vrijdag 30 januari 2009

De andere kleuren - Orhan Pamuk

De andere kleuren is een weergaloze bundel mengelwerk. Niet omdat Orhan Pamuk zo erudiet zou zijn, maar door de elegantie waarmee hij becommentarieert hoe de Turkse en Europese cultuur hem hebben gevormd. Hij spreekt niet luid, maar hij articuleert goed. Altijd verstaanbaar. Wat een innemende man ook, Pamuk. Met zijn heldere stijl schept hij even de illusie dat het schrijven van waardevolle literatuur binnen ieders handbereik ligt.

1. De schrijver van De andere kleuren zoekt vaak zijn toevlucht in een opsomming van genummerde opmerkingen, als hij even geen zin heeft in bindteksten of gezochte verbanden. (Het aardigst gebeurt dat in ‘Wat ik over honden weet’.) Waarom zou ik dat dan niet mogen doen?

2. Orhan Pamuk werd geboren in 1952 in Istanbul, de stad waar hij nog steeds woont. Hij groeide op in de kringen van de gegoede middenklasse, in de wijken Nisantasi en Beyoglu -- het verwesterde, kosmopolitische deel van de stad. Zijn familie verdiende in de beginjaren van de Turkse republiek veel geld met de aanleg van de spoorwegen. Pamuk volgde les aan het Robert College, een seculier instituut, op westerse leest geschoeid. Ergens in deze bundel vertelt hij ook prachtig over de communicatiestoornissen toen hij een tijdje Franstalig onderwijs genoot in Genève: "Op een goeie dag weigerde ik naar school te gaan, zoals je in opstand komt tegen een droom waarin je niet kunt praten." Pamuk groeide uit van een gemankeerde architect tot een van de grote Europese auteurs. Hij won de Nobelprijs in 2006.

3. Laat u niet afschrikken door het taaie begin van De andere kleuren. Velen zullen afknappen op de licht poëtische stukjes die Pamuk in de periode 1996-1998 schreef voor het politiek-humoristische weekblad Öküz (‘Rund’). Stukjes van het type ‘Over de meeuw op het dak tegenover mijn schrijftafel’. Pas bij de sociologische dwarsdoorsnedes van Istanbul (de broodjeszaken, de eilanden van de hoofdstad, de veerboten op de Bosporus!) komt Pamuk op kruissnelheid.

4. De andere kleuren vormde een belangrijk correctief op het beeld dat ik had van Turkije, dat voornamelijk gevoed was door grijze nieuwsberichten over Turkijes Europa-politiek en het migrantenprobleem in België. Pamuk noemt zichzelf een schrijver in de periferie van Europa, levend op de intellectuele grens tussen Oost en West, voortdurend zoekend naar een vruchtbare synthese tussen de twee. "Van schizofrenie word je intelligent." In verband met dat perifere: een mooi stuk over Mario Vargas Llosa bergt een alternatieve definitie in zich van het begrip 'derdewereldliteratuur' en het wezenlijke van derdewereldschrijvers.

Deze originaliteit komt niet zozeer voort uit de plaats waar de auteur zijn werk schrijft, als wel uit het besef van de auteur dat hij schrijf ver van het centrum van de wereldliteratuur, uit de afstand die hij in zichzelf voelt.
5. Wat die Oost-Westsynthese betreft: Pamuk is een voorstander van de "verwestersing" (het woord valt zeker twintig keer) en rouwt niet over de teloorgang van het Osmaanse Rijk. Maar hij heeft wel kritiek op het gebrek aan zelfvertrouwen van de heersende elite, de bureaucratie en de nieuwe rijken, die het repertoire aan oude symbolen en rituelen aan de kant schuift. De bouwwoede in Istanbul hangt bijvoorbeeld nauw samen met het verlangen van de Turkse republiek om de christelijke en kosmopolitische structuur van de stad, de overblijfselen van Byzantium en zelfs die van het Osmaanse Rijk, te vergeten. In het licht van die verdringingsoperatie moet ook het proces gezien worden dat de Turkse overheid aanspande tegen Pamuk, toen deze in de pers de genocide in 1915 op de Armeniërs aankaartte.
Naipaul is de eerste geweest die ons eraan heeft herinnerd hoe meedogenloos de nieuwe dominante elites zich kunnen opstellen die in niet-westerse samenlevingen in een postkoloniaal tijdperk opkomen, ten aanzien van misdaden en moorden uit het nabije verleden.
6. Over bouwwoede gesproken. Pamuks reportages over de aardbeving in Istanbul van 1999 en de daaropvolgende angstpsychose (gevoed door experten die tegenstrijdige dingen verkondigen) zijn hoogtepunten in De andere kleuren. Het toont de corruptie aan van de overheid en de bouwheren in een land waar zelfs de satirische bladen van de oppositie geheime subsidie krijgen van de regerende partij.
Niet alleen de mensen die naar een adres vroegen, naar vermisten informeerden, klaagden over de overheid en aannemers, ook degenen die treurden over de doden en de stervenden begonnen je meteen, zonder dat iemand iets vroeg, hun verhaal te vertellen. De ramp had iedereen het gevoel gegeven dat de wereld eigenlijk een heel andere plek was. De geheimste en meest meedogenloze regels van het leven leken nu aan de oppervlakte te zijn gekomen, precies zoals door de ingestorte en omgevallen muren het interieur van de huizen met hun hele inboedel ineens zichtbaar was geworden.
7. De andere kleuren is zeker ook te lezen als een broodnodige inleiding bij de Turkse literatuur: Aziz Nesin, Ahmet Hamdi Tanpınar, Yaşar Kemal, Oğuz Atay, Nahit Sırrı Örik, Abdullah Ziya Kozanoğlu, Evliya Çelebi, Reşat Nuri Güntekin, Çetin Altan. Beschouw deze namen als de positieve uitzonderingen op het sombere beeld dat Pamuk van de Turkse literaire scène ophangt. Het uitgeverswezen, de boekhandel en de bibliotheek staan op een laag pitje in Turkije. Beroerd is de voorraad vertalingen van grote Europese auteurs. Pamuk heeft een potige boekencollectie onder de pannen thuis, simpelweg omdat er geen uitgebreide openbare bibliotheek voorhanden is. Ook het beroep van schrijver is niet vanzelfsprekend in Turkije. Dichters kunnen er bogen op een traditie die een enorme prestige geniet. Het is populair en het staat in aanzien om dichter te zijn. De meeste Osmaanse sultans en staatslieden waren dichters. Maar romanschrijvers leiden er, nog steeds, een klerkenbestaan. Literatuur wordt in Turkije in de eerste plaats gezien als een manier om zich te onderscheiden, om te behoren tot een bepaalde klasse, niet als uitdrukkingsmiddel. Literatuur moet een doel hebben en het vaderland en de rest van de bevolking dienen. "In plaats van te genieten van teksten worden we veeleer bekoord door hun autoriteiten." Nut wint het van leesplezier.

8. In dit klimaat, vol taboes, religieuze verboden, nauwlettende overheid en knellende familieverhoudingen behoorde Pamuk tot een van de eerste die het juk van het realisme aflegt. Modernisten als Borges en Calvino bevrijden hem. Wat zijn positie als Einzelgänger betreft, voelt Pamuk zich verwant aan een Toergenjev, toen deze naar Baden-Baden vertrok om zich met huid en haar op een leven te storten dat met Rusland niets te maken had:
Maar aan de andere kant heb ik heel vaak gedacht dat het beste is om in Turkije te blijven, me in een kamer op te sluiten, en aan een reis te beginnen die jaren zal duren en naar binnen toe steeds breder wordt, een reis in geschrifte zonder duidelijke bestemming. In feite is dat ook wat ik heb gedaan in de periode 1975-1982, toen het politieke geweld in het land, de moorden, de repressie van de staat, de martelingen en verboden een hoogtepunt bereikten. Je in een kamer opsluiten om met allegorieën, vaagheden, stiltes en niet onder controle gehouden stemmen een nieuwe geschiedenis of een verhaal te schrijven is natuurlijk beter dan weer een volgende geschiedenis van tekortkomingen op papier te zetten die de tekortkomingen met andere tekortkomingen probeert te verklaren. Om aan zo’n geschreven reis te beginnen hoef je niet precies te weten waar je heen gaat; het is genoeg te weten waar je niet wilt zijn.
9. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat politieke stukken niet Pamuks fort zijn. "Ik weet dat ik mijn idee over het leven niet kan simplificeren tot eenstemmige muziek en één enkel gezichtspunt. Ik ben een romanschrijver die zich ten doel stelt om zich te vereenzelvigen met al zijn personages, vooral me de slechte."

10. Desalniettemin herlezen: de prachtige parabel ‘Verboden toegang'.

11. De andere kleuren is in de eerste plaats een boek van een schrijver voor wie literatuur een levensbehoefte is. Het bevat dan ook prachtige observaties over lezen en herlezen (o.a. het meermaals herlezen van Duizend-en-één-nacht).
Een boek bij je hebben, in je jaszak of je tas, betekent dat je in je jaszak of je tas een andere wereld bij je hebt die je, vooral als je je ongelukkig voelt, gelukkig kan maken.

[...]

Tussen mijn zestiende en zesentwintigste was lezen een onderdeel van het proces om mezelf te maken tot wie ik was, mijn eigen ziel bewust vorm te geven. Wat voor iemand moest ik worden? Wat voor betekenis had de wereld? Wat waren de consequenties van de onderwerpen, de fantasieën, de plaatsen waarover ik zou kunnen nadenken, waarvoor ik me kon interesseren? Ik wist dat wanneer ik in verhalen en artikelen volgde wat anderen meemaakten, waarvan ze droomden, wat ze dachten, ik net als een klein kind dat voor de allereerste keer de bomen, bladeren of katten ziet, deze kennis in mijn geheugen zou opslaan, op een plek zo diep dat ik die nooit meer zou vergeten. Met de kennis die ik opdeed uit wat ik las, zou ik de weg uitstippelen die leidde naar de persoon die ik wilde worden… Omdat lezen op die leeftijd zo argeloos en onbevangen deel uitmaakte van de onderneming om mezelf te maken, vorm te geven, was het in die periode voor mij een intensieve en speelse activiteit, waar de nodige verbeeldingskracht bij kwam kijken.

[...]

Iets anders waardoor lezen voor ons iets is waar we gelukkig van worden, is de illusie dat we onszelf verdiepen. Als we een boek lezen, zit een deel van ons verstand niet ten volle bij de tekst maar is bezig ons ermee te complimenteren dat we lezen, dat we zoiets diepzinnigs en verstandigs doen. Proust beschrijft goed hoe een deel van onze geest zich niet zozeer openstelt voor het boek dat we aan het lezen zijn, als wel voor de lamp waarvan het licht op het doek valt of de tafel waar we aan zitten, voor de tuin waar we ons hebben geïnstalleerd of het landschap. Iets in deze aandacht feliciteert ons met onze eigen eenzaamheid, met de werking van onze verbeeldingskracht, het feit dat we ‘diepzinniger’ zijn dan de anderen die geen boeken lezen. Ik kan het volgen wanneer iemand die boeken leest zich met deze keuze complimenteert, zolang dat maar met mate gebeurt; ik houd er niet van als dat vol trots wordt aangedikt.

[...]

