De andere kleuren - Orhan Pamuk
De andere kleuren is een weergaloze bundel mengelwerk. Niet omdat Orhan Pamuk zo erudiet zou zijn, maar door de elegantie waarmee hij becommentarieert hoe de Turkse en Europese cultuur hem hebben gevormd. Hij spreekt niet luid, maar hij articuleert goed. Altijd verstaanbaar. Wat een innemende man ook, Pamuk. Met zijn heldere stijl schept hij even de illusie dat het schrijven van waardevolle literatuur binnen ieders handbereik ligt.
1. De schrijver van De andere kleuren zoekt vaak zijn toevlucht in een opsomming van genummerde opmerkingen, als hij even geen zin heeft in bindteksten of gezochte verbanden. (Het aardigst gebeurt dat in ‘Wat ik over honden weet’.) Waarom zou ik dat dan niet mogen doen?
2. Orhan Pamuk werd geboren in 1952 in Istanbul, de stad waar hij nog steeds woont. Hij groeide op in de kringen van de gegoede middenklasse, in de wijken Nisantasi en Beyoglu -- het verwesterde, kosmopolitische deel van de stad. Zijn familie verdiende in de beginjaren van de Turkse republiek veel geld met de aanleg van de spoorwegen. Pamuk volgde les aan het Robert College, een seculier instituut, op westerse leest geschoeid. Ergens in deze bundel vertelt hij ook prachtig over de communicatiestoornissen toen hij een tijdje Franstalig onderwijs genoot in Genève: "Op een goeie dag weigerde ik naar school te gaan, zoals je in opstand komt tegen een droom waarin je niet kunt praten." Pamuk groeide uit van een gemankeerde architect tot een van de grote Europese auteurs. Hij won de Nobelprijs in 2006.
3. Laat u niet afschrikken door het taaie begin van De andere kleuren. Velen zullen afknappen op de licht poëtische stukjes die Pamuk in de periode 1996-1998 schreef voor het politiek-humoristische weekblad Öküz (‘Rund’). Stukjes van het type ‘Over de meeuw op het dak tegenover mijn schrijftafel’. Pas bij de sociologische dwarsdoorsnedes van Istanbul (de broodjeszaken, de eilanden van de hoofdstad, de veerboten op de Bosporus!) komt Pamuk op kruissnelheid.
4. De andere kleuren vormde een belangrijk correctief op het beeld dat ik had van Turkije, dat voornamelijk gevoed was door grijze nieuwsberichten over Turkijes Europa-politiek en het migrantenprobleem in België. Pamuk noemt zichzelf een schrijver in de periferie van Europa, levend op de intellectuele grens tussen Oost en West, voortdurend zoekend naar een vruchtbare synthese tussen de twee. "Van schizofrenie word je intelligent." In verband met dat perifere: een mooi stuk over Mario Vargas Llosa bergt een alternatieve definitie in zich van het begrip 'derdewereldliteratuur' en het wezenlijke van derdewereldschrijvers.
Deze originaliteit komt niet zozeer voort uit de plaats waar de auteur zijn werk schrijft, als wel uit het besef van de auteur dat hij schrijf ver van het centrum van de wereldliteratuur, uit de afstand die hij in zichzelf voelt.5. Wat die Oost-Westsynthese betreft: Pamuk is een voorstander van de "verwestersing" (het woord valt zeker twintig keer) en rouwt niet over de teloorgang van het Osmaanse Rijk. Maar hij heeft wel kritiek op het gebrek aan zelfvertrouwen van de heersende elite, de bureaucratie en de nieuwe rijken, die het repertoire aan oude symbolen en rituelen aan de kant schuift. De bouwwoede in Istanbul hangt bijvoorbeeld nauw samen met het verlangen van de Turkse republiek om de christelijke en kosmopolitische structuur van de stad, de overblijfselen van Byzantium en zelfs die van het Osmaanse Rijk, te vergeten. In het licht van die verdringingsoperatie moet ook het proces gezien worden dat de Turkse overheid aanspande tegen Pamuk, toen deze in de pers de genocide in 1915 op de Armeniërs aankaartte.
