vrijdag 31 oktober 2008

Waarom zou je de klassieken lezen - Italo Calvino

Het titelessay van Waarom zou je de klassieken lezen dient als deksel op een kist met gemengde inhoud. Meer niet. Een ratjetoe is dit, van essays, krantenartikelen en voorwoorden waarvan het leeuwendeel dateert uit de jaren zeventig en tachtig. Maakt niet uit: er zijn weliswaar auteurs die een stuk transparanter over literatuur schrijven dan Italo Calvino, maar in deze opstellen weet hij zijn voorkeuren meer dan aannemelijk te maken.

Dat het hier een bundel mengelwerk betreft, daarvoor hoef je de verantwoording niet eens te lezen. In Waarom zou je de klassieken lezen staat een close-reading van Eugenio Montale vrolijk naast een verhandeling over Mark Twain. Het zeer informatieve stuk over Queneau behandelt bijkans diens hele oeuvre (met focus op zijn fascinatie voor Hegel) terwijl het essay over Tirant lo Blanc van Joanot Martorell door Italo Calvino wordt aangegrepen om de geschiedenis en varianten van de ridderroman aan te kaarten. Naar aanleiding van Orlando Furioso volgt een lange uitweiding over het ottava rima. De tekst over De chartreuse van Parma gaat evenzeer over het boek als over de setting, het reactionaire Italië van de Restauratie. Voorts scherpt Calvino de honger aan naar de nog onvertaalde romans van Carlo Emilio Gadda. Enzovoort, enzoverder. Afwisseling troef.

Het lezen van een boek als dit legt ook pijnlijk bloot waar het in de rapte geschreven logjes zoals de mijne aan schort. Waar dit weblog vol staat met breiwerkjes van eerste indrukken, zijn de essays van Calvino het destillaat van overpeinzing, research en vooral: meerdere leesbeurten. Wanneer je een boek meerdere malen leest, op verschillende momenten in je leven (waar Calvino een hartsgrondig pleidooi voor houdt), vormt elke leesbeurt als het ware een afzettingslaag. Wat een weelde moet het vervolgens zijn om in een bespreking een dwarsdoorsnede van die stratificatie te kunnen verwerken.

Wat me ook opvalt is dat een essayist van het kaliber Calvino waardeoordelen zoveel mogelijk opschort en er vooral voor zorgt het boek recht te doen. Daarbij gaat het zelden over de entertainmentwaarde voor de lezer (in een bundel over favorieten spreekt die sowieso voor zich) maar over de bedoelingen van de schrijver. Calvino gaat te werk als een profiler die de gedragingen van de schrijver analyseert en de portee daarvan probeert in te schatten. Hij zoekt naar het wereldbeeld van de schrijver en het mensbeeld dat spreekt uit zijn personages. Welke krachten drukken op zijn helden? In welke mate geloven zij in een vrije wil? Hoe proberen zij orde te scheppen in hun leven? Hoe definiëren zij orde eigenlijk? Hoe veranderlijk achten zij het universum waarin zij zich bewegen? Wat is hun ultieme conclusie na een leven lang leven?

Dat te onderzoeken vergt handenvol werk, waar liefst ook nog een honorarium tegenover staat. Als amateur houd ik me op dit weblog dan ook alleen bezig met, cru gezegd, het uitzuigen van boeken -- wat steekt in dit boek dat mij aanbelangt, vormt, verder brengt, welgevallig is? Calvino van zijn kant draait er zijn hand niet voor om om te peilen naar, ik zeg maar wat, de rol van het opperwezen bij Plinius de Oude. Ik zou dat niet kunnen opbrengen.

En zo is elk stuk in deze bundel waardevol en informatief. Een erudiete bijsluiter bij het besproken boek, waarbij Calvino wel dikwijls steunt op wat Italiaanse exegeten eerder aan het licht hebben gebracht.

Het eigen werk van Calvino indachtig verwacht je een grote preoccupatie met de structuur van romans: het borduurwerk, de symmetrie, de schema's. Die voorspelling wordt ook bewaarheid. Daarbij zij vreemd genoeg aangetekend dat Calvino zijn liefde voor de techniciteit in deze bundel vooral botviert op oude klassiekers. Echte modernisten, op Ponge, Queneau en Borges na, schitteren door afwezigheid.

Naast de technische invalshoek neemt Calvino de traditionele taak op zich om te zoeken naar sleutels waarmee de lezer zich toegang kan verschaffen tot een oeuvre. Daarbij geldt dat de noodzaak van zo'n sleutel, en de moeilijkheidsgraad om die sleutel te vinden, omgekeerd evenredig is met de anciënniteit van een boek.

Bij Xenophon wordt al duidelijk omlijnd wat, in al haar beperkingen, de moderne ethiek inhoudt van een perfecte technische efficiëntie, waarin je ‘de situatie meester bent’, ‘de dingen die je doet goed doet’, los van een waardeoordeel over je daden in termen van universele moraal.

[...]

Van Rousseau tot Hemingway kan iedereen zijn eerste leermeester herkennen in Defoe, die de waarde van een mens laat zien aan de hand van zijn bekwaamheid zich te redden in de omstandigheden, van zijn succes of falen in het ‘maken’ van iets, of het nu klein is of groot.

[...]

Vandaag de dag is het niet het ‘filosofische verhaal’ in Candide dat ons het meest aanspreekt, niet de satire, niet een moraal en een wereldvisie die vorm krijgen: het is het ritme. Met vaart en lichtvoetigheid volgen ongelukken, kwellingen en moordpartijen elkaar in hoog tempo op de bladzijde op, ze springen over van het ene hoofdstuk naar het andere, vertakken en vermenigvuldigen zich zonder dat ze de emoties van de lezer op een andere manier aantasten dan met een gevoel van kostelijke, oeroude vitaliteit. (…) De grote vondst van de humorist Voltaire is wat een van de meest trefzekere effecten van de komische film zal worden: een razendsnelle opeenvolging van rampen.

[...]

[wat Calvino bij Flaubert opmerkt stemt mooi overeen met de analyse van James Wood in How fiction works:] Visualiteit in de roman zien we het eerst bij Stendhal en Balzac, en bereikt bij Flaubert die perfecte verhouding tussen woord en beeld (uiterste spaarzaamheid met een uiterst rendement). De crisis van de visualiteit zet een halve eeuw daarna in, en valt samen met de opkomst van de film.
De inzichten uit Waarom zou je de klassieken lezen bleken zich echter het best in mijn geheugen te nestelen wanneer Calvino de intenties van uiteenlopende schrijvers tegen elkaar afzet. Meestal beschouw ik het als een vervelende beroepsdeformatie wanneer literatuurcritici overal verwantschappen ontdekken ("A is de vooraankondiging van B", "het werk van C bevat naklanken van D") en druk doende zijn met stambomen, maar bij Calvino wordt vergelijken een zinvolle bezigheid. In de marge van het boek duid ik ze zelfs aan in potlood: [<---->].

Zo schrijft Calvino naar aanleiding van Diderot over het vervreemdingsprinicipe en legt hij uit hoe dat bij Brecht, Queneau en Sterne andere vormen aannam. Hij onderzoekt de crisis van het burgerlijk denken bij Hemingway, Tsjechov en Stendhal. Hij vergelijkt de blik van Ponge, Sartre en Robbe-Grillet. Hij legt de vinger op de gelijkenissen en verschillen in de 'avonturenromans' van Conrad, Stevenson en Gorki. En in de analyse van Dokter Zjivago is de schrijvershouding tegenover geweld een van de motieven.
De barbaarsheid die is ingeworteld in ons huidig leven is het grote thema van de hedendaagse literatuur, met vertellingen die druipen van alle slachtingen die er deze halve eeuw zijn aangericht, met een stijl die de directheid van een grotschildering probeert te benaderen, en een moraal die de menselijkheid wil terugvinden door middel van cynisme, meedogenloosheid of verschrikkelijke taferelen. Pasternak kan zonder moeite worden ondergebracht bij deze literatuur, waartoe eigenlijk ook reeds de sovjetschrijvers van de burgeroorlog behoorden, van Sjolochov tot de vroege Fadejev. In een groot deel van de hedendaagse literatuur wordt ‘geweld’ geaccepteerd als een term waar je niet omheen kunt als je er in poëtische zin mee wil afrekenen, als je er een verklaring voor zoekt en je je ervan wil zuiveren. Sjolochov neigt ertoe het geweld te rechtvaardigen en te veredelen, Hemingway om er een confrontatie mee aan te gaan als in een viriele beproeving, Malraux om het te esthetiseren, Faulkner om het heilig te maken, Camus om het van zijn betekenis te ontdoen. Pasternak daarentegen geeft uitdrukking aan het gevoel dat hij het geweld moe is.
Tot de hoogtepunten van de bundel behoort het stuk over Stendhal, waarin Calvino met zwier leven en werk aan elkaar knoopt en overal rode draden ziet in het al bij al verscheiden oeuvre van de Franse schrijver. De andere meesterproef is het daarnet genoemde, tevens meest lijvige essay dat is opgenomen, waarin Calvino zeer grondig Pasternak afzet tegen de grote negentiende-eeuwse realisten, Tolstoj in het bijzonder. Als het oproepen van voorpret het criterium is, de lust om die boeken meteen te lezen, mogen de teksten over Plinius de Oude en Dickens (Our mutual friend) niet onvermeld blijven. Minder geslaagd is bijvoorbeeld de tekst over Balzac, waarin Calvino te veel hinkt op één been (en de stad bij Balzac ziet als metafoor voor ongeveer alles).

Maar goed, een verzameling essays over de klassieken (boeken waar je per definitie al eerder over hebt gelezen) wordt pas echt verteerbaar als er voldoende plaats is voor verrassingen. Bij Calvino uit zich dat in zijn keuze voor enkele minder voor de hand liggende werken -- Twee huzaren van Tolstoj, het verhaal The pavilion on the links van Robert Louis Stevenson -- en een paar auteurs die me volslagen onbekend waren. Zo zijn daar de Venetiaanse hedonist Giammaria Ortes en de historische figuur achter het bekende stuk van Edmond Rostand, Savinien Cyrano de Bergerac. Calvino noemt het werk van de laatste de voorbode van Candide en een van de grondleggers van de conte philosophique:
Dat wil niet zeggen een verhaal met een te bewijzen stelling, maar een verhaal waarin ideeën opkomen en verdwijnen en de draak met elkaar steken, doordat iemand zich ermee vermaakt die zich er vertrouwd genoeg mee voelt om er spelletjes mee uit te halen, terwijl hij ze tegelijk ook serieus neemt.
Op het voornoemde titelessay, met liefst veertien verschillende definities in antwoord op de vraag 'Wat is een klassiek boek?', kom ik later weleens terug, als ik mijn eigen ideeën daarover klaar heb.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lijst van besproken boeken integraal in de commentaren hieronder

Italo Calvino, Waarom zou je de klassieken lezen
382 p.
Uitgeverij Atlas, 2003
Oorspr. Perché leggere i classici (1991)
Vertaald door Henny Vlot

____

donderdag 30 oktober 2008

Matteo Maria Boiardo

"Matteo Maria Boiardo (c. 1434-1494), was an Italian Renaissance poet. Boiardo was born at, or near, Scandiano (today's province of Reggio Emilia); the son of Giovanni di Feltrino and Lucia Strozzi, he was of noble lineage, ranking as Count of Scandiano, with seignorial power over Arceto, Casalgrande, Gesso, and Torricella. Boiardo was an ideal example of a gifted and accomplished courtier, possessing at the same time a manly heart and deep humanistic learning. (...) He is best remembered, however, for his grandiose poem of chivalry and romance Orlando innamorato."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Boiardo

____

Menippus

"Menippus (Greek: Μένιππος) of Gadara, was a Cynic and satirist who lived during the 3rd century BCE. The Menippean satire genre is named after him. He was a native of Gadara in Coele-Syria. According to Diogenes Laërtius he was originally a slave, amassed a fortune as a money-lender, lost it, and committed suicide through grief. His works (written in a mixture of prose and verse) are all lost. He discussed serious subjects in a spirit of ridicule, and especially delighted in attacking the Epicureans and Stoics. Strabo and Stephanus call him the "earnest-jester" (Greek: σπουδόγελοιος, spoudogeloios). His writings exercised considerable influence upon later literature."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Menippus

____

C.I. Defontenay

"C.I. Defontenay (1814-1856) was the pseudonym of French science fiction writer Charlemagne Ischir Defontenay. Defontenay's 1854 Star, ou Psi Cassiopea is seen by some as an example of proto-space opera. Others see Defontenay as a predecessor of Olaf Stapledon. Star describes the discovery in the Himalayas of a stone that has fallen from the sky. After opening it, it turns out to contain a metal box where the narrator finds some paper manuscripts. After two years of study, he managed to decipher them and finds out that they describe the alien societies of various humanoid races living in the constellation of Cassiopeia."

