maandag 5 oktober 2009

Musea, vrouwen, meisjes - John Updike

Ze zijn soms meer dan dertig jaar oud, Vlaamse bibliotheken doen ze massaal het huis uit en daarom is het een schande dat ze niet herdrukt worden: de verhalen van John Updike. Musea, vrouwen, meisjes is het werk van een groot realist die beter kijkt naar het alledaagse dan zijn lezers ooit vermogen. Dankzij het toegankelijke thema van Updike — het huwelijksleven, met alle onregelmatigheden van dien — moet iedereen ook makkelijk in staat zijn dit oeuvre te beoordelen.

John Updike heeft de neiging over mensen van zijn eigen leeftijdscategorie en sociale en culturele achtergrond te schrijven, in de overtuiging dat het weinig nut heeft vanuit een verder verwijderde ervaring te schrijven. Inspiratie haalt hij uit reizen, lezen en luisteren naar pratende mensen. In een interview met Jan Donkers, opgenomen achteraan deze bundel, associeert hij die sobere, in het echte leven gewortelde aanpak vreemd genoeg met de Europese traditie:

Een van mijn geloofsartikelen is dat je beter eerlijk over nabije gebeurtenissen, voorvallen tussen mensen kan schrijven dan bedrieglijk over iets groots. Dat is oneindig veel meer waard, en ik geloof dat de Amerikaanse literatuur juist heel erg lijdt aan dit soort gezwollenheid, die neiging tot het grandioze, veel meer dan de Europese. Mensen als Thomas Wolfe en ook Faulkner waren vol met dat soort hete lucht, terwijl het sinds de koude oorlog nodig lijkt te zijn politieke statements te maken. Ik heb natuurlijk in zekere zin geprobeerd terug te knokken en iets als een ‘historical sense’ in mijn latere boeken geïntroduceerd, maar alleen maar, hoop ik, als ik dacht dat het geïntegreerd kon worden met het particuliere leven, het mysterieuze innerlijke leven dat het essentiële terrein van de romanschrijver is. Er zijn genoeg kundige mensen die over abstracties en sociale realiteiten kunnen schrijven, sociologen, journalisten enzovoort en alleen fictie-schrijvers moeten proberen het leven te beschrijven zoals het geleefd wordt. Mijn fundamentele band is er een met de verborgen ‘everyman’, de obscure mens die onder de schaduw van de geschiedenis leeft maar zelf geen geschiedenis maakt.
Alleen hebben we hier dus geen traditie van kortverhalen. Daarom worden zoveel onervaren lezers verstoken van het voorrecht een rasschrijver aan het werk te zien. Iemand met een briljante taalbeheersing, waarheidsgetrouw psychologisch raffinement, wereldwijsheid en een krachtige zintuiglijke motor. Het rare: weinig auteurs schrijven zo intelligent en blijven daarbij eminent leesbaar als John Updike. Alles wordt soepel gekneed onder de grote handen van deze vitale Amerikaan. Waar nodig schiet humor te hulp, en sarcasme.
Het leven is een pakket doodgewone aandelen die in waarde op en neer gaan. Maar je kunt ze niet verkopen, je moet ze vasthouden, vasthouden tot ze tot nul zijn gedaald.
Goed, de maatschappelijke context zorgt wellicht voor een zekere afstand. Het Amerika van net na de oorlog is ons vreemd. De generatie waaruit Updike stamt noemt hij zelf een generatie die alle boten heeft gemist: te jong om in de Tweede Wereldoorlog te hebben moeten meevechten, te oud om volop te profiteren van de seksuele revolutie. Updike signaleert een zekere nostalgie naar de naïeve, relatief zorgeloze jaren vijftig, deels voortkomend uit schaamte en frustratie over Vietnam, deels uit ressentiment tegen de protesterende jongeren. De generatie van Updike heeft weinig gehad om tegen de rebelleren. Zelf kant hij zich hoogstens tegen de defensieve manier waarop een bepaald soort middle-class gezinnen zich organiseren, in termen van 'wij' tegen 'hen'. Het gezin "als klinische economische-overlevingseenheid."

