zondag 30 november 2008

Uit de feedreader [7]

Bescheiden aflevering wegens tijdsgebrek. Enkele achterstallige links.

> The literature of crisis - Marsh McCall

> 100 things to do with Google Maps mashups

> Wim Delvoye at Galerie Emmanuel Perrotin

> Does time run backward in other universes?

> Christopher Hitchens on 'Enemies of promise'

> Keith Gessen on Herzen's memoirs

> What's so scary about evolution?

> Book history films at the internet archive

> The therapeutic value of blogging becomes a focus of study

> Why are we still surprised when "non-fiction" is less than truthful?

> 6 horribly overused music video clichés

> The best figure drawing books ever

> Licentiaatsverhandelingen online

> Interviews op Antiqbook

> Over de poëzie, zoals zij is of moet zijn

> Watch the elegant universe

> The curse of the prolific author

> 'The Norton Anthology of English Literature', 8 th Edition

> So today I am thinking about pacing

> Maurizio Cattelan

> Kleine uitgeverij Vorroux steekt Johan Polak naar de kroon

> The internet review of books - archives

> Voix d'écrivains

> What makes a great portrait?

> Cara Barer, photographer

> Bookworm droppings

> Bedtime stories

> Modern essays, selected by Christopher Morley

> Top 10 archeological discoveries of 2007

> Het potloodje van de criticus - Marja Pruis

> 30 of the most creative bookshelve designs

> Librarians in the movies

> Technostalgia

> 15 awful mistakes made by designers in the music & apparel industry

> Aanraders en favoriete boeken van...

> The Library of Mu is a database of KLF press references

> The critic as artist - Oscar Wilde

> Violet Books : essay index

> The greatest drummers of all time

> Aging rockers onstage

> Electronic text: selective annotated bibliography
____

zaterdag 29 november 2008

Antwoord aan Nils

Há, Prins van Denemarken. Sinds kort heb ik mijzelf binnengelaten in de wondere wereld van de literatuur. Natuurlijk heb ik in m'n leven al heel wat boeken gelezen, ik ben immers 'al' 20, maar sinds enkele maanden hou ik me ook écht bezig met boeken en hun thema's, stijlen, auteurs et cetera. In het kader van mijn studie (Taal- en Cultuurstudies aan de Universiteit Utrecht) heb ik me tot nog toe beziggehouden met American Literature & Culture before 1900 en Letterkunde van Latijns-Amerika. Voor de komende blokken staan nog op het programma de vakken British Literature Before 1900 en Antieke Mythen in de Europese Literatuur.

Waarom ik u dit allemaal vertel? Simpel, ik wil zoveel mogelijk van literatuur weten en er met een heldere, kritische blik naar kunnen kijken. Beter gezegd: zoveel mogelijk boeken lezen. Vanavond kwam ik op uw blog terecht en ik raakte erdoor gefascineerd. Ik begrijp eruit dat u elke dag een boek leest -- u moet de afgelopen jaren een enorme 'bagage' hebben ontwikkeld wat betreft literaire kennis. Voor mijn ontwikkeling zou het ontzettend goed zijn om óók zoveel te lezen en er ook over te schrijven. Alleen, hoe en waar begin ik? Mijn speciale interesse gaat uit naar Amerikaanse, Engelse én Nederlandse boeken, met als thema het proces tot volwassenwording van de hoofdpersoon. Zo heb ik genoten van werken als
Huckleberry Finn, The Catcher in the Rye en, ja zelfs, Arnon Grunbergs Blauwe Maandagen. Toch zijn er een heleboel klassiekers die ik nog niet gelezen heb. Eigenlijk heb ik het gevoel dat ik nog ontzettend weinig van literatuur weet.

Goed. Concreet worden. Ik vroeg me bij het lezen van uw blog een aantal dingen af. Hoe bent u begonnen met uw 'project'? Hoe komt u aan de boeken -- gewoon kopen, of lenen? Wat zijn uw favoriete boeken? Welke werken móet ik in uw ogen gelezen hebben? Natuurlijk, ik klink als een simpele ziel nu. Maar ik was toch benieuwd naar uw tips of opmerkingen. Wellicht kunnen die me een beetje op weg helpen.

Nils



Beste Nils,

Literatuur, er is eigenlijk geen beginnen gaan. Tenzij u katholiek of andersoortig religieus bent is er geen boek dat we het begin kunnen noemen, of het einde. De letteren vormen een oneindig web zonder middelpunt en geen mens heeft het volledige overzicht. Het goede nieuws is dat de jacht mooier is dan de vangst, het reizen zinvoller dan de bestemming. Mooier nog dan een gelezen boek dat goed was, is het nog moeten lezen van een boek dat mogelijks goed zou kunnen zijn.

Afijn, hebt u graag The catcher in the rye gelezen, dan zullen Douglas Coupland, Bret Easton Ellis, Jay McInerney, Ray Loriga, Enrico Brizzi, Frédéric Beigbeder, Irvine Welsh, Tibor Fischer en DBC Pierre u met open armen ontvangen. Bildungsromans zijn dan weer bij uitstek een negentiende-eeuwse onderneming. George Eliot (Middlemarch) heeft er zich aan gewaagd, Dickens (David Copperfield) en Toergenjev (Vaders en zonen). Van recenter datum lijken me Thomas Mann (De Toverberg, Buddenbrooks, voor de volhouders), Herman Hesse (De steppenwolf, Demian), J. Coetzee (Portret van een jongeman) en V.S. Naipaul (Het raadsel van de aankomst) verplichte kost.

Alleen is de ellende met literatuur dat je pas echt begrijpt waarom goede boeken goed zijn wanneer je eerder een karrevracht slechte boeken heb verstouwd. Hebt u er daarom iets aan dat ik Paul Auster, W.G. Sebald, George Orwell, Günter Grass, Raymond Carver, Joseph Roth, Philip Roth, Italo Calvino, Georges Perec, Graham Greene, Alice Munro en voornoemde J. Coetzee tot mijn favorieten reken? Neen. Niemand kan in uw plaats zeggen wat goed voor u is.

Niemand kan in uw plaats zeggen wat goed voor u is, maar velen kunnen zeggen wat er in de wereld te koop is. Goede diensten bewijzen wellicht drie boeken van de Nederlandse criticus Pieter Steinz: Lezen etcetera, Lezen op locatie en Het web van de wereldliteratuur. Ze zijn de meest prettige manier om met de canon in contact te komen die ik ken. Massa's auteurs, massa's titels, en Steinz is erg goed in het pitchen (het opgeven van een ultrakorte, tot de verbeelding sprekende inhoud) van boeken. Serieuze critici halen dikwijls de neus voor hem op, maar laat u daardoor niet ontmoedigen. Doorblader deze Steinz en volg uw instinct. Betrek uw boeken eerst van de bibliotheek en schaf ze daarna aan, tweedehands, als ze tot u hebben gesproken.

Houd vooral moed. Het is altijd en voor iedereen aanmodderen. Ik sprak laatst met een master in de letteren die nog nooit van Bohumil Hrabal had gehoord. Of van James Salter, Horacio Quiroga of Juan Rulfo. Lezen is netwerken, Nils. Hebt u een boek graag gelezen, tik het in op LibraryThing en Amazon en kijk op welke verwante boeken ze u daar attenderen. Mijn eigen hart gaat uit naar de Franse literatuur, maar al bij al schrijven vooral de nuchtere, pragmatische Engelsen en Amerikanen boeken die tot lang na verschijnen leesbaar blijven. Om met hen in contact te komen lijkt me The salon.com reader's guide to contemporary authors (de Engelstalige Steinz, zeg maar) een goeie instapper.

Bent u daar doorheen, dan is het tijd geworden voor La bibiothèque idéale, van de Franse alleslezer Bernard Pivot. Dit magistrale boek is altijd wel ergens in een filiaal van De Slegte te vinden. Het is nuttig omdat het ook poëzie, toneel, reisverhalen, non-fictie en dagboeken bevat.

Dagboeken. Toen ik uw leeftijd had was ik verslingerd aan dagboeken. Privé-domein is in dat verband een reeks om in het oog te houden, als u de grote egotisten niet in hun oorspronkelijke taal wenst te lezen. Julien Green, Henry De Montherlant, Ernst Jünger en de broertjes Goncourt hebben sublieme dagboeken geschreven. Jules Renard, Gerrit Komrij, Georg Christophe Lichtenberg, en vooral Elias Canetti zijn de meesters van de korte aantekening. Lees aantekeningenmakers, zelfs al zijn ze niet in Privé-domein verschenen. De snelle interventies van Ambrose Bierce (The devil's dictionary), La Rochefoucauld (Maximen) en Stanislaw Jerzy Lec (Het grote boek der ongekamde gedachten) hebben mijn wereldbeeld grondiger gewijzigd dan de turven van menig beroepsfilosoof. Lees brieven. Op de universiteit zullen ze u lastig vallen met Madame Bovary en de Trois contes, maar zullen ze reppen van de Brieven van Flaubert? Ook zij zijn driedelig te vinden in Privé-domein. Diezelfde reeks bevat tevens het boek dat, naast de poëzie van Hugo Claus, mij het meest van allemaal heeft geraakt en gemaakt, Het boek der rusteloosheid van Fernando Pessoa.

Lees én maak aantekeningen bij elk gelezen boek. U doet er de toekomstige versie van uzelf een groot plezier mee. Er zijn trouwens geen shortcuts om veel gelezen te hebben. Veel lezen impliceert domweg veel lezen. Het heeft denk ik met constitutie te maken. Veellezers hebben drie zaken gemeenschappelijk: (1) ze vinden boeken even noodzakelijk als water, brood en een goede hygiëne; (2) ze eisen genadeloos alle vrije tijd op die nodig is om hun verlangen naar het gedrukte woord bot te vieren, wat de sociale consequenties daar ook van zijn; en (3) ze vertonen tot op zekere hoogte compulsieve trekjes, die het hen makkelijk maakt eender welke gewoonte dagelijks te onderhouden.

Zelf ben ik pas echt beginnen lezen toen ik mijn studie eraan gaf. Met de koppigheid en de hoogmoed en de fouten die elke autodidact eigen zijn. Fouten? Jazeker. Wat ik tien jaar lang heb nagelaten, en wat u zeker moet doen, systematisch, volhardend, en van jongsaf aan, is het lezen van non-fictie. Had iemand mij maar eerder het wonder van het non-fictieboek geopenbaard! Niets erger dan de salonliteraat die roman op roman stapelt en daarmee vindt dat zulks volstaat voor zijn ontwikkeling. De volgende tien jaar van mijn leescarrière zullen daarom in het teken staan van het informatieve boek.

Hoe dat in de praktijk in zijn werk gaat, fictie en non-fictie door elkaar lezen, én daar zinvol over schrijven, heeft uw landgenoot IJsbrand van den Berg mij geleerd. Met zijn kritische zin en zeer brede belezenheid vormt hij sedert een jaar of drie een belangrijk rolmodel voor me; hij was zelfs de concrete aanleiding om met deze twee weblogs te beginnen. Van den Berg leert je helder schrijven en oorspronkelijk denken, los van modes of de waan van de dag. Zijn parler vrai is er verantwoordelijk voor dat ik de meeste literatuurbijlagen in onze kranten inmiddels ongelezen laat. Hoe waardevol zijn dagelijkse, op het eerste gezicht weinig spectaculaire bijdragen over boeken zijn, dat besef dringt zich pas op als je de man al een tijdje volgt. Gun uzelf die verslaving. Vergeet het archief en zijn algemene weblog niet te raadplegen.