> http://en.wikipedia.org/wiki/C._I._Defontenay
____

Cardinal de Retz

"Jean François Paul de Gondi, cardinal de Retz (1613–1679) was a French churchman, writer of memoirs, and agitator in the Fronde. The Florentine banking family of the Gondi had been introduced into France by Catherine de' Medici. (...) During the last ten years of his life, Retz wrote his Memoirs, which go up to the year 1655. They are addressed in the form of narrative to a lady who is not known, though guesses have been made at her identity, some even suggesting Madame de Sévigné herself. In the beginning there are some gaps. They are known for their narrative skill and the verbal portraits of their characters."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Cardinal_de_Retz

____

Bernard le Bovier de Fontanelle

"Bernard le Bovier de Fontenelle, also referred to as Bernard le Bouyer de Fontenelle (1657-1757) was a French author. Fontenelle was born in Rouen, France (then the capital of Normandy). He died in Paris, having very nearly attained the age of 100 years. His mother was the sister of the great French dramatists Pierre Corneille and Thomas Corneille. (...) Fontenelle forms a link between two very widely different periods of French literature, that of Corneille, Racine and Boileau on the one hand, and that of Voltaire, D'Alembert and Diderot on the other. It is not in virtue of his great age alone that this can be said of him; he actually had much in common with the beaux esprits of the 17th century, as well as with the philosophes of the 18th. But it is to the latter rather than to the former period that he properly belongs."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Bernard_le_Bovier_de_Fontenelle

____

woensdag 29 oktober 2008

16 oktober 1943 - Giacomo Debenedetti

"De mensen bleven met elkaar praten, elkaar waarschuwen, elkaar raad geven, precies zoals in het leven van alledag. Het noodlot deed wat het te doen had zonder zich te bekommeren om formaliteiten, zonder plichtplegingen te maken. Het drama drong het leven binnen en vermengde zich ermee met schrikbarende natuurlijkheid, die in eerste instantie niet eens plaats liet voor verbazing."

16 oktober 1943 is een sleutelgat waardoor de lezer zicht krijgt op de deportatie van de Romeinse joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een van die marginale voorvallen is dat, waar de enorme slagschaduw van de 'reguliere' holocaust, op Duits en Pools grondgebied, op dreigt te vallen.

Op 26 september 1943 wordt de Italiaanse politieambtenaar Cappa, die de Unie van joodse Gemeenten in Italië moet vertegenwoordigen, op de Duitse ambassade ontboden. De regering van het Reich legt de joden een heffing op van vijftig kilo goud. Te leveren anderhalve dag later. Met veel moeite slagen de joden erin het goud bijeen te brengen. Bij een eerste controle beweren de Duitsers echter dat ze een doos te weinig hebben aangesleept -- de joden hebben hen weer eens bedrogen! Tegencontrole wordt pas na lang aandringen geduld.

Deze pesterijen zijn echter niets vergeleken met wat op die bewuste zestiende oktober gebeurt. Drie maanden eerder werd Mussolini nog door de Grote Fascistische Raad afgezet en ontvoerd door partisanen. Koning Vittorio Emanuele III en zijn eerste minister houden voor de Duitsers nog even de schijn van een bondgenootschap op, maar knopen in het geheim onderhandelingen aan met de geallieerden. Maar begin september drijven de Duitsers de Italiaanse koning in het nauw en bevrijdt de Gestapo Mussolini. Kort daarna staan de Duitsers in Rome en worden onder leiding van Gestapo-chef Kappler ruim duizend joden uit het Romeinse getto weggevoerd.

In de ogen van de Duitsers waren de joden van Rome dubbel schuldig: als Italianen omdat ze Duitsland verraden hadden, en als joden omdat ze behoorden tot het ras van de eeuwige vijanden van Duitsland.

Met volmaakte zelfbeheersing beschrijft Giacomo Debenedetti de gebeurtenissen van die dag. De feiten spreken voor zich, en worden alleen spaarzaam aangevuld met sprekende details. Hoe voornaam en hoffelijk lijken de Duitsers eerst. Aanvankelijk worden alleen hier en daar mensen gearresteerd, terwijl de bevolking wordt gesust door te stellen dat de arrestanten worden gestraft om hun daden, niet om hun ras.

Dat geeft Debenedetti de kans om de levensgevaarlijke naïviteit van de joodse gemeenschap te tekenen. De geweldige overmacht en het absolute gezag van de Duitsers hebben een air van redelijkheid en menselijkheid in de ogen van de joden.

Het brute geweld waarmee [de Duitsers] optraden behoorde om zo te zeggen tot hun techniek en was, uitzonderingen daargelaten, geen persoonlijk sadisme. Een door de drijfriem aangedreven vliegwiel wordt rondgeslingerd door het raderwerk van de machine: het verplettert met volle kracht de ongelukkige die erdoor wordt meegesleurd, maar komt geen millimeter van zijn plaats om een slachtoffer te zoeken.
Wat ook meespeelt is de gelatenheid van de bevolking -- produkt van een eeuwenoude traditie aan joods slachtofferschap. Zie ook het fragment op Prins van Denemarken.

16 oktober 1943 is een van de amper twee verhalende werkjes die Giacomo Debenedetti (1901-1967) heeft geschreven. Zijn hoofdbezigheden lagen in de journalistiek en de literatuurkritiek. Op de flap wordt hij zelfs "een van de meest gezaghebbende Italiaanse literatuurcritici van de twintigste eeuw" genoemd, maar van zijn essays heb ik voorlopig niets kunnen vinden in een voor mij toegankelijke taal.

Ook verschenen in de Ceder-reeks van Meulenhoff:
> De windmolen - Camilo José Cela
> Na het onweer - Urmuz

Giacomo Debenedetti, 16 oktober 1943 : een Joodse kroniek
69 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 1985
Oorspr. 16 ottobre 1943 (1959)
Vertaald door Frida De Matteis-Vogels

____

dinsdag 28 oktober 2008

De grote wandeling - Frédéric Bastet

Frédéric Bastet (1926-2008) was hoogleraar klassieke archeologie en later conservator van het Rijkmuseum van Oudheden in Leiden. Zijn werk omvat poëzie, romans, kunstkritieken, vijf delen Wandelingen door de antieke wereld en een gezaghebbende Couperus-biografie (1987). In 2005 werden zijn essays bekroond met de P.C. Hooftprijs. Het is wel zo netjes als je je leermeesters voor de vergetelheid behoedt, maak ik op uit zijn dikke boek met memoires.

In geschrifte kende ik Frédéric Bastet alleen maar als de dichter van Catacomben. Daarnaast heb ik weleens foto's gezien van de man in een Mario Praz-achtig praalinterieur, wat naderhand zijn woonkamer bleek te zijn. Immer onberispelijk in het pak zoals het een dandy en Couperus-kenner betaamt. Daarom verwonderde het me zo dat deze memoires zo leesbaar zijn. Uptempo zelfs, zonder veel omhaal van woorden. In mijn aantekeningen heb ik weliswaar een klein Bastet-lexicon aangelegd...

Een ingeschapen wantrouwen, vrijelijk, micheline, landverhuizer, archimandriet, pyknisch, lichtbeelden, geboortig uit, heel erg reçu zijn, diacones, biografica, dipsomaan, niet bevroedend, custode, hoveling in gala, toque, woonerf, lustwarande, emfase, gezichtsvermogen, contessa, friandises, plurken, geërigeerd, resedagroen, opstiksels, entretiens, zij heette twee zoons te hebben, symposion, tienerlei parfums, frugaal, bronchiën, pianistiek, novum, je honorarium toucheren, pakkans, onparlementair, guéridon, naar het heet, receptuur, concordans, een inpandig zwembad, kuitbroek, pandjesjas, jabot, gentiaanblauw, het dorado van, actrices entre quarante et la mort, jardinières en surtouts de table, verteringen.
...maar al deze buitenissigheden lossen netjes op in de flow van de tekst. Hetzelfde kan overigens gezegd worden van alle namedropping: De grote wandeling bulkt van de cultuurfiguren, maar het is allemaal amusant, licht verteerbaar en zonder capsones aan elkaar gepraat. Bastet relativeert zijn rijkgevulde leven herhaaldelijk. Eén keer door Marcus Aurelius te citeren, in de vertaling van Nico van Suchtelen.
‘Zie, hoe snel alles in vergetelheid verzinkt; zie de onmetelijke afgrond der eeuwigheid aan weerskanten van het Heden; hoe hol alle lof is; hoe wispelturig en kritiekloos diegenen zijn die u prijzen en hoe eng de kring is waarin hun lof weerklinkt. De ganse aarde toch is slechts een stip en welk een klein hoekje daarvan is uw eigen woonstee en hoe weinigen zijn daar -- en wát voor lieden! -- die u zullen prijzen. Denk er dus eindelijk eens aan u terug te trekken naar dat kleine gebied dat gans en al van uzelf is.’
Het genre van het gedenkschrift kan alle kanten opgaan. De grote wandeling werd een combinatie van portrettengallerij en intellectuele autobiografie. Bastet portretteert zichzelf in al zijn metamorfoses -- student oude talen, archeoloog op studiereis, hoogleraar, museumconservator -- maar schenkt daarbij evenveel aandacht aan de mensen in zijn naaste omgeving. Voor zover zij niet tot de privé-sfeer behoren, tenminste. "Memoires leggen dingen vast die de officiële geschiedenis terzijde laat," tekent Bastet ergens op.

