dinsdag 1 september 2009

Waar zijn de intellectuelen? - Frank Furedi

Drie jaar voor Roger Scruton zijn pamflet Waarom cultuur belangrijk is schreef, bracht Frank Furedi het omstreden boek Waar zijn de intellectuelen? uit. Twee verschillende kwesties, die opvallend genoeg tot een eensluidende diagnose leidden. Cultuur en intellect zijn in diskrediet geraakt, mede door toedoen van diezelfde culturele en intellectuele klasse. Een prikkelende vaststelling, die Furedi echter ook in een essay van 40 bladzijden had kunnen doen.

Want naast een speculatief werk, zonder veel harde feiten, is wat Waar zijn de intellectuelen? een waanzinnig redundant boek. De Britse socioloog Frank Furedi herhaalt zichzelf zoveel dat zijn litanie grenst aan hypnose. Het tweede deel van het boek kan je daarom met goed fatsoen op driedubbele snelheid lezen, temeer daar Furedi een redelijk beroerde schrijver is.

Instrumentalistische druk op de kennisproductie kan uitstekend met de hierboven besproken regressieve tendensen co-existeren.
Wat is een intellectueel?
De echte intellectuelen zijn verdwenen, zo luidt de stelling. Maar wat is een intellectueel nu eigenlijk? Furedi scharrelt een paar definities bij elkaar, waaronder de opvattingen van Edward Said. Reflectie en maatschappelijk engagement zijn de basisingrediënten. Een intellectueel is iemand die voor (niet noodzakelijk van) ideeën leeft. Hij heeft interesse voor mondiale thema’s met betrekking tot waarheid, meningsvorming en eigentijdse smaak, en treedt bewust buiten het terrein van zijn expertise om de wereld te becommentariëren. Hij is trots op zijn autonomie en bepleit waarden die de specifieke ervaring te buiten gaan -- de rede, de rationaliteit, de wetenschap, de vrijheid. Intellectuelen herbevestigen kortom de relevantie van het project van de Verlichting.

De status van intellectuelen is in de loop der tijd wel veranderd. De afgelopen drie eeuwen werden intellectuelen doorgaans als subversieve elementen beschouwd, met een zekere macht om politieke hartstochten aan te wakkeren. Arthur Koestler, om maar één iemand te noemen, achtte de intellectueel in belangrijke mate verantwoordelijk voor de opkomst van het totalitarisme.
Sinds de dagen van Burke heeft men intellectuelen vrijwel alle kwaad aangewreven waardoor de samenleving werd getroffen. Menig rechts Frans criticus beschuldigde Marcel Proust ervan eigenhandig het zedenlijk verval van de Derde Republiek te hebben veroorzaakt. In Engeland werden de leden van de Bloomsbury-groep voorgesteld als traditionele schurken; ze werden afgeschilderd als decadente profiteurs van de grootheid van het Britse rijk, die ervan genoten systematisch alle waarden te vernietigen die de identiteit van de natie hadden gevormd. In de Verenigde Staten werden New Yorkse intellectuelen er vaak van beschuldigd on-Amerikaanse ideeën het land binnen te halen. En tijdens de jaren zestig en zeventig werden radicale studenten en docenten voor het zedelijk verval van Amerika verantwoordelijk gesteld.
Tegenwoordig zijn de activiteiten van intellectuelen nog steeds niet gericht op persoonlijk gewin, maar op onpersoonlijke waarden, zoals het zoeken naar waarheid en de vooruitgang van de wetenschap. En net als kunstenaars zijn raszuivere intellectuelen er nog steeds niet op uit te produceren wat de klant wil. Maar als invloedrijk worden intellectuelen niet meer beschouwd. Laat staan als gevaarlijke fanatici die de zedelijke samenhang van de samenleving bedreigen. In tegenstelling tot vroeger (met knooppunten als Parijs, Berlijn, Wenen, Sint-Petersburg, Bloomsbury, Greenwich Village) zijn intellectuelen vandaag niet eens meer deftig te localiseren.