Naipaul is de eerste geweest die ons eraan heeft herinnerd hoe meedogenloos de nieuwe dominante elites zich kunnen opstellen die in niet-westerse samenlevingen in een postkoloniaal tijdperk opkomen, ten aanzien van misdaden en moorden uit het nabije verleden.6. Over bouwwoede gesproken. Pamuks reportages over de aardbeving in Istanbul van 1999 en de daaropvolgende angstpsychose (gevoed door experten die tegenstrijdige dingen verkondigen) zijn hoogtepunten in De andere kleuren. Het toont de corruptie aan van de overheid en de bouwheren in een land waar zelfs de satirische bladen van de oppositie geheime subsidie krijgen van de regerende partij.
Niet alleen de mensen die naar een adres vroegen, naar vermisten informeerden, klaagden over de overheid en aannemers, ook degenen die treurden over de doden en de stervenden begonnen je meteen, zonder dat iemand iets vroeg, hun verhaal te vertellen. De ramp had iedereen het gevoel gegeven dat de wereld eigenlijk een heel andere plek was. De geheimste en meest meedogenloze regels van het leven leken nu aan de oppervlakte te zijn gekomen, precies zoals door de ingestorte en omgevallen muren het interieur van de huizen met hun hele inboedel ineens zichtbaar was geworden.7. De andere kleuren is zeker ook te lezen als een broodnodige inleiding bij de Turkse literatuur: Aziz Nesin, Ahmet Hamdi Tanpınar, Yaşar Kemal, Oğuz Atay, Nahit Sırrı Örik, Abdullah Ziya Kozanoğlu, Evliya Çelebi, Reşat Nuri Güntekin, Çetin Altan. Beschouw deze namen als de positieve uitzonderingen op het sombere beeld dat Pamuk van de Turkse literaire scène ophangt. Het uitgeverswezen, de boekhandel en de bibliotheek staan op een laag pitje in Turkije. Beroerd is de voorraad vertalingen van grote Europese auteurs. Pamuk heeft een potige boekencollectie onder de pannen thuis, simpelweg omdat er geen uitgebreide openbare bibliotheek voorhanden is. Ook het beroep van schrijver is niet vanzelfsprekend in Turkije. Dichters kunnen er bogen op een traditie die een enorme prestige geniet. Het is populair en het staat in aanzien om dichter te zijn. De meeste Osmaanse sultans en staatslieden waren dichters. Maar romanschrijvers leiden er, nog steeds, een klerkenbestaan. Literatuur wordt in Turkije in de eerste plaats gezien als een manier om zich te onderscheiden, om te behoren tot een bepaalde klasse, niet als uitdrukkingsmiddel. Literatuur moet een doel hebben en het vaderland en de rest van de bevolking dienen. "In plaats van te genieten van teksten worden we veeleer bekoord door hun autoriteiten." Nut wint het van leesplezier.
8. In dit klimaat, vol taboes, religieuze verboden, nauwlettende overheid en knellende familieverhoudingen behoorde Pamuk tot een van de eerste die het juk van het realisme aflegt. Modernisten als Borges en Calvino bevrijden hem. Wat zijn positie als Einzelgänger betreft, voelt Pamuk zich verwant aan een Toergenjev, toen deze naar Baden-Baden vertrok om zich met huid en haar op een leven te storten dat met Rusland niets te maken had:
Maar aan de andere kant heb ik heel vaak gedacht dat het beste is om in Turkije te blijven, me in een kamer op te sluiten, en aan een reis te beginnen die jaren zal duren en naar binnen toe steeds breder wordt, een reis in geschrifte zonder duidelijke bestemming. In feite is dat ook wat ik heb gedaan in de periode 1975-1982, toen het politieke geweld in het land, de moorden, de repressie van de staat, de martelingen en verboden een hoogtepunt bereikten. Je in een kamer opsluiten om met allegorieën, vaagheden, stiltes en niet onder controle gehouden stemmen een nieuwe geschiedenis of een verhaal te schrijven is natuurlijk beter dan weer een volgende geschiedenis van tekortkomingen op papier te zetten die de tekortkomingen met andere tekortkomingen probeert te verklaren. Om aan zo’n geschreven reis te beginnen hoef je niet precies te weten waar je heen gaat; het is genoeg te weten waar je niet wilt zijn.9. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat politieke stukken niet Pamuks fort zijn. "Ik weet dat ik mijn idee over het leven niet kan simplificeren tot eenstemmige muziek en één enkel gezichtspunt. Ik ben een romanschrijver die zich ten doel stelt om zich te vereenzelvigen met al zijn personages, vooral me de slechte."
