vrijdag 18 september 2009

De depressie-epidemie - Trudy Dehue

Waarom wordt zoveel aan depressiebestrijding gedaan in welvarende westerse landen, waar primaire levensbehoeften zoals voedsel, veiligheid, behuizing en medische zorg helemaal vervuld zijn? Dat is de grote vraag die in De depressie-epidemie aan de orde wordt gesteld. Neemt depressiviteit toe? Of zijn we met zijn allen weekhartiger geworden? Niets van dat alles, zegt de Nederlandse psychologe en wetenschapsfilosofe Trudy Dehue.

Depressie lijkt een groot probleem. De World Health Organisation (WHO) stelde in 2002 dat depressie onder de 15- tot 44-jarigen overal de op één na hoogste oorzaak van ziektelast is. De aandacht voor de aandoening en andere psychische stoornissen is navenant. Met de hedendaagse mogelijkheden om psychische stoornissen te herkennen, grapt Trudy Dehue in haar boek, valt makkelijk aan te tonen dat Winnie the Pooh en al zijn vriendjes in het Honderdbunderbos eigenlijk gestoord zijn. De vraag waaróm die aandacht toegenomen is, net zoals de middelen voor de strijd tegen depressie — medicatie, psychotherapie, ECT, VNS en een hoop alternatieve geneeswijzen — zijn toegenomen, kan op verschillende manier beantwoord worden.

Eén antwoord, schrijft Dehue, is dat depressie een biologisch bepaalde stoornis is, die al eeuwenlang bestaat en overal voorkomt maar pas nu, in rijke landen, goed gediagnosticeerd en behandeld wordt. Anderen echter zien de sterke toename van depressie als een product van de farmaceutische industrie, die geld en macht vergaart door de bevolking stoornissen aan te praten. En weer anderen zoeken het in de verzorgingsstaat, die mensen met zijn leger hulpverleners kleinzerig maakte en het besef ontnam dat geluk om eigen inspanning vraagt.

Terwijl mensen in arme landen aan reële ontberingen lijden, zouden rijke westerlingen een quick fix wensen voor elk nog resterend leed en zelfs voor eventuele toekomstige psychische pijn. (…) Volgens deze verklaring laat de gepamperde burger van de verzorgingsstaat zich uit gemakzucht aanpraten dat hij even zielig als machteloos is.
Elk van deze verklaringen verdisconteert de factor welvaart of geld, gaat Dehue verder, maar verder legt de eerste verklaring de oorzaak vooral bij de natuur, de tweede bij de hebzucht en de derde bij de verwekelijking. Dehue laat zien dat deze verklaringen niet juist of niet afdoende zijn en stelt er een vierde tegenover. Ze stelt dat de grootscheeps depressiebestrijding onderdeel is van het proces waarin het ideaal van de maakbare samenleving plaats maakte voor dat van het maakbare individu. "Waren voorheen omstandigheden meestal nog de oorzaak van voorspoed of ellende, nu richt de aandacht zich op het individuele brein. Daarbij zijn we niet minder maar juist méér verantwoordelijkheid voor onszelf aan dragen, want in feite biedt onze biologie net zomin als onze levensomstandigheden nog een excuus." De farmaceutische industrie, geprivatiseerde wetenschappelijke onderzoeksbedrijven, maar ook overheidsinstanties dragen bij aan de medicalisering van depressie.

Terwijl ze naar dit punt toewerkt, levert Dehue een prachtig, multidisciplinair boek af. Ze integreert de geschiedenis van het begrip depressiviteit in haar verhaal, de hersencartografie van depressie, de farmacologie, de aandelenmarkt voor antidepressiva, beleidsplannen en de weergave van wetenschappelijk nieuws in de media. Dehue toont aan hoe wetenschap werkt, hoe de industrie werkt, hoe de geneeskunde werkt, hoe beleidsmakers werken. De depressie-epidemie is bovendien voortreffelijk geschreven én onderbouwd: zowat elke alinea wordt gelinkt aan een bron.

