maandag 19 oktober 2009

Brief aan de gelukkige jongen die ik was - Franco Ferrucci

Ik ben inmiddels de dertig gepasseerd, en daarom ben ik niet meer zo gevoelig voor de docerende vorm. De vorm waarin een schrijver zich opwerpt als leermeester, die aan zijn pupil de raadselen van het bestaan uitlegt. Meestal komt zo'n boek met een simpele religieuze insteek, of begint de schrijver het op een pantheïstisch gewauwel te zetten ('samen één met de moederlijke natuur'). Beide varianten kan ik niet uitstaan. Maar deze Ferrucci dwingt sympathie af.

Het betoog van Franco Ferrucci is dan ook areligieus, in bepaalde hoofdstukken antireligieus, en dat is geen vrijblijvende vaststelling voor een Italiaanse schrijver — lees: een schrijver met een Italiaans doelpubliek. Wat verder zo goed is aan zijn boek is dat het niet zozeer concrete adviezen geeft, als wel een genuanceerd wereldbeeld schetst, waar de pupil zelf mee aan de slag kan. Ferrucci getroost zich onder meer de moeite de darwinistische leer in dat wereldbeeld te verwerken, en welke consequenties die kan hebben voor onze kijk op de dingen.

Zoals elk meester versus pupil-boek baadt Brief aan de gelukkige jongen die ik was in een aangename sfeer van medeplichtigheid. Ferrucci schrijft brieven aan een adolescent, waarin hij belooft tegemoet te komen aan zijn levensvragen. Het is een instructief boek van een schrijver die houdt van boeken die geschreven zijn in een communicatieve vorm: de dialogen van Plato, de briefvorm die Schiller bij gelegenheid gebruikte, de voor declamering bestemde teksten van Homerus, Shakespeare en Dante...

Ferrucci omzeilt de grote kwesties niet, en ziet de waarde in van de jeugd van de jongen; de adolescentie is voor velen de laatste leeftijd waarin men het leven in zijn totaliteit durft te bevragen, in plaats van praktische deelaspecten, waartoe volwassenen zich doorgaans beperken. Het motto bij dit boek is niet toevallig van Camus, die in De mythe van Sisyphus ook een vraag opperde die, toch theoretisch gezien, alle andere vragen vooraf zou moeten gaan.

Niet dat volwassenen niet klaar staan met allerlei antwoorden op vragen van pubers. Zij laten inderdaad geen gelegenheid voorbijgaan om pubers van advies te dienen. Alleen is de kern van de gedachte steeds dat pubers zouden moeten worden zoals zij. Dat is nog iets anders dan een antwoord op de vraag: waarom bestaan wij? of: wat is geluk?

Als de volwassenen je niet zeggen hoe alles zit, komt dat doordat ze het niet weten. Ik ken ze, en misschien kun je mij vertrouwen: weinig volwassenen hebben een idee van wat ze op de wereld doen. De meesten zouden zelfs geheel versteld staan van onze vraag. Het enige waartoe ze in staat zijn, is je opjagen naar een toekomst als volwassene waarin je geen antwoord weet te geven en zelfs de vraag niet meer stelt. Misschien zul je niet je hart luchten zoals je dat nu doet. Maar let eens op: wat zijn dat voor dwaasheden van jouw vader? Waarom is hij zo bezeten van zijn auto, van vermageren, van boeken als hij een intellectueel is, van macht als hij politicus of van roem als hij kunstenaar is? Als je het hem vraagt, zal hij heel kwaad reageren. Probeer hem maar te zeggen dat zijn belangstelling voor politiek of cultuur nauwelijks verschilt van zijn hartstocht voor het voetbalkampioenschap, je zult zien wat zijn antwoord zal zijn. Je moet je eens indenken hoe je, aarzelend tussen school en de straat, wacht tot iemand je de dingen uitlegt.
Dat Ferrucci te goeder trouw is, bewijst het feit dat hij zich duidelijk afzet tegen een aantal schrijvers die hij eigenlijk hoog heeft zitten. Hij dient bijvoorbeeld Schopenhauer van antwoord, die beweerde dat het geluk een overgangsstadium is tussen verdriet en verveling en dus als zodanig geen echte substantie heeft. Het is een gevolgtrekking die zou kunnen worden omgedraaid, zegt Ferrucci: ongelukkig zijn is afwezigheid van geluk, niet omgekeerd. De mensen lijden omdat ze niet hebben wat ze willen hebben; het is niet juist dat ze alleen maar genieten omdat hun het verdriet wordt bespaard.