Genoeg categorische imperatieven voor nu. Bedenk, Nils, dat veel boeken lezen het halve werk is. De andere helft van het werk heet: veel boeken gelezen hebben. Weet waar u aan begint. Men zal u uitmaken voor asociaal, verwaand, wereldvreemd, boekenwijs. Men zal u benaderen met een explosief mengsel van afgunst, bewondering en onbegrip. Men zal u toewerpen: 'Heb jij dan echt niets beters te doen?' en u zal kort, beleefd en naar waarheid moeten antwoorden: 'Niet echt, neen. Voorstel?'

Met vriendelijke groet,

Achille van den Branden
____

vrijdag 28 november 2008

Opgejaagd, gedoemd, verloren - Klaus Mann

Alles lees ik van de familie Mann, en alles even gebiologeerd. Ja, zelfs de dagboeken, gesteld in die afschuwelijke telegramstijl. Klaus Mann blijkt wat kortafgesneden aantekeningen betreft zijn vader naar de kroon te steken. En dat beseft hij zelf: "Valt me op hoe vreselijk oppervlakkig dit soort aantekeningen op anderen moet overkomen -- als ze ze ooit in handen zouden krijgen -- , omdat ze alleen maar de naakte feiten en helemaal geen ontwikkeling laten zien."

Met hinkstapsprongen heeft vertaler W. Hansen zes jaren geselecteerd uit het journaal van Klaus Mann, een van de boegbeelden van de Duitse emigrantenliteratuur. Het trapt niet toevallig af met het sinistere jaar 1933 en het nieuws dat Hitler rijkskanselier is geworden. Klaus, hevig geschrokken, slaat zich voor het hoofd voor zijn inschattingsfout en roept Duitsland ironisch uit tot "het land van de onbegrensde mogelijkheden".

Later leest Mann in het "Berliner-Kots-Tageblatt" dat ook zijn eigen boeken in alle Duitse steden in het openbaar zijn verbrand; in München op de Königsplatz. Mann vertrekt eigener beweging uit Duitsland en geeft zich over aan een zwervend bestaan door Europa. Altijd hotelkamers, altijd tijdelijke verblijven. Hij wordt een van de motoren van het exil-tijdschrift Die Sammlung dat in de vroege jaren dertig bij het Amsterdamse Querido verschijnt. Parijs is een andere vluchthaven.

Naar Julien Green, Av. du Prés. Wilson. Thee bij hem gedronken. Goed gesprek (de Brontës, Bonzo, Noord-Afrika, Platen, Hitler. Merkwaardig: hij laat niets van zijn persoonlijke leven in zijn boeken toe, strenge scheiding, ‘Niet ik, maar iemand anders schrijft mijn werk.’ Ter ontspanning dagelijks homoseksuele aantekeningen. Zijn ontzaglijk hartstochtelijke en tegelijk kille verhouding tot het seksuele. Toont me de pornografische Tsjelitsjev: heroïsche piramide van de ontucht.)
Opgejaagd, gedoemd, verloren is een dagboek van grote rusteloosheid. Mann bericht over de boeken en massa's tijdschriften die hij leest, de mensen die hij ontmoet, de films die hij ziet, de bars die hij bezoekt, de erotische geneugten die hij ondergaat. De lezer wordt verpletterd onder namen, toenamen en titels. Het zou het dagboek bijna onleesbaar moeten maken, en toch heb ik het bijna in één zit uitgelezen. Je moet de aantekeningen snel lezen; dan bestaat de kans te worden meegezogen met de dynamiek ervan. Klaus Manns dagboek fascineert zoals het gekrioel in een mierenhoop kan fascineren.
[Amsterdam] 28 maart 1936
Brieven geschreven aan Olden en Offi. Lunch met Magnus. Met hem, E., F. en Th. naar de film: Modern Times van Charly Chaplin. Buitengewoon mooi en ontroerend. Heel veel schitterende scènes (hoogtepunten als het ‘Chanson sans paroles’). De grote sociale ontbering. Qua compositie niet helemaal gelukkig: valt in fragmenten uiteen. Gelezen: Temps (de toespraak van Eden in het Lagerhuis, heel slap allemaal. Gerucht over aftreden van Schacht). E. en Th. te eten. Vanavond heel onrustig, naar drugs verlangd (’t is godgeklaagd). Acedicon-pillen gehaald. Meteen beter. Beetje gewerkt aan het slot van VI, tot tegen elven.
E. en Th. bij het theater afgehaald. Met advocaat De Vries (een heel ijdel mens, maar braaf antifascistisch) en zijn vriendin, de pianiste Stein, naar Américain. Daarna, zonder hen, naar Tanzklause: kleinburgerlijke dansfuif. Magnus er ook bij. Met z’n vijven naar de Artisten-Krieg. Gedronken. Ik met alleen Magnus nog naar de Kunst-Kring: behoorlijk erg. Luidruchtige, provinciale bohème, klein Schwabing. Met behulp van alcohol is het er uit te houden. Samen met de z.g. ‘gokster’ (E.’s aanbidster). Een paar andere mensen, de toneelspeler De Meester, de dichter Halbo Kool. MAGNUS. Avec beaucoup de tendresse. 5 uur.
Het engagement van Mann, die veel eerder en veel feller dan zijn vader de nazi's met open vizier heeft bekampt, is een belangrijke rode draad in de notities. Onvermoeibaar politiek actief is Mann, redekavelend, lezingen houdend, schotschriften schrijvend. Tegelijk is hij politiek dakloos, zeker wanneer hij na de oorlog de communisten de rug toe keert en al lang vervreemd is van zijn Duitstalige achterban. Ander terugkerend motief zijn de losse seksuele contacten met "co-operatieve" jongens, en de seksuele roes die Mann voor even met zichzelf laat samenvallen.
Sinds ik uit München weg ben, sinds BABS, heb ik de liefde alleen nog maar tegen contante betaling gedreven, en ik als degene die moest betalen. Matrozen, masseurs, homohoeren. Van twee of drie affaires die ik anders had gewild (bijv. met de Russische pianist), is niets geworden. Mij ontbreekt de kracht om me inniger en uitvoeriger aan één affaire te wijden. De scheiding van BABS. Maar zou het zo mooi zijn gebleven als in de laatste twee weken? Erger nog is de schaduw die de teleurstelling over HANS op alles werpt. Daar komen kleine tegenslagen bij, zoals Bozno die ik o zo heb overschat. Willi, al bijna vergeten. De aanwezigheid van René, die als een verleden is. Zo zit dat.
Bepaalde passages ("Ze bevallen me bijna allemaal, kruiers, kelners, liftboys, enz., blank of zwart.) roepen de dagboekbladen van Roem en verliefdheid op, waarin vader Thomas in het aanschijn van de dood zijn passionele gevoelens voor een jonge Zwitserse kelner beschrijft.

In 1938 vlucht Klaus Mann naar de Verenigde Staten en wordt Amerikaan. Hij gaat in het Engels schrijven maar moet met bitterheid in zijn stem toezien hoe hem dat veel minder goed af gaat dan in het Duits ("Moet ik het enige verliezen wat ik ooit heb bezeten: mijn taal?"). André Gide wordt veel genoemd, als moreel en intellectueel voorbeeld. Ook de naam Christopher Isherwood valt geregeld.

Om zichzelf op orde te krijgen grijpt de labiele Mann altijd terug naar drugs en kalmeringsmiddelen, meest heroïne en benzedrine. Maar als de verdoving is uitgewerkt, wat dan? Na reeds een halfslachtige poging tot zelfmoord te hebben ondernomen, brengt Mann zichzelf in 1949 met medicijnen om het leven.

Hij wordt te Cannes begraven. Thomas Mann, door Klaus steevast aangeduid als "de Tovenaar" (wat de lezer nogal onbehaaglijk stemt) verschijnt niet op de begrafenis. Een jaar voordien had zijn zoon zich nog door De Toverberg geworsteld.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> uitgebreide bibliografie in de commentaren hieronder
> meer Privé-domein op Achille

Klaus Mann, Opgejaagd, gedoemd, verloren : dagboek 1933-1949
372 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1996
Oorspr. Tagebücher 1931–1949 (1990)
Vertaald door W. Hansen

Privé-domein nr. 205
____

donderdag 27 november 2008

De burgemeester

De burgemeester heeft ons iets misdaan,
Wij leerden, door zijn schuld, het leven haten.
Wij zullen allemaal zijn stad verlaten,
Die dood zal liggen in het licht der maan.

En hij alleen, hij kan hier niet vandaan,
Hij heeft geen wezen meer om mee te praten,
En moet, in zijn huis aan de groote laan,
Voor immer uitzien op zijn leege straten.

Het gras zal groeien in de magazijnen,
De waar bederven bij de winkelieren,
En huis na huis, en steen na steen verdwijnen...

Alles zal dood zijn als in Babylon,
Geen lied van vogels en geen kreet van dieren,
Niets dan de kou, de wind en soms wat zon.
('De burgemeester' van Jan van Nijlen, deels geciteerd in: In het café van de verloren jeugd)
____

The golden notebook

"It’s an experiment in close-reading in which seven women are reading the book and conducting a conversation in the margins."

> http://www.thegoldennotebook.org/
____

woensdag 26 november 2008

De Marques de Bolibar - Leo Perutz

De Oostenrijkse exil-schrijver Leo Perutz werd geboren in Praag in 1882, ten tijde van de Oostenrijk-Hongaarse dubbelmonarchie. Hij combineerde een loopbaan in het Weense verzekeringswezen met een schrijverscarrière die vooral tijdens het Interbellum een hoge vlucht nam. Perutz schreef overwegend historische mystery novels, vlot leesbare boeken, maar immer met een duidelijk literaire inslag. Het gewone lezerspubliek droeg hem op handen.

Maar wanneer in 1933 het Duitse nationaal-socialisme alle Oostenrijkse boeken afstoot ziet Leo Perutz een groot deel van zijn publiek en afzetmarkt verloren gaan, terwijl ook in zijn eigen land het antisemitisme om zich heen grijpt. Na de Anschluss in 1938 emigreert hij ijlings naar Palestina, om na de oorlog steeds vaker naar Oostenrijk af te zakken. Heimwee speelt hem parten. Publiceren doet hij haast niet meer. De eens beroemde schrijver raakt in de de vergetelheid.

Perutz sterft in 1957. Decennialang blijft zijn werk een sluimerbestaan leiden. Pas eind jaren tachtig wordt het terug opgepikt door een Duitse literatuurcriticus, waarna ook de Arbeiderspers zich aan een reeks vertalingen waagt. Van de elf romans die Perutz schreef worden er in de vroege jaren negentig vier in het Nederlands omgezet. Het -- in beide betekenissen -- fantastische De Marques de Bolibar bijt de spits af.

De tekst doet zich voor als de memoires van ene Eduard von Jochberg, de enige overlevende van een misdadige slachtpartij in 1812, tijdens de Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Twee Duitse regimenten die onder de Rijnbond gedwongen worden te vechten voor Napoleon zijn gestationeerd in een klein Spaans stadje. Een plaatselijke edelman, de enigmatische Marques de Bolibar, steunt buiten beeld de ogenschijnlijk gedweeë bevolking. Hij zal de Spaanse rebellen het drieledige signaal geven voor een algehele opstand.

De zaken raken gecompliceerd wanneer enkele Duitse officieren zich vergrijpen aan de vrouw van hun commandant en daar luidkeels ruchtbaarheid wordt aan gegeven door een dronken Spaanse muildierdrijver. Een paranoïde Von Jochberg laat de man prompt executeren, in de veronderstelling dat het de beruchte Marques de Bolibar in vermomming is. De eed die de arme man de officieren laat zweren net voor zijn dood zal de Duitse gelederen uiteindelijk noodlottig worden. Onwetend en half-verdwaasd leiden de officieren hun eigen ondergang in. Welke rol de ongrijpbare Marques de Bolibar daarin speelt, al dan niet als postume wreker, wordt nooit helemaal duidelijk.