Depressie: een geschiedenis
De verklaringen die de depressie-epidemie toeschrijven aan de natuur, de hebzucht en de verwekelijking, schrijft Dehue, hebben één belangrijk aspect gemeenschappelijk: alle drie veronderstellen ze dat vooral de aandacht voor depressie is toegenomen maar de stoornis zelf niet. Maar Dehues zoektocht in de historiek van het begrip depressie leidt tot de conclusie dat de stoornis als ‘de stoornis zelf’ niet bestaat. Het woord ‘depressie’, waaraan tegenwoordig een biomedisch imago kleeft, kreeg door de tijden heen veranderende betekenissen, die telkens nieuwe verschijnselen in het leven riepen. Het verscheen pas midden negentiende eeuw in de psychiatrie en zou ook daarna regelmatig van betekenis veranderen.

Zogeheten 'finalistische' historische inleidingen op psychiatrieboeken gebruiken het heden als standaard en geven een historisch overzicht dat stapsgewijs toewerkt naar het juiste heden, de juiste behandelwijzen van tegenwoordig, die dan in de rest van het boek ter sprake komen. Zo'n overzicht draagt het idee uit dat de hedendaagse depressie een ziekte van alle tijden is (en dat de verklaring en remedie eigenlijk ook allang in de historische pijplijn zat). Aldus, zegt Dehue, ontstaat het beeld van de tegenwoordige psychiatrie, die mensen van eeuwenoud leed bevrijdt. Maar het is onjuist zulke makkelijke vergelijkingen met het verleden te maken.

Melancholie bij Robert Burton, bijvoorbeeld, sloeg op een nog breder scala van gevoelens en gedragingen dan nu: jaloersheid, afzondering, klunzigheid, hypochondrie, bijgelovigheid en regelrechte waanzin. En in Dürers tijd was emotionaliteit helemaal niet ongepast voor een echte man. Pas in de negentiende eeuw werden de ratio en de emoties gescheiden. En omdat vrouwen emotioneler zijn dan mannen werd ‘melancholie’ vanaf eind negentiende eeuw overwegend een vrouwenziekte, zoals depressie dat nu nog is.

Bij de introductie van het woord depressie in mentale zin, in de negentiende eeuw, ging het nog niet om een stoornis op zichzelf, maar om een symptoom: gebrek aan levenslust en energie ten gevolge van een andere ziekte. Medici dachten over ziekten in termen van een verstoring van de natuurlijke balans tussen het individu en diens omgeving, die per persoon van aard kon verschillen. Onder andere door de ontdekking dat bacillen mensen ziek kunnen maken, begon men hierover in de tweede helft van de negentiende eeuw anders te denken. Ziekten werden gaandeweg zelfstandige entiteiten die alle mensen op identieke wijze kunnen treffen.

Een bijkomende moeilijkheid was dat de hersenen en het zenuwstelsel lange tijd alleen werden bestudeerd nadat de patiënten overleden waren, want er waren geen technieken om de binnenkant van het levende lichaam te bekijken. Dus was de studie van de buitenkant (lichamelijke kenmerken, lichaamshoudingen, gebaren, gezichtsuitdrukkingen) een belangrijk onderdeel van de psychiatrische diagnostiek.

In de eerste helft van de twintigste eeuw streden twee modellen om voorrang. Het op Kraepelin gebaseerde entiteitsmodel waarbij de depressie vanuit een onderliggende fysieke problematiek werd verklaard, versus het 'psychodynamische' model van Freud, die psychische problemen (hij gebruikte het woord ‘depressie’ niet) beschouwde als een reactie op innerlijke conflicten, die uniek zijn voor iedere patiënt. De klinische blik maakte bij Freud plaats voor een luisterend oor.

