vrijdag 7 augustus 2009

Hitlers schutkleur - Peter den Hertog

Hitlers schutkleur laat leken zien hoe geschiedschrijving werkt. Geschiedenis bereikt ons meestal in de vorm van een keurige opsomming van gebeurtenissen. Maar geschiedschrijving is in de eerste plaats het zoeken naar onomstreden feiten, die feiten interpreteren, en zoeken naar oorzakelijke verbanden. Anders dan wat schoolboeken en canons suggereren is die samenhang zelden een uitgemaakte zaak. Zo is de oorsprong van Hitlers antisemitisme nog steeds niet goed ontraadseld.

De Nederlandse historicus Peter den Hertog zet in Hitlers schutkleur alle gangbare verklaringen over het ontstaan van Hitlers jodenhaat op een rij en knoopt er zijn eigen interpretatie aan vast. Den Hertog beoordeelt vijftien vooraanstaande historici die publiceerden in de periode 1936-2001 op hun argumenten, methodologie en gebruikte bronnen ("Fromm steunt via Smith op Jetzinger"). Hij presenteert het werk van deze historici heel systematisch en schrikt er niet voor terug veel plaats in te ruimen voor elkaar gedeeltelijk overlappende interpretaties, die hij steeds opnieuw samenvat. Omdat Den Hertog zeer leesbaar schrijft, stoort dat geen moment. Het consecutieve aspect van dit boek is zelfs ronduit aantrekkelijk; alsof de onderzoeker in steeds diepere concentrische cirkels afdaalt naar de meest plausibele verklaring.

Bijna alle onderzoekers van het eerste uur zien in Hitler in zijn Weense periode (1908-1913) al een felle antisemiet. Latere historici delen dit inzicht niet zonder meer. Zij benadrukken dat voor het ontstaan van Hitlers antisemitisme de chaotische periode direct na het einde van de Eerste Wereldoorlog, die Hitler voornamelijk in München beleefde, van belang is geweest. Maar waarom, vraagt Den Hertog zich dan af, werd met name Hitler wél een rabiate jodenhater en anderen, die ook aan dezelfde antisemitische invloeden hebben blootgestaan, juist niet? Die vraag probeert Den Hertog op lovenswaardig multidisciplinaire wijze op te lossen door, naast historische bronnen, voorzichtig gebruik te maken van inzichten uit de psychopathologie.

Jeugd
De voornaamste bronnen over de veranderende gedaante die Hitlers antisemitisme door de jaren heen aanneemt zijn Hitlers twee boeken, Mein Kampf en Zweites Buch, de meeste van zijn speeches sinds 1919 (een paar duizend bladzijden), en getuigenissen van intimi, politici en naaste medewerkers. Eigenlijk zijn die bronnen niet toereikend. Over zijn jeugd is niet zoveel bekend. Pas vanaf 1919 neemt het aantal bronnen over hem substantieel toe, maar dan is Hitler al dertig jaar oud -- en een jodenhater. Bovendien was Hitler zeer op zijn hoede. Den Hertog haalt zijn perschef Otto Dietrich aan. Te allen tijde handhaafde Hitler volgens deze "met ijzeren gestrengheid het principe dat niemand van belangrijke zaken meer mag weten dat hij voor zijn werk nodig heeft."

Antisemitische uitingen van vóór 1918 blijken er eigenlijk niet te zijn, wat Mein Kampf als bron voor het ontstaan van Hitlers antisemitisme meteen onbetrouwbaar maakt. Hierin hangt Hitler volgens historica Brigitte Hamann de mythe op van een Germaanse leider die in zijn jeugd zelfstandig de juiste intellectuele weg vindt. Daar klopt niet alleen niets van, in het boek rept Hitler ook met geen woord van de onschuldige contacten die hij had met joden voor de Eerste Wereldoorlog. Die zijn niet gering. De dokter die zijn moeder in haar laatste dagen verzorgde was een jood en werd gewaardeerd door Hitler. Toen Hitler in het Weense Männerheim (een tehuis voor mannen) verbleef -- in de periode 1910-1913, toen een berooide Hitler tweemaal was afgewezen door de kunstacademie -- verkocht hij verschillende van zijn schilderijen aan joden. Bovendien kreeg Hitler in de Eerste Wereldoorlog het ijzeren kruis opgespeld op voorstel van een joodse officier.

