maandag 16 november 2009

Bekentenissen van Zeno - Italo Svevo

In de figuur van Zeno Cosini versterken een neurotisch onvermogen om te leven en een buitenproportieel talent voor zelfanalyse elkaar. De psychiater wordt erbij gehaald. En kijk, de gemeenplaatsen van de psychoanalyse en de vergoeilijkende praatjes van Zeno gaan een onontwarbaar, tragi-komisch verbond aan. "Beelden uit het verleden! Ik geloof dat ze slechts op te roepen zijn door middel van een optisch hulpmiddel, dat ze tegelijkertijd ondersteboven keert."

Jaren heeft het geduurd eer ik Het hermetisch zwart van Yourcenar en deze Bekentenissen van Zeno uit elkaar kon houden. Dat komt, van beide romans is de vertaling uitgegeven bij Athenaeum-Polak & Van Gennep, de twee boeken zijn ongeveer even dik en allebei kennen ze een hoofdpersoon die Zeno heet.

Italo Svevo (1861-1928), pseudoniem van Ettore Schmitz, werd geboren in een familie van Joodse komaf. Hij kwam uit Triëst, het snijpunt van verschillende Europese culturen, en belichaamde ook zelf die gespletenheid. Zijn vader was Duits, zijn moeder Italiaans.

In 1873 vertrekt de jonge Svevo naar een bekend instituut in Würzburg om zich de Duitse taal eigen te maken. In de periode maakt hij kennis met de literatuur. Terug in Triëst wordt hij echter al vlug geschoold in het echte leven en zijn praktische eisen, wanneer hij vanwege de precaire financiële situatie van zijn familie zijn studie moet opgeven. Hij gaat werken in een bank en doet vertaalarbeid.

Als dertiger publiceert hij twee matig ontvangen romans (Een leven in 1892 en Een man wordt ouder in 1898). Svevo was dus al een gerijpte auteur toen hij in 1907 bevriend raakte met James Joyce. De Ier, die dan zijn grote werken nog moet schrijven, leert hem Engels en houdt Svevo's belangstelling voor literatuur warm. Ook Proust, wiens naam samen met Joyce de naam van Svevo doorgaans flankeert in de literatuurboekjes, is nog niet begonnen aan zijn Recherche.

In 1915 vlucht Svevo's familie uit Triëst uit angst voor de Eerste Wereldoorlog. De schrijver blijft alleen achter om de verffabriek van zijn vader te runnen. De firma moet enkele jaren zijn deuren sluiten, wat de Svevo de kans geeft zich in alle rust te wijden aan zijn literaire activiteiten. In zijn nawoord wijst Silvio Benco hoe het wereldwijze en de neiging tot introspectie van Svevo een vruchtbare combinatie zou blijken voor het meesterwerk dat op til staat. Svevo schilderde zichzelf graag af als een man die niet voor het praktische leven in de wieg gelegd was, maar dat was pose.

In werkelijkheid was hij ook voor het praktische leven zeer goed toegerust, hij bezat een groot verantwoordelijkheidsgevoel, gepaard aan een levendige belangstelling voor het werk waar hij mee bezig was: dit verantwoordelijkheidsgevoel en deze belangstelling kwamen tot uiting in intellectuele bespiegelingen over de verrichte prestaties of over het terrein dat hij zich had eigen gemaakt. Vandaar dat de praktische werkzaamheden — waarin deze onvermoeide werker zich uitstekend weerde, of het nu was als bankemployé, als gedegen industrieel of als een goed georiënteerd en betrouwbaar zakenman — voor hem los kwamen te staan van hun concrete begrensdheid; hij bekeek en overdacht ze vanuit het standpunt van de econoom, de socioloog, terwijl de romancier in hem ze samenvatte als facetten van het leven. Het was een genoegen om met hem te converseren, omdat hij beschikte over drie belangrijke kwaliteiten: ervaring van de realiteit, een intellectuele visie op de realiteit en het vermogen deze door zijn fantasie te verrijken.
In 1919, na twintig jaar niks meer van betekenis te hebben gepubliceerd, begint Svevo met het schrijven van zijn derde roman, La coscienza di Zeno. In een handvol analytische hoofdstukken belicht de hoofdpersoon telkens een ander aspect uit zijn leven: zijn rookverslaving, de dood van zijn vader, zijn huwelijk, zijn maîtresse, het zakenleven. Svevo was al een tijdje gefascineerd door de psychoanalyse, met name de mogelijkheid om langs rationele weg een volmaakte innerlijke gezondheid te veroveren. Een neef van Svevo (met wie hij de Traumdeutung van Freud zou vertalen) was rond 1910 bij de grote zieleknijper zelf in therapie gegaan. Twee jaar later kwam deze als een gebroken man terug uit Wenen, door Freud ongeneesbaar verklaard en financieel heel wat lichter.

Bekentenissen van Zeno, dat op voorspraak van Joyce in Franse vertaling verscheen, wordt een succes, zodat Svevo op zijn 62ste dan toch van enige literaire roem kan genieten. Samen met Pirandello katapulteert Svevo de Italiaanse literatuur de moderniteit in. De lineair vertelde verhalen uit de negentiende eeuw met hun onversneden helden (desnoods antihelden) hebben plaatsgemaakt voor de verscheurde, aan twijfel en ironische afstandelijkheid onderhevige mens van vlees en bloed uit de twintigste eeuw.