Pas vanaf de jaren tachtig maakte de psychodynamische betekenis (neerslachtigheid als gevolg van onverwerkte ervaringen) plaats voor de opvatting dat depressie een opzichzelfstaande ziekte is. Curieus is de rol van de mondiaal gangbare Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM). Dit is een Amerikaans handboek voor de diagnose en statistiek van psychische aandoeningen, dat oorspronkelijk alleen maar heldere criteria probeerde te formuleren voor het gebruik van ziektenamen. Na verloop van tijd kregen die criteria echter de status van oorzaken.
Terwijl ADHD niet meer is dan een samenvattende beschrijving van een aantal gedragskenmerken, zijn kinderen en volwassen nu toch druk en ongeconcentreerd omdat ze ADHD ‘hebben’ (en steeg de wereldwijde verkoop van medicatie ertegen).
De term ‘majeure depressieve stoornis’ (MDD) is volgens de criteria van de DSM gerechtvaardigd als iemand gedurende ten minste twee weken aan minstens vijf criteria voldoet:
een neerslachtige stemming, gebrek aan belangstelling voor dagelijkse bezigheden, energieloosheid, besluiteloosheid, slecht concentratievermogen, overdreven gevoelens van schuld of waardeloosheid, te veel of te weinig slagpen, te veel of te weinig bewegen, sterk aankomen of afvallen of terugkerende doodsgedachten. Deze factoren moeten het functioneren belemmeren en niet voorkomen uit rouw om een overledene in de eerste twee maanden na de gebeurtenis.
Wat is een depressie?
Met de DSM-III (tegenwoordig DSM-IV) maakt het complexe verhaal van elk individu in de therapeutische praktijk plaats voor een complexe hoeveelheid afzonderlijke stoornissen die voorkomen in de bevolking. Maar die systematische aanpak aan de hand van symptomenlijstjes is niet noodzakelijk een positieve evolutie voor de patiënt. Het overzicht van opsommingen van symptomen in de DSM speelde vooral in de kaart van ziekteverzekeraars en fabrikanten van medicijnen. Medicijnen konden immers perfect in de markt gezet worden als ze expliciet gelieerd waren aan een ziektebeeld (zonder dat dus bewezen was of het voorkomen van dezelfde symptomen ook wees op eenzelfde onderliggende aandoening). Het beroemdste voorbeeld is Viagra, dat 'helpt bij erectiestoornissen'.

Want vormen depressieve mensen met eenzelfde DSM-diagnose homogene groepen? Zijn bij hen dezelfde behandelingen effectief? Zijn er inmiddels achterliggende biologische factoren gevonden voor hun ziektebeeld? Op elk van die vragen moet een duidelijk 'neen' volgen, volgens een onderzoeksrapport van de American Psychiatric Association dat Trudy Dehue citeert. "Eerder gesignaleerde zwakke verbanden tussen depressie en erfelijkheid konden in vervolgstudies niet worden gereproduceerd. Er zijn ook geen gemeenschappelijke biologische markers gevonden voor mensen met eenzelfde ziekte, terwijl tweelingonderzoek doet vermoeden dat die er wel zijn voor mensen die verschillende DSM-labels kregen."

Het onderzoek naar een biologisch fundament zou weleens vertraging hebben kunnen oplopen door te werken met mensen die ten onrechte eenzelfde label kregen. In enkele belangrijke bladzijden legt Dehue uit dat het bestaan van serotonineheropname-remmers (SNRI’s) — populaire hedendaagse medicijnen waarmee af en toe bemoedigende resultaten worden geboekt — immers niet automatisch bepaalt dat depressie biologische oorzaken moet hebben. Dehue maakt een kristalheldere vergelijking: het is niet omdat mensen zelfverzekerder en socialer worden naarmate ze meer alcohol nuttigen, dat gebrek aan alcohol de oorzaak is van timiditeit.

(Een van die SNRI's is fluoxetine-hydrochloride, dat verwerkt wordt in Prozac. De eerste, bij toeval ontdekte, SNRI is iproniazide, dat het enzym monoamine-oxidase (MAO) remt en daarmee de afbraak tegengaat van de neutrotransmitters serotonine, noradrenaline en dopamine. Curieus verhaal: iproniazide kwam voort uit een groot overschot aan de stof hydrazine (waarmee V2-raketten werden afgeschoten) die na WOII voor weinig geld aan farmaceutische bedrijven werd verkocht, die ermee gingen experimenteren. Het werd in de jaren vijftig ontwikkeld als middel tegen tuberculose, maar bleek onverwacht effectief tegen depressiviteit.)

