woensdag 31 december 2008

Heilwens

Achille van den Branden wenst zijn lezers een leesbaar 2009 toe en veel vrije tijd. Achille neemt een korte eindejaarspauze. Maandag 5 januari terug met nieuwe besprekingen. In de tussenliggende dagen verschijnt wel nog het feedreader-overzicht voor de maand december, maar dan onder de post met 'Goede voornemens voor 2009' (cf. infra). De activiteiten op Prins van Denemarken blijven gewoon doorlopen.

____

Het leesjaaroverzicht van Achille van den Branden 2008

Weinig tekst, veel titels. Er wordt zoveel mogelijk doorgelinkt naar de corresponderende recensies op Achille van den Branden. In het andere geval (bij de meeste poëzie, bijvoorbeeld) wordt u doorverwezen naar een representatief fragment op Prins van Denemarken. Zie ook de lijst met alle besproken boeken dit jaar op Achille. Zie verder de lijst met alle fragmenten uit de aanraders op PvD.


TRENDS
1.
Ik heb meer gelezen en minder tijd verspild aan bibliotheekbezoek. Eindelijk dus een begin gemaakt met het lezen van boeken uit eigen bezit. Allemaal tijdwinst.

2.
Toch was 2008 inhoudelijk een zeer matig leesjaar. Het goede voornemen om minder schnabbels te lezen is volkomen mislukt en zadelt me op met een kater. Ik blijf een hardnekkige voorkeur hebben voor boeken van 200 bladzijden -- dingetjes die in één avond uit te lezen zijn. Bij dikkere boeken valt het me moeilijk the day after nog voldoende motivatie op te brengen om ze uit te lezen. Ik blijk ook meer dan gedacht te hechten aan mijn dierbare routine van één boek per dag.

De hoofdwerken van literaire auteurs met internationale faam zijn voorlopig dus alleen verteerbaar wanneer opgelost in een gevarieerd leesmenu met essays, brieven, reisverhalen en trivia.

Ondanks alles dit jaar eindelijk iets deftigs gelezen van V.S. Naipaul, Kingsley Amis, E.L. Doctorow, Eça de Queiroz, Patricia Highsmith, Yasunari Kawabata, J.-M.G. Le Clézio, David Lodge, Alice Munro en Ian Fleming. Maar alwéér alleen schnabbels van Camilo José Cela, Paul Theroux, William Faulkner, Hubert Lampo, John Irving en Doris Lessing. Blijven steken in T.C. Boyle, F. Scott Fitzgerald, Ferdinand Bordewijk, D.H. Lawrence en Saki. En al helemaal de moed niet kunnen opbrengen voor Salman Rushdie, Isaak Babel, Martin Amis, Yukio Mishima, Kurt Vonnegut, Saul Bellow, John Dos Passos, Jean Genet.

Aan veel van bovenstaande auteurs heb ik tijdens het lezen ook nauwelijks plezier beleefd. Heel raar is dat: veel auteurs die ik al die jaren systematisch voor me heb uitgeschoven, blijken me als puntje bij paaltje komt ook écht niet te bevallen. Net alsof ik daar een neus voor heb. Toch is zo'n voorgevoel op weinig gebaseerd.

3.
Veel van mijn leesplezier is schatplichtig aan het flipperkast-effect: auteur A roept auteur B roept auteur C op. Onmiddellijk in alle vrijheid gevolg kunnen aan geven aan zo'n impuls verhoogt de lust om te lezen. Veel van de boeken waar ik het meeste plezier aan beleef 's avonds hebben zich pas in de loop van de dag zelf aangediend. Als ik mijn hele leesschema weken vooraf vol plamuur met nog te lezen boeken, voelt mijn lezen machinaler aan. In de toekomst daarom voorzichtiger en minder rigide omspringen met lijsten met 'nog te lezen boeken'. De verrassing, het onverwachte verschaft zuurstof aan mijn leeshonger.

Ik blijf een rusteloze zoeker. Ik lees liever weinig van veel auteurs, dan veel van weinig auteurs. Voor mij is literatuur één grote koorzang, niet het werk van drie tenoren. Ik lees liever elk jaar een roman van een geliefde auteur (waarvan ik dan ook weet dat-ie goed is) dan alles na elkaar.

4.
Heb niet minder poëzie gelezen dan andere jaren, maar wel met beduidend minder begeestering. Poëzie is meestal alleen maar goed als opvullertje -- als ik geen tijd heb voor proza.

Van het voornemen om de laatste belangrijke verzamelde werken te lezen van de Nederlandse poëziecanon is nauwelijks iets in huis gekomen. Enkel de complete Gaston Burssens en Willem Wimink gelezen. Beide teleurstellend.

5.
Ik lees stilaan meer non-fictie, tot mijn grote voldoening. Het valt op dat welgekozen non-fictie veel meer garant staat voor een nuttig bestede avond dan fictie. Omdat ik niets weet, is bijna alle non-fictie winst.

Ik ben voorzichtigjes begonnen met het lezen van populair wetenschappelijke boeken. De vooropgestelde lijst heb ik maar voor een derde afgewerkt, omdat ik me het laatste trimester om persoonlijke redenen niet lekker in mijn vel voelde, en toch weer snakte naar eenvoudige fictie. Verhaaltjes. Verstand op nul. Geschiedenisboeken lezen was er al helemaal niet bij. Dat moet beter in 2009. Focussen op twintigste-eeuwse geschiedenis.

6.
Het synthetiseren van geschiedenis en wetenschap in functie van het weblog Achille van den Branden valt me een stuk zwaarder dan het recenseren van fictie. Een korte abstract is trouwens geen optie, omdat ik een paar maanden na dato zeer veel heb aan een uitgebreide samenvatting van bijvoorbeeld een boek als dat van Menocal.

Sowieso tevreden over het dossier over Spanje dat dit jaar is ontstaan. Het weblog krijgt er meer body door. Moet er alleen voor zorgen dat die dossiers zichtbaar worden op de site. Overzichtpagina's maken.

7.
Mijn voornemen om dit jaar serieus Engelstalige boeken te gaan lezen heb ik wel waargemaakt en daar ben ik trots op. Het plan was om één Engelstalig boek per veertien dagen te lezen, wat gelukt is (29 stuks in totaal). Volgend jaar wil ik op hetzelfde elan verder gaan, om in 2010 elke week een Engelstalig boek te lezen. In 2009 ga ik zeker ook mijn bevindingen neerschrijven over deze nieuwe stap in mijn leeshistoriek: reading in English.

8.
Dit jaar veinsden een aantal grote media voor het eerst interesse in dit weblog. Maar telkens als ik te kennen gaf alleen te willen ingaan op schriftelijke interviews, haakte men af. Omdat Achille van den Branden over boeken gaat krijgt iedereen die enkel in de man achter het weblog geïnteresseerd is nul op het rekest.

9.
In 2008 is alle twijfel geweken over het persoonlijke nut van dit weblog. Die twijfel was er, omdat de besprekingen op Achille gemiddeld langer werden en daarom meestal aan spankracht inboetten voor de buitenwereld. Was het alle harde labeur wel waard, gewoon voor mezelf?

Jazeker. Blijkt dat ik de archieffunctie van dit weblog niet heb overschat. De teneur van de allereerste besprekingen ben ik reeds vergeten en het herlezen van die teksten is bepaald geen straf. Herinneringen aan boeken, aan meningen en aan schrijfwerk komen terug opzetten. Plezant.

Al word ik nog altijd ongemakkelijk bij het publiceren van weer eens een bespreking die geplaagd wordt door ondermaatse leesbaarheid en stilistische slapte. Het verlangen bestaat daarom één of twee grondige essays te schrijven om eens te laten zien wat ik kan als ik écht mijn best doe. Bij wijze van schaamlapje. Geen idee of dat er dit jaar van komt.

10.
Hugo Claus, één van mijn twee leermeesters, is niet meer.





POËZIE

2008 was het jaar waarin ik helemaal opging in het universum van Anna Enquist (Een nieuw afscheid, Jachtscènes, Klaarlichte dag, Soldatenliederen). Vooral haar vroege bundels zijn erg goed.

Een dichter die vaak buiten beeld blijft, maar zeer ten onrechte: Jan Eijkelboom (Enfantines, Het arsenaal).

Gedichten met een heel eigen, ongrijpbare toon: Oogst van Günter Grass.

Heerlijk, het poëtisch equivalent van een oude klasfoto: de reeks Gedichten van het Davidsfonds. Veilige, maar goede selectie.

Talent uit het hoge Noorden: Eva Runefelt met De werkeloze doden.

Bloedmooie bundel, bundel om te kopen en te hebben: Serene wanhoop van Umberto Saba.