‘Recht en onrecht, broeders, zijn twee ongelijke paarden, elk heeft een andere telgang. Maar vaak is het of ik de knuist zie die hen beide aan de teugel houdt en met hen de akker der aarde omploegt. Hoe moet ik het noemen, die raadselachtige wil die ons allen tot ongelukkige dwazen heeft gemaakt? Moet ik het noodlot noemen, of toeval, of de eeuwige wet van de sterren?’
Welnu, als we het dan toch over 'onderhoudende romans' moeten hebben: De Marques de Bolibar is er zo een. Een jongensboek voor volwassenen ("Laat alle wachtposten verdubbelen!") zoals er veel te weinig worden geschreven. Perutz doet zich te goed aan de geschiedenis zoals een Jeannette Winterson dat decennia na hem zou doen: heerlijk corrupt. Balzac is nog zo'n referentiepunt -- denk aan Kolonel Chabert en Balzacs fascinatie voor het occulte.

Suspense is een erezaak voor Perutz. Hij is het toonbeeld van een door de wol geverfde verteller. Hij kent het spel van suggestie en precisie. Hij weet hoe je beschrijvingskunst afwisselt met vitale dialoog. Neem alleen al het soldatengelal in dit boek. Ervaringsdeskundigheid zal daar wel niet vreemd aan zijn: tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Perutz onder de wapenen geroepen aan het oostfront, om ei zo na te sneuvelen in Galicië.

Aan Perutz' romans wordt vaak een mathematische strakheid toegeschreven, doelend op Perutz' achtergrond als verzekeringswiskundige. Het mystieke element lijkt me echter even prominent aanwezig. Wat die exact wetenschappelijke kant van Perutz betreft: vergeet niet dat de schrijver zich ook verdiepte in de parawetenschappen om met zijn overleden vrouw in contact te komen.

Niettemin, een andere roman, De Meester van de Jongste Dag, herinner ik me inderdaad als een boek met een dwingender compositie en schat ik daarom (en velen met mij) hoger in. Perutz hanteert daarin ook een soberder taal. In De Marques de Bolibar maakt hij het lexicaal nogal bont. Dondert niet: de kleurrijke, ietwat kitchy vertaling is om je vingers bij af te likken.
Op dit punt van zijn relaas gekomen gaf luitenant von Rohn een beschrijving van de ijselijke aanblik die deze nachtelijke bijeenkomst bood en die diep in zijn ziel stond gegrift. Hij schilderde hoe de Looierskuip als een kobold op de grond hurkte, het vuur met takken opporde -- want de nacht was koud -- en daarbij zijn blik strak omhoog op de Marques gericht hield. De Engelse officier met zijn onverstoorbaar gelaat, die niettemin zeer geagiteerd was en niet merkte dat de scharlakenrode mantel van zijn schouders was gegleden en op de grond gevallen. De guerrilla’s die zich om het vuur verdrongen, ten dele om alles precies te horen, ten dele vanwege de nachtelijke kou. En de kurkeik met de Mariaprent die zich, ontworteld door een storm en half omgevallen, naar de Marques leek over te buigen om ook zijn woorden op te vangen -- het was de luitenant in zijn bange en door koorts verwarde hart te moede alsof nu ook God en de heilige Maagd het met de guerilla’s op een akkoordje hadden gegooid en deel uitmaakten van hun samenzwering.
In het midden stond echter de Marques de Bolibar en ontvouwde de anderen zijn moordzuchtige plannen.
‘U moet uw mannen naar huis sturen, kolonel Saracho!’ beval hij. ‘U moet hen bevelen terug te keren naar hun akkers, hun wijnbergen, hun visvijvers en hun muildierstallen. Uw geschutstukken en de kruitwagens verbergt u en u wacht het moment af dat wij sterker zijn dan de Duitsers.’
‘En wanneer zal dat moment aanbreken?’ vroeg de Looierskuip weifelend, schudde het hoofd en blies het vuur aan.
‘Dat moment zal weldra aanbreken,’ deelde de Marques mee.
‘Want ik zal een bondgenoot voor u vinden. U zult een steun en toeverlaat krijgen aan wie u nu niet denkt.’
Leo Perutz dus, mensen. Een oeuvre dat zich uitstekend leent om iemand aan het lezen te krijgen. Met aanbevelingsbrieven van Tucholsky, Brecht, Broch, Fleming, Hitchcock, Borges, Greene en Calvino.

(Gebaseerd op notities van 31 maart 2006.)

Leo Perutz, De Marques de Bolibar
219 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1990
Oorspr. Der Marques de Bolibar (1920)
Vertaald door Nelleke van Maaren

____

dinsdag 25 november 2008

De minnaar - Marilyn French

Vreemd hoe summier het Wiki-lemma over Marilyn French uitvalt, toch een van de leading ladies van de tweede feministische golf. Ik had deze verhalenbundel willen aangrijpen om kennis te maken met haar fictie, maar het bleek moeilijk me er verder over te informeren. De verhalen zijn niet eerder samengebracht in een Engelstalige editie en googelen op de afzonderlijke titels levert ook niets op. Nu, een groot verlies is dat niet.

De verhalen uit De minnaar [niet te verwarren met de gelijknamige roman van Marguerite Duras] zijn gewoon stomvervelend. Ze hebben niets te maken met de rijkdom en klasse van een Doris Lessing of Alice Munro die ik eerder dit jaar las.

Marilyn French behandelt op een ongelooflijk schelle manier de strijd tussen de seksen. Daarbij wint de man natuurlijk het pleit -- dominant, harteloos en geil als hij is -- en moet de platgedrukte vrouw in een hoekje in de keuken lijdzaam toezien. Het verhaal 'Dagboek van een slavin' slaat wat dat betreft alles.

Waar is de humor, de clevere rebellie, de satirische inslag die in de letteren normaliter bij dit soort grove tweedelingen hoort, vroeg ik me af. Nergens. Bij French is er alleen plaats voor huis-, tuin- en keukenrancune, en akelig programmatische tussenzinnetjes.

De hele dag werken om een man te onderhouden en dan thuiskomen en zijn hielen likken. Wat sommige vrouwen al dan niet over hadden voor het twijfelachtige voorrecht van de huwelijkse staat. Zij? Nooit, nooit, wat beelden mannen zich eigenlijk wel in? [uit: 'De ondergang van de droomboot']

[...]

Waar waren hun moeders mee bezig, dat ze hen daar lieten spelen? Het was smerig, en gevaarlijk bovendien. [uit: 'De witte handschoenen van mevrouw']
Het titelverhaal? Lijkt misschien in de verte op iets van Jay McInerney, maar wordt ontsierd door opgespoten Freudiaans ("haar mond was geweldig, een enorme kut") en verschillende passages die alleen op glossy papier de schijn van literatuur hebben.
Henry nam een slok en minachting verdreef al zijn gedachten. Hij staarde naar Hawkes en wist dat het hem goed afging, dat zijn gezicht zijn gevoelens nooit verried, dat Hawkes dacht dat Henry geïmponeerd was en ingespannen luisterde om tussen de regels Hawkes’ geheim te zoeken. Henry voelde zich net een zalm die per ongeluk naar een zee vol haaien was gezwommen en alleen in leven was gebleven door zijn slimheid, door zich listig zozeer als de andere haaien te gedragen dat ze hem voor een van hen hielden. En hij had het overleefd. Maar toch, dacht hij terwijl hij Hawkes mond en wenkbrauwen zag bewegen maar geen woord hoorde, was er een probleem. Hij was een zalm, door de natuur voor iets beters bestemd, gezegend met het vermogen een heldhaftige prestatie te leveren en tegen de stroom op te tornen, de rivier op te zwemmen naar de bron om zijn eieren te leggen. Of deden alleen de vrouwtjes dat? Zwomme mannetjeszalmen ook stroomopwaarts? Hoe dan ook, hij had dat vermogen, dat iets in zich, maar kon er niets meer doen.
Alleen het verhaal 'Ga verder naar af' kan ermee door, omdat French daarin iets leuks probeert met het concept Monopoly.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Marilyn French, De minnaar : verhalen
171 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 1995
Vertaald door Jeanette Bos
Niet eerder samengebracht in het Engels

____

maandag 24 november 2008

In het café van de verloren jeugd - Patrick Modiano

Patrick Modiano behoort tot het kransje van mijn absolute lievelingsschrijvers. Dat wil zeggen dat ik reflexmatig klauw naar iedereen die zich laatdunkend over hem uitlaat. Niettemin weet ik dat tegenstanders gelijk hebben met te stellen dat Modiano altijd hetzelfde boek schrijft. Sterker nog: wie Modiano sowieso al onbewogen las, kan bij In het café van de verloren jeugd zonder problemen beweren dat hij een karikatuur van zichzelf geworden is.

Want ook in de nieuwe roman, zoals steeds flirtend met de honderdvijftig pagina's, is de Parijse topografie een volwaardig personage, ontpopt zowat elke ik-persoon zich tot biografisch sporenzoeker en wemelt het van de louche figuranten. Zelfs het beeld van de boevenwagen (waar de jeugdige Patrick Modiano ooit zelf werd in geduwd) is opnieuw present.

We schrijven de jaren zestig. Centraal door het beeld zwerft het meisje Jacqueline Choureau, "geboren Jacqueline Delanque". Kind van nondescripte ouders (haar moeder werkt in de Moulin Rouge) geeft ze zich over aan landloperij, die vaak eindigt op het politiebureau: "Mijn enige goede herinneringen zijn herinneringen aan vluchten en weglopen."

Op een dag spoelt ze aan in de Condé, een bohèmecafé nabij het Odéon -- een samenraapsel van kroegen uit Modiano's jeugd. Ze vindt er aansluiting bij allerlei types die leven "onder de dekmantel van de literatuur en de kunst". Het clienteel leest er Maurice Blanchard en Lautréamont of haalt zelf ongein uit.

Een van de leden van de groep, Bowing, die wij ‘de Kapitein’ noemden, hield zich bezig met een project dat ook de goedkeuring van de anderen kon wegdragen. Al bijna drie jaar lang noteerde hij de namen van alle klanten van de Condé, in de volgorde waarin ze binnenkwamen, met de datum en het exacte tijdstip. Hij had een paar vrienden opgedragen hetzelfde te doen in Le Bouquet en La Pergola, die de hele nacht openbleven. Jammer genoeg wilden de klanten van die cafés niet altijd hun naam zeggen. Wat Bowing eigenlijk probeerde, was de nachtvlinders die enkele ogenblikken rond een lamp cirkelen te redden van de vergetelheid. Hij droomde, zei hij, van een immens register waarin gedurende honderd jaar de namen van de klanten van alle Parijse cafés zouden zijn opgetekend, met vermelding van het tijdstip van aankomst en vertrek. Hij was geobsedeerd door wat hij ‘de vaste punten’ noemde.
Café Condé is één van de typische doorgangshuizen uit de romans van Modiano, een plek waar niemand naar zijn ware identiteit wordt gevraagd, waar je je gemakkelijk kan schuilhouden en pseudoniemen de rigeur zijn. Ook Jacqueline wordt al snel omgedoopt tot 'Louki'.

Naar de vorm is In het café van de verloren jeugd een klein concert voor vier stemmen. Via vier belijdenissen krijgt het leven van Louki, dat op het eerste gezicht uiteengerukte weefsel, meer en meer hechtingen. Eerst is er de student die de bewegingen van Louki in de Condé nauwgezet kaart brengt. Daarna komt een oudgediende van de Renseignements généraux aan het woord, die ingehuurd is door de man van Louki (we maken een sprong in de tijd) om zijn weggelopen vrouw te traceren. Vervolgens haalt Louki zelf herinneringen op aan haar jeugd. Ten slotte is er de schrijver Roland die zijn liefdesaffaire met Louki memoreert.