Dan is er nog Giacomo Leopardi, een canonstuk uit de Italiaanse negentiende eeuw. Leopardi was de verpersoonlijking van het soort pessimisme dat Ferrucci terecht afdoet als bijziendheid. Leopardi ging uit van de overtuiging dat het leven de mens niet wíl geven wat ze hem beloofd heeft en wat hij vraagt. Hij eiste iets van het leven en kon niet berusten bij de teleurstelling dat er niets kwam. Het verdriet om een mogelijk en vervlogen geluk speelde hem parten en daarom situeerde hij het geluk in de puberteit, omdat ze het rijkst aan verwachtingen is, de leeftijd waarop het een natuurlijke zaak lijkt naar het geluk te streven. Voor hem, de typische romanticus, vloeit, in de herinnering, het verlangen naar geluk samen met het geluk zelf. Alleen draagt het leven zelf natuurlijk geen schuld.
Bij Leopardi en andere grote pessimisten is er een inititiële dwaling die wel door het verstand, maar nooit door het gevoel is overwonnen; en het is een dwaling met diep religieuze wortels. Het is de wens te geloven dat het leven ons op de wereld heeft gezet om ons te eren en ons als ‘heren’ van de ‘schepping’ te behandelen. Het gaat om een der hardnekkigste denkbeelden die de mens ooit heeft gehad: je treft het zowel aan in het boek Genesis als in de mythe van de gouden era waarover de heidense dichters spreken. In beide gevallen is het geluksverlangen, dat van oudsher in de mens huist, omgezet in een droom; zoals wanneer jij over een brommer droomt en je die, zolang de droom duurt, werkelijk gelooft te hebben. De mensheid, bedreven in het dromen met open ogen, heeft gedroomd dat ze is geschapen om over de wereld te heersen; en toen ze besefte dat de werkelijkheid anders was, is ze in het andere uiterste vervallen en beschouwt zich als het slachtoffer bij uitstek in het universum; terwijl men juist de nederigheid had moeten opbrengen om de eigen dwaling toe te geven en te begrijpen hoe ze is ontstaan. In enkele heel rijpe perioden zoals de verlichte achttiende eeuw heeft men dit punt bereikt, om daarna terug te vallen in de enigszins infantiele klacht over het eigen verdriet. In plaats van haar dwaling te erkennen heeft de mensheid liever haar toevlucht gezocht in twee houdingen: een veroordeling van de natuur als wrede stiefmoeder, óf de aanklacht tegen de mens, die verantwoordelijk zou zijn voor de val uit de staat van gelukzaligheid (een denkbeeld dat ook bij Rousseau weer opbloeit). Volgens de bijbel ligt het aan de ongehoorzaamheid van Adam en Eva als wij nog steeds in deze wereld pijn lijden; zodat de mens, naast alle andere ellende, zich ook nog belast heeft met een vreselijk schuldgevoel; ik verzoek je dit gevoel te mijden, omdat het de zekerste aansporing is om vreselijke dingen te doen.
Geluk is een teken van goedkeuring van het leven
Hij zegt het niet met zoveel woorden, maar Ferrucci geeft daarna een lesje in kosmologie en evolutieleer. Hij legt geduldig uit dat volgens een waarschijnlijkheidsberekening het leven niet eens zou mogen bestaan. Wat een wonder het aardse bestaan is, in het licht van de astronomisch eeuwigheid. Waarom beginnen zo weinig volwassenen bij de eenvoudigste en authentiekste gebeurtenis? "We willen niet toegeven dat we deel uitmaken van een wonder dat al enkele miljarden jaren duurt — wat in het heelal niets voorstelt — en elke ochtend in dit wonder wakker worden, koffie zetten, boeken schrijven, voetballen en naar de meisjes kijken, allemaal gericht op het behoud van het leven."