Na Woestijnkunde van Leonard Nolens de tweede beste nieuwe bundel die ik dit jaar gelezen heb: Nieuwe sterrenbeelden van Peter Verhelst.

Oók goeie bundels: Tong en trede (Erik Lindner), Nu het nog licht is (Tom van Deel), Landschap boven nul (Bei Dao), Wisselsporen (Hans Tentije) en Dak zonder huis (Antoine Uitdehaag).


ONTDEKKINGEN
Helemaal mijn ding. Zintuiglijk, excentriek en psychologiserend. En ook nog eens een schrijfster met een uitgebreid oeuvre: Colette (Als het jonge koren rijpt).

De gedichten van P.C. Hooft (Zo sprak mijn lief mij toe) bleken wendbaarder dan gedacht. Krasse knar.

Zwitserse Feingeist: Thomas Hürlimann (Het tuinhuis).

De Amerikaanse schrijfster en literatuurcritica Mary MacCarthy (Herinneringen aan mijn roomse jeugd en Ideas and the novel).

Eindelijk mijn eerste boek gelezen van de Amerikaanse meesterreporter John McPhee (La Place de la Concorde Suisse). [bespreking op Achille volgend jaar]

Writing on the edge, ofte de Hollandse J.M.H. Berckmans: A. Moonen (Naar Portugal, Zalf voor de dood).

De grande dame van de Canadese letteren: Alice Munro (Vriendin van mijn jeugd). Volmaakte verhalen op de middellange afstand.


TELEURSTELLEND
Subliem uitgegeven boekje, maar wat een gedram: Huilen met de wolven in het bos van Léon Bloy.

Af en toe een mooi gedicht in een oceaan van bagger: Gaston Burssens (Alles is mogelijk in een gedicht).

Lang veel goeds over gehoord, maar daar bleek weinig van te kloppen: de schrille novelle De zwaardvis van Hugo Claus.

Nobelprijs my ass: In volle zee van J.M.G. Le Clézio.

Pretentieuze, mislukte poging de Zeitgeist te vatten: De stad Gods van E.L. Doctorow.

Misschien een van de mindere boeken van de Finse absurdist: De tien minnaressen van Arto Paasilinna.

Flauw, flauwer, flauwst: Verzamelde liedjes en gedichten van Willem Wilmink.


BESTE GELEZEN IN 2008
Mooi compleet dossier over Spanje: Spanje achter de schermen van Steven Adolf.

Niet echt geslaagd als roman, maar een fascinerend documentair boek: Hotel Lutetia van Pierre Assouline.

Toen schrijvers er nog eens echt voor gingen zitten: het kolossale Verloren illusies van Honoré de Balzac. [volgend jaar bespreking op Achille en entry op PvD]

Uitzinnig Russisch experiment van vlak na de eeuwwisseling: Petersburg van Andrej Bely.

Perfect getrimde columns: Stadsogen van Martin Bril.

Indrukwekkende roman over een ongewenst kind: Datumloze dagen van Jeroen Brouwers.

Hilarische columns en een caleidoscopisch portret van de Verenigde Staten: Aantekeningen uit een groot land van Bill Bryson.

Suspense in heerlijk staccato-Engels: Double indemnity van James M. Cain.

Essays over de lievelingsauteurs van Italo Calvino: Waarom zou je de klassieken lezen.

Aangrijpend, confronterend: de aantekeningen in Vereniging Vrijwillige Dood van Max Frisch.

Omstreden roman, maar wel een meesterlijk autobiografisch boek: De rokken van de ui van Günter Grass.

Korte liefdesroman, vitaal en toch weer nukkig: Pan van Knut Hamsun.

Knappe intrige, spannend en geschreven met kille beheersing: Ripley, een man van talent van Patricia Highsmith.

Een favoriet herlezen: Al te luide eenzaamheid van Bohumil Hrabal.

Zeer leesbaar boek over onze hersenen: Op reis door je brein van Steven Johnson. [volgend jaar besproken op Achille]

Verhelderend boekje over de verhoudingen in de wereldpolitiek: De terugkeer van de geschiedenis van Robert Kagan. [volgend jaar besproken op Achille]

Ragfijne Japanse vertelling: Duizend kraanvogels van Yasunari Kawabata.

De beste quotes uit interviews met Gerrit Komrij: De buitenkant.

Nederlands geoloog relativeert de opwarming van de aarde: De menselijke maat van Salomon Kroonenberg.

Subtiele autobiografie in fragmenten: Arena van Michel Leiris.

Bonte verhalen en essays: Zeepijn van Charlotte Mutsaers.

Stemmige liefdesgeschiedenis in Japan: De verloofde van Sado van Amélie Nothomb.

Evenwichtig reisverslag van een Brit die België heeft bezocht: A tall man in a low land van Harry Pearson. [volgend jaar bespreking op Achille]

En verder geen gezeur: no nonsense-essays van Karel van het Reve (Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes en Freud, Stalin en Dostojevski).

Wellicht het beste boek van dit jaar. Philip Roth schrijft over zijn zieke vader in Patrimonium.

Oeverloze, vileine Memoires van Saint-Simon.

Cultklassieker: Negen verhalen van J.D. Salinger.

Liefdesgeschiedenis van een Zweeds determinist: Dokter Glas van Hjalmar Söderberg.

Strakke, wereldwijze autobiografie van William Somerset Maugham: The summing up. [volgend jaar bespreking op Achille]

Scherp je gevoel voor vorm aan met De taal van de beeldhouwkunst van William Tucker.

Knappe adolescentenroman: De dagen van de bluegrassliefde van Edward van de Vendel.

Tocht door Parijs, boekje als een bonbon: De flaneur van Edmund White. [volgend jaar bespreking op Achille]

Het raadsel der leesbaarheid verklaard: How fiction works van James Wood. [volgend jaar bespreking op Achille]





DE BESTE BELGEN
Grote vragen, het interviewboek van Joël De Ceulaer met het puikje van de internationale wetenschappelijke wereld.

Ten onrechte niet meer gelezen: de Verzamelde gedichten van Bert Decorte.

Zwak verhaal, maar stilistisch consistent: Jaqueline en ik van Marnix Gijsen.

Een van onze meest oorspronkelijke dichters: Gust Gils (Uniek onkruid).

Brievenboek met een aangename mix van geschmier en tederheid: Het boek is beter dan de vrouw (Koenraad Goudeseune).

Eindelijk een dagboek van een Vlaming op niveau: Grimmig heden, van Piet de Moor.

De beste bundel van het jaar: Woestijnkunde, van Leonard Nolens.

Een van onze grootste virtuozen: Peter Verhelst (De kleurenvanger).

Kleine klassieker, voor mijn part: Brieven uit Nergenshuizen (Paul de Wispelaere).

Onderschatte, vormvaste poëzie: Hedwig Speliers (Heen).


GEWOGEN EN TE LICHT BEVONDEN
Geen idee waarom de verhalen in Bederf is de weg van alle vlees (Marcel Möring) überhaupt geschreven dienden te worden.

Slappe memoires van Marc Reynebeau: Struikelend door het leven.

Met stip de slechtste roman die ik dit jaar gelezen heb: Pygmalion in de sneeuw, van Herwig Waterschoot. Herwig wie?


GUILTY PLEASURES
Un jardin à Venise van Frederic Eden was een hedonistisch koesterboekje.

Gaat er altijd wel in: het gemopper van Maarten 't Hart (Een havik onder Delft).

Een man om al je bibliofiele wensdromen op te projecteren: Alberto Manguel (De bibliotheek bij nacht).

Alleen geschikt voor de diehard fans: Koninklijke Hoogheid van Thomas Mann.

Van weinig boeken meer genoten dan De gouden eeuwen van Andalusië (María Rosa Menocal), maar haar geschiedkundig werk over de wreedzame coëxistentie van Moren, christenen en joden is een idealiserende voorstelling.

De jaarlijkse dosis Patrick Modiano: In het café van de verloren jeugd.

Proza van een mankeerde schilder: Cees Nooteboom met De omweg naar Santiago. [volgend jaar bespreking op Achille]

Sarcastische moppentrommel: Grumpy old men van David Quantick.

Bovarisme in Lissabon: Neef Bazilio van Eça de Queiroz.


AMNESIE
Nog geen jaar na lectuur weet ik, zonder te spieken op mijn notities, al niet meer waar Vandaag heb ik mijn minnaar gezien (María Luisa Bombal) over gaat, of Als de nacht dwingt (Montero Glez), De voornamen van de maan (Herman Portocarero), Rose Mélie Rose (Marie Redonnet) en De prijs per vel (Henk Romijn Meijer). Traditiegetrouw weet ik ook niets meer van de Simenon-roman die ik dit jaar las, De meisjes van Concarneau.