Ondanks alle obligate randinformatie over de totstandkoming van de Couperus- en Chopin-biografieën, las ik deze memoires zelf vooral omwille van de mooi in beeld gebrachte intellectuele ontbolstering van Bastet. Het is heel aardig om de nijvere student te zien veranderen in een autoriteit op zijn vakgebied. Die ontwikkeling gaat gepaard met drie zaken. Eerst moet er noodzakelijkerwijs een afbakening komen van het interessegebied. Bastet moet de literatuur min of meer opgeven voor de archeologie.
Een beginnend hoogleraar die maar één ding heel zeker weet, namelijk dat hij nog helemaal niets weet, moet alle zeilen bijzetten om niet door de mand te vallen als zijnde een zelfopgeblazen onbenul. ‘Cedat toga musis’, had Vosmaer in zijn tijd uitgeroepen toen men ook hem een professoraat had willen aandoen, en hij was zo verstandig geweest voor onafhankelijkheid te kiezen: financieel kon hij zich dat veroorloven. Ik had verschrikkelijk veel te lezen en in te halen. Aan een specialisme alleen heb je niets. Als wetenschap of wat daar vroeger voor doorging werd de klassieke archeologie al beoefend sinds de zeventiende eeuw. Je zou zelfs kunnen zeggen, sinds Petrarca. Alleen al de latere vakliteratuur was onmetelijk groot en veelzijdig. Het terrein strekt zich uit van Voor-Indië tot de Muur van Hadrianus in Schotland, van het derde millennium voor Christus tot de Val van het Romeinse Rijk in 476 na Christus. Ik besefte het maar al te goed. Hoe krijg je ook maar enigszins vat op zo een duizendkoppige hydra? Hoe waagde je het zelf ook nog iets te publiceren?
Vervolgens zijn er de geestesgenoten en leermeesters die Bastet mee helpen vormen. Bij sommige mag hij daadwerkelijk college volgen, anderen zal hij alleen maar uit boeken kennen. Tot slot staan er (studie)reizen op het programma: Kreta, Mallorca, Moskou, Egypte, een onvervalste grand tour door Italië...

De aaneenschakeling van liefdevolle portretten is misschien wel de grootste troef van De grote wandeling. Ook al omdat onder de vrienden, kennissen en mentoren van Bastet zich enkele nobele onbekenden bevinden voor de niet-ingevoerde lezer. Aan bod komen onder meer J.H. Waszink ("Tertullianus-kenner"), Alexander Byvanck, Helmut Salden, Arthur Dale Trendall ("de grote wereldspecialist op het gebied van terracotta’s"), Hendrik Beyen en de schilder Pyke Koch. Daarnaast bevat het boek interludia over Mozart, Lord Elgin en de curieuze decadente dichter Jacques d'Adelswärd-Fersen. Ook roddelaars komen aan hun trekken. Wie wil weten hoe Jan Siebelink bijna in vlammen opging ten huize Johan Polak, moet dit boek lezen. Boudewijn Büch komt zelfs even langs, waarbij Bastet zich blijkbaar schaart bij degenen die de charmante mythomanie van BB reeds bij leven hebben doorzien.

Tot slot zijn er de verhalen die samenhangen met Bastets vakgebied natuurlijk. De lezer komt aan de weet hoe een museumconservator omgaat met een prettig gestoorde donateur, en hoe deze moet reageren op een koningin die tijdens een expositie stekelige vragen stelt. Hij leert de Fondation Hardt kennen. Hij krijgt het verhaal achter het pseudoniem 'Bastet' te horen.
In het oude Egypte heette de godheid van de liefde Bastet. De kat was haar heilig dier. Bastet had een tempel in Bubastis. Katten werden daar aanbeden en met zorg behandeld. Niet alleen wijdde men aan Bastet als stadsgodheid bronzen katten, na hun dood zijn talloze gemummificeerde poezen bijgezet in onderaardse tempelgalerijen.
De cultus van Bastet kende een hoogtepunt in de Ptolemaeische tijd (304-30 v. Chr.). Uit die periode dateert ook deze bronzen kat, die vroeger een gouden oorring moet hebben gedragen.
En hij leert iets bij over de oren van Griekse vazen. Een krater heeft er twee, een hydria drie, een gewone kan of lekythos maar één. Het materiaal is aardewerk, stevig maar na vijfentwintighonderd jaar wel broos genoeg om gemakkelijk af te breken. Voorzichtigheid is geboden.
Krammen, lijm, verf, de gebruikte hulpmiddelen zijn niet altijd even subtiel te noemen. De uit een en ander te trekken les ligt voor de hand: til nooit een Griekse vaas op aan zijn oor of oren, want die breken maar al te gemakkelijk af, of zijn vroeger al eens afgebroken en daarna weer aangezet, met lijm die door de tijd, de droogte, door onzorgvuldigheid van onze overgrootvaders, door bedroevende kwaliteit van gebruikte middelen en wat niet al, verpulverd blijkt te zijn zonder dat je het ziet of weet. De conclusie is duidelijk: voor je er nog iets aan kunt doen, houd je alleen een oor vast en ligt de vaas in scherven aan je voeten.
> ietwat rommelige bibliografie in de commentaren hieronder

(Gebaseerd op notities van 13 april 2006.)

Frédéric L. Bastet, De grote wandeling
335 p.
Uitgeverij Conserve, 2005

____

maandag 27 oktober 2008

De plakfactor - Dan Heath en Chip Heath

Ik nam deze titel mee uit de bibliotheek, in de veronderstelling dat ik Het omslagpunt te pakken had, het boek waarin Malcolm Gladwell het hoe en waarom van trends en hypes bestudeert. De gebroeders Heath treden in zijn voetspoor en proberen te achterhalen waarom sommige ideeën blijven hangen en andere niet. Vertonen pakkende ideeën gelijkenissen? En kun je met die voorkennis de overlevingskansen van waardevolle ideeën vergroten?

Het antwoord moet natuurlijk ‘ja’ luiden, anders hadden de heren geen boek uitgebracht. Onderzoek heeft uitgewezen dat efficiënte advertenties voorspelbaarder in elkaar zitten dan niet-efficiënte. Ze bezitten allemaal "de plakfactor". Met plakfactor bedoelen de Heaths niet of een campagne interessant bevonden wordt door het publiek op het moment zelf, maar of ze makkelijk te onthouden is én effectief in het veranderen van denken of gedrag bij dat publiek.

De plakfactor is in zoverre een glad managementboek dat Dan en Chip Heath bijna nergens morele oordelen uitspreken over de zaak die moet verdedigd worden. Het zijn techneuten die alleen maar zoeken naar doeltreffendheid. Maar anders dan in het zoveelste guru-praatje komen ze wel met een waaier aan voorbeelden aanzetten die het zuivere verkoopsdenken overstijgt. De reden waarom een onwaar idee een waar idee kan verdringen of waarom het ene idee virulenter is dan het ander belangt immers vele groepen mensen aan.

Voor managers zijn dit ‘grote ideeën’ over de nieuwe strategische koers en gedragsrichtlijnen. Docenten proberen hun studenten iets door te geven, conflicten en trends (…). Columnisten proberen de mening van lezers over allerlei aangelegenheden te veranderen. Religieuze leiders proberen spirituele wijsheid te delen met hun gemeente. Non-profitorganisaties proberen vrijwilligers en donateurs te overreden hun tijd aan een goede zaak te geven.
Welnu, ideeën die de bewuste plakfactor bezitten volgen meestal zes principes: ze zijn eenvoudig, onverwacht, concreet, geloofwaardig, raken een gevoelige snaar en zijn in een verhaalvorm gegoten.

De boosdoener die ervoor zorgt dat we die zes principes uit het oog verliezen wordt in dit boek "de Vloek van Kennis" genoemd. Specialisten verliezen door hun voorkennis de naïviteit die nodig is om iets begrijpelijk uit te leggen. Als je iets weet kun je je niet meer voorstellen hoe het was toen je het niet wist.

Hieronder een synopsis van wat Dan en Chip Heath vertellen, met voorbeelden, sommige uit mijn eigen koker. In het boek zelf worden de voorbeelden van de Heaths uitgewerkt. Bijzonder nuttig zijn hun oefeningen op de grijs getinte pagina’s, die aangeven hoe je de leesbaarheid en de plakfactor van een zakelijke tekst kunt verhogen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Dan Heath en Chip Heath, De plakfactor
Waarom sommige ideeën aanslaan en andere niet

253 p.
Uitgeverij Pearson Eduction, 2007
Oorspr. Made to stick : why some ideas survive and others die (2007)
Vertaald door Tijmen Roozenboom



1. Houd het eenvoudig
Zoek de kern van wat je wil zeggen. Een advocaat zegt: ‘Als je tien punten aanvoert zal de jury er geen een onthouden, ook al zijn ze alle tien prima.’ Schrappen, schrappen en nog eens schrappen dus, tot je de kern overhoudt. Vb: stap-voor-stap-instructies van een legerleider in een chaotische oorlogssituatie zijn nutteloos. Hij moet een concreet doel meedelen waarmee iedereen zich kan identificeren: ‘Het is mijn intentie om het derde bataljon op heuvel 4305 te krijgen.’ Bepaal wat het allerbelangrijkste is, en formuleer dat in een eenvoudige intentieverklaring waar personeelsleden al hun gedragingen aan kunnen toetsen. Vb: ‘dé goedkoopste luchtvaartmaatschappij zijn.’ Ook (tv-)journalisten, opdat ze ‘het nieuws niet zouden begraven’, presenteren alle informatie in volgorde van afnemend in belang, waarbij de eerste zin dus de meeste informatie bevat.

Vermijd beslissingsangst. Psychologen hebben ontdekt dat mensen tot irrationele beslissingen worden gedreven als de situatie te complex of onzeker wordt. Vb: als je studenten twee alternatieven geeft voor studeren, dan is -- paradoxaal genoeg -- de kans kleiner dat ze een van beide kiezen. Dan wint het schuldgevoel meestal en kiezen ze voor studeren. Geef je hen echter de keuze tussen studeren of een leuke film bekijken, is de kans groot dat ze voor dat verzetje kiezen. Voorkom deze belissingsangst, door genadeloos prioriteiten te stellen.

Het eenvoudig houden slaat niet alleen op de compactheid van de mededeling. Je moet ervoor zorgen dat ze in één moeite door de kern bevat van wat je wil zeggen. Je streeft niet per se naar een korte bewering: het gaat niet om de soundbite. Je moet ideeën formuleren die tegelijk eenvoudig én diep zijn. Gezegden zijn ideale voorbeelden: diepzinnige soundbites, een bewering van één zin die zo diep is dat iemand een heel leven lang kan leren om deze te volgen. (Cf. de definitie van Cervantes van een gezegde: "korte zinnen, ontleend aan lange ervaring".) Tegenvoorbeeld van eenvoud: de overdaad aan functies op een controlepaneel.

Er zijn drie handige middeltjes om veel zeggingskracht in compacte informatie te stoppen. (a) Gebruik maken van iemands voorkennis; bestaande concepten aanboren. Mensen weten eerder wat een grapefruit is dan een pomelo; definieer een pomelo dus als ‘in wezen een buitensporig grote grapefruit met een hele dikke, zachte schil.’ (b) Pitchen, zoals bij films. Vb: Speed = Die Hard in een bus. (c) Generatieve analogie gebruiken. Vb: Disney noemt zijn personeel ‘cast’. Uit deze eenvoudige metafoor volgt onbewust een gedetailleerde gedragslijn voor dat personeel:
- leden van de cast komen niet op sollicitatiegesprek, maar doen auditie voor een rol
- als ze rondlopen in het park, zijn ze op het toneel
- bezoekers van Disney zijn gasten, geen klanten
- banen zijn uitvoeringen, uniforms zijn kostuums

2. Kom met iets onverwachts voor de pinnen
Trek de aandacht met een verrassing. De grootste verrassing ontstaat wanneer je de vastgeroeste verwachtingspatronen van je publiek bruut onderuit haalt. Vertel iets dat tegen hun intuïtie indruist en een emotionele reactie teweegbrengt. Vb: dat een zak popcorn even ongezond is als een hele dag vet eten! Emotie gegarandeerd.

