dinsdag 8 december 2009

Wat is cultuurgeschiedenis? - Peter Burke

Ik ontdekte pas laat dat wat in de humaniora voor 'geschiedenis' moest doorgaan, beperkt bleef tot één aspect van die geschiedenis: het politiek-staatkundige. Geschiedenis was het verhaal van koningen en keizers, stambomen en dynastieën, oorlogen en staatsgrenzen. Cultuur was er ook, maar voornamelijk hoge cultuur. Terwijl aandacht voor de 'gewone man' en mentaliteitsgeschiedenis echt geen uitvindingen zijn van de laatste paar jaar. Of toch?

Ook televisiemakers, wordt ergens in dit boek opgemerkt, benaderen geschiedenis het liefst vanuit politiek, militair, en af en toe sociaal-economisch oogpunt. Waarom, vraag ik me dan af. Omdat die invalshoek makkelijker te ondersteunen is met archiefbeelden? Omdat dat soort programma's een overwegend ouder mannelijk publiek trekt dat van oorlog nooit genoeg krijgt?

In Wat is cultuurgeschiedenis? brengt de Britse historicus Peter Burke zijn vakdomein in kaart. Het is eerder een becommentarieerde literatuurlijst dan een theoretisch exposé. Honderden boeken komen langs, en dat dwingt Burke tot grote algemeenheid. Zijn beschrijvingen zijn nogal mat en slagen er vaak niet in de verdiensten van een bepaalde auteur in de verf te zetten. Tenzij Burke meerdere bladzijden inruimt, zoals-ie doet voor de pioniers en theoretici van een bepaalde richting. Erg is dat beknopte trouwens niet: in de meeste gevallen prikkelen de titels van de boeken meer dan genoeg. Het opstellen van de literatuurlijst (zie de commentaren hieronder) was een genot op zich.

Heel aangenaam is het evenwicht dat in het boek werd betracht. Burke spreekt zijn talen. De Duitse culturele traditie komt aan bod, die vanaf het einde van de achttiende eeuw voor de cultuurgeschiedenis van groot belang is geweest. De Amerikanen zijn present, die begin twintigste eeuw de Duitse traditie hebben overgenomen en getransformeerd. De Britten, die zich daar hebben tegen verzet. En de Fransen, met een cultuurhistorische traditie (vooral de mensen rond het tijdschrift Annales) die het woord cultuur vermijdt en liever civilization, mentalités collectives en l’imaginaire social gebruikt.

Cultuurgeschiedenis, steekt Burke van wal, kan gezien worden als een reactie op eerdere benaderingen van het verleden die iets buiten beschouwing lieten dat zowel ongrijpbaar als belangrijk was. Vroeger verwees het woord 'cultuur' alleen naar kunsten en wetenschappen. Daarna werd het gebruikt om de populaire vormen en uitingen van kunsten en wetenschappen te omschrijven: volksmuziek, volkstheater, volksgeneeskunde enzovoort. Tegenwoordig omvat de term een zeer breed spectrum aan voorwepen (beeldmateriaal, gereedschappen, huizen enzovoort) en menselijke uitingen (van conversatie tot "gamen" aan toe).

Cultuurhistorici richten zich op "het symbolische" in een samenleving. Ze laten de aloude veronderstelling los dat er sprake is van een onveranderlijke menselijke rationaliteit door de eeuwen heen (bijvoorbeeld dat verkiezingen of consumentenvoorkeuren altijd worden gestuurd door rationele keuzen). Dat uitgangspunt is ingewisseld voor meer aandacht voor de veranderlijke waarden en opvattingen die van belang zijn voor het gedrag van bepaalde groepen op bepaalde plaatsen in bepaalde perioden van de geschiedenis. In de geschiedschrijving kan men een verschuiving waarnemen van een interessse in objectieve kenmerken naar meer aandacht voor de betekenis en beleving van iets.

Een van de meest opvallende kenmerken van de ontwikkeling der cultuurgeschiedenis vanaf 1960 tot nu, is de koerswending naar de antropologie. De invloed van Lévi-Strauss (op zijn beurt beïnvloed door Roman Jakobson) en Clifford Geertz is groot. Cultuur werd langzaam maar zeker opgevat in brede en veelvormige zin: de cultuur van het dagelijkse leven, gewoonten, waarden en levensstijl. Cultuurhistorici onderzoeken de mentaliteit, het gedrag, de gevoelens, en de creaties van mensen (niet alleen de toplaag van de maatschappij) in een bepaald tijdsvak, en nemen zowat alle menselijke uitingen (niet alleen de culturele canon) als bronnenmateriaal. Denk aan Geertz' concept van de thick description: men moet een verschijnsel beschrijven inclusief de context ervan: een actie, ritueel, gedraging of uitdrukking krijgt pas betekenis door de sociale en historische inbedding.

Geschiedenis van de cultuurgeschiedenis
De geschiedenis van de cultuurgeschiedenis wordt door Burke opgedeeld in vier fasen. De eerste was de klassieke fase in de negentiende en begin twintigste eeuw. Impliciet in de werken van Jacob Burckhardt, George Malcolm Young en Johan Huizinga is het streven om een beeld van een tijdperk te schilderen. Cultuurhistorici uit deze periode beperkten zich weliswaar nog tot de klassieke canon van meesterwerken uit de kunst, literatuur, filosofie, natuurwetenschappen enzovoort, maar hadden reeds de bedoeling verbanden te leggen tussen verschillende disciplines (dit in tegenstelling met traditionele kunsthistorici). Ze lazen kunstuitingen als bronnenmateriaal (dit in tegenstelling met aanhangers van de kritisch-filologische methode van Leopold von Ranke). Een Huizinga wilde de karakteristieke gedachten en sentimenten van een tijdperk beschrijven, alsmede de uitdrukking en belichaming daarvan in literatuur en beeldende kunst.