Via Zeno Cosini, die zichzelf op vraag van dokter S. (lees: Sigmund) kapotanalyseert, spot Svevo met de pretenties van de psychoanalytische leer. Zeno, een zevenenvijftigjarige zakenman met een goed oog voor vrouwelijk schoon, legt zijn hele leven uit in termen van ziekte en gezondheid. Die naam, Zeno, die hij met de uitvinder van de paradox gemeen heeft, is echter niet toevallig gekozen. De volmaakt gezonde Zeno raakt verstrikt in zijn eigen diagnoses en waanideeën. Zijn intelligentie speelt hem parten. Hij praat recht wat krom is, krom wat recht is. Zijn hyperbewuste analyses zijn contraproductief. Het mooist wordt dat verzinnebeeld wanneer Svevo de anatomie van het been en de voet bestudeert. Een automatisme — de vierenvijftig spieren die bij elke pas in beweging komen — wordt ineens problematisch.
Ik keek er van op en concentreerde meteen mijn aandacht op mijn benen om er de monstrueuze machinerie van te ontdekken. En ik geloof dat ik die ontdekte. Vanzelfsprekend onderscheidde ik geen vierenvijftig onderdelen, maar een enorm ingewikkeld stelsel dat alle samenhang verloor zodra ik er mijn aandacht op vestigde. Toen ik het café uitkwam hinkte ik en enige dagen bleef ik als een kreupele voortstrompelen.
Al analyserend verandert Zeno zichzelf in een zieke. Een zieke die zich afvraagt of hij de mensen in zijn omgeving niet van hun gezondheid moet genezen. Allerlei diagnoses handhaven zich stuk voor stuk in zijn lichaam en voeren een onderlinge strijd om de overhand. Zeno is de vleesgeworden hypochondrie. Wanneer hij een vlieg neermept, is hij verbaasd over zijn ontdekking dat dat kleine, door pijn geteisterde organisme, dat vecht om zijn leven, in zijn geweldige krachtinspanning wordt geleid door twee misvattingen.
Ten eerste gaf het insekt, door zo ijverig zijn vleugeltjes glad te strijken waar niets aan mankeerde, blijk niet te weten van welk orgaan zijn pijn afkomstig was; verder bewees zijn hardnekkige ijver dat zijn minuscule brein vervuld was van het onwankelbare vertrouwen dat gezondheid voor alle wezens is weggelegd en beslist zal terugkeren wanneer ze ons heeft verlaten. Deze misvattingen zijn heel vergeeflijk bij een insekt dat slechts één seizoen leeft en geen tijd heeft om ervaring op te doen.

Italo Svevo

De bekentenissen
Het betekent allemaal niet dat Svevo niet vol goede voornemens zit om van zijn aandoeningen af te raken. In het beroemde derde hoofdstuk waarin de man met zijn rookverslaving probeert te breken, doet hij verslag van alle voorgaande afkickpogingen — één grote rondedans van laatste sigaretten.
Eens, toen ik in mijn studententijd van kamer verwisselde, moest ik mijn oude kamer op eigen kosten opnieuw laten behangen, omdat ik de muren had volgeklad met data. Waarschijnlijk vertrok ik juist uit die omgeving omdat ze tot een kerkhof van mijn goede voornemens was geworden en ik het niet voor mogelijk hield er op diezelfde plaats nog meer te vormen.
Ik vind dat een sigaret een intensere smaak heeft als het de laatste is. Ook de andere hebben hun speciale smaak, maar die is minder intens. De laatste sigaret ontleent zijn aroma aan het gevoel van zelfoverwinning en de hoop op een naaste toekomst vol kracht en gezondheid. De andere hebben hun waarde omdat het opsteken ervan een soort demonstratie van eigen vrijheid is, terwijl de toekomst van kracht en gezondheid blijft bestaan, alleen wat wordt uitgeteld.
De data op de wanden van mijn kamer waren in de meest uiteenlopende kleuren aangebracht, soms zelfs met olieverf. Het voornemen, dat telkens weer met een naïef vertrouwen werd hervat, vond zijn passende uitdrukking in de sterkte van de kleur, die die de kleur van het voorgaande moest doen verbleken.
De conclusie kan alleen maar luiden dat Zeno's werkelijke ziekte niet het roken zelf is, maar het goede voornemen.
Ik moest proberen van mijn aanwensel af te komen zonder het voornemen ertoe te vormen. In mij waren in de loop der jaren twee personen ontstaan, waarvan de een commandeerde en de ander niets meer was dan de slaaf die, zodra het toezicht verslapte, zich uit pure vrijheidsdrang tegen de wil van zijn meester verzette. Ik moest hem daarom zijn volledige vrijheid hergeven en tegelijkertijd mijn aanwensel tegemoettreden alsof het iets nieuws was dat ik nog nooit eerder had gezien. Ik moest het niet bestrijden, maar eenvoudigweg negeren, als het ware me eraan over te geven door het onverschillig mijn rug toe te keren als iemand die men zijn gezelschap niet waardig acht. Eenvoudig, nietwaar?
In het daaropvolgende hoofdstuk wordt de dood van Zeno's vader belicht. Uiteraard is naar goede psychoanalytische traditie de vader-zoonrelatie behoorlijk verstoord. Zeno ontbeert de handelsgeest van zijn vader. Vader is een ernstig man, zoonlief is altijd in voor een grapje. Wanneer de vader zijn zoon krankzinnig noemt, rept deze zich naar de dokter om een officieel certificaat dat zijn geestelijke gezondheid bevestigt — een practical joke die zijn vader alleen maar sterkt in de overtuiging dat zijn zoon goed gek is.

De moeder van Zeno is gestorven toen hij nog geen vijftien was. Vader Cosini overlijdt wanneer Zeno dertig is. Indrukwekkend zijn de bladzijden op het sterfbed (p. 59 e.v.), met de misplaatste troostende woorden van Zeno — ‘Ik geloof dat alleen de prettige dingen blijven voortbestaan, want verdriet is dan niet meer nodig. De ontbinding zal waarschijnlijk veel overeenkomst hebben met seksueel genot. In ieder geval zal ze gepaard gaan met een geluksgevoel van rust, als tegengewicht voor alle inspanning die de opbouw van ons lichaam eist. De ontbinding is te beschouwen als de bekroning van het leven!’ — en de niet van symboliek gespeende laatste handelingen van de vader. Met de dood van zijn vader verdwijnt het toekomstbeeld waarop Zeno zijn goede voornemens projecteerde.