Toch gaat het niet om de verrassing om de verrassing. Het doorbreken van het verwachtingspatroon moet nieuw inzicht leveren. Neem het voorbeeld van de clevere docent journalistiek die aan zijn studenten vroeg de kern van een krantenbericht te schrijven.
De leraar draaide de feiten af: ‘Kenneth L. Peters, de rector van Beverly Hills High School, deelde vandaag mee dat de hele staf volgende week donderdag naar Sacramento gaat voor een colloquium in nieuwe onderwijsmethoden. De sprekers zijn onder andere antropologe Margaret Mead, president van hbo-instituut dr. Robert Maynard Hutchins, en de gouverneur van Californië, Edmund ‘Pat’ Brown.’
De journalisten in de dop ramden het eerste nieuwsbericht van hun carrière uit hun typemachine. De meeste studenten kwamen met een bericht waarin de feiten anders waren geordend en gecondenseerd tot één zin: ‘Gouverneur Pat Brown, Margaret Mead en Robert Maynard Hutchins zullen donderdag de staf van Beverly Hills High School toespreken in Sacramento bla, bla, bla.’
De docent verzamelde de berichten en keek deze snel door. Toen legde hij ze weg en liet een stilte vallen. Ten slotte zei hij: ‘Het nieuws van het verhaal is: “Er is aankomende donderdag geen les”.’
Dit is de beste manier om aandacht te krijgen: de bestaande concepten van je doelpubliek direct afbreken. Via de verrassing, het schokeffect, kwamen de studenten tot het inzicht: wie, wat, wanneer en waar is niet genoeg. Je moet begrijpen wat het betekent en waarom het van belang is.

Hoe houd je de aandacht vast, eenmaal je die hebt verkregen? Eerste mogelijkheid: creëer een mysterie. Vb: ‘Waaruit bestaan de ringen van Saturnus?’ Nieuwsgierigheid ontstaat wanneer je een hiaat in je kennis bespeurt, zegt gedragseconoom George Loewenstein. Daaruit volgt -- tweede mogelijkheid -- dat we eerst hiaten moeten creëren voordat we ze kunnen sluiten. We zijn geneigd mensen feiten mee te delen, maar eerst moeten ze beseffen dat ze je boodschap nodig hebben. Vertel je verhaal als een detective, als een raadsel, als uitdaging. Vb: de topman van Sony die op een dag aan zijn ingenieurs zei: ik wil een radio die je in je zak kunt steken. Vb: JFK die in 1961 zei: we moeten allemaal ons best doen om voor het einde van het decennium een man op de maan te krijgen.

Het rare is ook: hoe meer iemand weet, hoe meer hij zich zal richten op de dingen die hij niet weet. Denk aan docusoaps à la Het leven zoals het is. Hoe meer je gaandeweg van iemand (die je eerst niet kende en zelfs nauwelijks interesseerde) te weten komt, hoe meer je benieuwd raakt naar hoe het met hem afloopt.

3. Wees concreet
Lardeer je verhaal met zoveel mogelijk zintuiglijke informatie. Je boodschap moet zo concreet zijn als een fabel ("de druiven zijn zuur"). Geheugenexperimenten hebben uitgewezen dat mensen concrete, gemakkelijk te visualiseren zelfstandige naamwoorden (‘fiets’ of ‘avocado’) beter onthouden dan abstracte (‘gerechtigheid’ of ‘persoonlijkheid’). Reden waarom zo weinig verhalen van Botho Strauss blijven hangen, in tegenstelling tot de Ilias en de Odyssee. Vb: het experiment van Jane Elliott.

De reden waarom we toch zo makkelijk afglijden naar abstractie is opnieuw de Vloek van Kennis: het verschil tussen een expert en een nieuweling ligt in het vermogen om abstract te denken. Beginners zien concrete details als concrete details. Experts zien concrete details als symbolen van patronen en inzichten die ze in de loop der jaren door ervaring hebben geleerd.

Zorg dat mensen op één golflengte komen. Ingenieurs denken veel abstracter dan de productiemedewerkers die het ontwerp uiteindelijk in een tastbare machine moeten omzetten. Daarom dient de gemeenschappelijke doelstelling geformuleerd in zo concreet mogelijke termen. Vb: het management van Boeing lanceerde het idee voor het 727-passagiersvliegtuig als concreet doel: 'de 727 moest plaats bieden aan 131 passagiers, non-stop van Miami naar New York City vliegen en landen op baan 4-22 op La Guardia (veel te kort voor bestaande passagiersvliegtuigen)'.

Een andere manier om concreet te zijn is het creëeren van een welomlijnd territorium waarop mensen hun kennis kunnen toepassen. Een experiment wees uit dat de meeste mensen naderhand ongeveer evenveel witte dingen kunnen bedenken die in de koelkast zitten, dan witte dingen overal, zonder plaatsbeperking. Een afgebakend, visualiseerbaar terrein stimuleert immers de fantasie.



4. Zorg voor de geloofwaardigheid van de boodschap
Zorg dat mensen je geloven. Als je probeert een sceptisch publiek te overtuigen, voer je strijd tegen levenslang opgebouwde opvattingen, gevormd door persoonlijk leren en sociale verbanden. In tegenstelling tot wat je zou denken werkt teruggrijpen naar harde cijfers -- zonder meer -- meestal averechts. Een gezaghebbende spreekbuis is nodig om de autoriteit waarop het publiek zijn kennis vestigt (familie, persoonlijke ervaring, geloof) enigszins te doorbreken.

Dat kan een klassieke autoriteit zijn: een specialist of respectabel instituut. Zelfs (of zeker) in professionele middens werkt deze vorm van autoriteit sterk door. Aan het Nobelprijswinnende inzicht in maagzweren van Barry Marshall en Robin Warren (een eenvoudige patholoog en een internist) hechtte aanvankelijk niemand geloof, omdat de medische gemeenschap verwacht dat belangrijke ontdekkingen komen van doctors aan onderzoeksuniversiteiten of van professors aan grote, wereldberoemde medische centra.

Beroemdheden en rolmodellen vormen een tweede categorie ‘autoriteiten’. Tia Hellebaut is geen voedseldeskundige of notoir fijnproever maar prijst toch Pizzahut aan. Dat werkt voor een stuk. Je vertrouwt immers graag de aanbevelingen van mensen waarop je wilt lijken.

Daarnaast is er zoiets als intrinsieke geloofwaardigheid. Eén efficiënte manier om een boodschap an sich overtuigend te maken is haar larderen met details. Bedenk maar eens hoe snel een geschiedenisfanaat zijn geloofwaardigheid kan vestigen door een interessante anekdote te vertellen over de Burgeroorlog. Maak daarnaast statistische informatie aanschouwelijk. Vb: als we een kind met een schaar zien rondrennen, vinden we dat griezelig en roepen we dat het daarmee moet ophouden. Maar als we krantenartikelen lezen over kernwapens -- die miljoenen kinderen kunnen doden -- veroorzaakt dat hoogstens een kort gevoel van afgrijzen. Laten we in een demonstratie echter vijfduizend knikkers (het aantal kernkoppen wereldwijd) op de grond vallen, dan maakt dat helse lawaai wel indruk.

Breng bovendien alles terug naar de menselijke proporties. Vb: bij de mededeling ‘popcorn heeft een vetwaarde van 37 gram’ kunnen weinigen zich iets voorstellen. Maar als je vertelt dat zulks gelijk staat aan de hele dag vet eten, heeft dat wel impact. Zorg ten slotte voor toetsbare beweringen. Vb: mensen kunnen met eigen ogen vaststellen of er inderdaad ‘meer vlees zit tussen de hamburgers van Wendy’s’. Ronald Reagan maakte in 1980 een technisch praatje over de stagnerende economie heel aanschouwelijk door de kiezer rechtstreeks aan te spreken: ‘Voordat je gaat stemmen moet je je gewoon afvragen of je beter af bent dan vier jaar geleden.’

5. Raak een gevoelige snaar
Een handig principe luidt: ‘Alleen als ik naar het individu kijk, kom ik in actie’. Denk aan het kindje uit de drinkwater-spotjes op National Geographic. Onderzoek bij liefdadigheidsacties heeft uitgewezen dat mensen zelfs meer geven wanneer ze het individuele verhaal alleen krijgen, dan wanneer dat nog eens begeleid wordt met algemene omkadering en statistiek. De cijfers prikkelen het analytische denken van mensen, en daarom reageren ze minder emotioneel bewogen. Ander bruikbaar principe: de kracht van associatie. De klinische waarde ’37 gram’ roept geen associaties of emoties op. Een hele tafel vetrijk eten wel.

De grootste vijand van emotionele verhalen is betekenisinflatie. Ga de verwatering van begrippen tegen. Dat is een permanente bezigheid. Wat betekent het woord ‘uniek’ nog in deze wereld? Ander voorbeeld: bij het woord ‘sportiviteit’ dacht je vroeger aan het gedrag dat Lance Armstrong liet zien toen Ullrich ten val kwam, nu wordt het woord ook gebruikt om er onopvallend en slap gedrag mee aan te duiden. Het is dus aan inflatie onderhevig. ‘Sportiviteit’ wordt daarom vervangen door het krachtigere adagium ‘respect voor het spel’.

Het eigenbelang is een belangrijke gevoelige snaar bij iedereen. Wees als campagnemaker niet vol van jezelf, benadruk niet de productfuncties, neen, benadruk de voordelen die het product oplevert voor de klant. Een boodschap moet steevast de WIIFY-vraag antwoorden -- what’s in it for you? Visualiseer daarbij zo veel mogelijk wat het publiek aan je product heeft. Pas wanneer mensen zich in de hoofdrol van een campagne kunnen voorstellen gaat de boodschap spreken. ‘Stel je voor dat ik draadloos internet heb, dan kan ik onbeperkt waar dan ook in huis surfen, heb ik geen gedoe met draden meer, en rendeert die laptop ook eindelijk eens.’

Verwar alleen het eigenbelang van mensen niet met laag eigenbelang. Eigenbelang blijft zeker niet beperkt tot de laagste behoeftes uit de piramide van Maslow. Onderzoek heeft inmiddels aangetoond dat het hiërarchische aspect in Maslows theorie nergens op slaat. Bijna iedereen probeert alle behoeften tegelijkertijd te vervullen. Vb: de kok van een leger houdt zichzelf voor dat zijn baan verder gaat dan het serveren van eten, maar dat een goed maal ook het moreel van een missie verbetert. Ook in de politiek primeert het eigenbelang niet zomaar op een onversneden manier. Opvallend is wel dat we andere mensen sneller geneigd zijn te denken dat ze laag-bij-de-grondsere behoeftes hebben dan wij.

