Waarom zou je de klassieken lezen - Italo Calvino
Het titelessay van Waarom zou je de klassieken lezen dient als deksel op een kist met gemengde inhoud. Meer niet. Een ratjetoe is dit, van essays, krantenartikelen en voorwoorden waarvan het leeuwendeel dateert uit de jaren zeventig en tachtig. Maakt niet uit: er zijn weliswaar auteurs die een stuk transparanter over literatuur schrijven dan Italo Calvino, maar in deze opstellen weet hij zijn voorkeuren meer dan aannemelijk te maken.
Dat het hier een bundel mengelwerk betreft, daarvoor hoef je de verantwoording niet eens te lezen. In Waarom zou je de klassieken lezen staat een close-reading van Eugenio Montale vrolijk naast een verhandeling over Mark Twain. Het zeer informatieve stuk over Queneau behandelt bijkans diens hele oeuvre (met focus op zijn fascinatie voor Hegel) terwijl het essay over Tirant lo Blanc van Joanot Martorell door Italo Calvino wordt aangegrepen om de geschiedenis en varianten van de ridderroman aan te kaarten. Naar aanleiding van Orlando Furioso volgt een lange uitweiding over het ottava rima. De tekst over De chartreuse van Parma gaat evenzeer over het boek als over de setting, het reactionaire Italië van de Restauratie. Voorts scherpt Calvino de honger aan naar de nog onvertaalde romans van Carlo Emilio Gadda. Enzovoort, enzoverder. Afwisseling troef.
Het lezen van een boek als dit legt ook pijnlijk bloot waar het in de rapte geschreven logjes zoals de mijne aan schort. Waar dit weblog vol staat met breiwerkjes van eerste indrukken, zijn de essays van Calvino het destillaat van overpeinzing, research en vooral: meerdere leesbeurten. Wanneer je een boek meerdere malen leest, op verschillende momenten in je leven (waar Calvino een hartsgrondig pleidooi voor houdt), vormt elke leesbeurt als het ware een afzettingslaag. Wat een weelde moet het vervolgens zijn om in een bespreking een dwarsdoorsnede van die stratificatie te kunnen verwerken.
Wat me ook opvalt is dat een essayist van het kaliber Calvino waardeoordelen zoveel mogelijk opschort en er vooral voor zorgt het boek recht te doen. Daarbij gaat het zelden over de entertainmentwaarde voor de lezer (in een bundel over favorieten spreekt die sowieso voor zich) maar over de bedoelingen van de schrijver. Calvino gaat te werk als een profiler die de gedragingen van de schrijver analyseert en de portee daarvan probeert in te schatten. Hij zoekt naar het wereldbeeld van de schrijver en het mensbeeld dat spreekt uit zijn personages. Welke krachten drukken op zijn helden? In welke mate geloven zij in een vrije wil? Hoe proberen zij orde te scheppen in hun leven? Hoe definiëren zij orde eigenlijk? Hoe veranderlijk achten zij het universum waarin zij zich bewegen? Wat is hun ultieme conclusie na een leven lang leven?
Dat te onderzoeken vergt handenvol werk, waar liefst ook nog een honorarium tegenover staat. Als amateur houd ik me op dit weblog dan ook alleen bezig met, cru gezegd, het uitzuigen van boeken -- wat steekt in dit boek dat mij aanbelangt, vormt, verder brengt, welgevallig is? Calvino van zijn kant draait er zijn hand niet voor om om te peilen naar, ik zeg maar wat, de rol van het opperwezen bij Plinius de Oude. Ik zou dat niet kunnen opbrengen.
En zo is elk stuk in deze bundel waardevol en informatief. Een erudiete bijsluiter bij het besproken boek, waarbij Calvino wel dikwijls steunt op wat Italiaanse exegeten eerder aan het licht hebben gebracht.
Het eigen werk van Calvino indachtig verwacht je een grote preoccupatie met de structuur van romans: het borduurwerk, de symmetrie, de schema's. Die voorspelling wordt ook bewaarheid. Daarbij zij vreemd genoeg aangetekend dat Calvino zijn liefde voor de techniciteit in deze bundel vooral botviert op oude klassiekers. Echte modernisten, op Ponge, Queneau en Borges na, schitteren door afwezigheid.