Zijn herinneringen leiden Zeno vervolgens naar de manier waarop zijn huwelijk tot stand is gekomen. Die begint met de ontmoeting van zijn toekomstige schoonvader Giovanni Malfenti, een schrandere, succesvolle zakenman waar Zeno naar opkijkt. Malfenti heeft vier dochters, wier voornaam elk met een A begint, wat volgens hun vader "uiterst praktisch is".

Aartsopportunist Zeno heeft maar één doel: "gezondheid te vinden" in een eerbaar bestaan. De lezer weet derhalve niet wat er kostelijker — of wranger — is: de genadeloze ballotage van de vier meisjes (p. 71 e.v.) of de motieven die Zeno vooropstelt om te trouwen.
In de gedachtenwereld van een jongeman uit de gegoede burgerkringen is het menselijk bestaansbegrip nauw verweven met het begrip carrière, en op zeer jeugdige leeftijd denkt men bij carrière aan die van Napoleon. Zonder dat men daarom aspiraties behoeft te hebben om keizer te worden, want het is mogelijk op een heel wat bescheidener niveau toch op Napoleon te lijken. Het meest intensieve leven wordt in grote lijnen weergegeven door het meest rudimentaire geluid, namelijk dat van een golf, die van het moment af dat hij zich vormt voortdurend verandert totdat hij weer in de oceaan is opgelost. En zo verwachtte ook ik een ontwikkelingsgang als van Napoleon en de golf.
Mijn leven wist slechts één enkele toon voort te brengen, zonder enige variatie; een tamelijk hoge toon, waar sommigen me om benijdden, maar die toch afschuwelijk saai was. Mijn vrienden droegen me mijn leven lang dezelfde achting toe en ik geloof dat ik zelf, sedert ik de leeftijd des onderscheids bereikte, evenmin de mening die ik omtrent mezelf had gevormd veel heb gewijzigd.
Het kan dan ook best zijn dat de gedachte aan een huwelijk in me is opgekomen doordat ik het beu werd altijd deze ene toon uit te zenden en op te vangen. Wie het huwelijk nog niet aan den lijve heeft ondervonden houdt het voor belangrijker dan het in werkelijkheid is. Door de gezellin die men kiest wordt het eigen ras, wat beter of wat slechter, in de kinderen vernieuwd. Maar moeder natuur, die dit zo wil en die ons langs de directe weg niet tot dit doel zou kunnen voeren (omdat we aanvankelijk nog volstrekt niet aan kinderen denken) doet ons geloven dat onze echtgenote ook een vernieuwing in onszelf zal teweegbrengen; een vreemde illusie, die door geen enkel bewijs wordt geschraagd. Want de ervaring leert dan men na het huwelijk onveranderd naast elkaar verder leeft, behoudens misschien een nieuwe antipathie jegens degene die zo heel anders is dan wijzelf, of een afgunst tegen iemand die superieur is aan ons.
Alberta is te jong, Augusta te gewoontjes, Anna is nog een klein meisje. Ada, een klassieke schoonheid, is de uitverkorene.
Het is moeilijk na te gaan wat de eerste kiemen waren van een gevoel dat later zo heftig werd, maar ik ben er zeker van dat bij mij de zogenaamde coup de foudre voor Ada ontbrak. Daarvoor in de plaats kwam echter de onmiddellijke overtuiging dat dit de vrouw was die ik nodig had en die mij door heilige monogamie moest leiden tot een staat van geestelijke en lichamelijke gezondheid. Als ik eraan terugdenk verbaast het me dat die coup de foudre achterwege bleef en door deze overtuiging werd vervangen. Het is algemeen bekend dat wij mannen in onze echtgenote niet de eigenschappen zoeken die we in een minnares zo aanbiddelijk en tegelijk verachtelijk vinden. Schijnbaar had ik dus niet direct oog voor al Ada’s gratie en schoonheid, maar was ik verrukt over andere kwaliteiten die ik in haar meende te ontdekken, zoals ernst en ook wilskracht, kortom dezelfde eigenschappen — zij het wat minder geprononceerd — die ik in haar vader bewonderde.
Maar Ada laat zich niet veroveren. Het is al een heel gedoe om tot de salon van de familie Malfenti toegelaten te worden, en algauw moet Zeno ontdekken dat het hem bij zijn toenaderingspogingen vergaat alsof hij op "een examen verscheen waarvoor hij juist die bladzijden vergeten had na te kijken waarover hij ondervraagd zou worden". Een spiritistische seance in het donker met de meisjes mondt uit in een fiasco. En Zeno ontmoet zijn liefdesrivaal, een zekere Guido Speier. Deze Guido speekt vloeiend Toscaans (Zeno het morsige dialect van Triëst), is knap (in tegenstelling tot de kale Zeno) en speelt ook nog eens stukken beter viool.
Niemand kan zeggen dat ik [Zeno] me illusies maak over mijn eigen talenten. Ik weet dat ik een zeer goed muzikaal gevoel heb en het is niet uit aanstellerij dat ik een voorkeur heb voor moeilijker stukken; maar datzelfde muzikale gevoel waarschuwt me en heeft me al sinds jaren gewaarschuwd dat ik nooit in staat zal zijn mijn toehoorders met mijn spel te bekoren. Dat ik toch doorga met spelen heeft eenzelfde reden als mijn voortdurende pogingen om van mijn kwamen te genezen. Ik zou goed kunnen spelen als ik niet ziek was, en ook als ik mijn evenwichtsoefeningen maak op de vier koorden van de viool ben ik in feite op zoek naar gezondheid. Er is iets als een lichte verlamming in mijn organisme en op de viool manifesteert deze zich ten volle, waardoor ze gemakkelijker te genezen is. Zelfs het laagst ontwikkelde wezen behoeft maar te weten wat tertsen, kwarten en sexten zijn om met ritmische nauwkeurigheid van het ene interval in het andere te kunnen overgaan, zoals zijn oog de ene kleur na de andere weet te registreren. Bij mij is het echter zo dat als ik een van die figuren heb gespeeld, deze als het ware aan me blijft kleven, me niet meer loslaat, zodat de volgende figuur erin verstrikt raakt en aan exactheid verliest. Om de noten ritmisch juist te plaatsen moet ik met mijn voeten en met mijn hoofd de maat meeslaan; maar waar blijft dan de rust en de souplesse, wat blijft er dan over van de muziek? De muziek die door een uitgebalanceerd organisme wordt vertolkt heeft een natuurlijk ritme, dat uit haar eigen wezen wordt geschapen en tot klinken gebracht. Als ik ooit zo leer spelen zal ik genezen zijn.
Ada wijst Zeno af en kiest voor Guido. Ada en Guido zullen kort daarop trouwen.
Het is wel beschamend dat ik me niet tijdig heb gerealiseerd welk een fiasco ik mezelf bereidde. Ik had te maken met een hoogst ongecompliceerd meisje en het kwam slechts door mijn eigen waanvoorstellingen dat ze me voorkwam als een geraffineerde flirt. Volslagen ongemotiveerd was mijn enorme wrok toen ze eindelijk de kans kreeg me duidelijk te maken dat ze niets van mij moest weten. Maar ik had droom en realiteit zo innig met elkaar verweven dat ik gewoonweg niet kon geloven dat ze me nooit had gekust.
Het getuigt bepaald van weinig manlijk overwicht als men zich in vrouwen vergist. Tevoren had ik me nooit vergist en ik moet aannemen dat mijn teleurstelling tegenover haar van het begin af verkeerd is geweest. Ik benaderde haar niet met de opzet haar te veroveren maar om haar te trouwen, wat een ongewone weg is in de liefde, een brede, gemakkelijke weg, die echter niet tot het doel leidt, al komt men er soms vlak bij. Aan de liefde die men op zo’n manier aankweekt ontbreekt het voornaamste facet: de verovering van het wijfje. Daardoor bereidt het mandier zich op zijn rol voor in een volslagen inertie, die zich tot al zijn zintuigen kan uitbreiden, ook tot het gezicht en het gehoor.
Zeno waagt zijn kansen dan maar bij Ada's zusters. Alberta is niet geïnteresseerd in een huwelijk. Zeno begint een relatie met de schele Augusta, die wel van hem houdt: "Met al mijn inspanningen bereikte ik hetzelfde als de schutter die midden in de roos schiet, maar van de schijf die naast de zijne is geplaatst." Eerst is er een gevoel van opluchting, dan droomt Zeno van een gewelddaad die hem weer zijn volledige vrijheidsgevoel zou teruggeven. In zijn grenzeloze egoïsme komt Zeno zelfs te laat op de huwelijksplechtigheid. Hij voert wel drie smoezen aan. Aan het altaar klinkt alleen een verstrooid 'ja', bezig als Zeno is met een vierde verklaring voor zijn late komst te bedenken, die hij zelf "de beste van alle vond".