Jeugdvrienden zoals August Kubizek kunnen zich sowieso geen persoonlijke afkeer van joden herinneren bij Hitler. Wel groeide Hitler op in een periode waarin het historische Duitse antisemitisme op de achtergrond meetrilde, gevoed door pleitbezorgers als Hermann Gödsche, Joseph Arthur de Gobineau, Eugen Dühring, Theodor Fritsch, Adolf Wahrmund, Houston Stewart Chamberlain en Richard Wagner. Al in de achttiende eeuw was het begrip ‘ras’ onder invloed van de Europese koloniale expansie in zwang geraakt, en ook het sociaal-darwinisme gaf een sterke impuls aan het denken over rassen in biologische zin. Maar onder impuls van de Franse revolutie en de verbreiding van liberale ideeën, was er in de negentiende eeuw een zekere tolerantie ontstaan tegenover joden. Na hun juridische gelijkstelling in 1867 trokken de joden zelfs in groten getale naar de hoofdstad in Wenen -- in vergelijking met steden in Duitsland telde Wenen veel meer joden.

Na de economische crisis van 1873 neemt het antisemitisme in Duitsland toe, met een hoogtepunt in 1893, wanneer een kleine drie procent van de bevolking op antisemitische partijen stemt. Daarna zakt het antisemitisme weer weg. In Oberösterreich, waar Hitler opgroeit, is er veel haat tussen de verschillende nationaliteiten, maar dan vooral tussen Tsjechen en Duitsers. Joden staan daarbuiten. In Linz, verblijfplaats van de Hitlers, wonen er maar enkelen, en die zijn goed aangepast. Neemt niet weg dat Hitler een abstract soort bewondering voelt voor radicale Oostenrijkse nationalisten als Georg Ritter von Schönerer en Karl Lueger.

Wenen
Na het overlijden van zijn moeder in 1907 toog Hitler naar Wenen om kunstschilder te worden, nadat verschillende familieleden hem de raad hadden gegeven eindelijk eens een vak te gaan leren. Maar Hitler wordt afgewezen door de academie en moet in de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog naast zijn wezenuitkering de kost verdienen met allerlei kleine baantjes. Hitler werkte onder meer als ongediplomeerd kunstschilder. Zijn landschapjes leverden weinig op en daarom overnachtte hij dikwijls in een daklozenpension. Rond 1909 begon hij antisemitische pamfletten te lezen. Uit die pamfletten smeedde hij inderdaad een racistische doctrine, maar dit was een langzaam proces, waar hij niet eerder dan vlak voor de Eerste Wereldoorlog mee klaar was.

In de lente van 1913 emigreert Adolf Hitler naar München in het Zuid-Duitse koninkrijk Beieren. Het feit dat Hitler naar München (artistiek centrum) ging en niet naar Berlijn (politiek centrum), wijst volgens een bepaalde interpretatie op zijn niet-politieke, artistieke gerichtheid in die periode. In München ontsnapte Hitler hoe dan ook aan de militaire dienst in Oostenrijk -- het conglomeraat van volkeren dat hij haatte. Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, neemt hij onmiddellijk enthousiast dienst in het Duitse leger. Kennelijk zag hij voor Oostenrijk geen zelfstandige rol meer weggelegd; toen al was in zijn denken aansluiting bij Duitsland een onontkoombaar feit. Tijdens de oorlog maakt hij als Meldegänger (een koerier die de bevelen van de staf naar het front brengt), onder meer in Vlaanderen, een dappere indruk.

Volgens bepaalde historici wordt zijn wereldbeschouwing sterk gevormd door de gruwel die Hitler in de oorlog te zien krijgt. De basis van het menselijk bestaan, concludeert Hitler, is de eeuwige strijd tussen volkeren. Onder de soldaten heerst ook de Volksgemeinschaft, waarin beroep, stand, klasse, opleiding en inkomen geen rol spelen. Later zal hij die in geheel Duitsland tot stand willen brengen.

Naarmate Den Hertogs betoog vordert, blijken, meer dan de Weense periode, de chaotische Münchener jaren na de Eerste Wereldoorlog van beslissende invloed op Hitlers antisemitisme. Door de catastrofe van de oorlog, de nederlaag en de novemberrevolutie van 1918 (Philipp Scheidemann roept de republiek uit, Duitsland is geen keizerrijk meer) wordt het antisemitisme weer hevig aangewakkerd. Tijdens de oorlog waren er vele Ostjuden, die er heel anders uitzagen dan de westerse geassimileerde joden, naar Duitsland gevlucht en dat maakt grote indruk op Hitler.