10. Desalniettemin herlezen: de prachtige parabel ‘Verboden toegang'.
11. De andere kleuren is in de eerste plaats een boek van een schrijver voor wie literatuur een levensbehoefte is. Het bevat dan ook prachtige observaties over lezen en herlezen (o.a. het meermaals herlezen van Duizend-en-één-nacht).
Een boek bij je hebben, in je jaszak of je tas, betekent dat je in je jaszak of je tas een andere wereld bij je hebt die je, vooral als je je ongelukkig voelt, gelukkig kan maken.
[...]
Tussen mijn zestiende en zesentwintigste was lezen een onderdeel van het proces om mezelf te maken tot wie ik was, mijn eigen ziel bewust vorm te geven. Wat voor iemand moest ik worden? Wat voor betekenis had de wereld? Wat waren de consequenties van de onderwerpen, de fantasieën, de plaatsen waarover ik zou kunnen nadenken, waarvoor ik me kon interesseren? Ik wist dat wanneer ik in verhalen en artikelen volgde wat anderen meemaakten, waarvan ze droomden, wat ze dachten, ik net als een klein kind dat voor de allereerste keer de bomen, bladeren of katten ziet, deze kennis in mijn geheugen zou opslaan, op een plek zo diep dat ik die nooit meer zou vergeten. Met de kennis die ik opdeed uit wat ik las, zou ik de weg uitstippelen die leidde naar de persoon die ik wilde worden… Omdat lezen op die leeftijd zo argeloos en onbevangen deel uitmaakte van de onderneming om mezelf te maken, vorm te geven, was het in die periode voor mij een intensieve en speelse activiteit, waar de nodige verbeeldingskracht bij kwam kijken.
[...]
Iets anders waardoor lezen voor ons iets is waar we gelukkig van worden, is de illusie dat we onszelf verdiepen. Als we een boek lezen, zit een deel van ons verstand niet ten volle bij de tekst maar is bezig ons ermee te complimenteren dat we lezen, dat we zoiets diepzinnigs en verstandigs doen. Proust beschrijft goed hoe een deel van onze geest zich niet zozeer openstelt voor het boek dat we aan het lezen zijn, als wel voor de lamp waarvan het licht op het doek valt of de tafel waar we aan zitten, voor de tuin waar we ons hebben geïnstalleerd of het landschap. Iets in deze aandacht feliciteert ons met onze eigen eenzaamheid, met de werking van onze verbeeldingskracht, het feit dat we ‘diepzinniger’ zijn dan de anderen die geen boeken lezen. Ik kan het volgen wanneer iemand die boeken leest zich met deze keuze complimenteert, zolang dat maar met mate gebeurt; ik houd er niet van als dat vol trots wordt aangedikt.
[...]
We kijken op van de tekst die we lezen, richten onze blik op een schilderij aan de muur, kijken door het raam naar buiten, of naar het landschap voor ons, alleen houdt ons verstand zich niet bezig met wat we zien, maar met het tot leven brengen van die andere wereld waar we vlak daarvoor over hebben gelezen. Om die andere wereld die de schrijver heeft bedacht, zelf te kunnen zien, om gelukkig te kunnen zijn, moet onze verbeeldingskracht aan het werk. Dat geeft ons de indruk dat we niet alleen de lezer zijn van de tekst die we lezen, van die andere gelukkige wereld, maar er ook deel van uitmaken, er zelfs een beetje de schepper van zijn, en op die manier worden we uitgenodigd tot een intiem geluk. Het is precies dit intieme geluk dat het lezen van boeken, het lezen van een goed literair werk zo onmisbaar maakt.