Furedi neemt om zich heen een minachting waar jegens elke preoccupatie met het leiden van een strikt intellectueel leven. Geleerdheid, "het streven naar het uitmuntende en naar waarheid", wordt dikwijls als een bizar, genotzuchtig, elitair en irrelevant streven voorgesteld. Het onderwijs kweekt geen intellectuelen meer, maar fungeert vooral als motor voor economische groei. Het probleem is niet dat kunst en cultuur beïnvloed worden door de economische realiteit -- dat was altijd al zo -- maar dat de markt het denken nu ook heeft aangetast op het hoogste niveau van de beleidsbepaling.
De verdomming wordt gevoed door sterke krachten, die kennis en cultuur louter als middelen ter verwezenlijking van een breder en hoger doel opvatten.
Furedi is overigens weinig onder de indruk van wat we zelfgenoegzaam de kennismaatschappij en kenniseconomie zijn gaan noemen: het verhandelen van hapklare weetjes en geprefabriceerde expertenkennis. "Kennis zonder relatie met de waarheid heeft geen intrinsieke betekenis." Furedi ziet weinig hoop dat kennis zoals hij die bedoelt op korte termijn weer aanzien krijgt. Integendeel.
Wanneer jongeren in het verleden van de natuurwetenschappen vervreemd raakten, wendden ze zich tot de geesteswetenschappen. De huidige studentengeneratie heeft voor een uitgesproken pragmatische benadering gekozen en koestert een even grote afkeer van geschiedenis, sociale wetenschappen en filosofie als van de natuurwetenschappen.
De devaluatie van de cultuur
Een van Furedi's theses is dat de elite een grote verantwoordelijkheid draagt voor haar eigen devaluatie. Door meer en meer belang te stellen in 'voeling hebben' met de publieke opinievorming, en 'relevant' en 'toegankelijk' blijven, heeft zij aan het huidige klimaat bijgedragen.

Neem de culturele sector en haar obsessie met zo breed mogelijke cultuurparticipatie. In het verleden, zegt Furedi, gebruikte men de kunsten om de lof van het vaderland te zingen; tegenwoordig gebruikt men ze om contact te leggen met verdeelde en vaak gemarginaliseerde mensen. Het vergaren van bewijsmateriaal over de invloed van de kunsten is in het cultuurbeleid een centrale positie gaan innemen. Iedereen moet meedoen. Ook hier is vleierij niet van de lucht: het woord ‘creatief’ wordt tegenwoordig als vanzelfsprekend gebruikt ter beschrijving van alle menselijke activiteiten. Cultuur is meer dan ooit aanwezig in het straatbeeld: cultuursteden, culturele evenementen, musea met populaire tentoonstellingen, noem maar op. Tegelijk wordt het steeds moeilijker een intellectuele ondergrens te handhaven.
Zoals Hannah Arendt in de jaren zestig al opmerkte, is er geen sprake van massacultuur maar van ‘massa-amusement, dat zich voedt met de culturele objecten op de wereld.’
Cultuur mag niet intimideren. Schrijfopdrachten op school mogen niet afschrikken. Bibliotheken moet eruitzien als huiskamers. Exposities moeten zo laagdrempelig mogelijk. Musea worden voorzien van een café, ontmoetingsruimtes en interactieve gadgets. Iedereen volgt ook hoger onderwijs, tegenwoordig. Aanspraken op intrinsieke kwaliteit worden afgedaan als zelfzuchtig. Maar, vindt Furedi,
juist omdat de culturele elite geen werkelijk respect heeft voor het vermogen van mensen om zich geestelijk te verrijken en de kansen aan te grijpen die het onderwijs en de cultuur hun bieden, behandelt ze hen als potentiële patiënten in plaats van als een publiek dat voor ideeën openstaat.
Men is zo druk bezig om alle geledingen van de samenleving kansen te bieden dat onze meritocratie is afgegleden naar mediocratie. Wat Furedi in zijn boek uiteenzet is dat de huidige afwijzing van de meritocratie niet zozeer door een democratische impuls gevoed wordt, als wel door de therapeutische overweging gevoelens van afwijzing bij het grote publiek te vermijden. Dat is een kwalijke ontwikkeling. Het belonen van verdienste impliceert dat mensen als volwassenen worden behandeld, terwijl het wegmoffelen van het gevoel van mislukt zijn voortkomt uit het verlangen hen als kinderen te behandelen.



De opkomst van de expert

Enkele structurele veranderingen die ook met het verval van de traditionele intellectueel verband houden, zijn volgens Furedi de toenemende bemoeienis van de markt met het intellectuele leven, de institutionalisering en professionalisering van het intellectuele leven, de groeiende macht van de media en de afname van de mogelijkheid om in de publieke ruimte autonoom te functioneren.