De tweede fase was de fase van de sociale kunstgeschiedenis, die in de jaren dertig van de vorige eeuw begon. Gangmakers waren sociologen als Max Weber en Norbert Elias, en kunsthistoricus Aby Warburg. Zij gingen vaste culturele schema’s en patronen gebruiken bij het interpreteren van menselijk gedrag in heden en verleden. Het is immers onmogelijk om iets zonder gebruik van schema’s waar te nemen of herinneren (zie ook Popper en Gadamer).

De dreiging van het Duitse nationaal-socialisme werkte de verspreiding van deze invalshoek in de hand. De diaspora van de Midden-Europeanen in de jaren dertig was onder meer op het intellectuele leven in de VS en Engeland ingrijpend, waar intellectuele en culturele geschiedenis doorgaans buiten de geschiedenisfaculteiten om werd bedreven. De komst van de exil-wetenschappers opende de ogen voor de relatie tussen cultuur en maatschappij, tussen cultuur en de maatschappelijke omgeving waarin die ontstond.

De derde fase was de ontdekking van de geschiedenis van de volkscultuur in de jaren zestig van de vorige eeuw. Het begrip volkscultuur ontstond op dezelfde plaats en tijd als cultuurgeschiedenis: aan het einde van de achttiende eeuw in Duitsland. In die tijd ontdekten de middenklasse-intellectuelen de lange traditie van volksliedjes, volkssprookjes, volksdansen, volkse rituelen en ambachtskunst. Maar de geschiedschrijving van deze volkscultuur werd vooralsnog aan amateurs, folkloristen en antropologen overgelaten. Pas veel later, zo eind jaren zestig van de vorige eeuw dus, begon een groep universitaire historici (zoals Edward Palmer Thompson) zich serieus te verdiepen in volkscultuur, en werd dit een serieus academisch onderzoeksgebied.

Een belangrijk debat in deze discipline is dat van de volkscultuur versus elitecultuur: wie behoort er tot het volk? Iedereen, of iedereen minus de elite? Hebben mensen met een hoge status, grote rijkdom of aanzienlijke macht niet noodzakelijk een andere cultuur dan gewone mensen?

In de jaren zeventig van de vorige eeuw kwam een nieuw historisch genre op: de “microgeschiedenis” (Italiaans: microstoria), waarin onder invloed van de antropologie brede historische ontwikkelingen in beeld werden gebracht aan de hand van de wederwaardigheden van ogenschijnlijk onbeduidende individuen of gebeurtenissen. Dit was een repliek op een bepaalde stijl van sociale geschiedschrijving, die slaafs het model van de economische geschiedenis volgde, met veel gebruik van kwantitatieve methoden en beschrijvingen van algemene trends, zonder dat er veel aandacht was voor de verscheidenheid of het specifieke van lokale culturen, laat staan voor individuele belevenissen.

De microgeschiedenis was ook een reactie op de groeiende ontevredenheid over het zogeheten grote verhaal van de (eurocentrische) vooruitgang van de menselijke geschiedenis. Dat verhaal liep traditioneel in een vrij rechte lijn omhoog vanaf de opkomst van de moderne westerse beschaving in het oude Griekenland en Rome, via het christendom, de Renaissance, de Reformatie, de wetenschappelijke revolutie, de Verlichting, de Franse Revolutie en Industriële Revolutie tot de moderne tijd. Het besef van al datgene wat eruit gelaten werd of onzichtbaar bleef nam toe.

De vierde fase staat bekend als de nieuwe cultuurgeschiedenis. De term 'new cultural history' raakte eind jaren tachtig in zwang. Thans is ze de onbetwistbare dominante vorm van cultuurgeschiedenis. Het woord 'cultuur' onderscheidt de nieuwe cultuurgeschiedenis van ideeëngeschiedenis, in de zin dat het een nadruk aanduidt op mentaliteitsgeschiedenis, op veronderstellingen en gevoelens dus, meer dan op ideeën of rationele constructies, en het woord dient tevens om nieuwe cultuurgeschiedenis van een andere zusterdiscipline te onderscheiden, de sociaal-economische geschiedenis.

De nieuwe cultuurgeschiedenis staat voor een waaier aan specialisaties. Het debat over de onafhankelijkheidsstrijd in de derde wereld in de jaren zeventig en over die andere emancipatiestrijd, het feminisme, had enerzijds verregaande gevolgen voor de cultuurgeschiedenis, die ineens aandacht moest hebben voor perspectieven die ze tot dan toe had verwaarloosd: het vrouwelijke oogpunt, het niet-westerse oogpunt. In de jaren tachtig en negentig begonnen sommige cultuurhistorici zich dan weer meer en meer te richten op het bestuderen van materiële cultuur (kleding, meubels, voeding, huisvesting…), wat vroeger doorgaans aan economische historici werd overgelaten. Vaak lag daarbij de nadruk op de geschiedenis van de consumptie en de rol van de verbeelding (waarmee de reclamewereld speelt).