Appeleer ten slotte aan het identiteitsgevoel. Mensen nemen veel meer dan je zou denken beslissingen op basis van hun identiteit (‘Wie ben ik? Wat voor situatie is dit? Wat doen mensen als ik in zo’n soort situatie?’). Een stoere trucker uit Texas kan je evengoed milieubewuster maken als je op billboards een invalshoek vindt en een toon weet aan te slaan die bij stoere truckers past. ‘Echte Texanen vervuilen niet.’ ‘Don’t mess with Texas.’ [zie afbeelding hierboven]

6. Breng je boodschap in de vorm van een verhaal
De definitie van de plakfactor impliceert dat je boodschap blijft hangen en dat mensen nadien in actie komen. Breng je boodschap daarom in de vorm van een verhaal. Verhalen blijven hangen. Het zijn effectieve leerinstrumenten omdat ze kennis in zo’n vorm gieten dat het meer betrekking heeft op het ware leven, échter is, zoals bij een vliegsimulator. Ze laten zien hoe de context mensen kan misleiden, waardoor ze foute beslissingen maken. Verhalen illustreren causale verbanden die mensen nog niet hadden gezien en laten zien hoe mensen op onverwachte, vindingrijke wijze problemen oplossen. Vb: denk aan de anekdotes die hartspecialisten of kopiemachinereparateurs in de middagpauze aan elkaar vertellen. Zij beperken zich niet tot de clue van hun ervaringen, maar vertellen hun belevenissen netjes in verhaalvorm, van a tot z, in geuren en kleuren. Dat is goed: de luisteraar kan zich de situatie visualiseren en leren via empathie. (Raar maar waar: dit soort simulatie is niet louter een mentaal proces. Vb: wanneer mensen zich een knipperend licht voorstellen, activeren ze het visuele gedeelte van de hersenen, activeren ze het tastgedeelte van de hersenen. Mensen die woorden beginnend met een p of b voorstellen, bewegen onbewust hun lippen.)

Boodschappen in verhalende vorm inspireren ook om te handelen. Kijk dus uit naar pakkende verhalen. Vb: het verhaal van Jared, tweehonderd kilo, en zijn fastfooddieet. Of het Live strong-verhaal achter de revalidatie van Armstrong. Zoek bij voorkeur naar drie soorten plots: uitdagingsplots (obstakels overwinnen, vb. David vs. Goliath), verbindingsplots (verbinding maken, vb. mensen van verschillende huiskleur drinken cola) en creativiteitsplots (die inspireren tot een nieuwe manier van denken, vb. MacGyver).
____

Iets met boeken

Ik loop niet zo wild van het decor. Meer valt er over 'Iets met boeken', het boekenprogramma van Canvas en de VPRO, voorlopig niet te melden. Zowel Dimitri Verhulst en Naema Tahir hebben recent een paar sterk autobiografische boeken geschreven. Daardoor kon het gisteren te makkelijk over de mens achter het boek gaan, en gingen de gesprekjes snel lijken op wat 'De laatste show' en consorten al jaren brengen. (Met dit verschil dat er niet om de haverklap een gescript grapje af moest, en dat veertig minuten genoeg ademruimte bieden om een keurige gedachte te ontvouwen.)

De vuurproef voor 'Iets met boeken' wordt bijgevolg de eerste uitzending met een schrijver wiens onderwerpen ver af staan van zijn eigen leven. Als er dus ook over het metier zal moeten gepraat worden. Hopelijk wordt dan duidelijk dat afstandelijkheid een even belangrijke factor kan zijn in een goeie roman dan de ervaringsdeskundigheid waar iedereen dezer dagen om schreeuwt. Van het zoveelste praatje met Kristien Hemmerechts verwacht ik kortom niets. Maar laat de minzame Jan Leyers en de onberekenbare Ilja Leonard Pfeijffer elkaar maar eens diep in de ogen kijken.

De eeuwige moeilijkheid bij dit soort programma's: hoe breng je tekst in beeld? 'Iets met boeken' lost dat op door kernzinnen te laten verschijnen op een groot scherm, zodat schrijvers het aanzien krijgen van orakels. Wat ze niet verdienen.

Ook dat voorlezen uit eigen werk is altijd een beetje bête. Ik betrap mezelf erop dat ik bij voordragende schrijvers op alles let (intonatie, timbre, klemtonen, sporen van plankenkoorts) -- alles behalve de inhoud. Zeker als het poëzie betreft. Poëzievoordracht werkt bij mij alleen als ik me voordien al de tekst heb eigen gemaakt. Ik ben een geoefende poëzielezer, maar als ik een gedicht de eerste keer alleen maar hoor, ontgaat me zeker zestig procent van de portee ervan.

Slotsom: "Literaire avonden, dat is aapjes kijken, meer niet." Woorden van Luc Coorevits. De man kan het weten.
____

zondag 26 oktober 2008

Buzzword Generator

"Well, it is nice to speak plain English (or whatever your chosen language happens to be). Still, you might have a business school term paper, a sales presentation, or a company report that needs to have an official-sounding yet still incredibly non-specific catch-phrase. Well, this is the place to get it."

> http://www.1728.com/buzzword.htm

____

vrijdag 24 oktober 2008

Wonen, schemeren, liegen - Botho Strauss

Hoe knus is het niet om in de waterdichtheid van een woonkamer de detectives van Simenon te lezen, waarin het haast altijd regent. Op dezelfde manier kan existentiële ellende verkwikkend werken in ambitieuzere romans. Op voorwaarde dat de hoofdpersonages hun lot met een minimum aan stijl of ironie dragen, tenminste. Maar in Duitstalige literatuur is somber vaak alleen maar somber. Wie Peter Handke al een grauwe auteur vond, moet deze Botho Strauss maar niet lezen.

Botho Strauss lijkt zich namelijk tot doel hebben gesteld in zijn eentje alle rooskleurigheid in de wereld te counteren. Een boek van hem lezen is als het roeren met een vork in bedorven voedsel. Je neemt het voor kennisgeving aan, maar wat moet je verder met die bagger?

Wonen, schemeren, liegen bestaat uit 37 fragmenten van ongelijke lengte (hooguit een pagina of tien). Een kantoorchef krenkt een medewerker. Een technisch tekenaar houdt er een autistische hobby op na. Echtelieden ontvluchten hun relatie, jammer genoeg tijdelijk. Een man wil zich van het balkon afgooien. Een kunstenaar vult het ene doek na het andere met de "monumentaal uitvergrote schaamlippen" van zijn vriendin. Kinderen die als pasmunt dienen voor hun gescheiden ouders. Overspel. Partnergeweld. Kannibalisme. Onvrijheid, schaamte, kromgegroeid verlangen. Herinneringen die op illusies blijken gestoeld.

Waar ik bij Elfriede Jelinek nooit problemen mee heb -- de openlijke wrok van de auteur tegenover de staat van de wereld en de mensen in het bijzonder -- stoot me bij Strauss tegen de borst. En ik kan niet goed uitleggen waarom. Wellicht omdat Jelinek toch de betere schrijver is van de twee. Ik vermoed dat zij op de keper beschouwd vanuit een realistisch uitgangspunt schrijft, terwijl Strauss duidelijk knutselt met woorden.

Ik geloof niet in de scènes en situaties die Strauss bedenkt. Zijn helden en heldinnen lopen niet in hun ongeluk omdat hun schepper daartoe interessante condities schept. Neen, Strauss creeërt hen met voorbedachte rade, pal in de deerniswekkende situatie, om daar dan een fotografisch precieze close-up van te nemen. De mensen van Botho Strauss zijn geen personages maar voldongen feiten op twee benen. Paspoppen die lompen worden aangetrokken, te klein of te groot, en altijd gescheurd. Het weinige dat gebeurt in Wonen, schemeren, liegen wordt dan maar ingeduffeld in dikke psychologisering.

Over een uit elkaar gegroeid koppel:

Beiden merkten dat de klaagzangen geleidelijk aan een steeds minder grote plaats in hun gesprekken innamen en de wederzijdse aandacht niet meer alleen een gevolg was van de inhoud van de mededelingen die ze uitwisselden. Helty constateerde in elk geval tot zijn opluchting dat hij weer in staat was met een vrouw samen te zijn, te meer daar het een vrouw was die Elsa nog had gekend. Want zij bevredigde zijn diepe behoefte te blijven waar hij was -- dat beslissende voorvallen en genegenheid in zijn leven alle onder hetzelfde dak moesten plaatsvinden. Dat hij het huis niet behoefde te verlaten om iemand die hij al jarenlang op de trap tegenkwam uiteindelijk tot in bed te volgen.
Over een vrouw die vruchteloos wacht op de man die haar verlaten heeft:
Op willekeurige plekken overvallen haar steeds weer deze vlagen van niet-begrijpen die van haar hart naar haar knieën schieten, zodat ze onwillekeurig een paar stappen moet lopen, terug, om te kijken, waar hij toch blijft. Dan is het of hij het volgende moment om de bocht van het pad zal opduiken. Zo lijkt het haar, in de volmaakste waarschijnlijkheid en de stralendste zekerheid. Hij kan toch niet eeuwig wegblijven en mij alleen laten met een kind dat zijn ogen en handen, zijn kleur haar, zijn treurigheid en zijn zwijgen bezit! Verstopt hij zich niet in haar zachte witte huid? Kijkt hij me niet onschuldig aan door de ogen van het kind?
Over iemand die een onverschillige reactie op een cadeautje incasseert:
Ze was diep gekrenkt als de vreugde niet spontaan geuit werd en haar cadeau niet de passende aandacht kreeg. Ze zag nu haar transparante labyrint, de kunstige handenarbeid van haar vrije avonden, terzijde staan terwijl de jongen zijn protserige dragline voortduwde en legosteentjes van het kleed schepte. Ze kon niet nalaten het kind laatdunkend gade te slaan. Door haar geschenk te versmaden had het, onverbiddelijk en vanuit de meest elementaire fundamenten van het ruilen en geven, macht over haar gekregen. Ondanks het feit dat het kind jong, klein en onschuldig was speelde het ‘een spelletje met haar’, het deed haar kleingeestiger en zwaarmoediger lijken dan haar gevoel van eigenwaarde toeliet.
Soms komt de dramaturg Botho Strauss aan de oppervlakte:
Het merkwaardigste aan de positie van de drie mensen ten opzichte van elkaar is in feite dat het opschorten van een noodzakelijke beslissing hen alle drie heeft doen verstarren in schier eindeloze minuten waarin het denken vervaagt en zijn doel verliest, zodat ze veranderd zijn in volstrekt doelloos verwijlende figuren.
Zoals je uit een elektronisch beeld de kleur kunt wegdraaien, zo had hier een beschuttende schemering -- die uit het centrum van hun besluiteloze situatie over hen kwam -- alle drie beroofd van de kracht om te besluiten en te handelen.
‘Ik doe alles verkeerd,’ zei de man op zeker moment zacht, vanuit het dieptepunt van de stilstand. Waarop de vrouw die bij de lift stond (en met zekerheid niet op de lift wachtte), of ze het nu gehoord had op niet, haar dikke lippen bliksemsnel naar binnen zoog en haastig langs elkaar wreef, als iemand die net lippenstift of crème heeft opgebracht.
Een lelijke, robotachtige, onbeheerste beweging, de nadering van bekrompen gesjacher, van op voordeel beluste begeerte; in elk geval een verwrongen vertrekken van haar gezicht dat haar waarschijnlijk niet was overkomen ten overstaan van hem, onder de blik van een man zolang die nog op de toppen van besluiteloosheid balanceerde, want hem had die blik die zo duister en boosaardig met haar heldere, jonge gezicht contrasteerde, alleen maar kunnen afschrikken.
In dat verband viel me trouwens op dat Strauss geen al te beste dialogen aflevert voor een toneelauteur. Ze hebben vaak iets akeligs didactisch.
‘Waarom wil je me opmonteren? Wat kan het je schelen?’ fluisterde de man.
‘Het is tijd dat je je last kwijtraakt,’ antwoordde zij.
‘Ik kijk uit het raam en zolang jij me niet voor de voeten loopt, raak ik hem geleidelijk aan kwijt, hoop ik.’
Wonen, schemeren, liegen heb ik eergisteren in één ruk uitgelezen, totaal onbewogen. Door de korte duur van de fragmenten was er immers geen mogelijkheid tot anticipering en empathie, of ruimte om het vertelde te laten bezinken.

