Mijn relatie met het oeuvre van André Gide kende een rampzalige historiek tot hiertoe. La symphonie pastorale was niet meer dan verplichte schoolkost; van De valsemunters begreep ik niets; De nieuwe spijzen vond ik een verschrikking. Maar toen kwam dus de zomer van 2007 en dit Privé-domein. Gide bleek de schrijver van een van de meest verslavende dagboeken uit de wereldliteratuur. En godezijdank is zijn journal ook nog eens een mastodont in het genre. In omvang zelfs te vergelijken met de brieven van Voltaire, of de memoires van Saint-Simon. Ruim zeshonderd pagina's telt de selectie van
Mirjam de Veth, uit de drieduizend vierhonderd van de oorspronkelijke Pléiade-delen. Hier spitst De Veth zich toe op het interbellum; laat ik meteen de wens uitdrukken dat er ooit een vervolg komt, met aantekeningen tot aan de dood van
André Gide in 1951.
Waarom ik dit dagboek zo lezenswaardig noem? Omdat het zo
compleet is. Naar mijn smaak biedt het een perfect evenwicht tussen daad en overpeinzing, engagement en meditatie. Het bevat introspectie en zelfbevraging, scherpe zintuiglijke reisobservaties, roddel, poëticale overpeinzingen, politieke analyses en een goeie scheut schrijverstorment.
Zelfs de tragische liefde ontbreekt niet. Zij vormt het leidmotief van de eerste honderd bladzijden van
Het innerlijk blauw, wanneer zich de verwijdering voltrekt tussen Gide en zijn vrouw, Madeleine, de oudste dochter van een broer van zijn moeder. Het huwelijk gaat gebukt onder de homo-erotische escapades van Gide, die Madeleine in de correspondentie van de schrijver op het spoor komt. In een vlaag van colère gooit ze alle brieven van Gide in het haardvuur -- een klap die hij maar zeer moeizaam te boven komt.
Het is het beste van mij wat verdwijnt, en het zal geen tegengewicht meer vormen tegen het slechtste.
Het innerlijk blauw is bovenal een stoffige werkplaats, waarin Gide sleutelt aan zijn leven en aan zijn oeuvre. Gide nam zijn toevlucht tot dagboekschriftjes om te leren meer van zichzelf te eisen als mens en als schrijver. Aantekeningen maken ("praten tegen dit schriftje") wordt zo nooit een maniertje. Talloze malen maakt Gide een nieuw begin met het dagboek na een lange periode van afwezigheid, telkens blij met deze bondgenoot tegen de melancholie, de verveling, de neveneffecten van de roem.
Eerlijkheid gaat daarbij voor alles. (In geschrifte dan toch: in de jaren twintig zal hij een buitenechtelijk kind maken met de dochter van Théo en Maria van Rysselberghe.) Gide verfoeit de slechte gewoonte van veel schrijvers om vorm en inhoud van elkaar te scheiden. Authenticiteit is een kernwoord in zijn oeuvre en daarbij hoort een tijdloos, gematigd, onopgesmukt proza. Hij berispt zichzelf als het geliteratureluur de overhand dreigt te nemen.
