schrijver altijd grondig nagezien ("collaboration, not confrontation", in de woorden van Philip Gourevitch, een van de huidige redacteuren). Zeggen dat een doorsnee literair interview van bij ons er schril bij afsteekt, is daarom niet geheel eerlijk.

Van de andere kant laat The Paris Review wél zien hoe waardevol het genre is, als je er genoeg tijd en zorg aan besteedt. De enige voorwaarden voor een goed gesprek lijken een beetje geluk, een bladzijde of twaalf publicatieruimte én een grondige voorbereiding: een interview bij de Review gaat steevast over het gehele oeuvre so far, en de vragenstellers lijken dat ook echt integraal gelezen te hebben.

Elk gesprek in De ontdekking van de literatuur vangt aan met een knap stukje sfeerschepping, waarin de omstandigheden van het gesprek worden toegelicht, de schrijverscarrière in vogelvlucht wordt geschetst en 's mans manier van spreken wordt opgeroepen.

Vlak onder dit minzame uiterlijk leeft een nietsontziende concentratie en geestelijke roofzucht; alles is van zijn gading, geen vaagheid wordt geduld, meningsverschillen worden gretig aangegrepen en niets wat nuttig zou kunnen zijn blijft ongebruikt. [Hermione Lee over Philip Roth]
De hoge kwaliteit van het interview zelf wordt bepaald door de hoge kwaliteit van de antwoorden, zo simpel ligt het. Want de vragen zijn merkwaardig eenvoudig. Door welke schrijvers werd u beïnvloed? is een klassieker. Wat was de kiem voor uw laatste boek? Hoe groot is het aandeel autobiografische elementen in uw werk? Welke tijdgenoten leest u? Hoe hebt u uw geliefde vorm (roman, verhaal, poëzie, essay) gevonden? Wat doen recensies met u? Wat is de rol van het experiment in uw boeken?

De antwoorden van de schrijvers komen in alle maten, gewichten en strekkingen, en dat maakt De ontdekking van de literatuur tot een boek waar iedereen iets mee kan. Als manier om een auteur te leren kennen schiet het te kort (negentig procent van de communicatie bestaat uit lichaamstaal, remember), maar aspirant-schrijvers kunnen zich warmen aan het georakel van de meesters van hun gading en daar voldoende zelfvertrouwen uit putten. Orhan Pamuk heeft gloedvol geschreven over dat fenomeen.

Uit de hoogtepunten van De ontdekking van de literatuur noem ik het volgende. Burroughs over drugs (p. 42) en over de cut-uptechniek (49). Hemingway die het groepsgevoel van de Parijse kunstenaarskolonie van de jaren twintig relativeert (93). McCarthy over de stem van de auteur (134) en over haar linkse politieke achtergrond. Miller over het moment waarop hij het geliteratureluur achter zich liet (147) en over de ongebruikte mogelijkheden van de film (159). Bellow over intellectualiteit in de Amerikaanse roman (210). Het levendige interview met Kerouac, die ter plekke een gedicht schrijft (244) en over het koortsachtige ontstaan van On the road en The subterraneans (236) praat. Updike over de autoriteit van de auteur (273) en de bloedarmoede in de hedendaagse literatuur zodra het gaat om de manier waarop de wereld functioneert, behalve dan de academische wereld. Het pittige interview met Vidal, onder meer over Hemingway (304). Malamud over de zoektocht naar een onderwerp (315). Vonnegut over het bombardement op Dresden (333). Roth over Portnoy's klacht (401), de inwerking van de omgeving (406) en de trivialisering van de westerse maatschappij (412). Irving over het incasseren van kritiek (419). Auster over het belang van notitieboekjes (499) en over de anekdote als vorm van kennis (505).

Inderdaad: in de hoop dat er nog vervolgdelen komen, heeft Zwagerman dit keer alleen Amerikaanse auteurs opgenomen. Voor mij was dat jammer. Er zijn weinig Amerikaanse auteurs voor wie ik duidelijke sympathie voel. Bovendien miste ik in de selectie een aantal favorieten: John Cheever, Isaac Bashevis Singer, Toni Morrison, James M. Cain, Elizabeth Bishop, Arthur Miller.

Opvallend is dat de interviews met de auteurs die mij liggen (Roth, Updike, Auster) me alleen maar sterken in die overtuiging. Van de overige schrijvers had ik ook altijd wel iets gelezen vooraf, maar wat ze nu zeiden over hun boeken maakte niet nieuwsgierig naar meer. Op DeLillo na misschien. Toch denk ik erover die bloedmooie Amerikaanse bloemlezingen te kopen -- omdat het zo'n complete gesprekken zijn, met verstandige mensen.

Leerzaam waren overigens al die in Europa minder bekende schrijvers waar de oude garde uit de jaren zestig en zeventig naar refereerde: een selectieve lijst daarvan staat in de commentaren hieronder.



Rest me alleen nog een beknopte bloemlezing, met een voorkeur voor de algemeen geldige uitspraak -- alles bij elkaar een mooi schrijvershandboekje.