Ferrucci ziet als de twee motors die het leven aandrijven: overleven en kennen. Het eerste is een darwinistische wetmatigheid, het tweede een wat mij betreft discutabele aanname, maar voor de duur van dit boek ben ik wel bereid daar in mee te gaan.

Brief aan de gelukkige jongen die ik was lees ik als een pleidooi voor een herwaardering van de diepste menselijke drijfveren. Het leven, en dat bedoelt Ferrucci zo onpersoonlijk mogelijk, begroet elke gebeurtenis die zijn overleven helpt met vreugde. Dat geldt voor de vervulling van lichamelijke behoeften "als je in een broodje hapt of een flinke slok neemt, voel je je voldaan, omdat het leven je laat weten dat het tevreden is met jouw ijver om het te behouden; en honger en dorst vormen sterke bedreigingen voor het overleven, er zijn immers nog plaatsen waar men van honger sterft."

Nog belangrijker voor ons overleven is wat Ferrucci dan maar liefde noemt (in enigerlei vorm, meer of minder duurzaam, al naar de uiteenlopendste behoeften). "Omdat de liefde, in sterkere mate dan andere dingen die ons overkomen, ons al is het maar heel even de zekerheid geeft dat het leven via ons een stap voorwaarts zet. Het leven betuigt ons zijn dankbaarheid, net als een hond die om ons heen springt wanneer we ons met hem bemoeien. Het leven kent, zoals wij allemaal, zijn problemen; en het nijpendste probleem is vooruit te komen en zich zoveel mogelijk te handhaven, en dat kan het leven alleen via ons en via alles waaruit het is opgebouwd: planten, dieren, mannen en vrouwen. Als wij overleven, overleeft het leven, ook alleen in een deeltje van zichzelf als jou en mij."

Terwijl een Houellebecq, opgegroeid in het katholieke Frankrijk, daar meteen het cynisme van zou inzien, begroet Ferrucci die wetmatigheid neutraal, of zelfs met een zekere waardering. Hij koestert integendeel wantrouwen tegen al te ingewikkelde rationalisaties van een normaal biologisch verschijnsel.
Als je verder leert hoe belangrijk de liefde voor het behoud van de soort is, zal het je niet verbazen dat ze een zo grote geluksbelofte impliceert. Toch is de liefde een van de menselijke ervaringen die het sterkst aan symbolische transformaties zijn onderworpen. Aan tafel gebruiken de mensen mes, vork en servet, ze wensen elkaar smakelijk eten, ze toosten en refereren nooit aan het feit dat dit voedsel ontlast moet worden, kortom, ze gedragen zich beschaafd, oftewel symbolisch. In de liefde wordt het rituele karakter versterkt. Datgene waartoe de geslachtsdaad in essentie dient — de voortplanting, dus het behoud van de soort — , wordt toegedekt en als het ware in een groot symbolisch gewaad gehuld. De liefde is een van de verschijnselen waarbij de mens de natuurlijke behoefte ver achter zich heeft gelaten, veel meer dan de dieren hebben gedaan (die eveneens elkaar het hof maken).
Het staat bijvoorbeeld vast dat je masturbeert. Het is min of meer onvermijdelijk, gezien alle eisen waarmee de buitenwereld jou en je volop groeiende en zo naar leven hunkerende lichaam bestookt. Als je het nu niet meer doet, heb je het zeker eerder wel gedaan, en dat was een blijk van gezondheid, van nederige erkenning van je behoeften. Hierover zijn de volwassenen nog warriger dan over al het andere; ook de verstandigsten hebben de uitzinnigste en wanstaltigste denkbeelden over seksualiteit klaar om de meest overspannen noties te accepteren. Je hoeft maar te beseffen dat het al meer dan een halve eeuw haast onmogelijk is de theorie van Freud tegen te spreken (in menig ander opzicht een groot man), volgens wie elk klein kind onbewust zijn vader wil vermoorden om diens plaats bij de moeder in te nemen. Je hebt geen idee wat een ernstig gezicht de volwassenen trekken als ze eerbiedig aan zoiets bizars refereren. Terwijl de kinderen masturberen, bespreken de volwassenen met elkaar het Oedipus-complex (zo heet dit denkbeeld van Freud), in plaats van zich serieus te interesseren voor de behoeften van opgroeiende mensen, die heel wat eenvoudiger en natuurlijker zijn dan de wens hun vader te vermoorden. En je hoeft je niet te schamen, want schaamte staat aan de wieg van al onze vervormingen. De leugen is enkel een schandelijke manier om de waarheid te zeggen, waarbij men haar vrijwel onherkenbaar maakt.
Voor Ferrucci is het duidelijk. Geluk, of een geluksgevoel, is een teken van goedkeuring afkomstig van het leven, die ons in zijn speciale taal meedeelt dat het tevreden is over de manier waarop de dingen lopen. Omgekeerd is lijden de manier waarop het leven zijn misnoegen uit, in het meest extreme geval is dat de doodangst bij levensgevaar: "het is het leven dat via ons lijdt, omdat het leven het onaangenaam vindt wat dan ook te verliezen; het zou elk deel van zichzelf willen behouden, terwijl het juist voortdurend stukjes van zichzelf verliest." Haat ziet Ferrucci dan als een omkering van liefde, vrucht van wrok en onbevredigd verlangen.