We kijken op van de tekst die we lezen, richten onze blik op een schilderij aan de muur, kijken door het raam naar buiten, of naar het landschap voor ons, alleen houdt ons verstand zich niet bezig met wat we zien, maar met het tot leven brengen van die andere wereld waar we vlak daarvoor over hebben gelezen. Om die andere wereld die de schrijver heeft bedacht, zelf te kunnen zien, om gelukkig te kunnen zijn, moet onze verbeeldingskracht aan het werk. Dat geeft ons de indruk dat we niet alleen de lezer zijn van de tekst die we lezen, van die andere gelukkige wereld, maar er ook deel van uitmaken, er zelfs een beetje de schepper van zijn, en op die manier worden we uitgenodigd tot een intiem geluk. Het is precies dit intieme geluk dat het lezen van boeken, het lezen van een goed literair werk zo onmisbaar maakt.

[...]

Boektitels zijn in ons hoofd als de namen van mensen: ze dienen om een boek te onderscheiden van zijn miljoenen soortgenoten. Boekomslagen echter zijn als de gezichten van mensen: ofwel ze herinneren ons in alle hevigheid aan iets wat we hebben meegemaakt en ons gelukkig maakte, ofwel ze bergen de belofte in zich van een gelukkige wereld die ons onbekend is. Daarom kijken we naar boekomslagen zoals we naar de gezichten van mensen kijken, vol verlangen.


12.
Tot de vurigste bladzijden van De andere kleuren behoren deze waarin Pamuk getuigenis aflegt van de schrijvers die hem tijdens zijn formatieve jaren hebben begeesterd. Toevallig maakt Pamuk voor mij de juiste keuze qua besproken auteurs (Dostojevski en niet Tolstoj; Camus en niet Sartre). De opstellen over Dostojevski (p. 182-201) vertellen erg goed waar het bij de Rus om draait: de ethische tweespalt, het plezier vernederd te willen worden, de politieke rancune (de jaloezie, woede en trots geen Europeaan te kunnen zijn). Mijn overrompelende ervaring bij het lezen van zijn vier grote romans weet Pamuk wonderwel te vatten ("het leek wel of Dostjoveski me een angstaanjagend geheim influisterde").

Over Boze geesten:
Geen van de romans die ik tot dan toe had gelezen had me zo wezenlijk geschokt, geen enkel verhaal had me zulke ontstellende kennis bijgebracht over de menselijke geest en zijn karakter. Het schokkende van de reikwijdte te zien van het menselijk verlangen naar macht en van vergevingskracht, van het talent om jezelf en anderen voor de gek te houden en van de vastbeslotenheid een geloof te vinden, van liefde en haat, van belangstelling voor het heiligste en hang naar het ordinairste, om in te zien dat deze eigenschappen eigenlijk altijd naast elkaar bestaan, en om al deze gevoelens en stemmingen te ervaren in combinatie met de heftige plot van het boek, vol dood, politiek en misleiding. Mijn verbijstering kwam voort uit het feit dat ik in één keer met al deze kennis en ervaringen werd geconfronteerd en dat dit in grote vaart gebeurde. Die vaart is misschien wel waarin de romankunst vooral zo superieur is: met dezelfde snelheid waarmee de personages van alles ervaren en meemaken, rondrennen en tegenspartelen, gaan er in grote romans compleet nieuwe werelden voor ons open, die we geloven zoals we ook de personages geloven. Met diezelfde geestdrift geloofde ik in de profeetachtige stem van Dostojevski en de wereld van zijn personages, die er zo van houden bekentenissen te doen.
Over De broers Karamazov:
Zoals alle grote boeken dat op het eerste moment doen, liet De broers Karamazov me voelen dat ik niet alleen op de wereld was, en tegelijkertijd dat ik eenzaam en hulpeloos ergens in mijn eentje in een hoekje zat. Terwijl ik met plezier toekeek hoe de roman allerlei dingen traag voor me ontvouwde, voelde ik dat ik niet alleen was, want zoals me meestal overkomt als ik grootste boeken lees, leek het bijna wel of ik me die schokkende gedachten herinnerde, of ik die dingen zelf eerder ook al had gedacht, of ik bepaalde scènes, voorstellingen die me kippenvel bezorgden zelf had meegemaakt. Maar aan de andere kant gaf de eerste lezing van het boek me ook een gevoel van eenzaamheid omdat het me een aantal fundamentele dingen over het leven liet zien waar niemand het over had, die niemand vertelde. Het leek wel of ik de eerste was die het boek las. Dostojevski leek speciaal mij dingen over de mens en het leven in het oor te fluisteren die verder niemand wist. Die bijzondere kennis was zo krachtig en schokkend dat ik, als ik ’s avonds met mijn ouders aan tafel zat te eten, of als ik in de drukke gangen van de Technische Universiteit vol politieke discussies zoals gewoonlijk met mijn studiegenoten van architectuur probeerde te kletsen, voelde hoe het boek zich in mijn binnenste roerde, voelde dat het leven voor mij niet meer hetzelfde zou zijn, dat vergeleken met die verbijsterende wereld mijn eigen leven en problemen maar klein en onbeduidend waren.
13. Pamuk heeft er een handje van weg om auteurs heel precies te typeren. "Een schoonheid waarvoor in een Faustachtig verbond de prijs van wreedheid en iets sinisters moet worden betaald," zegt Pamuk over Nabokov. "Wat het lezen van Nabokov tot een groot genoegen maakt, is dat we de meedogenloze waarheid dat onze levens op geen enkele manier passen bij de eigen interne logica van de wereld, opvatten als pure schoonheid." Over de schrijver van De pest: "Camus’ originaliteit komt voort uit het gemak waarmee hij de Franse traditie van de filosofische roman, die humoristisch van toon is, of juist een pedante en autoritaire auteursstem heeft, weet te paren aan het in korte zinnen geschreven realistische verhaal à la Hemingway." De andere kleuren bevat voorts een mooi opstel over Tristram Shandy. En Pamuk leest het dagboek van Gide na op zijn opvattingen over Turkije.

14. De lezing ‘Ahmet Hamdi Tanpınar en het Turkse modernisme’ is een perfecte beginnerscursus over de verworvenheden van het modernisme. Met uitgebreide stijlcitaten uit het werk van Tanpinar legt Pamuk het verschil uit tussen het realisme en het modernisme als narratieve strategie.
Onder modernisme in de literatuur versta ik niet alleen een verzet tegen wat traditioneel is, maar een algehele distantie tot de geest van de samenleving, het gemeenschapsgevoel. De modernistische literatuur heeft het kenmerk van ‘representatie’, een van de sterkste kanten van de traditionele literatuur, verbroken. Literatuur vertegenwoordigde niet langer de realiteit, tekst was geen spiegel van het leven. Tekst was een activiteit die gericht was tegen het leven, een compleet andere wereld met een geheel eigen structuur, een nieuw universum dat totaal op zichzelf stond. De teksten die werden geproduceerd door modernistische auteurs waren geen plek waar de bestaande wereld werd weerspiegeld, waar de regels en geheimen van de wereld werden verklaard. In de modernistische optiek is de literaire activiteit geen schrijven met het doel het leven vast te leggen zoals het is, het is een activiteit die puur alleen wordt uitgevoerd, die in zichzelf gekeerd is en in die introvertie haar betekenis toont. (…) ‘Ik houd zo van de tekst, van de interne mogelijkheden die dat voor me opent,’ lijkt onze modernistische romancier te willen zeggen, ‘dat ik het niet over mijn hart kan verkrijgen om rechttoe rechtaan naar het leven te verwijzen.’
15. In het revelerende stuk ‘De dromen van de dichter, het happen van de honden’ wordt verteld hoe Pamuk nare ervaringen of figuren recycleert in zijn romans. Een kloek deel van het boek bevat trouwens uitlatingen van de schrijver over zijn werk. Voorwoorden, flarden uit interviews, het interview met The Paris Review. Pamuk komt erin naar voren als een moderne romanticus die de koppigheid, geduld en wanhoop bij het schrijven hoger inschat dan wat hij noemt zijn "rationele artisticiteit".
Het zwarte boek heeft me doen inzien dat niet de mate waarin de door het boek opgeworpen literaire, vormelijke problemen zijn opgelost de maatstaf is voor het succes van een boek, maar de omvang, het belang van deze problemen, en de omvang van de wanhopige inspanningen die de schrijver zich getroost om ze op te lossen. Wat minstens even moeilijk is als het schrijven van goede boeken, is het vinden van onderwerpen die van de schrijver voortdurend alles vragen, al zijn kracht, creativiteit, zijn hele leven. (…) Je bent de eerste die op die plek arriveert; dat is ook je eerste echte troost.

[...]

Het verzinnen van het detectivegedeelte in Ik heet Karmozijn en de verdeling daarvan over het boek gingen me heel gemakkelijk af. Toch ben ik er niet trots op. Wat het is, je schrijft een boek, je vraagt iemand of hij het mooi vindt, en die zegt vervolgens van wel, maar tegelijkertijd is dat niet het enige wat je wilt, je wilt ook dat die persoon het boek om een andere reden mooi vindt. Ik wilde dat de wereld van de afbeeldingen waarover ik het heb, de wereld van de miniaturisten, in het boek weerspiegeld wordt. Ik wilde graag dat de lezer iets zou horen over mijn opvattingen over stijl, over persoonlijkheid, over anders zijn dan de anderen, dat hij zich bewust zou worden van prachtige afbeeldingen en de vreemde en unieke wereld die ze vormen. Ik wilde graag dat de lezer zou zien hoe deze onderwerpen, die me zo na aan het hart liggen, een geheel worden. Vooral bij het beschrijven van de afbeeldingen, als mijn personages nadenken over stijl, karakter en tijd, voelde ik me sterk…
16. Belangrijk is dat ik heel begerig ben geworden naar de rest van Pamuks boeken. Het zou wel eens kunnen dat ik met De witte vesting en Het huis van de stilte per ongeluk juist die werken gelezen heb waar ik het minst mee kon.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Orhan Pamuk, De andere kleuren : beschouwingen en een verhaal
525 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2008
Oorspr. Öteki renkler : seçme yazılar ve bir hikâye (1999)
Vertaald door Hanneke van der Heijden

____

donderdag 29 januari 2009

Direct quotation

"My rules, shaped intaglio-fashion by youthful traumas at the receiving end of critical opinion, were and are:

[...]

2. Give enough direct quotation -- at least one extended passage -- of the book's prose so the review's reader can form his own impression, can get his own taste.

3. Confirm your description of the book with quotation from the book, if only phrase-long, rather than proceeding by fuzzy précis."

John Updike


[Er was een tijd dat ik me schuldig voelde over het vele citeren in mijn stukjes over boeken. Ik zou zo'n schuldbekentenis nog steeds kunnen schrijven. De twijfel blijft. Daarom is het leuk is geruggesteund te worden door een grote meneer.]