München
In München maakt Hitler dus de revolutionaire geleide gebeurtenissen mee (1918-1919) waar vele joodse voormannen in meededen. Zeer opmerkelijk: historicus Anton Joachimsthaler wijst erop dat Hitler zich na de oorlog niet aansloot bij rechtsgeoriënteerde en nationalistische ‘Freikorpsen’ maar actief participeerde ten gunste van de socialistische en later communistische regeringsraden in München -- wat hij later natuurlijk zou verzwijgen. Als dit waar is dan lijkt dit te suggereren dat Hitler begin 1919 nog geen rabiate antisemiet was.

Wanneer Müchen echter veroverd wordt door de rijksregeringsgetrouwe witten, komt de macht in handen van de rechtsgeoriënteerde militairen. Hitler maakt een spectaculaire omslag en sluit zich prompt aan bij een rechtse onderzoekscommissie die moet nagaan wie er met de roden gesympathiseerd had. Mogelijk komt Hitlers 'plotse' antisemitische felheid juist voort uit het feit dat hij eerst in de ‘joodse val’ was gelopen. Hitler was diep ontgoocheld over de afloop van de oorlog waarvoor hij de socialisten en communisten schuldig achtte.

De jonge oorlogsveteraan wou ook absoluut bij het leger blijven, uitzicht op een andere maatschappelijke betrekking was er nauwelijks. Daarom bleef hij zich inzetten voor de contrarevolutionaire Reichswehr in Beieren en kwam er in contact met de antisemitische kapitein Karl Mayr. In juni 1919, het moment van Hitlers omslag, volgde hij op instigatie van Mayr een antisemitische redenaarscursus aan de universiteit van München. Eén jaar later (13 augustus 1920) hield Hitler al in het Hofbräuhaus zijn beruchte redevoering ‘Waarom zijn wij antisemieten?’

De rest is (stukken beter gedocumenteerde) geschiedenis. Hitlers ster rijst in de partij DAP, dankzij zijn retorisch talent. In zijn speeches staat hij geen gevoelsmatige jodenhaat voor, maar een antisemitisme van het verstand: Duitsland moet de voorrechten voor joden afschaffen, een striktere vreemdelingenwetgeving invoeren, en ten slotte de joden verwijderen in een gebaar van nationale eenheid. Het Verdrag van Versailles is een joods instrument, de joden zitten achter het grootkapitaal en achter de linkse partijen. Het joodse complot moet stoppen. De invloed op Hitlers gedachtegang van de Protocollen van de wijzen van Sion (1905), die in 1920 in Duitse vertaling verschenen, is overigens niet nauwkeurig te bepalen.

Hitler verhoogt met dit virulente antisemitisme hoe dan ook zijn populariteit met het publiek, maar de partij als militant orgaan wordt er niet sterker door. Dat wordt zij wel door de actieve belangstelling van kapitein Ernst Röhm, officier van de zevende divisie van de Reichswehr in Berlijn, die verantwoordelijk is voor de bewapening van kleine en grote paramilitaire eenheden en een belangrijke contactpersoon (geld, auto's, wapens) is met Berlijn voor Hitler en de NSDAP, zoals de DAP sinds februari 1920 heet.

Hitler wint meer en meer macht binnen de NSDAP -- de zogenaamde Führerpartij ontstaat. Hij dreigt met een partijsplitsing als hij voor zichzelf geen dictatoriale bevoegdheden mag opeisen. De partijstatuten worden in die zin gewijzigd. In 1921 worden de turn- en sportafdeling van de NSDAP omgedoopt tot SA. In 1922 sluit de bezeten antisemiet en politicus Julius Streicher zich met zijn gevolg aan bij de NSDAP -- het ledenaantal verdubbelt en de partij domineert nu heel Frankenland en Noord-Beieren. In januari 1923 bezetten Frankrijk en België het Ruhrgebied, omdat Duitsland met herstelbetalingen achterloopt. In de herfst van 1923 stort de Duitse mark in: geestelijke ontreddering en economische malaise zijn het gevolg -- veel mensen sterven aan de hongersnood.