Ik durf er geen eed op te zweren, maar ik kan me niet zo gauw een boek herinneren waarin Modiano al eens eerder zijn toevlucht nam tot een dergelijke polyfonie. Behalve het plezier van de reconstructie levert het procedé de lezer evenwel weinig extra op. Daarvoor nivelleert Modiano's stijl -- de floers van weemoed, de gereserveerde nostalgie -- de diverse stemmen al te zeer.
In dit leven, dat soms veel weg heeft van een braakliggend terrein zonder wegwijzers, zou je tussen alle vluchtlijnen en verloren horizonnen een paar aanknopingspunten willen vinden en een soort kadaster opstellen, om niet langer het gevoel te hebben dat je stuurloos rondzwerft. Je knoopt betrekkingen aan, je probeert een toevallige ontmoeting uit te bouwen tot een duurzame relatie.
Onder Modiano's pen lijken de vier ik-personen inwisselbaar, stuk voor stuk tastend naar identiteit, en gevoelig voor seizoenswisselingen, lichtschakeringen en weersomstandigheden.

Ik zat me vooral te verheugen op de bekende elementen. Wat me altijd het meest ontroert bij Modiano is de pelgrimstocht die hij zijn helden laat ondernemen langs het leven van gewone mensen. Met gebruikmaking van "al die details die vaak de enige zijn die ervan getuigen dat iemand werkelijk op deze aarde heeft rondgelopen" zoals geboortedatum, huwelijksdatum, rijbewijs, foto’s, strafblad, geboorteregister, proberen Modiano's gelegenheidsdetectives zo nauwkeurig mogelijk te bepalen welke routes mensen hebben gevolgd doorheen Parijs. Om vervolgens letterlijk in hun voetstappen te treden, met de bedoeling hen beter te begrijpen.

Het is dat liefdevolle opsporen van exacte gegevens gecombineerd met melancholiek giswerk dat Modiano's boeken zo volstrekt uniek maken. Als een blok val ik elke keer opnieuw voor de mantra van quartiers, rues en squares die met naam en toenaam worden genoemd. Modiano verheft geografie tot poëzie.

Dezelfde bekoring gaat uit van de bijfiguren die hij opvoert -- Don Carlos, Adamov, dr. Vala, Ali Cherif, Zacharias, Babilée, Larronde, Boeket, Godinger, Mario Bay, Mocellini -- het blijven allemaal namen zonder gezichten, maar ze prikkelen de verbeelding als geen ander.

Specifiek mooi aan In het café van de verloren jeugd is de opdeling van Parijs in gevoelsmatige zones. De roman gaat deels over de onzichtbare perimeters die iedereen voor zichzelf afbakent in de stad en die elkaar wel moeten overlappen. Bijzonder aardig is het begrip 'neutrale zones' dat door de would-be schrijver in het gezelschap wordt gemunt. Ermee bedoeld worden de stroken niemandsland waar je altijd op doorreis bent, stroken zonder toeristische meerwaarde of grote bezienswaardigheden, gebieden waar je een soort onschendbaarheid geniet.
Ik had de schrijfmachine op het grenenhouten tafeltje gezet. De eerste zin had ik al in mijn hoofd: ‘De neutrale zones hebben ten minste één voordeel: ze vormen slechts een vertrekpunt, en we laten ze vroeg of laat achter ons.’ Ik wist dat het allemaal lang niet zo simpel zou zijn als ik eenmaal achter de schrijfmachine zat. Die eerste zin zou ik waarschijnlijk moeten doorstrepen. En de volgende. En toch was ik vol goede moed.
Overigens heeft Manet van Montfrans zorgvuldig alle dwarsverbindingen tussen het Parijs van Modiano en de Goddelijke komedie van Dante blootgelegd, maar daar ben ik helemaal op afgeknapt. Die wetenschap bedierf zelfs voor een stuk het respect dat ik voor Modiano heb. Hij lijkt me namelijk de laatste schrijver die moet stoeien met Dante om zijn boeken meer cachet te geven. En naakt op het papier oogt die driedeling (het bovengrondse - het voorgeborchte - het ondergrondse) een beetje goedkoop.

Soit. In proza waar alle vet uit is weggesneden schetst Modiano uiteindelijk de neergang van Louki. Voorspelbaar, voorspelbaar, maar dat doet er niet toe. Modiano is zo'n schrijver die jou, en ironischerwijs honderdduizend anderen, even de illusie geeft dat hij zijn romans helemaal op jouw persoon heeft toegespitst.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Patrick Modiano, In het café van de verloren jeugd
149 p.
Uitgeverij Querido, 2008
Oorspr. Dans le café de la jeunesse perdue (2007)
Vertaald door Maarten Elzinga

____

zondag 16 november 2008

Vrijaf

Achille neemt een weekje vrijaf. Opnieuw paraat op maandag 24 november.

____

zaterdag 15 november 2008

Een half leven - V.S. Naipaul

Naipauls halfslachtige Indische roots. Zijn emigratie naar Londen. Een verblijf in Afrika. - Wie Het raadsel van de aankomst of Schrijversmensen heeft gelezen, weet dat Een half leven een roman is met een sterk autobiografische inslag. Maar omdat Naipaul niet met dramatische ontwikkelingen komt aanzetten, stel ik me vragen naar het waarom van die romantisering. Eén ding is zeker: een mindere Naipaul levert nog altijd een goed boek op.

Want dit verhaal over ontheemding, vervreemding en identiteit steekt bomvol levenservaring. Twee dagen deed ik over amper tweehonderd bladzijden. Eerst met lange tanden -- wat interesseert mij het kastestelsel in het India van de jaren veertig? -- later in bewondering voor de gereserveerde toon van V.S. Naipaul, waarin hij toch een emotionele lading weet te leggen. Met dat 'later' bedoel ik overigens: wanneer Naipauls hoofdpersoon in Londen is aangekomen (en de lezer dus niet om de haverklap meer moet bijgepraat worden over de exotische context) en de Indische schutkleuren van Willie Chandran (zo heet de held) afsteken tegen de West-Europese achtergrond.

Onderduiken in een land
Een half leven vangt aan met een onderzoek naar de wortels van Willie Chandran. Met de geschiedenis van zijn vader dus. Deze leeft in een uithoek van India die afgesneden is van alle politieke ontwikkelingen en waar de onafhankelijkheidsbeweging nog geen grote rol speelt.

Vader Chandran rebelleert dan maar op zijn eigen onbenullige manier tegen de toekomst die op grond van zijn hoge kaste (hij is de zoon van een hoveling) voor hem is uitgestippeld: in antwoord op de oproep van de mahatma boycot hij het Britse onderwijs en geeft hij zijn opleiding Engelse literatuur eraan. Ook de hoge post en glanzende carrière die hij bij de belastingdienst van de maharadja kan bekleden keert hij de rug toe voor een bestaan als bedelaar. En alsof dat nog niet genoeg is trouwt hij met de meest laaggeboren vrouw die hij kan vinden. Het is allemaal zijn onhandige manier om de oude normen en waarden af te wijzen, zijn sympathiebetuiging voor de zelfopofferingsleer van de mahatma.

Het enige concrete resultaat van zijn handelen is echter dat hij zichzelf daarmee ongeschikt maakt voor het leven, terwijl hij moet toezien hoe zijn vrienden en vijanden alsmaar succesvoller en achtenswaardiger worden. Ironisch lichtpuntje in zijn bestaan is de ontmoeting met de beroemde Engelse schrijver William Somerset Maugham, die vader Chandran gebruikt als "de spirituele bron" voor The razor's edge. Door deze belangrijke connectie met een westerling moet zijn omgeving hem toch een béétje respecteren. Het contact met Maugham heeft zelfs zo'n indruk gemaakt dat hij zijn zoon naar de schrijver vernoemd.

Deze Willie Somerset Chandran rebelleert vervolgens op zijn beurt tegen het milieu van zijn ouders. Hij zegt de missieschool vaarwel en trekt met een studiebeurs naar Londen. Op dat punt lijkt Een half leven even een Indische variant op het sublieme Portret van een jongeman, maar Naipaul schrijft groezeliger, rommeliger dan Coetzee.

Mooi is alleszins hoe Naipaul de teleurstelling van de jonge immigrant beschrijft. Op een Londense kweekschool (een semi-liefdadige stichting uit de Victoriaanse tijd) moet hij alles wat hem vertrouwd was opnieuw leren. De academische gewaden van de lesgevers acht hij echter "nageaapt van de islamitische seminaries van duizend jaar geleden" en ook bij het zien van Buckingham Palace schaamt Willie zich over zijn fantasievolle voorstellingen en goedgelovigheid.

Het paleis van de maharadja in de deelstaat waar hij vandaan kwam was in zijn ogen veel grootser, meer een echt paleis, en daardoor kreeg hij ergens diep in zijn hart het idee dat de koningen en koninginnen van Engeland maar deden alsof, en dat het hele land een beetje een schijnvertoning was.
Het gevoel van ontheemding is in eerste instantie niet gering. Willie begrijpt bijvoorbeeld het wereldnieuws niet op de radio en in de kranten. "Het was alsof hij zich met grote snelheid voortbewoog, zonder referentiepunten die hem een idee gaven van zijn positie en zijn snelheid." In Londense middens wordt hij ook gedwongen dieper na te denken over de identiteit van zijn ouders. In gesprekken laat hij zijn vader brahmaan blijven, van zijn moeder maakt hij een christen.

Hij ontmoet Percy Cato, een Jamaicaan, met gemengd bloed. Het is niet zo dat deze hem wegwijs maakt in de Engelse manier van leven. In werkelijkheid gaat Willie via Percy deel uitmaken van de groep immigranten (eerst uit het Caribisch gebied, toen uit de blanke kolonies in Afrika, daarna uit Azië) die aan het eind van de jaren vijftig korte tijd een bohémien leven leidde in Londen en hoogstens in contact kwam met avontuurlijke Engelse autochtonen die openstonden voor deze nieuwkomers en "de koloniale gedragscode op z’n kop wilden zetten".

Op zo'n bont feestje wordt Willie uitgenodigd door een BBC-redacteur om stukjes te maken over zijn Indische achtergrond, en nog later om de rassenrellen te verslaan. Opnieuw wordt hij gedwongen tot reflectie over zijn afkomst.

