Dit had het Boek van het Jaar kunnen zijn. Met haar levendige schriftuur en scènische aanpak brengt María Rosa Menocal de geschiedenisles terug op mensenmaat. Wat een boeiend, tot hoop stemmend onderwerp ook: de relatieve verdraagzaamheid waarin de joden, christenen en moslims samenleefden in middeleeuws Spanje. Er is echter één grote maar : Menocal schreef een cultuurgeschiedenis die de harde politieke realiteit buiten beschouwing laat. En dat is valsspelen.
Maar mag ik eerst iets zeggen over de eenvoudige en buitengewoon efficiënte manier waarop zij haar boek opbouwt? Die krijgt volgens mij veel te weinig navolging. Een klassieke monografie is lineair opgebouwd. De auteur vertelt over zijn onderwerp en voert de lezer mee in een almaar toenemende graad van specialisatie. Elke zin is van belang, want een nieuw bouwsteentje in de redenering. Dat vergt constante aandacht, en dat is meer dan ik doorgaans kan opbrengen. María Rosa Menocal pakt het anders aan. In een hoofdstuk of twee, drie schetst ze alle basiskennis die de lezer nodig heeft om de rest van haar boek te kunnen volgen. Te weten: de chronologie van middeleeuws Spanje en de belangrijkste culturele ontwikkelingen in die zevenhonderd jaar.
Daarna pas bespreekt ze een 17-tal momentopnamen uit die periode, opnieuw in chronologische volgorde, waarbij ze zowel inzoemt op een historisch personage als diens omgeving. 'Geheugenpaleizen' noemt ze die hoofdstukken. Die aanpak loont. Door voldoende herhaling van dezelfde feiten, maar steeds vanuit een licht gewijzigd oogpunt, blijft alle kennis beter hangen. Alsof je een driedimensioneel beeld krijgt van de situatie, in plaats van de gebruikelijke twee dimensies.
Wat verder in mijn enthousiasme voor dit boek meespeelt: De gouden eeuwen van Andalusië is een cultuurgeschiedenis. Het boek gaat niet over oorlog en machthebbers, het gaat over het soort samenleving dat de onderdanen van die machthebbers uitbouwden in vredestijd. Menocal schrijft over wetenschap, filosofie en architectuur in middeleeuws Spanje en over de culturele interactie tussen christenen, joden en moslims in het bijzonder. Die bloeide volgens haar dusdanig dat we gerust kunnen spreken van 'gouden eeuwen', terwijl de rest van de middeleeuwen in die dagen, in Noord-Europa, veelal het predikaat 'duister' opgeplakt krijgen.
Die verdraagzaamheid bood lang niet altijd garanties voor een godsdienstvrijheid zoals we die in een moderne ‘tolerante’ staat zouden verwachten, maar manifesteerde zich eerder in de veelal stilzwijgende overtuiging dat tegenstellingen -- zowel binnen de mens als binnen zijn cultuur -- positief en productief kunnen zijn.
In tijden die bol staan van de interreligieuze spanningen klinkt die boodschap zeer optimistisch. Helaas té optimisch, leer ik uit een artikel van
Maaike van Berkel in Geschiedenis Magazine (april 2008). Menocal staat met haar opvattingen in een lange traditie van idealisering van de Andalusische samenleving, klinkt het daar kortaf. Een traditie die teruggaat tot de Hebreeuwse kronieken uit de jaren na de verdrijving van de joden uit Spanje in 1492 en door negentiende-eeuwse joodse geschiedschrijvers is opgerakeld. Het beeld van het tolerante Andalusië wordt daarnaast ook door hedendaagse Arabische historici vaak ingezet, om politieke redenen, als tegenhanger van de discriminatie van moslims in Israël.
De
convivencia verliep lang niet altijd vlekkeloos, toont Van Berkel aan. In het kalifaat van Córdoba (achtste tot tiende eeuw) tijdens de dynastie van de Oemajjaden, konden christenen en joden inderdaag snel stijgen op de sociale ladder en hoge posities bekleden. Maar tegelijk werden lasteraars van de profeet Mohammed vaak gruwelijk terechtgesteld. Ander voorbeeld: de vreedzame vertaalcultuur in Toledo (begin dertiende eeuw) liep gelijktijdig met de hardhandige bekeringen van christenen en joden door de Almohaden, een fundamentalistische groep moslims.