HET BESTE BOEK VAN 2008?
Geen flauw idee, daarvoor heb ik te weinig nieuwe boeken gelezen dit jaar. En wat ik las uit 2008 stelde meestal teleur. Ik was blij met de vertaling van In het café van de verloren jeugd van Patrick Modiano, maar omdat nu een absolute aanrader te noemen, neen, daarvoor schrijft hij teveel hetzelfde boek. Dat de stijladviezen van Schopenhauer apart verschenen is een goede zaak. De verloofde van Sado (Amélie Nothomb) was de beste roman die ik heb gelezen uit 2008. Van de memoires van Walter Soethoudt was vooral de bibliografie interessant. De bibliotheek bij nacht (Alberto Manguel) is verplichte kost voor elke bibliofiel. Veruit het rijpste boek was Schrijversmensen van V.S. Naipaul: een echte vakman aan het werk, en verre van zijn beste boek.


DON'T BELIEVE THE HYPE
Het astrante meisje Saskia de Coster (Eeuwige roem, Held) heeft veel in haar mars, maar durf ik nog geen schrijfster noemen.

De passievrucht van Karel Glastra van Loon is workshop-proza.

Op papier blijft er weinig van over: Ich bin ein star baby, de gedichten van performer Peter M. van der Linden.

De romans van Paulo Coelho zijn volksverlakkerij. Altijd een hulpeloze hoofdpersoon die een vreemde man ontmoet met paternaliserende adviesjes. Veronika besluit te sterven is kul. De duivel en het meisje zit gelikter in elkaar.

De helaasheid der dingen (Dimitri Verhulst) is nu ook weer niet zó goed.

Het afscheid van de literatuur (William Marx): much ado about nothing.


KWELLING
Begin niet aan de megalomane briefwisseling (À titre Personnel) van Thierry Deleu.

Alain Finkielkraut (Een stem van de overkant) is fysiek niet in staat een transparante zin te schrijven.

De minnaar van Marilyn French: proza met een hoog Calimero-gehalte.

Blindelings van Claudio Magris: kruisverwijzingen ad nauseam. Voor mensen met tijd te veel.


OUTSIDERS
Jos Daelman
(Huiswaarts, Iedereen afwezig) is een onderschat Vlaams dichter.

Vergeten pareltje: De jazzspeler van Maurice Roelants.

Zonder verwachtingen aan Tromgeroffel in Rancas van Manuel Scorza begonnen. Het bleek een meesterlijke roman.





DE CIJFERS

In totaal 323 boeken gelezen in 2008. Daarnaast 197 boeken gerecenseerd op Achille.


[foto's via English Russia]

____

Goede voornemens voor 2009

Hoe meer plannen je vooraf maakt, hoe sneller het jaar voorbijgaat. Dat is een les die ik nu wel geleerd heb. Niettemin toch weer een enorme waslijst met namen. Alleen geen strikte verplichtingen meer, gewoon handig om het eens allemaal bij elkaar te zien.

1.
Een aantal auteurs lezen van internationaal pluimage waar ik minder vertrouwd mee ben. Groslijst: Martin Amis, Jane Austen, Herman Bang, Henri Barbusse, Italo Calvino (hoofdwerken), Karel Capek, Raymond Chandler, Julio Cortázar, Astolphe De Custine, Roald Dahl (verhalen), Denis Diderot (brieven), Theodore Dreiser, Per Olov Enquist, Jeffrey Eugenides, Rubem Fonseca (tip van lezer van Achille), André Gide (romans), Günter Grass (vroege romans), Henry Green, Graham Greene (must), Dashiell Hammett, Hermann Hesse, E.T.A. Hoffmann (staat al lang op mijn verlanglijstje), Jean-Claude Izzo, Thomas Hürlimann, Garrison Keillor, Jack Kerouac, Arthur Koestler, D.H. Lawrence, Halldór Kiljan Laxness, Elmore Leonard, C.S. Lewis, Wyndham Lewis, Jack London, Curzio Malaparte, Iris Murdoch, John O'Hara, Amoz Oz, Benito Pérez Galdós, Harold Pinter, Jules Romains, Roger Martin du Gard, Olivier Rolin, Henry Roth, Jean Rouaud, J.P. Sartre, Bruno Schulz, Victor Serge, Claude Simon, Susan Sontag, Gertrude Stein, August Strindberg (romans), Josef Skvorecky, Italo Svevo, Naema Tahir, Paul Theroux, John Kennedy Toole, Sandro Veronesi, Voltaire, Irvine Welsh, Edith Wharton, Thornton Wilder, Marguerite Yourcenar (essays) en Stefan Zweig.

2.
Experiment: hinkstapspringend door de lijst gaan van 1001 books you must read before you die. Elke twee weken één boek lezen uit het volgende rijtje van 10 boeken, om zo binnen vier jaar bij 1000 uit te komen.

3.
Nederlanders lezen wier oeuvre me zo goed als onbekend is. Groslijst: Belcampo, Cees Buddingh' (dagboeken), F.B. Hotz, Ferdinand Bordewijk, Atte Jongstra, Frans Kellendonk, Gerrit Komrij (vroege essays), Nicolaas Matsier, Doeschka Meijsing, Geerten Meijssing (Erwin-trilogie), Nescio, Allard Schröder, J. van Oudshoorn, Carel Peeters (essays), Cyrille Offermans (essays).

4.
Meer vrouwen lezen. Groslijst: Louisa May Alcott, Julia Alvarez, Margaret Atwood, Djuna Barnes, A.S. Byatt, Shirley Jackson, Erica Jong, Jhump Lahiri, Katherine Mansfield, Carson McCullers, Mary McCarthy, Nancy Mitford, Lorrie Moore, Jean Rhys, Jane Smiley, Dorothy Parker, Sylvia Plath, Annie Proulx, Barbara Pym, Dorothy Sayers, Muriel Spark, Anne Tyler, Alice Walker, Minette Walters, Fay Weldon, Virginia Woolf. Al was het maar om ze uit elkaar te kunnen houden.

5.
De Slaven lezen, deel 1: de Russen en de Tsjechen. Gogol, Poesjkin (brieven), Herzen, Paustovskij. Paar deeltjes Tsjechov kopen (Van Oorschot). De idioot herlezen. De reeks Russische miniaturen (Van Oorschot) van naderbij bekijken.

6.
Romans lezen van auteurs die het oude Duitstalige Europa belichamen. Iets waar ik nog het meest naar uitkijk. Gregor von Rezzori, Ferdinand von Saar, Joseph Roth, Alfred Polgar, Karl Krauss, Arthur Schnitzler, Hermann Broch, Theodor Fontane, Alfred Döblin, Heimito von Doderer.

7.
Engelstalige boeken lezen, maar dan dingen die niet in het Nederlands vertaald zijn. Groslijst: John Ruskin, H.L. Mencken, John McPhee, Studs Terkel, J.G. Ballard (verhalen), O Henry, Alan Bennett, Frederick Exley, Michael Herr, James Agee, Richard Ben Cramer, George Orwell (essays), Nick Hornby (The polysyllabic spree), Anthony Burgess (maar wat in godsnaam?), Frederick Rolfe (The desire and pursuit of the whole), Gore Vidal (verzamelde essays), Murray Kempton, Doris Lessing (boekbesprekingen), Larry McMurtry, Clive James (cultuuressays), James Elkins, H.P. Lovecraft, W. Somerset Maugham (verhalen), Cyril Connolly, Charlie Brooker, E.B. White, A.J. Liebling, Dubravka Ugresic (Thank you for not reading), Mavis Gallant, Northrop Frye. Een paar titels kiezen uit de reeksen Letters to a young... en New York Review of Books classics.

8.
Verzamelde gedichten lezen. Shortlist: Karel van de Woestijne, Willem Kloos, Guido Gezelle (best of), Adriaan Roland Holst, Jan Elburg, C.O. Jellema, H.H. ter Balkt, Hans Warren, Karel Jonckheere, Annie M.G. Schmidt, H.C. ten Berge, Herman Gorter. Enkele belangrijke bloemlezingen: Hotel New Flanders (Van Bastelaere), 500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben (Pfeijffer) en De meesters : wereldpoëzie van twintig eeuwen (Claes).

9.
Verzuimd voornemen van verleden jaar: onvertaalde poëzie laten invliegen: John Betjeman, Matthew Arnold, Robert Frost, George Herbert, Robert Lowell, Wallace Stevens, Ken Brewer, Karl Shapiro, Andrew Motion, E.E. Cummings, Adrienne Rich, Dorothy Parker, Robert Graves, Ogden Nash, Paul Muldoon.

10.
Veel meer non-fictie lezen.

Was al een goed voornemen verleden jaar: mijn middelbare schoolboeken van geschiedenis schematiseren. Als kapstok om in 2010 grondiger turven over geschiedenis te lezen.

Er komt een klein dossier over Venetië dit jaar, en een zéér uitgebreid over Praag.