Nog andere historici verdiepen zich in de invloed van stereotiepe beelden — de mate waarin een opvatting over de maatschappelijke orde niet alleen een afspiegeling is van de werkelijkheid, maar ook daadwerkelijk het vermogen heeft de werkelijkheid te beïnvloeden ('representatie'). Een vorm van aandacht voor representaties in de nieuwe cultuurgeschiedenis die tegenwoordig een grote bloei doormaakt, is de geschiedenis van de herinnering (sociale, culturele en nationale herinneringen).

Geschiedschrijving in termen van 'praktijken en gebruiken' (practices in het Engels en pratiques in het Frans) is heel populair: cultuurhistorici hebben als onderwerp liever de geschiedenis van religieuze praktijken dan die van theologische doctrines, liever de geschiedenis van feitelijke experimenten dan die van de natuurwetenschappelijke theorieën. Dankzij deze andere houding ten opzichte van de praktijk van alledag, is de geschiedenis van allerlei verschijnselen uit het dagelijks leven geprofessionaliseerd en opgenomen in de geschiedwetenschappelijke hoofdstroom.


Collectie potten, Museum of Northern Arizona, Flagstaff, Arizona. 'Digital photo painting: Gone to look for America', Patrick Alan Swigart. - via Flickr

Theoretische omkadering
Typisch voor de nieuwe cultuurgeschiedenis is de belangstelling voor het theoretische kader: de polyfonie van Bachtin; de dwang tot zelfcontrole van Elias; de controle van anderen over het ‘zelf’, de ruptures, de épistemes, het discours en de praktijken (feitelijke vormen van gedrag) van Foucault; de begrippen veld (champ), culturele reproductie, habitus en onderscheid (distinction) van Bourdieu.

Een theorie die ten grondslag ligt aan een zeer aanzienlijk deel van de nieuwe cultuurgeschiedenis is de visie dat de werkelijkheid een culturele constructie is. De relatie tussen taal en de buitenwereld is immers alles behalve eenduidig. De mens schept via taal zelf de werkelijkheid — een gedachte die we al vinden bij Einstein, Popper, Schopenhauer, Dewey en William James, maar die in de radicale theorieën van Foucault (discours) en Michel de Certeau (pratiques) verder werd uitgewerkt.

De Certeau beschreef consumptie in termen van productie en hij richtte zijn aandacht op de zelfstandige keuzen die individuen maakten tussen de massaproducten in winkels en de vrijheid waarmee ze interpreteerden wat ze lazen of op tv zagen. Hij betoogde dat gewone mensen een selectie maken uit een repertoire dat voor handen is, nieuwe combinaties samenstellen uit wat ze kunnen kiezen, en belangrijker nog, dat ze datgene wat ze kiezen in een nieuwe context plaatsen.

Foucault stond discoursanalyse voor: de linguïstische analyse van teksten die langer zijn dan een paar zinnen, vaak met de bedoeling verborgen connotaties of politieke inhoud te ontdekken. Een duidelijke nawerking van zijn theorieën is de geschiedschrijving van ziekte. De nieuwe cultuurgeschiedenis van het lichaam onderscheidt zich van de traditionelere vormen van de geschiedenis der geneeskunde door de nadruk op de culture constructie van ziekte, in het bijzonder van de diagnose "waanzin".

De theoretisering van de cultuurgeschiedenis hangt natuurlijk samen met de problemen eigen aan het vakdomein. Doorheen zijn boek noemt Peter Burke de voornaamste valkuilen:

- Het wijdse begrip cultuur: we moeten een onderscheid maken tussen de cultuur van verschillende sociale klassen, de cultuur van mannen en vrouwen, en de cultuur van verschillende generaties die in dezelfde maatschappij leven.

- Problemen met bronnen: de aartsvaders van de cultuurgeschiedenis baseerden hun theorieën vaak op een beperkt aantal handgeschreven bronnen; teksten en beelden zijn geen eenduidige spiegels en reflecties van de tijd; hoe herken je propaganda?; welke bronnen uit het verleden kunnen ons dingen vertellen waarvan de getuigen zelf niet wisten dat ze die wisten?

- Cultuurgeschiedenis dreigt snel impressionisch en anekdotisch te worden. Louter beschrijvingen zijn zinloos zonder toetsbare hypothese.

- Emplotment: historici neigen ernaar het verhaal of plot van hun studies gaan modelleren naar literaire genres — de hoofdwerken van Gibbon en Spengler hebben duidelijk een tragisch plot.

- Occasionalisme: dezelfde persoon gedraagt zich bij hetzelfde ritueel anders als de omstandigheden (momenten, plaatsen) of situaties of omstanders anders zijn.

- Het concept performance: in hoeverre zijn woorden op te vatten als handelingen binnen een politieke, sociale en intellectuele context?

- De marxistische kritiek op cultuur: cultuur hangt blijkbaar in de lucht zonder contact met de sociaal-economische basis.

- De kwestie identiteit: in hoeverre wordt identiteit bepaald door sociale scripts, door taal en door representatie?

- Het probleem van de minoriteiten: in welke mate dringt een geschiedenis geschreven door minderheidsgroepen zich op? Is een feministische geschiedenis wenselijk?