Augusta, van haar kant, weet dat Zeno haar trouwt zonder haar te beminnen en gooit dat later ook in zijn gezicht.
Protesteren was zinloos, want de juistheid van haar opmerking was al te duidelijk gebleken. Ik wist niets beters te doen dan haar troostend in mijn armen te sluiten.
Later werd er door Augusta en mij nooit meer over dit alles gepraat, want het huwelijk is een heel wat eenvoudiger zaak dan een verloving. Eenmaal getrouwd discussieert men niet meer over de liefde en wanneer men daar toch eens de neiging toe voelt komt al spoedig de dierlijke drift tussenbeide om het zwijgen op te leggen. Die dierlijke drift nu kan zo vermenselijkt worden dat men er allerlei valse voorstellingen aan gaat verbinden; en zo kan het gebeuren dat men, wanneer men zich over een vrouwenhoofd buigt, in de haren een gloed tracht te ontdekken die er niet is. Men sluit zijn ogen en de vrouw wordt een ander, om weer zichzelf te worden wanneer men haar heeft losgelaten. Op haar richt zich alle dankbaarheid en die wordt nog groter als de poging is gelukt.
Na verloop van tijd beseft Zeno dat hij Augusta wel degelijk kan beminnen. Zo doet hij zijn best om de eerbied die Augusta heeft voor de Oostenrijkse en Italiaanse autoriteiten met haar te delen en probeert hij aan te knopen bij de religieuze overtuigingen van zijn vrouw.
Het was niet genoeg met haar naar de mis te gaan; ik moest ook nog op andere manieren contact met haar geloof zoeken, bijvoorbeeld door het lezen van Renan en Strauss, de eerste met plezier, de tweede als een soort zelfopgelegde straf. Ik maak er hier alleen maar melding van om aan te tonen hoe groot mijn verlangen was Augusta nader te komen. Maar zij had geen flauw vermoeden van dat verlangen wanneer ze me met een kritische uitgave van het evangelie in mijn handen zag zitten. Ze prefereerde onverschilligheid boven wetenschappelijke benadering en daardoor wist ze het overstelpende bewijs van mijn genegenheid niet naar waarde te schatten.
De liefde blijft gek genoeg duren. Maar: ze is niet exclusief. Zeno ontmoet het arme en bovendien niet bijster getalenteerde zangeresje Carla. "Wat heerlijk zou het zijn geweest een groot talent in haar te ontdekken! Maar in plaats daarvan hoorde ik tot mijn onaangename verrassing dat haar stem zodra ze begon te zingen iedere muzikaliteit verloor en door de inspanning vervormd werd." De warme, kinderlijke eenvoud van Carla velt Zeno. En op haar beurt houdt Carla van Zeno omdat hij zo goed is dat "zelfs zijn geld hem niet bedorven heeft".