Dat neemt niet weg dat Gides ruwbehaarde taal meestal op het juiste moment een sprongetje maakt -- een mooi beeld, een exotisch adjectief, een tegendraadse wending -- waardoor je bij de les blijft. Wat ik daarnaast attractief vind aan zijn dagboek is Gides vermogen om te glijden van concrete anekdote naar abstracte bespiegeling. Wanneer hij in 1932 te Marseille de buitenopnamen bijwoont van
Fanny (de film naar het boek van
Marcel Pagnol), maakt hij daar als volgt melding van:
De opgetrommelde dienders zijn nauwelijks in staat de toestroom van leeglopers uit de oude haven op afstand te houden; er worden koorden gespannen. Tussen twee opnamen komt het tram- en autoverkeer weer op gang, en ondanks de instructies wordt de set overspoeld door een grote hoeveelheid nieuwsgierigen die opnieuw slechts met moeite worden teruggedrongen. Het komt bij geen van die mensen op om een ander te helpen bij zijn werk, al was het maar door niet in de weg te staan. Ik stel me een welopgevoede mensenmenigte voor, die zelf de politietaak op zich neemt en met genoegen bijdraagt aan een succes waarvan men later zelf zal profiteren. Ik blijf daar meer dan drie uur, nu eens bij de cameralieden, van de ene naar de andere groep lopend, dan weer buiten de afzetting; en mijn ogen zoeken in het publiek, zoeken tevergeefs, naar een gezicht waarnaar je met plezier zou kijken. De jongsten zijn al getekend door armoede. Bij de ouderen zie je alle vormen van egoïsme: lafheid, achterbaksheid, hebzucht en vaak zelfs wreedheid. Wie zegt van de mensheid te houden, vat vooral een mystieke liefde op voor hoe die zou kunnen zijn, van wat die waarschijnlijk zou zijn zonder die vreselijke degeneratie. Wie zegt van de mensheid te houden, moet allereerst de oorzaken van die degeneratie aanpakken. Ik heb heel lang beweerd dat het morele vraagstuk voorrang moest hebben op het sociale vraagstuk; daar denk ik nu anders over, en zoals dat gaat begrijp ik nu zelfs goed meer wat ik daarmee wilde zeggen. Het individu interesseert me ook nu nog meer dan de massa, maar van belang zijn eerst de gunstige voorwaarden waardoor de massa een gezond individu kan voortbrengen. Dergelijke gedachten lijken haast onnozel, als ze zo beknopt worden weergegeven. Er zou een dialoog, roman of drama voor nodig zijn.
Altijd op één bilVerder nadenkend over wat mij zo trekt in
Het innerlijk blauw, kan ik natuurlijk niet rond alle lectuuraantekeningen heen. André Gide was een groot lezer en herlezer. Een goede werkdag begint voor Gide met het lezen van een oude schrijver, liefst een van de klassieken. "Eén bladzijde is voldoende, een halve bladzijde al, als ik hem maar lees in de passende geestesgesteldheid. Je moet er niet zozeer een les in zoeken als wel de toon, als het ware even afstand nemen, waardoor je je eigen inspanning in verhouding ziet zonder iets af te doen aan de eisen van het nu. En zo sluit ik mijn dag ook graag af."
Gide leest
Dostojevski,
Nietzsche,
Freud (zijn drie leermeesters),
Browning,
Coleridge,
Shakespeare, Voltaire,
Donne,
Montaigne,
Keats,
Hölderlin,
Corneille,
Molière,
Balzac,
Hardy,
Bennett en veel contemporaine psychologie (Wilhelm Stekel, Havelock Ellis). Gide leert Italiaans door
Leopardi te lezen; Engelse les krijgt hij van vertaalster
Dorothy Strachey.
Gide klaagt dat alle tijd die hij zou moeten wijden aan de verbeelding, aan zijn werk, opgaat aan lezen. "Ik moet mijn geest opnieuw de monoloog leren of een dialoog die hij alleen aangaat. Hoe lang heb ik al niet meer echt gewerkt!" Hij wil niet worden zoals de meeste ontwikkelde mensen, die alleen maar zien wat al eens eerder is beschreven. Bovendien is het lezen van de klassieken de bezigheid van een bijziende. "Door onze gewoonte om van de afgelopen eeuwen alleen die werken te lezen die de tijd hebben doorstaan, kunnen we slecht begrijpen waarom de andere verdwenen zijn." Voor de lezer van dit dagboek is vooral belangrijk dat Gide puntige notities maakt bij zijn lectuur. Over
Cocteau bijvoorbeeld, de andere grote schrijver van zijn tijd, eeuwige rivaal op stilistisch en moreel vlak.
In de trein Le grand écart van Jean Cocteau gelezen, erg mijn best gedaan om het goed te vinden en te prijzen; met een beetje goede wil kon ik mezelf het eerste kwart van het boek dat ook wel voorhouden, geamuseerd door de vindingrijkheid van de beelden en de clowneske abruptheid waarmee sommige personages worden neergezet. Maar al snel overheerst ergernis bij deze voortdurende, vrekkige zorg om niets verloren te laten gaan, het er allemaal zo dik bovenop te leggen. Kunst ontaardt hier voortdurend in een kunstje. Als Cocteau zich zou laten gaan, zou hij vaudeville schrijven.