Willie maakt intussen werk van zijn schrijversambities; hij schrijft evenwel kortverhalen met personages en situaties die ver van hem afstaan. Via Roger, een jonge jurist, komt hij veel te weten over de Engelse schrijvers en critici van die dagen: Orwell, Waugh, Powell, Pritchett en Connolly. Roger wil hem tevens in contact brengen met een literaire uitgever.
Ik zal jou voorstellen als een rijzende ster aan de literaire hemel. Bij Proust komt een personage voor met een druk sociaal leven, Swann heet hij. Die vindt het leuk om voor zijn eigen plezier af en toe een aantal heel verschillende mensen bij elkaar te brengen om, zoals hij zegt, een sociaal ruikertje te creëren.
Bovendien ontmoet hij Marcus, een West-Indische / West-Afrikaanse diplomaat, die hoog oploopt met, jawel, interraciale seks, en Richard, een dichter annex salonmarxist die op jacht is naar rijke vrouwen. De uitgever neemt uiteindelijk Willies boek op in zijn fonds, al is dat vooral om zijn linkse reputatie in de verf te zetten.
Wie weet krijgen wij van jou nog eens een nieuwe interpretatie van De woeste hoogte. Heathcliff was een half-Indiaans kind dat in de haven van Liverpool werd aangetroffen.
Sarojini, de zuster van Willie, getrouwd met een Duitse fotograaf en woonachtig in Duitsland, probeert Willie tot de orde te roepen. Dit zwerversleven vol vrijheid en zonder verantwoordelijkheid kan niet blijven duren.
Ze zei: ‘En als je die grandioze graad of akte gehaald hebt, wat ga je er dan mee doen? Neem je dan een baantje in het onderwijs en duik je dan de rest van je leven onder in dit land?’
[…]
Hij dacht: Wat ze zegt, daar heeft ze gelijk in, al vind ik het niet aardig van haar dat ze het zegt. Ik weet niet hoe het me zal vergaan. Ik laat de dagen maar door mijn vingers glippen. Ik voel niets voor het leven dat me in India wacht. Ik heb nu tweeënhalf jaar als een vrij man geleefd. Ik kan niet meer terug naar dat andere. Ik voel er niets voor om met een vrouw zoals Sarojini te trouwen, en toch zal dat gebeuren als ik naar huis ga. [...] Maar wat de andere mogelijkheid betreft, heeft Sarojini ook gelijk. Als ik mijn onderwijzersakte haal en besluit hier te blijven en les te gaan geven, is dat een soort onderduiken. En het zal heus niet leuk zijn om les te geven in een buurt als Notting Hill.
Een belangrijk neventhema in Een half leven is de seksualiteit van Willie. In Londen wordt hij er bruusk mee geconfronteerd. En hij moet vaststellen dat hij het seksuele onvermogen van zijn vader overgeërfd. Geen impotentie, maar het onvermogen om van seks te kunnen genieten. Seks is heel lang iets methodisch bij Willie -- het product van een oude Indische traditie van gearrangeerde huwelijken. En dat voor iemand uit het land van de Kama Sutra! De Kama Sutra is echter een boek van de hogere kasten, een historisch specimen, dat zelfs nooit door Willie's vader is ingekeken. "Nu leven we als onnozele incestueuze dieren in een hol." Willie slaat er dan maar een Pelican-pocket Fysiologie van de seksualiteit op na.

Na enkele wisselende seksuele contacten, onder meer met prostituees, krijgt hij een brief van een jonge Portugese vrouw uit een Afrikaans land die in Londen een cursus Engels studeert. Ook deze Ana wil zich losscheuren van haar achtergrond, de Portugese taal, en vluchten voor haar grootvader, een bekrompen man die alleen maar aandacht had voor Portugal, Portugees-Afrika, Goa (de Portugese kolonie in India) en Brazilië. Maar ze wil deook geen Zuid-Afrikaans Engels leren, maar Engels-Engels, en daarom is ze in Londen verzeild. Zij heeft Willie's pas gepubliceerde boek met graagte gelezen, in tegenstelling tot andere verhalenbundels, die niet voor haar, een immigrante, bestemd leken. Willie, van zijn kant, voelt zich het eerst in zijn leven volledig geaccepteerd. De twee krijgen een relatie.

Dan maakt Naipaul een abrupte, weinig elegante tijdssprong van achttien jaar en bevinden Ana en Willie zich in de bush ergens in Oost-Afrika, waar ze een plantage beheren in een Portugese kolonie (lees: Mozambique). Voor de zoveelste maal verkeert Willie nu in een tussenpositie: ergens tussen de autochtonen en de blanke kolonisten in. Tussen deze tweederangs-Portugezen (Portugezen met Afrikaanse roots) raakt hij makkelijk geaccepteerd. Daar staat tegenover dat hij ongewild -- als man -- Ana's gezag over de werklieden op de plantage versterkt. Het zicht van Afrikanen die in hun eigen land naast de weg lopen is voor Willie een hoogst confronterend beeld. We schrijven dan medio jaren zeventig: het geluid van de kapmessen en de guerrillatrijders komt steeds dichterbij; de onafhankelijkheid van Mozambique is ophanden. End of story.

Hiërarchie, ras, land én continent
V.S. Naipaul schrijft zoals altijd met de eenvoud en de rust van iemand die veel te vertellen heeft en wéét waar hij over vertelt. Vooral de door zijn Afrikareizen gevoede bladzijden over Mozambique zijn grondig en vol sprekende details ("Dat verklaarde de vislucht om ons heen: het was de geur van slangen.")

Meer en meer raak ik ervan overtuigd dat dit de stijl moet zijn van onze grote schrijvers: schrijvers met verhalen die op het randje van het plotloze verkeren, en toch rijk zijn en concreet.

Neem de volgende, onopvallende passage en merk dat Naipaul altijd het juiste evenwicht weet te vinden tussen precieze, tastbare beschrijving en een soort aantrekkelijke algemeenheid, die de verbeelding van de lezer aan het werk houdt.
Willie ontving op de kweekschool een brief op briefpapier van de zaak, met het verzoek een afspraak te maken voor een bezoek aan de uitgeverij. Die was gevestigd op een van de sombere pleinen in Bloomsbury. Het was een pand in de typisch Londense bouwstijl -- vlakke gevel, donkere baksteen -- die Willie middelmatig vond. Maar toen hij de treden voor het ogenschijnlijk kleine gebouw op liep, leek het steeds groter te worden. Bij de voordeur zag hij dat het toch een ruim, mooi pand was, en eenmaal binnen zag hij dat zich achter die donkere gevel hoge, goed verlichte, diepe kamers bevonden.
Veel plot heeft Naipaul ook niet nodig. Ik ben geneigd Een half leven vooral op te vatten als een staalkaart van de vele wijzen waarop maatschappelijke hiërarchie, ras, land én continent invloed op iemand kan uitoefenen. Naipaul stapelt heel nadrukkelijk cultuurverschil op cultuurverschil in zijn roman. Hij schept een wereld van halfbloeden, ontheemden, kolonialen en tweederangsburgers. Verhalen vertellen, desnoods in geschrifte -- aan elkaar, over elkaar, over elkaars verwanten -- blijkt voor de personages de enige manier om bruggen te bouwen.

Mijn synopsis doet wellicht het tegengestelde vermoeden, maar Naipaul gaat daarbij niet te werk als een drammerige, overgeëngageerde auteur die zijn held op een dramatische zoektocht naar identiteit stuurt. Integendeel, Willie heeft een aangename laksheid over zich. Hij bezit zijn identiteit (of zijn gebrek eraan) zoals je een taal kan bezitten: je kan haar spreken met een vreemd accent, of zelfs helemaal verleren. Daarom viel het me makkelijk te sympathiseren met hem. Naipaul is gelukkig geen auteur die thuishoort in de stal van de hippe, lucratieve multicul. Zijn personages tonen juist hoe immigranten omgaan met hun besognes in een grijze, nauwelijks te dramatiseren wereld.

De introductie van de vader in het begin van Een half leven is op zijn plaats. Ze geeft reliëf aan het leven van de zoon. Oók al knoopt Naipaul die hoofdstukken onhandig aan elkaar. Want vergis u niet: Een half leven maakt een slordige, ja, halfafgewerkte indruk. Maar alleen de eerste veertig bladzijden zijn echt taai om door te komen. Daarin veronderstelt Naipaul veel voorkennis bij de lezer over de interne verhoudingen in de Indische maatschappij. Mijn kennis bleek al te pover.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

V.S. Naipaul, Een half leven
215 p.
Uitgeverij Atlas, 2001

Oorspr. Half a life (2001)
Vertaald door Marianne Verhaart

____

donderdag 13 november 2008

Geek USA

Ah, de vroege jaren negentig. Een klein drummertje was ik, naarstig proberend de volgende Jimmy Chamberlain te worden. 'Cherub rock' en 'Today' van de Pumpkins gingen nog wel, maar elke drummer weet dat 'Geek USA' hard, hárd werken is, vooral de live-versie.

Was toen deze Phil maar tot mij gekomen. Had me twee weken intensief luisteren gescheeld.



Nu ja, Billy Corgans krijsstem leren appreciëren is al het halve werk.

Jammer alleen dat die V-drumcymbalen in de weg hangen. Dat is niet het geval op de album-versie. Laat niemand nog zeggen dat drummen gemakkelijk is.

____

woensdag 12 november 2008

De reisgenoten in beeld en ontwerp - Gary Russell

Als film interesseert The lord of the rings me nauwelijks. Die zouteloze jongetjes in de hoofdrol. Dat verhaal -- een rare combinatie van ingetrapte open deuren en vergezochte achtergronden. Die hortende dynamiek -- eerst actiescènes en dan altijd sloom gezeur over vriendschap, trouw en verbondenheid. Maar het artwork, dát is natuurlijk om je ogen uit te kijken, en daarover gaat dit boek.

De reisgenoten in beeld en ontwerp documenteert de ontwerpfase van het eerste deel van de trilogie. Altijd boeiend, die vraag: hoe ontstaat iets uit niets? Gary Russell praat met de art directors van Peter Jackson en laat ook werk zien van gereputeerde Tolkien-illustratoren als John Howe en Alan Lee.

Er wordt verteld hoe de filmmakers op zoek gaan naar locaties en wat een geschikte locatie nu juist geschikt maakt. Wanneer niets passabels wordt gevonden wordt de setting gewoon nagebouwd. Uit het boek spreekt dan ook het enorme budget van de filmmakers. Veel tijd en geld mocht zitten in de ontwikkeling van looks, kostuums en bewapening. De minutieuze verantwoording van de keuzes van de ontwerpers (die de meeste kijkers wellicht ontgaat in het lawaai van de film) vond ik verslavend om te lezen, ondanks de gruizige vertaling.

Dit zijn een paar vroege ontwerpen voor Breeg. Ik probeerde vat te krijgen op de architectuur en wilde een rommelige, oude en lichtelijk misvormde uitstraling realiseren. Het bovenste staat dichter bij wat het uiteindelijk is geworden. In de kern is het een dorpsbeeld uit middeleeuws Engeland. Enkele gebouwen zijn getekend naar foto’s die ik in Exeter had gemaakt van huizen uit de 15e en 16e eeuw. Met al die leuke houten gevels en smalle stegen is Exeter echt prachtig, en een perfect voorbeeld voor Breeg.

[...]

Dit is de eerste keer dat we Isengard in de film zien. In deze collage zien we in wezen de gefilmde actie van Gandalf te paard. Verder niets. De rest is een collage van wel zes of zeven verschillende foto’s. Niets van wat hier te zien is was daar werkelijk aanwezig, behalve die ruiter te paard. We wisten dat we deze specifieke vallei als de vallei van Isengard wensten, dus we zijn naar het Zuid Eiland gegaan om hem te filmen. De voet van de berg links was dichtbij, maar niet in dezelfde vallei. De bergen op de achtergrond maken deel uit van twee of drie andere ketens. En dan zijn er nog die bomen rechts. We wisten dat we Gandalf tijdens zijn rit de ring van Isengard wilden laten zien, en dat moest dan achter die bomen zijn geweest. Dus we hebben in feite het hele perspectief van deze opname veranderd en er een volledig nieuwe aanblik aan gegeven. Niets van dit alles vindt op een heuvel plaats, maar we hebben het de schijn gegeven van wel. Zoals bij alle goede visuele effecten, word je niet geacht te merken dat alleen de grond waarover het paard rent echt dáár was. Dus als iemand bij het zien van de film roept: “Hé, ik weet dat daar geen toren staat, hoe hebben ze dat gedaan?” -- dan beseft die persoon niet dat de rest er óók niet was. Dan wordt het pas echt cool, als niemand meer enig idee heeft welk deel van de opnamen kunstmatig is. Het is een klassieke truc uit het werken met sjablonen en overlays. Waar een locatie ontbreekt, verzin je er gewoon zelf een. Zoiets is ook gedaan bij de beelden van hoe Gandalf onder die boog door rijdt -- een combinatie van miniaturen en sjablonen. Die greppel achter de boog is fake, net als de gaten in de muren zelf, en de schaduwen die we zien zijn van bomen die er niet staan. Maar hopelijk kun je in de bioscoop niet zien wat echt is en wat namaak.
De grote verdienste van dit boek was dat het me inzicht gaf in het composiete karakter van elk filmbeeldje. Zoals in het commentaar hierboven al blijkt: nagenoeg elke sequens bestaat uit een ingewikkelde mix van fysiek camerawerk van nagebouwde decors, maquettes, matte painting [voorbeeld] en digitale computerbewerking.

