Naipauls halfslachtige Indische roots. Zijn emigratie naar Londen. Een verblijf in Afrika. - Wie Het raadsel van de aankomst of Schrijversmensen heeft gelezen, weet dat Een half leven een roman is met een sterk autobiografische inslag. Maar omdat Naipaul niet met dramatische ontwikkelingen komt aanzetten, stel ik me vragen naar het waarom van die romantisering. Eén ding is zeker: een mindere Naipaul levert nog altijd een goed boek op.
Want dit verhaal over ontheemding, vervreemding en identiteit steekt bomvol levenservaring. Twee dagen deed ik over amper tweehonderd bladzijden. Eerst met lange tanden -- wat interesseert mij het kastestelsel in het India van de jaren veertig? -- later in bewondering voor de gereserveerde toon van V.S. Naipaul, waarin hij toch een emotionele lading weet te leggen. Met dat 'later' bedoel ik overigens: wanneer Naipauls hoofdpersoon in Londen is aangekomen (en de lezer dus niet om de haverklap meer moet bijgepraat worden over de exotische context) en de Indische schutkleuren van Willie Chandran (zo heet de held) afsteken tegen de West-Europese achtergrond.
Onderduiken in een land
Een half leven vangt aan met een onderzoek naar de wortels van Willie Chandran. Met de geschiedenis van zijn vader dus. Deze leeft in een uithoek van India die afgesneden is van alle politieke ontwikkelingen en waar de onafhankelijkheidsbeweging nog geen grote rol speelt.
Vader Chandran rebelleert dan maar op zijn eigen onbenullige manier tegen de toekomst die op grond van zijn hoge kaste (hij is de zoon van een hoveling) voor hem is uitgestippeld: in antwoord op de oproep van de mahatma boycot hij het Britse onderwijs en geeft hij zijn opleiding Engelse literatuur eraan. Ook de hoge post en glanzende carrière die hij bij de belastingdienst van de maharadja kan bekleden keert hij de rug toe voor een bestaan als bedelaar. En alsof dat nog niet genoeg is trouwt hij met de meest laaggeboren vrouw die hij kan vinden. Het is allemaal zijn onhandige manier om de oude normen en waarden af te wijzen, zijn sympathiebetuiging voor de zelfopofferingsleer van de mahatma.
Het enige concrete resultaat van zijn handelen is echter dat hij zichzelf daarmee ongeschikt maakt voor het leven, terwijl hij moet toezien hoe zijn vrienden en vijanden alsmaar succesvoller en achtenswaardiger worden. Ironisch lichtpuntje in zijn bestaan is de ontmoeting met de beroemde Engelse schrijver William Somerset Maugham, die vader Chandran gebruikt als "de spirituele bron" voor The razor's edge. Door deze belangrijke connectie met een westerling moet zijn omgeving hem toch een béétje respecteren. Het contact met Maugham heeft zelfs zo'n indruk gemaakt dat hij zijn zoon naar de schrijver vernoemd.
Deze Willie Somerset Chandran rebelleert vervolgens op zijn beurt tegen het milieu van zijn ouders. Hij zegt de missieschool vaarwel en trekt met een studiebeurs naar Londen. Op dat punt lijkt Een half leven even een Indische variant op het sublieme Portret van een jongeman, maar Naipaul schrijft groezeliger, rommeliger dan Coetzee.
Mooi is alleszins hoe Naipaul de teleurstelling van de jonge immigrant beschrijft. Op een Londense kweekschool (een semi-liefdadige stichting uit de Victoriaanse tijd) moet hij alles wat hem vertrouwd was opnieuw leren. De academische gewaden van de lesgevers acht hij echter "nageaapt van de islamitische seminaries van duizend jaar geleden" en ook bij het zien van Buckingham Palace schaamt Willie zich over zijn fantasievolle voorstellingen en goedgelovigheid.
Het paleis van de maharadja in de deelstaat waar hij vandaan kwam was in zijn ogen veel grootser, meer een echt paleis, en daardoor kreeg hij ergens diep in zijn hart het idee dat de koningen en koninginnen van Engeland maar deden alsof, en dat het hele land een beetje een schijnvertoning was.
Het gevoel van ontheemding is in eerste instantie niet gering. Willie begrijpt bijvoorbeeld het wereldnieuws niet op de radio en in de kranten. "Het was alsof hij zich met grote snelheid voortbewoog, zonder referentiepunten die hem een idee gaven van zijn positie en zijn snelheid." In Londense middens wordt hij ook gedwongen dieper na te denken over de identiteit van zijn ouders. In gesprekken laat hij zijn vader brahmaan blijven, van zijn moeder maakt hij een christen.