Op 9 november 1923 wordt op aandringen van Hitler een slecht georganiseerde poging gedaan de macht in Beieren te grijpen en daarna de Republiek van Weimar omver te werpen. Deze Bierkellerputsch mislukt; Hitler krijgt vijf jaar celstraf, maar komt al na een jaar vrij uit de gevangenis van Landsberg. In Landsberg schrijft Hitler Mein Kampf. Daaruit blijkt dat zijn zelfbeeld resoluut anders is geworden: hij ziet zichzelf nu als leider, niet als wegbereider. Historicus Eberhard Jäckel heeft er op gewezen dat in Mein Kampf Hitlers wereldbeschouwing een zeer radicale keer heeft genomen: de strijd tegen de joden wordt nu het centrale motief van zijn politieke missie; het jodenprobleem is van betekenis voor de gehele wereld; jodendom en internationalisme zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden; en Hitler radicaliseert de middelen om het jodendom te bestrijden.



Paranoia

Peter den Hertog is niet echt tevreden met deze 'Münchener interpretatie'. Hij stelt zichzelf de essentiële vraag: waarom werd Hitler wél een rabiate jodenhater en anderen, die ook aan dezelfde antisemitische invloeden hebben blootgestaan, juist niet? Wat is dat eigenlijk, invloed?Den Hertog, die naast geschiedenis ook cultuurwetenschappen studeerde, betrekt om uit de impasse te geraken de hedendaagse inzichten over psychopathologie bij zijn onderzoek. Maar niet zonder eerst een paar slordige en gemakzuchtige interpretaties van niet-historici van tafel te vegen.

In de jaren zeventig bloeide de psychohistorie: een geschiedkundige discipline die met behulp van dieptepsychologische benaderingen in historische personages probeert door te dringen. Terwijl psychoanalyse van oorsprong een leer en behandelingsmethode is om patiënten te genezen, wordt ze in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw in handen van Amerikaanse wetenschappers die kritisch geschoold zijn in Marx en Freud, een theoretisch wapen tegen de gevestigde orde. Prominente filosofen en psychologen zoals de neofreudianen Wilhelm Reich, Herbert Marcuse, Jacques Lacan, Erich Fromm en Robert Laing 'ontmaskeren' de verborgen belangen van de machthebbers.

Het lijkt erop dat dit intellectuele klimaat de ontwikkeling van de psychohistorie als aanvulling op en correctie van de traditionele geschiedwetenschappen stimuleerde, zegt Den Hertog. Psychologen en psychiaters -- de meeste geen geschiedkundige van beroep -- gingen fantasieën en metafoorgebruik van historische personages, hun vergissingen, zijdelingse commentaren en grappen betrekken in de analyse. Vaak op een slordige, selectieve manier. Den Hertog toont aan waarom de analyse van bijvoorbeeld Fromm methodisch niet correct is, want een postfactumredenering. Fromm zocht naar aanwijzingen voor een vooropgestelde theorie, en niet andersom.

De aanwijzing voor necrofilie, zoals [Fromm] haar formuleert, zou wel geloofwaardig zijn als hij zowel Hitlers kwaadaardige, incestueuze relatie met zijn moeder als de latere koude relatie onafhankelijk van elkaar had kunnen vaststellen én daarna het verband tussen die twee verschijnselen aannemelijk had gemaakt. Vervolgens had Fromm een verband moeten aantonen tussen enerzijds deze twee verschijnselen en anderzijds Hitlers zucht om te doden.
Vruchtbaarder voor Den Hertog is de vraag of Hitler naar hedendaagse normen leed aan paranoia -- een ziekelijk wantrouwen dat nauwelijks of geen rechtvaardiging vindt in de werkelijkheid. Den Hertog bevraagt de bronnen in dat licht, onder het motto: wanneer bronnen niet de juiste vragen worden gesteld, blijven ze zwijgen. De aanwijzingen blijken behoorlijk overtuigend. Getuigen uit Hitlers directe entourage melden overdreven blijken van wantrouwen. Hitler is zeer bang om vergiftigd te worden en is beducht voor manipulatie van foto's waarop hij staat afgebeeld. Hitler laat zijn medewerkers zo weinig mogelijk onderling contact hebben. Naarmate de oorlog slechter verloopt voor Duitsland radicaliseert Hitlers wantrouwen ten opzichte van zijn generaals.

Maar ook op grotere schaal, ver voorbij de grenzen van de Realpolitik, wordt zijn denken ingegeven door een onredelijke haat voor joden. Zo dacht Hitler er niet aan om ten koste van zijn moord op de joden middelen vrij te maken voor de oorlog in Rusland, toen aan het oostfront elke arbeider dringend nodig was. En zelfs in de zomer van 1944, toen bleek dat de oorlog niet meer te winnen was, ging het deporteren van joden gewoon door.