[...]
Boektitels zijn in ons hoofd als de namen van mensen: ze dienen om een boek te onderscheiden van zijn miljoenen soortgenoten. Boekomslagen echter zijn als de gezichten van mensen: ofwel ze herinneren ons in alle hevigheid aan iets wat we hebben meegemaakt en ons gelukkig maakte, ofwel ze bergen de belofte in zich van een gelukkige wereld die ons onbekend is. Daarom kijken we naar boekomslagen zoals we naar de gezichten van mensen kijken, vol verlangen.

12. Tot de vurigste bladzijden van De andere kleuren behoren deze waarin Pamuk getuigenis aflegt van de schrijvers die hem tijdens zijn formatieve jaren hebben begeesterd. Toevallig maakt Pamuk voor mij de juiste keuze qua besproken auteurs (Dostojevski en niet Tolstoj; Camus en niet Sartre). De opstellen over Dostojevski (p. 182-201) vertellen erg goed waar het bij de Rus om draait: de ethische tweespalt, het plezier vernederd te willen worden, de politieke rancune (de jaloezie, woede en trots geen Europeaan te kunnen zijn). Mijn overrompelende ervaring bij het lezen van zijn vier grote romans weet Pamuk wonderwel te vatten ("het leek wel of Dostjoveski me een angstaanjagend geheim influisterde").
Over Boze geesten:
Geen van de romans die ik tot dan toe had gelezen had me zo wezenlijk geschokt, geen enkel verhaal had me zulke ontstellende kennis bijgebracht over de menselijke geest en zijn karakter. Het schokkende van de reikwijdte te zien van het menselijk verlangen naar macht en van vergevingskracht, van het talent om jezelf en anderen voor de gek te houden en van de vastbeslotenheid een geloof te vinden, van liefde en haat, van belangstelling voor het heiligste en hang naar het ordinairste, om in te zien dat deze eigenschappen eigenlijk altijd naast elkaar bestaan, en om al deze gevoelens en stemmingen te ervaren in combinatie met de heftige plot van het boek, vol dood, politiek en misleiding. Mijn verbijstering kwam voort uit het feit dat ik in één keer met al deze kennis en ervaringen werd geconfronteerd en dat dit in grote vaart gebeurde. Die vaart is misschien wel waarin de romankunst vooral zo superieur is: met dezelfde snelheid waarmee de personages van alles ervaren en meemaken, rondrennen en tegenspartelen, gaan er in grote romans compleet nieuwe werelden voor ons open, die we geloven zoals we ook de personages geloven. Met diezelfde geestdrift geloofde ik in de profeetachtige stem van Dostojevski en de wereld van zijn personages, die er zo van houden bekentenissen te doen.Over De broers Karamazov:
Zoals alle grote boeken dat op het eerste moment doen, liet De broers Karamazov me voelen dat ik niet alleen op de wereld was, en tegelijkertijd dat ik eenzaam en hulpeloos ergens in mijn eentje in een hoekje zat. Terwijl ik met plezier toekeek hoe de roman allerlei dingen traag voor me ontvouwde, voelde ik dat ik niet alleen was, want zoals me meestal overkomt als ik grootste boeken lees, leek het bijna wel of ik me die schokkende gedachten herinnerde, of ik die dingen zelf eerder ook al had gedacht, of ik bepaalde scènes, voorstellingen die me kippenvel bezorgden zelf had meegemaakt. Maar aan de andere kant gaf de eerste lezing van het boek me ook een gevoel van eenzaamheid omdat het me een aantal fundamentele dingen over het leven liet zien waar niemand het over had, die niemand vertelde. Het leek wel of ik de eerste was die het boek las. Dostojevski leek speciaal mij dingen over de mens en het leven in het oor te fluisteren die verder niemand wist. Die bijzondere kennis was zo krachtig en schokkend dat ik, als ik ’s avonds met mijn ouders aan tafel zat te eten, of als ik in de drukke gangen van de Technische Universiteit vol politieke discussies zoals gewoonlijk met mijn studiegenoten van architectuur probeerde te kletsen, voelde hoe het boek zich in mijn binnenste roerde, voelde dat het leven voor mij niet meer