Jammer dat ik achteraf pas van dit artikel kennis nam. Beteuterd kennis nam. Het verpestte de mooie leeservaring. Maar eigenlijk had ik Menocals boek al tijdens mijn lectuur moeten relativeren,
het mooie boek van
Irwin over het Alhambra indachtig. Want daarin spat het bloed wél van de pagina's.
> lees een fragment uit dit boek op
Prins van Denemarken> bibliografie in de commentaren hieronder
Algemeen:
>
http://en.wikipedia.org/wiki/Al-Andalus>
http://en.wikipedia.org/wiki/Muslim_presence_in_the_Iberian_peninsulaTijdsvakken:
>
http://en.wikipedia.org/wiki/Umayyad_conquest_of_Hispania>
http://en.wikipedia.org/wiki/Omayyad>
http://en.wikipedia.org/wiki/Caliphate_of_Córdoba>
http://en.wikipedia.org/wiki/Taifa>
http://en.wikipedia.org/wiki/Almoravid_dynasty>
http://en.wikipedia.org/wiki/Almohad_dynasty>
http://en.wikipedia.org/wiki/Emirate_of_Granada>
http://en.wikipedia.org/wiki/ReconquistaMaría Rosa Menocal, De gouden eeuwen van Andalusië
333 p.
Uitgeverij Bulaaq, 2006
Oorspr. The ornament of the world
How Muslims, Jewes and Christians created a culture
of tolerance in Medieval Spain (2003)
Vertaald door Djûke Poppinga
Wat hieronder volgt is louter een destillaat van de belangrijkste feiten uit De gouden eeuwen van Andalusië
en heeft niets te maken met het vakmanschap waarop Menocal die tot leven wekt.1. De geschiedenis van Moors Spanje begint wanneer de twintigjarige prins Abd ar-Rahmaan Damascus verlaat, om in het huidige Marokko zijn Berberse roots op te zoeken. De prins is een telg uit de
Oemajjaden-dynastie, een Arabische dynastie die na de dood van de profeet Mohammed uit het versplinterde Medina is weggetrokken om Damascus tot hun nieuwe hoofdstad te maken. Syrië werd onder de Oemmajaden het nieuwe vaderland, met Damascus als centrum van de islam in het Nabije Oosten. Op die manier wisselden de Oemajjaden het isolement van de woestijn van het Arabische schiereiland in voor de beschaafde gebieden van de
Vruchtbare Halve Maan: de eerste stap naar het essentiële onderscheid tussen de Arabische en de islamitische wereld. 'Arabisch' slaat voortaan op een geografisch gebied, 'islamitisch' op de sterk op religie gebaseerde cultuur. Onder de Oemajjaden hecht de islam aan de wisselwerking met andere tradities: Romeinse inscripties, de Perzische verhalenschat van
1001 nacht, uit het Grieks vertaalde filosofen, specerijen uit het Verre Oosten.
In 750 echter, hebben de rivaliserende
Abbasiden-dynastie de gehele regerende familie van de prins Abd ar-Rahmaan, behalve hemzelf, uitgemoord en nu leeft hij als banneling. Eenmaal in Marokko aangekomen, zoals hierboven reeds aangegeven, steekt de prins algauw de Straat van Gibraltar over en bereikt aldus het gebied dat de Romeinen vroeger Hispania of Iberia noemden. Hij treft in feite een Iberisch schiereiland aan dat, evenals als de rest van het
post-Romeinse Europa van de achtste eeuw, in een culturele en materiële depressie verkeerde nadat de volksverhuizingen van Germaans stammen in de derde en vierde eeuw hadden geleid tot het verval en misschien wel de ondergang van het Romeinse rijk. De Visigoten (die in 410 Rome plunderden) hadden na een eeuwenlange vernietigende strijd -- eerst met de Vandalen en daarna onderling -- de heerschappij over Hispania verworven en namen het christendom volledig over na verloop van tijd (in de steden tenminste, op het platteland tierde het heidendom welig).