Hoewel ze niet per definitie wijzen op een biologisch fundament van depressie, hielp de komst van SNRI's wel de neurobiologische zoektocht op gang naar dit idee, die werd uitgebreid met genetisch en hormonaal onderzoek. Maar Dehue acht een substantieel pessimisme gerechtvaardigd over de vraag of onderliggende genen voor stemmingsstoornissen ooit gevonden zullen worden. Onderzoek is ontzettend moeilijk omdat je nooit weet of mensen met dezelfde diagnose ook biologisch gezien homogene groepen vormen. ‘Depressie’, ‘schizofrenie’ of ‘ADHD’ zijn wellicht biologisch gezien verzameltermen voor uiteenlopende ziekten. Eenvoudige monogenetische aandoeningen waarbij een enkel afwijkend gen de oorzaak is van een ziekte, zoals de ziekte van Huntington, komen bij psychische stoornissen niet voor. De meeste stoornissen, als ze al genetisch bepaald zijn, ‘multigenetisch’, dat wil zeggen gerelateerd aan een specifieke combinatie van genetische kenmerken.
Een belangrijk inzicht dat het werk eveneens compliceert is dat lichamelijke en omgevingskenmerken met elkaar interacteren. Genen, hormonen en hersenen dicteren doorgaans emoties en gedragingen niet, maar zijn daar hooguit voorwaarden voor. Zoals een flamingo niet roze kan worden zonder een dieet van plankton en garnalen, zo wordt iemand met genetisch risico op alcoholisme zonder alcohol geen alcoholist.
Tegelijkertijd, gaat Dehue verder, valt te betwijfelen dat mensen zonder genetische aanleg tot depressie onder geen enkele omstandigheid depressief kunnen worden. "Wat mensen herhaaldelijk meemaken (of opzettelijk trainen) kan zich ook in biologische kenmerken vertalen. Dat kan effect hebben op de stofwisselingsprocessen in het brein. Dergelijke plasticiteit van de hersenen is het grootst op jonge leeftijd, maar blijf het gedurende het hele leven bestaan."

En dan is er nog iets. Er zijn aanwijzingen dat lichamelijke factoren in interactie met omgevingsfactoren de kans vergroten op depressiviteit. De speurtocht daarnaar is nog in volle gang, maar zou in de toekomst tot biologische zekerheid kunnen leiden. Maar of daaruit dan volgt dat depressie een lichamelijke ziekte is? Opnieuw: neen. "De eventuele biologische grondslag van agressie, kaalhoofdigheid of homoseksualiteit maakt immers een agressief, kaal of homoseksueel mens ook nog niet ziek." Er zijn dus twee criteria van maatschappelijke aard gemoeid met de vraag of een kenmerk een ziekte heten mag of moet: we moeten het erover eens zijn dat het onaanvaardbaar is en dat de geneeskunde het hoort te verhelpen.

De ellende is alleen dat hoe verder het moleculaire verhaal over depressie zich buiten de muren van de wetenschappelijke laboratoria beweegt, hoe meer het voorbehoud eruit verdwijnt en mogelijkheden tot zekerheden transformeren. Dehue geeft hopen voorbeelden van manieren waarop het wetenschappelijk genuanceerde verhaal wordt vereenvoudigd — niet alleen in reclamespotjes van farmaceutische bedrijven, maar ook in persberichten die door de grote media in de wereld worden gestuurd.

Geschematiseerde voorstellingen van de werking van neutrotransmitters, om maar iets te noemen, zijn schering en inslag. Na onderzoek met ratten berichtten grote media dat je van langdurig te kort slapen depressief wordt, terwijl de eigenlijke bevinding was dat de serotoninetransmissie in de hersenen van de ratten verminderd was: symptoom en oorzaak worden opnieuw door elkaar gehaald. Terwijl de diagnosticische portretfoto’s uit de negentiende eeuw de gestoorde persoon uitbeeldden, suggeren vergelijkende hersenscans ('normaal' vs. 'abnormaal') in de wetenschapsbijlagen van kranten dat de ziekte zélf op de foto kan.

De farma-industrie komt die medicalisering van depressie natuurlijk goed uit. Met alle mogelijke middelen, schrijft Dehue, bewerkstelligen onderzoekers dat zo veel mogelijk anderen bestaande problemen gaan zien in termen van de oplossingen die zij in het vooruitzicht stellen. "Historisch bezien maken de nieuwste reclames een ommekeer van 180 graden. Aan het eind van de negentiende eeuw werd depressie gezien als gevolg van andere lichamelijke ziektes. Nu wordt depressie voorgesteld als oorzaak van lichamelijke problematiek." En mochten die medicijnen dan ook zwart op wit hun nut hebben bewezen. Maar ook dat is allerminst het geval. Dehue trekt vele bladzijden uit om aan te tonen hoe problematisch het uittesten van psychofarmaca is.