____

Antoine Galland

"Antoine Galland (1646-1715) was a French orientalist and archaeologist, most famous as the first European translator of The Thousand and One Nights (also known as The Arabian Nights in English). His version of the tales appeared in twelve volumes between 1704 and 1717 and exerted a huge influence on subsequent European literature and attitudes to the Islamic world."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Antoine_Galland

____

Elsa Triolet

"Elsa Yur'evna Triolet (1896-1970) was a French writer. She was the first to translate Mayakovsky's poetry to French. Later she divorced Triolet. In the early 1920s, Elsa described her visit to Tahiti in her letters to Victor Shklovsky, who subsequently showed them to Maxim Gorky. Gorky suggested that the author should consider a literary career. The 1925 book In Tahiti, written in Russian, was based on these letters. In 1928 Elsa met French writer Louis Aragon. They married and stayed together for 42 years. She influenced Aragon to join the French Communist Party."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Elsa_Triolet

____

Gaston Leroux

"Gaston Louis Alfred Leroux (1868-1927) was a French journalist and author of detective fiction. In the English-speaking world, he is best known for writing the novel The Phantom of the Opera (Le Fantôme de l'Opéra, 1910), which has been made into several film and stage productions of the same name, such as the 1925 film starring Lon Chaney; and Andrew Lloyd Webber's 1986 musical. It was also the basis of the 1990 novel Phantom by Susan Kay."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Gaston_Leroux

____

Lady Montagu

"The Lady Mary Wortley Montagu (1689-1762) was an English aristocrat and writer. Montagu is today chiefly remembered for her letters, particularly her letters from Turkey, which have been described by Billie Melman as 'the very first example of a secular work by a woman about the Muslim Orient'."


> http://en.wikipedia.org/wiki/Lady_Mary_Wortley_Montagu

____

woensdag 28 januari 2009

Brazilië - John Updike

"Zwart is een schakering van bruin. Blank ook, als je goed kijkt. Op Copacabana, het meest democratische, drukke en gevaarlijke strand van Rio de Janeiro, versmelten alle kleuren tot één glorieuze, zon-bedwelmde vleeskleur, die het zand met een tweede, levende huid bedekt." De betreurde John Updike (1932-2009) gebruikte het broeierige Brazilië voor een onevenwichtige roman, een eigentijdse remake van Tristan en Isolde.

Ook Brazilië is immers het verhaal van een door omgevingsfactoren beperkte, ja zelfs verboden liefde, die daardoor op de proef gesteld wordt. De negentienjarige zwarte straatjongen Tristão wordt op het strand van Copacabana verliefd op de blanke Isabel. Zij is de dochter van een rijke diplomaat, hij de zoon van een hoer die het met dronken mannen doet zonder geld, "een broedplaats van kikkervisjeskroost als een menselijk moeras van achteloosheid en toevallige begeerte". Heeft hun relatie kans op slagen?

'Tristão, je bent altijd te veel een dromer geweest. Je hebt altijd in geesten, in sprookjes geloofd. Je ziet jouw leven als een verhaal, dat in een andere wereld zal worden verteld. Je gelooft dat er boven ons allemaal engelen achter een opschrijfboek zitten en hun pen in vloeibaar goud dopen. Maar in werkelijkheid is er niets dan vuil, en honger, en, uiteindelijk, dood.'
Mooi is hoe John Updike de twee nader bij elkaar brengt en seksuele aantrekkingskracht daarbij het initiële bindmiddel vormt. Liefde is "de narcose die de natuur ons toedient om ons baby's te ontfutselen", het bed het voornaamste strijdtoneel, "een podium met afgekante hoeken". Updike was een van de weinige schrijvers die erotiek (én haar complicaties) groots, gul en schrander in beeld kon brengen.
Hij schrok ervan de vrouwelijkheid die hij haar had gegeven nu als deel van haarzelf te zien, iets dat desgewenst op andere mannen kon worden gericht.
Even mooi is hoe het tweetal weer bij zinnen komt, en Isabel haar minnaar uitvraagt over eerdere vrouwen, eventuele liefdes waarbij seks geen consumptieartikel was. Waarop Tristão zijn favoriete scharrel Esmeralda moet "verstoppen in de doolhof van zijn geheugen".

Uiteraard, uiteraard, wordt het sprookje verstoord. Isabels vader huurt, o ironie, een paar gangsters in om het tweetal te scheiden. Tristão en Isabel moeten vluchten, worden inderdaad gescheiden, maar komen, net als hun Keltische tegenhangers Tristan en Isolde, na vele ontberingen opnieuw bij elkaar. Hun tocht door Brazilië toont het land in al zijn glorie, van de zondoorstoofde betonblokken van São Paulo, over een klein mijnwerkersstadje waar ze hun geluk beproeven, tot de indianen in het regenwoud.

En daar, in de jungle, heeft Updike voor de lezer nog enige coups de théâtre in petto -- plotwendingen zo wonderlijk, en tegelijk zo bedacht, dat de schrijver misschien alleen al daarom het zekere voor het onzekere heeft genomen en zijn verhaal in Zuid-Amerika heeft geplant, op magisch-realistische bodem, zeg maar. Het biedt Updike alleszins de kans het primitieve merg uit de Braziliaanse cultuur te zuigen en te exploiteren. Het aardigst is de sjamaan die het liefdeskoppel onder handen neemt, waardoor Brazilië, zoals de flaptekst terecht aangeeft, evolueert "als een foto die langzaam verandert in een negatief".

Brazilië gaat daarna over de gevolgen van deze gedaanteverwisseling. Welke kansen dat oplevert voor het duo, hoe hun keuzemogelijkheden beknot dan wel uitgebreid worden. En over hun liefde natuurlijk, die wel bestand bleek tegen de spectaculaire hindernissen die hun pad kruisten, maar misschien niet tegen het lome burgerleven.
Ze bedreven nog maar zelden de liefde, zoals een rijk echtpaar maar zelden zijn bankkluis hoeft te bezoeken; wanneer het echter gebeurde, bleek hun schat er nog te zijn, zij het altijd ietsje anders, alsof er in hun afwezigheid met het kistje was geschud.
Dit was de tegenwoordige tijd
Brazilië was het eerste boek dat ik van John Updike las. Stiekem koester ik deze roman, omdat er heel krachtige herinneringen aan kleven. Vierentwintig jaar oud was ik en nog zie ik mijzelf zitten onder de schemerlamp, 's nachts in het huis van mijn schoonouders, het meisje dat mijn levensgezellin zou worden languit in dromen verzonken naast me. We woonden nog niet samen in die dagen; met elkaar slapen moest -- probeer het maar -- in de kamer naast die van haar ouders.

In die gelukzalige periode dus, kwam dit half-pornografische boek op mijn pad. En ik herkende meteen de hand van de meester. Een schrijver van volmaakte zinnen in de burgerlijk-realistische traditie van Thomas Mann, maar vitaler, buigzamer. Een Amerikaan, quoi. Brazilië is heel concreet. Het laat een nauwgezet bestudeerd universum zien, rijk aan wereldse details, voorwerpen, merken, couleur locale. Brazilië, ondanks die volzinnen, leeft en bruist."Dit was de tegenwoordige tijd, die tintelde van de toekomst, dat vage rijk van zich eindeloos uitbreidende mogelijkheden," klinkt het ergens, en voor mij brengt Updike dat gevoel ook over op de lezer, door zijn waakzaamheid, vakmanschap en intelligentie.

Ik had nog geen vergelijkingspunt. Alleen toen ik twee jaar later Rabbit rent las, een boek dat me compleet van de sokken blies, begreep ik dat Updike in Brazilië zijn ijdelheid niet onder controle had. Daarom loopt er technisch van alles mis.

Om te beginnen is de schrijver gewoon te slim voor zijn personages. Dat zorgt ervoor dat zij met elkaar dialogeren op een onnatuurlijke, orerende manier. Op de keper beschouwd zijn er ook nauwelijks auteurs die het kunnen, hoog en laag overtuigend samenbrengen. Claus kon het, al is dat misschien alleen optimaal na te voelen door een West-Vlaming.

Daarnaast geeft Brazilië een vreselijk overgedocumenteerde indruk. Het frequent gebruik van Portugees slang gaat op de zenuwen werken, en veel feitenkennis blijft uitgedroogd liggen aan de oppervlakte van het verhaal.

Beide factoren maken van Brazilië een ongeloofwaardig boek... dat ik in één zitting heb uitgelezen. Omwille van de stilistische brille. Zoals je in een vliegtuig met één uitgevallen motor toch nog makkelijk je bestemming haalt.

[In een kort nawoord vermeldt Updike de Braziliaanse schrijvers (Joaquim Machado de Assis, Graciliano Ramos, Clarice Lispector, Rubem Fonseca, Ana Miranda, Jorge Amada, Nélida Piñon) en non-fictiebronnen (De binnenlanden van Euclides da Cunha en Het trieste der tropen van Claude Levi-Straus) die hij doornam. Later kwam ik aan de weet dat Updike Brazilië schreef in een soort opwelling, aangestoken na een korte promotietocht door het land.]

(Gebaseerd op notities van 19 december 2002.)

John Updike, Brazilië
189 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1995
Oorspr. Brazil (1994)
Vertaald door Anneke van Huisseling

____

dinsdag 27 januari 2009

Great War dust jackets

"Designed to show dust jackets from books relating to The Great War published between 1914 & 1939."

> http://www.greatwardustjackets.co.uk/

____

The Book Cover Archive

"For the appreciation and categorization of excellence in book cover design."

> http://bookcoverarchive.com/

____

Het boek van zand - Jorge Luis Borges

Na De Aleph, De Zahir en Wereldschandkroniek dacht ik het meeste van Borges' fictie gelezen te hebben. Stootte ik laatst in een buurtbibliotheek met een gezapig afvoerbeleid op drie oude Bijtjes die me onbekend waren. Het boek van zand, een van de laatste bundels die Borges bij leven publiceerde, bevat wel minder favorieten dan eerder materiaal. En het wijdverbreide heilige respect voor de Argentijnse meester heb ik sowieso nooit helemaal kunnen opbrengen.

Ik zie natuurlijk wel dat Jorge Luis Borges op de zeer korte afstand dingen laat zien die mindere auteurs nog niet lukt op honderd bladzijden. En toch. Er is iets in de toon, een kruising tussen mythe, droom en essay, die me tegenstaat. Met zijn paradoxen en onvoltooide plots lijkt Borges me bij uitstek een auteur waar charlatans graag mee aan de haal gaan. Zijn verhalen zijn totaal verstoken van enige psychologie en terwijl anderen dat vast aantrekkelijk vinden hebben ze, temeer daar alles zo dicht staat opeengepakt, op mij vaak de uitwerking van een oude bol kauwgom -- zo eentje zonder smaak, en waar alle souplesse uit geweken is.

Bovendien vind ik Borges minder veelzijdig als altijd wordt beweerd. In Het boek van zand alleen al komen op zijn minst drie docenten Engelse letterkunde voor. Bij Barber van de Pol las ik dat Borges zijn eigen werk niet zo hoog inschat, en ik denk niet dat dat valse bescheidenheid is. Enkele van zijn trucs zijn onderhand ook wel gekend: hoofdpersoon ontmoet vreemdeling met bizar relaas of vreemdeling met buitenissig object, om er twee te noemen. Ander voorbeeld: Borges situeert zijn verhalen graag en makkelijk in exotische plekken en tijdsvakken. Lees je er meerdere achtereen, dan geeft een bundel snel de indruk van zo'n goedkoop landkaartje uit een televisiedocumentaire, waarop een pijl uit zichzelf de halve wereld afreist.