Morele corruptie en decadentie hebben de laatste Visigotische koningen echter parten gespeeld en wanneer Syrische Arabieren en onderhorige Berbers (de oorspronkelijke inwoners van Noord-Afrika) in 711 de overstap maken van Afrika naar Europa, kunnen ze tot diep in Europa doordringen. Het
christelijk-Visigotisch koninkrijk wordt goeddeels weggevaagd en pas in 732 kunnen deze eerste islamitische legers tot stilstaan gebracht worden door de Frankische hofmeier Karel Marel in de
slag bij Poitiers. Bijna alle voormalige Visigotische bezittingen, zelfs noordelijke gebieden als Narbonne in Aquitanië, worden door de moslims bezet.
Tegen de tijd dat
Abd ar-Rahmaan dus arriveert, amper vijftig jaar later, is het Iberisch schiereiland een emiraat geworden, ver verwijderd van de kern van het rijk. Tot de doodgewaande prins opduikt was de machtswisseling tussen Oemajjaden en Abbasiden eigenlijk van weinig invloed geweest, in tegenstelling met de rivaliteit tussen de gewone Berbersoldaten en het Arabische leiderschap. (Voor Berbers waren Arabieren, tot welke tak behorend ook, despotische veroveraars.)
2. In 756 verslaan de troepen van Abd ar-Rahmaan die van de emir (de gouverneur, zeg maar). Abd ar-Rahmaan bouwt prompt het buitenverblijf Roesafa (een kopie ter herinnering aan zijn oorspronkelijk optrekje bij Damascus) en sticht een nieuw
emiraat. Door deze daad verandert Al-Andaloes (zoals de Moren Spanje noemden) van een eenvoudige provincie in een machtsfactor die rivaliseert met het Abbasidische kalifaat. Abd ar-Rahmaan begint met bouw van de Grote Moskee van Córdoba die ongeveer tot het jaar 1000 (tweehonderd jaar later) heeft geduurd. Hij en Karel de Grote worden buren die over de hele lengte van de Pyreneeën tegen mekaar aanschurken.
Al-Andaloes in 790In de loop van de driehonderd jaar die volgen, heersen politieke rust en welvaart, met de ene na de andere emir die in
Córdoba iets aan de Grote Moskee toevoegt. De bevolking groeit, ook op het platteland. Nieuwe gewassen en technieken, waaronder irrigatie, worden ingevoerd. De etnische verscheidenheid is groot: moslims (waarvan de eerste generatie veroveraars nauwelijks één procent van de hele bevolking vertegenwoordigde) konden anno 900 evengoed pano-Romeins als Berbers bloed hebben. Zelfs de emirs hadden bijna allemaal christelijke moeders, een lichte huid en blauwe ogen.
Het Arabisch, een heilige taal met een rijke pre-islamitische traditie, de taal van God en de islamitische orde ook, is veelal de moedertaal, of op zijn minst de omgangstaal van handelaren en reizigers. Het Arabisch wordt overgenomen door de twee andere geloofsgemeenschappen (joden, christenen) als het toppunt van verfijning. Zelfs de vurigste christenen in de negende eeuw waren zo dol op de taal van hun religieuze tegenstander dat ze zelfs bereid waren hun oude liturgie in het Arabisch om te zetten. Wat het Arabisch had dat het Latijn niet had? Schatten die weinig met godsdienst te maken hadden: poëtische en filosofische geschriften die de intellectuele honger stilden.
