De kleurenvanger - Peter Verhelst
Ik ken genoeg meisjes die dwepen met Peter Verhelst, maar dat zijn stuk voor stuk bleke, difficile, Chantal Pattyn-achtige types. De kleurenvanger werd me voor de verandering eens aangeraden door een mooie, opgeruimde vrouw zonder gevoel voor culturele correctheid. Werd ik toch weer nieuwsgierig. Welnu, De kleurenvanger is een extreem boek dat ook bij mij extreme reacties opriep. Er waren een paar dagen nodig om die allemaal op een rij te hebben.
1
Ooit, ik was nog een snotaap, beet ik mijn tanden stuk op de boeken van Peter Verhelst. Ik las Het spierenalfabet en Tongkat met beleefde bewondering, zonder echt na te voelen waar de schrijver op uit was. Inmiddels vind ik 'm misschien wel de meest oorspronkelijke schrijver die we hebben. Postmodern gepuzzel zegt me nog altijd bijzonder weinig, maar de schaamteloze zoektocht van Verhelst naar het absolute kent zijn gelijke niet in de Lage Landen, zeker niet in deze tijden van ironie en sarcasme. Die eigenzinnigheid kan niet genoeg geprezen worden.
Mocht men mij tekst en uitleg vragen waarom ik als een blok voor De kleurenvanger ben gevallen, dan zou ik beginnen en eindigen met het woord: devotie. Voor mij is Verhelst bovenal een devoot schrijver, zoals Hadewych en Jan van Ruusbroec dat waren in de middeleeuwen. Het is religie, maar niet in kwezelachtige zin. Met devotie wordt doorgaans de toewijding bedoeld aan een hogere macht of waarheid via een ingenieuze set van rituelen. Devotie is geen theorie maar een mentaliteit: de bereidwilligheid zich over te geven, zich totaal weg te schenken aan Iets of Iemand. Voor vele gelovigen ligt in devotie de kern van hun geloofsbeleving, en niet in leerstellingen of kerkelijke instituten.
Het absolute waar de personages van Verhelst naar streven neemt evenwel niet de gedaante aan van een opperwezen. Zij streven naar iets abstract. Naar Het Volmaakte: volmaakte schoonheid, volmaakte bevrediging van hun verlangens, volmaakte versmelting met elkaar (de jongen en het meisje, de hybride zeemeermin), de volmaakte vorm van woorden (opdat zij vlees zouden worden), volmaakte overgave aan zintuiglijk genot. Het is alsof de mensen die deze romanwereld bevolken, naar het woord van Oscar Wilde, ‘aan alles kunnen weerstaan, behalve aan de verleiding’.
2
Natúúrlijk wordt hun streven gefrustreerd, anders was er geen roman. De figuren van Verhelst zitten aan hun lichamelijkheid vast en kunnen nooit het absolute bereiken. Het concrete kan nooit abstract worden. De versmelting vindt niet plaats, want een deel kán logischerwijs nooit samenvallen met het geheel — de tragedie van elke mysticus. En omgekeerd kent een idee dat in het hoofd van een mens leeft nooit een perfecte uitvoering in de realiteit.
De kleurenvanger steekt vol grandioze desillusies. Het punt waar het onmogelijke even mogelijk lijkt te worden, gaat bij Verhelst altijd gepaard met plotse vernietiging. Wanneer iemand op het punt staat de perfectie te bereiken slaat het voorwerp van zijn streven prompt om in zijn tegendeel. De mannelijke castraatzanger zingt als een meisje, maar wordt wel onvruchtbaar. De verrukkelijke aardbei verdwijnt wanneer zij wordt opgegeten. De jongen en het meisje krijgen elkaar op het eind van de roman, maar in twijfelachtige omstandigheden.
Aan de oppervlakte is De kleurenvanger het verhaal van de eindeloos uitgestelde reünie van twee geliefden. Een rusteloze, haveloze jongen ontmoet tijdens een van zijn nachtelijke omzwervingen een meisje waarvoor hij een hevige liefde opvat. Maar even later raakt hij haar al kwijt. Aan de dood, zo lijkt het. Het meisje valt van een brug, in de Brugse reien. Meesterlijk beschrijft Verhelst dat kantelmoment.