De reeks 600 jaar Belgische kunst in 500 kunstwerken (De Standaard) lezen en systematisch bespreken.

Een van deze boeken lezen: Het modernisme van Peter Gay; De metamorfose van de wereld van Peter Conrad, Ideeën van Peter Watson; De denkers van Hans Achterhuis; De oogst van Arnold Heumakers.

Snuffelen aan het werk van Frank Furedi, Mark Elchardus, Ivan Illich, Paul Cliteur, F.R. Ankersmit, Noam Chomsky, Midas Dekkers, Rüdiger Safranski, Theodore Dalrymple, Norbert Elias, Hans van Maanen, Karel van het Reve (meer essays lezen), Roger Scruton, Frank Westerman, Geert Mak.

Essentiële boeken over het geloof van Sam Harris, Pascal Boyer, Richard Dawkins, Christopher Hitchens.

Aantrekkelijke boeken over Frankrijk van Graham Robb, Jelle Noorman en Leo Prick.

Meer lezen over de Moren in Spanje en Europa. Kennis op kamelen (Dick De Boer) en Kinderen van Aristoteles (Richard Rubenstein).


> lees ook: Goede voornemens voor 2008

_____

Uit de feedreader [8]

> Steven Rose examines the latest theories about the human brain

> Books quiz of 2008

> 2008: a year in books

> How to mark a book

> Seven theses about history of literary theory

> Are we losing our memory? or The museum of obsolete technology

> Why Slavoj Zizek is the most despicable philosopher of the west

> Is American literature too insular, preoccupied only with the home country?

> Trans-Atlantic Slave Trade Database

> Michael Dirda on Paul Auster

> Oscar Wilde, bookworm

> The brilliance of creative chaos

> The 32 freakiest ads of 2008

> Interviews with J.D. Salinger do exist

> Warum darf man Hitler in »Der Untergang« nicht sterben sehen? - Wim Wenders

> An amateur spy in Arabia - Norman Lewis in Granta

> The ultimate resource in grid systems

> A weekly podcast tracing the history of the Roman Empire

> 15 dazzling modern library designs

> http://www.themillionsblog.com/2008/12/year-in-reading-2008.html

> Colm Tóibín fell under Ingrid Bergman's spell as a boy

> Treasures of The New York Public Library Video Series

> The beautiful mind - neuroscientific gallery

> Stuff journalists like

> Kindness has gone out of fashion

> Why I'm not bored - Stanley Kauffmann

> The good side of bad books

> The pervert's grand tour of Europe

> The 25 best comic covers of 2008

> My Turkish library - Orhan Pamuk

> Robert Birnbaum talks to critic and author James Wood

> Pelican book covers

> Dylan Thomas - Random poem generator

> From Juvenal to Armando Iannucci, satire is an ancient and necessary art

> Hitler's private library: the books that shaped his life

> Ten of the best valets

> Revisiting Richard Yates’s 'Revolutionary Road' - by James Wood

> Believed to be the fifteen most objectionable songs of the time

> Surveying London

> Abandoned London

> Rue Duguay-Trouin, nummer 17

> 101 reasons to buy handmade

> Dr. Johnson and Mrs. Thrale

> Women working in the bookbinding trade

> Literaire voorspellingen 2008 door Coen Peppelenbos : de uitkomsten

> Is it art? - John Lanchester

> 'Hotel New Flandres' - Hoorne in Knack

> Bart Van der Straeten over 'Hotel New Flanders'

> Hotel New Flanders weblog

> The Manhattan street corners

> 2008: The year in review - The New Yorker

> Richard Dawkins interviews Father George Coyne

> Search and find magazines on Google Book Search

> Find torrents of your favorite tv shows with TED

> Erik Spinoy over literaire prijzen [.pdf]

> Van Halen's legendary M&M's rider

> The chain bookstore, the bloated publishing house, and the specific corporate way of publishing are in peril

> The future of book publishing

> Games online: good game design with an overall attention to quality

> Thanksgiving and Christmas dinners on Navy ships

> The year 2008 in photographs

> The well-tended bookshelf

> Duke digital collections

> The 100 best tracks of 2008

> William Gaddis, the last protestant

> The Ampersand Club - invitations

> The art of prize-fighting - Tom Chatfield

> Goodbye, Forrest Ackerman, collector of sci-fi

> What is oral history?

> Nobel lecture - Le Clézio

> Lists: 2008

> What to do - Paul Krugman

> The fine art of literary rejection letters

> What ails literary studies

> The language of Venice is older, less artificial and more influential than Italian itself

> What's an 808?

> Slate picks the best books of 2008

> The badass of the week

> 100 cereal box covers

> There are now more slaves on the planet than at any time in human history

> The 21st century writer - Patrick Tucker

> Literary Venice. Or how to attract readers without books

> The stories behind Hollywood Studio logos

> The Digital Snow Museum

> The Triumph of Roberto Bolaño

> A short history of anatomical maps

> Jan Tschichold: a titan of typography

> Lies we tell kids

> The sublime joy of Scrabble

> The joy of celebrating a godless Christmas

> A course in correct cataloguing

> How Muslims made Europe

> Evolution of the mind: 4 fallacies of psychology

> Maps of Mars

> On Philip Seymour Hoffman

> Becoming screen literate

> Resampled space

> Neil Jenman has the largest private collection of Somerset Maugham books and memorabilia in the world

> Michael Dirda on the 10 commandments of book giving

> What's killing newspapers is the same thing that killed the slide rule

> 20 classic hip hop album covers recreated in Lego

> The makeup gallery

> The art museum toilet

> Des Imagistes is an online version of Ezra Pound's influential 1914 anthology of Imagist poetry

> 95 old school games you can play online

> How to remove redeye in Photoshop

> Thierry Deleu over 'Zot van boeken' van Jan Van Herreweghe

> Le crâne de Descartes

> Top ten humanitarian crises of 2008

> Typophile book cover meme

> Interview with a bookbinder

> People you hate: 14 awful people at a movie

> Best book covers of 2008 - The Book Design Review

> Pedagogy, evaluation, and what we look for in 'the' novel

> Weird words and bizarre phrases

____

dinsdag 30 december 2008

Misschien is het zelfs wel mooi - Jakob Hein

En als we nu eens de literatuur laten voor wat ze is? Gewoon een boek maken over een zieke moeder en haar joodse jeugd in de voormalige DDR? Sober, helder, zonder tranentrekkerij? Jakob Hein deed het en levert met Misschien is het zelfs wel mooi een juweeltje af. Het boek begint met het vaststellen van borstkanker. Het boek eindigt met de bureaucratische rompslomp om begraven te mogen worden. Daartussen gebeurt er heel wat.

In Misschien is het zelfs wel mooi vermengen de jeugdherinneringen van Jakob Hein zich met de persoonlijke geschiedenis van zijn terminaal zieke moeder. Die moeder is de dochter van een relatie tussen een halfjood en een niet-joodse. Volgens de pseudo-wetenschappelijke Neurenberger rassenwetten dus een verboden relatie.

Er werden experimenten aangehaald die de monnik Gregor Mendel al meer dan honderd jaar eerder bij erwtenplanten had uitgevoerd. Op basis van Mendels inzichten over de kleur van erwten legden de nazi’s vast wie in welke mate joods was. Mensen met twee joodse ouders werden als de gevaarlijksten ingeschaald. Mensen van wie een van de ouders joods was, werden aangeduid als halfjoden en golden om onbegrijpelijke redenen als iets minder gevaarlijk. Hun kinderen, kwartjoden, werden weer als bijzonder gevaarlijk ingeschaald, omdat bepaalde eigenschappen van de grootouders op hen overgesprongen konden zijn. Voor het eerst ging het bij de joodse kwestie niet om belijdenis of geloof, voor het eerst ging het alleen om bloed.
Na de oorlog trouwt háár moeder, Jakobs grootmoeder, met een voormalig nazist die zich voor zijn eigen veiligheid snel heeft bekeerd tot stalinist. De man denkt door dit huwelijk met een eenvoudige secretaresse (iemand uit de arbeidersklasse) zichzelf te kunnen beschermen tegen potentiële "nog in hem aanwezige burgerlijke tendensen".

