Liefdesbrieven 1920/1929-1932 - Fernando Pessoa en Ofélia Queiroz
Alleen van grote schrijvers wordt de correspondentie gepubliceerd in boekvorm. Maar enkel van de allergrootsten krijgen de liefdesbrieven ook nog eens een aparte uitgave. Pessoa is zo'n schrijver. De bundel Liefdesbrieven 1920/1929-1932 documenteert de enige verhouding die naam waard in het leven van de Portugese dichter -- die met Ofélia Queiroz, een negentienjarig meisje werkzaam op het kantoor waaraan Pessoa als handelscorrespondent verbonden was.
In het autobiografische aanhangsel bij de brieven memoreert Ofélia Queiroz haar eerste kennismaking met Fernando Pessoa. De dichter maakte op haar een verlegen, excentrieke, sfinxachtige indruk. "Hij liep alsof zijn voeten de grond niet raakten. En zijn broekspijpen zaten in slobkousen." Maar ze herinnert zich Pessoa ook als een goedgeluimde, speelse man -- iets wat je niet meteen associeert met de lucide ernst in zijn literaire werk.
De bekende foto van Ofélia laat haar zien als een klein vogeltje met kraaloogjes en een grote spuuglok over het voorhoofd. Hoewel niet bepaald knap, was Pessoa erg ingenomen met haar. Naar Ofélia's eigen zeggen nam Pessoa op een dag plaats op haar stoel en bekende haar zijn liefde middels een citaat uit Hamlet: "O lieve Ofélia! Ik bemeet mijn verzen slecht; ik mis de kunst om mijn zuchten te meten; maar ik hou extreem veel van je. Extremer kan niet, geloof mij!" Voor ze het pand kon verlaten pakte Pessoa het meisje beet bij haar middel en kuste haar, "als waanzinnig".
Het voorval luidde, naast een liefdesaffaire, ook een intensieve briefwisseling in. Een vroegrijpe verhouding als deze bleef immers best verborgen voor de buitenwereld in het katholieke, geborneerde Lissabon (lees over de amoureuze zeden in Portugal Neef Bazilio van Eça de Queiroz) en kreeg daarom in grote mate zijn beslag op papier. Pessoa nam sowieso al grote discretie in acht waar het zijn privé-leven betrof.
Een keuze uit (Pessoa's deel van) de correspondentie verscheen eerder, in het -- matige -- Privé-domein Mijn droom is van mij. In dat boek heeft Harrie Lemmens het niet over zijn selectiecriteria, al laat het zich aanzien dat hij vooral de brieven heeft opgenomen waarin Pessoa zich programmatisch uitlaat over zijn verhouding. In Liefdesbrieven 1920/1929-1932 (dat deel uitmaakt van het verzameld werk, waarbij De Arbeiderspers contractueel verplicht is alles in aparte, prijzige deeltjes uit te brengen), krijgt de lezer álle brieven geserveerd.
Wie Pessoa verder niet kent heeft aan dit boek een aardige briefroman, inclusief stampvoetende bekentenissen, larmoyante eisen en passionele smeekbedes. Aan de authenticiteit van de brieven moet eigenlijk niet getwijfeld worden: ze getuigen van het fysiek ongemak van de liefde, er wordt druk teruggeblikt op eerdere ontmoetingen, reikhalzend uitgekeken naar nieuwe, en de geste van het schrijven is veel belangrijker dan het mot juste.
Maar wie dus vertrouwd is met de grote werken van Pessoa, schrikt ervan hoe één van Europa's schranderste geesten kinds wordt gemaakt door de hartstocht. De literator schaamt zich niet om mallepraat uit te wisselen met zijn geliefde. Ofélia noemt Fernando meu preto of meu pretinho (mijn neger, mijn zwartje, nu nog altijd een koosnaam in Brazilië); Fernando spreekt Ofélia aan als zijn babytje.