Carla weet niet beter dat Zeno niet van zijn vrouw houdt, en de twee beginnen een relatie. Zeno, de ouwe vos, volhardt in de kwadratuur van de cirkel en maakt zichzelf wijs dat zijn affaire ook zijn huwelijk ten goede komt.
De lange vocalen van Carla waren als een lokroep en misschien was het wel hun klank die in mijn binnenste de overtuiging vestigde dat zodra mijn eigen tegenstand was verdwenen er geen andere obstakels meer zouden zijn. Toch wist ik dat ik me kon vergissen (…); ook deze mogelijkheid droeg ertoe bij mijn tegenstand te verzwakken, aangezien de arme Augusta van mijn bedrog kon worden gered door Carla zelf, die als vrouw de innerlijke plicht had zich te verzetten.
Waarom zou mijn begeerte me met wroeging moeten vervullen als ze juist op tijd scheen te komen om me van de verveling te verlossen die me in die dagen bedreigde? Mijn verstandhouding met Augusta ondervond er niet de minste schade van; integendeel, Augusta kreeg nu niet meer alleen de vriendelijke woordjes te horen die ik altijd al voor haar had gehad, maar ook die welke voor de ander in mijn hart opwelden. Nog nooit had mijn huis zo overgevloeid van tederheid en Augusta scheen er verrukt van te zijn. Ik hield me stipt aan wat ik het familierooster noemde. Mijn geweten is zo overgevoelig dat ik reeds bij voorbaat door mijn gedrag mijn toekomstige wroeging probeer te verzachten.
Op een dag wil Carla die Augusta wel eens zien. Door een samenloop van omstandigheden houdt ze Ada echter voor Zeno's vrouw, waarop ze de relatie met Zeno afbreekt, geraakt door de schoonheid en de tristesse van Ada.

Het laatste hangijzer dat moet besproken worden, de commerciële exploten van Zeno, leveren het saaiste hoofdstuk van het boek op. Guido en Zeno worden compagnons — hoe meer hij met Guido optrekt, hoe duidelijker Zeno in zijn ogen zijn absolute onverschilligheid tegenover Ada bewijst — en zetten een handeltje op in Triëst. Ze huren twee werknemers in, Luciano en Carmen (die Guido's maîtresse wordt).

Door Guido's krampachtige omgang met de boekhouding, gaan de zaken slecht. Zijn huwelijk met Ada verliest aan glans, hij speelt op de beurs en flirt met zelfmoord. Ada vraagt daarom Zeno om meer te participeren in het bedrijf.
Het samenwerken met hem maakte mij steeds passiever. Ik trachtte hem op het rechte pad te brengen, en dat ik er niet in slaagde komt misschien door mijn al te grote inertie. Maar wanneer twee mensen met elkaar optrekken is het niet aan henzelf te beslissen wie van de twee Don Quichote en wie Sancho Panzo moet zijn. Hij deed de zaken en als een goede Sancho volgde ik ze op een eerbiedige afstand in mijn boeken, na ze eerst aan een kritisch onderzoek te hebben onderworpen, zoals mijn plicht was.
Kort daarop stapt Guido echt uit het leven. Zeno slaagt er vervolgens in Guido's begravenis te rateren. Op het moment dat Guido de laatste eer wordt bewezen, slaagt Zeno er naar eigen zeggen in drievierde van Guido's geld terug te winnen in een profijtelijk potje gokken op de beurs. Een verlepte Ada — "haar gezicht was vormeloos geworden, want de wangen hadden wel hun gevuldheid teruggekregen, maar het vlees zat op de verkeerde plaats, alsof het was vergeten waar het thuishoorde en zich te laag had vastgezet" — kijkt nu helemaal op naar Zeno.
‘Maar ik heb ook niet op de goede manier van hem gehouden. Ik heb hem nooit bedrogen, zelfs niet in gedachten, maar ik had niet de kracht hem te beschermen. Ik benijdde jou en je vrouw om jullie verstandhouding, die me beter leek dan wat hij mij bood. Ik ben je dankbaar dat je niet op de begrafenis bent verschenen, want anders zou ik nu nog niets hebben begrepen. Maar nu zie en begrijp ik alles. Ook dat ik niet van hem heb gehouden: waarom zou ik anders zijn viool hebben gehaat, die de meest volmaakte uitdrukking van zijn grote ziel was?’ (...) ‘En jij, Zeno, jij bleef met hem omgaan terwijl je hem haatte, zonder het te weten. Je bewees hem diensten uit liefde voor mij. Dat kon niet! Het moet mislopen! Ik heb destijds ook gedacht gebruik te kunnen maken van de liefde die ik wist dat jij me toedroeg, om hem te omringen met alle bescherming die hij nodig had. Maar alleen iemand die van hem hield kon hem beschermen, en niemand van ons hield van hem.’
Profiel van Zeno
Zeno is een van de grote personages uit de twintigste-eeuwse letterkunde, omdat Svevo hem compleet neerzet. Denkend aan Zeno strijden sympathie en aversie om voorrang. Moeten we iemand bewonderen om zijn lucide en niet van humor gespeende zelfinzicht, als dat inzicht een poel aan abjecte karaktertrekken aan het licht brengt? Zeno heeft immers het idealisme en alle collectieve wensdromen van generaties romanhelden achter zich gelaten, en is vooral op zijn eigen persoontje gefocust. Hij is zich bewust van zijn eigen gebreken — zijn bekentenissen laten zich lezen als een biecht — maar berust tegelijk in zijn gebrek aan wilskracht om die gebreken weg te werken. Zeno doet net het omgekeerde: hij betoont zich een meester in het rationaliseren van zijn misstappen, nog voor hij ze maakt. Dat maakt hem tot het archetype van de opportunist, een soort held die we tot de komst van Svevo nooit eerder zo uitgebreid beschreven hebben gezien.