Wat ik niet wist: na de fascistische ineenstorting vinden in Oost-Duitsland nog stalinistische vervolgingen en showprocessen tegen joden plaats. Het klimaat is nog steeds anti-joods. In de jaren vijftig hebben zelfs de grootste optimisten de hoop op zoiets als een joods gemeenteleven opgegeven. Hein is daar formeel over; hij beschouwt de afwezigheid van joods leven in de DDR als een van de laatste overwinningen van Hitler.
Een voortzetting van het antisemitisme kwam eerder met de werkelijkheid overeen. En omdat de muur nog niet gebouwd was, vluchtte van de paar joden in Oost-Duitsland een groot deel naar West-Duitsland, Israël of ergens anders heen.
Jakobs moeder, het onwettige kind dus, gaat uiteindelijk werken als regisseur van documentaire films, waardoor mijn voorstelling bij dit boek vaak overlapte met Publiek geheim van Bernlef. Via haar oudoom, Immanuel bin Gurion, een voorstaanstaand schrijver in Israël, neemt ze op een bepaald moment toch contact op met de joodse gemeente in Oost-Berlijn. Jakob Hein memoreert intussen hoe op school over Israël wordt les gegeven.
Daarbij kwam dat Israël niet tot de met de DDR bevriende naties hoorde en er daarom uitsluitend kritisch over werd bericht. Er was altijd alleen sprake van ‘de staat Israël’ en ‘de Israëliërs’, een religieuze connotatie werd vermeden. Over de geschiedenis van de stichting van Israël werd in de geschiedenisles nooit iets gezegd. Op die manier kon in Oost-Duitsland een concrete voorstelling van het jodendom alleen maar uit de geschiedenisboeken over de Duitse jodenvernietiging ontstaan.
Na de val van de muur wordt de moeder van Jakob snel werkloos. De studio waar ze documentaires maakte wordt gesloten. Grootmoeder van haar kant heeft na de dood van de stiefgrootvader haar leven volledig aan consumeren gewijd. Op de vloer stapelen zich de catalogi van postorderbedrijven op. Het huis is volgepropt met nutteloze inkopen, die ze voor een deel niet eens uitpakt.

Sereen, en aangrijpend, evoqueert Hein ten slotte het heengaan van zijn moeder.
(…) bij al dit ongeluk ervoer ik het eigenlijke nieuws van haar dood, toen dat kwam, slechts als het zoveelste steentje in het mozaïek van het onheil, niet als de allesoverstemmende donderslag.
Blijft nog één vraagstuk over: kan zijn moeder begraven worden op de joodse begraafplaats van Berlijn, of ze is daar nu ineens niet joods genoeg voor?

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Jakob Hein, Misschien is het zelfs wel mooi
130 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2006
Oorspr. Vielleicht ist es sogar schön (2004)
Vertaald door Goverdien Hauth-Grubben

____

maandag 29 december 2008

Over reizen, rust en rendieren - Jenny Diski

Roerlozer dan Over reizen, rust en rendieren worden reisboeken allicht niet. De Britse Jenny Diski hangt in dit boek een zelfportret op van haar als atypische reisschrijfster. Was het proza van Diski niet zo'n traag stromende rivier, dan had er een niet onaardig werkje in gezeten over het verlangen naar afzondering, in de traditie van Lothar Baiers Een jaar alleen. Nu lijkt het boek op de losse babbel van een neurotische vrouw met haar psychiater. En dik dat het is.

Op twee derden van Over reizen, rust en rendieren deed zich een merkwaardig dopplereffect voor in mijn appreciatie van Jenny Diski. Dat komt omdat ik een nogal bijziende lezer ben. Ik heb de neiging me heel erg te focussen op wat een schrijver mij letterlijk vertelt. (Dat uit zich onder meer in de besprekerspraktijk op dit weblog, waarin ik meer belang hecht aan citaten en parafrase dan een mogelijke interpretatie van de tekst gefilterd door mijn persoonlijkheid.) In dit geval ging ik dus gewillig mee in Diski's exposé over het afwijkende gedrag dat ze vertoont. Ze ontmaskerde zich daarbij als een niet al te beste schrijfster -- ze vertelt alles van naadje tot draadje en wolligheid is haar niet vreemd -- maar alla.

Maar op twee derden van het boek wordt ze explicieter. Ze verhaalt over de moeilijke verstandhouding met haar ouders. Over haar suïcidair gedrag als twintiger. Het woord psychiater valt zelfs. En ineens, voorbij dat kritische punt, verdampte alle literatuur en kwam Diski me voor als een zelfgeobsedeerde zeur, kwakend over arachnofobie en de osteochondrose van haar middenvoetsbeentje. Ze bleef dezelfde schrijfster, schrijvend in dezelfde toonaard, maar haar geluid klonk plots een stuk schriller.

Nu goed, Over reizen, rust en rendieren was tot dan toe al een heel middelmatig boek geweest. Zoals ik al zei. Het valt uiteen in twee tekstsoorten: introspectief proza van een schrijfster met een zelfbewustzijn dat te scherp staat afgeregeld, afgewisseld met reisbelevenissen die zelden opzien baren -- daarvoor dikt Diski ze te weinig in, haar teksten lopen gelijk op met de realiteit en dat is vervelend. Het hoeft niet te verbazen dat ik het reisverslag uit hiernavolgende samenvatting heb geweerd.

In 'Over heel ver weg zijn' onderzoekt Diski het verschil tussen thuis blijven (in haar geval: het eiland Groot-Brittannië) en in het buitenland te zijn, iets wat niet noodzakelijk te maken heeft met taal, plaatselijke gebruiken of afstand in kilometers.

'Over vallen' gaat niet over verre afstanden, maar hoge afstanden: bungee-jumpen in Nieuw-Zeeland. Diski laat zich bijna overhalen om het zelf eens te proberen, maar blijft uiteindelijk trouw aan haar imago van "meesteres van de inactiviteit".

Met de bedoeling in haar eentje te denken, te lezen en te luisteren huurt Diski vervolgens een omgebouwde graanschuur op een boerderij in de Quantock Hills, Somerset, Engeland. Vanaf het hoofdstuk 'Over je schuilhouden' legt ze daarvan getuigenis af. Ze stelt vast dat ze wel alleen kan wonen in het huisje, maar daarom nog niet in staat is zich volledig af te zonderen van de mensheid. Langzaam kampt ze met schuldgevoelens.

Ik hoor te gaan wandelen. Waarom? Omdat het hoort. Moet mijn omgeving gaan verkennen. Wil ik niet. Maar moet ik.
Aanvankelijk wil ze à la Montaigne "haar gepeins portretteren", "een vormloos onderwerp dat zich er niet toe leent om in daden te worden uitgedrukt, enkel in woorden". Dat valt eerder tegen. Ze leest en schrijft inderdaad, dagdroomt, laat oude gebeurtenissen en gesprekken opnieuw de revue passeren, verwondert zich op een vage manier over dingen waar ze het antwoord niet op weet. Maar dat is allemaal nog iets anders dan denken, in de enge betekenis van het woord.

Later, in het hoofdstuk 'Oppervlakkig zijn', analyseert ze prachtig waarom 'alleen zijn' voor haar iets anders betekent dan voor de meeste mensen, en waarom isolement overschat wordt wanneer je een confrontatie met jezelf wil aangaan.

'Over leegte' behandelt de moeilijke verhouding bij Diski tussen psyche en soma. Zo kan ze maar moeilijk geloven dat er iets van organen onder haar huid zit. Ze beschouwt haar lichaam louter als een omhulsel -- dat wat ze kan zien en kan kleden. Ze brengt deze identiteitscrisis in verband met haar jeugdige zelf, toen haar lichaam bijna letterlijk als vluchtplaats fungeerde wanneer ze zich wou onttrekken aan groepsactiviteiten.
Achteraf zie ik de leegte die ik in me optrok eerder als een schepping dan als een ontkenning. Ik liet me niet verdwijnen, maar vormde een toevluchtsoord voor mezelf. Leeg zijn stond dus niet gelijk aan niet bestaan. Ik had wel degelijk een inwendige: het was hol en ruim, een gewelfde kathedraal van lege ruimte. Ik moet al dat natte, kleffe spul in me eruit hebben gesmeten om een veilige plek te vormen waar ik zo nodig naartoe kon.
In 'Over wandelen' gaat Diski met de nodige ironie door op haar voorbestemdheid tot immobilisme.
Het niet-wandelen heeft twee afzonderlijke aspecten. Het ene, dat optreedt als ik alleen ben, is de simple vreugde om roerloos te blijven zitten, ondanks inwendige stemmen die me zeggen dat ik iets moet gaan dóén. Het andere, dat zich alleen kan voordoen als ik in gezelschap ben, is het intense genoegen om te worden achtergelaten. De aansporingen van anderen brengen wonderen van indolentie in mij teweeg. Frisse lucht, de natuur in het betreffende seizoen of de adrenalinestoot van de binnenstad die me worden opgedrongen, hebben op mij de uitwerking, ook al twijfel ik niet aan hun charmes en opwindende eigenschappen, dat ik in mijn stoel wegkruip en verlang naar een kleinere kamer, verduisterde ramen, een diepere stoel en een gesloten deur.
'Over naar zee gaan' behandelt dan weer het eigenzinnige ruimtegevoel van Diski, en haar gebrek aan navigatiekunde ("Ik moet thuis beginnen om elke bestemming te bereiken.") Ook om domweg weg te komen van een of andere doodlopend punt is de schrijfster urenlang in de weer.