Met het verhaal van de spin die de vlinder vangt en opeet (geen leermeesterboek zonder allegorieën en parabels) probeert Ferrucci vervolgens te wijzen op de innerlijke tegenspraak van het leven.
Nu weten we het: het leven valt zichzelf aan. Iets anders kunnen we niet concluderen. Je kunt de spin en de vlinder als twee krijgers van vijandelijke legers opvatten, als individuen die onderling sterker verschillen dan wij zouden verschillen van een marsmannetje, maar het door ons ontdekte feit blijft geldig. Het leven, die wonderbaarlijke pracht, is ondanks al zijn aspecten één enkel ding en probeert van alles om te overleven. Twee van die pogingen zijn de spin en de vlinder, die evenwel honger hebben en dag en nacht naar voedsel zoeken; in feite denken ze nergens anders aan. En wanneer ze oog in oog met elkaar staan en weten dat tussen hen alles beslist is, wat is dat dan anders dan het leven dat zichzelf bekijkt, twee minuscule onderdelen van zichzelf die proberen te overleven?
In geen enkele misdaadfilm ter wereld zag men ooit dat slachtoffer en moordenaar één en dezelfde persoon zijn; in het leven gebeurt dat echter voortdurend. Is dat niet om bij te huilen? Is het leven niet door en door slecht, als we op zo'n kwestie inzoemen?

Neen, het leven is niet goed (zoals Rousseau beweerde) of slecht (Schopenhauer), het is gewoon onverschillig. "Het is een immens organisme dat naar beste vermogen weerstand poogt te bieden, in een eeuwig verbijsterende reeks metamorfosen." Dat is ook helemaal geen drama, als we maar willen aannemen dat het leven niet op maat gemaakt is voor ons mensen.
De wereld is zeker niet voor ons mensen gemaakt, want wij maken deel uit van de wereld; en het leven handelt vía, niet vóór ons. Dat is een belangrijke waarheid die we moeten begrijpen; zoals je ziet, is de waarheid geen schepping maar een gebaar. Ze licht de sluier op die ons het zicht op de dingen beneemt.
Kunst als spel
Dan komt voor mij het interessantste deel van deze 'novelle'. Wat Ferrucci toevoegt aan dit mij bekende wereldbeeld. Zo legt hij de nadruk op de 'speelzucht' van het leven. Het spelelement. Hij ziet spelen als een zeer oud overlevingsinstinct. Ferrucci brengt het in verband met de kunstheorieën van Kant en vooral Schiller, die in feite een kritiek zijn op de kunstopvatting van Plato.

Plato dacht dat kunst volstrekt nutteloos was, en veroordeelde haar, omdat kunst van het zoeken naar de waarheid niet zijn voornaamste drijfveer had gemaakt. Voor Schiller is kunst echter een cognitieve activiteit die niet vergeet dat ze ‘spel’ is, dat wil zeggen een complete relatie aangaat met de wereld en actieve communicatie wil met alle lezers, niet alleen met de cultuurspecialisten.