Onder de Oemmajjaden verheft de joodse gemeenschap zich uit de as van haar uitzichtloze bestaan onder de Visigoten. De liefde van de joden voor de
Arabische cultuur stond vanaf het begin diametraal tegenover de vijandige houding die de christelijke hiërarchie en het leiderschap van de christelijke gemeenschap aannamen, die moest wennen aan het verlies van haar dominante positie. De joden assimileren qua taal en cultuur maar blijven in het joods religieuze rituelen volvoeren. Aan de basis van dit betrekkelijk vreedzame bestaan tijdens het kalifaat, dat ook interculturele uitwisseling mogelijk maakte, ligt het pact (
dhimma) dat de Moorse overheerser met de andere twee gemeenschappen sluit. Christenen (ten tijde van de islam-dominantie ook wel
mozaraben genoemd) en joden kunnen rekenen op een zekere juridische autonomie en recht op eigen godsdienst, mits ze belastingen betalen en enige discretie tijdens het voltrekken van hun geloof in acht nemen.
3. Het jaar 929 wordt een kantelmoment. Dan wordt immers hardop verklaard wat velen al sinds 756 voelden:
Ab ar-Rahmaan III (kleinzoon van Abd ar-Rahmaan I) wordt vanaf elke moskee in al-Andaloes uitgeroepen tot de enige ware Beschermer van het Geloof, de wettige kalief van de héle islamitische wereld. Het emiraat van de Oemajjaden wordt een
kalifaat, met Córdoba als onmiskenbaar centrum. Dat zorgt voor spanning: gedurende de voorgaande twee eeuwen was er nergens ter wereld een roemrijker beschaving geweest dan de Abbasidische en nu roept een afvallige provincie, geleid door een Oemajjaad, zich uit tot centrum van de wereld. Het was al de tweede grote tegenslag voor de Abbasiden in korte tijd: Bagdad (dat in 754 was gebouwd om elke herinnering aan de Oemmajaden te laten vervagen en Damascus als belangrijkste Abbasidische centrum opvolgde) verloor in 909 een eerste keer aan invloed. Reden: het ontstaan van de afscheidingsbeweging van de sji’ieten, die zichzelf beschouwen als de afstammelingen van Ali (de vermoorde schoonzoon van de Profeet), vanuit Tunis een eigen staat uitroepen en hardop twijfelen aan de rechten van de Abbasiden.
Dat de Moren (=de moslims op het Iberische schiereiland) op kwamen zetten, was overigens niet meer dan terecht.
Córdoba schitterde in de tiende eeuw in vergelijking met de Noord-Europese gebieden, die zich sinds de achtste eeuw materieel en cultureel nauwelijks hadden ontwikkeld. Neem alleen al de bibliotheek van het kalifaat (een van de zeventig bibliotheken van de stad), die volgens één telling ongeveer vierhonderdduizend banden telde in een tijd waarin de grootste bibliotheek van christelijk Europa waarschijnlijk niet meer dan vierhonderd manuscripten bevatte. De islam was zonder meer een intellectuele godsdienst en dankzij hun regelmatige contacten met Bagdad, waar men de vertaling van de Grieken een prestigieus project had gemaakt, bezaten de Andalusiërs tevens bibliotheken waarin de cruciale tradities werden bewaard die in de rest van het Latijnse Westen al lang geleden verloren waren gegaan en in de tiende eeuw nog onbekend waren. De bibliotheken dankten hun bestaan aan de bloeiende handel in het Middellandse Zee-gebied en technologische vernieuwen (bv. het goedkopere papier van de fabriek van Jativa). Door het permanente handelsverkeer tussen Córdoba en Bagdad lazen de Andalusiërs in de tiende eeuw al snel dezelfde teksten als de inwoners van Bagdad.
Al-Andaloes in 900
4. Maar het sprookje blijft niet duren. De laatste jaren van de tiende eeuw waren een periode van grote onrust (
fitna). De beruchte vizier al-Mansoer Ibn Abi Aamir voert vernietigende aanvallen uit op christelijke bolwerken in het noorden van Spanje (o.a. Santiago de Compostella) en verzwakt de macht van de regerende kalief van Córdoba. De uitroeping van het kalifaat had bovendien ook andere pretendenten wakker gemaakt (in de machtige conservatieve islamitische provincies in Noord-Afrika bijvoorbeeld) en in 1009 wordt de stad Madinat az-Zahra (het Versailles van Córdoba, zeg maar, waar de Oemajjaden-kaliefs inmiddels leefden en een toenemende onverschilligheid ten aanzien van de politieke hoofdstad Córdoba aan de dag legden) door brandschattende Berbers verwoest. Ironisch genoeg waren dat de buitenlandse huurlegers waar de laatste heersers van het Andalusische kalifaat een beroep op hadden gedaan in een wanhopige poging de vrede te bewaren.