Deze bundel dan. Borges was al een eind in de zeventig toen hij Het boek van zand uitbracht. Eerder dan iets nieuws te beginnen, haalt de auteur een paar stokpaardjes boven die we kennen uit de essays: Scandinavische sagen, negentiende-eeuwse Engelse schrijvers (Carlyle, De Quincey, Stevenson), achttiende-eeuwse Engelse filosofen (Hume, Berkeley).

In het verhaal 'De ander' speelt Borges wat met dat vervelende dubbelgangersmotief. Hij doet het voorkomen alsof een jonge en een oude Borges elkaar ontmoeten. Er staan prachtige bedenkingen in, maar toch wordt het uitgangspunt naar mijn smaak niet volledig uitgebuit.

Als deze ochtend en deze ontmoeting dromen zijn moet ieder van ons denken dat hij zelf de dromer is. Misschien houden we op met dromen, misschien niet. In de tussentijd is het duidelijk onze plicht om de droom te accepteren, net zoals we het universum en het feit dat we geboren zijn en met onze ogen kijken en ademhalen, geaccepteerd hebben.
'Het congres', een spin-off van Kafka en wellicht mijn favoriet, beschrijft de voorbereidingen van een of ander enigmatisch congres. Er dient onder meer een bibliotheek met naslagwerken samengesteld. Het verhaal begint meesterlijk met:
Mijn naam is Alejandro Ferri. Daar klinkt iets krijgshaftigs in door, maar noch het staal van de roem, noch de machtige schaduw van de Macedoniër -- de zin is van de schrijver van Los mármoles, die mij met zijn vriendschap vereerde -- lijkt op de bescheiden, grijze man die deze regels aaneenrijgt op de bovenste verdieping van een hotel in de Santiago del Esterostraat, in een Zuid dat geen Zuid meer is.
'De spiegel en het masker' draait heel suggestief rond drie soorten gedichten, die door Borges op een knappe manier niet worden geciteerd.

Ik heb altijd liever Cortázar gelezen dan Borges, omdat hij een veel zintuiglijker en dus completer auteur is. In 'Ulrica', zowaar een liefdesverhaal, lijkt Borges dat nog te willen goedmaken.

De opening van het toekomstverhaal 'Utopie van een vermoeid man' knipoogt naar de beginzin van Anna Karenina: "Geen twee heuvels zijn hetzelfde, maar overal ter wereld zijn de vlaktes eender."

'Het boek van zand', ten slotte, is een verhaal dat elke rechtgeaarde lezer moet doorgenomen hebben. Vintage Borges.

De overige verhalen deden me niets. Het enige wat er dan opzit is het aanstrepen van zinnen die tot de verbeelding spreken. Al voel ik me dan altijd een beetje een kraai die iemands ogen uitpikt.
Een gedicht wint aan kracht als we kunnen zien dat het de uitdrukking van een verlangen is en niet het verslag van een gebeurtenis.

[...]

Ik antwoordde dat als iets bovennatuurlijks twee keer gebeurt, het niet griezelig meer is.

[...]

Behalve op de strenge bladzijden van de Geschiedenis moeten gedenkwaardige gebeurtenissen het zonder gedenkwaardige zinnen stellen.

[...]

Toen ik klein was accepteerde ik al die lelijke dingen, zoals je niet bij elkaar horende dingen, die alleen om reden van hun coëxistentie de naam universum dragen, accepteert.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Jorge Luis Borges, Het boek van zand
159 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 1977
Oorspr. El libro de arena (1975)
Vertaald door Mariolein Sabarte Belacortu

____

maandag 26 januari 2009

The bibliomania or book-madness - Thomas Frognall Dibdin

Isaac D'Israeli definieerde het verschijnsel 'bibliomania' ooit als "the collecting of an enormous heap of books, without intelligent curiosity". Daarbij zijn de twee elementen van even groot belang: boekenzucht én domme stuurloosheid. De Britse priester-bibliograaf Thomas Frognall Dibdin staat bekend als de peetvader van de bibliomanie, en dit boek als de vroegste bijbel ter zake. Spijtig genoeg blijkt Bibliomania eerder een symptoom dan een diagnose van het verschijnsel.

Thomas Frognall Dibdin (1776-1847) wordt geboren in Calcutta als de zoon van een schipper. Al vroeg wordt hij wees. Als jonge student bekwaamt hij zich in het Grieks en het Latijn, wat hem later van pas zal komen. Studeren doet hij aan het St-John's College in Oxford, waar hij, verveeld door het lesaanbod, zelf een discussiegroep uit de grond stampt, de ‘Society for scientific and literary disquisition’, in de wandeling ‘The Lunatics’ geheten. Later volgt Dibdin lessen aan de Lincoln's Inn in Londen, maar in het beroepsleven zal hij snel zijn rechtspraktijk inruilen voor een baan als pastoraal medewerker bij een Anglicaanse kerk in de hoofdstad.

In zijn vrije tijd geeft hij zelfbekostigde bibliografische drukwerken uit, met tot de verbeelding sprekende titels als Introduction to the knowledge of editions of the classics (1802), Bibliographical decameron (1817), Bibliographical, antiquarian and picturesque tour in France and Germany (1821), Library companion, or the young man's guide and old man's comfort in the choice of a library (1824), Bibliophobia (1832), Reminiscences of a literary life (1836) en Bibliographical, antiquarian and picturesque tour in the Northern Counties of England and Scotland (1838).

Het eerste boek trekt de aandacht van George John Spencer, de tweede Earl Spencer, die Dibdin steunt in zijn passie, hem met het oog op bibliofiele naspeuringen op tocht stuurt door Engeland en over het kanaal, en zijn eigen familiebibliotheek openstelt voor de bibliograaf. Naar het einde van Dibdins leven worden zijn boeken minder succesvol. Het Victoriaanse professionalisme komt opzetten en er is steeds minder interesse voor deze nijvere amateur uit het Regency-tijdperk.

Bibliomania or the book-madness wordt door bezorger Peter Danckwerts "an anthem to the printed book" genoemd, en "a warning to the unwary about the perils of obsessive book-collecting, and the confessions of a rabid book-collector". Dibdin schreef het werkje bij wijze van repliek op het lange gedicht 'Bibliomania' van John Ferriar, een eerbiedwaardige geneesheer uit Manchester. Onderhavige editie uit 1809 (de oorspronkelijke uitgave -- Bibliomania kende nog vele, sterk vermeerdere drukken, tot een kleine zevenhonderd pagina's toe) kreunt onder Dibdins eigen voetnoten. Het is me niet duidelijk of het hier een gimmick betreft, een knipoog naar de al even propvolle Anatomy of melancholy van Burton, dan wel of Dibdin werkelijk zo'n warhoofd was. Hoe het ook zij, Bibliomania is onleesbaar op de klassieke manier, van voor naar achter. Ik las daarom eerst de broodtekst, daarna Dibdins noten en toen pas het uitgebreide notenapparaat van Danckwert.

Het boek trapt af met een 'geschiedenis van de bibliomanie', lees: een opsomming van alle bibliomanen uit de recente geschiedenis die de aandacht van Dibdin trokken. Onder de interessantste noem ik: John Leland, Thomas Hearne, John Moore, John Bagford, Louis César de La Baume Le Blanc, Topham Beauclerk, Thomas Crofts, Isaac Vossius, Thomas Rawlinson, Robert Harley (1st Earl of Oxford) en Anthony Askew. Dibdins bijbehorende noten vermelden de bibliofiele voorkeuren van deze mannen of geven details over de veilingcatalogi waar Dibdin zijn informatie uit haalde. De toon is die van een heiligenleven, de informatiewaarde betrekkelijk laag.

Veel interessanter daarom zijn de tientallen bladzijden met annotaties die Danckwerts maakte, met behulp van The dictionary of national biography. Drukkers, classici, maecenassen, antiquaren, theologen -- samen levert het notenapparaat een kleine intellectuele cultuurgeschiedenis op van de dertiende tot en met de achttiende eeuw. (Heeft u al gehoord van Martin Borrhaus, de protestantse academicus die geloofde dat er 2.665.886.746 duivels in de hel rondwaarden?)

Het tweede hoofdstuk behandelt de symptomen van de bibliomanie, waarbij Didbin rijkelijk put uit eigen ervaring. Volgens hem kent bibliomanie acht verschijningsvormen: zucht naar (1) boeken op groot, exclusief formaat; (2) nog niet opengesneden boeken; (3) boeken met illustraties; (4) unieke ("matchless") exemplaren; (5) boeken op velijn (d.i. goede kwaliteit kalfsperkament); (6) eerste drukken; (7) boeken met de originele drukfouten en (8) boeken gezet uit de Gothische minuskel ("blackletter", in tegenstelling met boeken gezet uit de Romein).

In het derde en laatste hoofdstuk draagt Dibdin enkele remedies aan die het ziektebeeld kunnen temperen. Lees nuttige werken, zegt hij. Koop goedkope herdrukken. Geef oude schrijvers uit. Wend je tot "publiek toegankelijke instellingen met boeken" (bibliotheken). Stort je op de bibliografie.

Mja. Het is dat ik me als boekenliefhebber verplicht voelde toch eens kennis te nemen van deze Dibdin, want ik zou dit boekje nog niet aan mijn hond ter lezing aanbieden. Ergerlijk toch hoe elk gesloten milieu, in casu bibliofielen, zijn eigen helden heeft die blind op een voetstuk worden gezet. Ik vind: Dibdin kan niet schrijven en heeft niets te vertellen dat een zinnig mens niet zelf zou kunnen bedenken. Op zijn best is Bibliomania vermaak, een feest van herkenning, een Fundgrube voor "titelgenieters" (dixit Boudewijn Büch). Dibdin gaat voorbij aan de essentiële vraag: hoe waardevol waren deze boekencollecties inhoudelijk? Wat hebben de boeken hun bezitters bijgebracht?

Wel boeiend vond ik de contemporaine bibliotheekrubrieken die Dibdin afdrukt (antiquiteiten, "divinity", filosofie, wetenschap, medicijnen, recht, poëzie en "romances", reiskronieken, de Ouden, boeken op velijn, pamfletten, genealogie) omdat die iets zeggen over de leescultuur van die dagen. Merk bijvoorbeeld op welk een marginale plaats de roman inneemt in de achttiende eeuw. Het zal nog een hele poos duren eer fictie voor literatuur wordt aangezien. Als er al fictie wordt gelezen, betreft het ridderromans ("romances") of als waargebeurd verkochte verhalen waar een schandaalsfeertje rond hangt.

Bibliofilie blijkt ook bij uitstek een mannelijke aangelegenheid, een tijdverdrijf van goedopgeleide lieden met ruime huizen om al dat boekenbezit in te stockeren. Er gaat heel wat geld om in de handel in boeken. Analfabetisme tiert welig, boeken kopen is duur, publieke instellingen die boeken afvoeren zijn schaars.