Wie houdt van schrijversvriendschappen komt in
Het innerlijk blauw ruimschoots aan zijn trekken.
Oscar Wilde komt langs, trouwe vrienden
Paul Valéry en
Roger Martin du Gard, de katholieke dichter
Claudel, jeugdvriend
Pierre Louÿs. Gide ontmoet
Julien Green, de familie
Mann en de Nederlandse auteur
Jef Last, waarmee hij een positie als linksvoelend getrouwde homoseksueel gemeen heeft. Hun vriendschap krijgt zijn beslag tijdens reizen naar Spanje en Marokko.
Reizen is een belangrijk motief in het dagboek. "Ik heb me nooit kunnen vestigen in het leven. Altijd op één bil, alsof ik op de armleuning van een stoel zit, klaar om op te staan vertrekken," schrijft Gide. Belangrijk zijn vooral de reizen naar Congo (1925, waar Gide onthutst een blik kan werpen achter de koloniale coulissen), naar de USSR (1936, waar zijn communistische sympathieën een zware deuk krijgen) en naar Egypte (1939, waar zijn aandacht vooral uitgaat naar gebruinde mannenlichamen). Gides reisnotities zijn ook steevast hoogtepunten in het dagboek.
Het typeert Gides oprechtheid dat hij uitvoerig kond maakt van hoe hij de situatie in Rusland verkeerd heeft ingeschat. Zijn neiging elk internationaal gevoel toe te juichen, alles wat ertoe neigt de mensheid boven een natie voorrang te geven, moet hij bij nader inzien temperen. "Ik heb geen verstand van politiek," noteert hij ergens. "Ik stel er hooguit belang in als in een roman van Balzac, met zijn hartstochten, kleingeestigheden, leugens en geschipper." En elders: "Mijn houding daartegenover was de enige die een kunstenaar moet innemen en die hij moet proberen te handhaven. Ook als kunstenaar geef ik gehoor aan het ‘oordeel niet’ van Christus." Die afzijdigheid zorgt er wel voor dat Gide opvallend lauw staat tegenover de ontwikkelingen in het nazistische Duitsland van de jaren dertig.
Finale oorzakenIn dagboeken is introspectie mij het liefst, dat wordt weer eens duidelijk als ik de tweeëntwintig bladzijden notities herlees die ik tijdens het lezen van
Het innerlijk blauw heb gemaakt. Als lezer over de schouders kijken van een dagboekanier die met grote inspanning zichzelf in evenwicht tracht te houden -- ik kan geen spannender genoegen indenken. Het dagboek van Gide komt daarin tegemoet. Sla
Het innerlijk blauw op, en het is alsof je het plankje wegschuift voor het houten vlechtwerk in de biechtstoel.
Eerst zijn daar de strubbelingen met de kerk. Met
Kierkegaard (en diens dagboek) heeft Gide gemeen dat hij de kerk bekampt met intellectuele argumenten, alsof dat instituut ooit een faire tegenstander zal worden.
Niets ergert sommige katholieken meer dan wanneer ze zien dat wij als vanzelfsprekend tot een onthechtheid geraken die zij, met al hun geloof, zo moeizaam weten te bereiken. Het scheelt niet veel of ze zouden je verwijten dat je vals speelt. De deugd moet hun alleenrecht blijven, en alles wat een mens op eigen kracht bereikt, zonder hulp van paternosters, telt niet. Zo vergeven ze ons ook ons geluk niet: dat is goddeloos; alleen zij hebben recht op geluk. Een recht overigens waar ze maar weinig gebruik van maken.
[...]
De moeilijkheid is dat het christendom (de christelijke ortodoxie) exclusief is en dat het geloof in zíjn waarheid het geloof in iedere andere waarheid uitsluit. Het neemt niets op; het stoot af.
[...]