Faulkner over thema's:
Shakespeare, Balzac en Homerus hebben allemaal over dezelfde dingen geschreven en als ze nog duizend of tweeduizend jaar hadden geleefd, dan hadden de uitgevers verder niemand nodig gehad.
Faulkner over het doel van kunst:
Het doel van elke kunstenaar is het met kunstmatige middelen vangen van beweging, dat wil zeggen: van het leven, en het zo op z’n plek te houden dat het, als een vreemde er honderd jaar later naar kijkt, weer beweegt omdat het het leven is.
Burroughs over zijn collagetechniek:
Cut-ups zorgen voor nieuwe verbanden tussen beelden en daarmee blijft het bereik van je visie zich uitbreiden.
Capote over inspiratie:
Goddank, want die verrassing, de wending, de zin die op het juiste moment uit het niets komt, is het onverwachte dividend, dat heerlijke, kleine duwtje dat een schrijver gaande houdt.
Hemingway over de kunst van het weglaten:
Alles wat je weglaat van wat je weet, zit toch nog in wat je schrijft en dat zal in de kwaliteit naar voren komen. Als een schrijver dingen weglaat die hij niet weet, dan zie je de gaten in zijn werk. (...) Ik schrijf altijd op basis van het principe van de ijsberg. Voor elk deel dat zichtbaar is, ligt er zeven achtste onder water. Alles wat je weet kun je weglaten, en daar wordt je ijsberg alleen maar sterker van. Dat is het deel dat je niet ziet. Als een schrijver iets weglaat wat hij niet weet, dan zit er een gat in zijn verhaal.
De oude man en de zee had wel meer dan duizend pagina’ dik kunnen zijn, met alle types uit het dorp erin en alles over hoe ze hun brood verdienden, waar ze geboren waren, wat hun opleiding was, of ze kinderen hadden, enzovoort. Dat wordt uitstekend en goed gedaan door andere schrijvers. Je wordt in het schrijven beperkt door wat al eerder naar tevredenheid is gedaan. Daarom heb ik geprobeerd te leren iets anders te doen. Eerst heb ik geprobeerd alles uit te roeien wat niet noodzakelijk is bij het overdragen van een ervaring aan de lezer, zodat het, als hij of zij iets gelezen heeft, het onderdeel wordt van zijn of haar eigen ervaring en echt lijkt te zijn gebeurd. Dat is heel moeilijk en ik heb er erg hard aan gewerkt.
McCarthy over culturele verwijzingen in boeken:
(…) ik denk dat religie (ik bedoel hier de rooms-katholieke godsdienst) voor Amerikanen in veel gevallen het enige is waarmee ze op het gebied van geschiedenis en filosofie kennismaken. Een verwijzing daarnaar opent op de een of andere manier dat historische vergezicht. In die zin is het een middel om de doorgang te verruimen.
Miller over het nut van boeken:
Mensen lezen om onderhouden te worden, als tijdverdrijf, om iets te leren. Ik lees nooit als tijdverdrijf, ik lees nooit om iets te leren; ik lees om buiten mezelf te geraken, extatisch te worden. Ik ben altijd op zoek naar auteurs die me van mezelf weten te bevrijden.
Mailer over research:
Soms moet ik iets opzoeken. Maar ik voel me daar altijd ongelukkig bij en ik wantrouw wat daaruit voortkomt. Ik heb het gevoel dat je onwetendheid ook deel is van je creativiteit. Ik weet niet goed hoe ik dat duidelijk moet maken, maar als ik als jood bijvoorbeeld over andere joden schrijf en mijn kennis van de joodse cultuur uiterst fragmentarisch is, en dat is het, dan geloof ik dat het een voordeel is bij het creëren van een moderne Amerikaanse jood. Zíjn kennis van de joodse cultuur is ook uiterst fragmentarisch, en de manier waarop hij in elkaar zit, zou wel eens meer in overeenstemming kunnen zijn met mijn onwetendheid dan met een volledige kennis van de joodse cultuur.
Bellow over realisme in de romankunst:
Mensen schrijven realistisch, maar tegelijk willen ze omgevingen scheppen die op de een of andere manier aanlokkelijk zijn, die gehuld zijn in een atmosfeer waarin gedrag betekenisvol wordt, die de charme van het leven laten zien.
Kerouac over de eenheid van een boek:
In proza maak je de paragraaf. Elke paragraaf is een gedicht.
Updike over de ideale lezer:
Toen ik in 1957 uit New York wegging, liet ik zonder enige spijt de literaire demi-monde van agenten en aspirant-schrijvers en de hele kliek van meelopers achter me; die wereld leek me onvruchtbaar en belemmerend. Hemingway heeft New York ooit omschreven als een fles vol lintwormen die allemaal proberen elkaar op te vreten. Wanneer ik schrijf, richt ik me in gedachten niet op New York, maar op een vage plek ergens ten oosten van Kansas. Ik denk aan de boeken op de bibliotheekplanken, ontdaan van hun stofomslag, jaren oud, en aan een wat provinciaalse jongen die ze daar aantreft en tot zich laat spreken.
Vidal over 'U-boeken' (universitair verantwoorde boeken):
De roman sterft zelf niet uit, maar zijn lezerspubliek. Het is hetzelfde als zeggen dat de poëzie al vijftig jaar aan het afsterven is. Poëzie niet, maar het publiek. De serieuze roman bevindt zich nu in dezelfde positie als de poëzie. Uiteindelijk zal de roman alleen nog een intellectuele oefening zijn, geschreven door academici om de intelligentie van hun studenten te toetsen. Een combinatie van de Rorschach-test en een anagram. Kijk bijvoorbeeld naar de populariteit van John Barth, een volleerd U-romancier wiens boeken zijn geschreven om er les over te geven, niet om ze te lezen.
Malamud over kladversies:
Meestal is aan het eind van de eerste de opzet klaar. De tweede verscherpt, ontwikkelt, verfijnt. In de derde is het meeste dode hout eruit.
Vonnegut over liefde in romans:
Ik probeer diepgaande liefde uit mijn verhalen weg te houden, want als dat specifieke onderwerp zich eenmaal aandient is het bijna onmogelijk nog ergens anders over te praten. Lezers willen nergens anders over horen. Ze zijn stapelgek op liefdesverhalen. Als een minnaar in een verhaal zijn ware liefde vindt, is het verhaal afgelopen, zelfs als de Derde Wereldoorlog op het punt staat te beginnen en de hemel zwart ziet van de vliegende schotels.
Vonnegut over de coherentie van een roman:
Ik heb in Slapstick gezegd dat zij degene is voor wie ik schreef -- dat elke succesvolle creatieve persoonlijkheid een publiek van één persoon in gedachten heeft als hij scheppend werk verricht. Dat is het geheim van de artistieke eenheid. Iedereen kan dat bereiken als hij of zij iets maakt met maar één persoon in gedachten.
Vonnegut over thema's:
Alle grote verhalen zijn grootste practical jokes, waar mensen zich telkens weer door laten meeslepen. (…) Iemand raakt in moeilijkheden en raakt er daarna weer uit; iemand verliest iets en krijgt het terug; iemand wordt onrecht aangedaan en hij krijgt zijn wraak; iemand maakt een slippertje, waarna het almaar slechter met hem gaat; mensen worden verliefd op elkaar en een heleboel andere mensen dwarsbomen de liefde; een deugdzaam persoon wordt valselijk beschuldigd van slechtheid; een slecht iemand gaat voor deugdzaam door; iemand gaat moedig een uitdaging aan en slaagt of faalt; iemand liegt, iemand steelt, iemand moordt, iemand pleegt overspel.
Vonnegut over schrijverstalent:
In een cursus creative writing met twintig leerlingen, waar dan ook in dit land, zijn er zes met talent. Twee van hen zullen ooit wel iets publiceren. Wat die twee van de rest onderscheidt? Ze hebben iets anders aan hun hoofd dan alleen literatuur. En ze houden waarschijnlijk ook van aanpakken. Ik bedoel, ze gaan niet passief zitten wachten totdat iemand hen zal ontdekken. Ze willen koste wat het kost gelezen worden.
Carver over thema's:
Je krijgt als je schrijft voortdurend te horen dat je moet schrijven over wat je kent, en wat ken je nou beter dan je eigen geheimen?
Roth over afstand en tijdsgeest:
De ervaring van de psychoanalyse was waarschijnlijk nuttiger voor mij als schrijver dan als neuroticus, hoewel er hier sprake kan zijn van een vals onderscheid. Het is een ervaring die ik deelde met tienduizenden verwarde mensen, en iets in de privésfeer wat zo sterk is dat het een schrijver met zijn generatie verbindt, met zijn klasse, met zijn tijd, voor hem van geweldig groot belang, mits hij zich er later voldoende van kan losmaken om de ervaring objectief te bezien, als deel van een fantasie, in de discipline van het schrijven.
Roth over de zin van de romankunst:
Romans geven de lezer iets te lezen. In het beste geval veranderen schrijvers iets aan de manier waarop lezers lezen. Dat lijkt me de enige realistische verwachting.
Irving citeert Cocteau i.v.m. literaire kritiek:
Luister heel goed naar de eerste kritieken op je werk. Merk op wat recensenten er juist niet aan bevalt; dat zou weleens het enige aan je werk kunnen zijn dat origineel en de moeite waard is.
DeLillo over het nut van schrijven:
Een jonge schrijver ziet dat hij zichzelf een duidelijker plaats in de wereld kan geven met behulp van woorden en zinnen op een stuk papier dat minder dan een cent kost. Woorden op een vel papier, meer heeft hij niet nodig om een onderscheid aan te brengen tussen zichzelf en de krachten om hem heen, straten en mensen en spanningen en gevoelens.
DeLillo over geliefde personages:
Een personage is deel van het plezier dat de schrijver zijn lezers wil geven. Een levendig personage die interessante dingen zegt. Ik wil plezier geven door taal, door de architectuur van het boek of een zin en door personages die grappig, vals, gewelddadig zijn, of alle drie. Maar ik ben niet een schrijver die verzot is op bepaalde personages en die wil dat de lezers dat ook zijn. Feit is dat iedere schrijver van zijn personages houdt voorzover hij in staat is ze tot iets levends uit te werken.
Sontag over de zin van historische romans:
Om te ontsnappen aan de belemmeringen die een gevolg zijn van mijn idee van het heden, mijn gevoel van hoe gedegenereerd en afgestompt we tegenwoordig leven, voelen en denken. Het verleden is groter dan het heden.
Auster over de achtergronden van het National Story Project op NPR:
Het was een kans om betrokken te raken in de guerillastrijd tegen het monster. Het ‘entertainmentindustriecomplex’ zoals kunstcriticus Robert Hughes het ooit heeft genoemd. De media richten zich alleen op beroemdheden, op roddels en schandalen, en de manier waarop we ons afschilderen op tv en in de film is zo vervormd, zo laag-bij-de-gronds, dat het echte leven zoek is geraakt. We worden opgezadeld met gewelddadige beelden en domme, escapistische fantasieën; de drijvende kracht daarachter is geld. Mensen worden behandeld alsof ze niet goed wijs zijn. Ze worden niet beschouwd als mensen, maar als consumenten, idioten die gemanipuleerd worden om dingen te wilen die ze niet nodig hebben. Noem het de triomf van het kapitalisme. Noem het de vrijemarkteconomie. Hoe dan ook, er is weinig ruimte om het echte leven in Amerika te laten zien.
Auster over het mooie van lezen:
Het is een onuitputtelijke vorm en wat de pessimisten er ook van mogen zeggen, de roman zal nooit uitsterven. Omdat de roman de enige plek op aarde is waar twee vreemdelingen elkaar kunnen ontmoeten in volledige intimiteit. De lezer en de schrijver maken samen het boek. Bij geen enkele andere vorm van kunst is dat mogelijk. Er is geen andere kunstvorm die de introspectieve kant van het bestaan zo kan belichten.
Didion over het overtikken van boeken:
Ik zag hoe [Hemingways zinnen] werkten toen ik ze begon uit te tikken. Dat was toen ik een jaar of vijftien was. Ik tikte die verhalen gewoon over. Een geweldige manier om het ritme in je hoofd te krijgen.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Joost Zwagerman, De ontdekking van de literatuur
The Paris Review interviews

539 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2007
Vertaald door Dirk-Jan Arensman, W. Hansen, Ko Kooman,
Ineke Mertens en Victor Schiferli

____

donderdag 26 februari 2009

Breekbare dagen - Philippe Besson

Philippe Besson blijft een akelig parasitaire schrijver, die vertelstof bij geliefde auteurs meent te ontwaren waar er geen is. Dit keer roept hij de laatste dagen van Rimbaud op, gezien door de ogen van zijn zuster Isabelle. De lezer moet geloven dat de fletse aantekeningen die Besson in Breekbare dagen heeft bedacht komen uit haar dagboek. Terwijl de historische broer en zus nooit close zijn geweest, laat staan dat zus er een journal intime op nahield.

Breekbare dagen speelt tussen mei 1891, wanneer Arthur Rimbaud na veertien jaar omzwervingen in Afrika berooid en verzwakt naar Frankrijk terugkeert (omdat zijn been dient geamputeerd vanwege een fors kankergezwel), en november 1891, wanneer de ingreep niet het gewenste effect blijkt te hebben en Rimbaud alsnog bezwijkt in een hospitaal te Marseille. Daartussen verblijft hij een tijdje op de ouderlijke boerderij in de Franse Ardennen, waar Isabelle -- en niet zijn hardvochtige moeder, met wie de relatie al lang was verzuurd -- hem zo goed mogelijk tracht te verzorgen.