Ik prijs mezelf gelukkig geen bibliofiel te zijn. Wat dat niet scheelt in de geldbuidel. Al te kunstige boeken stoten me af. Eerste drukken kunnen me niets schelen. Geef mij maar goedgelijmde, soepel openvallende paperbacks met een smaakvolle cover. Ik hoef ze niet eens te hebben. Leve de openbare bibliotheek. De enige ware bibliotheek zit in mijn hoofd.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder
> lees de sterk vermeerderde druk van Bibliomania op Google Books
> http://en.wikipedia.org/wiki/Book_collector

Thomas Frognall Dibdin, The bibliomania or book-madness, containing some account of the history, symptoms, and cure of this fatal disease in an epistle to Richard Heber, Esq. by the reverend Thomas Frognall Dibdin, fellow of the society of antiquaries
223 p.
Uitgeverij Tiger of the stripe, 2004
Edited by Peter Danckwerts
____

zondag 25 januari 2009

Among stamp collectors

"Among stamp collectors, letter-writers are not always welcome."

George Steiner on being marginalised by the academic community

____

The English Style Book

"A guide to the writing of scholarly English."

> http://www.litencyc.com/stylebook/stylebook.php

____

Gespot op blogspot dot com [11]

Subjectify ['a photography blog about contemporary portraiture']
> http://subjectify.blogspot.com/

Antiquarian books ['rare and antique books are my passion']
> http://pecantreebooks.blogspot.com/

Wuthering expectations ['an amateur reads 19th century literature']
> http://wutheringexpectations.blogspot.com/

____

vrijdag 23 januari 2009

Zwaarbewaakte treinen - Bohumil Hrabal

Bohumil Hrabal is een lievelingsschrijver. Toch zijn er nauwelijks boeken van hem die ik zonder reserves aanbeveel. De meeste lezers hebben toch een plot, een verhaal, een raamwerk van doen; een minderheid kan overleven op stijlgenoegens alleen. Maar de novelle Zwaarbewaakte treinen -- weer zo'n meesterlijke titel -- mag bij het rijtje aanraders. Het is het coming-of-age-verhaal van een jonge spoorwegbeambte in het bezette Tsjechoslovakije tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Milos Hrma heet onze held, en samen met de rangeer-dienstleider, de stationschef en de perronchef, moet hij in een klein station de soepele doorgang verzekeren van de treinen: gewone treinen, zwaarbewaakte treinen, lazarettreinen, treinen met tijgertanks, treinen met slachtvee, you name it. De partizanen liggen op de loer -- loopt een trein vertraging op, dan zwaait er wat van de Gestapo.

Zijn oversten maken er een zootje van. De perronchef stempelt tijdens de nachtdienst de billen van de telegrafiste. De stationschef, lid van de Vereniging tot Verheffing der Zeden, wil best hogerop komen, koestert zelfs de wens een adellijke titel te dragen, maar legt zich meer toe op zijn duiven dan op de ambtelijke plicht. (Pittig detail, die duiven: Bohumil Hrabal overleed in 1997 door een val uit het raam van een ziekenhuis, volgens de overlevering 'bij het voeren van de duiven'.)

De timide Milos, van zijn kant, is seksueel nog een onbeschreven blad ("nog nooit in een vrouw geweest, behalve dan in de buik van mijn moeder"), wat tot grote frustraties leidt en een mislukte zelfmoordpoging ("in mijn mond stroomde frambozenlimonade"). Toch leeft bij hem ook het verlangen een heroïsche daad te stellen, al was het maar om in de voetsporen te treden van zijn grootvader, die ooit een Duitse tank heeft proberen tegen te houden door hem, typische Hrabal-wending, te hypnotiseren. Zal het gefnuikte driftleven Milos op weg helpen?

Zwaarbewaakte treinen werd in 1967 verfilmd door Jirí Menzel, wat hem een Oscar voor beste buitenlandse film opleverde. Ik heb de film nog niet gezien maar ik ben benieuwd hoe Menzel Hrabals idioom in beelden heeft omgezet. De hiernavolgende passage kan in één filmshot gevangen worden, maar wat met het ritme van de zinnen, de poëzie van de beelden?

In het dienstkantoor was nog alles precies zo als toen ik het verlaten had. Het blok dat de spoorbomen van de overwegen afsluit, leek nog steeds op een reusachtig draaiorgel of een wisselautomaat, de seintafel stond onder het raam van waaruit de vijf kilometer lange met appelbomen omzoomde weg te zien was, de weg aan het einde waarvan het slot van graaf Kaunitz praalde, het slot dat vanmorgen, toen de zon opkwam, tot aan de eerste verdieping in de mist gehuld was, zodat het leek of het aan een gouden ketting hing. En op die tafel bevonden zich drie seintoestellen, die een halve eeuw geleden gefabriceerd waren door de firma Siemens Halske, en drie notitieboekjes. En twee trajecttelefoons en drie stationstelefoons werden steeds doorverbonden en in het kantoor klonk onophoudelijk een teer gekir en geklingel en getjilp van seintoestellen en telefoons als in het winkeltje van een vogelhandelaar.
Andere scènes (het neergestorte vliegtuig, de hele beestenboel, Milos en Mascha die het hek van 4 kilometer verven, elk aan één kant, en op het einde elkaar door het hek een kus geven) schreeuwen dan weer om verfilming.

Hoe dan ook, een van de grote troeven van de novelle is de langzame manier waarop Hrabal de bevolking laat beseffen wat het betekent om onder Duitse bezetting te leven. Kenmerkend hoe de jonge hoofdpersoon helemaal in beslag genomen wordt door zijn eigen besognes, en zich nauwelijks bewust is van de portee van het Duitse nationaalsocialisme.

In het voorwoord bij de Engelse uitgave (1981) legt Josef Škvorecký uit hoe belangrijk de lyrische, anarchistische Hrabal is geweest voor de Tsjechische literatuur. Lange tijd werden schrijvers vleugellam gemaakt door het communisme. Literatuur moest 'sociaal-realistisch' van strekking zijn. Boeken lieten een opgekalefaterde, geweldloze, haast aseksuele maatschappij zien. Škvorecký neemt het woord "Victorianized" in de mond.

Hrabal was ánders. Toch ontkwam ook hij niet aan de censuur. Zwaarbewaakte treinen kende meerdere versies (onder andere als onderdeel van een grotere roman), in verschillende gradaties van expliciteit. Het eerste ruwe materiaal, ongeschikt voor publicatie, ontstond al eind jaren veertig, dus kort na het verloop van de feiten in dit boek.

Voorts wijst Škvorecký erop welke dubbele bodems in de eigennamen allemaal verloren gaan in de vertaling. En hij noemt gek genoeg Faulkner, en de versmelting van hoge en lage cultuur in diens boeken, van beslissende invloed op Hrabal. Škvorecký hekelt in één moeite door alle gemakzuchtige critici die reflexmatig naar de factor Hasek verwijzen als hen een kolderieke Tsjechische roman onder ogen komt. Waarvan akte.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Hrabal op Achille: Al te luide eenzaamheid

Bohumil Hrabal, Zwaarbewaakte treinen
92 p.
Uitgeverij Van Gennep, 1990
Oorspr. Ostře sledované vlaky (1965)
Vertaald door Hans Krijt

____

woensdag 21 januari 2009

Reporter - David Remnick

Hoe beter het boek, hoe knulliger de bespreking vaak. Wat te zeggen over een boek dat zo rijk is als Reporter? David Remnick, gewezen Moskou-correspondent, schrijft en redigeert lange reportages voor The New Yorker. Dertig bladzijden lang weet hij telkens opnieuw iemands close-up te laten uitgroeien tot een totaalportret. Of die iemand nu bokser is, een Amerikaanse schrijver of een belangrijke stem uit het Palestijns-Israëlisch conflict.

Het portret van Al Gore is daarom óók het portret van het politieke afterlife van een, door toedoen van het Hooggerechtshof, verliezer van de presidentsverkiezingen. Het stuk over Blair, terwijl hij campagne voert voor zijn derde ambtstermijn, geeft óók een beeld van de man achter de functie -- wat voor een politicus akelig nauw samenvalt met: de man achter het mediaspektakel. De serie over Solzjenitsyn laat een schrijver zien die als een hedendaagse Atlas in zijn eentje de geschiedenis van het moderne Rusland op de schouders wil nemen, maar biedt óók een inkijkje in hoe de Russen hun drie laatste presidenten hebben bejegend.

Citeren is hier zinloos. Intelligentie neemt bij David Remnick de vorm aan van opstellen die niemand kan samendrukken, ook niet in recensies. De duivelskunst van Remnick bestaat erin dat hij alle technieken die hem ter beschikking staan uitbuit zonder dat de lasnaden zichtbaar zijn. Remnick verspilt niets van zijn talent. Hij schept sfeer, maakt nieuwsgierig, schetst de context, interviewt vertrouwelingen uit de omgeving van zijn onderwerp, doceert contemporaine geschiedenis, lanceert ironische opmerkingen, benut goed zijn quotes en schrijft af en toe een perfecte samenvattende volzin.

Gore verbergt zijn woede over de verkiezingen van 2000 achter een combinatie van lijdzame waardigheid en de ironie die zo kenmerkend is voor het mediatijdperk.
Door de lengte van de reportages speelt ook mee wat ik al eens in een stuk over Alice Munro heb aangestipt: je krijgt tijd om te acclimatiseren aan de hoofdpersoon. Die persoon wordt een mens, en dat resulteert altijd in begrip. Met name in de stukken over de Palestijnse filosoof Nusseibeh, de opvolging van Arafat en de situatie na de verkiezing van Hamas, komt dit actieve bestanddeel, empathie, als geroepen. Vergelijk het analytisch vermogen van Remnick maar eens met de lauwe panelgesprekjes die we de laatste weken voorgeschoteld kregen naar aanleiding van de recente bombardementen in Gaza.

Gelukkig toeval zorgde ervoor dat ik verschillende reportages in dit boek op het juiste moment las. Ik las over Havel (op het einde van zijn presidentscarrière) toen ik ook een roman van Kundera had lopen. En ik had net Verontwaardiging uit toen Remnick me onderdompelde in zowat alle andere boeken van Philip Roth.

Jaloersmakend is hoe makkelijk hij de logische opeenvolging ziet in zo'n schrijversoeuvre, hoe Remnick jongleert met motieven uit verschillende boeken. Dat wijst op een grondige voorbereiding en een lange rijpingstijd. Ook ik heb lang geleden Portnoy’s klacht gelezen, en misschien komt hier vroeg of laat een bespreking langs, maar het is hoogst twijfelachtig of ik daarin ooit zo'n brede slotsom kan maken als:
Tot op de dag van vandaag wil etnische literatuur nog veel te vaak een smaakvolle uiting zijn van maatschappelijke betrokkenheid, zuiverheid en deugdzaamheid, maar dit was een stem die worstelde met maatschappelijke betrokkenheid en zich verzette tegen zuiverheid.
Van Israëlische literatuur weet ik dan weer helemaal niets af en daarom vormde het stuk over Amos Oz een prettige inleiding. Oz blijkt daarin niet zo goed tegen de hypocrisie van het weldenkende Westen te kunnen, dat al te makkelijk verontwaardigd kijkt naar het Midden-Oosten. "In Europa heeft het meer dan duizend jaar geduurd voordat er vrede was." Terwijl Remnick een overzicht geeft van het werk van de schrijver, wordt ook duidelijk waarom het nooit iets zal worden met de literatuur in de Lage Landen, die overwegend bestaat uit keurige kunststukjes. Oz: "De geschiedenis is hier geen tragisch stuk kamermuziek bij een mooie film."