Een groot deel van deze 29 verhalen draait om het onvermogen om die eenheid te bewaren — draait om afscheid en desintegratie. Afscheid nemen als levensbelangrijke vaardigheid: "vertrek is een repetitie voor de dood". Het verhaal 'Ik laat u niet gaan tenzij gij mij uw zegen geeft' speelt op een afscheidsfeestje. In 'De getuigen' wil een man dat kennissen hem en zijn vrouw nog eenmaal samen zien voor het mis gaat, "om te zorgen dat het niet helemaal verloren zou gaan". 'Patience!' schetst de overwegingen van een man die moet kiezen tussen zijn vrouw en zijn vriendin. Hoe moet hij hun eisen en rechten tegen elkaar afwegen?
De lijst was volkomen eenzijdig. Beleid, fatsoen, medelijden — geen geringe zaken — behoorden allemaal bij de hoedster van zijn kinderen en huiselijke haard; en dit alles zou hij verliezen. Hij zou het half vervallen buurtje missen waar hij zo van hield, het schoffelen in zijn moestuintje op zomeravonden, de zanderige kleverige hand van zijn oudste dochtertje in de zijne wanneer ze naar de chipswinkel liepen, de verzameling boeken, grafiek, platen en meubels die in tien jaar was aangegroeid, het souterrain vol timmergereedschap, de rommelzolder vol oude tijdschriften. En hij zou eveneens zijn gevoel van eigenwaarde verliezen, want weggaan bij de kinderen en bij een vrouw die hem bijna zonder enige klacht of ruzie haar jeugd had geschonken, was iets dat hij domweg niet deed. Hij was de zoon van ouders die om hem bij elkaar waren gebleven. Wanneer die rechte lijn eenmaal afbrak, kon hij niet meer recht worden getrokken.
Aan de andere kant was niets, of zo goed als niets — alleen maar een kreet, een kreet om hem die hij nog nooit eerder gehoord had. Ongetwijfeld van tijdelijke aard, maar zo is het leven. Ze had hem niets anders te bieden dan verlies en het ongetwijfeld vergankelijke gevoel dat hij zuiver als man bestónd. Haar nabijheid maakte hem gelukkig en haar intieme nabijheid maakte hem zelfs heel gelukkig. Maar zelfs wanneer ze zo dicht bij elkaar waren, hadden ze hun huid weg willen wensen, vreemde glazen obstakels plaatsten zich tussen hen, door zichtige ellebogen en koude harde oppervlakken die naar hij aannam de structuur vormden van dat wat men moraal noemt.
In het schitterende verhaal 'Het wees geworden zwembad' staat de metamorfose van een zwembad centraal nadat een huwelijk uiteen is gespat en de man en de vrouw het huis achterlaten. Langzaam komt er een floers op het niet meer gefilterde, stilstaande wateroppervlak. Want het is niet zo dat Updike een liefdesbreuk altijd frontaal benadert. Soms is het effectiever om in te zoemen op de materiële restanten van een voorbij relatie:
Huwelijken maken net als scheikundige verbindingen bij ontbinding hoeveelheden energie vrij die opgesloten zaten toen de verbinding nog bestond.
Verhuizen in het algemeen is een vorm van afscheid nemen. In 'Leidingen' beschrijft Updike een oud, leeggehaald huis dat lijkt opgelucht dat het eindelijk van de meubels verlost is.
De kamers waar we hebben gewoond, waarin we onze maaltijden en ceremoniën en dramatische scènes opvoerden, en waarin enkelen van ons van klein kind opgroeiden tot tiener, die kamers en trappen die zo zijn doortrokken van onze dagelijkse bewegingen dat hun onregelmatigheden ons in de botten waren gaan zitten en we er geblinddoekt doorheen konden lopen, lijken in tegenstelling tot wat ik had verwacht, niet te rouwen. Het huis juicht over zijn plotselinge ruimte, over de reikwijdte van zijn lege hoeken.
Een typisch fragment is dit, een van de vele waarin de schrijver een alledaagse emotie op onconventionele wijze te lijf gaat, met veel omhaal van woorden bovendien, en haar daardoor toch beter invoelbaar maakt. Updike is de meester van het onverhoedse, sprekende detail. De reuk van de grasmat bij een golfcursus kan opeens als een wormgat uitmonden in een jeugdherinnering. Of wanneer (in het titelverhaal) een man verbanden zoekt tussen het museumbezoek uit zijn jeugd, zijn moeder en het meisje dat zijn vrouw zal worden, weet Updike met één gesproken zinnetje die hele moeder voor de geest te halen.
Mijn moeder: evenals het museum vervulde ze haar categorie. Ik kende geen andere en aanvaardde haar als de alles omvattende en onherroepelijke index der vrouwen. Nu begrijp ik dat ook zij provinciaal was; ze had veel mooie dingen in zich, maar ze waren enigszins in de war geraakt en vervormd door grote hiaten. Ze was een ondoorgrondelijk mengsel van kennis en onwetendheid, openheid en gereserveerdheid; hoewel ze me vaak op zondag meenam naar het museum, herinner ik me niet dat we ooit over iets in het museum praatten, behalve één keer toen ze opmerkte hoezeer de kleine beeldjes me boeiden en zei: ‘Billy, het lijken me zulke ongelukkige mensjes.’
Het is deze rijke, exhaustieve stijl (én suggestie én analyse) die me fan maakt van Updike. Hij beschrijft veel en met zichtbaar plezier: fysionomie, kledij, inboedels, karaktertrekken, noem maar op. In de half-essayistische excursie 'De groene eentonigheid van de zee' lijkt hij die werkwijze te rechtvaardigen en schrijft hij iets naar mijn hart, dat voor mijn part als weerwoord kan dienen voor de snobs die soberheid automatisch met klasse associëren, of voor een Stephen King die zich in Over leven en schrijven afvraagt waarom auteurs in godsnaam het uiterlijk van iemand beschrijven.
Het blijft een chronische vraag of men gewoon moet zeggen ‘de zee’, en verder maar moet vertrouwen op het voorstellingsvermogen van de mensen, of dat er adjectieven bij moeten worden geplaatst. Ik heb geen bijster goede ervaringen met het voorstellingsvermogen van de mensen en vertrouw daarom maar liever op de adjectieven.
Door Updikes omstandigheid duurt het lezen van een verhaal soms langer dan de eigenlijke duur van de beschreven scène, en daar houd ik van. Een van Updikes geliefkoosde oefeningen is het groepsportret, zoals in deze bundel het verhaal 'Kerstliederen'. Een tranche de vie, waarbij hij iedereen in de ruimte een voor een afgaat, zonder te malen om een plot. De configuratie van al die mensen samen is sprekend genoeg.