Twee mannen en één jongen, kijkend naar een meisje dat als een vogel op de leuning van een brug zat.Na een korte periode van rouw trekt de jongen de stad uit. Hij moet het verleden achter zich laten, de politie zit achter hem aan en daarom onderneemt hij een trip door Europa, even stuurloos als tevoren. Wat de jongen niet weet is dat het meisje, meermin geworden, hem vergezelt op zijn dwaaltocht. Als een soort beschermengel geeft ze hem vanuit rivier, zee en riool de nodige rugdekking. Overbodig is dat niet: tijdens zijn voetreis ontmoet de jongen een hele stoeterij aan kunstenaars die allemaal geobsedeerd zijn door het thema van, jawel, de vernietiging.
Hoe lang duurt een val?
Lang genoeg om eraan te sterven.
Toen ze wankelde, schoten zes armen op haar af.
Viel ze? Werd ze geduwd?
Ik denk dat ze sprong.
Eén ding is zeker: angst geeft geen vleugels.
3
De grote verdienste van Verhelst is dat hij een frisse, van gezondheid blakende vorm gevonden heeft om levensgrote verlangens uit te drukken. Hij bedient zich niet van religieuze terminologie of melige symboliek, hij raakt gelukkig ook niet verstrikt in de kromspraak van de new age-beweging, neen, zijn voornaamste troef is zijn weergaloze, aan poëzie grenzende proza. Verhelst schrijft dingen die je van je leven niet meer vergeet. Hij maakt beelden die in je netvlies blijven gebrand. Het knappe: hij doet dat in korte, efficiënte zinnetjes. De twee geliefden “wrijven elkaar als twee messen scherp”. Iemand berouwt het zijn hart niet te kunnen “afsluiten als een gaskraan”. Het verleden is alleen verteerbaar als je het “plet onder scherpe hakken”. De zon “ontploft boven het hoofd” van de jongen, ’s nachts prijkt “het glanzende oogwit van de maan” aan de hemel. Driehonderd bladzijden houdt Verhelst dat niveau vol, vijf uur lang neemt hij de lezer in hechtenis. Moeiteloos.
De kleurenvanger pompt ook nieuw bloed in de traditionele verschijningsvormen die devotie kan aannemen. Kapelletjes: de rode tranen van het madonnabeeldje in Civitavecchia. De processie in verschillende staties: het koppel legt een reis af langs vijf Europese steden (Brugge, Barcelona, Berlijn, Bordeaux, Venetië). De rozenkrans: de vijf steden vormen ook geografisch een vijfhoek (Verhelsts voorliefde voor het pentagram), maar de vijfhoek wordt niet gesloten. De trip eindigt niet waar ze begon, maar blijft steken in Venetië, het buitenbeentje, de enige stad die niet begint met een ‘B’. De bedevaart: Verhelst suggereert ergens dat het graf van de castraatzanger spoedig een bedevaartsoord zal worden. De Heilig Hartverering: het hart staat centraal in een paar scènes in De kleurenvanger (“Als je hart geroofd wordt, implodeert je borst.”)
Maar het mooiste beeld dat Verhelst aandraagt — en dat opnieuw verband houdt met een concept dat, wanneer het zijn volmaakte vorm heeft gevonden, omslaat in zijn tegendeel — is dat van het kleurenpalet. De volmaakte kleur blijkt uiteindelijk... wit te zijn. Verhelst laat zijn held aankomen in het dorpje bij het klooster van Bernardus van Clairvaux. Een kale zandvlakte strekt zich voor hem uit. In het dorp verneemt hij dat
Bernardus van Clairvaux zijn broeders had bevolen elke boom, elke struik en elk grassprietje te laten verdwijnen. En zo gebeurde. Toen alles verdwenen was, strooide Bernardus eigenhandig marmergruis over de vlakte. Wit marmer. Gods enige kleur, zei hij. Zwijgend stonden de dorpsbewoners te kijken hoe de abt Gods zaad over het zand uitzaaide. Combineer die witheid met zon. Wat je krijgt, is verblinding. ‘Nee,’ antwoordde Bernardus. ‘Wat je krijgt, is God. Kleuren maken blind. God laat je zien. (...) Kleur is een substantie. Het is de smetstof van de duivel. Satan hijzelve schoot als een wervelwind door de wereld met een verfdoos in zijn handen. Hij doopte er zijn staart en sloeg die als een kwispel over alles uit. Daardoor benam hij het uitzicht op het wezen van de dingen. We moeten overal de kleuren van wegkrabben voor we iets kunnen zien.’