Vanaf 'Over spinnen en respect voor schapen' is er meer interactie met de vrouw die op de boerderij woont. Maar ook daarin gaat het uiteindelijk weer over echt alleen zijn, dat wil zeggen: niets te verwachten hebben.
De wetenschap dat er iets gaat gebeuren, dat ik iets moet doen, is al een inbreuk op de leegte die ik zoek. (…) Ik kan niet tegen de vermorzeling van het heden door de inbreuk van een geplande toekomst.
In het laatste derde van het boek verblijft Diski bij de Samen in Zweden, in een poging te schrijven over wat het betekent in volstrekte duisternis te leven. Maar het pakt anders uit. Het wordt het meest actieve deel van het boek, met een nogal breed uitgesponnen avontuur met sneeuwscooters, rendieren en urineren in de vrieskou. Onthoudenswaard is de opmerking over de revelerende impact van vormeloze winterkledij.
De eventuele innerlijke schoonheid die ik misschien heb, interesseert me absoluut niet. Uiterlijke schoonheid, daar is het me om te doen. In een gematigd klimaat is ondanks de gevolgen van de veroudering en het verlies van oppervlakkige schoonheid een zekere úíterlijke schoonheid te bewerkstelligen door genoeg te besteden aan kleding. In Jukkasjärvi niet.
> lees een lang fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

Jenny Diski, Over reizen, rust en rendieren
318 p.
Uitgeverij Atlas, 2008
Oorspr. On trying to keep still (2006)
Vertaald door Inge Kok

____

zondag 28 december 2008

Gespot op blogspot dot com [10]

Reading Archives ['analyzing the nature of archives']
> http://readingarchives.blogspot.com/

Evgeny Parfenov ['illustrator']
> http://evgeny-parfenov.blogspot.com/

Voyages Extraordinaires ['scientific romances in a bygone age']
> http://voyagesextraordinaires.blogspot.com/

____

zaterdag 27 december 2008

Five definitions of style

1. "The extra in the writing."

2. "The record of an author’s decisions -- what to include, what to leave out, when to occupy a seat, when to move on."

3. "The way words use the writer." (J. V. Cunningham’s joking inversion of a student’s inanely obvious definition.)

4. "If form is what remains the same when everything else has been changed (Cunningham) then style is everything that can be changed."

5. "If form is what satisfies expectations raised in the reader (Kenneth Burke) then style is what raises expectations."

D.G. Myers

____

vrijdag 26 december 2008

Het innerlijk blauw - André Gide

Mijn relatie met het oeuvre van André Gide kende een rampzalige historiek tot hiertoe. La symphonie pastorale was niet meer dan verplichte schoolkost; van De valsemunters begreep ik niets; De nieuwe spijzen vond ik een verschrikking. Maar toen kwam dus de zomer van 2007 en dit Privé-domein. Gide bleek de schrijver van een van de meest verslavende dagboeken uit de wereldliteratuur. En godezijdank is zijn journal ook nog eens een mastodont in het genre.

In omvang zelfs te vergelijken met de brieven van Voltaire, of de memoires van Saint-Simon. Ruim zeshonderd pagina's telt de selectie van Mirjam de Veth, uit de drieduizend vierhonderd van de oorspronkelijke Pléiade-delen. Hier spitst De Veth zich toe op het interbellum; laat ik meteen de wens uitdrukken dat er ooit een vervolg komt, met aantekeningen tot aan de dood van André Gide in 1951.

Waarom ik dit dagboek zo lezenswaardig noem? Omdat het zo compleet is. Naar mijn smaak biedt het een perfect evenwicht tussen daad en overpeinzing, engagement en meditatie. Het bevat introspectie en zelfbevraging, scherpe zintuiglijke reisobservaties, roddel, poëticale overpeinzingen, politieke analyses en een goeie scheut schrijverstorment.

Zelfs de tragische liefde ontbreekt niet. Zij vormt het leidmotief van de eerste honderd bladzijden van Het innerlijk blauw, wanneer zich de verwijdering voltrekt tussen Gide en zijn vrouw, Madeleine, de oudste dochter van een broer van zijn moeder. Het huwelijk gaat gebukt onder de homo-erotische escapades van Gide, die Madeleine in de correspondentie van de schrijver op het spoor komt. In een vlaag van colère gooit ze alle brieven van Gide in het haardvuur -- een klap die hij maar zeer moeizaam te boven komt.
Het is het beste van mij wat verdwijnt, en het zal geen tegengewicht meer vormen tegen het slechtste.
Het innerlijk blauw is bovenal een stoffige werkplaats, waarin Gide sleutelt aan zijn leven en aan zijn oeuvre. Gide nam zijn toevlucht tot dagboekschriftjes om te leren meer van zichzelf te eisen als mens en als schrijver. Aantekeningen maken ("praten tegen dit schriftje") wordt zo nooit een maniertje. Talloze malen maakt Gide een nieuw begin met het dagboek na een lange periode van afwezigheid, telkens blij met deze bondgenoot tegen de melancholie, de verveling, de neveneffecten van de roem.

Eerlijkheid gaat daarbij voor alles. (In geschrifte dan toch: in de jaren twintig zal hij een buitenechtelijk kind maken met de dochter van Théo en Maria van Rysselberghe.) Gide verfoeit de slechte gewoonte van veel schrijvers om vorm en inhoud van elkaar te scheiden. Authenticiteit is een kernwoord in zijn oeuvre en daarbij hoort een tijdloos, gematigd, onopgesmukt proza. Hij berispt zichzelf als het geliteratureluur de overhand dreigt te nemen.

Dat neemt niet weg dat Gides ruwbehaarde taal meestal op het juiste moment een sprongetje maakt -- een mooi beeld, een exotisch adjectief, een tegendraadse wending -- waardoor je bij de les blijft. Wat ik daarnaast attractief vind aan zijn dagboek is Gides vermogen om te glijden van concrete anekdote naar abstracte bespiegeling. Wanneer hij in 1932 te Marseille de buitenopnamen bijwoont van Fanny (de film naar het boek van Marcel Pagnol), maakt hij daar als volgt melding van:
De opgetrommelde dienders zijn nauwelijks in staat de toestroom van leeglopers uit de oude haven op afstand te houden; er worden koorden gespannen. Tussen twee opnamen komt het tram- en autoverkeer weer op gang, en ondanks de instructies wordt de set overspoeld door een grote hoeveelheid nieuwsgierigen die opnieuw slechts met moeite worden teruggedrongen. Het komt bij geen van die mensen op om een ander te helpen bij zijn werk, al was het maar door niet in de weg te staan. Ik stel me een welopgevoede mensenmenigte voor, die zelf de politietaak op zich neemt en met genoegen bijdraagt aan een succes waarvan men later zelf zal profiteren. Ik blijf daar meer dan drie uur, nu eens bij de cameralieden, van de ene naar de andere groep lopend, dan weer buiten de afzetting; en mijn ogen zoeken in het publiek, zoeken tevergeefs, naar een gezicht waarnaar je met plezier zou kijken. De jongsten zijn al getekend door armoede. Bij de ouderen zie je alle vormen van egoïsme: lafheid, achterbaksheid, hebzucht en vaak zelfs wreedheid. Wie zegt van de mensheid te houden, vat vooral een mystieke liefde op voor hoe die zou kunnen zijn, van wat die waarschijnlijk zou zijn zonder die vreselijke degeneratie. Wie zegt van de mensheid te houden, moet allereerst de oorzaken van die degeneratie aanpakken. Ik heb heel lang beweerd dat het morele vraagstuk voorrang moest hebben op het sociale vraagstuk; daar denk ik nu anders over, en zoals dat gaat begrijp ik nu zelfs goed meer wat ik daarmee wilde zeggen. Het individu interesseert me ook nu nog meer dan de massa, maar van belang zijn eerst de gunstige voorwaarden waardoor de massa een gezond individu kan voortbrengen. Dergelijke gedachten lijken haast onnozel, als ze zo beknopt worden weergegeven. Er zou een dialoog, roman of drama voor nodig zijn.
Altijd op één bil
Verder nadenkend over wat mij zo trekt in Het innerlijk blauw, kan ik natuurlijk niet rond alle lectuuraantekeningen heen. André Gide was een groot lezer en herlezer. Een goede werkdag begint voor Gide met het lezen van een oude schrijver, liefst een van de klassieken. "Eén bladzijde is voldoende, een halve bladzijde al, als ik hem maar lees in de passende geestesgesteldheid. Je moet er niet zozeer een les in zoeken als wel de toon, als het ware even afstand nemen, waardoor je je eigen inspanning in verhouding ziet zonder iets af te doen aan de eisen van het nu. En zo sluit ik mijn dag ook graag af."