Ook deze titel is de eerste uit een rijtje van drie. Bij tijd en gelegenheid zal ik zeker de overige plaatboeken ter hand nemen. Al was het maar om te vernemen hoe dat fameuze Minas Tirith werd ontworpen.

(Gebaseerd op notities van 23 juli 2006.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Gary Russell, De reisgenoten in beeld en ontwerp
192 p.
Uitgeverij M, 2002
Oorspr. The art of the fellowship of the ring (2002
)
Vertaald door ?
____

dinsdag 11 november 2008

Un jardin à Venise - Frederic Eden

Vertaalster Marie-Thérèse Weal ontdekte het boekje A garden in Venice toen ze in de British Library bibliografisch onderzoek deed naar het Venetiaanse stadsdeel Giudecca. Op dit eilandje van ongeveer 2 km en een breedte van maximaal 300 meter kocht de Brit Frederic Eden in 1884 een landgoed van vier hectare, om dit vervolgens uit te bouwen tot een paradijselijke tuin. Eden (what's in a name) brengt in A garden in Venice verslag uit van het project.

Het valt niet mee om verder nog iets aan de weet te komen over Frederic Eden (1828-1916). Hij was de achteroom van Anthony Eden, minister van Buitenlandse Zaken onder Churchill en eerste minister van 1955 tot 1957, maar in diens memoires is nauwelijks iets over Frederic te vinden. Ook Henri de Regnier volstaat in zijn standaardwerk L'Altana ou La vie Vénitienne 1899-1925 met een laconieke vermelding.

Eden installeerde zich in Venetië omwille van gezondheidsredenen. In die dagen was het niet ongewoon voor iemand in zijn positie om zich in de dogenstad te vestigen. Frederick Rolfe, baron Corvo, heeft in The desire and pursuit of the whole naar het schijnt een mooi beeld geschetst van de Britse kolonie in Venetië.

A garden in Venice werd voor het eerst gepubliceerd in 1903, in het befaamde, nog steeds lopende blad Country Life. Niet toevallig leverde de bekende tuinarchitecte Gertrude Jekyll, Edens schoonzus, bijdragen voor het blad. Het boekje werd heruitgeven in Frankrijk in 2002, verlucht met houtsnedes en de oorspronkelijke foto's. De Franse vertaling is gezet uit een banale Times New Roman, maar in combinatie met de ruime bladspiegel en de illustraties krijgt het boekje een merkwaardige klasse.

Frederic Eden is een betrekkelijk droge verslaggever; daarom spijt het me niet dat ik 'm in het Frans las. Frans is nog altijd de ideale voertaal voor alles wat het goede leven aangaat. Reminiscenties aan het decadente Venetië van Gustav von Aschenbach (Dood in Venetië zou een kleine tien jaar later verschijnen) deden de rest. In de intro van Un jardin à Venise schetst Eden meteen prachtig hoe de natuurelementen Venetië hebben geschapen uit de modder.

Le jardin don’t j’aimerais vous conter l’histoire n’était, en ce temps-là, qu’un banc de vase. Endormi, ignorant de sa douce destinée, il était resté là, des milliers d’années, blotti au creux de l’Adriatique. Un vent du Sud soufflait, comme aujourd’hui, sur le désert de Libye, impatient d’étancher sa soif dans les eaux de la Méditerranée. Chargé d’humidité, il remontait l’Adriatique pour aller s’évaporer au soleil, au nord de la chaîne alpine qui borde la Vénétie, et là, en ce lieu soudain plus frais, la vapeur se condensait en pluie. Cette pluie, qui balayait le banc de vase, fertilise aujourd’hui le jardin dont il s’agit ici. Aussitôt son généreux travail accompli sur les flancs de montagne et les plaines, parce que tout en ce monde se meut, l’ondée s’empressait de retourner vers la mer d’où elle était venue. Dans sa hâte résolue quoique irréfléchie, elle creusait des canaux dans cette vase dormante, rejetant de part et d’autre des rigoles les débords liquides qui finiraient par sécher et durcir, et former ce matériau meuble qui au fil dus temps a formé les îles où se dressent aujourd’hui Venise et la Giudecca.
Eden heeft het daarna over de vier winden die de stad teisteren (de Sirocco, Bora, Levanter en Garbino), het plaatselijke weer ("Aucun sol ni climat n’est plus capricieux ni plus fantaisiste") en de kwikzilveren aanblik van Venetië, die schilders op zoek naar de essentiële momentopname van de stad tot wanhoop drijft. Voorts zijn er excursies over het paternaliserende kloosterleven op Giudecca in het cinque cento en de dominantie van het vierkant in de Venetiaanse architectuur. Een verdwaald zinnetje over de uitdossing van (naar ik aanneem) een gondelier trof me zo door zijn klankenrijkdom, dat ik het een keer of vier luidop heb voorgelezen. Iets wat me in het Engels nooit zal overkomen.
A son côté, apparaissait, sorti comme par inadvertance d’un énorme gilet de laine bleu arborant de lumineux boutons de verre émeraude, Pietro “Ortolano”.
Wanneer Eden ter zake komt verslapte mijn aandacht wat, ook al omdat dat tuinierfrans niet van de poes is. Eden beschrijft onder meer wat hem te doen staat met de aanplant en het grondplan van de tuin die hij aantreft ("Le mieux est l’ennemi du bien"). Om uiteindelijk te investeren in fruitbomen, rozelaars en artisjokken.



Frederic Eden blijft ondanks alles verknocht aan zijn geboorteland. Hyde Park staat hem voor ogen wanneer hij lanen laat maken in de tuin. Omdat grint echter niet voorhanden is in Venetië laat hij een karrevracht schelpjes aanrukken als ondergrond. Het idee om waterbassins te integreren in de tuin herinnert hij zich dan weer van de Generalife in Granada.

Eigenlijk is het mooi dat een koesterboekje als dit bestaat en lezers vindt. Ik moet dringend eens het fonds van Actes Sud uitvlooien op gelijkaardige titels.

En de tuin van Eden? Die werd uiteindelijk verkocht en doorverkocht. Tussen de twee wereldoorlogen werd het zelfs even een toevluchtsoord voor dichters, homoseksuelen en estheten. Maeterlinck, Proust, Henry James en Rilke hebben allemaal hun krabbel gezet in het gastenboek. De laatste bekende eigenaar was de excentrieke Oostenrijkse architect Hundertwasser. Sinds 2000 is de Giardino Eden een nationaal monument, volgens mijn laatste informatie gesloten voor het grote publiek tot er geld vrijkomt voor de restauratie.

(Boek gekocht in Évasions 2, Brussel, op 12 juli 2008.)

[afbeelding: de cour d'entrée van de tuin]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Frederic Eden, Un jardin à Venise
159 p.
Uitgeverij Actes Sud, 2005
Oorspr. A garden in Venice (1903)
Traduit par Marie-Thérèse Weal

_____

maandag 10 november 2008

Permanente oorlog voor permanente vrede - Gore Vidal

Dit is een essentieel boek. Het gaat over de relatie tussen de burger en de overheid. Meer bepaald over hoe de overheid zich bekeert tot allerlei paardenmiddelen, zogenaamd om de veiligheid van die burger te garanderen, en op die manier een paar van diens basisverworvenheden, zoals privacy en rechtszekerheid, opheft. Permanente oorlog voor permanente vrede (naar een zinsnede van historicus Charles A. Beard) verscheen exact een half jaar na 11 september.

De essaybundel trapt dan ook af met een dossiertje over Osama bin Laden, ten behoeve van alle Amerikanen, "de meeste Amerikanen" volgens Gore Vidal, die ervan overtuigd zijn dat alleen een stelletje halvegaren ooit de Verenigde Staten zou durven aanvallen -- "een land dat zichzelf als vrijwel volmaakt beschouwt, de meest volmaakte menselijke beschaving ooit." Hij maakt de link met de zaak Timothy McVeigh, waarin Vidal steeds een gematigd standpunt innam en moest toezien hoe zijn gevecht tegen de karikatuur door de goegemeente werd gezien als een goedkeuring van McVeighs daden.

Dat onze regerende junta McVeigh (een degelijke Amerikaanse plattelandsjongen en held uit de Golfoorlog) en Osama, een zogenaamde ‘moslimstrijder’, wel eens tot hun daden uitgelokt zou kunnen hebben, is nooit bij iemand opgekomen.

[...]

Er mocht maar één verhaal naar buiten komen: één man met een enorm aangeboren talent voor kwaadaardigheid wilde onschuldige levens verwoesten met als enige drijfveer het spontane geluk dat hem overspoelde wanneer hij zijn duivelse streken leverde. Er werd vanaf het begin bepaald dat McVeigh geen coherent motief mocht hebben voor zijn daden, behalve een ongefundeerde shakesperiaanse boosaardigheid. Iago is weer terug in de stad, dit keer met een bom, geen zakdoek.
Vidal is wat de berichtgeving over dit soort affaires betreft genadeloos voor een paar van Amerika’s toonaangevende kranten, waaronder The New York Times."Degenen onder ons die beroepsmatig naar oorzaken zoeken, hebben de grootste moeite om door te dringen tot deze door het bedrijfsleven gecontroleerde Amerikaanse media." Verderop in het boek (p. 80) legt hij uit hoe de manier waarop televisiepresentatoren met opiniemakers omgaan elke nuance onmogelijk maakt.

Permanente oorlog voor permanente vrede is voorts een queeste tegen de grote paradoxen in het Amerikaanse binnen- en buitenlandbeleid. Een beleid waarbij het bedrijfsleven en niet het merendeel van het volk wordt vertegenwoordigd door de regering. De Commissie voor Economische Ontwikkeling kreeg de regering bijvoorbeeld zover
dat ze boerenkinderen naar universiteiten ging sturen. En zoals voorspeld keerden maar weinigen terug. Vervolgens bood de regering aan boeren te helpen bij het vinden van ander werk, waarna hun land kon worden toegevoegd aan steeds grotere landbouwbedrijven, die in het bezit waren van een steeds kleinere groep ondernemingen.
De macht van deze lobbygroepen kan volgens Vidal alleen ingeperkt worden wanneer de wijze waarop verkiezingen worden gefinancierd hervormd wordt. De tragiek is natuurlijk dat degenen die baat hebben bij het huidige systeem nooit wetten zullen aannemen waardoor ze de macht verliezen.

