maandag 27 juli 2009

Het wordt nooit meer als vroeger - Marc Hooghe

De Vlaamse politicoloog en socioloog Marc Hooghe (KULeuven) bekeek waarin het België van kort na de Tweede Wereldoorlog verschilde met het België van een halve eeuw later. In Het wordt nooit meer als vroeger maakt hij de balans op. Hij doet dat vanuit ruim sociologisch oogpunt; het zijn niet de spectaculaire feitelijkheden die hem interesseren, maar de tendenzen. En wat blijkt? Vroeger was niet noodzakelijk beter of slechter. Vroeger was vooral ánders.

Voor wie met een idyllisch beeld van het verleden zit, haalt Marc Hooghe de Nederlandse historicus Jacob Presser aan: "De beste genezing voor een sentimentele liefde is nog altoos de kennis van dat verleden." Hij memoreert dat de levensomstandigheden van vorige generaties altijd onzeker waren: de mensen waren overgeleverd aan natuurrampen, epidemieën en hongersnoden. Ook wat Hooghe ziet als het belangrijkste kenmerk van de oude samenleving die achter ons ligt, de geslotenheid, de dorpsmentaliteit, moet niet zomaar als iets positiefs worden gezien.

We hebben het over het algemeen genomen veel beter dan vroeger, blijkt uit dit boekje. Tegelijk wil Hooghe ageren tegen de westerse zelfgenoegzaamheid en wat hij noemt "het sprookje van de voltooide samenleving". Met politieke tirannie hebben we allang niet meer te maken, alleen wordt het bevel van vroeger vervangen door een ander dictaat: dat van het consumentisme, dat ons niet meer bestookt met bevelen, maar met verleidelijke prikkels. En vergis u niet: nog altijd wordt een grote massa van arbeiders uitgebuit door een kleine elite van kapitaalbezitters.

Het verschil is echter dat heel het Belgische volk nu tot die kleine elite behoort; de dompelaars wonen in de derde wereld.
Dit soort pittige zinnetjes miste ik elders een beetje in Het wordt niet meer als vroeger. Het is een onpersoonlijk en monotoon werkje, geschreven op de toon van iemand die alle conclusies voor zichzelf op een rijtje zet.

Maar de grootste teleurstelling bestond er voor mij in dat Hooghe België te weinig afzet tegen andere Europese landen. Nergens wordt duidelijk wat typisch Belgisch zou kunnen zijn aan sommige ontwikkelingen. Het boekje leest niet als een exclusief portret van mijn vaderland, wat in de ondertitel toch wordt beloofd. De meeste conclusies van Het wordt nooit meer als vroeger lijken toepasbaar op elk West-Europees land. Of misschien is dat een veelbetekenende conclusie op zich.

Op één punt is het boekje volkomen gedateerd: internet was in 1995 nog een zeer marginaal medium, waar niemand conclusies aan vastknoopte.

Hieronder een samenvatting van de zeven ontwikkelingen die Hooghe ziet sinds 1945. Mijn samenvatting, bedoeld voor eigen gebruik, is een opeenstapeling van (voor het merendeel) letterlijke zinnetjes uit het boek.

Er zijn geen afstanden meer
De wereld is een stuk kleiner geworden door transportmiddelen en telecommunicatie. We hebben ons ontworsteld aan natuurlijke beperkingen: dat was een emancipatieproces maar bracht ook een gevoel van ontworteling met zich mee. De invoering van het betaald verlof in 1936 (6 hele dagen per jaar!) bracht een eerste bescheiden reisgolf met zich mee. Explosie van de mobiliteit na WOII. Metrotunnels in de jaren zeventig: men wou de trams weg, zodat het autoverkeer vrij baan kreeg. Vanaf jaren zeventig kentering in het geloof in de automobiel: veiligheidsbeperkingen, waaronder een strenger rijbewijs. Vanaf de jaren tachtig begint men hier en daar de auto terug te dringen. Wie werkt kan nu door de auto nu ook in uithoeken van het land wonen: uren tijdverlies in de files. CIAM-ideologie: de verstrengeling van functies (winkels, bedrijven, woning) wordt uiteengerukt: de industrie wordt verbannen naar industriezones, de mensen trekken naar voorsteden, winkels bezetten reusachtige oppervlakten nabij de ringwegen. De auto wordt een onmiskenbaar instrument om die afstanden te overbruggen. Dat leidt tot een geheel van dode, monofunctionele zones, waaruit elk leven verdwenen is. Binnen een gesloten gemeenschap vroeger hanteerde men vooral een ‘toegeschreven status’: mensen hadden al een idee over je klaar, omdat ze wisten uit welke familie je kwam. Nu, door het opengooien van de dorpen, wordt de ‘verworven status’ belangrijker: beroep, grootte van je villa, type wagen. Een oudere vorm van uitsluiting, gebaseerd op traditie, maakt plaats voor een nieuwe vorm, gebaseerd op materiële consumptie. Identiteit moet zichtbaar gemaakt worden. Mondialisering van de economie, maar in werkelijkheid beperkt die zich tot drie eilanden: West-Europa, de VS en de nieuwe industriële landen in Azië. De nationale overheid kan nauwelijks nog een economisch beleid voeren.