Gide leest Dostojevski, Nietzsche, Freud (zijn drie leermeesters), Browning, Coleridge, Shakespeare, Voltaire, Donne, Montaigne, Keats, Hölderlin, Corneille, Molière, Balzac, Hardy, Bennett en veel contemporaine psychologie (Wilhelm Stekel, Havelock Ellis). Gide leert Italiaans door Leopardi te lezen; Engelse les krijgt hij van vertaalster Dorothy Strachey.

Gide klaagt dat alle tijd die hij zou moeten wijden aan de verbeelding, aan zijn werk, opgaat aan lezen. "Ik moet mijn geest opnieuw de monoloog leren of een dialoog die hij alleen aangaat. Hoe lang heb ik al niet meer echt gewerkt!" Hij wil niet worden zoals de meeste ontwikkelde mensen, die alleen maar zien wat al eens eerder is beschreven. Bovendien is het lezen van de klassieken de bezigheid van een bijziende. "Door onze gewoonte om van de afgelopen eeuwen alleen die werken te lezen die de tijd hebben doorstaan, kunnen we slecht begrijpen waarom de andere verdwenen zijn." Voor de lezer van dit dagboek is vooral belangrijk dat Gide puntige notities maakt bij zijn lectuur. Over Cocteau bijvoorbeeld, de andere grote schrijver van zijn tijd, eeuwige rivaal op stilistisch en moreel vlak.
In de trein Le grand écart van Jean Cocteau gelezen, erg mijn best gedaan om het goed te vinden en te prijzen; met een beetje goede wil kon ik mezelf het eerste kwart van het boek dat ook wel voorhouden, geamuseerd door de vindingrijkheid van de beelden en de clowneske abruptheid waarmee sommige personages worden neergezet. Maar al snel overheerst ergernis bij deze voortdurende, vrekkige zorg om niets verloren te laten gaan, het er allemaal zo dik bovenop te leggen. Kunst ontaardt hier voortdurend in een kunstje. Als Cocteau zich zou laten gaan, zou hij vaudeville schrijven.
Wie houdt van schrijversvriendschappen komt in Het innerlijk blauw ruimschoots aan zijn trekken. Oscar Wilde komt langs, trouwe vrienden Paul Valéry en Roger Martin du Gard, de katholieke dichter Claudel, jeugdvriend Pierre Louÿs. Gide ontmoet Julien Green, de familie Mann en de Nederlandse auteur Jef Last, waarmee hij een positie als linksvoelend getrouwde homoseksueel gemeen heeft. Hun vriendschap krijgt zijn beslag tijdens reizen naar Spanje en Marokko.

Reizen is een belangrijk motief in het dagboek. "Ik heb me nooit kunnen vestigen in het leven. Altijd op één bil, alsof ik op de armleuning van een stoel zit, klaar om op te staan vertrekken," schrijft Gide. Belangrijk zijn vooral de reizen naar Congo (1925, waar Gide onthutst een blik kan werpen achter de koloniale coulissen), naar de USSR (1936, waar zijn communistische sympathieën een zware deuk krijgen) en naar Egypte (1939, waar zijn aandacht vooral uitgaat naar gebruinde mannenlichamen). Gides reisnotities zijn ook steevast hoogtepunten in het dagboek.

Het typeert Gides oprechtheid dat hij uitvoerig kond maakt van hoe hij de situatie in Rusland verkeerd heeft ingeschat. Zijn neiging elk internationaal gevoel toe te juichen, alles wat ertoe neigt de mensheid boven een natie voorrang te geven, moet hij bij nader inzien temperen. "Ik heb geen verstand van politiek," noteert hij ergens. "Ik stel er hooguit belang in als in een roman van Balzac, met zijn hartstochten, kleingeestigheden, leugens en geschipper." En elders: "Mijn houding daartegenover was de enige die een kunstenaar moet innemen en die hij moet proberen te handhaven. Ook als kunstenaar geef ik gehoor aan het ‘oordeel niet’ van Christus." Die afzijdigheid zorgt er wel voor dat Gide opvallend lauw staat tegenover de ontwikkelingen in het nazistische Duitsland van de jaren dertig.



Finale oorzaken
In dagboeken is introspectie mij het liefst, dat wordt weer eens duidelijk als ik de tweeëntwintig bladzijden notities herlees die ik tijdens het lezen van Het innerlijk blauw heb gemaakt. Als lezer over de schouders kijken van een dagboekanier die met grote inspanning zichzelf in evenwicht tracht te houden -- ik kan geen spannender genoegen indenken. Het dagboek van Gide komt daarin tegemoet. Sla Het innerlijk blauw op, en het is alsof je het plankje wegschuift voor het houten vlechtwerk in de biechtstoel.

Eerst zijn daar de strubbelingen met de kerk. Met Kierkegaard (en diens dagboek) heeft Gide gemeen dat hij de kerk bekampt met intellectuele argumenten, alsof dat instituut ooit een faire tegenstander zal worden.
Niets ergert sommige katholieken meer dan wanneer ze zien dat wij als vanzelfsprekend tot een onthechtheid geraken die zij, met al hun geloof, zo moeizaam weten te bereiken. Het scheelt niet veel of ze zouden je verwijten dat je vals speelt. De deugd moet hun alleenrecht blijven, en alles wat een mens op eigen kracht bereikt, zonder hulp van paternosters, telt niet. Zo vergeven ze ons ook ons geluk niet: dat is goddeloos; alleen zij hebben recht op geluk. Een recht overigens waar ze maar weinig gebruik van maken.

[...]

De moeilijkheid is dat het christendom (de christelijke ortodoxie) exclusief is en dat het geloof in zíjn waarheid het geloof in iedere andere waarheid uitsluit. Het neemt niets op; het stoot af.

[...]

Ja, om sentimentele redenen probeer ik een terrein van verzoening te vinden, van mogelijke overeenstemming tussen christendom en communisme. Maar ik zie helaas maar al te goed hoe en waarom kapitalisme en katholicisme samenspannen, en het voordeel dat het kapitalisme heeft bij een godsdienst die degene die de maatschappij op de rechterwang slaat leert vervolgens de linkerwang toe te keren, die de onderdrukte verdooft en sust met de hoop op het hiernamaals, die de beloning naar een mystiek niveau tilt en de onderdrukkers een triomf schenkt waarvan ze de onderdrukten in de waan laten dat die op een illusie berust.
Wat Gide evenwel aantrekt in christenen is dat zij twee tegenstrijdige waarheden, zoals de goddelijke voorkennis en de vrije wil van het individu, niet proberen met elkaar te verzoenen. Ook de schrijver waakt ervoor alle natuurlijke tegenstrijdigheden in zijn persoonlijkheid te beschermen. En niet alleen omdat ze de humus zijn voor zijn kunstenaarschap; tegenstellingen opgeven betekent het leven opgeven, want die creëert de tegenstellingen. De levensvonk kan alleen overspringen tussen twee tegengestelde polen. Gides ideaalbeeld is een mens die kritische geest paart aan daadkracht: "Gewoonlijk vinden we onder intelligente mensen alleen wereldvreemden, en onder mensen van actie alleen dwazen."
Degenen die beweren volgens vaste leefregels te handelen, vind ik, hoe mooi die regels ook mogen zijn, domkoppen of op zijn minst zielenpieten, die niet in staat zijn uit het leven te halen wat erin zit -- ik bedoel: niet in staat zijn te leren van het leven. Onuitstaanbare figuren in ieder geval.

[...]

Het is een grote stap naar wijsheid steeds wanneer mogelijk is het ‘waarom’ te vervangen door het ‘hoe’. Tussen die twee vragen blijft ondanks alles een verborgen verband. Mystieke geesten maken zich alleen druk om het eerste en denken alleen aan finaliteit, naturalisten denken alleen aan het tweede, alleen dat kan een zinnig antwoord opleveren, dat de studie van de natuur altijd kan geven, alleen dat maakt enige vooruitgang mogelijk. Het zoeken naar ‘finale oorzaken’ is het paard achter de wagen willen spannen.

[...]