Ferrucci omarmt de 'speltheorie' van Schiller en beschouwt kunst als dé activiteit van zowel de zintuigen als de rede teneinde het evenwicht en begrip tussen beide te herstellen. Hij oppert voorts een gedachte waar ik ook nogal van overtuigd ben, namelijk dat ook de rede een instinct is, niet meer en niet minder dan de andere instincten (honger, dorst, seksueel verlangen), en dat dat een moeilijk te accepteren waarheid is.
De antieke mythen, van de heidense tot de christelijke, spreken over een god die de mensen het verstand schenkt; hieruit blijkt dat vanaf het eerste begin het verstand de bezitters ervan zo heeft verbijsterd dat ze zich aangespoord voelden om het aan een opperwezen toe te schrijven, het dus te beschouwen als iets wat losstond van het natuurdomein, als een geschenk dat uit de hemel neerdaalt. Dit denkbeeld oefent nu nog grote invloed uit en gaat terug op dezelfde moeilijkheid, dat we ons volledig als deel van de natuur moeten aanvaarden.
Ferrucci leidt daar ook een criterium uit af om boeken te beoordelen. Een literair en filosofisch boek, zegt hij, is onmogelijk te begrijpen zonder je te verdiepen in het type relatie dat het met het leven heeft gevestigd (een stelling die literatuurdocenten, critici en zelfs moderne schrijvers doet huiveren). De waarde van elk boek moet je beoordelen naar de inspanning die het doet om via de cultuur het leven nabij te komen. Maar vergis je niet: die afweging is een aartsmoeilijke oefening, zowel voor 'gewone' lezers als literatuurkenners.
De fout van de ‘gewone’ lezer is zijn gebrek aan intellectuele weerstand, te wijten aan een geringe culturele voorbereiding, zodat het gemakkelijk is hem absurde, maar op zijn gevoelens inwerkende denkbeelden te laten accepteren. De fout van intellectuelen evenwel is dat ze hebben vastgesteld dat de enige manier om met het leven van doen te hebben is dat we ons en het leven een dikke, stevige dam van boeken opwerpen.
En dan gaat Ferrucci een beetje kort door de bocht door zonder reserves te stellen dat waarheid 'intuïtief' kan aangevoeld worden, want te meten naar het geluksgevoel dat het ons verschaft. Ik denk te weten waar hij naartoe wou — hij heeft iets tegen steriele logica, zonder praktisch nut, als een echte pragmatist — maar hij formuleert het nogal ongelukkig.
De vreugde is een beloning voor de bereikte waarheid, de kunst een belofte van deze vreugde. De kunst kan ook een doel op zichzelf worden, maar dan raakt ze in verval, wordt steriel en berustend; als het waar was dat ze geheel op eigen kracht kon leven, zou dit niet gebeuren. De kunst voedt zich met een verlangen naar waarheid; en wanneer die verdwijnt, houdt de jonge kunstenaar niet meer van zijn spel, want hij bespeurt daarin niet meer de zekerheid dat hij groeit.
Vervalsingen
Waarna nog dient afgerekend met de krachten die het leven en de bijbehorende vragen trachten te vervalsen. Religie is daarvan de kwalijkste: Ferrucci gaat in op de clevere introductie van de christusfiguur in het evangelie, die de figuur van de Vader, die permanent de baas speelt, zachter maakt, omdat deze nu kan treuren om het verlies van zijn zoon. Hij rekent ook af met de omkering van de waarheid in de mythe van het boek Genesis: in werkelijkheid heeft de mens de schepping van de wereld bedacht ná het beruchte vergrijp van Adam en Eva.

Religie heeft weliswaar begrepen dat de mens zich wil verlossen van de restricties die hem aan de wereld der dieren bindt (agressiviteit, geweld, fysieke behoeften, onwetendheid) maar ontspoort vervolgens, en wijst alle banden met het leven af. De hele Europese literatuur kan beschouwd worden als de soms tegenstrijdige, soms harmonische dialoog tussen een christelijk idee van de wereld en de vitale krachten die zich niet in hun verdwijning schikken en, gebruik makend van allerlei uitwegen, weer opduiken. De terugkeer van de antieke cultuur in de Italiaanse renaissance was een van deze uitwegen. (Met die kennis in het achterhoofd overwin ik mijn huiver om ooit De schepping te gaan lezen; het doorbraakboek van Ferrucci dat hier ook nog in de kast staat.)