- De paradox van de traditie: enerzijds kan een schijnbare vernieuwing de persistentie van de traditie maskeren; anderzijds kan de uiterlijke vorm van een traditie de vernieuwing maskeren. Een traditie moet zich altijd aanpassen om te overleven in de nieuwe tijd. Er is vaak een verschil tussen een grondlegger van een bepaalde theorie en zijn simplifiërende volgelingen.

Toekomst van de cultuurgeschiedenis
Ondanks deze moeilijkheden is Burke duidelijk over de verdiensten van zijn vak. Als cultuurhistorici de afgelopen dertig jaar iets hebben gedaan, dan is het wel dat zij, evenals cultureel antropologen, de zwakke kanten van de positivistische aanpak hebben laten zien, zegt-ie. Historici die zich met kastelen bezighouden, bijvoorbeeld, gaan tegenwoordig de culturele kant op en stappen geleidelijk af van het aloude militair determinisme (waarin de bouw van een kasteel steevast werd verklaard in termen van verdediging). De klemtoon ligt nu meer op het belang van vertoon van macht, rijkdom en gastvrijheid, kortom op het kasteel als theater. Het vak geschiedenis is ruimer geworden, meer interdisciplinair. Er bestaan geen triviale studieobjecten meer voor historici.

De toekomst van de cultuurgeschiedenis kan volgens Burke alle kanten op. Een herontdekking van de traditionele cultuurgeschiedenis (de geschiedenis van de hoge cultuur, van de klassieke traditie) behoort tot de mogelijkheden. Daarnaast zullen de onderzoeksgebieden van de nieuwe cultuurgeschiedenis mogelijk nog meer uitbreiden: de geschiedenis van de emoties, van de zintuigen... Mét gevaar voor fragmentatie, en historici die nalaten nog grote zinvolle verbanden te leggen. Voorts is een 'wraak van de sociaal-economische geschiedenis' niet uit te sluiten: een reactie op het loslaten van de wetenschappelijk controleerbare standaarden. Niettemin:

Als er één reden is waarom cultuurgeschiedenis niet snel zal verdwijnen, ondanks alle kritiek die mogelijk is op haar methoden en definities, dan is dat wel het belang van culturele ontmoetingen in onze tijd. De toenemende culturele interactie in een globaliserende wereld en in samenlevingen met talrijke minderheden, zorgt er onmiskenbaar voor dat we dit soort ontwikkelingen in het verleden ook steeds beter willen begrijpen.
Het begin van onze eeuw, zegt Burke, lijkt een periode van erkenning, inventarisering van de oogst en consolidatie van de verworvenheden van de cultuurgeschiedenis uit de laatste paar decennia. Dit boek past in die periode.

(Deze samenvatting bestaat voor het leeuwendeel uit zinnetjes letterlijk overgenomen uit het boek.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> zeer uitgebreide bibliografie in de commentaren hieronder

Peter Burke, Wat is cultuurgeschiedenis?
207 p.
Uitgeverij Bijleveld, 2007
Oorspr. What is cultural history? (2004)
Vertaald door Alwin van Ee en Bastiaan Bommeljé

____

7 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Burke's 'canon' en de boeken uit de voetnoten in één cumulatieve lijst:

1860 – Jacob Burckhardt, Die Kultur der Renaissance in Italien
1869 – Matthew Arnold, Culture and anarchy
1871 – Edward Tylor, Primitive culture
1894 – Frederik Troels-Lund, Om kulturhistorie
1897 – Karl Lamprecht, Was ist Kulturgeschichte?
1898 – Jacob Burckhardt, Griechische Kulturgeschicht
1904 – Max Weber, Die Protestantische Ethik under der Geist des Kapitalismus
1917 – Keith Thomas, Religion and the decline of magic
1919 – Johan Huizinga, Herfsttij der Middeleeuwen
1923 – Ernst Cassirer, Philosophie der symbolischen Formen
1927 – Charles en Mary Beard, The rise of American civilization
1932 – Aby Warbur, Die Erneuerung der heidnischer Antike
1932 – Christopher Dawson, The making of Europe : an introduction to the history of European unity
1932 – Erwin Panovsky, Ikonographie und Ikonologie
1933 – Daniel Mornet, Les origines intellectuelles de la Révolution française
1933 – Gilberto Freyre, Casa grande en senzala
1934 – Arnold Toynbee, A study of history
1934 – Basil Willey, The seventeenth-century background : studies in the thought of the age in relation in poetry and religion
1936 – George M. Young, Victorian England : portrait of an age
1938 – Keith Baker, The political culture of the old regime
1939 – Norbert Elias, Über den Prozess der Zivilisation
1942 – Lucien Febvre, Le problème de l’incroyance au XVIe siècle : la religion de Rabelais
1943 – E.M.W. Tillyard, The Elizabethan world picture
1943 – Joseph Needham, Science and civilization in China
1946 – Jean-Claude Schmitt, La raison des gestes dans l'Occident médiéval
1947 – Francis D. Klingender, Art and the industrial revolution
1947 – Frederick Antal, Florentine painting and its social background
1948 – Américo Castro, España en su historia : cristianos, moros y judios
1948 – Ernst Robert Curtius, Europäische Literatur und lateinische Mittelalter
1948 – F.R. Leavis, The great tradition
1948 – Sigfried Giedion, Mechanization takes command : a contribution to anonymous history
1951 – Arnold Hauser, Social history of art
1951 – Erwin Panovsky, Gothic architecture and scholasticism
1954 – Asa Briggs, Victorian cities
1954 – Asa Briggs, Victorian people
1954 – Joseph Needham, Science and civilisation in China
1954 – Moses Finley, The world of Odysseus
1955 – Timothy Mitchell, Colonising Egypt
1957 – Erwin Panofsky, Meaning in the visual arts
1958 - Edmundo O'Gorman, La invención de América
1958 – Raymond Williams, Culture and society 1780-1950
1959 – Eric Hobsbawm, The jazz scene
1959 – Miguel León-Portilla, Visión de los vencidos : relaciones indigenas de conquista
1960 – Albert B. Lord, The singer of tales
1960 – Bernard Smith, European vision and the South Pacific 1768-1850 : a study in the history of art and ideas
1960 – Northrop Frye, Myth and mythmaking
1961 – Michel Foucault, Folie et déraison
1962 – Frederick Antal, Hogarth and his place in European art
1962 – John Austin, How to do things with words
1963 – Edward Thompson, The making of the English working class
1963 – John Elliott, Imperial Spain 1469-1716
1963 – John Elliott, The revolt of the Catalans
1963 – Northrop Frye, Fables of identity : studies in poetic mythology
1964 – Frances Yates, Giordano Bruno and the hermetic tradition
1965 – Eric Dodds, Pagan and christian in an age of anxiety
1965 – François Furet (red.), Livre et société dans la France du 18e siècle
1965 – Michail Bachtin, Tvortjestvo Fransoea Rable : I narodnaja koel’toera srednevekoja I Renessansa
1966 – Edward Evans-Pritchard, Purity and danger
1966 – Frances Yates, The art of memory
1966 – Michel Foucault, Les mots et les choses
1967 – Alain Besançon, Le tsarévitch immolé : la symbolique de la loi dans la culture russe
1967 – Fernand Braudel, Civilisation matérielle, économie et capitalisme (Xve-XVIIIe siècles)