De expert (die diensten verleent, zich commercieel en a-politiek opstelt) heeft de plaats van de intellectueel (die zich met ideeën bezig houdt) ingenomen. Het weinige dat de intellectueel nog kwijt kan, wordt op televisie en radio omgeturnd tot soundbites en zaken met amusementswaarde. Vele activiteiten van de intellectueel zijn geïnstitutionaliseerd.
De institutionalisering van de intellectuele arbeid heeft ingrijpende gevolgen voor het verkeer tussen ideeën en de samenleving gehad. In de hoedanigheid van professional en expert, zelfs die van academisch expert, kunnen intellectuelen hun gezag niet op de kwaliteit van hun ideeën funderen, maar moeten ze aanspraak maken op expertise. Hun taalgebruik wordt steeds technischer en specialistischer, en is niet langer voor het publiek begrijpelijk. Het nieuwe taalgebruik van de academische expert weerspiegelt een leefwijze die aan een beperkt specialisme gewijd is. Door dit proces verandert de inhoud van de intellectuele activiteit. Fridjonsdottir heeft er de aandacht op gevestigd hoe een activiteit als de literaire kritiek vrijwel ‘uitsluitend een geprofessionaliseerde activiteit van hoofdzakelijk academisch gevormden’ is geworden.
Maar, zegt Furedi, louter de expansie van de markt voor professionals kan de bereidwilligheid niet verklaren waarmee mensen zich niet meer als een traditionele intellectueel willen positioneren. Hij ziet de oorzaak van die bereidwilligheid eerder in de toegenomen scepsis jegens de idealen van de Verlichting. Cultuurrelativisme is schering en inslag en elke hang naar universele waarden wordt gehoond. Dat heeft te maken met de mislukking van de Chinese en Russische politieke experimenten, teleurstelling over het functioneren van de verzorgingsstaat en de toenemende versnippering van het intellectuele veld (Engelse intellectuelen, zwarte intellectuele, feministische intellectuelen...). Nut van intellectuele ideeën wordt heden ten dage veel kritischer geëvalueerd.

Het verschil met vroeger: kritiek op de traditionele intellectueel komt sinds enkele decennia ook uit de eigen rangen, van intellectueel links, in plaats van uit politiek rechtse hoek, zegt Furedi, zelf een oud-communist. Postmodernisten als een Michel Foucault, die elke waarheid als fictie beschouwen, zijn mee verantwoordelijk voor de tanende status van intellectuele kennis. "Als de waarheid wordt gedegradeerd tot iets wat van subjectieve opvattingen en interpretaties afhankelijk is, houdt ze op onderwerp van fundamenteel belang te zijn."

Natuurlijk zat scepsis jegens de Verlichting er van bij het begin in. Men was altijd al ongerust bij de gedachte dat de mens door de toegenomen kennis meer en meer voor God zou spelen. De dominante rede zou de sfeer van het sacrale teniet doen. Rationaliteit zou de spirituele banden tussen mensen en de menselijke tradities aantasten. De massa zou irrationeel worden. Zoals Joseph de Maistre het uitdrukte:
De wieg van de mens moet door dogma’s worden omringd, en wanneer bij hem de rede ontwaakt, moeten al zijn opinies al zijn gevormd, in elk geval voor zover ze zijn sociale gedrag betreffen. Niets is voor de mens belangrijker dan vooroordeel.
Maar het verschil tussen deze negentiende-eeuwse kritiek en de huidige scepsis, is dat ze een onderstroom bleef, onder de dynamiek van het vooruitgangsdenken. Nu sijpelt angst voor verandering in alle facetten van het sociale denken door. De romantici trokken niet in twijfel dat er kennis mogelijk was, ze vocht alleen één mogelijke vorm van kennis aan, de rationele. Het cultureel relativisme van de negentiende eeuw had de bedoeling de religie en de traditionele ethiek te beschermen tegen de wetenschap en universele waarden; het laat twintigste-eeuwse postmodernisme bestrijdt de waarheidsaanspraken van de wetenschap tout court.
De huidige postmodernisten volgen de wet die door de negentiende-eeuwse reactie tegen de Verlichting is gebaand. Ze beweren dat elke vorm van kennis een sociale constructie is; daarom zijn alle vormen van kennis onvergelijkbaar en zijn ze in beginsel in gelijke mate geldig. Waarheid is volledig afhankelijk van het gekozen gezichtspunt. Postmodernisten beweren dikwijls dat niet één weg alleen tot inzicht leidt. Deze nadruk op verschillen strekt zich ook tot de methodologie uit -- men kan via verschillende methoden tot waarheden komen. De gedetailleerde uitwerking van de uitwerking van de relativering van de methodologie is een van de kenmerkende eigenschappen van het postmodernisme. Ze is gebaseerd op de oude, romantische overtuiging dat subjectiviteit, en in het bjjzonder intuïtie, tot inzicht leidt.
En dat terwijl de honger naar wetenschappelijk kennis niet bepaald is afgenomen.
Er bestaat een enorme vraag naar populairwetenschappelijke boeken. Historische biografieën belanden vaak op de bestsellerlijsten, terwijl tv-programma’s over historische en wetenschappelijke onderwerpen altijd van een aanzienlijk publiek van nieuwsgierige kijkers verzekerd zijn. Veel mensen willen oprecht meer over de wereld te weten komen. Maar in een klimaat waar het streven naar kennis geen krachtige culturele bevestiging krijgt, krijgt de relatie tot kennis een passief karakter. Enerzijds koopt men populairwetenschappelijke boeken, maar anderzijds komt men zelden bij elkaar om over de inhoud ervan te discussiëren.
De devaluatie van het onderwijs
Dit postmoderne gedachtengoed heeft grote invloed op de manier waarop men tegen beoordelingssystemen in het (Engelse) onderwijs aankijkt. Kennis die zichzelf universeel noemt, wordt met argwaan bekeken. Kennis wordt geherdefinieerd als de subjectieve ervaring van het kind. Kennis is wat leerlingen thuis, van hun leeftijdsgenoten en uit de media leren.
De neiging kennis gelijk te stellen aan inzichten die mensen uit fragmentarische ervaringen opdoen, maakt het bestaan van een zinvolle gemeenschappelijke norm voor de evaluatie van kennisaanspraken onmogelijk. Doordat kennis in vormen van kennis is getransformeerd, is de rol van de intellectueel gecompromitteerd.
Lessen die in de school van het leven zijn geleerd, worden als kennis gerecycled door een administratief proces waarbij ze als resultaten van het onderwijs worden opgevat, zegt Furedi, die zelf in het onderwijs staat. Studenten worden voor de arbeidsmarkt klaargestoomd, zonder meer. De aandacht gaat uit naar hun emotionele behoeften in plaats van de intellectuele. Studenten worden gevleid, ondersteund en gepamperd. Hun eigenwaarde dient koste wat kost opgekrikt.