hetzelfde zou zijn, dat vergeleken met die verbijsterende wereld mijn eigen leven en problemen maar klein en onbeduidend waren.13. Pamuk heeft er een handje van weg om auteurs heel precies te typeren. "Een schoonheid waarvoor in een Faustachtig verbond de prijs van wreedheid en iets sinisters moet worden betaald," zegt Pamuk over Nabokov. "Wat het lezen van Nabokov tot een groot genoegen maakt, is dat we de meedogenloze waarheid dat onze levens op geen enkele manier passen bij de eigen interne logica van de wereld, opvatten als pure schoonheid." Over de schrijver van De pest: "Camus’ originaliteit komt voort uit het gemak waarmee hij de Franse traditie van de filosofische roman, die humoristisch van toon is, of juist een pedante en autoritaire auteursstem heeft, weet te paren aan het in korte zinnen geschreven realistische verhaal à la Hemingway." De andere kleuren bevat voorts een mooi opstel over Tristram Shandy. En Pamuk leest het dagboek van Gide na op zijn opvattingen over Turkije.
14. De lezing ‘Ahmet Hamdi Tanpınar en het Turkse modernisme’ is een perfecte beginnerscursus over de verworvenheden van het modernisme. Met uitgebreide stijlcitaten uit het werk van Tanpinar legt Pamuk het verschil uit tussen het realisme en het modernisme als narratieve strategie.
Onder modernisme in de literatuur versta ik niet alleen een verzet tegen wat traditioneel is, maar een algehele distantie tot de geest van de samenleving, het gemeenschapsgevoel. De modernistische literatuur heeft het kenmerk van ‘representatie’, een van de sterkste kanten van de traditionele literatuur, verbroken. Literatuur vertegenwoordigde niet langer de realiteit, tekst was geen spiegel van het leven. Tekst was een activiteit die gericht was tegen het leven, een compleet andere wereld met een geheel eigen structuur, een nieuw universum dat totaal op zichzelf stond. De teksten die werden geproduceerd door modernistische auteurs waren geen plek waar de bestaande wereld werd weerspiegeld, waar de regels en geheimen van de wereld werden verklaard. In de modernistische optiek is de literaire activiteit geen schrijven met het doel het leven vast te leggen zoals het is, het is een activiteit die puur alleen wordt uitgevoerd, die in zichzelf gekeerd is en in die introvertie haar betekenis toont. (…) ‘Ik houd zo van de tekst, van de interne mogelijkheden die dat voor me opent,’ lijkt onze modernistische romancier te willen zeggen, ‘dat ik het niet over mijn hart kan verkrijgen om rechttoe rechtaan naar het leven te verwijzen.’15. In het revelerende stuk ‘De dromen van de dichter, het happen van de honden’ wordt verteld hoe Pamuk nare ervaringen of figuren recycleert in zijn romans. Een kloek deel van het boek bevat trouwens uitlatingen van de schrijver over zijn werk. Voorwoorden, flarden uit interviews, het interview met The Paris Review. Pamuk komt erin naar voren als een moderne romanticus die de koppigheid, geduld en wanhoop bij het schrijven hoger inschat dan wat hij noemt zijn "rationele artisticiteit".
Het zwarte boek heeft me doen inzien dat niet de mate waarin de door het boek opgeworpen literaire, vormelijke problemen zijn opgelost de maatstaf is voor het succes van een boek, maar de omvang, het belang van deze problemen, en de omvang van de wanhopige inspanningen die de schrijver zich getroost om ze op te lossen. Wat minstens even moeilijk is als het schrijven van goede boeken, is het vinden van onderwerpen die van de schrijver voortdurend alles vragen, al zijn kracht, creativiteit, zijn hele leven. (…) Je bent de eerste die op die plek arriveert; dat is ook je eerste echte troost.16. Belangrijk is dat ik heel begerig ben geworden naar de rest van Pamuks boeken. Het zou wel eens kunnen dat ik met De witte vesting en Het huis van de stilte per ongeluk juist die werken gelezen heb waar ik het minst mee kon.