Toen ik gisteren gespreid in de tijd een paar stukjes herlas, ging dat al veel beter en ontdekte ik dingen die ik eerst niet zag. Er bestaat dus een gerede kans dat ik het boekje af en toe nog van de plank pak. Al was het maar om het aardige slotbetoog dat de vloer aanveegt met de gladgepolijste maatschappij waarin wij leven, het enige stuk met een respectabele lengte.
Waar zijn de bezwaarden, de Mahler- en Dostojevski-persoonlijkheden... waar zijn ze de onverbeterlijk eigenwijzen, de strijdenden, de verscheurden, de naar heil hunkerenden en in verzoeking geraakten, de emotionele vondelingen van hun verpletterende passies? Weg. De geest die de splijting moet bevatten is glad, spiegelglad als een gezonde lever. Alleen ik treed naar buiten, in de tuin der geschokten, ontzetten, door schrik bevangenen, en sla mijn rozenstruikige, opwaarts strevende taal uit, ik, de lichtdoorlatende...
Filosofie en dronkemansgelal in één, naar aloud Slavisch model.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Botho Strauss, Wonen, schemeren, liegen
198 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1996
Oorspr. Wohnen, dämmern, lügen (1994)
Vertaald door Nelleke van Maaren

____

donderdag 23 oktober 2008

Herr Flickr [8]



> Book of faces
> http://en.wikipedia.org/wiki/Face_perception
> http://en.wikipedia.org/wiki/Pareidolia

____

Unplggd

"Where our fearless editors will find the best of home technology and help you incorporate it into your home, without spoiling your décor."

> http://www.unplggd.com/

____

Factcheck

"We are a nonpartisan, nonprofit 'consumer advocate' for voters that aims to reduce the level of deception and confusion in U.S. politics. We monitor the factual accuracy of what is said by major U.S. political players in the form of TV ads, debates, speeches, interviews and news releases."

> http://www.factcheck.org/

____

woensdag 22 oktober 2008

Acht dagen in de week - Maarten Steenmeijer

Ergens in dit boek probeert Maarten Steenmeijer 'If six was nine' van Jimi Hendrix te beschrijven. "Het nummer is gefundeerd op een onthutsend eenvoudige, saaie lick van niet meer dan twee korte, snel achter elkaar gespeelde bastonen, die worden gevolgd door een tamelijk lange pauze (pómpóm – stilte – pómpóm – stilte, enzovoort)." Een mooie illustratie van de wijze woorden die Elvis Costello ooit sprak: "Writing about music is like dancing about architecture."

Maarten Steenmeijer schrijft in Acht dagen in de week lange epistels aan de muziekhelden van zijn jeugd: Roger McGuinn (The Byrds), Ray Davies (The Kinks), Jimi Hendrix, Paul Simon, Chris Hillman (The Byrds), Paul McCartney, Emmylou Harris, Jann Browne, Golden Earring en Debbie Harry (Blondie). Brieven schrijven is misschien wel het enige weerwerk dat een dankbare fan kan leveren.

Voor hem is de song niet genoeg, hij wil ook de singer. Daarom luistert hij niet alleen, maar kijkt hij ook: naar foto’s, naar bewegende beelden, naar de levende lijven op het podium. En daarom leest hij alles wat hij maar te pakken kan krijgen: interviews, besprekingen, hoesteksten, berichten, boeken. Al luisterend, kijkend en lezend annexeert hij zijn helden en heldinnen en spint hij zijn eigen verhaal om hen heen. Zo krijgt de muziek een concrete gestalte, de idolen menselijke proporties en de fan het hartverwarmende gevoel dat zijn goden binnen bereikbare afstand komen en vrienden van hem worden.
Bewondering is echter hondsmoeilijk om leesbaar over te schrijven. Liedjes worden snel "onovertroffen" of "onevenaarbaar" genoemd en dat is dan dat. Omdat schrijven over bewondering in zijn absolute vorm al helemaal geen doen is, moet de schrijver dat gevoel opdelen in aanwijsbare fragmenten. Zo goed mogelijk omschrijven wat hij hoort, en de lezer direct de gelegenheid geven de beschrijving te toetsen aan een beluisterbare soundbite. Tekst en geluid die elkaar verhelderen. (Het verbaast me trouwens hoe weinig online muziekrecensies vergezeld zijn van zo'n uittreksel.)

Maar bij Acht dagen in de week (naar het nummer van The Beatles) steekt geen cd. En omdat buiten Graceland en een paar dingetjes van Jimi Hendrix niks van Steenmeijers nogal country-achtige voorkeur in mijn platenkast steekt, werd het moeilijk mij te boeien.

De doorsnee Vlaming, tenzij hij ook een abonnement heeft op New Musical Express en Melody Maker, is opgegroeid met de muziekrecensies in Humo, waarvan Marc Mijlemans in de jaren tachtig de blauwdruk leverde: stukjes vol taalvuurwerk die de muziek haast naar de achtergrond verdringt. In vergelijking daarmee zijn de besprekingen in OOR, of van deze Steenmeijer, bepaald flets. Het is het proza van "loeiende en gillende gitaren, trage, loodzware bassen en galmende, denderende drums". Op andere momenten gaat Steenmeijer weliswaar schrijven in een literair te noemen stijlregister, maar dan ontstaat er een verkeerd soort pathetiek die op mijn lachspieren werkt.
De trapsgewijs afdalende gitaardruppeltjes die weldadig op je neerkomen als je het nummer binnenstapt, bijvoorbeeld. Of de stampende, bijna opdringerige basharmonica die zich in het tweede couplet met de tekst gaat bemoeien, zich daarna op discrete wijze terugtrekt, om ten slotte in het laatste couplet, waarin de bokser eindelijk op het toneel verschijnt, een paar dikke, kordate strepen te zetten onder de woorden die er het meest toe doen. [over 'The boxer' van Paul Simon]

[...]

De wellustige woorden van de tekst, de schaamteloze mokerslagen van Daves gitaar, het uitbundig gehak van de drums, het onverstoorbare gedreun van de bas: ze deden het liedje bijna uit zijn voegen springen van opwinding. Maar er was één dissonant: jouw stem. [over Ray Davies]

[...]

Want sluw als je was, wist je maar al te goed dat de aanval de beste verdediging was: op deze manier hield je de eer aan jezelf en kon je voorkomen dat een van de anderen je zou kwetsen door de beslissing te nemen die al zo lang als het zwaard van Damocles boven jullie hoofden hing. [over Paul McCartney]

[...]

Je beslissing om je schepen achter je te verbranden, bleek uiteindelijk het verstandigste besluit te zijn dat je ooit had genomen. [over Chris Hillman]
Zeg nou eens eerlijk
Acht dagen in de week zit ook vol gemiste kansen, omdat de aanspreekvorm die Steenmeijer gebruikt ("Beste Jimi,") geen extra's oplevert. Integendeel, dit zijn klassiek-informatieve stukken -- over discografieën, wisselende line-ups, creatieve hoogtepunten -- waarop de briefstructuur past als een tang op varken.

Ofwel schrijft Steenmeijer brieven met dingen die de ontvanger allemaal al weet...
Nooit eerder had je een Byrds-nummer geschreven maar op 'Younger Than Yesterday' nam je zomaar ineens de helft van de liedjes voor je rekening en werd daarmee in één klap de belangrijkste schrijver van de groep. [aan Chris Hillman]
... ofwel staat zo'n brief vol tenenkrullende retorische vragen.
Zeg nou eens eerlijk: was die ziekelijke werkdrift in feite niet de dwangmatige reactie van een panische schrijver die diep in zijn hart vreesde dat hij het eigenlijk niet meer kon? Was dat onstuitbare geëxperimenteer in feite niet een wanhopige zoektocht naar wat je vroeger uit je mouw schudde: onsterfelijke liedjes? [aan Ray Davies]
De stukken over Jann Browne en Golden Earring zijn daarom het best, omdat de auteur daarin persoonlijker wordt.

Hoe dan ook, dit boekje deed me wel nadenken over wie mijn eigen pophelden zijn. Om vast te stellen dat ik altijd meer gefascineerd ben geweest door groepen dan door individuen. Met enige moeite kom ik tot: Fyfe Ewing, Bill Drummond, Greg Dulli, Lee Ranaldo, Dave Grohl, Richard David James, Frank Black.

Aan Fyfe Ewing, we schrijven het jaar 1994 of 1995, heb ik ook daadwerkelijk een brief gericht. En antwoord ontvangen. Misschien moet ik dat verhaal ooit eens vertellen, hier.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Steenmeijer op Achille: Een continent in het klein

Maarten Steenmeijer, Acht dagen in de week : brieven aan pophelden
159 p.
Uitgeverij Wereldbibliotheek, 2000

____

dinsdag 21 oktober 2008

De bot - Günter Grass

De bot is het literaire equivalent van een man die in zijn eentje met de mond een heteluchtballon opblaast. Het is een demonstratie van hoe de verbeeldingskracht van een gereputeerde schrijver werkt, als zijn genie geen rekening meer hoeft te houden met de lezer. Günter Grass schreef De bot als geschenk voor zichzelf bij zijn vijftigste verjaardag. Eén bekend volkssprookje zwelt onder zijn handen op tot een kolossale roman.

De bot is een wonder van ideeënrijkdom, woordenvloed en vertelaandrang. Maar de roman is ook een verschrikking om doorheen te komen. Je verstand staat erbij stil hoe Günter Grass ooit zo'n berg vertelstof heeft weten te managen. Maar tegelijk dringt zich na vijftig bladzijden reeds de vraag op: kan ik hier iets mee? Slaat dit ergens op? De vraag stellen is ze beantwoorden.

De bot is opgezet als een raamvertelling à la Boccaccio. Vertrekpunt is het seksistische propagandasprookje De visser en zijn vrouw, door de romantische schilder Philipp Otto Runge uit de mond van een oud vrouwtje opgetekend en door de gebroeders Grimm uitgewerkt en gepubliceerd. (De ontstaansgeschiedenis heeft Grass prachtig opgetekend op p. 398-409.) In het sprookje vangt een visser een sprekende vis. Een bot. Wanneer de visser belooft hem vrij te laten, zegt de bot, zal hij al zijn wensen in vervulling laten gaan. Maar het is uiteindelijk Ilsebil, de vrouw van de visser, die de ene wens na de andere uit. Sindsdien staat zij spreekwoordelijk voor het chagrijnige kreng dat steeds meer wil hebben. De bot komt in eerste instantie over de brug: met de grotere hut, het stenen huis, het paleis koninklijk, keizerlijke macht, de Heilige Stoel. Tenslotte eist Ilsebil dat zij "net als Ons-Lieve-Heertje" de zon kan laten op- en ondergaan; waarop de hebberig Ilsebil en haar al te goedmoedige man worden gestraft en weer terug in zijn hutje, ‘pispot’ genoemd, alleen elkaar hebben om zich warm te schurken.