De minieme waarde van Breekbare dagen zit -- met een beetje goede wil -- in het feit dat Philippe Besson ons eens niet herinnert aan de wonderjaren (1871-1874) van Rimbaud, wanneer deze met Le bâteau ivre, Une saison en enfer en Illuminations de vormvaste Franse poëzie voorgoed door elkaar schudt, maar aan zijn provinciale afkomst en aan de gezinssituatie van de dichter. Vader, een beroepsmilitair, verlaat al snel het echtelijke huis. Ook oudere broer Frédéric verbreekt het contact met de familie. Zus Victorine sterft een maand na haar geboorte. Zus Vitalie sterft op haar zeventiende.

Eilaas, het zogenaamde dagboek stelt niks voor. Het is ongeloofwaardig, al was het maar door het systematische terugblikken van Isabelle, onder meer door oude fotoherinneringen op te halen. Maar natuurlijk, deze vorm laat Besson toe lekker fragmentarisch Rimbauds biografie te plunderen: de Londense jaren, het akkefietje met Verlaine, Rimbauds ondernemingen in Afrika.

En zoals in Zijn broer zitten we op het einde van Breekbare dagen opnieuw bij iemands ziekbed, wat zorgt voor hier en daar een larmoyante uitschuiver (bij Rimbauds amputatie: "Hij wordt aangetast in dat wat zijn leven bepaalde: bewegen"). Voor de rest roepen Bessons korte, groene, pasgemaaide zinnetjes niets op. Hij probeert het contrast uit te spelen tussen de rebelse visionair Rimbaud en de aseksuele, nederige christenvrouw Isabelle (die als ze zijn bloederige wond verbindt of zijn uitwerpselen opruimt daarmee zijn "zonden wegwast") maar het is een maat voor niets.

Jammer dat ik de Afrikaanse brieven nog niet heb gelezen in Privé-domein om goed in te schatten wat Besson allemaal vertelt over Afrika, want op andere punten maakt hij wel degelijk fouten. Zo laat hij Rimbaud opbiechten op jonge leeftijd te zijn verkracht tijdens de Commune, maar dat lijkt weinig waarschijnlijk omdat Rimbaud na deze 'feiten' nog sympathiserende gedichten heeft geschreven aan het adres van de Communards. Op het einde van zijn boek neemt Besson ook zonder reserves het verhaal over van de historische Isabelle als zou Rimbaud zich op zijn sterfbed bekeerd hebben tot het katholicisme.

En zoals gezegd, de veronderstelde genegenheid tussen broer en zus is gezien het leeftijdsverschil en het vroege vertrek van Rimbaud ongeloofwaardig. "Je moet het met je herinneringen enigszins op een akkoordje gooien, anders is het leven ondraaglijk," laat Besson het wicht zeggen. Het lijkt een formule waarmee hij tevens zijn luie schrijverspraktijk vergoelijkt.

Een gefingeerd dagboek kan verrijkende lectuur opleveren, denk aan dat van Eva Braun in Siegfried van Harry Mulisch, maar hier snap ik helegaar de zin niet van Bessons opzet. Welk surplus biedt dit fantasietje ons? "Hij is een raadsel en ik ben een onwetende," zegt Isabelle. Zo is het maar net.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Philippe Besson op Achille

Philippe Besson, Breekbare dagen
140 p.
Uitgeverij Ambo, 2005 bessonkey
Oorspr. Les jours fragiles (2004)
Vertaald door Théo Buckinx
____

Witte nachten - Fjodor M. Dostojevski

De naamloze ik-persoon van Witte nachten -- de 'dromer' uit de ondertitel -- woont ergens buiten de stadskern van Sint-Petersburg tussen groene, beroete kamermuren, onder een zoldering bedekt met spinrag. Hij is een contactgestoorde man, die erg gebukt gaat onder zijn isolement en alleen 's nachts in zijn element is. Wanneer hij op een nacht een onbekende jongedame redt uit de klauwen van een opdringerige man ontspint zich een ontroerend gesprek.

Haast intuïtief winnen Nastjenka (een verkleinvorm van Anastacia) en de ik-persoon elkaars vertrouwen. De man heeft nooit de kans gehad om "eigen te worden met vrouwen", maar die schuchterheid doet Nastjenka goed. Daarop volgt een explosief-sentimentele bekentenis van de man. Het relaas van zijn levensomstandigheden komt er in één geut uit.

Momenteel, lieve Nastjenka, momenteel ben ik net de geest van koning Salomon die duizend jaar heeft doorgebracht in een kruik verzegeld met zeven zegelen, welke thans verbroken zijn.
Zesentwintig jaar oud is hij en naast een eenzaat een haast pathologische dromer. In zijn dagdromen creëert hij "hele romans". Liefde beleeft hij bij voorkeur in zijn verbeelding -- dat is fijner dan de teleurstellende reële contacten met al die burgertantes die hij verfoeit.
Een dromer -- voor het geval een uitgewerkte definitie van hem gegeven moet worden -- is geen mens, maar een soort hybridisch wezen, weet u. Hij vestigt zich bij voorkeur in een ontoegankelijk hoekje, waarin hij zich bij wijze van spreken zelfs voor het daglicht verbergt, en als hij daar eenmaal zijn draai gevonden heeft, dan groeit hij er in vast als een huisjesslak, of, en dat is al het minste wat je van hem zeggen kunt, hij lijkt sprekend op dat curieuze gedierte dat tegelijk dier en huis is en dat schildpad genoemd wordt.
Het knappe van Fjodor Dostojevski is dat hij het gramstorige betoog een paar keer laat kantelen. Eerst komt de trots naar boven van een man die zich van de maatschappij heeft afgekeerd en de "artistieke ontwerper van zijn eigen leven" is geworden; daarna is er de verbittering wanneer de man beseft alle tact te hebben verloren, elk "instinct voor het wezenlijke en feitelijke" te zijn kwijtgespeeld. Hij wordt ook een jaartje ouder en zijn vermogen tot autosuggestie raakt uitgewerkt.
Zonder resultaat wroet de dromer in zijn oude droombeelden als in de as, op zoek naar althans nog één vonkje om dat aan te kunnen blazen (...)
Ook in dit vroege werk (1848) steekt er al een typisch Dostojevskiaanse biechtmoeder. De man omarmt Nastjenka als een door God gezonden engel die hem doet inzien de beste jaren van zijn leven te verprutsen. Zij is de boodschapper van de waarheid. Zij verzoent hem met zichzelf. Nastjenka, van haar kant, vertederd door 's mans malaise en overdonderd door de "boekentaal" van zijn betoog (wat doet denken aan een gelijkaardige verzuchting uit Aantekeningen uit het ondergrondse, twintig jaar later) wil goede vrienden worden met de man, op voorwaarde dat hij niet verliefd op haar wordt.

Daarna mag ook zij haar verhaal doen. Het verhaal van een overbeschermde opvoeding aan de zijde van haar grootmoeder, die er niet voor terugschrikt Nastjenka met een veiligheidsspeld aan haar jurk vast te maken. Een van de huurders van haar grootmoeder brengt haar in contact met boeken van bevlogen auteurs, zoals Walter Scott en Poesjkin. Ze wil met hem trouwen, maar de huurder wijst het aanzoek af, onbemiddeld als hij is. Hij vraagt haar te wachten. Zij zal nog van hem horen.

En nu is de voormalige huurder opnieuw in de stad, maar zonder toenadering met Nastjenka te willen zoeken. Net voorbij de helft van het boek stelt de ik-figuur haar voor via een brief contact met de huurder te zoeken. Hij wil deze brief zelfs schrijven. De rest is geschiedenis.

Witte nachten brengt niets nieuws, en is welbeschouwd niet meer dan een sentimenteel, uitleggerig babbeldrama. Nastjenka behoort om te beginnen al niet tot de geloofwaardige vrouwenfiguren die Dostojevski later nog zal scheppen, zoals Sofia uit Misdaad en straf. Ook wordt de plotselinge overgave van de man aan Nastjenka (en vice versa) onvoldoende voorbereid. Dat Witte nachten niet helemaal verwordt tot een smartlap ("Ik houd van u omdat u niet verliefd op me geworden bent") is omdat de auteur zijn wishful thinking keurig in de laatste bladzijden afknijpt. Maar dan is het al te laat.

Maar zonder het een goede novelle te noemen, was Witte nachten toch weer goed raak, bij mij. Ook nu kostte het me nauwelijks moeite om me te identificeren met de hoofdpersoon. De combinatie van zwartgalligheid en argeloze liefde deed me meteen overstag gaan. De kracht zit in het, hoe moet ik het noemen, eloquente gestotter van Dostojevski's anti-held; hoe hij zich verlustigt in zelfvernedering; de overtuigende manier waarop hij zijn besef van marginaliteit ombuigt in intellectuele trots. Dat is allemaal erg aan mij besteed.