Hij ontmoet Percy Cato, een Jamaicaan, met gemengd bloed. Het is niet zo dat deze hem wegwijs maakt in de Engelse manier van leven. In werkelijkheid gaat Willie via Percy deel uitmaken van de groep immigranten (eerst uit het Caribisch gebied, toen uit de blanke kolonies in Afrika, daarna uit Azië) die aan het eind van de jaren vijftig korte tijd een bohémien leven leidde in Londen en hoogstens in contact kwam met avontuurlijke Engelse autochtonen die openstonden voor deze nieuwkomers en "de koloniale gedragscode op z’n kop wilden zetten".
Op zo'n bont feestje wordt Willie uitgenodigd door een BBC-redacteur om stukjes te maken over zijn Indische achtergrond, en nog later om de
rassenrellen te verslaan. Opnieuw wordt hij gedwongen tot reflectie over zijn afkomst.
Willie maakt intussen werk van zijn schrijversambities; hij schrijft evenwel kortverhalen met personages en situaties die ver van hem afstaan. Via Roger, een jonge jurist, komt hij veel te weten over de Engelse schrijvers en critici van die dagen:
Orwell,
Waugh,
Powell,
Pritchett en
Connolly. Roger wil hem tevens in contact brengen met een literaire uitgever.
Ik zal jou voorstellen als een rijzende ster aan de literaire hemel. Bij Proust komt een personage voor met een druk sociaal leven, Swann heet hij. Die vindt het leuk om voor zijn eigen plezier af en toe een aantal heel verschillende mensen bij elkaar te brengen om, zoals hij zegt, een sociaal ruikertje te creëren.
Bovendien ontmoet hij Marcus, een West-Indische / West-Afrikaanse diplomaat, die hoog oploopt met, jawel, interraciale seks, en Richard, een dichter annex salonmarxist die op jacht is naar rijke vrouwen. De uitgever neemt uiteindelijk Willies boek op in zijn fonds, al is dat vooral om zijn linkse reputatie in de verf te zetten.
Wie weet krijgen wij van jou nog eens een nieuwe interpretatie van De woeste hoogte. Heathcliff was een half-Indiaans kind dat in de haven van Liverpool werd aangetroffen.
Sarojini, de zuster van Willie, getrouwd met een Duitse fotograaf en woonachtig in Duitsland, probeert Willie tot de orde te roepen. Dit zwerversleven vol vrijheid en zonder verantwoordelijkheid kan niet blijven duren.
Ze zei: ‘En als je die grandioze graad of akte gehaald hebt, wat ga je er dan mee doen? Neem je dan een baantje in het onderwijs en duik je dan de rest van je leven onder in dit land?’
[…]
Hij dacht: Wat ze zegt, daar heeft ze gelijk in, al vind ik het niet aardig van haar dat ze het zegt. Ik weet niet hoe het me zal vergaan. Ik laat de dagen maar door mijn vingers glippen. Ik voel niets voor het leven dat me in India wacht. Ik heb nu tweeënhalf jaar als een vrij man geleefd. Ik kan niet meer terug naar dat andere. Ik voel er niets voor om met een vrouw zoals Sarojini te trouwen, en toch zal dat gebeuren als ik naar huis ga. [...] Maar wat de andere mogelijkheid betreft, heeft Sarojini ook gelijk. Als ik mijn onderwijzersakte haal en besluit hier te blijven en les te gaan geven, is dat een soort onderduiken. En het zal heus niet leuk zijn om les te geven in een buurt als Notting Hill.
Een belangrijk neventhema in
Een half leven is de seksualiteit van Willie. In Londen wordt hij er bruusk mee geconfronteerd. En hij moet vaststellen dat hij het seksuele onvermogen van zijn vader overgeërfd. Geen impotentie, maar het onvermogen om van seks te kunnen genieten. Seks is heel lang iets methodisch bij Willie -- het product van een oude Indische traditie van gearrangeerde huwelijken. En dat voor iemand uit het land van de
Kama Sutra! De
Kama Sutra is echter een boek van de hogere kasten, een historisch specimen, dat zelfs nooit door Willie's vader is ingekeken. "Nu leven we als onnozele incestueuze dieren in een hol." Willie slaat er dan maar een Pelican-pocket
Fysiologie van de seksualiteit op na.
Na enkele wisselende seksuele contacten, onder meer met prostituees, krijgt hij een brief van een jonge Portugese vrouw uit een Afrikaans land die in Londen een cursus Engels studeert. Ook deze Ana wil zich losscheuren van haar achtergrond, de Portugese taal, en vluchten voor haar grootvader, een bekrompen man die alleen maar aandacht had voor Portugal, Portugees-Afrika, Goa (de Portugese kolonie in India) en Brazilië. Maar ze wil deook geen Zuid-Afrikaans Engels leren, maar Engels-Engels, en daarom is ze in Londen verzeild. Zij heeft Willie's pas gepubliceerde boek met graagte gelezen, in tegenstelling tot andere verhalenbundels, die niet voor haar, een immigrante, bestemd leken. Willie, van zijn kant, voelt zich het eerst in zijn leven volledig geaccepteerd. De twee krijgen een relatie.