Dat betekent niet dat Hitler te allen tijde en in alle omstandigheden ziekelijk paranoïde was. Hitler interpreteerde het gedrag van hem toegewijde mensen correct, ook als zij in zijn ogen faalden. Maar volgens Den Hertog levert dat juist een tragisch evenwicht op.
Hitlers paranoia -- dus de werking van zijn paranoïde persoonlijkheid -- lijkt op het gebied van de sociale omgang pas te beginnen waar door afstand en gebrek aan contact zijn directe emotionele relatie met de hem toegewijde mensen ophoudt. Het belang van deze kwalificatie van Hitlers paranoia ligt in het feit dat als hij meer paranoïde was geweest -- en hij dus ook zijn directe getrouwen al snel had gewantrouwd -- hij in Duitsland niet met behulp van de hem toegewijde volgelingen een relatief stabiel regime had kunnen opbouwen. Was hij minder paranoïde geweest, dan zou hij naar alle waarschijnlijk niet het beleid hebben gevoerd dat hij heeft gevoerd, in het bijzonder jegens de joden. Anders gezegd: Hitler had precies die graad van paranoia waardoor hij de zo extreem fatale rol kon spelen in de geschiedenis.
Schutkleur
Hitler was dus een paranoïcus, maar werd niet zo sterk door paranoia gedicteerd dat hij niet anders kon dan genocide op de joden te plegen. Dat wordt bewezen door de graduele opgang van de ernst van Hitlers maatregelen tegen de joden. In het begin van de jaren twintig spreekt Hitler telkens van de verwijdering van de joden. Toen Hitler eenmaal aan de macht was, werden joden ‘gestimuleerd’ te emigreren. Na de Anschluss in 1938 werden ze massaal uitgewezen. In 1941 trachtte hij ze als onderpand te gebruiken om Engeland en de VS te chanteren. Dit alles betekent dat Hitler tegenover de joden keuzevrijheid had, zeker niet samenviel met zijn paranoia, en dus een verpletterende verantwoordelijkheid draagt voor zijn daden.

Als negatieve stimulansen voor paranoia noemt Den Hertog het groeiende aantal frustraties. Het opgroeien onder harde en bedreigende omstandigheden. Zijn tirannieke vader. De mislukking op de Realschule. Het overlijden van zijn moeder wanneer hij achttien is. Twee afwijzingen door de kunstacademie. Bittere armoede in de Weense jaren. Vier jaar stress tijdens de Eerste Wereldoorlog. De onoverzichtelijke constellatie na de oorlog. Het grote niets dat dreigde toen zijn ontslag uit het leger nakende was. Als resultante van dit alles ervoer hij de samenzweerderige informatie over de joden tijdens de redenaarscursus in München ten slotte als juist.

Waarom Hitlers antisemitisme met een conventioneel karakter (in 1929-1920) in 1924 zo extreem was geworden, probeert Den Hertog te verklaren aan de hand van Hitlers (door enkele getuigen gerapporteerde) alles-of-niets-mentaliteit -- de attitude van een gokker: altijd tot het uiterste willen gaan. Aannemelijk is dat zijn soldatenervaringen zijn neigingen hadden gevoed om extreme oplossingen te zoeken: een vijand maken en dan doden, met strategische minachting voor individuele Duitse burgers. Voorts zal het effect van het publiek een rol gespeeld hebben: Beieren en München vormden het meest antisemitische deel van heel Duitsland. Hitler kreeg applaus, feedback. Hij ontdekte daardoor dat hij misschien radicaler was dan gedacht.