Updike hoeft een personage niet altijd een ontwikkeling te laten doormaken om de lezer bij de les te houden. Soms is het voldoende om iemand op reis te sturen opdat diens karakter in een langzame, indrukwekkende striptease wordt onthuld. Een vader en dochter gaan skiën ('Man en dochter in de kou') en na een paar bladzijden heeft de lezer zicht gekregen op de band tussen hen. Een man maakt een cruise op de Nijl ('Ik ben stervende, Egypte, stervende') en krijgt te maken met de afzetterij van de autochtonen en de charmes van een Scandinavische schone. Melodramatisch? Zeker, maar Updikes meesterschap maakt van zo'n verhaal een veelkantig tableau.

Musea, vrouwen, meisjes is nu ook weer geen foutloos parcours. Waar het misgaat is de afdeling 'Op andere wijzen', gevuld met experimentjes die duidelijk voor de lol zijn geschreven (heeft Updike te veel Calvino gelezen?). Verder stoort in sommige verhalen de neiging van Updike tot contextgebonden metaforiek — zoals IJsbrand ook al opmerkt. Een fotograaf denkt uitsluitend in termen van zijn vak ("het stervende konijn zonkals een filmrolletje in de ontwikkeldoos "). Een elektronicus, tevens diaken, gelooft dat de geest "slechts een collectie electrische circuits" is. Een computerspecialist ziet zijn behendigheid afnemen "volgens één van de hyperbolische curves die computers zo graag projecteren."

In de laatste afdeling ontmoeten we gelukkig de Maples. Daar is Updike weer op niveau. Hij vertelt de exploten van deze familie in verschillende afleveringen. Staties die zo'n beetje het failliet van de vrije liefde in de verf zetten. Ik moest erg lachen met 'Een mars door Boston' die Joan en haar vier kinderen introduceert, en vooral Richard, die zijn bekomst heeft van het activisme van zijn vrouw.
Het was ook zo dat zijn hersenen, alsof ze door een medische ingreep daarvan beroofd waren, totaal het vermogen misten om te geloven in mensen wanneer ze als soort beschouwd werden. Alle bewegingen van massa’s of van ideeën die verondersteld werden door een massa belichaamd te worden, beschouwde hij in het geheim als hersenschimmen. Terwijl daarentegen zijn vrouw, de dochter van een dominee, in abstracties leefde; haar bloed keerde, verrijkt en bezield door de tocht door de een of andere capillaire vertakking, terug naar haar hart.
Updike blijft een goed ijkpunt om realistisch bedoelde verhalen van andere auteurs aan af te meten.

(Boek gelezen op 4 en 5 augustus 2009.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Updike op Achille: Brazilië

John Updike, Musea, vrouwen, meisjes : verhalen
256 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 1975
Oorspr. Museums and women (1972)
Vertaald door Tineke Donkers, Jan Donkers, Henny Scheepmaker,
en Renée de Jong-Belinfante

____

0 reactie(s):

Related Posts with Thumbnails