Achille van den Branden zei

1968 – Aron Gurevich, Historical anthopology of the Middle Ages
1968 – Mikhail Bakhtin, Rabelais and his world
1969 – John Elliott, Europe divided 1559-1598
1969 – Michel Foucault, L'archéologie du savoir
1970 – Ernst Gombrich, Aby Warburg : an intellectual biography
1970 – John Elliott, The old world and the new 1492-1650
1971 – Frances Yates, The rosicrucian enlightenment
1971 – Nathan Wachtel, La vision des vaincus : les indiens du Pérou devant la conquête espagnole
1972 – Hans-Robert Jauss, Kleine Apologie der ästhetischen Erfahrung
1972 – Michal Baxandall, Painting and experience in fifteenth-century Italy
1972 – Peter Burke, Culture and society in Renaissance Italy
1972 – Pierre Bourdieu, Esquisse d’une théorie de la pratique
1973 – Clifford Geertz, The interpretation of cultures
1973 – Hayden White, Metahistory : historical imagination in nineteenth-century Europe
1973 – Régine Robin, Histoire et linguistique
1973 – S.N. Eisenstadt, Post-traditional societies
1973 - Stephen Greenblatt, Sir Walter Raleigh : the Renaissance man and his roles
1973 – Theodore Zeldin, France 1848-1945
1974 – Michel de Certeau, La culturel au pluriel
1975 – Emmanuel Le Roy Radurie, Montaillou : village occitan de 1294 à 1324
1975 – Frances Yates, Astraea : the imperial theme in the sixteenth century
1975 – Michel de Certeau, Dominique Julia en Jacques Revel, Une politique de la langue : la Révolution française et les patois
1975 – Michel Foucault, Surveiller et punir : naissance de la prison
1975 – Natalie Z. David, Society and culture in early modern France
1975 – Paul Fussell, The Great War and modern memory
1976 – Carlo Ginzburg, Il formaggio e i vermi
1976 – Wolfgang Iser, Der Akt des Lesens : Theorie ästhetischer Wirkung
1977 – J. David Sapir en J. Christopher Crocker (red.), The social use of metaphor
1977 – Jacques Le Goff, Pour un autre Moyen-Age
1977 – Lucien Febvre, Life in Renaissance France
1977 – Raymond Williams, Marxism and literature
1977 – Renate Bridenthal, Claudia Coonz en Susan Stuard, Becoming visible : women in European history
1978 – Edward Said, Orientalism
1978 – George Duby, Les trois ordres, ou l’imaginaire du féodalisme
1978 – Peter Burke, Popular culture in early modern Europe
1978 – Quentin Skinner, The foundations of modern political thought
1978 – Sally Humpreys, Anthropology and the Greeks
1978 – Victor en Edith Turner, Image and piligrimage in Western culture
1979 – Carl E. Schorske, Fin-de-Siècle Vienna
1979 – Ernst Gombrich, Ideals and idols
1979 – Francis S.L. Lyons, Culture and anarchy in Ireland 1890-1939
1979 – Jonas Frykman en Orvar Löfgren, Den kultiverarde människan
1979 – Pierre Bourdieu, La distinction
1979 – Robert Wohl, The generation of 1914
1980 – Jonathan Brown en John H. Elliott – A palace for a king : the Buen Ritro and the court of Philip IV
1980 – Michel de Certeau, L’invention du quotidien
1980 – Patricia Labalme (red.), Beyond their sex : learned women of the European past
1980 – Stephen J. Greenblatt – Renaissance self-fashioning : from More to Shakespeare
1981 – Aaron Jakovlevitsj Goerevitsj, Problemy srednevekovoj narodnoj koel’toery
1981 – Jacques Le Goff, Naissance du purgatoire
1981 – Martin J. Wiener, English culture and the decline of the industrial spirit
1981 – Mikhail Bakthin, The dialogic imagination
1981 – Pierre Nora, Les lieux de mémoire
1981 – Raphael Samuel (red.), People’s history and socialist theory
1981 – William A. Christian Jr., Apparations in late medieval and Renaissance Spain