Eerst is er de verstrengeling tussen politiek en wetenschap, en tussen bedrijf en wetenschap. Beleidsmakers sporen universiteiten aan om universitair onderzoek te gelde te maken. Sommige bijzondere hoogleraren worden niet door de universiteit betaald, maar door particuliere instellingen. Universitaire onderzoekers die meewerken aan het maken van een richtlijn voor beleidsmensen moeten dat belangrijke werk in hun schaarse vrije tijd doen, omdat het geen publicaties in internationale tijdschriften oplevert en dus niet als wetenschappelijke arbeid telt. Universiteiten richten in rap tempo hun eigen biotechnologische bedrijven op die zich bewegen op de vrije markt. Vanwege de grote financiële belangen die ermee gemoeid zijn (winsten die geneesmiddelenbedrijven maken compenseren ruimschoots de enorme investeringen in een nieuw medicijn) verplaatst het geneesmiddelenonderzoek zich steeds meer van academische onderzoeksorganisaties naar commerciële onderzoeksorgansaties.

De druk om tot resultaten te komen is groot. De uitkomsten van een enkel experiment krijgen al snel universele geldigheid toebedeeld. De testfase is vaak te kort, zodat bijwerkingen die kunnen optreden bij langer gebruik niet zijn te voorspellen, zodat het grote publiek bij de lancering van een nieuw middel proefpersoon wordt. De ontwikkeling van ‘softe’ therapeutische technieken waarmee geen handel te drijven valt, komt in de marge van de wetenschap terecht en voor sociologisch of historisch onderzoek naar eventuele maatschappelijke oorzaken van ongelukkig-zijn geeft geen commercieel instituut een cent.

Dehue haalt voorbeelden aan van Nederlandse beleidsmakers die een liberale versie van de verzorgingsstaat voorstaan (met een zelfregulerende markt en met een individuele zorgconsument die op basis van objectieve informatie efficiënte keuzes moet kunnen maken) . Zij zien geen graten in bovenstaande fenomenen. Om te benadrukken hoe schrijnend deze situatie is, citeert Dehue wetenschapsfilosoof Gerard de Vries:
Als zou worden vastgesteld dat rechts zich lieten fêteren door bedrijven, aandelen hadden in industrieën waarover zij moeten oordelen, en dat hun wetboeken, computers en toga’s door bevriende bedrijven zouden zijn betaald, zou het land te klein zijn. Waarom maken wij ons dan minder druk om de erosie van onafhankelijkheid van de wetenschap?
Maar zelfs als onderzoek met belastingsgeld betaald wordt, blijven er problemen bestaan. Het experimenteren met medicijnen om hun werkzaamheid te achterhalen is an sich al discutabel. Het vergelijken en tegen elkaar afzetten van psychodynamische, medicinale en gedragstherapeutische behandelingen kan alleen zeer gebrekkig. Tijdens de kunstmatige, strikt gecontroleerde omstandigheden van een experimenten schieten vertrouwen en aandacht, aspecten die de kern uitmaken van de psychodynamische therapie, er direct bij in, om maar iets te noemen. De gestandaardiseerde diagnostiek tijdens experimenten vergt daarnaast dat mensen hun emoties uitdrukken in voorgedrukte tests.