Volmaakte afsluiter van Reporter zijn de artikels over boksen. Met name 'Kid Dynamite explodeert', een profiel van Mike Tyson waarin Remnick prachtig toewerkt naar diens desastreuze kamp tegen Evander Holyfield. Geleden van de stierengevechten van Hemingway dat me zo'n mooi beschreven duel onder ogen kwam. Geen wonder: blijkt deze Remnick auteur van King of the world.

In zijn totaliteit riep Reporter het verlangen op me meer te verdiepen in de lange reportage, zoals A.J. Liebling, Joseph Mitchell, George Orwell en Gay Talese die schreven.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

David Remnick, Reporter : de beste artikelen uit The New Yorker
372 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2007
Oorspr. Reporting : writings from The New Yorker (2006)
Vertaald door Gerda Baardman, Edo Marinus, Wim Scherpenisse,
Joris Vermeulen en Albert Witteveen

____

dinsdag 20 januari 2009

Er is hier niemand - J. Rentes de Carvalho

De in de regel zo meedogenloze IJsbrand besteedt op zijn weblogs opvallend veel aandacht aan deze titel, en ik kan maar ten dele navoelen waarom. Of betreft het een tactische provocatie, om een ondergeschoven boek alsnog in de kijker te plaatsen? Zeker, Er is hier niemand is een aardig dagboek, zeer leesbaar bovendien, maar ik kan er niets buitengewoons in ontdekken. Het merendeel van Carvalho's dagen verloopt volgens een routine die door geen lotgeval wordt verstoord.

Wat meteen de vraag oproept: hoe vul je dan zo'n dagboek? J. Rentes de Carvalho lost het op door kleine gebeurtenissen aan te grijpen voor het schrijven van ruime bespiegelingen. Een reclamefolder wordt dan algauw een aanleiding om zijn opvattingen te rangschikken over handel en ondernemerschap. Vaak is zo'n stukje ook doorspekt met herinneringen aan zijn Portugese roots. Carvalho beschouwt dit "achterwaartse reizen door de tijd" als een van de zegeningen van het ouder worden.

Op die manier bevat het boek ook elementen voor een autobiografie, op elkaar gestapeld in wildverband. Paul de Wispelaere doet iets gelijkaardigs in Het verkoolde alfabet. Carvalho zegt in Er is hier niemand trouwens behartenswaardige dingen over de reden waarom iemand zich wijdt aan het schrijven van dagboeken.

Sommige dagboeken zijn belangrijk, andere alleen maar interessant. Er zijn intieme dagboeken en pijnlijk eerlijke of verhullende. Je hebt er die geschreven worden om te kwetsen en die geschreven worden als geheugensteun.
Het mijne past mijns inziens niet goed in de genoemde categorieën, want ik zie het minder als een registratie van feiten en gedachten dan als een gewenst gesprek.
Een gesprek dat ik in gedachte voer met iemand van vlees en bloed met wie ik een vriendschap onderhoud waarin de empathie synchroon loopt en de harmonie duurzaam is. Een ideale vriendschap, van het soort dat bij sommigen misschien een leven lang meegaat en standhoudt maar dat mij niet beschoren is geweest. En in dit stadium van mijn leven is het niet waarschijnlijk dat het er nog van komt, want terwijl de leeftijd -- in mijn geval althans -- het ongeduld en de kritische zin vergroot, vermindert hij het vermogen zaken door de vingers te zien.
Dat dit in de richting gaat van de eenzaamheid weet ik allang. Maar zover ik er ervaring mee heb, weet ik ook dat de nadelen van de eenzaamheid relatief zijn, want met boeken en fantasie zijn werelden te creëren die goed aansluiten bij de droom.
Wat niet wegneemt dat de droom zijn keerzijde heeft: op de prettige aspecten ervan drukt altijd de onmogelijkheid en als je eruit ontwaakt schrijnt de pijn om wat je niet bezit of hebt bereikt nog erger.
Na omzwervingen in Brazilië, Amerika en Frankrijk kwam Carvalho in 1956 in Nederland terecht. Literair werk schrijft hij nog steeds in het Portugees, omdat alleen die taal hem de zekerheid biedt dat hij zich precies zo uitdrukt als hij het wil. Voorts zorgt dat Portugese taaleigen voor de noodzakelijke band met de literatuur en geschiedenis die hem heeft gevormd. In de woorden van Carvalho: "intellectuele continuïteit met een duizendjarige natie".

Carvalho treedt in zijn dagboek naar voren als een man van innerlijke tegenstellingen. Een reactionair die geniet van materiële vooruitgang. Een verwoed lezer die in de moderne literatuur nauwelijks nog meesterwerken ontdekt. Een discreet dagboekschrijver. Een Portugees die Pessoa niet lust. Een homme de lettres die liever het economisch katern leest in de krant dan de literatuurbijlage. Een gelovige zonder kerk. Daarnaast beantwoordt hij aan het clichébeeld van de onhandige intellectueel. Enige misogynie is hem niet vreemd. Aangenaam is het nuchtere beeld dat hij ophangt van de schrijverij.

Een weerkerend refrein is Carvalho's beperkte talent voor gezelligheid. Naar eigen zeggen "verdraagt zijn geduld de banaliteit van de meeste conversaties heel slecht". Het dagboek brengt op gezette tijden verslag uit van hoe de introverte schrijver klem komt te zitten in sociale plichtplegingen. (Het maakt hem in mijn ogen zo sympathiek, dat ik tijdens het lezen af en toe een blik wierp op de auteursfoto, waarop Carvalho staat afgebeeld als de missing link tussen Jack van Gelder en Salman Rushdie.) De volgende passage kan ik woord voor woord onderschrijven.
Welgemanierdheid impliceert geen sociabiliteit en eerlijk gezegd zie ik mezelf niet als een gezellige persoon, niet eens als goed gezelschap.
Geen conversatie kan me lang boeien, andermans belevenissen interesseren me niet, bij verhalen over ziekten, verslagen van vakanties, details van ruzies, gezwam over auto’s en prijsvergelijkingen voel ik me heel ongemakkelijk.
Hoewel ik in gezelschap kan functioneren -- wat voor mij een vorm van theater is -- voel ik me alleen in eenzaamheid mezelf, en mijn eigen fantasie, mijn dromen, zijn oneindig veel dankbaarder materiaal voor mij dan andermans aanwezigheid.
Ik maak een uitzondering voor mijn dierbaren, aan wie men veel kan en moet vergeven. Ik maak ook een uitzondering voor hen die mij fascineert door hun intellectuele brille. Van die laatsten ben ik er in mijn leven echter zo weinig tegengekomen, en maar zo incidenteel, dat daar wellicht de reden ligt van mijn grote en nimmer aflatende leeshonger.
Feitelijk lees ik minder om te leren dan om te bewonderen en me in goed gezelschap te wanen. Uiteindelijk ben ik misschien toch meer een gezelschapsdier dan ik denk.
Een van de plichtplegingen die schrijvers op hun pad ontmoeten is het schrijven van voorwoorden en nawoorden. Carvalho hangt een ontluisterend beeld op van hoe dat bij hem in zijn werk gaat. Waardoor ik meteen zijn nawoord bij Neef Bazilio met andere ogen bekeek, al is Eça de Queiroz een van zijn grote liefdes.

Het eerste kwart van Er is hier niemand vond ik het beste, omdat J. Rentes de Carvalho zich daarin laat zien als een begaafd portrettist. Ergens in een Portugees dorpje bezit de schrijver een vakantieverblijf dat nodig opgeknapt moet worden. Het levert een paar mooie portretten op, van dorpsgenoten en stielmannen die over de vloer komen.
De uren verstrijken, meneer Teixeira zit op zijn knieën, rood aangelopen van inspanning en opwinding, en begint zijn geduld te verliezen. Hij vloekt zachtjes. Hij praat tegen de stortbak alsof het een mens is, vraagt hem om uitleg. Hij draait vast en hij draait los, maar het onding spuwt nu eens aan de ene kant en dan weer aan de andere en wanneer de klus geklaard lijkt, schieten de onderdelen als uit zichzelf weer los.
Deze anekdotes doen qua lengte, souplesse en gebruikte technieken meer aan fictie denken dan aan dagboekaantekeningen. Mooi is ook het verhaal van hoe Carvalho alle dierenmishandeling moet gedogen op het Portugese platteland.
Tussenbeide komen zou niet worden geaccepteerd. Niemand zou er iets van begrijpen en ik zou me onvermijdelijk tot mikpunt maken van hoon en spot, wat in zo’n kleine gemeenschap gevolgen heeft die te vergelijken zijn met die van het schervengericht uit de Oudheid.
Voor de rest zijn dit de notities van een lucide ouderdomsdeken.
Het kan een pessimistische visie zijn, maar het leven is een lange oefening in de kunst van het verliezen.
We verliezen onze jeugd, onschuld, dromen en hoop. Elk moment dat voorbijgaat is onherroepelijk verloren en wat we eens zagen, zullen we nooit meer met hetzelfde gevoel terugzien, geen liefde kan zich herhalen, geen vreugde laat zich verdubbelen.
De illusie redt ons van de waanzin, het kinderlijke geloof in een eeuwig leven in een hemel waar niets verloren gaat en alles beter wordt.
Velen zullen dit al hebben gezegd en geschreven, maar het voelen, bevestigd zien, is een pijnlijke verrassing.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

J. Rentes de Carvalho, Er is hier niemand : dagboek mei 1999 tot mei 2000
256 p.
Uitgeverij Atlas, 2005
Oorspr. Tempo sem tempo (2005)
Vertaald door Maartje de Kort

____

maandag 19 januari 2009

Ik heb het niet over middelmatige mensen - Eugène Delacroix

Eugène Delacroix is een schakelfiguur tussen de Franse Revolutie en de industriële revolutie, tussen de romantiek en het impressionisme. In de kunst valt hij niet binnen mijn interesseveld (1870-1939). Hoewel ik de reputatie van zijn dagboek ken, heb ik het daarom lang van me afgeduwd. En kijk, Privé-domein bracht onder de noemer Ik heb het niet over middelmatige mensen een nogal verminkte selectie op de markt die niet meteen uitnodigt om het origineel erbij te nemen.

De brieven van Vincent van Gogh, die andere schrijvende schilder, zaten mijn appreciatie voor Delacroix in de weg. Van Gogh bericht in zijn brieven uitvoerig over materiaalkeuze en werkwijze; vertaler Joop van Helmond heeft al te technische beschrijvingen bij Delacroix weggesaneerd. Van Gogh schrijft beeldend en tastbaar; Delacroix heeft die typisch Franse gewoonte om in verabsoluterende termen te spreken ("schoonheid", "waarheid"...). Bovendien is het makkelijker met een underdog te sympathiseren dan met een gevestigde kunstenaar. Van Gogh is zijn leven lang een miskend schilder gebleven; Delacroix viel talloze opdrachten te beurt en kende een florissante carrière. Van Gogh kampte voortdurend met geldgebrek; Delacroix kon door een erfenis een comfortabel schildersleven leiden.