Maar we hadden het over paradoxen. Neem de fameuze war on terror -- eerste paradox. Precies een jaar voor de invasie in Irak waarschuwt Vidal reeds voor de ongrondwettelijkheid van tal van Amerikaanse operaties in het buitenland (waaronder Afghanistan -- "het was alsof we Palermo vernietigden om de maffia uit te schakelen"), waarbij de zittende administratie de Amerikaanse burgers behandelt als onbeduidend voetvolk dat hoge belastingen mag betalen om de oplopende defensiekosten te financieren. Het boekje bevat een twintig pagina's tellende lijst (via deze site te reconstrueren) met alle lopende operaties van de Amerikanen in het buitenland. Wie is hier feitelijk de terrorist, vraagt Vidal zich af. Hij citeert Arno J. Mayer in Le Monde:
Tot op dit moment in de moderne tijd waren individuele terreurdaden het wapen van de armen en zwakkeren, terwijl de sterkeren zich bedienden van staatsterreur en economische terreur. (…)
In elk geval is Amerika sinds 1947 de voornaamste en meest ondernemende schuldige aan ‘preventieve’ staatsterreur. Omdat deze alleen in de derde wereld plaatsvond kon het door iedereen in de doofpot worden gestopt. Tijdens de Koude Oorlog wedijverde de Verenigde Staten met de Sovjet-Unie in het routinematige omverwerpen en ondermijnen van regeringen.
Vidal wijst erop dat 'terrorisme' een term is zonder juridische definitie. Een regering die echter handig inspeelt op de angst van zijn bevolking kan terrorisme als breekijzer gebruiken om zaken als telefoontap toe te laten, deportatie zonder rechtmatig proces van immigranten en Guantánamo Bay. Een boekje als dit is onder meer goed omdat het indirect aantoont hoezeer de populariteit van de Amerikaanse president een kwestie is van de juiste uitstraling en goede public relations. Want enkele jaren vooraleer George W. Bush de omstreden Patriot Act (2001) invoerde, tekende Clinton in 1996 de Wet op het Antiterrorisme en de Effectieve Doodstraf.

Tweede paradox: binnenland. Met name het drugsbeleid. Vidal noemt de strijd tegen drugs en terrorisme de "onwinbare tweelingoorlogen". Immers, ook de drugshysterie heeft geleid tot draconisch maatregelen, zoals de mogelijkheid op electronische surveillance en urinetests van werknemers in bedrijven.
Drugs. Als ze niet bestonden, hadden onze gouverneurs ze wel uitgevonden om ze te kunnen verbieden en op die manier grote delen van de bevolking bloot te stellen aan het risico van arrestatie, gevangenschap, inbeslagname van eigendommen, enzovoort.
Vidal maakt de vergelijking met het falen van het algehele verbod op alcohol van 1919 tot 1933 en de criminaliteitsgolf die de Drooglegging in werking zette. Als drugs tegen kostprijs zouden verkocht worden, zou niemand er iets aan verdienen.
Amerikanen zijn net zo verslaafd aan geld verdienen als aan het idee van zonde en straf -- en het gevecht tegen drugs is bijna net zo’n lucratieve zaak als de verkoop van het spul. Omdat de combinatie van zonde en geld onweerstaanbaar is (met name voor de professionele politicus), zal de situatie alleen maar verslechteren.
Drugs worden door de Amerikaanse overheid als immoreel beschouwd, zegt Vidal, maar tegelijkertijd dwingen duizenden scholen ouders met energieke kinderen om hen de drug Ritalin toe te dienen wanneer dit kind in de klas tekenen van verveeldheid begint te vertonen. En dan komt Vidal met de genadestoot, de paradox waarvan sprake:
Uiteindelijk waren het dezelfde barmhartige beschermheren van ons welzijn die ons op onbuigzame wijze, jaar in jaar uit, hebben geweigerd te geven wat elk ontwikkeld land vanzelfsprekend vindt: een ziekenfonds.
Centraal in Vidals onderzoek naar de uitholling van de burgerrechten staat onder meer het begrip 'habeas corpus', dat stelt dat gevangenneming slechts mag volgen op gerechtelijk bevel, en dat binnen een zekere termijn de beschuldigde van de aanklacht in kennis moet worden gesteld. Vidal meent dat de Amerikaanse vrijheden sinds de jaren zeventig zwaar onder druk staan en wijst op de metamorfose van de FBI van een staf van generalisten getraind in boekhouden en recht, in een proactief elitekorps, "een commandoachtig leger van strijders".

Dat het FBI zijn stootkracht ook daadwerkelijk tegen de eigen burgerbevolking kan aanwenden, werd duidelijk toen het op 19 april 1993 op een gewelddadige manier een leefgemeenschap van zevendedagsadventisten in de buurt van Waco, Texas bestormde, waarbij 76 mensen omkwamen, waaronder 21 kinderen en de geestelijke leider David Koresh.

Wat Vidal opnieuw bij Timothy McVeigh brengt en de cirkel van Permanente oorlog voor permanente vrede rond maakt. Het was immers uit onvrede voor de tyrannieke houding van de overheid jegens de eigen burgerbevolking, met als climax het bewuste incident in Waco, dat McVeigh het Murrah Federal Building opblies, met 168 doden tot gevolg. Vidal over McVeigh:
Hij had zonder meer een zelfvernietigend doel nodig om zichzelf te definiëren. De afschaffing van de slavernij, of het behoud van de Unie, waren betere doelen geweest om zijn leven aan op te offeren, in plaats van woede over de excessen van onze corrupte geheime politie. Maar hij zat vast in zijn eigen tijd en verklaarde dus de oorlog aan een overheid die volgens hem oorlog voerde tegen haar eigen volk.
Tot de doodstraf wordt voltrokken onderhouden McVeigh en Vidal een correspondentie met elkaar, wat tot verontwaardiging leidde in de Amerikaanse mainstream media. Prachtig is McVeighs eigen versie van de Bill of rights, op pagina 116.

Vidal breide een vervolg aan dit boekje, in het Nederlands vertaald als Droomoorlog : bloed voor olie en de Cheney-Bushjunta. Daarover later meer.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Gore Vidal, Permanente oorlog voor permanente vrede
De nachtzijde van Amerika's politiek

141 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2003
Oorspr. Perpetual war for perpetual peace (2002)
Vertaald door Florence Tonk

____

zondag 9 november 2008

Anna de Noailles

"Anna, princesse Brâncoveanu (francisé en Brancovan), comtesse Mathieu de Noailles, née à Paris le 15 novembre 1876 et morte à Paris le 30 avril 1933, est une poétesse et romancière française. (...) Anna de Noailles écrit trois romans, une autobiographie et un grand nombre de poèmes. Son lyrisme passionné s'exalte dans une œuvre qui développe, d'une manière très personnelle, les grands thèmes de l'amour, de la nature et de la mort. Au début du XXe siècle, son salon de l'avenue Hoche attire l'élite intellectuelle, littéraire et artistique de l'époque parmi lesquels Francis Jammes, Paul Claudel, Colette, André Gide, Maurice Barrès, Frédéric Mistral, Robert de Montesquiou, Paul Valéry, Jean Cocteau, Alphonse Daudet, Pierre Loti, Paul Hervieu ou encore Max Jacob."

> http://fr.wikipedia.org/wiki/Anna_de_Noailles

____

Robert Warshow

"Robert Warshow (1917-1955) was an American author and critic who wrote about popular culture in Commentary and The Partisan Review in the mid-20th century. He was born and resided in New York City and attended the University of Michigan. Among the articles published in Warshow's short lifetime were analyses of the western and gangster film genres from a cultural standpoint. He also penned essays praising playwright Clifford Odets as well as George Herriman's newspaper comic strip Krazy Kat. He also wrote several essays arguing that Arthur Miller was not a competent dramatist."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Robert_Warshow

____

Isaac Deutscher

"Isaac Deutscher (1907-1967) was a British journalist, historian and political activist of Polish-Jewish birth. He became well-known as the biographer of Leon Trotsky and Joseph Stalin and as a commentator on Soviet affairs. (...) Deutscher published his first major work, Stalin, A Political Biography in 1949. This was a controversial work, its intent more polemical than academic. The Cold War was underway, Stalin was still alive and Deutscher was still a committed Trotskyist, but in the book Deutscher gave Stalin what he saw as his due for building a form of socialism in the Soviet Union, even if it was, in Deutscher's view, a perversion of the vision of Marx, Lenin and Trotsky. The Stalin biography made Deutscher a leading authority on Soviet affairs and the Russian Revolution. He followed it up with his most ambitious work, a three-volume biography of Trotsky."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Isaac_Deutscher

____

Sibilla Aleramo

"Sibilla Aleramo (1876-1960) was an Italian author and feminist best known for her autobiographical depictions of life as a woman in late 19th century Italy. Born Rina Faccio in Alessandria, Piedmont, she was forced to drop out of school at 16 and marry the man who raped her. Her first book described her decision to leave her husband and son and move to Rome, which she did in 1901. She became active in political and artistic circles. During this time she writes extensively on feminism and homosexual understanding. In 1908, she met Cordula "Lina" Poletti at a women's congress, and their one-year lesbian relationship formed the basis for the novel Il passaggio. Poletti was described as being beautiful and rebellious, and was prone to wear men's clothing. She is sometimes credited with being one of the first women in Italy to openly flaunt her lesbianism. Poletti would later become involved with actress Eleanora Duse. Sibilla Aleramo would go on to be one of Italy's leading feminists."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Sibilla_Aleramo

____

Osbert Lancaster

"Sir Osbert Lancaster (1908-1986) was a cartoonist, author, art critic and stage designer, best known to the public at large for his cartoons published in the Daily Express. (...) In 1939 he became cartoonist at the Daily Express, where he pioneered the Pocket Cartoon, a topical single-panel single-column drawing appearing on the front page, since imitated in several British newspapers. In these he sympathetically mocked the British upper classes, personified by his characters William (8th Earl of Littlehampton, formerly Viscount Draynflete) and his wife Maudie. During his Express career he drew some 10,000 cartoons over a period of 40 years."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Osbert_Lancaster

____

vrijdag 7 november 2008

Een eigen koninkrijk - Marco Daane

Een eigen koninkrijk steekt vol onherbergzame eilanden, in de goede oude traditie van Boudewijn Büch. Toch zijn er belangrijke verschillen. De locaties die Marco Daane bezoekt liggen in de achtertuin van Europa. Bovendien zijn ze niet ver van het continent verwijderd, want net in de wisselwerking tussen eiland en vasteland is Daane geïnteresseerd. Gelukkig verweeft hij het verhaal van het eiland telkens met dat van zijn beroemdste literaire inwoner, anders had ik het niet overleefd.

Ik kan immers maar een beperkte dosis natuurbeschrijving incasseren, moet ik bekennen. Doe mij maar foto's -- taal is een hopeloos bot instrument om de natuur mee te lijf te gaan. Maar goed, waar moet je het anders over hebben dan over de natuur, bij nagenoeg onbewoonde eilanden?

Het klimaat. Vegetatie. Landbouw en visserij. Werkloosheid. Allemaal zaken waarbij ik me ook in de arm moet knijpen om niet in slaap te vallen. Al interessanter is het aanpassingsvermogen van de inwoners. Of wanneer Marco Daane ingaat op hun identiteitsgevoel. Hoe groot is de "mentale afstand" tussen jou en je geboorteplaats wanneer je je geluk elders hebt beproefd?

Veel van Een eigen koninkrijk speelt in de uiterwaarden van Groot-Brittannië, die, zeker in het verleden, ook een grote aantrekkingskracht uitoefenden op de Britten zelf. Veel Engelsen wilden bijvoorbeeld de berglandschappen en de Schotse ‘wilden’ weleens zien, waarover allerlei verhalen de ronde deden. Daane heeft het over "Londenaren die de oer-Gaelische woestenij, een onbekende, mysterieuze wereld wilden zien, bevolkt door inboorlingen met rode baarden die er rond scharrelden in rokken". De omvangrijke, afgelegen gebieden van Schotland waren trouwens ideaal voor aristocratische landeigenaren die er wilden vissen en jagen.

Het zal wel aan mij liggen, maar ondanks alles zijn de literatoren, waar ook ter wereld ze zich ophouden, mij het liefst. Het was hun aanwezigheid die dit boek het meeste kleurde. Zo behandelt 'In gevecht met de natuur' het korte verblijf van de Britse natuurschrijver Ronald Mathias Lockley (1903-2000) op Skokholm, een onbewoond eiland voor de zuidwestpunt van Wales. Lockley werd sterk beïnvloed door Walden, met dit verschil dat Thoreau zijn afzondering in de wouden zocht, en Lockley in de zee. Lockley fokte chinchilla's op het eiland en bestudeerde er de vogels, in het bijzonder de Noordse pijlstormvogel.