Naast de technische invalshoek neemt Calvino de traditionele taak op zich om te zoeken naar sleutels waarmee de lezer zich toegang kan verschaffen tot een oeuvre. Daarbij geldt dat de noodzaak van zo'n sleutel, en de moeilijkheidsgraad om die sleutel te vinden, omgekeerd evenredig is met de anciënniteit van een boek.
Bij Xenophon wordt al duidelijk omlijnd wat, in al haar beperkingen, de moderne ethiek inhoudt van een perfecte technische efficiëntie, waarin je ‘de situatie meester bent’, ‘de dingen die je doet goed doet’, los van een waardeoordeel over je daden in termen van universele moraal.De inzichten uit Waarom zou je de klassieken lezen bleken zich echter het best in mijn geheugen te nestelen wanneer Calvino de intenties van uiteenlopende schrijvers tegen elkaar afzet. Meestal beschouw ik het als een vervelende beroepsdeformatie wanneer literatuurcritici overal verwantschappen ontdekken ("A is de vooraankondiging van B", "het werk van C bevat naklanken van D") en druk doende zijn met stambomen, maar bij Calvino wordt vergelijken een zinvolle bezigheid. In de marge van het boek duid ik ze zelfs aan in potlood: [<---->].
[...]
Van Rousseau tot Hemingway kan iedereen zijn eerste leermeester herkennen in Defoe, die de waarde van een mens laat zien aan de hand van zijn bekwaamheid zich te redden in de omstandigheden, van zijn succes of falen in het ‘maken’ van iets, of het nu klein is of groot.
[...]
Vandaag de dag is het niet het ‘filosofische verhaal’ in Candide dat ons het meest aanspreekt, niet de satire, niet een moraal en een wereldvisie die vorm krijgen: het is het ritme. Met vaart en lichtvoetigheid volgen ongelukken, kwellingen en moordpartijen elkaar in hoog tempo op de bladzijde op, ze springen over van het ene hoofdstuk naar het andere, vertakken en vermenigvuldigen zich zonder dat ze de emoties van de lezer op een andere manier aantasten dan met een gevoel van kostelijke, oeroude vitaliteit. (…) De grote vondst van de humorist Voltaire is wat een van de meest trefzekere effecten van de komische film zal worden: een razendsnelle opeenvolging van rampen.
[...]
[wat Calvino bij Flaubert opmerkt stemt mooi overeen met de analyse van James Wood in How fiction works:] Visualiteit in de roman zien we het eerst bij Stendhal en Balzac, en bereikt bij Flaubert die perfecte verhouding tussen woord en beeld (uiterste spaarzaamheid met een uiterst rendement). De crisis van de visualiteit zet een halve eeuw daarna in, en valt samen met de opkomst van de film.
Zo schrijft Calvino naar aanleiding van Diderot over het vervreemdingsprinicipe en legt hij uit hoe dat bij Brecht, Queneau en Sterne andere vormen aannam. Hij onderzoekt de crisis van het burgerlijk denken bij Hemingway, Tsjechov en Stendhal. Hij vergelijkt de blik van Ponge, Sartre en Robbe-Grillet. Hij legt de vinger op de gelijkenissen en verschillen in de 'avonturenromans' van Conrad, Stevenson en Gorki. En in de analyse van Dokter Zjivago is de schrijvershouding tegenover geweld een van de motieven.