Eugène Delacroix (1798-1863) wordt, naast de jong gestorven Théodore Géricault, gezien als de belangrijkste Franse kunstschilder van de romantiek, met als specialiteit imposante historische voorstellingen. Het jaar 1832 wordt meestal gezien als een belangrijk keerpunt in zijn carrière. Hij maakte toen als historieschilder deel uit van een diplomatiek gezantschap naar Marokko ter gelegenheid van de verovering van Algerije door Lodewijk Filips. De reis brengt hem ook in Algerije en Spanje. Hij leert de klassieke oudheid kennen, alsmede het coloriet en het licht in de schilderkunst van Francisco Goya en Diego Velasquez. Door het benadrukken van kleuren en lichtwerking (ten koste van een onjuiste perspectiefwerking) zou Delacroix op zijn beurt invloed uitoefenen op de impressionisten. In Noord-Afrika charmeert hem verder het gewoonterecht en andere oeroude volkse gebruiken die "een vorstelijkheid bezitten die [in Frankrijk] onder ernstige omstandigheden ontbreekt". Het doet hem het relatieve van alle cultuur in zien (zie in dit dagboek de aantekening op p. 240).

Bij zijn terugkeer in Frankrijk kan hij zich wijden aan overheidsopdrachten. Ook blijft hij gestadig doeken aanleveren voor het Salon, de officiële schilderijenexpositie van de Académie des Beaux-Arts (die door Baudelaire vereeuwigd werd in zijn kunstkritische geschriften, zie de uitgaafjes van uitgeverij Voetnoot). De triomftocht van Delacroix komt er in 1855, wanneer hij met tweeënveertig doeken exposeert op de Wereldtentoonstelling. In 1857 wordt hij eindelijk opgenomen in de Académie. De laatste jaren van zijn leven verlopen echter in mineur: kritiek op zijn werk, kwakkelende gezondheid, isolement.

Het is jammer dat in de dagboeken en brieven van Delacroix, of althans in deze keuze (die door Van Helmond samengesteld is om de mens achter de schilder beter te leren kennen), weinig valt op te maken over het culturele klimaat van die dagen. Goed, vooraan het boek ergert Delacroix zich aan de mensen die afgaan op de naam van de schilder en niet op het werk, en hogere eisen stellen aan formaat en uitvoering van het doek dan aan het onderwerp of het kunstzinnige. Dat vileine kantje van Delacroix vond ik interessanter dan zijn blik naar binnen.

Op een onbewaakt moment geeft hij uiting aan heimwee naar de zestiende eeuw, omdat er in zijn eigen tijdsgewricht bij ontstentenis van mecenassen en de bijbehorende paleizen alleen "treurige schilderijtjes" kunnen vervaardigd worden "voor miezerige onderkomens". Delacroix staat ook wantrouwig tegen de technische vooruitgang, in het bijzonder de mechanisering van de landbouw. Op 8 april 1854 tekent hij aan:

Een gelukkig mens is degene die het geluk of het moment van geluk dat hij voelt, heeft veroverd. De veel geroemde vooruitgang heeft de neiging om de inspanning tussen de begeerte en de vervulling ervan weg te nemen: daarmee wordt de mens vast nog ongelukkiger.
Delacroix reflecteert overwegend over het metier, in lange dagboekentries die een tomeloze werklust verraden. Vaak nemen die aantekeningen de vorm aan van zonderling krachtige aansporingen. Delacroix is, hoe zou dat ook anders kunnen, een spons die makkelijk prikkels uit zijn omgeving absorbeert, en daarom maant hij zichzelf dikwijls aan tot orde, vastberadenheid en koelbloedheid om die indrukken in goede banen te leiden. Delacroix brengt ook verslag uit van de artistieke keuzes die hij maakt. Want schilderen is schipperen. Tussen sensiviteit en gewenning. Tussen kille perfectie en de frisheid van het onvolkomene. Tussen het puntgave ideaal (een hersenspinsel van de mens) en de vergankelijkheid van de natuur. En dan hebben we het nog niet eens over de technische kant van de zaak. In de magnifieke bewoordingen van Delacroix (18 september 1847):
Schilderen is een vak dat de meeste tijd vergt om onder de knie te krijgen en het moeilijkste is. Het vereist dezelfde eruditie als van een componist, maar tevens de uitvoering van een violist.
Steun en inspiratie vindt Delacroix bij de "heptacharchie" van schilders die hij bewondert: Leonardo da Vinci, Michelangelo, Rafaël, Titiaan, Correggio, Rubens en Rembrandt. Naar zijn smaak zijn alle grote problemen in de kunst in de zestiende eeuw opgelost.
De perfectie van de tekening, van gratie, van compositie bij Rafaël.
Van kleur, van chiaroscuro bij Correggio, Titiaan, Paolo Veronese.
Dan treedt Rubens aan, die de traditie van gratie en eenvoud al is vergeten. Met de kracht van zijn genie schept hij een nieuw ideaal. Dat put hij uit zijn eigen natuur. Dat bestond uit kracht, opvallende effecten en een tot het uiterste doorgevoerde expressie.
Rembrandt vindt het in de vaagheid van rêverie en van de behandeling.


Aantrekkelijker dan een doorgewinterde meester
Eugène Delacroix was een dubbeltalent dat lang met literaire ambities heeft rondgelopen. Ten slotte moet hij bekennen dat woorden ontoereikend zijn om intense gevoelens te beschrijven, dat taal zich moeilijk voegt naar zijn persoonlijke fantasieën. Toch blijft de literatuur stevig nawerken in zijn oeuvre (hij ontleent thema's aan Shakespeare en Dante) én in dit dagboek. Opvallend talrijk zijn bijvoorbeeld de aantekeningen over de hiërarchie van de kunsten. Delacroix vergelijkt de schilderkunst met de literatuur (p. 81, 108, 146, 197), het theater (76) en de muziek (154). Het vraagstuk speelt hem al parten als twintiger. Op 8 oktober 1822 klinkt het:
Wanneer ik een mooi schilderij heb gemaakt, heb ik geen gedachte neergelegd. Dat beweren ze in elk geval! Wat zijn mensen dom! Ze ontnemen aan de schilderkunst al haar voordelen. De schrijver zegt bijna alles om begrepen te worden. In de schilderkunst wordt een mysterieuze brug geslagen tussen de ziel van de personages en die van de beschouwer. Hij ziet gezichten, de uiterlijke verschijning van de natuur; maar vanbinnen denkt hij na, ontstaat het denken dat alle mensen gemeen hebben, waaraan sommigen al schrijvend iets tastbaars geven, maar daarmee de ragfijne essentie aantasten. Vandaar dat botte geesten meer geroerd worden door schrijvers dan door musici of schilders. De kunst van een schilder dringt veel intiemer door tot het hart van de mens omdat ze materiëler lijkt; want net als in de tastbare natuur wordt ermee duidelijk recht gedaan aan wat eindig en wat oneindig is, dat wil zeggen aan wat de ziel vanbinnen blijkt te roeren in voorwerpen die slechts door de zintuigen worden waargenomen.
Maar behalve het dagboek en de brieven heeft Delacroix niets in geschrifte nagelaten. De vele lemmata voor een Dictionnaire des arts et de la peinture dat hem voor ogen stond zijn door de dood van de schilder in het dagboekstadium blijven steken. Jammer. De notities over het gebruik van schildersmodellen (141) of over het portret (161) smaken naar meer. Een van de mooiste stukjes is dat van 1 maart 1859, kortweg 'Schilderij' geheten.
Een schilderij maken is de kunst om het vanaf de eerste schets tot een goed einde te brengen. Het is zowel een wetenschap als een kunst, en om zich op een waarlijk kundige manier van die taak te kwijten is een lange ervaring onontbeerlijk.
Kunst is zo omvangrijk dat je een heel leven nodig hebt om te komen tot een ordening van bepaalde fundamentele principes waaraan elke vorm van kunst onderhevig is. Mensen met een aangeboren talent weten instinctief de manier te vinden om hun idee tot uitdrukking te brengen; ze brengen het idee aan het licht door een mengeling van spontane impulsen en aftastende probeersels, waardoor het werk misschien juist aantrekkelijker wordt dan wat een doorgewinterde meester kan voortbrengen.
In de dageraad van zijn talent heeft zijn werk iets naïefs en tegelijk iets voortvarends wat doet denken aan de spontaniteit van de jeugd, zo gelukzalig verstoken van de conventies waardoor volwassen mensen worden beheerst. Daardoor wordt de durf die de grote meesters op gevorderde leeftijd in hun carrière aan de dag legden, nog verbijsterender. Stoutmoedig zijn wanneer men een reputatie te verliezen heeft, is het beste teken van wilskracht.
Ik geloof dat Napoleon Turenne boven al zijn anderer bevelhebbers waardeerde, omdat naarmate hij ouder werd zijn krijgsplannen steeds stoutmoediger werden. Napoleon zelf is een voorbeeld van deze uitzonderlijke karaktertrek.
Vooral in de kunst moet een man een sterk gevoel bezitten, wil hij de originaliteit in zijn gedachten kunnen vasthouden in weerwil van gewoontes waarin zelfs begaafde kunstenaars licht kunnen vervallen. Na een groot deel van zijn leven te hebben ingezet om het publiek vertrouwd te maken met zijn genie is het voor een kunstenaar moeilijk om zich niet te herhalen en zijn talent als het ware te blijven vernieuwen, teneinde op zijn beurt niet te vervallen in dezelfde bezwaarlijke banaliteit en clichés van kunstenaars en scholen die hun beste tijd gehad hebben.
Gluck is een hoogst opmerkelijk voorbeeld van deze wilskracht, die in wezen de kracht van zijn genie vormde. Rossini heeft zich voortdurend vernieuwd tot aan het laatste meesterwerk, dat vroegtijdig een einde maakte aan een illustere opeenvolging van meesterwerken. Rafaël, Mozart enz.
Maar zonde is, zoals gezegd, dat er zo weinig concrete schilderijen besproken worden. Te oordelen naar de voorbeelden op p. 111 en 114 was Delacroix wel degelijk in staat om doeken zinvol en levensecht te beschrijven.

Veruit de interessantste conclusie die ik trek uit Ik heb het niet over middelmatige mensen houdt verband met de relativiteit van kunstopvattingen. Terwijl we vandaag Delacroix beschouwen als een van de vaandeldragers van de romantiek in de schilderkunst, stel ik vast dat hij zichzelf absoluut niet zag als een dikdoenerige, larmoyante schilder. Integendeel, op zijn beurt laakt hij het sentiment en de poëtisch aangedikte stijl van schrijvers à la Chateaubriand en Lamartine.

Goedgekozen trouwens, de titel van deze selectie. 'Middelmatige mensen' is een concept dat Delacroix in zijn journaal en brieven meermaals in de mond neemt. Het gifstigst klinkt de schilder op 9 juni 1847:
Bij het overgrote deel van de mensen is de intelligentie een gebied dat vrijwel hun hele leven braak blijft liggen. Als je het grote aantal domme of op zijn minst middelmatige mensen bekijkt dat alleen schijnt te leven om te vegeteren, heeft men het recht zich te verbazen dat God deze schepselen heeft toegerust met de rede, het vermogen tot verbeelding, vergelijking en combinatie, enz., om toch zo weinig vrucht af te werpen. De luiheid, de onwetendheid, de situatie waar ze door toeval in verzeild raken, veranderen bijna alle mensen in passieve instrumenten van de omstandigheden. We weten nooit wat we uit onszelf kunnen bewerkstelligen. Luiheid is ongetwijfeld de grootste vijand van de ontwikkeling van onze vermogens. Het Ken uzelf zou dan ook het fundamentele axioma moeten zijn van elke samenleving, waarin ieder lid naar beste kunnen volledig zijn rol vervult.
Onbegrijpelijk is, tot slot, dat Van Helmond dit Privé-domein heeft voorzien van zo'n armtierig nawoord.