Als Zeno Ada niet kan krijgen, maakt hij zichzelf wijs dat hij met Augusta toch de beste keuze heeft gemaakt. In de nacht dat zijn vrouw bij haar doodzieke vader waakt maakt hij van de gelegenheid gebruikt om de nacht bij zijn maîtresse door te brengen. De kussen van Carla ontvangt hij "uit naam van een vriendschap die Augusta niet kan schaden". Door Carmens minnaar te worden (eerst de minnares van Guido) denkt hij Ada een dienst te bewijzen en Augusta niet al te zeer te schaden: beide echtgenoten zullen veel minder intensief worden bedrogen dan wanneer Guido en hij elk een minnares helemaal voor zichzelf hadden gehad. Zelfs wanneer Zeno erover fantaseert om Guido te vermoorden, weet hij uit dat (verworpen) voornemen morele winst te halen.
Toen kwam er een andere gedachte in me op, zo helder dat ze te vergelijken was met de volle maan die op zijn baan de hemel schoonveegde: ik had me in die verloving met Augusta geschikt om mezelf een goede nachtrust te verzekeren. En wat zou er van mijn slaap terechtkomen als ik Guido had vermoord? Die gedachte redde mij en hem. Ik wilde onmiddellijk van positie veranderen, want zolang ik boven hem uitstak bleef de verleiding tot die daad bestaan. Ik zakte op mijn knieën en boog zo diep door dat ik met mijn hoofd bijna de grond raakte.
‘Au, au! Wat een pijn!’ schreeuwde ik.
Verschrikt sprong Guido overeind en vroeg wat er met me aan de hand was. Zonder te antwoorden bleef ik zachtjes doorkreunen. Ik wist waarom ik kreunde: omdat ik een moord had willen plegen en misschien ook wel omdat ik er niet de moed toe had gehad. De pijn en mijn gekreun moesten alle schuld uitwissen.
Zeno, kortom, kent God noch gebod. Het moderne van Svevo steekt er onder meer in dat hij zijn Bekentenissen niet laat uitmonden in een politiek correcte parabel. Zeno mag zijn intelligentie vrijelijk aanwenden om zich eindeloos en met overtuiging te herpositioneren in het leven en in de liefde. Augusta is niet de feeks die je zou verwachten, maar een ingoede echtgenote. Zeno eindigt als een rijk man, niet als arme stumper. En Zeno komt als overwinnaar uit het analytische steekspel met zijn dokter; meer nog: hij maakt zijn psychiater belachelijk door hem de ene leugen na de andere op te spelden. Al zijn Zeno's gedragingen nog zo verachtelijk, altijd is daar zijn briljante schertstoon en een zelfbereid verkwikkend bad van goede voornemens. Het hoeft niet te verbazen dat Zeno zich, zoals alle poseurs, het liefst ophoudt bij mensen die hij niet kent. Bij hen voelt hij zich gezond en zelfverzekerd. Zij weten zijn spelletje nog niet te doorprikken.


Triëst omstreeks 1885.

De psychoanalyse
Het is een sublieme vondst van Svevo om de psychoanalyse te kijk te zetten bij monde van zo'n draaikont als Zeno. Het maakt de satirische laag in de roman veel minder doorzichtig dan wanneer hij een onberispelijke held had gekozen. Dokter S. bouwt theorieën op de leugens en verzonnen herinneringen die zijn patiënt hem vertelt en komt na zes maanden, wanneer de geplaagde Zeno de analyse wil afbreken, niettemin tot een verbazend clichématige conclusie.
De analyse moest als geëindigd worden beschouwd, omdat mijn ziekte was onthuld; mijn kwaal was dezelfde als die waarmee wijlen Sofokles destijds de arme Oedipus had opgescheept: ik had mijn moeder bemind en mijn vader willen vermoorden.
Denk niet dat ik boos werd, o nee! Verrukt luisterde ik naar zijn diagnose. Het was een ziekte die mij tot de hoogste adelstand verhief. Een grandioze ziekte, waarmee onze voorouders zich mythologische roem hadden verworven.
De slotsom dringt Zeno in het defensief (hij wil niet dat de dokter zijn kinderjaren bederft) en wekt tegelijk zijn spotlust op.
Wel weet ik zeker dat hij beweerde dat ik ook de oude Malfenti had gehaat, die voor mij de plaats van mijn vader had ingenomen. Veel mensen geloven dat ze niet zonder een bepaalde genegenheid kunnen leven; ik echter raakte volgens de dokter uit mijn evenwicht als me een bepaald haatgevoel ontbrak. Ik trouwde een van zijn dochters, onverschillig welke, want het was mij er alleen om te doen hun vader in een positie te brengen waarin mijn haat hem kon treffen. Vervolgens deed ik al het mogelijke om het huis, dat ik tot het mijne had gemaakt, te onteren. Ik bedroog mijn vrouw en het was duidelijk dat ik, als ik de kans had gehad, ook Ada en Alberta zou hebben verleid. Natuurlijk denk ik er niet aan dat laatste te ontkennen, ik moet er verder om lachen dat de dokter, toen hij me dat zei, een air aannam of hij Columbus zelf was die Amerika ontdekte. Ik geloof dat hij beslist de enige persoon op deze wereld is die, toen hij hoorde dat ik met twee beeldschone vrouwen naar bed wilde, zich afvroeg welke motieven ik daarvoor wel kon hebben.

[...]