Evenzo moeten denkrichtingen als het nationalisme, evolutionisme en marxisme het ontgelden, omdat deze zich elk van een diepgeworteld verlangen meester hebben gemaakt (het idee van gemeenschap, de strijd tegen armoede, de drang naar vrijheid) en een soort parodievoorstelling van het verlangen zelf hebben geënsceneerd. We moeten niet langer de werkelijkheid ‘veranderen’ zoals de afgelopen twee eeuwen hebben geprobeerd, vindt Ferrucci.
Het is merkwaardig te zien hoe het moderne denken dikwijls geprobeerd heeft de twee realiteiten te scheiden. Deze scheiding is begonnen bij Rousseau, een filosoof die een enorme invloed op de gehele cultuur van de negentiende eeuw heeft gehad. Rousseaus idee van een in oorsprong ‘goede’ natuur (die tevens de mens van de primitieve samenlevingen insluit), waar hij een maatschappij tegenover stelt die zich gaandeweg zo ver van de natuur heeft verwijderd dat uiteindelijk een onnatuurlijk ‘slechte’ toestand is geschapen, is een van de zwaarstwegende dwalingen in de geschiedenis der mensheid geweest. Om een even schadelijk equivalent te vinden moeten we terug naar het tegenovergestelde idee van een slechte of bedorven natuur, dat het middeleeuwse christelijke denken heeft beheerst en zijn sporen bij Machiavelli en Hobbes heeft nagelaten, twee renaissance-denkers die stellig atheïsten waren en toch diepgaand waren beïnvloed door een religieuze interpretatie van het leven.
Waarom zijn beide ideeën zo schadelijk geweest? Omdat ze gebaseerd zijn op het idee van een radicale tegenstelling tussen maatschappij en natuur (die ze vervolgens vergeefs trachten te verhelpen) die gewoonweg niet bestaat. Ook de maatschappij is een natuurverschijnsel, zij het reusachtig ontwikkeld en complex, net zoals de mens zelf, die vaak van de natuur is losgemaakt, alsof hij een gast van buiten in plaats van een in de natuur geworteld wezen is.

[...]

De menselijke samenleving, ontsproten aan de natuur, heeft essentiële trekken met haar gemeen. Ze is innerlijk tegenstrijdig en neigt derhalve tot zowel het behoud als de vernietiging van zichzelf. Omdat ze tevens een menselijk verschijnsel is (het meest complexe van alle natuurlijke groepsprocessen), vertoont de samenleving ook menselijke trekken: een behoefte aan kennis en een neiging voortdurend andere oplossingen te zoeken. De tragiek van onze tijd is dat het rusteloos experimenteren van twee eeuwen geschiedenis — vanaf de Franse revolutie tot op heden — heeft geleid tot een maatschappij die vrijwel uitsluitend functioneert dank zij de versnelling van inerte krachten (...).
Inmiddels is een werkelijkheid geschapen die vanzelf verandert zonder er nog in te slagen stil te blijven staan, zegt Ferrucci. We moeten juist rekenen op hen die voldoende in staat zijn de wereld in handen te nemen wanneer het konvooi te pletter is gereden. Daarmee, met toespelingen op een kernoorlog en totale destructie, krijgt het boek op de valreep iets gedateerds, iets dat stamt uit het begin van de jaren tachtig.

Slotsom: mooie masterclass van Ferrucci, die vooral twintigers zal aanspreken, eerder dan de adolescenten die de schrijver op het oog heeft. Het boek bevat een paar mooie lessen, die ik soms zelf vergeet. De wereld is niet voor de mens gemaakt, de rede op zich maakt niet gelukkig... Al is het gevaar van een halfbegrepen darwinisme reeël — dat een lezer zou denken dat het evoluerende leven toch een 'bedoeling' heeft, in plaats van het product te zijn van toevallige mutaties en genetische fouten.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Franco Ferrucci, Brief aan de gelukkige jongen die ik was
156 p.
Uitgeverij Wereldbibliotheek, 1994
Oorspr. Lettera a me stesso ragazzo
Vertaald door Wilfred Oranje

____

0 reactie(s):

Related Posts with Thumbnails