[afbeelding: De bark van Dante, 1822]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Privé-domein op Achille

Eugène Delacroix, Ik heb het niet over middelmatige mensen
Dagboeken en brieven

311 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2007
Oorspr. Journal de Eugène Delacroix (1923);
Correspondance générale de Eugène Delacroix (1937-1938)
Vertaald door Joop van Helmond
Privé-domein nr. 263
____

zondag 18 januari 2009

Théophile Thoré-Bürger

"Etienne-Joseph-Théophile Thoré (1807-1869), auch unter den Namen William Bürger, Thoré-Bürger und Bürger-Thoré bekannt, war ein französischer Kunsthistoriker. Er sammelte zudem Kunst und arbeitete als Kritiker beim Pariser Salon. Besonders bedeutend war seine Wiederentdeckung Jan Vermeers. (...) Ab 1855 nutzte er das Pseudonym Willem Bürger, als er damit begann, seine Arbeit auf nordeuropäische Kunst zu fokussieren. Dabei sichtete er viel Archivmaterial. Ihm wird die Wiederentdeckung Jan Vermeers zugeschrieben. Daneben trug er auch zum Wissen über andere niederländische Künstler des 17. Jahrhunderts wie etwa Frans Hals bei."

> http://de.wikipedia.org/wiki/Théophile_Thoré

____

Thomas Love Peacock

"Thomas Love Peacock (1785- 1866) was an English satirist and author. Peacock was a close friend of Percy Bysshe Shelley and they influenced each other's work. He wrote satirical novels, each with the same basic setting — characters at a table discussing and criticizing the philosophical opinions of the day. He worked for the British East India Company. (...) Peacock's own place in literature is pre-eminently that of a satirist. That he has nevertheless been the favourite only of the few is owing partly to the highly intellectual quality of his work, but mainly to his lack of ordinary qualifications of the novelist, all pretension to which he entirely disclaims. He has no plot, little human interest, and no consistent delineation of character. His personages are mere puppets, or, at best, incarnations of abstract qualities such as grace or beauty."


____

Per Hallström

"Per Hallström (1866-1960) was a Swedish author and member of the Swedish Academy. He joined the academy in 1908, and served as its Permanent Secretary from 1931 to 1941. Swedish short-story writer, dramatist, and poet. Before devoting himself to writing, Hallström worked in London and Chicago as a chemist. He is appreciated primarily for his collections of short stories, such as Purpur [purple] (1895) and Thanatos [death] (1900). His major works, written before 1910, combine profound compassion with a sensitive awareness of beauty."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Per_Hallström

____

vrijdag 16 januari 2009

Het sprookje van de 1002e nacht - Joseph Roth

Sinds de verpletterende lectuur van De Kapucijner crypte is Joseph Roth (1894-1939) een held, en de Oostenrijk-Hongaarse dubbelmonarchie een geliefdkoosde setting in de romans die ik naar mijn hol sleep. Ook Het sprookje van de 1002e nacht is een roman met groenig gaslicht, voorbijmarcherende ulanen, koffiehuizen en vettige speelkaarten. Maar het is ook een mindere Roth, een gammel boek dat de littekens draagt van de armoedige Parijse omstandigheden waarin het is geschreven.

Het eerste kwart van Het sprookje van de 1002e nacht lijkt een soort inversie van de negentiende-eeuwse romantische obsessie met het Nabije Oosten. Er wordt eens niet naar de Oriënt gereisd, neen, de Oriënt komt naar het Westen toe, in de persoon van de Perzische sjah. De oosterse zeden beu is de heerser uit Teheran naar Wenen afgezakt, op aanraden van zijn adviseur, die hem uit de droom wil helpen en hem wil overtuigen dat afwisseling een illusie is.

Maar de sjah blijkt niet ongevoelig voor de erotische stimuli van het avondland. Hij raakt gefascineerd door de Westerse minnekunst en het concept van de monogamie. Zijn aandacht gaat in het bijzonder uit naar gravin W.

Hij was naar Europa gekomen om van het unieke te genieten, om de verscheidenheid te vergeten, om het bewaakte te roven, om het hier geldende recht te schenden, om slechts één keer, één enkele keer het genot van het onrechtmatig bezit te smaken (…)
Hij vordert de gravin op, wat het organiserende comité in een netelige positie brengt. De gravin uitlenen is ondenkbaar, de machtige vorst van Perzië een gunst weigeren al evenzeer. Ritmeester baron Taittinger van het negende regiment dragonders die voor onbepaalde tijd door zijn regiment in Silezië is gedetacheerd en voor zogeheten ‘speciale taken’ is toegevoegd aan de kanselarij van de keizer, moet een oplossing zoeken. Wat niemand weet is dat hij ooit een blauwtje heeft opgelopen bij de gravin en toen troost heeft gezocht bij de lichtekooi Mizzi Schinagl, die eruit ziet als de tweelingzus van de gravin en hem een buitenechtelijk kind baarde.

Niet zonder gewetenswroeging wordt Schinagl aan de sjah aangeboden, die het bedrog niet opmerkt en haar rijkelijk beloont met een parelketting. Het kapitaal dat deze ketting vertegenwoordigt en waarmee een handeltje in namaakkant wordt opgezet, is de spil van de intrige waar de rest van de roman rond draait. Hoofdrolspelers dan zijn naast Taittinger (met wie het bergaf gaat) hoofdinspecteur Sedlacek, bankier Ephrussi, hoerenmadam Josephine Matzner en last but not least Lzaik, in vroeger dagen schrijver, dan afgezakt naar gerechtsstenograaf en nu een politieverslaggever van twijfelachtig allooi.

Ingekleurde film
Hoogtepunt voor mij is niet dit verhaal, dat hoogst krakkemikkig is, maar de bij vlagen grandioze manier waarop Roth de maatschappelijke neergang van Taittinger beschrijft. Omgevingsfactoren, en drijfveren als wraak en eer spelen een rol, maar bovenal belichaamt de baron de oude, weinig buigzame Habsburgse mores. Taittinger begrijpt de wetten en gevoeligheden van de burgermaatschappij maar half. Een burger kan zich alles permitteren, een burger hoeft geen eer te verdedigen, en dat brengt Taittinger van de wijs.

Angst bekruipt hem ook omdat hij voor het eerst zelf stappen moet ondernemen. In het leger onderneemt men geen stappen; alles wordt voor je geregeld. Taittinger weet precies hoe je gelijken, hogergeplaatsten, ondergeschikten en bedienden moet behandelen, maar met burgers weet hij geen raad. De oude categorieën zijn niet meer van toepassing. En dan is er nog de herinnering aan de affaire met de sjah.
Er was een episode in zijn leven waarover hij met geen mens ooit kon spreken. Die circuleerde in zijn aderen als een vreemde stof, die af en toe in de buurt van zijn hart kwam, erop drukte, erin stak, erin boorde. Op zulke ogenblikken waren er maar drie uitwegen: of je vluchtte naar Wenen, de plaats van de glorie en de geboortestad van schande, of je bedronk je, of -- of je schoot een kogel door je hoofd. Oorlog zou een oplossing zijn geweest. Maar wijd en zijd heerste er een logge, lome, zelfingenomen vrede in de wereld…
Roths thematiek, het tragische lot van een lid van de militaire klasse, lijkt me duidelijk schatplichtig aan bepaalde kortverhalen van Arthur Schnitzler. In zijn beste momenten steekt Roth de oude meester wel voorbij, naar mijn smaak. Zijn alinea's zijn heel precies en evenwichtig, maar ook op een aantrekkelijke manier naïef, als bij volksverhalen. Het sprookje van de 1002e nacht glimt als een ingekleurde film uit de oude doos.

Roth houdt altijd het beste over van korte, levendige scènes. Wie goed kijkt ziet dat hij niets dan clichés aan elkaar klinkt, maar nooit zonder er eerst nieuw bloed in te pompen. Als je 'm goed snel leest, gaat zijn proza echt dansen, wordt het één schitterende galop.
De mensen stonden op. Over een kwartier begon het bal.
In de balzaal wachtten de dames en heren, opgesteld in twee rijen, op de aankomst van de monarchen. Hier en daar kwam een beschaamd gekuch uit de borst van een oudere heer voort. Het was een gekuch dat zich meer voor zichzelf schaamde dan de hoestenden die zijden zakdoeken voor hun mond hielden. Af en toe fluisterde een dame iets tegen een andere dame. Het was eigenlijk geen gefluister, het was nog net een ademtocht en toch klonk het in deze stilte bijna als gesis.
In deze stilte klonk het zachte neerkomen van de zware zwarte straf op het rode tapijt als stevig kloppen. Iedereen keek op. Door de met onzichtbare handen opengegooide helft van de witte, met goud omrande deur traden de vorsten binnen. Aan de andere kant zette de hofkapel het Perzische volkslied in. De sjah groette op oriëntaalse wijze door zijn hand naar zijn voorhoofd en borst te brengen. De dames maakten een revérence en de heren bogen diep. Als door een akker met geknakte aren schreden de beide vorsten, de gast en zijn gastheer. Beiden glimlachten, zoals de traditie voortschrijft. Ze glimlachten naar links en rechts, hoewel niemand hun vriendelijke gebaar kon zien. Ze glimlachten naar blonde en zwarte dameskapsels, naar glimmende, kale mannenschedels en strak gekamde scheidingen.
Driehonderdtweeënveertig waskaarsen in zilveren armkandelaars verlichtten en verwarmden de zaal; de grote kristallen kroonluchter die in het midden hing, telde er niet minder dan achtenveertig. De kaarsvlammetjes weerkaatsten duizendvoudig in het glanzende ovaal van de dansvloer, zodat het leek alsof de vloer ook van onderaf werd verlicht. De keizer en de sjah zaten op een met scharlakenrode stof beklede estrade, in twee brede stoelen van glimmend ebbenhout, die uit het zwart van de nacht gesneden leken. Naast de keizer van Oostenrijk stond de hofceremoniemeester. Zijn dikke, met gouddraad bestikte kraag zoog, dronk en verslond gulzig het licht van de kaarsen, kaatste het terug, glansde, schitterde, griste het licht gretig bijeen en strooide het weer goedhartig in het rond, wedijverde als het ware met de kandelaars en overtrof ze nog. Naast de sjah stond de grootvizier, in een zwart uniform.
De scène in de Spaanse Rijschool is nog zo'n piek, net als de terugkeer van Taittinger op zijn landgoed ergens in de Karpaten. In de gure oostelijke uiterwaarden van de dubbelmonarchie, met zijn ratjetoe van inwoners, wordt duidelijk welk een losse federatie Oostenrijk-Hongarije eigenlijk was.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Joseph Roth, Het sprookje van de 1002e nacht
237 p.
Uitgeverij Atlas, 2001
Oorspr. Die Geschichte von der 1002. Nacht (1939)
Vertaald door Wil Boesten

____

Related Posts with Thumbnails