We zijn lawaaieriger geworden
Een van de minst opgemerkte sociale veranderingen van de afgelopen decennia is wel het verdwijnen van de stilte uit onze samenleving. Industriezones, autowegen, vliegvelden en spoorwegen. Overal storende invloed van de verlichting van de wegen, industriecentra en grote agglomeraties. Opkomst van de massamedia. Elektronisch versterkte klank was kort na de oorlog nog een zeldzaamheid; niet iedereen had een radio en het vermogen van platenspelers was beperkt. Bijna elk geluid dat de mensen toen hoorden, kwam rechtstreeks van de geluidsproducent zelf. Nu is dat volledig omgedraaid: tv’s, video’s, omroepsystemen, muzak, discotheken, gettoblasters, mobilofoons, synthesizers. Verhouding tussen media en politiek: het is niet zo dat de politiek op onafhankelijke wijze functioneert en dat de media moeite moeten doen daarover te rapporteren. Het is veeleer zo dat de politici voortdurend de pers opvrijen. Positieve evolutie: vroeger waren de kranten onverholen verzuild en subjectief. Politici mogen niet alleen steeds minder zeggen van de media (soundbites), ook de onderwerpen waarover ze iets mogen zeggen, zijn geëvolueerd. Aanbod van de massamedia in de laatste decennia geëxplodeerd. Dat betekent niet noodzakelijk een ruimere keus in het aanbod. De commerciële media draaien niet rond cultuur, maar zijn vooral een grootschalige mensenhandel. Global village zeer beperkt: Latijns-Amerika, Afrika, Oceanië, en flinke stukken van Azië halen zelden of nooit de internationale headlines. De grote internationale persagentschappen bevinden zich alleen in de ‘beschaafde’ steden. Massamedia beperken zich tot feitjes, die als los zand aan elkaar hangen. Paradoxale van de global village: de wereld is kleiner geworden, maar de toeschouwers luier, en minder betrokken. De term massacommunicatie is eigenlijk foutief, want meestal eenrichtingsverkeer. Terwijl ‘homosociale arrangementen’ meer en meer verdwijnen, hebben vrouwen en mannen nog niet echt geleerd met elkaar te praten.

We zijn sceptischer geworden
Vroeger: verzuiling, netwerken. De katholieke identiteit bleef bewaard door de gelovigen te isoleren van de corrumperende invloed van de boze buitenwereld. De verzuilde instellingen bestaan nog altijd en zijn nog even machtig als vroeger, maar hun fundamentele bestaansreden is wel verdwenen. Velen hebben op het pluralisme gereageerd met relativisme. Zee van feitjes, zonder maatstaf. Op beperkte deelgebieden van de maatschappij heeft de rationaliteit terrein geworden, maar dat betekent niet dat de maatschappij als geheel rationeler is geworden. Rawls: De notie ‘rechtvaardigheid’ slaat alleen op de spelregels van het maatschappelijk verkeer: mensen moet gelijke kansen krijgen, mogen niet gediscrimineerd worden en moeten genieten van de fundamentele rechten en vrijheden. Als die voorwaarden vervuld zijn, is een maatschappij ‘rechtvaardig’, maar daarom is ze nog lang niet ‘goed’. Alisdair MacIntyre: krachtige kritiek op het postmodernisme. Weber: als we de rationeel-wetenschappelijke methode ook willen gebruiken voor onze levensbeschouwelijke keuzes, blijft er alleen morele leegte over; de wereld heeft dan alle betovering verloren en de mens wordt een wandelende automaat. Identiteit is minder onherroepelijk. Engagement wordt beperkt in de tijd: mensen geloven nog vurig in hun zaak, maar ze zijn niet langer bereid er hun hele leven aan op te offeren. Een goede kiescampagne en de persoonlijkheid van de kandidaten worden steeds belangrijker in de politiek. Rorty: je kan relativeren zonder sceptisch te worden en ironie betekent niet noodzakelijk dat het geloof in solidariteit uitgehold wordt, ethische waarden zijn niet onomstotelijk maar wel waardevol. Zygmunt Bauman: het consumentisme is uitgegroeid tot een moderne religie. John Clammer: "Shopping is not merely the acquisition of things: it is the buying of identity." Commerciële jeugdcultuur.