Technisch onzuiver is de knulligheid waarmee Dostojevski midden in het betoog van een ik-verteller naar een hij-verteller moet overspringen. Maar de formuleerkunst en gedateerde vertaling van Marko Fondse hebben zo hun charmes.
Kijk maar eens naar die toverbeelden die zo begoochelend, zo grillig, zo nonchalant en breeduit zich voor zijn ogen voegen tot zo’n zinverrukkend en bezield schilderij, waarop natuurlijk op de voorgrond onze dromer zelve figureert als eerste persoon met zijn dierbare ego.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Fjodor M. Dostojevski, Witte nachten
Een sentimentele roman, uit de herinnering van een dromer
140 p.
Uitgeverij Veen, 1975?
Oorspr. Belye noci (1848)
Vertaald door Marko Fondse

____

woensdag 25 februari 2009

Ware voor zo lange liefde niet zo kort het leven - Luís Vaz de Camões

In de vijf jaar (1998-2003) dat ik helemaal in de ban was van Fernando Pessoa heb ik hetzelfde riedeltje vele malen gelezen. 'Pessoa is Portugals grootste dichter van de twintigste eeuw, Camões de grootste aller tijden.' Toch duurde het tot 2007 eer de moderne Nederlandstalige lezer kennis van dit oeuvre kon nemen in een zelfstandige boekuitgave.

Ik heb hier op de plank een Engelse vertaling staan van Os Lusíades, het lofdicht (1572) op de ontdekking van de zeeweg naar Indië dat Camões onsterfelijk zou maken (hoewel door Vasco da Gama zelf nauwelijks een blik waard gegund). Het Engels zal de Renaissancistische galm van dit epos wel wat gedempt hebben, maar toch heb ik nog niet de moed gehad het boek in te kijken. Daarom ben ik blij met een keuze uit Camões lyrische poëzie door August Willemsen, een vertaler die ik blind vertrouw.

Over de historische Luís Vaz de Camões (ca. 1524-1580) zijn maar een handvol zekerheden bekend. Hedendaagse vorsers hebben het lastig om uit eerdere biografieën feiten van romantische en nationalistische verfraaiingen te scheiden.

Camões groeide op in halfgegoede middens en trok begin zijn twintiger jaren vanuit Lissabon naar Ceuta, het Noord-Afrikaanse garnizoen van Portugal. "De militaire dienst was de aangewezen weg voor jongemannen om aanzien te verwerven," schrijft Willemsen in zijn nawoord. Vast staat ook dat hij in een opstootje met de Moren zijn rechteroog verloor.

Bij zijn terugkomst in Lissabon leidde Camões een ordeloos bohèmeleven. Nadat hij Gonçalo Borges, iemand van de Koninklijke stallen, had verwond en korte tijd in hechtenis zat, vertrok hij in 1553 naar Indië. Het is niet met zekerheid te zeggen of hij verbannen werd, of juist gratie werd verleend op voorwaarde dat hij naar Indië zou gaan, óf dat de tocht gewoon in het verlengde lag van een oud reisplan. Wat er ook van zij, zes maanden later komt Camões in Goa aan.

Het Engelstalige Wikipedia-lemma heeft het dan over zijn deelname aan een zeeslag bij de kust van Malabar (Indië) en schermutselingen langs de handelsroutes tussen Egypte en Indië. Aan boord bleef Camões schrijven, literair werk en brieven voor de ongeletterde bemanning. Aan het einde van zijn verplichte diensttijd kreeg hij een baantje in Macau. In die periode zou hij Os Lusíadas geschreven hebben, naar verluidt "in a grotto".

Nadat de dichter opnieuw in opspraak komt, wil hij terug naar zijn vaderland. Tijdens de terugtocht lijdt hij schipbreuk voor de monding van de Mekong. Volgens de legende kan Camões' zijn onvoltooide epos al zwemmend vrijwaren van de ondergang.

In 1570 bereikt Camões', na zeventien jaar in de Oost, Lissabon. Twee jaar later publiceert hij zijn hoofdwerk, waarvoor hem een bescheiden staatspensioen wordt toegekend. Camões sterft de facto als een beroemd man, al hebben zijn landgenoten wel wat anders aan hun hoofd dan literaire merites: de regeringsperiode van de waanzinnige koning Dom Sebastião heeft het land economisch volkomen ontwricht.

Dat Camões' de grootste dichter van Portugal is, moet blijken uit de vele vergelijkingen die hem te beurt vallen met Shakespeare, Homerus, Vergilius en Dante. Feit is dat Cervantes en Tasso hoge achting voor hem hadden. Ook Willemsen prijst in zijn nawoord het vakmanschap van de dichter en bekent zelf gevallen te zijn voor het temperament in zijn poëzie, en de samenzweerderige toon die Camões' aanslaat tegen de lezer. Wie weet hoe toevallig Willemsen in de studie van de Portugese letteren is gerold, kan daar het zijne van denken. Punt is dat ik buiten Slauerhoff (Het verboden rijk) niemand ken voor wie dit oeuvre een verschil heeft gemaakt in zijn leven.

Tot een officiële publicatie bij Camões' leven van zijn korte, lyrische poëzie is het trouwens nooit gekomen. Originele manuscripten ontbreken zelfs; moderne uitgaven putten uit de verspreide gedichten die in oude cancioneiros (liedboeken) circuleerden. Na vergelijking met het lexicon en de stilistiek in Os Lusíadas worden gedichten al dan niet aan Camões toegeschreven. Ook wat betreft de chronologie tast men in het duister. Willemsen heeft daarom een quasi-thematische volgorde aangehouden.

De sonnetten, canzonen (liefdesliederen van variabele lengte, meestal afgerond met een envoi), odes en redondilha's (een strofevorm uit de traditionele Portugese volkspoëzie in korte verzen) maakten op mij, ik kan niet anders zeggen, een grappig-monomane indruk. Het zijn geëxalteerde verzen van gramschap, lijden, pijn, razernij en hartzeer. 'Foltering' rijmt vlot op 'betovering'. Papier is voor Camões dé "vertrouweling in zijn tortuur".

Willemsen doet in zijn nawoord zijn best om ons niet te laten oordelen met moderne maatstaven. Kennis, vernuft en vaardigheid waren nu eenmaal de Renaissancistische eisen. "Originaliteit school niet in het nieuwe maar in het variëren van het bekende" en in een tijd waarin elk huwelijk een mariage de raison was, hoeven een overdaad aan gedichten over "Amors wanbestel" niet te verbazen. Pompeuze vergelijkingen en stijlfiguren waren in die dagen "even onontkoombaar als nu het naakt in vrijwel elke Nederlandse film die een beetje over de liefde gaat."

Vertalingen van Renaissance -en barokpoëzie hebben niettemin iets wat op mijn lachspieren werkt. Die eeuwige vormdwang, het is toch altijd een beetje: hoeveel volwassen mannen kunnen er in een deux chevaux. Maar het moet gezegd, Willemsen doet zijn uiterste best om in dit keurslijf zijn Nederlands toch voldoende souplesse te laten behouden.

Het liefst in zijn selectie waren me de sonnetten, met het omarmend rijm in de kwatrijnen. Net als Vergilius het model was voor Os Lusíades, bestudeerde Camões voor zijn sonnetten Petrarca (die op zijn beurt veel stof haalde bij de Provençaalse troubadours, zoals de topos van de paradoxale liefde). Een van mijn favorieten is het zesendertigste sonnet, exemplarisch voor Camões' jeremiërende thematiek.

Waar vind ik ooit een plek zo afgelegen
En zo zonder geluk of lafenis
Dat niet alleen de mens er wars van is
Maar zelfs de dieren hem te mijden plegen?

Een donker doornbos zonder heil of zegen,
Een eenzame en trieste wildernis
Waar geen bron welt, een en al kommernis,
Een plaats, kortom, mijn liefdespijn genegen.

Opdat ik daar mij vrijuit kan beklagen,
Bij leven dood, begraven bij mijn leven,
Diep in het woud, voor niemand te genaken.

Want aangezien mijn lijden staat geschreven
Zal ik daar triest worden van blijde dagen
En trieste dagen zullen mij blij maken.
Overigens was het een blij weerzien met Willemsen. Behalve Pessoa's briefwisseling was het tijden geleden dat ik nog een vertaling van hem las. Wat een voorbeeldig, toegewijd nawoord ook weer. Fris opgetekend met Hollandse nuchterheid en ernst, en de moed om de commentatoren van het land van herkomst tegen te spreken.

> lees nog een sonnet uit dit boek op Prins van Denemarken

Luís Vaz de Camões, Ware voor zo lange liefde niet zo kort het leven
Lyrische gedichten

243 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2007
Oorspr. Obras completas (1947), Obra completa (1963),
Sonetos de Camões (1980) [extracten]
Vertaald door August Willemsen

____

dinsdag 24 februari 2009

Nazomer - Philippe Besson

Het idee om Nighthawks van Edward Hopper tot leven te wekken is niet nieuw. Joyce Carol Oates en Wolf Wondratschek schreven al gedichten geïnspireerd door het schilderij. Philippe Besson verplaatst de handeling van een forties diner in Greenwich Village, Manhattan naar een hedendaagse nachtkroeg op Cape Cod, het schiereiland aan de kust van Massachusetts. Hij probeert wel trouw te blijven aan de verstilling op het doek en de onderhuidse spanning. Dat lukt maar een klein beetje.

Philippe Besson heeft lang naar Nighthawks (1942) zitten turen en beslist uiteindelijk van de afgebeelde vrouw een actrice te maken, gevormd aan de Boston School of Arts. Louise Cooper heet ze. Acteren, de droom van haar kinderjaren, doet ze al een tijdje niet meer, maar ze heeft een succesvolle carrière als toneelauteur weten uit te bouwen. (Gegevens waar Besson weinig mee zal uitrichten.)