Dehue vermeldt één meta-onderzoek in verband met medicinale behandeling waarvan de conclusies weinig aan de verbeelding overlaten: "als je uitgaat dat de resultaten van RCT’s (gerandomiseerd onderzoek met controlegroep) een goede maatstaf zijn voor het echte leven, dan hebben van de honderd mensen er slechts ongeveer twintig méér baat van het antidepressivum hebben dan van een namaakpil." Met andere woorden: al ervaren veel gebruikers zelf vooruitgang en al zien therapeuten mensen soms wonderbaarlijk opknappen nadat ze antidepressiva hadden gekregen, volgens het onafhankelijk gefinancierde experimentele metaonderzoek zou dat dus grotendeels liggen aan het placebo-effect.
Daarbij is wel de aantekening op zijn plaats dat de grote cijferberg die gemiddelden op gemiddelden stapelt, verkregen bovendien met gestandaardiseerde vragenlijsten en in kortdurende tests, de eventuele gunstige werking (boven op het placebo-effect) op sommige gebruikers wel eens zoek zou kunnen maken.
Soit, om wegwijs te raken uit de tegenstrijdige berichten uit de medische hoek die de media ons voorschotelen (werkt een medicijn nu of niet?), onthoud ik één belangrijke stelregel van Dehue: de behoefte aan experimenteel bewijs is evenredig aan twijfel over een medicijn. "Medicijnen met een overduidelijk effect moeten niet meer onderzocht worden. De experimenten hebben inmiddels als voornaamste functie het medicijn over de streep te helpen. Ze kwantificeren minuscule verschillen tussen de experimentele en de controlegroepen, terwijl het bovendien de vraag is hoe deze eigenlijk tot stand gekomen zijn."



De terreur van het biologische ziektemodel
Waar het in dit boek om gaat is dat ook de RCT de elementaristische en biologische opvatting van depressie steunt via haar impliciete aannamen (individualisme, doelmatigheid, onpersoonlijke procedures). Uitgevoerd door onafhankelijke of commerciëlen onderzoekslabs, het maakt niet uit — ze werken beiden vanuit het entiteitsmodel van depressie, veronderstellen dat herstel door vertrouwen slechts een placebo-effect is, negeren zowel het positieve als het negatieve verhaal van de patiënt en de behandelaar, gaan ervan uit dat een gemiddelde uitkomst voor iedereen opgaat en zijn van te korte duur om bijwerkingen te laten blijken.

Een tweede weg waarlangs RCT's de biologische opvatting van depressie in de hand werken is het neutrale imago van dit instrument. Dubbelblinde tests lijken, ook als ze georganiseerd worden door de farmaceutische industrie, in alle omstandigheden objectief. Daardoor hebben verantwoordelijke autoriteiten er weinig oog voor dat ook in dit geval ‘de betaler bepaalt’. Want of een experiment succesvol is, is altijd een kwestie van interpretatie. Het is door de mythe van de belangeloosheid van wetenschappelijk onderzoek, dat het bepaalde belangen dienen kan.

Waar Dehue uiteindelijk naartoe wil is aantonen dat de biologische opvatting en het misbruik daarvan burgers moreel verplicht om iets aan hun al dan niet vermeende psychologische problemen te doen. De boodschap is dat we zelf verantwoordelijk zijn om stoornissen de baas te blijven. Daarmee gaat Dehue in tegen cultuurfilosofen als Furedi en Dalrymple die menen dat de overijverige verzorgingsstaat mensen pampert, en hun weerbaarheid ontneemt. Een belangrijk probleem van dergelijke interpretaties is dat de depressie-epidemie pas opkwam toen de verzorgingsstaat in zijn oude vorm aan het verdwijnen was en, bijvoorbeeld in Nederland, in liberale richting opschoof. Volgens Dehue moeten we de stelling van Furedi en co juist omkeren. De hulpverlening brengt geen kwetsbaarheid bij, maar richt zich juist op het tegenovergestelde doel van zelfredzaamheid. Dat deed ze altijd al wel, maar dan meer in de zin van het vergroten van zelfinzicht en met geduldiger technieken zoals psychotherapie. Nu gaat het erom grote groepen mensen effectief te leren functioneren.
Die zelfregulerende blik gaat steeds dieper het lichaam in, tot op het niveau van hersenen, hormonen en genen. De psyche of geest die vorm kreeg door omstandigheden is niet langer de basis van de persoonlijkheid; deze bestaat nu uit de biologische bouwstenen van het lichaam en brein, wat tot andere manieren van zelfdiscipline leidt dan voorheen. De biologische blik beperkt zich bovendien niet tot het streven naar genezing. Het gegeven ontwerp kan niet slechts worden hersteld, maar moet meer dan ooit worden verbeterd.
Depressieprogramma’s hebben iets imperatiefs, zegt Dehue. De aangesprokenen moeten hun leven kleuren, grip op hun stemming krijgen en ervoor kiezen gezond te leven. Mensen ondergaan geen behandeling meer, maar volgens een cursus of training. Het oogmerk van de vele hulpverleningsprogramm’s is mensen te bewegen tot hetzelfde gedrag als dat van bedrijven. "Ze leren ons doelen te stellen, informatie te verzamelen, op basis daarvan zelf keuzen te maken, risico’s te nemen, de balans op te maken, kortom verantwoordelijk voor onszelf te zijn. Kon voorheen het bestaan nog door hogere machten worden geregeld of worden getroffen door sociaal onrecht, nu staan we liefst allemaal zelfstandig, competitief en verantwoordelijk in het leven." "Biologie is geen excuus om "suboptimaal" te functioneren."