Grass heeft een zeshonderd pagina's lange variant op het sprookje geschreven. Hij zoemt in op de bewuste visser, die hij Edek noemt. De roman die we lezen is eigenlijk één lange vertelling van Edek aan zijn zwangere vrouw. Grass doet het voorkomen alsof de visser inderdaad ooit, in de Steentijd, de bot heeft gevangen. Sindsdien is de visser in steeds nieuwe reïncarnaties in de geschiedenis blijven opduiken. Op die manier kan hij het verhaal van de bot door de eeuwen heen vertellen.

De bot van Grass is echter nog een stuk doortrapter dan in het sprookje. Blijkt dat het babbelzieke beest van de Steentijd (te beginnen bij Edek) tot nu achter de coulissen steeds de adviseur van de mannen is geweest in hun pogingen onder het matriarchaat van de vrouwen uit te komen. Hij, "de cynische platvis", was het, die van de mannen prometheeërs maakte. Hij leerde hen de elementen te bedwingen, hij bracht hen rekenkunde bij, mijnbouw, het gieten van metaal, het slaan van munten. Ook leerde hij hen de trucjes van de scholastiek (want het christendom zal het matriarchaat de kop indrukken), voerde hij het huwelijk in (om het bezit van de man te vergroten), vond hij de liefde uit (zodat er een wederzijdse afhankelijkheid ontstaat), en deed hij de mannen opkomen voor het vaderrecht. De bot, kortom, is verantwoordelijk voor alles wat wij cultuur noemen. Door de bot werden de mannen ontdekkers, uitvinders, strijders.

Nu, in de moderne tijd, heeft het vrouwelijke ras daar schoon genoeg van. De bot wordt voor een feministisch tribunaal ("feminaal") geleid en moet antwoorden op de negenvoudige beschuldiging van aanklaagster Sieglinde Huntscha. Die luidt, kort samengevat, dat zonder het patriarchaat de wereld er liefdevoller, vreedzamer, sensibeler zou uitzien. De bot antwoordt de vrouwen dat hun aanteigingen slaan op een vervalste versie van het sprookje. In zijn verdediging voert hij aan dat de mannen de macht die hij hen verleende hebben misbruikt.

De roman bestaat in wezen uit de levensbeschrijvingen van negen kookvrouwen uit evenzovele historische tijdsvakken. De locatie blijft ongeveer hetzelfde: Polen en Duitsland, soms toegespitst op het Kasjoebische grondgebied, de Baltische kust en de Weichseldelta. Aan de bot om deze levens toe te lichten. Aan de hand daarvan beslist het tribunaal over schuld of onschuld van de vis. De negen (fictieve) kookvrouwen zijn:

1. Auwa, de oermoeder-supervoedster uit de Steentijd met drie borsten
2. Wigga uit de tijd van voor de volksverhuizing, de IJzertijd, óók met drie borsten
3. Mestwina, tijdens de kersteningstijd, in de tiende eeuw
4. Dorothea von Montau, de hooggotische vastenkookvrouw uit de veertiende eeuw
5. Margarete Rusch, de corpulente kokende abdis ten tijde van de Reformatie
6. Agnes Kurbiella ten tijde van de Dertigjarige Oorlog
7. Amanda Woyke, door Grass de uitvindster van de supergaarkeuken genoemd; introduceerde met succes de aardappel in het Pruisen van na de Tweede Poolse Deling
8. Sophie Rotzoll in de Napoleontische tijd
9. Lena Stubbe, schrijfster van een 'Proletarisch kookboek', die zal omkomen in een concentratiekamp, in de jaren veertig

De bot meet zich op die manier de pretentie aan van een alternatief geschiedenisboek. Een wereldgeschiedenis bekeken vanuit een ongewone, doorgaans onderbelichte invalshoek: die van de voeding. En wie bereidt er van oudsher de maaltijden? Juist.

Na deze negen personages (samenvallend met de negen maanden zwangerschap van Edeks vrouw) voert Günter Grass nog twee extra vrouwen op, waar de bot geen verantwoording meer voor wil afleggen. Tegen dan heeft de vis openlijk zijn diensten als adviseur ter beschikking gesteld van de vrouwen. Teleurgesteld in de onverbeterlijkheid van het mannelijke ras.

10. Sybille Niehlau, die verschillende malen verkracht wordt in het Berlijn van de jaren zestig; geen kookvrouw
11. Maria Kuczorra, kookster in bedrijfskantine van de Leninwerf te Gdansk, in de jaren zeventig



Voeding, hongersnood, stoelgang
De eerste honderd bladzijden van De bot zijn meteen al lastig te verteren. Het is De stam van de holenbeer op speed, maar daarom niet minder vervelend. Naarmate de beschaving meer ingang krijgt, wordt het boek boeiender, maar ook complexer. Grass wil bij elke nieuwe kookvrouw terugkoppelen naar alle andere kookvrouwen, zelfs degene die hij nog niet afdoende heeft geïntroduceerd. Door het kwistig gebruik van de teletijdsmachine moet de lezer een immense bereidwilligheid aan de dag leggen om door te lezen. Wil hij immers goed blijven volgen, dan is hij welhaast even druk met materiaal ordenen als de schrijver.

Grass wil alles in verband brengen met alles. De bot bevat half-essayistische stukken over geschiedenis, planologie, geografie, literatuur, voeding, noem maar op. Maar wanneer hij bijvoorbeeld bij voeding is aanbeland, onderzoekt Grass consequent het hele, hoe moet ik het noemen, semantische veld dat daaraan vastzit. Voeding raakt ook aan koken, aan het ritueel van het tafelen, aan hongersnood (en dus aan politiek) en zelfs aan de stoelgang. De bot biedt de aanblik van een rist delta's die door elkaar heen lopen en elkaar bevloeien. Op een gegeven ogenblik beseft Grass dat de bot ook van oudsher een christelijke vastenvis is, waarop prompt een paar paragrafen volgen om die associatie als een citroen uit te persen.

Door dat verwoede vlechtwerk maakt De bot, ondanks zijn omvang, nooit een aangelengde indruk. Sterker nog: als je de tijd neemt om een bladzijde of dertig rustig te herlezen (wie het einde wil halen moet bij de eerste leesbeurt voldoende vaart maken), ben je oprecht verbaasd over de tekst van Grass, die duidelijk een destillaat is van een nog véél grotere berg ruw materiaal.

Toch, en dat is helaas essentieel, slaagt Grass er niet in om te doseren. De bot is zelfs met zijn zeshonderd bladzijden een ingedikte vertelling en bevat weinig goed uitgewerkte scènes die de lezer kan visualiseren. De installatie van de bot in de geïmproviseerde rechtszaal is een van de weinige scènes die de lezer prikkelen zich er een voorstelling van te maken. De rest van De bot lijkt Grass op een fotograaf die de lens van zijn camera in een misselijkmakend tempo scherpstelt op de voorgrond, achtergrond, voorgrond, achtergrond. Het is ontstellend hoe weinig beelden na het lezen van De bot blijven hangen. Hoe zou dat ook anders kunnen. Wat zou u zich herinneren van een diavoorstelling van honderd Waar is Wally?-zoekplaatjes op rij?

Dan heb ik het nog niet gehad over het inhoudelijke aspect, waar ook enkele belangrijke kanttekeningen bij gemaakt moeten worden. De loop van de geschiedenis gebruikt Grass uiteraard om zijn fantasie mee te voeden, en daar is niets mis mee. Maar levert het produkt van zijn verbeelding ook iets op, bij wijze van return? Zo'n sprekende bot opvoeren, wat is de zin daarvan? Is het groteske effect daarvan niet even snel weer uitgewerkt? Daarbij: geschiedenis is een ingewikkeld proces, dat schoksgewijs verloopt, met als een van de belangrijkste stimuli wellicht de technische vooruitgang. De geschiedenis voorstellen als resulterend uit het advies van een individu (laat het nog een excentrieke platvis zijn), wat koop je daar in godsnaam voor?

Ideeën te over bij Grass, over de eeuwige strijd tussen de seksen, maar door al het bovenstaande verloor ik de wil en de lust om ze serieus te nemen. Halverwege zat ik De bot eigenlijk alleen nog te lezen als een goddeloze hond die een kathedraal bezoekt en meewarig naar de schilderijen kijkt. Imposant bouwwerk, jazeker, maar weinig waar ik echt boodschap aan heb.

Bleef dus over: het savoureren van taal. Gelukkig was dat voldoende reden om vol te houden. Grass kan alles met taal doen. Zijn vocabularium is ontzagwekkend en hij weet het altijd even oordeelkundig en met zichtbaar plezier in te zetten. De bot is een lappendeken van stijlregisters en tekstsoorten: geschiedschrijving, sprookje, poëzie, essay, burleske.... Soms zijn Grass' zinnen scherp als aangepunte takken, soms topzwaar van retoriek. Het is een klein mirakel dat vertaler Peter Kaaij het origineel kan bijbenen.

Het tribunaal nam er kennis van en zou naar alle waarschijnlijkheid wel tot een mild vonnis zijn gekomen als niet de aanklaagster, Sieglinde Huntscha, puntige, voor de bot provocerende vragen had gesteld. De zelfs op een stoel nog heroïsch uitziende vrouw sprong op, werd rood tot aan haar haarwortels, gaf haar stem, nog voordat zij sprak, een rijke dosis verachting mee, richtte een magere wijsvinger op de container van kogelvrij glas, waarin de bot, misschien wel geanimeerd door de rapporten van de literatuurhistorici, enige handbreedtes boven zijn zandbed speels alle vinnen liet bewegen, sprak toen, nee, vuurde (ineens met een Saksisch accent) vraag na vraag af in de richting van de beklaagde platvis en boekte meteen een eerste succesje: schijnbaar getroffen liet de bot zich vallen. Hij woelde zich in het Oostzeezand, wierp met zijn staartvin zand op zijn oeroude knobbelhuid en vertroebelde het water van zijn weliswaar kogelvrije maar niet tegen gericht afgevuurde vragen gepantserde glazen huisje: hij leek wel van de aardbodem verdwenen, in het niets opgelost, scheen ontsnapt te zijn, bleef ongrijpbaar.
En dat terwijl er aan de vragen van de aanklaagster niet eens intellectuele weerhaken zaten. De bot werd niet principieel geattaqueerd. Met ongekunstelde directheid wilde Sieglinde Huntscha weten: ‘Is het mogelijk dat, gesteld dat een vrouw van beroep muze is, ook mannen in staat zijn dat beroep uit te oefenen? En zo ja, welke mannen hebben als muze, dat wil zeggen: de kunst indirect dienend, bekende kunstenareesen aan inspiratie geholpen? Of is de verdachte soms van mening dat vrouwen in hun relatie tot de kunst slechts middel tot het doel kunnen zijn, vruchtbare akkergrond, willoos werktuig? Is dat onze enige bestaansreden: jullie koude schoorstenen weer te laten roken? Verdien je als vrouw een uurloon voor je werk als muze? Wil de bot ons soms eerdaags in zijn goedertierenheid de status van loonafhankelijke thuiswerksters verlenen en ons aanraden een vakbond op te richten en c.a.o.-besprekingen te beginnen? En is het toegestaan, zo vraag ik, dat vrouwen op hun beurt mannelijke muzen in goedbetaalde dienst hebben? Of wil de verdachte met al die door hem gehuurde deskundige zwetsers alleen maar zijn ware intentie verbergen? Want tussen de regels door wil hij zeggen: Okay, de brave meisjes kunnen soms heel leuk piano spelen, en ze doen als pottenbaksters, net als ook in de kunstnijverheidssector, behoorlijk hun best, zijn vindingrijk in het decoratieve en daarom geschapen voor de binnenhuisarchitectuur, en nauwelijks zijn ze down, in extase of Ophelia’s schizofrene zuster, of moeiteloos schrijven ze met hartebloed, vissop of zwartgallige inkt aangrijpende, sponzige, zwaarmoedige verzen; maar Händels Messias, de categorische imperatief, de Dom van Straatsburg, Goethes Faust, Rodins Denker en Picasso’s Guernica, dat sublieme meesterschap, de hoogste top, daar kunnen ze niet aan tippen. Is dat zo, bot?’
Ondertussen was het omhooggewoelde Oostzeezand weer bezonken. De platvis verroerde geen vin. Alleen opborrelende luchtbellen gaven aan waar hij door de kieuwen ademde. En zijn lepe bek bewoog: ‘Tsja,’ zei hij, ‘zo is het helaas.’
Eerlijk is eerlijk: het duurde tot pagina 252, wanneer Grass hem met naam en toenaam vermeldt, dat ik begreep dat hij met De bot een gulzige, kolderachtige roman heeft willen schrijven in de traditie van François Rabelais. Alleen is Rabelais een entertainer die zich bewust is van het publiek; Grass is vastbesloten tegen zijn eigen grenzen aan te schrijven, en dus ver óver de grenzen van de lezer. Voer voor exegeten.