Vrijwel iedere praktijk in het onderwijs of de cultuur die niet spontaan door het publiek wordt omarmd kan tegenwoordig van het stigma ‘elitair’ worden voorzien. Het ergste is: de gevestigde orde in het hoger onderwijs heeft de verminderde status die aan intellectuele kennis wordt toegekend en het verminderen van diplomadruk reeds geaccepteerd. Universitaire docenten pikken het dat ze hun werk moeten doen volgens criteria die door de externe controlerende instantie, de ambtenarij en de politiek, zijn opgesteld.

De devaluatie van de politiek
Na het onderwijs neemt Frank Furedi het politieke bedrijf in beschouwing. Ook daar neemt hij een vermindering van het intellectuele gehalte waar. De politiek is minder dan ooit een ideeënstrijd. Toespraken worden klaargestoomd door een leger speechschrijvers. Debatten bestaan uit het uitwisselen van soundbites. Politici zelf zien in dat hun politieke, ideologische en morele banden met het electoraat kwetsbaar zijn geworden.

De presentatie van de huidige politiek wordt gedomineerd door persoonlijkheden en individueel gedrag. Expliciete visies worden liefst niet meer uitgedragen. Politiek draait om kleine deeloplossingen op korte termijn. De grote kwesties van deze tijd --milieubeleid, bedreigingen voor onze gezondheid, massavernietigingswapens -- worden voorgesteld als gevaren die toch boven de politiek uitgaan.
Dit is het tijdperk van de ‘micropolitiek’, waarin de politiek de taal van de technocratie is gaan spreken en zichzelf via gedepolitiseerde managerstaal aan de man brengt.
Volgens Furedi is de electorale desinteresse (zelfs na 9/11) niet te wijten aan politieke corruptie, onbekwame leiders en kille bureaucratische stelsels, maar aan de overtuiging bij de keizer dat stemgedrag toch weinig meer uithaalt, zeker in een wereld die door de politieke klasse als niet meer beheersbaar wordt voorgesteld. Politici en media die de desinterrese willen counteren, doen er daarom verkeerd aan terug te grijpen naar goedkope middelen van schijnparticipatie (stemmen via de computer thuis, de 'gewone man' die zijn zegje mag doen in debatprogramma’s).