Dan maakt Naipaul een abrupte, weinig elegante tijdssprong van achttien jaar en bevinden Ana en Willie zich in de bush ergens in Oost-Afrika, waar ze een plantage beheren in een Portugese kolonie (
lees: Mozambique). Voor de zoveelste maal verkeert Willie nu in een tussenpositie: ergens tussen de autochtonen en de blanke kolonisten in. Tussen deze tweederangs-Portugezen (Portugezen met Afrikaanse roots) raakt hij makkelijk geaccepteerd. Daar staat tegenover dat hij ongewild -- als man -- Ana's gezag over de werklieden op de plantage versterkt. Het zicht van Afrikanen die in hun eigen land naast de weg lopen is voor Willie een hoogst confronterend beeld. We schrijven dan medio jaren zeventig: het geluid van de kapmessen en de guerrillatrijders komt steeds dichterbij; de onafhankelijkheid van Mozambique is ophanden. End of story.
Hiërarchie, ras, land én continentV.S. Naipaul schrijft zoals altijd met de eenvoud en de rust van iemand die veel te vertellen heeft en wéét waar hij over vertelt. Vooral de door zijn Afrikareizen gevoede bladzijden over Mozambique zijn grondig en vol sprekende details ("Dat verklaarde de vislucht om ons heen: het was de geur van slangen.")
Meer en meer raak ik ervan overtuigd dat dit de stijl moet zijn van onze grote schrijvers: schrijvers met verhalen die op het randje van het plotloze verkeren, en toch rijk zijn en concreet.
Neem de volgende, onopvallende passage en merk dat Naipaul altijd het juiste evenwicht weet te vinden tussen precieze, tastbare beschrijving en een soort aantrekkelijke algemeenheid, die de verbeelding van de lezer aan het werk houdt.
Willie ontving op de kweekschool een brief op briefpapier van de zaak, met het verzoek een afspraak te maken voor een bezoek aan de uitgeverij. Die was gevestigd op een van de sombere pleinen in Bloomsbury. Het was een pand in de typisch Londense bouwstijl -- vlakke gevel, donkere baksteen -- die Willie middelmatig vond. Maar toen hij de treden voor het ogenschijnlijk kleine gebouw op liep, leek het steeds groter te worden. Bij de voordeur zag hij dat het toch een ruim, mooi pand was, en eenmaal binnen zag hij dat zich achter die donkere gevel hoge, goed verlichte, diepe kamers bevonden.
Veel plot heeft Naipaul ook niet nodig. Ik ben geneigd
Een half leven vooral op te vatten als een staalkaart van de vele wijzen waarop maatschappelijke hiërarchie, ras, land én continent invloed op iemand kan uitoefenen. Naipaul stapelt heel nadrukkelijk cultuurverschil op cultuurverschil in zijn roman. Hij schept een wereld van halfbloeden, ontheemden, kolonialen en tweederangsburgers. Verhalen vertellen, desnoods in geschrifte -- aan elkaar, over elkaar, over elkaars verwanten -- blijkt voor de personages de enige manier om bruggen te bouwen.
Mijn synopsis doet wellicht het tegengestelde vermoeden, maar Naipaul gaat daarbij niet te werk als een drammerige, overgeëngageerde auteur die zijn held op een dramatische zoektocht naar identiteit stuurt. Integendeel, Willie heeft een aangename laksheid over zich. Hij bezit zijn identiteit (of zijn gebrek eraan) zoals je een taal kan bezitten: je kan haar spreken met een vreemd accent, of zelfs helemaal verleren. Daarom viel het me makkelijk te sympathiseren met hem. Naipaul is gelukkig geen auteur die thuishoort in de stal van de hippe, lucratieve multicul. Zijn personages tonen juist hoe immigranten omgaan met hun besognes in een grijze, nauwelijks te dramatiseren wereld.
De introductie van de vader in het begin van
Een half leven is op zijn plaats. Ze geeft reliëf aan het leven van de zoon. Oók al knoopt Naipaul die hoofdstukken onhandig aan elkaar. Want vergis u niet:
Een half leven maakt een slordige, ja, halfafgewerkte indruk. Maar alleen de eerste veertig bladzijden zijn echt taai om door te komen. Daarin veronderstelt Naipaul veel voorkennis bij de lezer over de interne verhoudingen in de Indische maatschappij. Mijn kennis bleek al te pover.
> lees een fragment uit dit boek op
Prins van DenemarkenV.S. Naipaul, Een half leven
215 p.
Uitgeverij Atlas, 2001Oorspr. Half a life (2001)
Vertaald door Marianne Verhaart____