We hebben ons ontdaan van tradities
Alle culturen, behalve de onze, hechten veel belang aan traditie. Deskundigen houden zich enkel met hun eigen vakje bezig. De traditie verdwijnt ook omdat de objectieve omstandigheden waarin ze wortelde (armoede en de daaruit voortspruitende solidariteit) niet meer bestaan. We zijn zo rijk geworden, dat we niets of niemand meer nodig hebben. De drie grote systemen die volgens Habermas de wereld beheersen: godsdienst, staat en kapitaal. Ook onze meest intieme arrangementen zijn onderworpen aan die logica van staat en kapitaal. Voorbeeld: vroeger werd de zorg voor de ouderen uitgeoefend door leden van de familie, nu hebben we bejaardeninstellingen, ziekenhuizen, dokters en ziekefondsen. Nog een voorbeeld: wie zich overwerkt voelt, gaat niet minder werken, maar koopt een vakantie of een pijnstiller. Veel tradities konden vroeger bestaan door de beschikbaarheid van onbetaalde arbeid door huisvrouwen. Ook in 1966 gebruikte 80 procent van de seksueel actieve bevolking al anticonceptie. Door het onderzoek van mensen als Kinsey, Masters en Johnson is duidelijk geworden dat de vroegere vooroordelen over homoseksualiteit niet houdbaar zijn. De democratie (Verlichting) is beperkt gebleven tot de politieke sfeer, niet tot de economische sfeer. Anoniem grootkapitaal hoeft nauwelijks nog aan iemand verantwoording af te leggen. Het politieke establishment houdt slechts in zeer beperkte mate met de verzuchtingen van nieuwe sociale bewegingen (vredesbeweging, derdewereldbeweging, vrouwenbeweging, milieubeweging).

We zijn rijker geworden
Een economische crisis betekent dat de economie niet zo sterk groeit als men zou willen. We hoeven steeds minder uit te geven voor onze basisbehoeften. De personenwagen is de grootste slokop van het gezinsbudget. De uitgaven voor buitenlandse vakanties zijn verzevenvoudigd. De meerderheid van de bevolking woont in een eigen huis, wat kort na de oorlog, voor het in werking treden van de wet-De Taeye, nog een uitzondering was. Door de betere voeding en de betere levensomstandigheden leven we langer. De betere voeding heeft ook als resultaat dat meisjes steeds vroeger menstrueren. We verdienen meer geld, en op een andere manier: niet meer in de landbouw of de industrie, maar in de tertiare sector -- de handel en de diensten. Al dan niet tot de arbeidersklasse behoren heeft nog weinig met inkomen te maken. De vroegere scheidslijnen (arbeid vs. kapitaal) zijn blijven bestaan maar de werkende bevolking maakt er zich minder druk om. De economie heeft geen producenten meer nodig, maar consumenten. Zoals de Franse socioloog Alain Touraine het uitdrukt: "De manipulatie van de consument is tegenwoordig even noodzakelijk als destijds de onderdrukking van de arbeider." De instellingen die nog altijd zweren bij het bevel (ambtenarij, onderwijs) verkeren meestal in moeilijkheden. De welvaart die we kennen is historisch ongeëvenaard. Nooit heeft zo’n grote groep mensen het zo lange tijd zo goed gehad. De Tweede Wereldoorlog fungeert hier duidelijk als breuklijn.

We zijn beter opgeleid
Kort na de oorlog had driekwart van de bevolking niet veel meer dan lager onderwijs genoten. Nu is dat nog maar ruim een derde. Bijna overal zie je dat meer scholing samengaat met een verminderend belang van de godsdienst. Meer scholing leidt tot een sterke betrokkenheid bij het politiek gebeuren, tot meer aandacht voor de media, en tot een grotere mobiliteit. Nog nooit werd de Belgische bevolking zo goed opgeleid. Evolutie van elite-onderwijs naar massa-onderwijs. Het politiek bedrijf moet zich veel sterker dan vroeger legitimeren bij de bevolking. De elite is groter geworden, maar daardoor ontstaat een nieuw soort duale samenleving: als slechts een relatief klein percentage het zonder middelbaar diploma moet rooien, komen zij nooit meer aan de bak. Onderwijs is niet bij machte een volledige democratisering van de maatschappij door te voeren: voor een flink stuk bestendigt het de bestaande ongelijkheden. Het onderwijs is er mee verantwoordelijk voor dat kinderen uit een kansarm gezien later opnieuw in de kansarmoede terechtkomen. Academisch proletariaat: een groep met een groot ‘cultureel kapitaal’, maar laag ‘economisch kapitaal’. De intellectuele elite maakt niet langer automatisch deel uit van de maatschappelijke elite. Ook vroeger was er het aanbod aan ontspanningscultuur, die met het onderwijs om de aandacht van de kinderen wedijverde. Maar het duidelijke concurrentievoordeel -- de school was belangrijk -- is weggevallen. Duik van de leerkracht van de maatschappelijke ladder. Het onderwijs is herleid tot het bijbrengen van vaardigheden die van pas komen bij de latere beroepsloopbaan.