De barbaarsheid die is ingeworteld in ons huidig leven is het grote thema van de hedendaagse literatuur, met vertellingen die druipen van alle slachtingen die er deze halve eeuw zijn aangericht, met een stijl die de directheid van een grotschildering probeert te benaderen, en een moraal die de menselijkheid wil terugvinden door middel van cynisme, meedogenloosheid of verschrikkelijke taferelen. Pasternak kan zonder moeite worden ondergebracht bij deze literatuur, waartoe eigenlijk ook reeds de sovjetschrijvers van de burgeroorlog behoorden, van Sjolochov tot de vroege Fadejev. In een groot deel van de hedendaagse literatuur wordt ‘geweld’ geaccepteerd als een term waar je niet omheen kunt als je er in poëtische zin mee wil afrekenen, als je er een verklaring voor zoekt en je je ervan wil zuiveren. Sjolochov neigt ertoe het geweld te rechtvaardigen en te veredelen, Hemingway om er een confrontatie mee aan te gaan als in een viriele beproeving, Malraux om het te esthetiseren, Faulkner om het heilig te maken, Camus om het van zijn betekenis te ontdoen. Pasternak daarentegen geeft uitdrukking aan het gevoel dat hij het geweld moe is.Tot de hoogtepunten van de bundel behoort het stuk over Stendhal, waarin Calvino met zwier leven en werk aan elkaar knoopt en overal rode draden ziet in het al bij al verscheiden oeuvre van de Franse schrijver. De andere meesterproef is het daarnet genoemde, tevens meest lijvige essay dat is opgenomen, waarin Calvino zeer grondig Pasternak afzet tegen de grote negentiende-eeuwse realisten, Tolstoj in het bijzonder. Als het oproepen van voorpret het criterium is, de lust om die boeken meteen te lezen, mogen de teksten over Plinius de Oude en Dickens (Our mutual friend) niet onvermeld blijven. Minder geslaagd is bijvoorbeeld de tekst over Balzac, waarin Calvino te veel hinkt op één been (en de stad bij Balzac ziet als metafoor voor ongeveer alles).
Maar goed, een verzameling essays over de klassieken (boeken waar je per definitie al eerder over hebt gelezen) wordt pas echt verteerbaar als er voldoende plaats is voor verrassingen. Bij Calvino uit zich dat in zijn keuze voor enkele minder voor de hand liggende werken -- Twee huzaren van Tolstoj, het verhaal The pavilion on the links van Robert Louis Stevenson -- en een paar auteurs die me volslagen onbekend waren. Zo zijn daar de Venetiaanse hedonist Giammaria Ortes en de historische figuur achter het bekende stuk van Edmond Rostand, Savinien Cyrano de Bergerac. Calvino noemt het werk van de laatste de voorbode van Candide en een van de grondleggers van de conte philosophique:
Dat wil niet zeggen een verhaal met een te bewijzen stelling, maar een verhaal waarin ideeën opkomen en verdwijnen en de draak met elkaar steken, doordat iemand zich ermee vermaakt die zich er vertrouwd genoeg mee voelt om er spelletjes mee uit te halen, terwijl hij ze tegelijk ook serieus neemt.Op het voornoemde titelessay, met liefst veertien verschillende definities in antwoord op de vraag 'Wat is een klassiek boek?', kom ik later weleens terug, als ik mijn eigen ideeën daarover klaar heb.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lijst van besproken boeken integraal in de commentaren hieronder
Italo Calvino, Waarom zou je de klassieken lezen
382 p.
Uitgeverij Atlas, 2003
Oorspr. Perché leggere i classici (1991)
Vertaald door Henny Vlot
____

"Matteo Maria Boiardo (c. 1434-1494), was an Italian Renaissance poet. Boiardo was born at, or near, Scandiano (today's province of Reggio Emilia); the son of Giovanni di Feltrino and Lucia Strozzi, he was of noble lineage, ranking as Count of Scandiano, with seignorial power over Arceto, Casalgrande, Gesso, and Torricella. Boiardo was an ideal example of a gifted and accomplished courtier, possessing at the same time a manly heart and deep humanistic learning. (...) He is best remembered, however, for his grandiose poem of chivalry and romance Orlando innamorato."
"C.I. Defontenay (1814-1856) was the pseudonym of French science fiction writer Charlemagne Ischir Defontenay. Defontenay's 1854 Star, ou Psi Cassiopea is seen by some as an example of proto-space opera. Others see Defontenay as a predecessor of Olaf Stapledon. Star describes the discovery in the Himalayas of a stone that has fallen from the sky. After opening it, it turns out to contain a metal box where the narrator finds some paper manuscripts. After two years of study, he managed to decipher them and finds out that they describe the alien societies of various humanoid races living in the constellation of Cassiopeia."