Op deze zwoele zondagavond, bij afnemend septemberlicht, in een decor van ventilatoren en imitatieleren banken, zit zij op Norman te wachten, haar nieuwe liefde. Sinds Norman haar heeft aangekondigd dat hij van zijn vrouw gaat scheiden, dat hij een einde gaat maken aan het huwelijk dat al acht jaar standhoudt, wacht Louise erop dat dat ook gebeurt.

Norman kan elk moment binnenkomen. Op de achtergrond brengt Benjamin ("Ben"), de gastvrije doch discrete kelner, zijn zaakjes op orde.

En dan maakt niet Norman, maar Stephen zijn opwachting, haar ex die ze in geen tijden meer heeft gezien. Hij draagt contactlenzen. Louise herinnert zich dat ze Stephen nooit heeft kunnen overhalen tot het dragen van contactlenzen. "De vrouw die daarin is geslaagd moet wel een geducht iemand zijn."

Een subtiel spel vangt aan, Nazomer is een eenakter vol aanhalen en afstoten. Na nog geen twee minuten halen de vroegere geliefden herinneringen op ("als een paar veteranen"). Stephen wordt nerveus bij de neiging alle woorden bij zo'n weerzien te willen ontleden. Louise vindt de nostalgie die haar overvalt een beetje misplaatst.

Toch zou ze bij zichzelf te rade moeten gaan. Ze leidt een evenwicht leventje, brengt haar tijd door met het uitoefenen van een beroep dat haar bevalt en waarin ze een zeker succes heeft, ze heeft een erg lieve, gecompliceerde minnaar en woont aan de oceaan. Hoe is het mogelijk dat de terugkeer van een vijf jaar oude liefde die bijna dood en begraven is zo’n uitwerking op haar heeft?
Om beurten nemen Stephen en Louise de teugels van het gesprek in handen. Beiden hebben moeite sommige mededelingen van de ander te incasseren. We komen aan de weet dat hun vroegere avontuur geen originaliteit heeft bezeten, alleen zeldzaam was voor het paar zelf. De lezer wordt ook op de hoogte gebracht van de laaghartigheid en leugens van Stephen.



De vragen die Besson aan de orde stelt zijn de juiste: in hoeverre ontregelt Stephen het wachten van Louise? Hoeveel maal kan een mens zijn liefdesleven hernieuwen? Wat zal er gebeuren als Norman straks tussenbeide komt op het mobieltje van Louise?

Toch is Nazomer regelrechte kitch. Er is een wanverhouding tussen wat effectief gezegd wordt door de personages en Bessons autoritaire commentaar daarop. Nazomer bestaat uit misschien twintig stenografisch korte interrupties die zo bij een soapserie lijken weggehaald...
‘Als je wilt dat ik wegga, hoef je het maar te zeggen, weet je. Jij en ik kennen elkaar te goed om ons iets wijs te maken, denk je niet?’
... waarna we snel weer onderduiken in Bessons warme bad van psychologische haarkloverij. Het moge duidelijk zijn dat de auteur hiermee een effect van broeierigheid beoogt, maar zijn annotaties zijn gewoon overkill. Besson is hier geen schrijver, maar een schrijvende dagdromer.
Bij het uitspreken van die woorden heeft hij intuïtief de flemende, quasi berouwvolle toon aangeslagen van iemand die om een straf vraagt en ervan overtuigd is dat hij daaraan ontkomt. Vanzelfsprekend heeft ze de valstrik bespeurd, ze heeft meteen de zoete intonatie, de tersluikse blik, het gebogen hoofd herkend die horen bij de vragen waarop zij geen weigering kon geven. Ze geeft toe dat dat knap is gedaan, dat zoiets altijd welkom is. De allure van zijn smeekbede verdient beslist te worden beloond. Ze heeft er een hekel aan toe te geven, maar ze bereidt er zich op voor dit met gratie te doen om op zijn minst het niveau van zijn eisen te halen.
Er is nog meer dat mij irriteert. Net zoals Besson in zijn debuut de stralenkrans van Marcel Proust nodig had om het verhaal laten schitteren, leunt hij in Nazomer opnieuw sterk op een icoon, dit keer een van de bekendste schilderijen uit de Amerikaanse kunstgeschiedenis. Wanneer haalt Besson 's iets nieuws naar boven?

Ten slotte geloof ik ook de factualiteit niet meer in zijn romans. Ook Nazomer is weer een makkelijke studie van emoties zonder biografische wortels. Als mij in deze roman vlotjes wordt verteld dat Stephen en Louise vijf jaar lang "een van de meest vooraanstaande jonge paren van Boston zijn geweest", of dat iemand "kersvers afgestudeerd is aan Harvard, en telg uit een zeer oud, gefortuneerd geslacht" dan denk ik: dat zal dan wel.

Temeer daar Besson de plank al misslaat bij het enige concrete dat op Nighthawks te zien is. In de roman laat Besson zijn figuren de avond doorbrengen "bij Phillies", als was het de naam van het café. Terwijl het gewoon een billboard betreft van het Amerikaanse sigarenmerk.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Philippe Besson op Achille

Philippe Besson, Nazomer
142 p.
Uitgeverij Ambo, 2003 bessonkey
Oorspr. L’arrière-saison (2002)
Vertaald door Théo Buckinx

____

maandag 23 februari 2009

Zijn broer - Philippe Besson

"Er zouden slechts boeken geschreven moeten worden waarin sprake is van de zee," zegt Marcel Proust in Bij afwezigheid van mannen, de debuutroman van Philippe Besson. En kijk, in zijn tweede boek houdt Besson woord. Zijn broer is de ziektegeschiedenis van Thomas, die lijdt aan een ongeneeslijke bloedinfectie, verteld door de ogen van zijn oudere broer Lucas. Setting is het vakantiehuis van hun jeugd op het Île de Ré, voor de Franse Atlantische kust.

Doorheen het hele boek kiest Philippe Besson voor een laconieke, stroef-poëtische schriftuur om de lijdensweg van Thomas in beeld te brengen. Zijn broer is geschreven met de krampachtigheid van een evenwichtskunstenaar op een te smalle lat. Besson wil waardigheid en mededogen in zijn verhaal, wat voor hem ook impliceert dat hij, typisch Frans, alle mogelijke humor en ironie weert. Naast verbeten medische close-ups (de beenmergpunctie, de scintigrafie, de infusen met immuunglobine, de branderige cortisonbehandeling) wil hij vooral de tedere relatie tussen de twee broers uitdiepen.

De verpleegster pakt nu een grovere naald, net zo dik als de breinaalden van mijn grootmoeder. Ik denk aan de engeltjesmaaksters van na de Tweede Wereldoorlog, aan de vrouwen van middelbare leeftijd in de dorpen die clandestien abortus pleegden bij jonge meisjes, aan de breinaalden die in de buiken werden ingebracht om hun misstappen ongedaan te maken. Ik bedenk dat er niets veranderd is, dat de folter- of geneeskundige werktuigen dezelfde zijn. Ik hoop dat Thomas niets ziet, dat hij zijn ogen gesloten houdt. Ik denk dat hij zich zou kunnen verzetten of misschien wel zou kunnen flauwvallen. De verpleegster zet de breinaald midden op zijn bovenlijf, op de gave huid, de gladde borstkas. Ik zie dat ze zijn borst gaan misvormen, indrukken, dat die nooit meer zal zijn als tevoren, dat we die volmaakte borst zullen kwijtraken, dat hij zal verdwijnen, dat hij voor het laatst bestaat. Ik leg een hand op mijn eigen borst. Ze zullen erin slagen een verschil tussen ons aan te brengen, een einde te maken aan onze gelijkenis.
Lucas haalt intussen jeugdherinneringen op aan de hand van onduidelijke kleurenfoto's. Hij memoreert de boottochten van weleer. Hij denkt aan het ontluiken van zijn homo-erotische lichamelijkheid, wanneer hij op het strand was met zijn broer.

Op de achtergrond zindert steeds het gevaar van de fatale inwendige bloeding. De verpleegsters volvoeren een "onnatuurlijk ballet" in de ziekenhuiskamer. Thomas moet meermaals onderzocht worden ("Ik vraag me af hoeveel verminkingen er nog nodig zijn om de waarheid te achterhalen"). Op de afdeling waar hij ligt zijn bijna alle medezieken ouder dan zeventig.

Zijn broer vormt een solider geheel dan Bij afwezigheid van mannen, hoewel ook dit boek niet gespeend is van kitchelementen. Zo voelde ik niet veel voor de oude man die aan het ziekbed van Thomas het verhaal van zijn leven vertelt. Net als in zijn debuut heeft Besson een onevenredig slot in petto. En dat gemijmer over de zee, tja.
De zee is een grens en tevens de ontkenning van elke begrenzing, ze is een gezichtseinder en toch zou je tevergeefs naar een lijn zoeken, ze is een baken en tegelijkertijd overal. De zee is overal.
Maar soms noteert Besson van die intraveneuze zinnetjes die me raken. Lucas heeft het bijvoorbeeld over de miskraam van zijn moeder en zegt dan iets van een wondermooie eenvoud: "Voor iedereen ben ik de oudste, behalve voor mijn moeder."