[Afbeelding: Günter Grass, president Horst Köhler en minister van de deelstaat Schleswig-Holstein Peter Harry Carstensen, in de tuin van het Günter Grass Haus in Lübeck, oktober 2007. Op de achtergrond het sculptuur 'De bot' van Grass. Via daylife.com]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Günter Grass, De bot
623 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 1981
Oorspr. Der Butt (1977)
Vertaald door Peter Kaaij

____

maandag 20 oktober 2008

Al die droevige jonge literaire mannen - Keith Gessen

De debuutroman van Keith Gessen ligt volkomen in de lijn van de beginselverklaring van N+1, het literaire tijdschrift (mét filiaal online) waar hij hoofdredacteur van is. N+1 werd in 2004 opgericht om jong intellectueel Amerika een geweten te schoppen in deze neo-conservatieve tijden. Gessen had genoeg van de avantgardistische, solipsistische spelletjes waar Dave Eggers en de zijnen zich bij grote concurrent McSweeney's aan bezondigden.

De droevige jonge literaire mannen uit de titel (een getunede variant op de verhalenbundel van F. Scott Fitzgerald) heten Mark, Sam en Keith. Ze zijn goed opgeleid en zitten op het eerste gezicht vol idealen -- zoals dat bij jonge goed opgeleide mannen de rigeur zou moeten zijn. We schrijven overigens kort na de millenniumwissel, en in Amerika is er dan ook voldoende stof om zich zorgen over te maken. De war on terror die de Amerikaanse burgerrechten uitholt, een onrechtmatig begonnen oorlog en een leugenachtig beleid op het hoogste, internationale niveau.

Maar dit is ook de eenentwintigste eeuw. Mark, Sam en Keith (die in de roman los van elkaar beschreven worden en elkaar nauwelijks kennen) lezen, luisteren, schrijven en discussiëren weliswaar over de zaken die ertoe doen, maar hebben op zijn minst evenveel belangstelling voor de rol die hun eigen, kleine persoontje in de geschiedenis speelt. Paniek breekt uit als de gsm (ringtone: de opening credits van Dynasty) lange tijd op non-actief blijft, of als het googelen op de eigen naam te weinig treffers oplevert. Zorgen dat je zelfbeeld niet wordt gekneusd is sowieso een lastige klus in de Amerikaanse grootstad.

Je kunt er het mooist uitzien van iedereen in de kamer, maar er is altijd wel iemand die slimmer is, of je kunt de slimste zijn, maar dan is er altijd wel iemand die mooier is.
Het drietal is verwend, daar komt het op neer. Ze bezitten nauwelijks ruggegraat om hun idealen door te zetten en er iets blijvends uit te puren. Iets dat van betekenis is voor derden. Persoonlijke probleempjes (vooral met vrouwen) worden zonder schroom geprojecteerd op de historische omwentelingen waar ze in studieboeken en bladen over lezen.

Porno uit principe
Vooreerst is er dus Mark, uit Syracuse. Hij schrijft een proefschrift over de mensjevieken, een minderheid van Russische revolutionairen (mensje = minder) die tijdelijk wilde blijven samenwerken met de liberale en sociale groepen om hervormingen in gang te zetten. Dit in tegenstelling tot de bolsjevieken (bolsje = meer), die door revolutie het staatsapparaat wilden ondermijnen en zo nodig afzetten. Hoewel Mark de tactieken, retoriek, dogmatiek en de geheime politie van de bolsjevieken weerzinwekkend vindt, leert hij van hen wel dat de geschiedenis in het voordeel speelt van zij die haar zoveel mogelijk naar zich toetrekken.
Mark was een egocentrisch persoon, altijd bezig met het opnemen van informatie, en soms ook van alcohol en voedsel, terwijl hij zelden iets teruggaf; hij scheidde alleen denkbeelden af, en zweet.
Wanneer het huwelijk met zijn Russische vrouw echter ineenstort, geeft Mark zich over aan het bezoeken van datingsites en harde porno. Naar porno kijkt niet omdat hij er opgewonden van wordt, maar "uit principe", jaloers op de mannen die zonder scrupules seks hebben met vrouwen terwijl Mark in de bibliotheek zit te suffen.

Sam, de tweede in het rijtje, komt uit Boston. Na veel hoofdbrekens en zelfreflectie besluit hij met zijn joodse achtergrond in het reine te komen door wat hij zelf noemt "de grote zionistische roman" te schrijven. Daarin wil hij de complexe Joods-Amerikaanse houding ten aanzien van Israël ontrafelen: de misverstanden, de desinformatie, "de emotionele stammenstrijd" en het politiek opportunisme.
Maar eerst moest hij zijn e-mail checken.
Omdat hij bij nader inzien toch de bagage mist voor zo'n ambitieus project, reist hij af naar Jerusalem en Jenin (een Palestijnse stad op de westelijke Jordaanoever) om daar poolshoogte te nemen. Vrij voorspelbaar loopt het hele snoepreisje af met een sisser. Israël blijkt al even ingewikkeld als het gedoe met vrouwen, dat de andere helft van zijn leven domineert.

Keith ten slotte, die maar half samenvalt met de auteur met dezelfde naam, is een product van Harvard. Hij moet in New York zien rond te komen met een karig studentenloon, terwijl hij de ambitie bezit om een striemende linkse columnist te worden. In de bibliotheek bladert hij alvast rusteloos in de tijdschriften voor intellectuelen ("Maar het waren er zoveel!"). Op persoonlijk vlak wordt hij op een dag prompt in de reële wereld geworpen, wanneer zijn vriendin ongewenst zwanger wordt.

IJdele parallellen
In Nederlandse vertaling heeft Al die droevige jonge literaire mannen de gedaante aangenomen van een lauwe zedenschets. Dat heeft in de eerste plaats te maken met de taal van Keith Gessen, die wars is van enige pretentie, in het Engels waarschijnlijk lekker wegleest, maar in het Nederlands nogal mat overkomt.

Daarnaast gaat dit boek over generatiegenoten van mij. Nu is een provinciestadje in West-Vlaanderen niet te vergelijken met een Amerikaanse metropool, maar toch had ik last van een gebrek aan afstand. Dat krachteloze, richtingloze, narcistische idealisme die de personages aan de dag leggen herken ik maar al te goed, wat niet betekent dat het lezen daarover per definitie boeiend is. (Net zoals het begroeten van je spiegelbeeld 's morgens niet per definitie boeiend is. En dat is nog zacht uitgedrukt.)

Geef mij maar het koolzuurhoudende cynisme en de scherpe blik van Douglas Coupland -- als die tenminste in goede doen is. Wat Gessen zijn personages aandoet baart in vergelijking met Coupland nauwelijks opzien. Waarom moest Gessen ook zo nodig een drieluik maken, met personages die nu ook weer niet zo gek veel van elkaar verschillen? Middeleeuwse drieluiken lopen meestal in elkaar over. Hier niet, vreemd genoeg. Keith, Sam en Mark kennen elkaar wel, maar komen nauwelijks in elkaars leven voor.

Voor de modale Vlaamse lezer zijn de toespelingen die Gessen maakt niet altijd even makkelijk te volgen. In professor Lomaski (die door Sam als de grote verlakker van het joodse ras wordt neergezet) is vrij eenvoudig Noam Chomsky te herkennen. Maar wie zijn John Globus en Joanna Simkin ("dochter van Alfred Simkin")?

Het enige waar ik echt om moest lachen (voor zover Gessen ook een zedenkomedie heeft willen schrijven) zijn de ijdele parallellen die zijn personages voortdurend maken, niet gehinderd door enig gevoel voor proportie. Zinnetjes als:
Nu hij moed had geput uit zijn resumé van de Holocaust, besloot Sam de rest van zijn leven op orde te brengen.
Of neem Mark, die een mogelijke date hoopvol vergelijkt met het Rusland van maart 1917, de maand nadat de tsaar was afgetreden en alles mogelijk was. Elders, na een nieuwe persoonlijke tegenslag, ziet hij zichzelf als een moderne Karl Liebknecht, de Duitse communist die in de gevangenis vermoord was, samen met Rosa Luxemburg, nadat ze in 1919 tevergeefs geprobeerd hadden de macht over te nemen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Keith Gessen, Al die droevige jonge literaire mannen
268 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2008
Oorspr. All the sad young literary men (2008)
Vertaald door Paul van der Lecq

____

zondag 19 oktober 2008

Émile de Girardin

"Émile de Girardin (1806-1881), est un journaliste, publiciste et homme politique français. Théoricien du double marché, il est le fondateur de La Presse, quotidien parisien (1836), il réduit de moitié le prix de l'abonnement pour multiplier les souscripteurs et, par voie de conséquence, augmenter le nombre d'insertions publicitaires. L'autre grande innovation à mettre à son crédit fut la parution par La Presse des premiers romans-feuilletons (dont il partage l'invention avec Armand Dutacq, directeur du Siècle)."

> http://fr.wikipedia.org/wiki/Émile_de_Girardin

____

Richard Hakluyt

"Richard Hakluyt (c.1552-1616) was an English writer. He is principally remembered for his efforts in promoting and supporting the settlement of North America by the English through his works, notably Divers Voyages Touching the Discoverie of America (1582) and The Principal Navigations, Voiages, Traffiques and Discoueries of the English Nation (1598–1600).

> http://en.wikipedia.org/wiki/Richard_Hakluyt

____

Alice James

"Alice James (1848-1892) was a U.S. diarist. The only daughter of Henry James, Sr. and sister of philosopher William James and novelist Henry James, she is known mainly for the posthumously published diary that she had kept in her final years. (...) James began to keep a diary in 1889. Full of witty, acerbic, insightful comments on English life and manners, it included excerpts from various publications to support her opinions. The diary was not published for many years after her death due to sharp comments on various persons whom she had mentioned by name."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Alice_James

____

Related Posts with Thumbnails