vrijdag 28 augustus 2009

De weg - Cormac McCarthy

Een man en zijn zoontje trekken door een onverzoenlijk landschap. De wereld is getroffen door een niet nader genoemde ramp die bijna de gehele bevolking heeft uitgeroeid. De lucht, de regen en de sneeuw bevatten asdeeltjes die het landschap bevuilen. Vader en zoon trekken naar het zuiden, op zoek naar een oord om de winter door te komen. In de kar die ze voor zich uitduwen zit het enige wat hun nog rest: slaapgoed, wat voedsel, speelgoed, een verrekijker en een revolver.

In de revolver zitten maar een paar kogels. Daarmee moet de man het stellen om zich te verweren tegen de andere overlevenden van de ramp, die ook op zoek zijn naar voedsel -- desnoods mensenvlees. Lukt dat niet, dan zijn de kogels het laatste redmiddel om het heft in eigen handen te nemen.

Buiten dwalen "goeden" en "slechten" rond, maar die zijn niet makkelijk herkenbaar vanop een afstand. Paranoïa is een voorwaarde om te overleven. De man kijkt voortdurend in een spiegel om alles achter zich in de gaten te houden en probeert in zijn hazeslaapjes van gevaar te dromen ("alle andere dromen waren de lokroep van de apathie, van de dood").

Bijna tweehonderd bladzijden lang zal De weg uit weinig meer bestaan dan de dooltocht van twee strandjutters na de apocalyps. Het desolate heeft duur en herhaling nodig om indruk te maken, en Cormac McCarthy is blijkbaar bereid het hele boek aan die monotonie op te offeren. Met sobere precisie blijft hij de hellingen, vlaktes, kloven en verlaten woonkernen beschrijven die het tweetal op hun pad vindt. Een landschap dat doet denken aan Polidori's foto's van Pripyat. De adjectieven heten: verwilderd, uitgedroogd, geërodeerd, verkoold, doorweekt.

De volgende dag waren ze tegen het vallen van de avond bij de stad aangekomen. Lange betonnen lussen van verkeerspleinen als de ruïnes van een gigantisch lunapark tegen het grauw in de verte. Hij droeg de revolver voor in zijn riem en had de rits van zijn parka opengelaten. Overal de gemummificeerde doden. Het vlees langs de beenderen gespleten, De gewrichtsbanden verhard tot strengen en strak als snaren. Verschrompeld en verdroogd als veenbewoners der laatste dagen die gezichten van uitgekookt linnengoed, de vergeelde tanden als paaltjes in een hek. Ze waren stuk voor stuk barrevoets, als pelgrims van een of andere orde, want al hun schoenen waren lang geleden al gestolen.
Instinct en praktische zin moeten het verzwakte duo op de been houden. Om in leven te blijven, doorzoeken vader en zoon verlaten panden op mondvoorraad ("ze drentelden door de kamers als sceptische aspirant-kopers"). In het reikhalzend uitkijken en stilzwijgend hergebruiken van achtergelaten voorwerpen doet De weg denken aan Robinson Crusoe. Een schip dat hen komt redden is er echter niet. Integendeel: McCarthy wijdt enkele mooie bladzijden aan een half gekapseisde tanker op een strandvlakte.

Het enige menselijke sentiment dat nog in de man huist is de onvoorwaardelijke, door de uitputting bijna woordeloos geworden liefde voor zijn zoontje. Als de vader het niet redt, dan toch dat hummeltje. "Hij wist slechts dat het kind zijn opdracht was. Hij zei: Als hij niet het woord Gods is heeft God nooit gesproken." De dialogen die McCarthy tussen de twee bedenkt, zijn vaak van een pretentieuze eenvoud. Maar soms zijn ze perfect.
Hij opende de doos en draaide hem naar de jongen toe.
Het is een pistool.
Een seinpistool. Daarmee schiet je een ding in de lucht dat heel veel licht geeft.
Mag ik hem eens bekijken?
Ja hoor.
De jongen pakte het pistool uit de doos en hield het vast. Kun je er ook mee op een mens schieten? vroeg hij.
Ja, ook wel.
Gaat hij dan dood?
Nee. Maar hij vliegt misschien wel in brand.
Heb je hem daarom meegenomen?
Ja.
Want er is niemand om naar te seinen. Of wel?
Nee.
Ik zou het weleens willen zien.

[...]

Hij zou niet ver te zien zijn, hé, papa?
Voor wie?
Iemand anders.
Nee. Zeker niet.
Als je iemand zou willen laten zien waar je zat.
Zoals de goede mensen, bedoel je?
Ja. Of iemand anders die je wil laten weten waar je zit.
Zoals wie?
Weet ik niet.
God?
Ja. Zo iemand misschien.
Dit is de eerste McCarthy die ik las. Bij gebrek aan andere coördinaten kan ik nog niet nauwkeurig bepalen wat hij met deze tekst van plan was. Hoewel. Het verhaal van De weg is even eenvoudig als de slotsom -- McCarthy heeft gezorgd voor een mooie, maar moraliserende finale. Of is er meer?

Op een handvol geslaagde scènes na (de zelfmoord van de moeder, p. 37-39) en hier en daar een stemmige alinea deed het boek me dan ook weinig. Eigenlijk vond ik De weg kampen met een gebrek aan ambitie. Maar omdat McCarthy alom gerespecteerd wordt, en omdat wie ergens niet van houdt blind is voor de nuances daarvan, zeg ik dat maar niet luidop. Deze schrijver heeft duidelijk een eigen stemgeluid, en dat mocht vandaag volstaan.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Cormac McCarthy, De weg
176 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2007
Oorspr. The road (2006)

____

1 reactie(s):

Anoniem zei

MCcarthy, in de De Weg, ten voeten uit, in debeschrijving van al wat er niet toe doet en weer weglaten, zo veel mogelijk weglaten, totdat je denkt " Er staat nog te veel ", dan heeft McCarthy je waar-ie je hebben wil. Je geeft toe, Het is gewoon hopeloos... of toch niet. Heb al vele boeken van McCarthy gelezen, hij wordt steeds puurder, laat het je als lezer het verhaal afmaken.Knap, zeer knap. Niks voor luie lezers. Dat wel :)

Related Posts with Thumbnails