Rest er nog één kwestie: de vraag waarom Hitler juist een paranoïde antisemiet werd, en geen paranoïde antikapitalist of antiklerikaal. Het antwoord moet gezocht worden in wat Den Hertog noemt "Hitlers emotionele kompas": zijn wensen en angsten en identificatie.
Rond het einde van de Eerste Wereldoorlog waren het met name de joden die door völkische Duitsers in Beieren werden ‘ontdekt’ als degenen die ondermijnden wat Hitler het hartstochtelijkst nastreefde, namelijk de overwinning van Duitsland en een sterke Duitse staat. Het antisemitisme was op dat moment voor Hitler de kracht die het best aansloot op zijn eigen wensen en paranoïde angsten. Tien jaar eerder had hij in Wenen al een grondige antisemitische leerschool doorlopen, en de antisemitische verkondigingen van na de oorlog activeerden en bevestigden nog eens wat hij in Wenen had geleerd. Het antisemitisme waarin Hitlers paranoia zich manifesteerde, was dus allesbehalve willekeurig.
De reden waarom deze paranoia-theorie nooit eerder werd onderzocht is dat Hitlers paranoia mooi beschut bleef. Aan directe vernederingen van joden is Hitler nooit onderworpen. De cultuur waarin Hitler leefde gedroeg zich bovendien als een schutkleur voor zijn paranoia. Juist doordat er een kern van waarheid zit in zijn interpretaties en beweringen, deze voor een deel werden ondersteund door aanwezige tradities in zijn cultuur en hij niet overduidelijk wanen had -- afgezien van zijn paranoïde trekken is zijn persoonlijkheid intact -- wordt een politicus als Hitler niet herkend als psychiatrisch gestoord.

Hitlers schutkleur is een prima werkstuk, dat de Tweede Wereldoorlog benadert op een mij welgevallige, niet al te technische manier. Tegelijk laat het een wrange nasmaak in de mond. Het zoeken en vinden van verklaringen suggereert aanvankelijk dat iets kan voorkomen worden door de oorzaken weg te nemen die in het verdere onderzoek aan het licht komen. Maar het geval van Hitler bewijst nu juist dat er een veelvoud aan parameters werkzaam waren, en, in retrospect, allemaal op het juiste moment. Een van de belangrijkste parameters is domweg: aanleg. Toevallige aanleg voor paranoia.

Die uitkomst liet zich eigenlijk al raden. Valt ooit te verklaren waarom Federer zo'n briljant tennisser is geworden -- uit de beschrijving van zijn jeugd, zijn oefenomgeving, de trainers waarmee-ie gewerkt heeft? Zeer gedeeltelijk, lijkt me. Het solide fundament blijft talent.

[afbeelding: Hitler spreekt in München op de verjaardag van de Bierkellerputsch, 1941]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

Peter den Hertog, Hitlers schutkleur : de oorsprong van zijn antisemitisme
264 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2005

____

1 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Abnormal psychology : current perspectives – Lauren B. Alloy e.a.
Moderne geschiedenis van Duitsland 1800-1900 – Frits Boterman
Hitler : a study in tyranny – Alan Bullock
Evolutionary explanations of human behaviour – John H. Cartwright
The pursuit of the millennium : revolutionary millennarians and mystical anarchists in the middle ages – Norman Cohn
Cosmos, chaos and the world to come : the ancient roots of apocalyptic faith – Norman Cohn
The idea of history – R.G. Collingwood
Foundations of psychohistory – Lloyd DeMause
Pioneers of psychology – Raymond Fancher
The anatomy of human destructiveness – Erich Fromm
Sigmund Freud : zijn leven en werk – Peter Gay
Psychology – Henry Gleitman
Tagebücher – Joseph Goebbels
Anmerkungen zu Hitler – Sebastian Haffner
Germany : Jekyll & Hyde – Sebastian Haffner
Hitlers Wien – Brigitte Hamann
Der Führer – Konrad Heiden
Early anthropology in the sixteenth and seventeenth centuries – M.T. Hodgen
Hitler’s personal security – Peter Hoffmann
Die geheime Tagebücher des Dr. Morell, Leibarzt Adolf Hitlers – David Irving
Hitlers Weltanschauung – Eberhard Jäckel
Tot het laatste uur : het intrigerende levensverhaal van Hitlers secretaresse – Traudl Junge
Hitler 1889-1936 : Hoogmoed – Ian Kershaw
Hitler 1936-1945 : Vergelding – Ian Kershaw
Hitler: een balans – Guido Knopp
Adolf Hitler : mein Jugendfreund – August Kubizek
Hitlers München – David Clay Large
The psychohistorian’s handbook – Henry Lawton
The myth of the repressed memory – Elisabeth Loftus
Hitler en de geschiedenis – John Lukacs
Hitlers intieme kring – Lothar Machtan
Memoiren – Leni Riefenstahl
Explaining Hitler : the search for the origins of his evil – Ron Rosenbaum
Abrechnung mit Hitler – Hjalmar Schacht
Ich glaubte an Hitler – Baldur von Schirach
Spandauer Tagebücher – Albert Speer
Der Mann der Feldherr werden wollte – Fritz Wiedemann

Related Posts with Thumbnails