De voornaamste gebreken van Zijn broer zijn dat de auteur nergens een beslissende sprong maakt die het lezen van zijn boek verkieslijker maakt boven al die andere romans vol terminaal torment, en dat Besson voortdurend zijn eigen bijsluiter schrijft bij de gedragingen van zijn personages. Dan deed Jakob Hein het in Misschien is het zelfs wel mooi veel beter. Door meer weg te laten.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Philippe Besson op Achille

Philippe Besson, Zijn broer
148 p.
Uitgeverij Ambo, 2004 bessonkey
Oorspr. Son frère (2001)

____

zondag 22 februari 2009

Bij afwezigheid van mannen - Philippe Besson

Bij het oeuvre van een favoriete schrijver voel ik nooit de aandrang om alle boeken na elkaar te lezen. Uit vrees dat er gewenning ontstaat, maar ook omdat het fijn is altijd een paar gegarandeerd goede boeken achter de hand te houden voor als het moment daar echt om vraagt. Edoch, het serieel lezen van een matig auteur is misschien wel de enige mogelijkheid om van een bespreking nog iets te maken. Deze week, bij wijze van experiment, alle vertaalde boeken van Philippe Besson.

De Franse schrijver Philippe Besson (1968) debuteerde in 2001 met Bij afwezigheid van mannen. Het boek vertelt het verhaal van de ontluikende homoseksualiteit van de zestienjarige Vincent, een jongeman van goeden huize anno 1916. Jammer genoeg doet het dat via twee onverdraaglijk grove kunstgrepen: de lichamelijke relatie met een paar jaar oudere frontsoldaat uit WOI die een weekje met congé is (Arthur), en de intellectuele relatie met de dan vijfenveertigjarige Proust. U leest het goed: Marcel Proust.

Besson laat Proust dol zijn op de vroegrijpheid van zijn jonge hoofdpersoon, de adolescent die gecompleet gespeend is van vooroordelen. Vincent van zijn kant vat natuurlijk een mateloze bewondering op voor de schrijver van de Recherche, en de manier waarop deze door list en evenwichtskunsten bij de gegoede middens is kunnen komen die hij in de romancyclus fileert.

Ik hou van het idee dat u, na zo ernaar te hebben verlangd tot deze wereld te behoren, degene bent die er de overlijdensakte van opmaakt. U doet dat ongetwijfeld met gratie. Ik kom in uw leven op een moment dat u begonnen bent aan een klinische, heldere, melancholische observatie van uw verleden. Ik begeleid een begrafenisstoet.

[...]

Ik ontdek dat ik geschapen ben om tot een verstandhouding te komen met u, die bijna drie keer zo oud bent als ik, met u, wiens bezigheid erin bestaat een groot man te zijn. Ik ontdek dat de oorlog niet alleen niets in de weg staat, maar dat hij bovendien dit soort onwaarschijnlijke toenaderingen in de hand werkt. Zouden wij elkaar hebben ontmoet zonder de oorlog, zonder deze stralende zomer waarin de mannen afwezig zijn?
De beroemde schrijver mag de verscheurde ziel balsemen van Vincent, die lijdt onder het maatschappelijke taboe van zijn geaardheid. "Barbaarsheid en domheid doen zich niet alleen voor op de slagvelden, maar evengoed in onze juridische handboeken en de hoofden van de heersende klasse," klinkt het.

In deel twee duwt Besson de schrijver en de soldaat van het schouwtoneel. Arthur moet naar het front, Proust heeft in Illiers een familiekwestie te regelen. Beiden communiceren alleen nog via brieven met Vincent, en dat is het punt waarop Bij afwezigheid van mannen helemaal wegzakt. Besson heeft zich geen moeite getroost om het vleierige idioom van de brievenschrijvende Proust na te bootsen, en ook de berichten van Arthur ("Hier ontploffen onophoudelijk granaten") zijn opgesteld in de ergste grootste gemene deler-stijl.

Het venijn zit in de staart van het boek, deel drie, wanneer Besson het verhaal op zijn kop zet. Maar tegen dat venijn bestaat een goed antidotum: belezenheid.

Besson kan schrijven, daar niet van. Hij schrijft een vlot lezend proza van korte, luxueuze zinnetjes en weet het hele boek door dezelfde toon vast te houden. Maar door niet te investeren in levensechte details wordt Bij afwezigheid van mannen nooit meer dan een matig hoorspel van drie stemmen in de mist. Alles met betrekking tot de Eerste Wereldoorlog is duidelijk vanop de bureaustoel bedacht. En wat Besson uit Prousts leven recycleert is nog gladder dan een Wikipedia-paragraaf.

Door een van de grootste iconen van de Franse literatuur tot sparring partner te kiezen maakt de debutant zich belangrijker dan hij is. Debuutprijs verzekerd. Maar wij trappen daar niet in.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Philippe Besson op Achille

Philippe Besson, Bij afwezigheid van mannen
176 p.
Uitgeverij Ambo, 2002 bessonkey
Oorspr. En l’absence des hommes (2001)
Vertaald door Théo Buckinx

____

zaterdag 21 februari 2009

Dubbelspoor - Richard Holmes

De Britse biograaf Richard Holmes -- niet te verwarren met de gelijknamige oorlogshistoricus -- is gespecialiseerd in Engelse en Franse romantische schrijvers. Van de twee essays uit Dubbelspoor konden alleen de bladzijden over Robert Louis Stevenson mij een beetje boeien. Holmes memoreert daarin het jaar 1964, toen hij als jonge snaak Stevensons tocht door de Cevennen nabootste. Met zin voor parallellie laat Holmes de trip ook voor zichzelf een openbaring worden.

Robert Louis Stevenson kwam in september 1878 naar Le Monastier. Hij was zevenentwintig, sprak goed Frans en had al verscheidene zomers in het buitenland doorgebracht; bij Fontainebleau, en met een vriend in een kano paddelend op de kanalen van Holland. Deze ervaring had geresulteerd in zijn boek An inland voyage. Toen Stevenson naar het afgelegen stadje in de Cevennen kwam afgezakt wou hij nog meer schrijver zijn. Hij had al een paar essays in de Londense tijdschriften gepubliceerd, en probeerde nog steeds afhankelijk te worden van zijn familie in Edinburgh, die hem streng calvinistisch had opgevoed en wou dat hij ingenieur werd.

Stevensons reis doorheen de -- toen nog veel woestere -- Franse hooglanden, vergezeld van de weerbarstige ezel Modestine, zou uiteindelijk maar twaalf dagen duren, van 22 september tot zijn aankomst in St Jean-du Gard op 3 oktober. "Maar," schrijft Holmes, "de korte duur werd gecompenseerd door de intensiteit ervan; het was een complete pelgrimstocht in het klein."

Stevenson werkte zijn reisnotities uit, hetgeen resulteerde in Travels with a donkey in the Cévennes (1879), een standard in de reisliteratuur. Kees van Kooten wijdt er in Uit liefde in boeken ook een stukje aan. Honderdtwintig mijl in twaalf dagen legde Stevenson af, in een schaars bevolkt en behoorlijk verpauperd stuk Frankrijk. Hedendaagse reizigers kunnen zijn tocht echter zonder problemen kopiëren -- hij maakt inmiddels deel uit van een of ander Grote Route Pad.

Richard Holmes draagt in zijn eerste essay (eerder verschenen als deel van Voetsporen) aan dat de lichamelijke beproevingen tijdens de tocht ("een schipbreukeling op het land" voelde Stevenson zich) alras overgingen in een soort metafysische bekering van de Schotse schrijver. Het Franse avontuur kan onder meer gezien worden als een mentale voorbereiding op Stevensons emigratie naar San Francisco om zijn bruid (Fanny Vandergrift Osbourne) op te eisen.

Stevenson raakt onder meer verzeild in een trappistenklooster, waar de bewoners hem paradoxaal genoeg leren dat de schrijvende loner niet tot hun gemeenschap behoort, maar bij andere mensen, met name bij de mensen die van hem houden. En tot zijn eigen verbazing hoort Stevenson zichzelf tegen een andere bezoeker van het klooster het Presbyteriaanse geloof verdedigen, waarvan hij dacht dat hij het achter zich had gelaten. Holmes over de metamorfose:

Hij zag in dat zijn reis door de Gévaudan in dit opzicht bijzonder vruchtbaar was geweest: de lichamelijke ontberingen en het eenzame getob hadden een speciaal soort bewustzijn in hem losgemaakt. En dit bewustzijn had hem zijn plaats in de wereld alleen maar beter doen beseffen; zijn vriendschappen, zijn liefdes, zijn plichten; het gezamenlijke lot.
Verderop vergelijkt Holmes de oorspronkelijke reisnotities met de publicatie in boekvorm, en wijst hij op de invloed van Stevensons beroemde literaire model, de Pilgrim’s progress van Bunyan.