'Südliche Gärten', Paul Klee, 1919
4
De kleurenvanger is een gloedvol pleidooi voor het vertellen van verhalen. Niet het verhaal als middel om kennis over te brengen, maar als middel tot intimiteit. Verhelst laat de jongen converseren met zijn eigen schaduw; samen houden ze ellenlange dialogen, “op pare dagen over verheven en op onpare dagen over triviale onderwerpen”. Wanneer de jongen het meisje ontmoet, gaan ze op warme stenen liggen, wijzen ze sterrenbeelden aan en vertellen ze elkaar verhalen. De een begint het verhaal, de ander maakt het af. En verderop in de roman, in het ziekenhuis, smeken de verpleegsters de jongen om verhalen te vertellen. Wanneer hij door de politie wordt opgepakt toont hij zich bewust van zijn talent.
Wat willen ze? De waarheid? Ik kan de waarheid verzinnen. Ik kan verhalen verzinnen. Desnoods kan ik het vlees opnieuw woord laten worden.De kleurenvanger is daarmee ook een pleidooi voor de esthetiek van verhalen an sich, en de overtuigingskracht die daaruit voortspruit. Er is het prachtige verhaal van de gek in de dierentuin van Moskou die met een metaalschaar de kooien van de papegaaien had opengeknipt. Van de man die in Frankrijk beroemde doeken overschildert met zwarte verf. Van de Spanjaard die branden vastlegt op film. Van de tragische castraatzanger Alessandro Moreschi. Van Michelangelo, die in een van de mooiste intermezzi van De kleurenvanger al zijn beroepsgeheimen opbiecht.
Alleen de belangrijke rode draad, die van de lijmstokman, die alle kleuren van de wereld najaagt en vastzet in de raten van zijn bijenkorf, vond ik van mindere kwaliteit. De herinnering aan Patrick Süskind en zijn achttiende-eeuwse geurenvanger Jean-Baptiste Grenouille zat me in de weg, geloof ik. Dat beiden, Grenouille en de lijmstokman, nog het laatste exemplaar in hun collectie ontberen en dat aan een jong meisje moeten zien te ontvreemden, is al te toevallig. Ook stilistisch is er verwantschap. De hiernavolgende passage kan zo in Het parfum (1985):
Wie eenmaal de zee heeft getekend, kan niet zonder water. Toen ik opnieuw voet aan land zette in Europa, schafte ik me een boot aan. Een middelgrote binnenvaarder.5
Het ruim was mijn kleurenkelder. Daarin wilde ik alle kleuren van de wereld opbergen. Voorts waren er nog vier kajuiten en een keuken. De kleinste werd mijn slaapkamer. In de tweede stond mijn kleurenkorf en de derde was mijn chemische kamer. De laatste was leeg.
Mijn leven was eenvoudig. Ik meerde aan, ging aan land en verzamelde zoveel mogelijk kleuren. ’s Nachts verwerkte ik die tot pigmenten in de chemische kamer. De volgende dag classificeerde ik ze in de kleurenkelder. Daarna rustte ik wat en bracht de dag door met het uitstippelen van mijn reisroute.
Ik blijf zitten met de vraag of De kleurenvanger tot iets kleiners te herleiden valt. Een idee, een boodschap, een clue. Een slotsom die het boek hanteerbaar maakt, omdat je haar jaren later nog voor de geest kan halen. Ik heb er het raden naar. De verzamelde verhalen in De kleurenvanger doen denken aan de zuurstokkleuren van een circustent, oplopend naar een uitgespaard middelpunt — het ronde gat van de tent. Aan een stralenbundel met een kern te fel om recht in te kunnen kijken. Verhelst gebruikt zelf het beeld van de polyhedron.