De devaluatie van de intellectueel

Waarna Furedi nog eens terugkomt op de verantwoordelijkheid van de intellectuele kaste. Hij laakt de neiging van hedendaagse intellectuelen om bij alle in het verleden gekoesterde waarden en instituties vraagtekens te plaatsen. Zo vermijdt die elite de noodzaak om met antwoorden te komen en duidelijk te maken welke overtuigingen en praktijken de samenleving hoog moet houden en naar waarde moet schatten. De gedesoriënteerde culturele elite ontbeert krachtige overtuigingen en acht zich niet in staat een samenhangend wereldbeeld op de rest van de samenleving over te brengen. Ze voelt zich ongemakkelijk bij het idee welbewust als elite te moeten optreden. Ze aanvaardt geen verantwoordelijkheid voor een consensus. Bovendien richt ze haar pijlen op de verkeerde vijanden.
De negentiende- en twintigste-eeuwse progressieve bewegingen richtten zich op de privileges van de elite en de vastberadenheid waarmee een oligarchie de hulpbronnen in de samenleving bleef controleren en monopoliseren ten koste van de kwaliteit van het leven van de meerderheid van de bevolking. Het huidige anti-elitarisme spitst zich zelden toe op economische macht. Het richt zijn woede veeleer op vormen van gedrag, cultuur en onderwijs die vaak ten onrechte met de elite worden geassocieerd. Verfijnd taalgebruik, complex gedachtegoed, moeilijk onderwijs en veeleisende kunstvormen worden tegenwoordig als elitair gestigmatiseerd en gelden daarom als slecht.
Furedi is tot slot zo eerlijk achteraan in zijn boek de belangrijkste kritiek aan bod te laten komen die je op zijn visies kan hebben. Om te beginnen de opvatting dat vooral geleerden, en niet de intellectuelen, sterk hebben gestreefd naar kennis. Intellectuelen hebben niet bijgedragen aan kennis, maar hebben zich hoogstens opgeworpen als pleitbezorgers voor het kritisch denken.

In een reactie op Waar zijn de intellectuelen betoogde Theodore Dalrymple dan weer dat Furedi de mate heeft onderschat waarin de publieke intellectuelen hun eigen gezag hebben ondermijnd doordat ze steeds dezelfde dwalingen blijven propageren. Eenzelfde sentiment werd uitgesproken door Roger Scruton, die vaststelt dat intellectuelen hun gezagsondermijnende pose van veel groter gewicht achten dan de waarheid.

[afbeelding: Andrzej Dudzinski, Intellectual competition, via Hoover Institution]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> bibliografie in de commentaren hieronder

Frank Furedi, Waar zijn de intellectuelen?
223 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 2006
Vertaald door Guus Houtzager
Oorspr. Where have all the intellectuals gone? (2004)
____

1 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Between past and future – Arrendt
Legislators and interpreters : on modernity, post-modernity and intellectuals – Bauman
Realizing the university – Ron Barnett
Modernity and the holocaust – Bauman
Risk society : towards a new modernity – Beck
Reflexive modernisation – Beck
The betrayal of the intellectuals – Julien Benda
The twilight of American culture – Morris Berman
Men of idea’s : sociologist’s view – Coser
In praise of commercial culture – Cowen
Teachers, writers, celebrities : the intellectuals of mdoern France – Debray
Death of the university – Mary Evans
Between culture and politics : intellectuals in modern society – Eyerman
Intellectuals, universities, and the state in western modern societies – Eyerman
Intellectuals and public life – Fink
Mythical past, elusive future – Furedi
Therapy culture – Furedi
Intellectuals in liberal democracyies – Gagnon
A woman’s way of knowing – Carole Gilligan
The future of the intellectuals and the rise of the new class – Alvin Gouldner
Capitalism and the historians – Hayek
Anti-intellectualism in America – Richard Hofstadter
Power, politicis and people : the collected essays of c. Wright Mills – Horowitz (red.)
The intellectuals : a controversial portrait – Huszar
The last intellectuals – Russell Jacoby
The yogi and the commisar and other essays Koestler
Political man – Lipset
Risk : a sociological theory – Luhman
The postermodern condition – Lyotard
Social knowledge : an essay on the nature and limits of social sciencce – Mattick
Anxious intellects – Michael
The nationalisation of culture – Minihan
The idea of a university – Kardinaal Newman
That noble dream : ‘the objectivity question’ and the American historical profession – Novick
The lion and the unicorn – Orwell
Culture at the crossroads – Pachter
Essays in sociological theory – Parsons
The liberal mind in a conservative gage – Pells
Alle must have prizes – Philips
Intellectuals, professionalism, culture – Robbins
No respect : intellectuals and popular culture – Ross
Representations of the intellectual – Said
The intellectuals and the powers and other essays – Shils
The public intellectual – Small
Audit cultures – Stahern
On creativity : interviews exploring the process – Tusa
The new elites : making a career in the masses – Walden
Art for all? – Wallinger
The rise of meritocracy – Michael Young

Related Posts with Thumbnails