Mij boeide het meer wanneer Holmes vertelt hoe hijzelf in Frankrijk schoorvoetend zijn roeping als biograaf op het spoor komt. Echt grootse inzichten heeft Holmes niet, al denk ik wel te begrijpen wat hij bedoelt.
Je kon geen spelletje spelen met het verleden, er geen schijnwereld van maken. Er moest een andere manier zijn. Op de een of andere wijze moest je het levende beeld oproepen en toch trouw blijven aan het dode feit. De volwassen afstand -- de kritische afstand, de historische afstand -- moest worden bewaard. Je stond aan de rand van de kapotte brug en keek aandachtig, objectief, naar het onbereikbare verleden aan de overkant. Je bracht het tot leven, haalde het terug, met andere middelen, kusntgrepen en rationele magie.
Ben ik eigenlijk wel duidelijk? Het gaat me om de eenvoud van het idee, de realisering. Het was belangrijk voor me, omdat het vermoedelijk de eerste keer was dat ik een vaag vermoeden kreeg van de werkelijke betekenis van een proces (ja, roeping), genaamd ‘biografie’. Ik had er nog nooit over nagedacht. ‘Biografie’ betekende een boek over iemands leven. Maar voor mij zou het een soort speurtocht worden, het natrekken van het concrete spoor van iemands weg door het verleden, het volgen van voetstappen. Je zou ze nooit inhalen; nee, je zou ze nooit helemaal inhalen. Maar met een beetje geluk zou je misschien zo over die speurtocht naar die vluchtige gestalte kunnen schrijven dat je haar in het heden tot leven kon wekken.
In het tweede essay 'In het voetspoor van James Boswell' (eerder verschenen in het tijdschrift van uitgeverij Atlas) gaat Holmes de gangen na van de beroemde Schotse dagboekschrijver tijdens zijn Hollandse jaren. Vooral de amoureuze escapades komen langs.

Iets interessanter, en dan nog, is Holmes' these dat in Holland Boswells dramatische vaardigheden zich pas echt gingen ontwikkelen -- denk aan de experimenten met dialoog in het Dagboek. "Het beschrijven van zichzelf door de ogen van anderen werd het beschrijven van anderen door de ogen van zichzelf (…)".

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Richard Holmes, Dubbelspoor : over de biografie
130 p.
Uitgeverij Contact, 1997
Oorspr. Footsteps : adventures of a romantic biographer (1985) [extract]
Vertaald door Eugène Dabekaussen, Barbara de Lange en Tilly Maters

____

vrijdag 20 februari 2009

De essentie van stijl - Joan DeJean

In De essentie van stijl beweert Joan DeJean dat de verfijning van het dagelijkse leven (lees: de omgang met luxe-produkten) diep geworteld is in het laatzeventiende-eeuwse Frankrijk. Als grote instigator ziet zij de ambitieuze koning Lodewijk de Veertiende die met zijn voorkeuren en zucht naar praal een paar generaties Franse ambachtslieden en ingenieurs motiveerde, daarin bijgestaan door de protectionistische minister van Financiën Colbert.

Aan het einde van Lodewijk de Veertiende werden zijn onderdanen overal ter wereld erkend als dé deskundigen op het gebied van stijl en goede smaak en was zijn land een economische missie begonnen: het gaf de toon aan in de handel in luxeartikelen en dat is sindsdien altijd zo gebleven. Maar hoe is dat zo kunnen komen?

Een aantal factoren versterkten elkaar, zegt DeJean. Rond 1700 waren Parijs en Londen vrijwel even groot (ongeveer 550.000 inwoners) en stonden ze op de vierde plaats van grootste steden van de de wereld -- Na Constantinopel, Yedo (het huidige Tokio) en Beijing. Parijs bevatte een enorm reservoir aan vakmanschap talent. Daarnaast was Lodewijk de Veertiende vastbesloten om de Hollanders, toentertijd Europa’s grootste handels-en scheepvaartmacht, te overvleugelen. Zijn minster van Financiën, Jean-Baptiste Colbert, een protectionist, besloot voor zijn land een monopoliepositie op te bouwen in een uiterst lucratieve markt: de handel in luxeartikelen. Hij zorgde ervoor dat alle goederen in Frankrijk werden gemaakt door Franse arbeiders en dat zoveel mogelijk mensen slaafs de voorschriften van de koning gingen volgen.

Dat laatste is trouwens nog altijd het leidende principe in de luxe-industrie: herkenning van merknamen leidt tot naäperij. En als de luxe-produkten te duur zijn, zoekt het snobisme zich een uitweg naar betaalbare afgeleiden van die produkten. Tegenwoordig is het accessoire de ruggengraat van de modeindustrie, en dat is niet zo moeilijk te begrijpen: veel vrouwen kunnen zich eerder een tas van een ontwerper veroorloven dan een japon van een couturier, en de winstmarge op de tas is vele malen groter.

Uiteraard hebben er altijd gradaties bestaan in luxe-artikelen. Kwaliteit is geen Franse uitvinding. Tijdens de Renaissance was bijvoorbeeld Italië de norm voor de betere keuken en kleding. Al die vroegere verschijningsvormen van het goede leven wijken echter op drie wezenlijke punten af van wat er in het zeventiende-eeuwse Frankrijk voor in de plaats kwam, zegt DeJean.

Ten eerste was het minder wijdverbreid: buiten Italië aten of kleedden zich maar heel weinig mensen Italiaans; zelfs binnen Italië drong de nieuwe luxe nauwelijks door tot het leven buiten de hofkringen. Ten tweede is er van die modes tegenwoordig niets meer over, hoewel we wat toen als een geweldig feest of een prachtig kostuum gold nog steeds buitengewoon zouden vinden. En tenslotte: nooit eerder had een stad gedurende langere tijd de dienst uitgemaakt op het gebied van mode en stijl.
De vervaardiging en de handel in luxe-produkten is niet eens de belangrijkste bijdrage van het regime van Lodewijk de Veertiende. Volgens DeJean werkt de invloed dieper door. De Zonnekoning wist een aantal primaire activiteiten in ons dagelijks leven opnieuw te definiëren:
In plaats van alledaagse bezigheden, dingen die nu eenmaal gedaan moeten worden, zijn ze omhooggetild naar de status van plezierig moment waarin we ons graag laten gaan. Veel van de zogenaamde betere dingen in het leven hebben dat dankzij het Versailles-tijdperk kunnen worden, niet iets gewoons maar iets fijners, gebeurtenissen waaraan we esthetisch genoegen beleven.
In een soms babbelzieke stijl, met smaak voor roddel en hofintriges, schetst DeJean het ontstaan van alle luxe-produkten die tussen 1660 en Lodewijks dood in 1715 in de Franse hoofdstad opgeld maakten.

De contemporaine bronnen van de schrijfster omvatten societybladen als Le Mercure galant van Jean Donneau de Visé, reisverslagen, zeventiende-eeuwse woordenboeken als die van Pierre Richelet, Antoine Furetière en de Académie Française, en insight guide nummer één op Versailles, graaf de Saint-Simon. Daarnaast zijn er ook de reguliere kranten. In de jaren tussen 1652 en 1672 maakte de Franse pers een enorme groei door. Nieuwsbrieven die voorheen als handgeschreven bericht rondgingen werden nu gedrukt, en meer journalisten gingen hun verslagen van actuele gebeurtenissen publiceren. Voordat Lodewijk de Veertiende aan de macht was, deed in Frankrijk maar heel weinig nieuws publiekelijk de ronde.

1. Haute-couture. Mode ontwikkelt zich onder Lodewijk als een industrie: groeiende klantenkring voor haute-couture, geavanceerdere methoden om aan de vraag te voldoen, nieuwe fabricagetechnieken die snel over een groot gebied te verspreiden zijn. Vroeger werd de kleding door persoonlijke kleermakers ontworpen, zodat iedereen er uniek bijliep -- en daar was eigenlijk niets aan. Tot 1650 was er ook niet zoveel verschil tussen mannen- en vrouwenkleren en het kopen van kleren een privé-gebeurtenis, kleermakers kwamen aan huis. De enige reclame bestond uit de paar trendsetters die op chique soirees verschenen. Dat veranderde toen Parijs zich ging richten op topmode en dat druk ging afficheren. Adverteren leidt tot merkherkenning in die mate die groot genoeg is om een industrie in stand te houden. De modepop was het eerste marketinginstrument dat speciaal op een internationale klantenkring gericht was. Daarna ontstonden gravures de mode (modeprenten). Reclame mikte niet op de vrouwen die de nieuwste Parijse trends met hun eigen ogen konden zien, maar op provinciale droomstertjes à la Emma Bovary. In 1680 werd het voornaamste argument in de modemarketing geïntroduceerd: de modeseizoenen.

2. Schoenen. De herenmode van Lodewijks dagen legde de nadruk op de benen, zodat schoenen voor mannen, hoewel die voor de rest weinig verschillen vertoonden met vrouwenschoenen, veel rijker versierd waren. Het accent lag op de details. Lodewijk had een voorliefde voor hoge hakken -- 'de Louishak' werd een nieuwe mode. Schoenen werden gemaakt van brokaat, zijde en satijn. Waterdichte schoenen werden pas in de negentiende eeuw gemeengoed.

3. Het kapsalon. Vóór Lodewijk de Veertiende waren op het terrein van de haarverzorging de seksen strikt gescheiden. De eerste barbiers waren medici, voorlopers van de huidige dokter. De behoeften van vrouwen werden vervuld door hun kamenierster, binnenskamers. In de coiffure werd vaak textiel verwerkt, het kapsel werd beschermd met een kapje (coiffe). Onder invloed van een zekere Champagne onderging de haarstyling een revolutie: coiffures en pruiken moesten voortaan makkelijk herkenbaar zijn als de unieke creatie van een bepaalde ontwerper.