Een driedimensionale geometrische figuur, die samengesteld is uit vijfhoeken en driehoeken die in elkaar passen en bijna een volmaakte bol vormen. Die polyhedron doet me altijd denken aan zo’n spiegelbol aan het plafond van het danshuis in ons dorp. Het verandert banaal licht in sterren. Ik vind het een mooi beeld voor Da Vinci: veelkantig, ongrijpbaar, oplichtend en op een verrukkelijke manier nutteloos en onuitstaanbaar. Even nutteloos en onuitstaanbaar als ik.Daarom, omdat mij op school altijd werd geleerd te zoeken naar plot en samenhang, is het lezen van De kleurenvanger ook een oefening in onthechten. Verhelst dwingt me te genieten van het moment. Zijn zinnen zijn hevige, kortstondige sensaties die je één voor één moet ondergaan. Traag. Af en toe denk je je vinger te leggen op een overkoepelend verhaal, maar kort daarna smelt het alweer in je warme handen. Het hele boek ondermijnt je gevoel voor richting, doet je in het duister tasten.
Dat werkt: geblinddoekt wordt je tastzin aangescherpt. Na het dichtslaan van het boek ziet de wereld er mooier uit. Intenser. De kleuren om je heen lijken beter doorbloed. Geluiden klinken ineens loepzuiver. Alsof Verhelst het stof uit je ogen heeft geblazen, je oren hernieuwde instructies heeft gegeven. Je haalt diep adem, blij met dat herboren gevoel voor gewicht, textuur, vorm.
Om door te gaan op dat plastische: het hoeft niet te verbazen dat Verhelst zich aangetrokken voelt tot alles wat vloeibaar is. Smelten, en elk werkwoord dat een soortgelijke metamorfose inluidt, zijn geliefde keuzes in zijn lexicon. Opnieuw een uitnodiging aan de lezer om zijn zintuigen te gebruiken: want alleen wat vloeibaar is kan je smaken. Eén interludium gaat trouwens over Leonardo da Vinci, de uitvinder van het sfumato, een schildertechniek waarbij kleuren geleidelijk in elkaar overvloeien en zo hun contouren verliezen.
Al even vormeloos zijn de twee ik-personen die van Verhelst om beurten het verhaal mogen vertellen. Biografische gegevens over het jongen en het meisje komen we amper aan de weet. Wat telt, het enige waar de lezer echt mee in contact komt, is hun hypnotiserende voice-off. Zelfs de liefdesrelatie tussen beiden vertoont nauwelijks sporen van enige psychologie. Ze worden zich niet door herinnering en reflectie bewust van hun omgeving, maar door rechtstreekse aanrakingen, en veel praten.
Dat alle psychologische terzijdes uit De kleurenvanger zijn gebannen, geeft de roman een mythische, voorwereldlijke toets. Personages worden nauwelijks aan elkaar voorgesteld. Figuranten duiken op uit het niets. Verhelst lijkt ze enkel te hebben geboetseerd opdat ze hun kunsten aan elkaar zouden vertonen. Bijna elke ontmoeting groeit uit tot een séance — telkens een nieuw zetsteentje die de roman doet schitteren.
Zelfs het decor waarin deze schimmen zich bewegen is schetsmatig getekend, als bij een droomlandschap. De kleurenvanger speelt bij voorkeur 's nachts, wanneer elke storende achtergrond is gedimd, wanneer de wereld stil is als onder een wateroppervlak.
6
De kleurenvanger gaat over verlangen, sporen volgen en zoekende zijn. De jacht is mooier dan de vangst, de trip mooier dan de bestemming. “Wat is het doel van een labyrint,” vraagt Verhelst ergens in de roman, “het vinden van de uitgang of het verdwalen?” De vraag stellen is haar beantwoorden. In De kleurenvanger laat Verhelst de jongen lopen tot hij zo vermoeid is dat hij bijna het bewustzijn verliest. Het lichaam wordt afgebeuld tot hij enkel de geest overhoudt.
Het lezen van Verhelst is een al even zalige, afmattende ervaring. Het absolute wordt niet bereikt, maar wel een stukje zelfverlies. Voor even.
(9-11 maart 2009.)
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Verhelst op Achille: Memoires van een luipaard
Peter Verhelst, De kleurenvanger
298 p.
Uitgeverij Prometheus, 1996
____

1 reactie(s):
Je verwoordt de gevoelens en de gedachten die dit boek bij mij hebben opgewekt. Interessante bedenkingen.
Een reactie plaatsen