We gaan niet meer naar de kerk
Kort na de Tweede Wereldoorlog ging nog 70 procent van de Vlamingen wekelijks ter kerke. De teloorgang van de kerk heeft echter niet geleid tot een evenredige groei van de vrijzinnigheid; het aandeel van de vrijzinnigheid blijft beperkt tot 10 procent. De meerderheid van de bevolking blijft zich ‘christelijk’ noemen. Het overgrote deel van de mensen die kerks zijn, blijft ook kerks. Maar de nieuwe generaties komen totaal niet meer in de kerk opdagen. Wel behoorlijke cijfers bij de rites de passages: doop, huwelijk, katholieke begrafenis. De kerkelijke rituelen zijn al eeuwenoud, waardoor ze vanzelf een zekere sacraliteit krijgen. Bovendien is het aanbod van alternatieve rituelen aan de magere kant. Het centraal ontmoetingspunt is slechts gedeeltelijk overgenomen door het café, het terras en de supermarkt. De encycliek Humanae Vitae (Paulus VI) betekende in 1968 voor veel gelovigen de breuk met Rome (abortus, anticonceptie). Secularisering binnen de kerk: nuchterder en wetenschappelijker geloofsinhoud. Het katholieke karakter van universiteiten van ondergeschikt belang. De encycliek Veritatis Splendor (Johannes Paulus II, 1993) stipuleert dat de waarheid bestaat, en dat de moraal absoluut is. Breuklijn gelovigen versus vrijzinnigen verliest aan belang; vooral de christen-democraten hebben hieronder te lijden. De liberalisering van abortus was allicht het laatste grote politieke conflict (1971-1990) dat zich op voornoemde breuklijn afspeelde. Ondanks alle ideologische en religieuze verschilen is de gemeenschappelijke consensus over een aantal basiswaarden veel groter dan we denken, stelt John Rawls.

De lectuurlijst hieronder is overigens meer dan behoorlijk.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> uitgebreide bibliografie in de commentaren hieronder

Marc Hooghe, Het wordt nooit meer als vroeger
België een halve eeuw modern 1945-1995
136 p.
Uitgeverij Van Halewyck, 1995

____

1 reactie(s):

Achille van den Branden zei

Gebroken orde - Leo Apostel
Legislators and interpreters – Zygmunt Bauman
Modernity and the holocaust – idem
Intimations of postmodernity – idem
Habits of the heart – Robert Bellah e.a.
Situating the self – Seyla Benhabib
The sacred canopy – Peter Berger
Four essays on liberty – Isaiah Berlin
New philosophy of social science – James Bohman
Terugkeer van de ethiek – Luc Bouckaert (red.)
La distinction – Pierre Bourdieu
Les règles de l’art – idem
Beschaving, economie en kapitalisme (drie delen) – Fernand Braudel
The limits of rationality – Rogers Brubaker
The romantic ethic and the spirit of modern consumerism – Colin Campbell
Gezinsvorming in Vlaanderen – Robert Cliquet e.a.
Time and money : the making of consumer culture – Gary Cross
De la division du travail social – Emile Durkheim
Taking rights seriously – Ronald Dworkin
Een tidj voor waarden en normen – Mark Elchardus
Sociology – Anthony Giddens
The consequences of modernity – idem
Modernity and self-identity – idem
Een ander geluid – Carol Gilligan
Reading ads socially – Robert Goldman
Grenzen aan de concurrentie – Groep van Lissabon
Understanding modern societies – Stuart Hall
Theory, culture & society – Arlie Hochschield
Mass media and social change – Elihu Katz & Tamas Szecskö
De versnelde ommekeer – Jan Kerkhofs
Party systems and voter aligments – Seymour Martin Lipset & Stein Rokkan (ed.)
La condition postmoderne – Jean-François Lyotard
After virtue – Alisdair MacIntyre
Kiesgedrag en partijstrategie – Bart Maddens
One dimensional man – Herbert Marcuse
The return of the political – Chantal Mouffe
Morality and modernity – Ross Poole
A theory of justice – John Rawls
Political liberalism – idem
Solidariteit of objectiviteit – Richard Rorty
Contigentie, ironie en solidariteit – Richard Rorty
Lifestyle shopping – Rob Shields (ed.)
The faces of injustice – Judith Shklar
De mens is de mens een zorg – Abram de Swaan
Kiezen is verliezen – Marc Sweyngedouw e.a. (red.)
Consumption, identity and style – Alan Tomlinson (ed.)
Economy and society – Max Weber
Op zoek naar de arbeidersklasse – Hans de Witte (red.)

Related Posts with Thumbnails