Ja, om sentimentele redenen probeer ik een terrein van verzoening te vinden, van mogelijke overeenstemming tussen christendom en communisme. Maar ik zie helaas maar al te goed hoe en waarom kapitalisme en katholicisme samenspannen, en het voordeel dat het kapitalisme heeft bij een godsdienst die degene die de maatschappij op de rechterwang slaat leert vervolgens de linkerwang toe te keren, die de onderdrukte verdooft en sust met de hoop op het hiernamaals, die de beloning naar een mystiek niveau tilt en de onderdrukkers een triomf schenkt waarvan ze de onderdrukten in de waan laten dat die op een illusie berust.
Wat Gide evenwel aantrekt in christenen is dat zij twee tegenstrijdige waarheden, zoals de goddelijke voorkennis en de vrije wil van het individu, niet proberen met elkaar te verzoenen. Ook de schrijver waakt ervoor alle natuurlijke tegenstrijdigheden in zijn persoonlijkheid te beschermen. En niet alleen omdat ze de humus zijn voor zijn kunstenaarschap; tegenstellingen opgeven betekent het leven opgeven, want die creëert de tegenstellingen. De levensvonk kan alleen overspringen tussen twee tegengestelde polen. Gides ideaalbeeld is een mens die kritische geest paart aan daadkracht: "Gewoonlijk vinden we onder intelligente mensen alleen wereldvreemden, en onder mensen van actie alleen dwazen."
Degenen die beweren volgens vaste leefregels te handelen, vind ik, hoe mooi die regels ook mogen zijn, domkoppen of op zijn minst zielenpieten, die niet in staat zijn uit het leven te halen wat erin zit -- ik bedoel: niet in staat zijn te leren van het leven. Onuitstaanbare figuren in ieder geval.
[...]
Het is een grote stap naar wijsheid steeds wanneer mogelijk is het ‘waarom’ te vervangen door het ‘hoe’. Tussen die twee vragen blijft ondanks alles een verborgen verband. Mystieke geesten maken zich alleen druk om het eerste en denken alleen aan finaliteit, naturalisten denken alleen aan het tweede, alleen dat kan een zinnig antwoord opleveren, dat de studie van de natuur altijd kan geven, alleen dat maakt enige vooruitgang mogelijk. Het zoeken naar ‘finale oorzaken’ is het paard achter de wagen willen spannen.
[...]
Ophouden op jezelf te letten, dagen weken, maanden lang. Jezelf uit het oog verliezen. Door een lange tunnel gaan aan het einde waarvan misschien een nieuw land gloort… Ik ben vaak bang geweest dat een te aanhoudend bewustzijn de toekomst té logisch aan het verleden verbindt, dat het een hinderpaal is voor het wordingsproces. Alleen de nacht en de slaap maken metamorfosen mogelijk, zonder de vergetelheid in de pop zou de rups geen vlinder kunnen worden. De hoop om als iemand anders wakker te worden verplicht me degene die ik ben te laten inslapen.
Zoals bij een noveenHet woord authenticiteit valt ook opnieuw een paar keer. Het debat van ieder wezen met wat hem belet authentiek te zijn is wellicht het belangrijkste thema in Gides boeken. "De menselijke ziel is vergelijkbaar met een palimpsest: je leest wat het eerst geschreven is, en zo moeilijk te ontcijferen door de opeenstapeling van correcties en toevoegingen." Daarom spijt het me zo dat ik Gides oeuvre niet beter ken om het te kunnen terugkoppelen naar de intellectuele ontwikkelingen in het dagboek. Het leidt er ook toe dat de prachtige opmerkingen over de kunst van het schrijven, die over de hele oppervlakte van
Het innerlijk blauw verspreid liggen, een wat loze glans krijgen.
Naar ik begrijp heeft Gide een hekel aan virtuositeit, hoewel ze hem toch altijd imponeert. Hij voelt bij een schrijver graag een zekere innerlijke rijkdom die niet wordt geëxploiteerd, maar waarvan alleen een glimp zichtbaar wordt in de spaarzame woorden die hij de lezer schenkt. Alle vooruitgang in de kunst van het schrijven, zegt Gide, wordt alleen geboekt door het laten varen van een zekere eigenliefde. Ook hijzelf was daar ooit zo van vervuld, dat het witte papier meer tot spiegel diende dan tot iets anders.