Achille van den Branden zei

1982 – Alain Corbin, Le miasme et la jonquille : l’odorat et l’imaginaire sociel XVIIIe-XIXe siècles
1982 – Bertram Wyatt-Brown, Southern honour : ethics and behavior in the old south
1982 – Rhys Isaac, The transformation of Virginia 1740-1790
1983 – Benedict Anderson, Imagined communities
1983 – Bernard Cousin, Le miracle et le quotidien : les ex-voto provençaux, images d’une société
1983 – Bjarne Stoklund, Folklife research between history and anthropology
1983 – Eric Hobsbawm en Terence Ranger (red.) – The invention of tradition
1983 – Gareth Stedman Jones, Languages of class
1983 – Keith Thomas - Man and the natural world
1984 – Joan Kelly, Women, history and theory
1984 – Juri Lotman en Boris A. Uspenskii, The semiotics of Russian culture
1984 – Lynn Hunt, Politics, culture and class in the French revolution
1984 – Peter Gay, The bourgeois experience
1984 – Pierre Nora (red.), Les lieux de mémoire
1984 – Robert Darnton, The great cat massacre and other episodes in French cultural history
1985 – Anthony P. Cohen, The symbolic construction of community
1985 – Carol Gluck, Japan’s modern myths : ideology in the late Meiji period
1985 – Christian Jouhaud, Mazarinades : la fronde des mots
1985 – J.C. Heesterman, The inner conflict of traditions
1985 – M. Herzfeld, The poetics of manhood
1985 – Marshall Sahlins, Islands of history
1985 – Richard van Dülmen, Theater des Schreckens
1985 – Robert Le Page en Andrée Tabouret-Keller, Acts of idenity : creole-based approaches to language and ethnicity
1985 – Sidney Mintz, Sweetness and power : the place of sugar in modern history
1985 – Steven Shapin en Simon Schaffer, Leviathan and the air-pump1985 – Thomas Crow, Painters and public life in eighteenth-century Paris
1985 – W.J. McCormack, Ascendancy and tradition
1986 – Anne Vincent-Buffault, Histoire des larmes
1986 – Carlo Ginzburg, Miti, emblemi spie : morfologia e storia
1986 – David C. Hoy (red.), Foucault, a critical reader
1986 – Don F. McKenzie, Bibliography and the sociology of texts
1987 – Caroline Walker Bynum, Holy feast and holy fast : the religious significance of food to medieval woemn
1987 – Colin Campbell, The romantic ethic and the spirit of modern consumerism
1987 – Erich Schön, Der Verlust der Sinnlichkeit : oder Die Verwandlungen des Lesers : Mentalitätswandel um 1800
1987 – Michael G. Kammen, Selvages and biases : the fabric of history in American culture
1987 – Natalie Zemon Davis, Fiction in the archives : pardon tales and their tellers in sixteenth-century France
1987 – Peter Burke en Roy Porter (red.), The social history of language
1987 – Peter Burke, The historical anthropology of early modern Italy : essays on perception and communication
1987 – Robert W. Scribner, Popular culture and popular movements in Reformation Germany
1987 – Roger Chartier, The cultural uses of print in early modern France
1987 – Simon Schama, The embarrassment of riches : an interpretation of Dutch culture in the Golden Age