Vreselijke Baby,Met deze brief van 9 november 1929 zitten we nochtans al in het tweede, bedaagdere stadium van hun briefwisseling. Het eerste jaar van hun corresponderen, 1920, waarin Pessoa nauwelijks brieven richtte aan iemand anders, zou op niets uitlopen: Ofélia bleef verbeten haar trouwplannen projecteren op Pessoa, lijkt hem zelfs even te overhalen om haar te huwen, waarna de dichter zich ingesloten voelt en kiest voor de schrijverij. Daarmee stapt Pessoa in een lange traditie van auteurs (zoals Rilke en Kafka) die voor een soortgelijke tweestrijd stonden, leven versus werk, en dezelfde keuze maakten. Pessoa op 29 november 1920:
Ik hou van je brieven, die heel lief zijn, en ik hou ook van jou, want jij bent ook lief; en je bent een bonbon, en een wesp, en honing, die van de bijen is en niet van de wespen, en alles klopt, en je moet mij altijd schrijven, zelfs als ik niet schrijf, wat ik altijd doe, en ik ben bedroefd, en ik ben gek, en niemand houdt van mij, en waarom zou ook iemand, precies ja, en dan begint alles weer van voren af aan, en ik denk dat ik je vandaag nog bel, en ik heb zin om je een kus op de mond te geven, heel precies en gulzig, en je mond op te eten en de zoentjes te eten die je daar verborgen zou hebben en mijn hoofd op je schouder te leggen en zachtjes teder omlaag te laten glijden, en dan pardon zeggen, maar alleen voor de show, en dat vaak overnieuw en dan punt uit tot alles opnieuw begint, en waarom houdt Ofelinha van een galgenbrok en een dikzak en een lomperik en een kerel die neusgaten heeft als een gasmeter en er over het geheel uitziet alsof hij niet hier is maar in de gootsteen van het huis hiernaast, en exact, en afijn, en ik houd ermee op want ik ben gek, dat ben ik altijd geweest, is aangeboren, hetgeen is alsof ik zeg sinds ik geboren ben, en ik zou willen dat Baby een pop van mij was, dan deed ik als een kind, ik zou haar uitkleden, en hier houdt het papier op, en dit lijkt onmogelijk te zijn geschreven door een menselijk wezen, maar het is geschreven door mij,
Fernando.
De Tijd, die gezichten en haren laat verouderen, laat ook, alleen nog sneller, felle gevoelens verouderen. De meeste mensen hebben dat, omdat ze dom zijn, niet door en denken dat ze beminnen omdat ze de gewoonte hebben zich ontwikkeld te voelen dat ze beminnen. Als het niet zo was, waren er geen gelukkige mensen op de wereld. Superieure wezens echter hebben de mogelijkheid van die illusie niet, want zij weten dat de liefde niet eeuwig duurt en ze houden zichzelf, als de liefde eindigt, ook niet voor de gek door haar te verwarren met de waardering of dankbaarheid die ze heeft achtergelaten.Het komt tot een lange breuk. Wanneer Ofélia negen (!) jaar later via via een foto in handen krijgt van Pessoa (de beroemde foto in de wijnbar, Pessoa 'en flagrant délitre'), schrijft ze 'm een schoorvoetende brief om de draad terug op te pikken. Maar ook de tweede fase van hun briefwisseling zal verzanden in eenrichtingsverkeer. Pessoa laat steeds minder van zich horen, met als dieptepunt de dag waarop de dichter zijn eigen verjaardagsfeestje rateert en Ofélia in de kou laat staan, getuige de hartverscheurende brief nr. 151.
Mijn mooie Ibis
Het viel me moeilijk géén sympathie te voelen met de goedgelovige, goedhartige Ofélia, die zich niet laat afschrikken door het zelfingekeerde schrijverschap van Pessoa en hem onvermoeibaar de trivialiteiten van haar leven blijft melden, alle kleine dingetjes die ze eigenlijk met hem hoopt te delen. Commentatoren doen doorgaans ook wat dedaigneus over de kwaliteit van Queiroz' brieven, en dat is niet helemaal fair. Er staan een handvol brieven in dit boek die ik prachtig vind, zelfs in de wetenschap dat vele van haar onzuiverheden wellicht zijn weggepoetst in de vertaling. Op 17 december 1929 schrijft ze:
Jammer dat je zo-even niet langer aan de telefoon kon blijven, maar toch was ik blij dat je had gebeld, ik heb in elk geval je stem gehoord en je hebt getoond dat je je baby niet bent vergeten.[‘Ibis’ is de naam van de drukkerij die Pessoa in 1909 had getracht op te zetten. Later placht hij zijn neefjes en achterneefjes te vermaken door op één been te gaan staan en een voor die gelegenheid gemaakt nonsensgedichtje te zeggen.]
Dan zal ik je nu vertellen hoe het gaat met de kleine Ibis, met mijn mooie Nininho die ook mijn ‘kleine lieverdje’ is.
Hij lacht de hele tijd, heel tevreden, hij houdt van me, hij zegt dat hij niet meer terug wil naar waar hij was, hij houdt erg van mijn usjes – ja, ik heb hem al usjes gegeven - , hij gedraagt zich heel keurig, heel verstandig, in één woord: het is een wolk van een Ibis.
Omdat het erg koud is maak ik voor hem een doosje in orde dat ik opvul met watten, waarin hij het lekker warm zal hebben. Ik zou hem het liefst op mijn arm dragen…maar omdat dat niet kan omdat hij nog zo klein is en ook niet als hij gróter is, stop ik hem zo lekker in als ik maar kan.