Goed schrijven, stijl waarvoor ik bewondering voel, is die waardoor de lezer zonder dat het al te veel opvalt even blijft stilstaan en langzaam voortgaat in zijn denken. Ik wil dat zijn aandacht stap voor stap verdergaat op een voedzame, diep omgespitte bodem, maar de lezer zoekt meestal gewoon een soort lopende band waarop hij voortglijdt.
En inhoudelijk? Waar moet een goed boek over gaan? Een roman moet volgens Gide een "kruispunt zijn, een ontmoetingsplaats van vraagstukken". Objectiviteit noemt hij een makkelijke vluchtplaats voor schrijvers "zonder innerlijk landschap".
Het verlangen om personages die men in werkelijkheid heeft ontmoet realistisch te beschrijven is nogal wijdverbreid, dunkt me. Daarmee kan men een bepaalde opmerkingsgave en schrijftalent etaleren. Maar het scheppen van nieuwe personages wordt pas een natuurlijke behoefte bij degenen die gekweld worden door een dwingende innerlijke complexiteit die ze niet voldoende kunnen uitleven in hun eigen handelen.
Tot zover de mooie theorie. In
Het innerlijk blauw wordt váák geklaagd als een boek weer eens niet vlot. Soms is Gide te beschroomd, te lui, te laf om zich aan het schrijven te zetten en gaat hij gretig in op alle afleiding die zich voordoet. Net voor het beginnen van
De valsemunters raadt hij zichzelf daarom aan een uur lang in zijn kamer heen weer te lopen, zonder intussen te lezen, en dat te herhalen "zoals bij een noveen". Een oefening in ascese.
Het belet Gide niet een gigantisch oeuvre te scheppen. Een gevarieerd oeuvre bovendien -- bijna met opzet keert elk nieuw boek zich tegen de liefhebbers van het vorige. Dat heeft een reden. Gide wil de lezer dwingen zijn werk alleen om de goede reden te prijzen en elk van de boeken te nemen voor wat het is: een kunstwerk.
Gide wordt een van de belangrijkste schrijvers van zijn tijd en is altijd goed voor controverse. In geschrifte zegt Gide te lijden onder het icoonschap dat hem wordt opgedrongen, en alle drukte van dien. Dagenlang moet hij zaken afhandelen, correspondentie, die net zo goed door een secretaris hadden kunnen worden gedaan.
En dan maakt de lezer van
Het innerlijk blauw de schrijver niet eens mee op het hoogtepunt van zijn roem -- dat ligt net achter de einder van deze dagboeken, in 1947, wanneer Gide de Nobelprijs wordt toegekend.
En kijk, ondanks eerdergenoemde nare ervaringen heb ik opnieuw
De immoralist,
De kelders van het Vaticaan en
Niet als de anderen (nieuwe vertaling van
Si le grain ne meurt) onderstreept op mijn lijstje 'dringend te lezen boeken'. Vallen die boeken niet mee, dan loopt het met mijn bewondering voor Gide zoals Gides bewondering voor
Flaubert, die voornamelijk gestoeld was op diens brieven en niet op
Madame Bovary of enig andere roman.
Intussen is
Het innerlijk blauw een waar lijfboek geworden. Ik neem zelfs de nieuwe belettering en de overijverige annotaties van De Veth voor lief.
Bernard Pivot rekent Gides journal in
La bibliothèque idéale bij de tien beste boeken in het genre (naast
Boswell,
Gombrowicz,
Kafka,
Kierkegaard,
Léautaud,
Musil,
Renard,
Stendhal en
Da Vinci) en ik begrijp nu volkomen waarom.
> lees een fragment uit dit boek op
Prins van Denemarken>
http://www.gidiana.net/>
http://www.andregide.org/> meer Privé-domein op
AchilleAndré Gide, Het innerlijk blauw : een keuze uit het dagboek 1918-1939
662 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2006
Oorspr. Journal I, 1887-1925 (1996) en Journal II, 1926-1950 (1997)
Vertaald door Mirjam de Veth
Privé-domein nr. 259____