Achille van den Branden zei

1987 –Roy Porter, Mind-forg’d manacles : a history of madness in England from the Restoration to the Regency
1988 – Asa Briggs, Victorian things
1988 – Catheringe King, Renaissance women patrons
1988 – James Thompson, The East imagined : experienced, remembered : orientalist 19th-century painting
1988 – James Tully (red.), Meaning and context : Quentin Skinner and his critics
1988 – Joan Landes, Women and the public sphere in the age of the French revolution
1988 – Peter Brown, The body and society : men, women and sexual renunciation in early christianity
1988 – Ranajit Guha en Gayatri Chakravorty Spivak (red.), Selected subaltern studies
1988 – Roger Chartier, Cultural history : between practices and representations
1988 – Serge Gruzinski, La colonisation de l’imaginaire : sociétés indigènes et occidentalisation dans la Mexique espagnol XVIe-XVIIIe siècle
1988 – Stephen J. Greenblatt, Shakespearean negotations
1989 – Daniel Roche, La culture des apparences : essai sur l’histoire du vêtement aux XVIIe et XVIIIe siècles
1989 – David Freedberg, The power of images : studies in the history and theory of response
1989 – David Hackett Fischer, Albion’s seed : four British folkways in America
1989 – Lee Beier en David Cannadine, The first modern society
1989 – Linda Nochlin, Politics of vision : essays on nineteenth-century art and society
1989 – Lynn Hunt (red.), The new cultural history
1989 – Modris Eksteins, Rites of spring : the Great War and the birth of the modern age
1989 – Peter Sahlins, Boundaries : the making of France and Spain in the Pyrenees
1989 – Pierre Bourdieu en Dick Pels (red.), Opstellen over smaak, habitus en veldbegrip
1989 – Rudolf M. Dekker en Lotte van de Pol, Vrouwen in mannenkleren : de geschiedenis van een tegendraadse traditie
1990 – Denis Crouzet, Les guerriers de Dieu : la violence au temps des troubles de religion, vers 1525-vers 1610
1990 – Hans Belting, Bild und Kult : eine Geschichte des Bildes vor dem Zeitalter der Kunst
1990 – James S. Scott, Domination and the arts of resistance
1990 – Jean-Claude Schmitt, La raison des gestes dans l’occident médiéval
1990 – Jean-Loup Amselle, Logiques métisse : anthropologie de l’identité en afrique et ailleurs
1990 – John J. Winkler, The constraints of desire : the anthropology of sex and gender in ancient Greece
1990 – Keith Baker, Inventing the French revolution : essays on French political culture in the eighteenth century
1991 – Craig Clunas, Superfluous things : material culture and social status in early modern China
1991 – Edward Thompson, Customs in common
1991 – Ernst Bloch, Erbschaft dieser Zeit
1991 – Jan Bremmer en Herman Roodenburg (red.), The cultural history of gesture
1991 – Peter Burke, New perspectives on historical writing
1991 – Richard Swiderski, The false Formosan : George Psalmanzar and the eighteenth-century experiment of identity
1991 – Rik Sanders et. al., Balans en perspectief van de Nederlandse cultuurgeschiedenis
1992 – Carig Calhoun (red.), Haberman and the public sphere
1992 – Catherine Bell, Ritual theory, ritual practice
1992 – David Underdown, Fire from heaven : life in an English town in the seventeenth century
1992 – Hans J. Rindisbacher, The smell of books : a cultural-historical study of olfactory perception in literature
1992 – Judith R. Walkowitz, City of dreadlight delight : narratives of sexual danger in late-Victorian London
1992 – Mary Louis Pratt, Imperial eyes : travel writing and transculturation
1992 – Peter Burke, The fabrication of Louis XIV
1992 – Pierre Bourdieu, Les règles de l’art : genèse et structure du champ littéraire
1993 – Brinkley Messick, The calligraphic state : textual domination and history in an muslim society
1993 – Charles Phytian-Adams, Societies, cultures and kinship 1580-1850 : cultural provinces and English local history

Achille van den Branden zei

1993 – Edward Said, Culture and imperialism
1993 – Francis Haskell, History and its images : art and the interpretation of the pst
1993 – John Brewer en Roy Porter (red.), Consumption and the world of goods : consumption and culture in 17th en 18th centuries
1993 – John Keegan, A history of warfrare
1993 – Mario Biagioli, Galileo courtier
1993 – Michel de Certeau, La culture au pluriel
1993 – Robert Bartlett, The making of Europe : conquest, colonization and cultural change 950-1350
1993 – Rudolf Braun en David Gugerli, Macht des Tanzes
1993 – The inner quarters, Patricia Ebrey
1994 – Alain Corbin, Les cloches de la terre : paysage sonore et culture sensible dans les campagnes au XIXe siècle
1994 – Constance Classen, David Howes en Anthony Synnott, Aroma : the cultural history of smell
1994 – Jas Elsner en Roger Cardinal (red.), The cultures of collecting
1994 – Jean-Claude Schmitt, Les revenants : les vivants et les morts dans la société médiévale
1994 – Peter Stearns, American cool : constructing a twentieth-century emotional style
1994 – Steven Shapin, A social history of truth : civility and science in seventeenth-century England
1994 – Theodore Zeldin, An intimitate history of humanity
1994 – Thomas Bender en Carl E. Schorske, Budapest and New York : studies in metropolitan transformation
1995 – Guglielmo Cavallo en Roger Chartier (red.), A history of reading in the West
1995 – James Carrier (red.), Occidentalism : images of the West
1995 – James Johnson, Listening in Paris
1995 – Jay Winter, Sites of memory : sites of mourning : the Great War in European cultural history
1995 – Jeremy Ahearne, Michel de Certeau : interpretation and its other
1995 – Johan Huizinga (red. W.E. Krul), De taak der cultuurgeschiedenis
1995 – John M. MacKenzie, Orientalism : history, theory and the arts
1995 – Richard S. Wortman, Scenarios of power : myth and ceremony in Russian monarchy
1995 – Thomas Kaufmann, Court, cloister and city : the art and culture of central Europe, 1450-1800
1995 – Tim Harris (red.), Popular culture in England c. 1500-1850
1996 – David Niremberg, Communities of violence : persecution of minorities in the Middle Ages
1996 – Don Kelley, History of the human sciences
1996 – Elaine K. Ginsberg, Passing and the fictions of identity
1996 – James Raven, Helen Small en Naomi Tadmor (red.), The practice and representation of reading in England
1996 – Joad Raymond, The invention of the newspaper
1996 – Nicholas Jardine, Cultures of natural history
1996 – Nigel Crook (red.), The transmission of knowledge in South Asia
1996 – Samuel P. Huntington, The clash of civilizatons and the remaking of world order
1996 – Takashi Fujitani, Splendid monarchy : power and pageantry in modern Japan
1997 – Alexandra Georgakopoulou en Dionysis Goutsos, Discourse analysis : an introduction
1997 – David Swartz, Culture and power : the sociology of Pierre Bourdieu
1997 – John Brewer, The pleasures of the imagination : English culture in the eighteenth century
1997 – Neil Jarman, Material conflicts
1997 – Peter Burke, Varieties of cultural history
1997 – Peter Galison, Image and logic : a material culture of microphysics
1997 – Roger Chartier, On the edge of the cliff
1997 – Stuart Clark, Thinking with demons : the idea of withcraft in early modern Europe
1998 – David Landes, The wealth and poverty of nations : why some are so rich and others so poor