Ophouden op jezelf te letten, dagen weken, maanden lang. Jezelf uit het oog verliezen. Door een lange tunnel gaan aan het einde waarvan misschien een nieuw land gloort… Ik ben vaak bang geweest dat een te aanhoudend bewustzijn de toekomst té logisch aan het verleden verbindt, dat het een hinderpaal is voor het wordingsproces. Alleen de nacht en de slaap maken metamorfosen mogelijk, zonder de vergetelheid in de pop zou de rups geen vlinder kunnen worden. De hoop om als iemand anders wakker te worden verplicht me degene die ik ben te laten inslapen.
Zoals bij een noveen
Het woord authenticiteit valt ook opnieuw een paar keer. Het debat van ieder wezen met wat hem belet authentiek te zijn is wellicht het belangrijkste thema in Gides boeken. "De menselijke ziel is vergelijkbaar met een palimpsest: je leest wat het eerst geschreven is, en zo moeilijk te ontcijferen door de opeenstapeling van correcties en toevoegingen." Daarom spijt het me zo dat ik Gides oeuvre niet beter ken om het te kunnen terugkoppelen naar de intellectuele ontwikkelingen in het dagboek. Het leidt er ook toe dat de prachtige opmerkingen over de kunst van het schrijven, die over de hele oppervlakte van Het innerlijk blauw verspreid liggen, een wat loze glans krijgen.

Naar ik begrijp heeft Gide een hekel aan virtuositeit, hoewel ze hem toch altijd imponeert. Hij voelt bij een schrijver graag een zekere innerlijke rijkdom die niet wordt geëxploiteerd, maar waarvan alleen een glimp zichtbaar wordt in de spaarzame woorden die hij de lezer schenkt. Alle vooruitgang in de kunst van het schrijven, zegt Gide, wordt alleen geboekt door het laten varen van een zekere eigenliefde. Ook hijzelf was daar ooit zo van vervuld, dat het witte papier meer tot spiegel diende dan tot iets anders.
Goed schrijven, stijl waarvoor ik bewondering voel, is die waardoor de lezer zonder dat het al te veel opvalt even blijft stilstaan en langzaam voortgaat in zijn denken. Ik wil dat zijn aandacht stap voor stap verdergaat op een voedzame, diep omgespitte bodem, maar de lezer zoekt meestal gewoon een soort lopende band waarop hij voortglijdt.
En inhoudelijk? Waar moet een goed boek over gaan? Een roman moet volgens Gide een "kruispunt zijn, een ontmoetingsplaats van vraagstukken". Objectiviteit noemt hij een makkelijke vluchtplaats voor schrijvers "zonder innerlijk landschap".
Het verlangen om personages die men in werkelijkheid heeft ontmoet realistisch te beschrijven is nogal wijdverbreid, dunkt me. Daarmee kan men een bepaalde opmerkingsgave en schrijftalent etaleren. Maar het scheppen van nieuwe personages wordt pas een natuurlijke behoefte bij degenen die gekweld worden door een dwingende innerlijke complexiteit die ze niet voldoende kunnen uitleven in hun eigen handelen.
Tot zover de mooie theorie. In Het innerlijk blauw wordt váák geklaagd als een boek weer eens niet vlot. Soms is Gide te beschroomd, te lui, te laf om zich aan het schrijven te zetten en gaat hij gretig in op alle afleiding die zich voordoet. Net voor het beginnen van De valsemunters raadt hij zichzelf daarom aan een uur lang in zijn kamer heen weer te lopen, zonder intussen te lezen, en dat te herhalen "zoals bij een noveen". Een oefening in ascese.

Het belet Gide niet een gigantisch oeuvre te scheppen. Een gevarieerd oeuvre bovendien -- bijna met opzet keert elk nieuw boek zich tegen de liefhebbers van het vorige. Dat heeft een reden. Gide wil de lezer dwingen zijn werk alleen om de goede reden te prijzen en elk van de boeken te nemen voor wat het is: een kunstwerk.

Gide wordt een van de belangrijkste schrijvers van zijn tijd en is altijd goed voor controverse. In geschrifte zegt Gide te lijden onder het icoonschap dat hem wordt opgedrongen, en alle drukte van dien. Dagenlang moet hij zaken afhandelen, correspondentie, die net zo goed door een secretaris hadden kunnen worden gedaan.

En dan maakt de lezer van Het innerlijk blauw de schrijver niet eens mee op het hoogtepunt van zijn roem -- dat ligt net achter de einder van deze dagboeken, in 1947, wanneer Gide de Nobelprijs wordt toegekend.

En kijk, ondanks eerdergenoemde nare ervaringen heb ik opnieuw De immoralist, De kelders van het Vaticaan en Niet als de anderen (nieuwe vertaling van Si le grain ne meurt) onderstreept op mijn lijstje 'dringend te lezen boeken'. Vallen die boeken niet mee, dan loopt het met mijn bewondering voor Gide zoals Gides bewondering voor Flaubert, die voornamelijk gestoeld was op diens brieven en niet op Madame Bovary of enig andere roman.

Intussen is Het innerlijk blauw een waar lijfboek geworden. Ik neem zelfs de nieuwe belettering en de overijverige annotaties van De Veth voor lief. Bernard Pivot rekent Gides journal in La bibliothèque idéale bij de tien beste boeken in het genre (naast Boswell, Gombrowicz, Kafka, Kierkegaard, Léautaud, Musil, Renard, Stendhal en Da Vinci) en ik begrijp nu volkomen waarom.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://www.gidiana.net/
> http://www.andregide.org/
> meer Privé-domein op Achille

André Gide, Het innerlijk blauw : een keuze uit het dagboek 1918-1939
662 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2006
Oorspr. Journal I, 1887-1925 (1996) en Journal II, 1926-1950 (1997)
Vertaald door Mirjam de Veth
Privé-domein nr. 259

____

donderdag 25 december 2008

Daily Routines

"How writers, artists, and other interesting people organize their days. Culled from books, newspapers, magazines, and web sites."

> http://dailyroutines.typepad.com

____

Folklore

"Folklore: Electronic Journal of Folklore publishes original academic studies in folklore studies, comparative mythological research, cultural anthropology and related fields."

> http://www.folklore.ee/folklore/

____

Jewish Virtual Library

"Source for information about Jewish history, Israel, U.S.-Israel relations, the Holocaust, anti-Semitism and Judaism. This is not just a historical archive, it is also the place to find talking points on breaking news."

> http://www.jewishvirtuallibrary.org/

____

The Idea Shower

"The Idea Shower was created to serve as a launchpad of new ideas for the web. It was created to catalog the successes of those ideas, and sometimes more importantly, their failures."

> http://www.ideashower.com/

____

woensdag 24 december 2008

Op weg naar Ofrýnio - Fílippos Drakondaïdís

Begin 1978 kwam een kleine personenauto met drie vrouwelijke inzittenden frontaal in botsing met een vrachtwagen, op de weg van Saloníki naar Kavála, bij de afslag naar Ofrýnio. De drie vrouwen kwamen daarbij om het leven en werden in de bak van een kleine boerenkipauto geladen en naar het lijkenhuis in Saloníki overgebracht. De Griekse auteur en Pessoa-vertaler Fílippos Drakondaïdís was getuige van het ongeluk.

Drakondaïdís sprak nadien met kennissen van de slachtoffers en een aantal vrachtwagenchauffeurs. Met dat ruw materiaal componeerde hij Op weg naar Ofrýnio, bij mijn weten het enige boek dat van hem vertaald is in het Nederlands.

Hij noemde het een histórema (dat hier met 'tafereel' is vertaald), doelend op de voorstellingswijze in de Byzantijnse schilderkunst. Daarin zijn de onderwerpen altijd op dezelfde vastgestelde wijze beschilderd, om op dezelfde plaats in de kerk te worden ophangen, die voor elke heilige vastligt. Toch zijn er Byzantijnse schilders die erin slagen ondanks de beperkingen een persoonlijk kleur te geven aan de voorstellingen.

En dat is wat ook Drakondaïdís probeert. Het onderwerp, het zinloze verkeersongeluk, is genoegzaam bekend uit krant of nieuwsbulletin -- aan de schrijver om het op zo'n manier te brengen dat het ophoudt iets te zijn dat voorbijgaat en vergeten wordt.

Op weg naar Ofrýnio bestaat derhalve uit de voorgeschiedenis van de drie vrouwen en die van de vrachtwagenchauffeur, die om beurten wordt uitgespit. Alles culmineert in de noodlottige bladzijden van het accident, dat we nu met meer empathie behoren te bekijken.

Veel wordt echter verkorven door het voorwoord, waarin de afloop al wordt verklapt. Aan de andere kant zie ik niet hoe Drakondaïdís überhaupt de lezer had kunnen verrassen.

Daarom blijft enkel de overtuigingskracht van de vertelling over om de roman te schragen, en die is onder de maat. Op weg naar Ofrýnio, ondanks de uit het leven gegrepen bijzonderheden, leest meer als een sociologisch rapport dan een roman, met oervervelende parameters als het familieleven, werkgelegenheid en vrouwenemancipatie.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Fílippos Drakondaïdís, Op weg naar Ofrýnio : tafereel
118 p.
Uitgeverij Bert Bakker, 1987
Oorspr. Pros Ofrý
nio (1980)
Vertaald door Hero Hokwerda

____

Related Posts with Thumbnails