4. Gastronomie. Een mijlpaal is de publicatie in 1651 van Le cuisinier français. Het kookboek van Varenne zette de culinaire revolutie in gang die uitmondde in de gastronomie. Koken en eten werd niet langer beschouwd als een noodzakelijke kwaad maar als iets wat zich leende voor verfijning. Varenne leerde hoe je fundamentele technieken systematisch kon combineren. Door de vele kruisverwijzingen is zijn kookboek geen samenraapsel van losse recepten. Twee jaar later verscheen anoniem Le pâtissier français, over alle soorten gebak. Oosterse specerijen -- nootmuskaat, kaneel, gember -- die in de middeleeuwse bereidingswijzen in heel Europa de overheersende smaakmakers waren geweest, werden vervangen door inheemse kruiden -- peterselie, tijm, bieslook, sjalotjes. Zout en peper overheesten, zoete gerechten verschoven naar het einde van de maaltijd -- het dessert. Door de opmars van het gebruik van boter in de keuken gingen sauzen een belangrijke rol spelen. Rundsvlees verving wild op tafel. Belangrijkste culinaire uitvinding in de zeventiende eeuw: die van de hogedrukpan. De voornaamste huizen hadden mannen om de keuken te bestieren, geen vrouwen. Een categorie traiteurs begon geleidelijk aan met een eenvoudiger versie van wat bij de hoge heren plaatsvond, eerst thuis, daarna op locatie: de opkomst van het restaurant. Voor de komst van de haute cuisine was er geen aparte eetkamer.

5. Koffiehuizen. Rond 1640 werd koffie voor het eerst geschonken, in particuliere huizen, toen Franse reizigers als souvenir uit de Oriënt koffiebonen meenbrachten en de nieuwe exotische drank voor hun vrienden maakten. In 1650 werd het eerste publieke koffiehuis geopend, in Oxford. In Parijs sloeg de formule niet aan, toen men daar in 1675 het eerste Franse koffiehuis opende. Het Engelse opzet (het was er behoorlijk vies en er werd ook bier gedronken) werd snel verlaten en door pionier Francesco Procopio vervangen door een klassevol café, dat wel aansloeg. Onder Lodewijk de Veertiende was er in Frankrijk alleen maar Arabisch koffie te krijgen. In de tijd van het Regentschap kwam er dankzij de Oosterse Compagnie ook koffie uit India het land binnen. Later in de achttiende eeuw, kwam er vooral vraag naar koffie uit de Caribische kolonies.



6. Diamant. Alleen de Fransen hebben twee woorden nodig om de joailliers, de grootste kunstenaar in de juwelenwereld, te onderscheiden van de bijoutiers, gewone handwerkers. Vóór de zeventiende eeuw dacht niemand ooit aan diamanten. In een paar geschriften uit de Renaissance staan ze wat betekenis betreft op de achttiende plaats, ruim na robijnen, saffieren en natuurlijk de edelsteen die in de Renaissance alle stenen in zijn schaduw stelde: de parel. Lodewijks honger naar diamanten zorgde er echter voor dat de relatief onbekende diamant de parel helemaal overvleugelde.

7. Straatverlichting. Voordat Lodewijk de Veertiende aan de macht kwam, schitterden steden niet na de schemering. Ze waren in totale duisternis gedompeld, zodat de straten van de stad maar moeilijk met enige vorm van amusement in verband konden worden gebracht. Lodewijk besefte dat Parijs nooit aan zijn ambities zou beantwoorden en de nieuwe hoofdstad van luxe glamour kon worden voordat de stijl die de stad overdag uitstraalde ook ’s nachts kon bestaan. Hij stelde Nicolas de La Reynie aan als burgemeester/hoofdcommisaris van politie die de vaste verlichting in de stad introduceerde in plaats van de losse fakkeldragers. Dit betekende een boom van het nachtleven en een navenante omzet voor de handelszaken. De wegen werden geplaveid, de uithangborden moesten aan een aantal uniforme eisen voldoen, de eerste boulevards werden aangelegd. Tussen 1670 en 1700 ontstond er een hausse in reizen naar Parijs. Voorheen waren het alleen diplomaten, pelgrims en avonturiers die flinke reizen maakten -- bijna niemand kwam ooit op het idee om naar een buitenlandse stad te gaan enkel en alleen om er de bezienswaardigheden te bekijken en de plaatselijke genoegens te beleven.

8. Spiegels. Tot de zestiende eeuw waren er weinig mensen die zelfs ooit maar een glazen spiegel hadden gezien, laat staan zichzelf hadden bekeken in een spiegel. De Venetianen luidden het gouden tijdperk van de spiegel in toen ze laat in de vijftiende eeuw de kunst ontdekten om helder, kleurloos glas te vervaardigen in plaats van het groenige glas dat ze tot die tijd maakten. In het begin van de jaren zestig van de zeventiende eeuw, toen Lodewijk de Veertiende voor het eerst de mogelijkheden inzag die de spiegel bood voor de inrichting van het interieur, kwamen alle spiegels uit Venetië en de grootste die ooit was geproduceerd was maar 71 centimeter hoog. Onder invloed van Colbert ontwikkelden Franse spiegelmakers een nieuwe technologie: spiegels werden niet langer geblazen, maar gegoten.

9. Parfum. Tijdens de hele Renaissance en tot het begin van de zeventiende eeuw was Italië de marktleider op parfumgebied: pastilles die moesten verbrand worden, potpourri, aromatische poeders of zeep, geparfumeerde handschoenen, you name it. Geen van die dingen was een zeventiende-eeuwse uitvinding. Maar toen in de zeventiende eeuw de productiemethoden moderner werden, waren de Fransen erbij. Schoonheidsrituelen (het maken van de toilette) werden populairder door de verkrijgbaarheid van spiegels. Onder leiding van de Franse Oost-Indische Compagnie werden er geurstoffabrieken opgericht op de Franse eilanden. Lodewijk de Veertiende kreeg alleen maar migraine en opvliegers van parfum, zodat dit een tak was die hij verhoudingsgewijs niet erg stimuleerde. Zodoende waren de Fransen waren niet de eersten die de sterk geconcentreerde alcohol distilleerden die nodig is bij de moderne parfumbereiding of de techniek beheersten waarmee deze alcohol in contact met de bloemen werd gebracht. Dat gebeurde in Keulen door Gian Paolo Feminis (eau de cologne). In 1884 kocht een Frans concern wél het familiebedrijf over.

10. De paraplu. Tot laat in de zeventiende eeuw fungeerden parasollen (aparte paraplu's bestonden nog niet) als statussymbool. Ze waren zwaar en onhandelbaar, en werden vooral toevertrouwd aan bedienden. Tegen de regen beschermde men zich liever met hoeden met een brede rand, of met zware capes. Pas op het einde van de zeventiende eeuw kwam de paraplu, met het mechanisme om hem op te vouwen als een bevrijding. Dames kregen er een bepaalde graad van onafhankelijkheid door. Lodewijk verleende zijn koninklijk privilege aan de uitvinder, te vergelijken met onze moderne patenten.

11. Champagne. Dom Pérignon (1639-1715) mengde druiven van verschillende wijngaarden, verschillende kwaliteit en verschillende gradaties van rijpheid, want hij wist dat de wijn veel meer schuimde als de druiven waren geplukt voordat ze helemaal rijp waren. Tevens had hij als eerste door dat een tweevoudig fermentatieproces essentieel is om gewone wijn in mousserende wijn te laten veranderen. De Spaane kurkindustrie heeft Pérignon lang vereerd als degene die haar op de kaart heeft gezet toen hij ontdekte dat er kurken nodig waren om de champagne bruisend te houden.

12. De winkelervaring, meubelen, antiek en woningdecoratie. Vóór de jaren zestig van de zeventiende eeuw was de verzamelwereld klein en privé. Toen vond, rond 1665, een revolutie op winkelgebied plaats: de koopwaar werd anders uitgestald en een nieuw genre artikelen werd aangeboden. Er ontstond openlijke competitie en beurzen waar kostbaarheden naast elkaar werden gepresenteerd. De koopwaar vond zijn weg van het privé-museum naar woonkamers overal in Europa. Tot de zeventiende eeuw bloeide de middeleeuwse traditie van jaarmarkten (zoals de Foire Saint-Germain) over heel Europa. Maar toen maakte de primitieve kermisachtige ambiance van de jaarmarkten plaats voor de oervorm van het kopen in boetieks, maar dan in openlucht: markthandelaren boden een zo chique mogelijke winkelervaring aan met elegante standjes en verfijnde koopwaar. Ze maakten van deftig inkopen doen een vrolijk winkeltheater. Modes: oriëntaalse stijl, lachinage, japannerie. Specialiteit van de Franse ébénistes (schrijnwerkers): vernissen, ingewikkeld inlegwerk en vergulden.

Na de prettige lectuur van De essentie van stijl blijft vooral de twijfel knagen. Kan één man zo'n grote impact hebben op de cultuurgeschiedenis, of hebben we hier te maken met een hoogleraar die haar vakgebied overschat? Is zij selectief geweest in haar keuzes om een mooi coherent boek te kunnen schrijven? De link met Lodewijk de Veertiende is soms toch wat vaag. En wat met andere aantoonbare luxe-produkten als dure vervoermiddelen, sigaren, horloges, chocolade, thee, whisky, geraffineerde tuinarchitectuur, kant?

[afbeelding: Café Procope heden ten dage]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte, selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Joan DeJean, De essentie van stijl
336 p.
Uitgeverij Mouria, 2005
Oorspr. The essence of style : how the French invented high fashion,

fine food, chic cafés, style, sophistication, and glamour (2005)
Vertaald door Sonja van Wierst
____

Related Posts with Thumbnails