De dokter hecht ook te veel geloof aan die malle betekenissen van mij, die hij me niet wil teruggeven om ze me te laten herlezen. Mijn hemel! Hij heeft alleen medicijnen gestudeerd en weet dus niet wat het voor ons, die dialect spreken maar het niet kunnen schrijven, betekent in het Italiaans te moeten schrijven. Ieder Toscaans woord klinkt vals uit onze mond! Als hij eens wist met hoeveel voorliefde we al die dingen vertellen waarvoor we de zinnen uit onze mouw kunnen schudden en hoe we die verhalen vermijden die ons zouden noodzaken het woordenboek erbij te halen! Op die manier maken we een keus uit de incidenten van ons leven die we willen vastleggen. Het spreekt vanzelf dat ons leven er heel anders zou uitzien als het in ons dialect werd verteld.
En de dokter? Die blijft natuurlijk bij zijn eigen grote gelijk. Overigens laat Svevo de roman vergezeld gaan met een begeleidend woordje van de psychiater, waarin onder meer dit sardonische zinnetje:
Ingewijden in de psychoanalyse weten waar zij de kern moeten zoeken van de antipathie die de patiënt tegen mij koestert.
Zeno zelf komt pas tot rust als hij er een andere, klassieke dokter bijroept. Deze dokter Paoli onderzoekt zijn urine. Eindelijk weer exacte wetenschap in plaats van ijle speculaties.
Dit was nu eindelijk weer eens een echte analyse en geen psychoanalyse. Ik dacht met empathie en ontroering terug aan mijn vroegere chemische studies en echte analyses: ik, een reageerbuisje en een reagens! De ander, het object van de analyse, sliep zolang de reagens hem niet dwingend wakker schudde. De weerstand in het buisje, zo die er al was, verdween bij de geringste temperatuurverhoging en van simulatie was geen spoor te bekennen. Er gebeurde in dat buisje niets dat ook maar enige overeenkomst vertoonde met mijn gedrag wanneer ik, om dokter S. een plezier te doen, nieuwe bijzonderheden uit mijn kinderjaren bedacht die de diagnose van Sofokles moesten bevestigen. Hier was alles echt. De te analyseren stof zat gevangen in het buisje, steeds gelijk aan zichzelf, en wachtte op de reagens. Als deze werd toegevoegd vertelde de stof steeds hetzelfde verhaal. In de psychoanalyse heeft men nooit tweemaal hetzelfde visioen en herhaalt men nooit twee maal dezelfde woorden. We zouden er een andere naam aan moeten geven, bijvoorbeeld psychische avontuur. Ja, precies: wanneer men een dergelijke analyse begint is het alsof men zich in een bos begeeft, niet wetend of men er een rover of een vriend zal tegenkomen. En als het avontuur voorbij is weet men het nog niet. Hierin vertoont de psychoanalyse overeenkomst met het spiritisme.
Het boek eindigt wanneer de donderslagen van de Eerste Wereldoorlog eindelijk tot Zeno doordringen, in 1915. Hij komt los uit zijn cocon. Hij beseft dat hij al die tijd doodgemoedereerd heeft geleefd "in een gebouw waarvan de benedenverdieping in brand stond" zonder het besef dat "op een gegeven moment het hele gebouw met mij erbij in de vlammen zou opgaan". Zeno meet niet langer zijn gezondheid af aan anderen en stelt vast dat het leven geen ziekte is: "Ik geloof dat ik nu pas definitief los ben gekomen zowel van mijn gezondheid als van mijn ziekte". Toch eindigt het boek met een naargeestig slotbetoog.
Natuurlijk ben ik niet zo onnozel de dokter kwalijk te nemen dat hij mijn leven zelf als een uiting van ziekte heeft gezien. Het leven lijkt in zijn verloop een beetje op een ziektegeval: het kent hevige crises en perioden van langzaam herstel, met daarnaast de dagelijkse verbeteringen en verslechteringen. Maar het verschilt in zoverre van andere ziekten dat het altijd dodelijk is. Daar is geen remedie tegen te vinden. Het zou hetzelfde zijn als wanneer we de openingen in ons lichaam gingen dichtstoppen, in de veronderstelling dat het wonden zijn. We zouden al spoedig na de behandeling stikken.
Het leven van nu is tot in zijn wortels vergiftigd. De mens heeft bomen en dieren van hun plaats gedrongen en de lucht verontreinigd, de vrije expansie belemmerd. Er kan nog erger gebeuren. Dit somberste en ijverigste aller dieren zal misschien nog andere krachten ontdekken en aan zich onderwerpen. Er hangt een dergelijke dreiging in de lucht. Het geval zal een grote rijkdom zijn… in mensental. Elke vierkante meter zal door een mens worden bezet. Wie zal ons genezen van het gebrek aan lucht en aan ruimte? Bij de gedachte alleen al krijg ik het benauwd!
Maar dat is het niet alleen.
Al onze pogingen om gezondheid te verwerven zijn vergeefs. Gezondheid is alleen weggelegd voor het dier, dat slechts één evolutie kent, die van zijn eigen organisme. Toen de zwaluw begreep dat de trek voor hem de enige levensmogelijkheid was, ontwikkelde hij de spieren van zijn vleugels en deze werden het belangrijkste deel van zijn organisme. De mol kroop in de grond en zijn hele lichaam paste zich bij deze levenswijze aan. Het paard werd groter en vervormde zijn tenen tot hoeven. Van sommige dieren kennen we de evolutie niet, maar die zal stellig hebben plaatsgevonden en hun gezondheid nooit hebben geschaad.
De gebrilde mens daarentegen bedient zich van werktuigen buiten zijn lichaam, en al zal hun uitvinder misschien nog gezondheid en noblesse hebben bezeten, deze ontbreken vrijwel altijd in hun gebruikers. De werktuigen worden gekocht, verkocht of gestolen en de mens wordt steeds slimmer en steeds zwakker. Ja, het is duidelijk dat zijn slimheid toeneemt in evenredigheid met zijn zwakheid. De eerste werktuigen die hij gebruikte leken nog verlengstukken van zijn armen en konden slechts door de kracht daarvan worden aangewend, maar langzamerhand heeft het werktuig elke relatie met de ledematen verloren. En het is het werktuig dat de ziekte creëert doordat het de mens afwendt van de wet die op de gehele aarde steeds de scheppende kracht was. De wet van de sterktste verdween en we verloren de natuurlijke selectie. Wat kan psychoanalyse hier baten? Onder de wet van de bezitter van het grootste aantal werktuigen kunnen slechts ziekten gedijen en de zieken in aantal toenemen.
Misschien zullen we door een ongekende catastrofe, door die werktuigen zelf ontketend, tot de gezondheid terugkeren. Als gifgassen niet meer voldoen zal een mens, van dezelfde makelij als alle anderen, in de beslotenheid van een kamer ergens op de wereld een stof uitvinden van zo’n verbijsterend explosieve kracht dat in vergelijking daarmee alle thans bestaande explosieven als onschuldig speelgoed kunnen worden beschouwd. En een ander mens, eveneens van dezelfde makelij als alle anderen maar nog een beetje zieker, zal dat explosief roven en zich ermee terugtrekken naar een plaats in het centrum van de aardbol, van waar hij meent dat het effect het grootst zal zijn. Er zal een geweldige explosie komen, die niemand zal horen, en de aarde, tot zijn nevelvorm teruggekeerd, zal door de ruimte zweven, vrij van parasieten en ziekten.
Persoonlijke appreciatie
Italo Svevo maakt grote indruk. Vooral in de eerste driekwart van het boek riep hij een contradictie over me af: ik ging volledig op in de afstandelijke toon van het boek. Zoals alle grote meesters is Svevo's schriftuur niet meteen met die van iemand anders te vergelijken. In vertaling kwam hij me voor als een matig stilist, log op zinsniveau, maar heerlijk ironisch in de uiteindelijke gedachte.