[...]
Het verzinnen van het detectivegedeelte in Ik heet Karmozijn en de verdeling daarvan over het boek gingen me heel gemakkelijk af. Toch ben ik er niet trots op. Wat het is, je schrijft een boek, je vraagt iemand of hij het mooi vindt, en die zegt vervolgens van wel, maar tegelijkertijd is dat niet het enige wat je wilt, je wilt ook dat die persoon het boek om een andere reden mooi vindt. Ik wilde dat de wereld van de afbeeldingen waarover ik het heb, de wereld van de miniaturisten, in het boek weerspiegeld wordt. Ik wilde graag dat de lezer iets zou horen over mijn opvattingen over stijl, over persoonlijkheid, over anders zijn dan de anderen, dat hij zich bewust zou worden van prachtige afbeeldingen en de vreemde en unieke wereld die ze vormen. Ik wilde graag dat de lezer zou zien hoe deze onderwerpen, die me zo na aan het hart liggen, een geheel worden. Vooral bij het beschrijven van de afbeeldingen, als mijn personages nadenken over stijl, karakter en tijd, voelde ik me sterk…
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
Orhan Pamuk, De andere kleuren : beschouwingen en een verhaal
525 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2008
Oorspr. Öteki renkler : seçme yazılar ve bir hikâye (1999)
Vertaald door Hanneke van der Heijden

"Antoine Galland (1646-1715) was a French orientalist and archaeologist, most famous as the first European translator of The Thousand and One Nights (also known as The Arabian Nights in English). His version of the tales appeared in twelve volumes between 1704 and 1717 and exerted a huge influence on subsequent European literature and attitudes to the Islamic world."
"Elsa Yur'evna Triolet (1896-1970) was a French writer. She was the first to translate Mayakovsky's poetry to French. Later she divorced Triolet. In the early 1920s, Elsa described her visit to Tahiti in her letters to Victor Shklovsky, who subsequently showed them to Maxim Gorky. Gorky suggested that the author should consider a literary career. The 1925 book In Tahiti, written in Russian, was based on these letters. In 1928 Elsa met French writer Louis Aragon. They married and stayed together for 42 years. She influenced Aragon to join the French Communist Party."
"Gaston Louis Alfred Leroux (1868-1927) was a French journalist and author of detective fiction. In the English-speaking world, he is best known for writing the novel The Phantom of the Opera (Le Fantôme de l'Opéra, 1910), which has been made into several film and stage productions of the same name, such as the 1925 film starring Lon Chaney; and Andrew Lloyd Webber's 1986 musical. It was also the basis of the 1990 novel Phantom by Susan Kay."








"Etienne-Joseph-Théophile Thoré (1807-1869), auch unter den Namen William Bürger, Thoré-Bürger und Bürger-Thoré bekannt, war ein französischer Kunsthistoriker. Er sammelte zudem Kunst und arbeitete als Kritiker beim Pariser Salon. Besonders bedeutend war seine Wiederentdeckung Jan Vermeers. (...) Ab 1855 nutzte er das Pseudonym Willem Bürger, als er damit begann, seine Arbeit auf nordeuropäische Kunst zu fokussieren. Dabei sichtete er viel Archivmaterial. Ihm wird die Wiederentdeckung Jan Vermeers zugeschrieben. Daneben trug er auch zum Wissen über andere niederländische Künstler des 17. Jahrhunderts wie etwa Frans Hals bei."
"Per Hallström (1866-1960) was a Swedish author and member of the Swedish Academy. He joined the academy in 1908, and served as its Permanent Secretary from 1931 to 1941. Swedish short-story writer, dramatist, and poet. Before devoting himself to writing, Hallström worked in London and Chicago as a chemist. He is appreciated primarily for his collections of short stories, such as Purpur [purple] (1895) and Thanatos [death] (1900). His major works, written before 1910, combine profound compassion with a sensitive awareness of beauty."