Achille van den Branden zei

1998 – James S. Amelang, The flight of Icarus : artisan autobiography in early modern Europe
1998 – Jan Golinski, Making natural knowledge : constructivism and the history of science
1998 – Peter Burke, The European Renaissance : centres and perispheres
1998 – Peter Kornicki, The book in Japan : a cultural history from the beginnings to the nineteenth century
1999 – Aby Warburg, The renewal of pagan antiquity : contributions to the cultural history of the European Renaissance
1999 – Adam Kuper, Culture : the anthropologist’s account
1999 – Bruce R. Smith, The acoustic world of early modern England
1999 – Ian Hacking, The social construction of what?
1999 – Jas Elsner en Joan-Pau Rubiès, Voyages and visions, towards a cultural history of travel
1999 – Lorna Hutson (red.), Feminism and Renaissance studies
1999 – Miri Rubin, Gentil tales : the narrative assault on late medieval jews
1999 – Ruth Harris, Lourdes : body and spirit in a secular age
1999 – Victoria E. Bonnell en Lynn Hunt (red.) – Beyond the cultural turn : new directions in the study of society and culture
2000 – David M. Guss, The festive state : race, ethnicity and nationalism as cultural performance
2000 – David Underdwon, Start of play : cricket and culture in eighteenth-
2000 – Jean-Pierre Gutton, Bruits et sons dans notre histoire
2000 – Letitia Panizza en Sharon Wood (red.), A history of women’s writing in Italy
2000 – Lionel Gossmann, Basel in the age of Burckhardt
2000 – Michael A. Bellesile, Arming America : the origins of a national gun culture
2000 – Peter Burke, A social history of knowledge : from Gutenberg to Diderot
2000 – Piroska Nagy, Le don des larmes au Moyen Age
2000 – Robert Blair St. George (red.) – Possible pasts : becoming colonial in early America
2000 – Stephen Lovell, The Russian reading revolution : print culture in the Soviet and Post-Soviet eras
2000 – Zygmunt Bauman, Liquid modernity
2001 – Anton Blok, Honours and violence
2001 – Brendan Dooley en Sabrina Baron (red.) – The politics of information in early modern Europe
2001 – Herbert Grabes (red.), Literary history / Cultural history : force-fields and tensions
2001 – Ian McBride (red.), History and memory in modern Ireland
2001 – Peter Burke, Eyewitnessing : the uses of images as historical evidence
2001 – Philippe Buc, The dangers of ritual : between early medieval texts and social scientific theory
2001 – Robert J.C. Young, Postcolonialism : an historical introduction
2001 – William M. Reddy, The navigation of feeling : a framework for the history of emotions
2002 – Alastair Bellany, The politics of court scandal in early modern England
2002 – John A. Marino (red.), Early modern history and the social sciences : testing the limits of Braudel’s Mediterranean
2002 – Maria Lúcia Pallares-Burke, The new history : confessions and conversations
2002 – Peter Burke (red.), History and historians in the twentieth century
2003 – Adam Fox en Daniel Woolf (red.), The spoken word : oral culture in Britain, 1500-1850
2003 – Christopher Clark en Wolfram Kaiser (red.), Culture wars : secular-catholic conflict in nineteenth-century Europe
2004 – Ian Buruma en Avishai Margalit, Occidentalism : the West in the eyes of its enemies
2004 – Robert Jütte, A history of the senses
2005 – Penelope Gouk en Helen Hills (red.), Representing emotions : new connections in the histories of art, music, and medicine
2005 – Peter N. Stearns, American behavioral history
2006 – Patrick Chabal en Jean-Pascal Daloz, Culture troubles : comparative politics and the interpretation of meaning
2007 – Emily Cockayne, Hubbub : filth, noise, and stench in England 1600-1770
2007 – Jan Rüger, The great naval game : Britain and Germany in the age of empire

Achille van den Branden zei

En verder de volgende auteurs en denkers:

Fritz Saxl
Edgar Wind
Karl Mannheim
Arnold Hauser
George Lukacs
Anthony Blunt
John Berger
Roy Pascal
George Thomson
Raphael Samuel
Stuart Hall
Arthur Young
Antonio Gramsci
George Duby
Marshall Sahlins
John Austin
Jean-Pierre Vernant
Pierre Vidal-Naquet
Marcel Detienne
Walter Burkert
Karen Horney
Erich Fromm
Marcel Mauss
Mary Douglas
Kenneth Burke
Victor Turner
Giovanni Levi
Edoardo Grendi
century England
Michelle Perrot
Jack Goody
Julia Kristeva
Luce Irigaray
Frederic William Maitland

Related Posts with Thumbnails