In 'Paradijselijke velden' voert Daane de lezer dan weer mee naar de Orkney-eilanden boven het Schotse vasteland: Rousay, Wire en Egilsay. Locatie van het oudste kasteel van Schotland, Cubby Roo's Castle, en geboorteplaats van dichter, vertaler (Broch, Kafka, Feuchtwanger) en romancier Edwin Muir (1887-1959). Daane vertelt over de psychische instabiliteit van Muir toen deze verzeilde in het Schotse industriestadje Greenock. Orcadians, zoals de inwoners van Orkney zich het liefste noemen, zijn géén Kelten zoals de Hooglanders, maar noorderlingen, Scandinaviërs, leer ik verder.

'Een baaierd van steen en water' belicht een gelijkaardige gemeenschap, die van de Shetland-eilanden: óók behoorlijk gesloten en behept met erg elementaire bezigheden. "Shetlanders gaan praat op hun zeemanschap. Orcadians zijn boeren met een scheepje en Shetlanders zijn vissers met een ploeg, zo luidt een aloude zegswijze." Centraal in Daanes stuk staat de schrijver Hugh MacDiarmid (1893-1978), een van de boegbeelden van de Scottish Renaissance, een beweging die de herleving van de Schotse literatuur voorstond (en waartoe ook William Soutar behoorde). MacDiarmid deed zijn linkse en tegelijk nationalistische gevoelens op toen hij in Glasgow de leef- en werkomstandigheden van het Schotse proletariaat leerde kennen. Revianen kennen hem vast van de kostelijke beschrijving in Op weg naar het einde. Sinds de Union van 1707, waarbij Engeland volgens sommigen met Schotland was gefuseerd en het volgens de anderen had overgenomen, waren de Engelsen met hun aristocraten en industriëlen feitelijk de baas in Schotland. Daarom probeerde MacDiarmid via zijn boeken de Schotten wat meer zelfbewustzijn bij te brengen. Van hem komt trouwens de mooiste typering van het 'eilanderschap' uit dit boek, wanneer hij de inwoners van de Shetland-eilanden beschrijft:

Alles wat ze van doen hebben met de georganiseerde industrie en handel, en met facetten van het leven als onderwijs, kranten, radio en andere contacten met de buitenwereld, en alles wat niet direct voortkomt uit die kern van de eilandeconomie, is slechts van marginale betekenis voor die substantiële vrije levenswijze, waarbinnen zij zichzelf niet alleen materieel maar ook spiritueel handhaven.
Het stuk 'De laatste wildernis' is niet noodzakelijk beter geschreven dan de voorgaande, maar sprak meer tot mijn verbeelding. Wellicht omdat het voor de verandering een tranche de vie betreft uit het leven van een schrijver wiens oeuvre ik ken: George Orwell. De laatste drie jaar van zijn leven bracht hij door op de Hebriden, op het eiland Jura. Kampend met ernstige long- en borstklachten voltooide hij er het manuscript van 1984. Daane onderzoekt onder meer of er een verband bestaat tussen de onherbergzame omgeving van Jura (documentairemakers moeten doorgaans de woonst van Orwell nabouwen omdat filmen ter plaatse alleen maar logistieke problemen oplevert) en het cultuurpessimisme dat uit zijn beroemde roman spreekt.



Het mooiste verhaal uit de bundel heet 'Ascese in de hel' en is integraal gewijd aan de weing bekende Franse schrijver Jean-Pierre Abraham. Hij werkte een paar jaar als vuurtorenwachter in een volslagen afgezonderde vuurtoren voor de Bretoense kust [zie foto] en distilleerde uit die ervaringen een paar prachtige boeken, waar Daane gul uit citeert. Ar-Men heet de vuurtoren in kwestie, en het is naar verluidt een van de meest mythische uit zijn soort.
Die reputatie dankt Ar-Men niet aan zijn vrij modale hoogte (37m), doorsnee (6,80-7,20m) of lichtsterkte (300000 candela’s), maar aan zijn bouwgeschiedenis en vooral aan zijn positie. Op bijna tien wilde kilometers van de dichtstbijzijnde nederzetting en twintig van het vasteland is Ar-Men de meest afgelegen, vochtigste, door de golven bestookte vuurtoren van Frankrijk en misschien wel van de wereld. Franse vuurtorenwachters delen hun werkterrein van oudsher op in de Hemel, het Vagevuur en de Hel. De Hemel bestaat uit de vuurtorens op het land, waar je altijd in én uit kunt en die zijn voorzien van aparte bijgebouwen met fatsoenlijke woonruimte. Het Vagevuur omvat de vuurtorens op onbewoonde eilanden of moeilijk bereikbare kustlocaties. De Hel, dat zijn de vuurtorens op volle zee, waar verder niets is.
En een van die laatste beschouwen zij eerbiedig als ‘de hoogste in deze infernale hiërarchie’, dixit Émile Condroyer. Eén geldt als L’Enfer des Enfers, de hel der hellen -- en dat is Ar-Men.
"Aflossing was voor de vuurtorenwachters bijgevolg méér dan een roosterkwestie," schrijft Daane . Ar-Men heeft immers geen aanlegplaats. Omdat ‘gewoon’ aanleggen bij een vuurtoren op zee door de rotsen en de stroming niet mogelijk is, worden aflossingsschip en vuurtoren met elkaar verbonden door een va-et-vient, een lijn die aan beide uiteinden op een lier werd gedraaid.
Met deze cartahu gingen voorraden en vuurtorenwachters omhoog naar de toren of omlaag naar het schip. De wachters gleden -- soms met hun hond -- schrijlings op een soort met kapok gevulde schijf gezeten langs de lijn. Dit überhaupt riskante klusje was tijdens stormen eenvoudigweg onmogelijk. Als het aflossingsschip al uitvoer, kon het wel een uur bij de vuurtoren liggen, om uiteindelijk onverrichterzake terug te moeten keren. Dat kon zich dagen of weken aaneen herhalen. In 1923 ‘wachtte’ J.M. Fouquet maar liefst 101 dagen. De arme kerel bracht zijn 102e nacht vervolgens door in een donker kamertje achter de gendarmerie van Île de Sein. Hij kreeg daar na zijn ‘bevrijding’ een heldenontvangst en accepteerde zo veel glazen dat hij dronken over het eiland wandelend werd aangetroffen. De volgende dag werd hij op het vasteland veroordeeld tot een week cel. Hij zat die zonder klagen uit. Wat is immers een week cel na 101 dagen Ar-Men? Inderdaad: om te lachen.
Een eigen koninkrijk besluit met het essay 'De ziel van een plaats', waarin George Mackay Brown alle aandacht opeist, naast Edwin Muir de belangrijkste dichter-schrijver van Orkney. Over zijn poëzie werd lovend gesproken door onder meer Ted Hughes en Seamus Heaney. Orkney kan terugkijken op een fascinerende geschiedenis die teruggaat tot de Noorse veroveraars, de IJzertijd, Bronstijd en zelfs, denk aan de Ring van Brodgar, het Neolithicum. 'De ziel van ene plaats' gaat onder meer over hoe Brown omgeving en traditie in zijn boeken verwerkt (maar tegelijk botst op de ongevoeligheid van de bevolking voor dichters en ander kunstenaarsvolk).

Naar d'ovekant gaan
Marco Daane schrijft helder en weet hoe hij informatie moet structureren. Literatuur wordt het echter nooit. Ook niet wanneer hij, keurig volgens het boekje, geschiedenis en literair portret laat alterneren met het actuele verhaal van zijn bezoek. Daane bedrijft de kunst van het degelijke voor- of nawoord, maar ook niet meer dan dat. Alleen de tekst over Jean-Pierre Abraham wist me echt te prikkelen. Dat komt omdat Daane daarin het best focust op zijn onderwerp. Elders weet je niet of je nu het werk van een reiziger, socioloog, heemkundige of literaire sporenzoeker zit in te kijken. Misschien kan een meesterschrijver al die facetten elkaar laten versterken, maar Daanes teksten zijn daar te grijs voor.
Zijn bezoek aan Orkney in 1956 was voor Edwin Muir een trip down memory lane. Willa en hij zaten er vooral gewoon te zitten, aan de kust, lui naar zonnebadende honden kijkend, of mijmerend op een banke bij de St. Magnuskathedraal in Kirkwall. Ze bezochten wat familie en bekenden en gingen nog eens terug naar The Bu. Op een andere boerderij brachten ze een lange avond door met de bewoners, al kon Muir het niet meer opbrengen om zoals in 1934 de nacht met hen door te halen.
Over die gastvrijheid en de sociale samenhang in Orkney doen veel verhalen de ronde. Vooral op de wat verder weg gelegen eilanden is iedereen van iedereen afhankelijk. Op Wyre daarentegen gaan de slechts zeventien eilanders goed met elkaar om, maar bestaat geen echt intens gemeenschapsgevoel, aldus Clive en Jan. De strakke band met Rousay en de gemakkelijke bereikbaarheid van dat eiland lijken de sociale omgeving groter en diffuser te maken. Het is zelfs de vraag of er op Wyre ooit een nauw sociaal netwerk is geweest, zoals bij Edwin Muir te lezen valt. Vroeger waren de bewoners veel meer met hun werk en hun boerderijen in de weer dan met elkaar. Velen konden het uiteindelijk niet bolwerken, en een sterk gemeenschapsgevoel zou in die agrarische overlevingsstrijd waarschijnlijk slechts beperkt soelaas hebben geboden.
Die landbouwkwesties zijn van alle tijden. Na een aantal ‘fusies’ zijn er nu nog slechts vijf actieve boerderijen op Wyre. Kleinere boerenbedrijven houden tegenwoordig geen stand meer. Clive en Jan hebben, net als enkele anderen, hun landbouwgrond verhuurd. De boer die deze gebruikt heeft daardoor kans op een grotere opbrengst en substantiële concurrentiemogelijkheden.
Ik denk niet dat ik hier iets van onthoud. Bovendien miste ik persoonlijke inzet bij Daane. Hoe komt het dat ik de reisverhalen van Boudewijn Büch, die dikwijls met nog veel droger feitenmateriaal komt aanzetten, met huid en haar opslok, terwijl Een eigen koninkrijk zo mat blijft? Het ligt heus niet alléén aan de aanstekelijke jongensromantiek van Büch; het komt ook omdat Büch een grote persoonlijke betrokkenheid aan de dag legt bij zijn onderwerpen en dat mooi uit de tekst laat spreken. Bij Een eigen koninkrijk vroeg ik me meermaals af: waarom vertelt Daane me dit allemaal? Ik bedoel: waarom hij, en niet iemand anders?

Bij Büch heb je natuurlijk ook de onbereikbaarheid van de locaties. De onverwoestbare vraag 'Haalt hij zijn bestemming?', die ook de lezer mobiliseert. Maar Daane kiest met opzet locaties dicht bij huis, locaties die Büch uit blinde eiland- en vertezucht altijd heeft laten liggen. Daane verdedigt zich nochtans goed in de aanvangsbladzijden, wanneer hij de lof zingt van het naar "d'ovekant gaan"...
Het verschil tussen de ene en de andere kant van het water is de ultieme kant in het reizen. Daarom dient een oversteek naar of van een eiland als het even kan per schip te gaan. Dat staat garant voor een trage fysieke ervaring van die grens.
...om dan in zijn boek nauwelijks op dat gevoel terug te komen.

[afbeelding: Armen, gefotografeerd door Jean Guichard, november 1989]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selecte bibliografie in de commentaren hieronder

Marco Daane, Een eigen koninkrijk
311 p.
Uitgeverij Atlas, 2008

____

Related Posts with Thumbnails