Niet alleen gehaaide commerciële bedrijven, maar ook overheden en goedbedoelende hulpverleners versterken die redenering. Depressie is tegenwoordig het antoniem van ondernemingslust, schrijft Dehue. Bij tests van antidepressiva op ratten, wordt het middel dat aanzet tot de grootste activiteit als het beste antidepressivum omschreven.
Mijn stelling is dat we niet massaal kleinzielig zijn geworden, maar dat kapitalistische landen met hun vele psychiatrische programma’s investeren in het menselijk potentieel. Die projecten heten ‘hulpverlening’ omdat dat een verbindende term is. Hulp slaat net zoals ‘depressie’ en ‘angst’ een brug naar degenen die de vroegere verzorgingsmaatschappij nog koesteren, terwijl het woord ‘preventie’ de sympathie voor de programma’s wint van degenen die menen dat het gesomber maar eens afgelopen dient te zijn.
De aandacht voor psychische problemen heeft dus eerder te maken met een verharding dan een verzachting van de samenleving.
De menswetenschappen spelen een belangrijke rol in dat proces. Menswetenschappers bedenken mensentypen, gaan na hoe vaak een type voorkomt en hoezeer de individuen die onder een categorie vallen, afwijken van een vastgestelde norm. Daarop baseren we dan ons zelfbeeld.
Het is niet zo dat veel mensen tegenwoordig slechts ‘lichte’ depressie bestrijden. Dat zou betekenen dat depressie één monolitisch probleem is dat alleen maar in sterkte varieert. Dat klopt niet:
Depressie is een begrip dat met ‘huidziekte’ te vergelijken valt: zoals eczeem geen lichte vorm van psoriasis is en zelf in ernst kan variëren, zo geldt dat voor de hedendaagse betekenissen van depressiviteit.
Omdezelfde reden zou ik de depressie-epidemie ook niet willen verklaren uit een toename van gevoelens van ongeluk in absolute zin. Het massale werken aan het innerlijk is te vergelijken met het massale werken aan het uiterlijk. Dat laatste wijst er immes ook niet op dat de gemiddelde lelijkheid is toegenomen. We zijn gemiddeld genomen zelfs mooier geworden, door gezonder voedsel en beter zittende kleding bijvoorbeeld, of doordat we nu geld hebben voor de kapper en de tandarts. Zijn we dan nu ook ‘lichtere lelijkheid’ gaan bestrijden of zelfs enorme ijdeltuiten geworden? Ook dat is het niet. Wel maakte het toegenomen belang van schoonheid afwijkingen van de norm minder aanvaardbaar.
Dehue citeert ergens de Britse socioloog Nikolas Rose: "Terwijl het wetboek vastlegt wat verboden is en justitie bij overtredingen optreedt met straf, vindt de verdere regulering plaats via onderzoek, voorlichting en het bewerkstelligen van zelfinzicht bij iedereen."

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Trudy Dehue, De depressie-epidemie
Over de plicht het lot in eigen hand te nemen
332 p.
Uitgeverij Augustus, 2008

____

2 opmerkingen:

Achille van den Branden zei

Liquid fear – Bauman
The history of mental symptoms : descriptive psychopathology since the nineteenth century – Berrios
De ziektemakers : hoe we tot patiënten worden gemaakt – Blech
Baas in eigen brein : antipsychiatrie in Nederland, 1965-1985 – Blok
Neurofilosofie : hersenen, bewustzijn, vrije wil – Den Boer
Universities in the marketplace – Bok
Berichten uit het laboratorium van de samenleving – Bos
Status anxiety – De Botton
Slikken : hoe ziek is de farmaceutische industrie? – Bouma
Sorting things out : classification and its consequences – Bowker
Reinventing depression : a history of the treatment of depression in primary care, 1940-2004 – Callahan
Bias in psychiatric diagnosis – Caplan
The enlightment science of society – Carrithers
Inventing human science : eighteenth-century domains – Fox, Porter en Wokler
Dark paradise : a history of opiate addiction in America before 1940 – Courtwright
Naming the mind : how psychology founds its language – Danziger
De regels van het vak : Nederlandse psychologen en hun methodologie, 1900-1980 – Dehue
The politicis of large numbers : a history of statistical reasoning – Desrosières
The brain that changes itself – Doidge
Fragmenten ener briefwisseling uit de jaren 1889-1899 – Van Eeden
Better than well : American medicine meets the American dream – Elliot

Achille van den Branden zei

Genesis and development of a scientific fact – Fleck
De emoties : een overzicht van onderzoek en theorie – Frijda
Therapy culture – Furedi
Seeing the insane – Gilman
Tegen de vlakte – Goudsmit
Hersenspinsels – Gijn
The taming of chance – Hacking
The social construction of what? – Hacking
The antidepressant era – Healy
The creation of psychopharmacology – Healy
Let them eat Prozac – Healy
De blauwdruk : feiten en ficties over DNA – Hoekstra
Psychologische uitspraken over personen – Hofstee
Het bolkwerk van de betweters – Van den Hoofdakker
Een pil voor doornroosje : essays over een wetenschappelijke psychiatrie – Van den Hoofdakker
Twee ambachten – Van den Hoofdakker
Depressies – Van den Hoofdakker, Albersnagel en Tilburg
Creating mental illness – Horwitz
The loss of sadness : how psychiatry transformed normal sorrow into depressive disorder – Horwitz
Depressie te lijf – Illman
De prozac monologen – Janssen
Onze hersenen : over de smalle grens tussen normaal en abnormaal – Kahn
Is it me or my meds? : living with antidepressants – Karp
Ver heen : verslag van een depressie – Kuiper
Pure waanzin : een zoektocht naar de psychotische ervaring – Kusters
The loss of happiness in market democracies – Lane
Wetenschap in actie – Latour
Les microbes – Latour
Of two minds : an antropologist looks at American psychiatry – Luhrmann
Bipolar expeditions – Martin
How to experiment in education – McCall
Reconnecting culture, technology and nature – Michael
Meaning, medicine and the ‘placebo effect’ – Moerman
De logica van het zorgen : actieve patiënten en de grenzen van het kiezen – Mol
De psychische realiteit : psychiatrie als geesteswetenschap – Mooij
Selling sickness : how the world’s biggest pharmaceutical companies are turning us all into patients – Moynihan
De geboren aanpasser – Mulder
Beyond the natural body : an archeology of sex – Oudshoorn
De economie van de eer : een nieuwe visie op verdienste en beloning – Pels
The rise of statistical thinking, 1820-1900 – pOrter
Trust in numbers : the pursuit of objectivity in science and public life – Porter
The nature of melancholy : from Aristotle to Kristeva – Radden
Nature via nurture : genes, experience, and what makes us human – Ridley
Inventing our selves : psychology, power and personhood – Rose
Governing the soul : the shaping of the private self – Rose
The politics of life itself : biomedicine, power, and subjectivity in the twentyfirst century – Rose
Het maakbare brein : gebruik je hersens en word wie je wilt zijn – Sitskoorn
De beste baas? : verdienste, respect en solidariteit in een meritocratie – Swierstra en Tonkens
Klein leed – Udink
De ontwikkeling van wetenschap : een inleiding in de wetenschapsfilosofie – De Vries
Twee eeuwen zoeken naar medische bewijsvoering : de gespannen verhouding tussen experimentele fysiologie en klinische epidemiologie – Wiersma
The impact of inequality : how to make sick societies healthier – Wilkinson
De verzorgingsstaat bewogen : over verzorgen, verzekeren, verheffen en verbinden – WRR
The fine line : making distinctions in everyday life – Zerubavel
The waning of the welfare state – Zijderveld

Related Posts with Thumbnails