De Bekentenissen lezen is luisteren naar een voice-off — laag, neutraal, hypnotiserend. Het naturel van het boek is groot, want elke volgende zin klopt, en is dikwijls volstrekt onvoorspelbaar. Spaarzame humor ("Ik stootte mijn knie tegen een punt van het Venetiaanse tafeltje, dat een en al punt was") brengt waar nodig licht in de monotonie.

Wat vele lezers zal afstoten, trok mij juist aan: de zelfontleding, in precisie vergelijkbaar met Louis Althusser (De toekomst duurt lang) of het proza van Pessoa. Zeno is zijn eigen grootinquisiteur. Luciditeit zonder wilskracht, zonder daadkracht — het blijft een bizar schouwspel. Vierhonderd bladzijden lang beschouwt Zeno het hele leven als een ziekte. Hij doet prognoses, wijst op de complicaties van zijn daden en treedt desnoods op als zijn eigen kwakzalver.

De Bekentenissen vormen een mentaal landschap om in te wandelen. Veel gebeurt er niet. Voorvallen die voor andere auteurs en personages mijlpalen zouden zijn, worden afgedaan in een paar frasen. De geboorte van Zeno's dochtertje Antonia moet het stellen met welgeteld één zinnetje. Ergens is het wel knap hoe Svevo het reilen en zeilen van Zeno's zakenleven vaag kan houden op een manier dat het toch niet ongeloofwaardig wordt.
Toen hij over zijn zaken sprak nam Guido’s knappe donkere gezicht een hoogst ernstige uitdrukking aan. Het scheen dat hij reeds alle transacties had overdacht die hij wilde overnemen. Hij keek over mijn hoofd heen in de verte, en ik had zo’n vertrouwen in de deugdelijkheid van zijn overwegingen, dat ik me omdraaide om ook in de verte te kijken naar wat hij zag, namelijk de transacties die hem het fortuin zouden brengen. Hij dacht er niet aan het systeem over te nemen dat onze schoonvader met zoveel succes had toegepast, en evenmin zich naar het voorbeeld van Olivi angstvallig aan de geijkte paadjes te houden.
Het is niet verwonderlijk dat vooral vrouwen, die de rottingsgeur van nutteloze, te ver doorgedreven ratio van op afstand ruiken, dit boek niet lusten. Spontaniteit blijft de belangrijkste aandrijfriem voor vrouwen in relaties. Daarom knappen ze vaak af op het vermogen van de man om zijn eigen begeerte te onderwerpen aan een klinisch onderzoek. In een mysogien moment geeft Zeno dat verschil zelf al aan:
Lange tijd konden Alberta en ik niet vergeten dat ik een lichaamsdeel van haar had aangeraakt met de onverholen opzet er een aangename sensatie van te ondervinden. De woorden hadden de daad onderstreept en omgekeerd. Zoalng zij niet getrouwd was had ze voor mij altijd een glimlach en een blos, daarna echter een blos en een geërgerde uitdrukking. Zo zijn de vrouwen. Elke nieuwe dag brengt hun een nieuwe interpretatie van het verleden. Hun leven zal dan ook nooit eentonig kunnen zijn. Voor mij behield mijn daad altijd dezelfde interpretatie: de roof van een verrukkelijk kleinood, en het was Alberta’s schuld dat ik eerst een tijd trachtte haar aan dat incident te herinneren, terwijl ik er later heel wat voor over zou hebben gehad om het haar voorgoed te doen vergeten.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> Janet Malcolm over de zin en onzin van psychoanalyse

Italo Svevo, Bekentenissen van Svevo
439 p.
Uitgeverij Atheneaum Polak & Van Gennep, 1988
Oorspr. La coscienza di Zeno (1923)
Vertaald door Jenny Tuin

____

3 opmerkingen:

Koen zei

"Bekentenissen van Zeno" vind ik een prachtig boek. Daarna begon ik in "Een leven" en dat vond ik niet om door te komen. Niet uitgelezen ook en daar kan ik slecht tegen; die zal er dus nog eens aan moeten geloven. Geweldig artikel verder.


groet,

Koen

tom zei

Een Leven heb ik ook maar uitgelezen wegens een 'neurotisch onvermogen' om een boek halfweg aan de kant te gooien. En daarna heb ik het verpatst op eBay. Mijn excuses aan de koper.

CC zei

Ooit, inmiddels een half leven geleden, in eerste kan gelezen. Was er toen ondersteboven van, zoals je, vrees ik, alleen op die leeftijd ondersteboven van een boek kan zijn. Door je stuk heb ik het nog eens ter hand genomen, en ik heb het in librarything zopas als te herlezen gemarkeerd.

Related Posts with Thumbnails