Ik was ook erg blij met de brief van Nininho, maar alleen omdat het een brief van hém was en niet om de inhoud. Je spreekt over je gezicht altijd met een minachting waar ik niet van houd. Je hebt een gezicht dat ik erg mooi vind, waar ik veel van houd en waarvan ik niet toesta dat je er iets lelijks van zegt. Trouwens, de gelaatstrekken van mijn Ibis hebben niets dat hij zou kunnen of mogen minachten. Je ogen zijn mooi in hun kleur en hun uitdrukking, uitdrukkingen moet ik zeggen, want ze hebben er vele en allemaal boeiend, maar die waar ik het meest van hou is die van de tederheid die uit je ogen spreekt en daarom kan ik niet lang achter elkaar naar je kijken, je hele gezicht heeft iets van zo’n tederheid dat het me ontroert, en dan zou ik me tegen je gezicht willen aandrukken en er een heleboel kussen op geven, en omdat dat niet kan lijkt het of ik door te lachen mijn zenuwachtigheid verdrijf, nou ja lieveling, ik kan niet goed uitleggen wat het ís. En wat de rest betreft van wat ik van mijn mooie Ibis heb te zeggen: je mond is ook mooi en welgevormd, een beetje klein, met mooi gevormde lippen, en heel schoon, en je hebt een prachtige huid, heel blank en fris, helemaal niet gerimpeld. Dus je ziet, Nininho, dat je geen enkele reden hebt om te spreken van ‘neusgaten als een gasmeter’ en andere loftuitingen van dien aard. Mijn Nininho is van mij, en daarom is zijn gezicht ook het mijne, en als mijn gezicht, wat het is, sta ik niet toe dat je er nog eens lelijke dingen van zegt.
Ik zou er een heleboel usjes op willen geven, maar jammer genoeg kan ik zelfs niet één geven. Eens op een dag, wanneer mijn Ibis helemaal van mij zal zijn, eet ik hem op met kussen. […]
In het clevere, gedetailleerde nawoord zet August Willemsen vele vraagtekens bij de oprechtheid van Pessoa. Hij oppert dat 'de verliefde dichter' mogelijks een zoveelste afsplitsing is; een afsplitsing van Pessoa-zelf. Pessoa's scheppende oeuvre is helemaal opgetrokken uit geëxperimenteer met gevoelens. Waarom dan niet met verliefdheid?
Niet dat de passie geveinsd zou zijn, of onoprecht, maar voor Pessoa was zijn verliefdheid misschien alleen hanteerbaar, als-ie ook dat aspect van zijn leven ging theatraliseren. In die context past het gek doen, het kindje spelen en het spreken bij monde van heteroniemen. Want dat maakt delen van deze correspondentie extra schrijnend: aan de telefoon deed Pessoa zich vaak voor als Alvaro de Campos en ook in de brieven moest Ofélia het spelletje van de heteroniemen meespelen...
Die werkwijze ontsloeg Pessoa van elke vaste persoonlijkheid (lees: verantwoordelijkheid). En als we daarop doordenken is het niet onvoorstelbaar dat Pessoa de enige liefdesgeschiedenis van zijn leven bewust een plaats heeft gegeven in zijn literaire nalatenschap. Hij hád de brieven, die hem tonen op nog geen kwart van zijn literaire vermogens, kunnen vernietigen, maar hij heeft dit niet gedaan. Willemsen formuleert het zo:
Want de persoon die wij als preuts, gereserveerd en terughoudend menen te kennen was slechts de man in de werkelijkheid, in de dagelijkse omgang. Op schrift daarentegen, als dichter, was het deze zelfde man erom te doen zoveel mogelijk getuigenissen, en zoveel mogelijk tegenstrijdige getuigenissen, van zichzelf na te laten. Of anders gezegd: om ervoor te zorgen dat niemand hem kende of zelfs na zijn dood zou kennen, liet Pessoa, in constante vermenigvuldiging van zichzelf, een zo duizelingwekkende hoeveel gegevens, suggesties, aanwijzingen en pseudo-explicaties omtrent zichzelf na dat wij nu door de bomen het bos niet meer zien. In deze strategie paste het nalaten van de liefdesbrieven.Willemsen beschouwt Pessoa's heteronymie als uitvloeisel van de uitvindersmentaliteit, de ludieke ‘wat als?’-houding. De schrijver dicht niet iemand anders, maar zichzelf een gevoel toe, en verbeeldt zich hoe dat gevoel zich zou kunnen ontwikkelen.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
Fernando Pessoa en Ofélia Queiroz, Liefdesbrieven 1920/1929-1932
372 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2005
Oorspr. Cartas de Amor de Fernando Pessoa (1978), Cartas de Amor de Ofélia a Fernando Pessoa (1996) en Correspondència 1905-1922 (1998) en Correspondència 1923-1935 (1999)
Vertaald door August Willemsen
____


Geen opmerkingen:
Een reactie plaatsen