In 1031, een eeuw na de optimistisch soevereniteitsverklaring wordt het kalifaat van Córdoba officieel ontbonden. Splintergroepen herrijzen in de vorm van
taifa-koninkrijken, in de eerste jaren meer dan zestig in getal. Gek genoeg zal de versnippering in taifa’s de culturele bloei niet aantasten. Wel beginnen de noordelijke christelijke gebieden zich te verenigen tot een steeds machtiger eenheid van koninkrijken. Zij breiden zich tijdens de elfde eeuw uit naar het zuiden. Islamitische steden betalen in de grensgebieden tol aan hun machtigere christelijke buren. moslims, door de christelijke heersers mudéjares genoemd, wonen in die periode samen met gearabiseerde joden in de christelijke steden.
Al-Andaloes in 1031: versplintering van het kalifaat
in kleine taifa-koninkrijken
Ander keerpunt in de eerste eeuw van het millennium vormen de invallen van de Normandiërs, een volk van avonturiers uit de Bretonse kuststreek dat ook naar Engeland en Sicilië zou trekken. De Normandiërs bezitten een enorm aanpassingsvermogen, integreren vlot en zijn op die manier cruciaal bij de
kennismaking van het Latijnse christendom met het islamitische Europa. Belangrijk in dit proces was dat de taaldifferentiatie nog niet bestond: alle christenen kenden een homogeen Latijn en de Pyreneeën vormden in die dagen geen nationale scheidslijn maar een tussenstuk. De invloed van de abdij van Cluny, ooit gesticht door de eerste Willem van Aquitanië in 910, groeit aan weerszijden van de bergen.
5. De turbulente periode van elkaar bekampende moslimstaatjes of taifa's komt ten einde als de christelijke monarch Alfons VI van Castilië de strategisch belangrijke taifa
Toledo in 1085 in bezit neemt. Toledo wordt in de loop van de elfde eeuw uitgeroepen tot hoofdstad en aartstbisschoppelijke zetel van het koninkrijk Castilië. Het wordt een christelijke stad, het intellectuele centrum van Europa, met Arabisch als cultuurtaal. Gebouwen worden er opgetrokken in gemengd moors-christelijke stijl, de Mudéjar-stijl.
Moe’tamid, die regeert over de taifa Sevilla en de bui al voelt hangen, roept in paniek de hulp in van de
Almoraviden -- fundamentalistische Berberse moslims die kort daarvoor Marrakech hadden veroverd. Deze verslaan inderdaad Alfons, in 1086, maar veranderen van beschermers in de nieuwe tirannen van al-Andaloes. In de honderdvijftig jaar die volgen, worden de autochtone Andalusische moslims geregeerd door buitenlanders, die een stuk strenger in de islamitische leer waren dan zijzelf. De Almoraviden worden in de twaalfde eeuw op hún beurt veroverd door de
Almohaden, een nóg fanatiekere groep Berberse moslims uit Noord-Afrika.
6. De elfde en twaalfde eeuw zijn met andere woorden eeuwen van interreligieuze spanningen. Niet alleen in de Moorse wereld, trouwens. In de christelijke gebieden van het Iberisch schiereiland was onder invloed van koning Alfons VI de invloed van de clunaciënzers gegroeid. In het midden van de twaalfde eeuw wordt de
abdij Cluny zelfs als het centrum van de Latijns-christelijke wereld beschouwd: de grootste kerk van de christenheid en leider van honderden kerken en kloosters. Aan het hoofd van de abdij staat
Petrus Venerabilis. Zijn geestelijken zweren de handenarbeid af die de benedictijnen tot boeren had gemaakt en verkennen de wegen van kennis en wetenschap. Aartsrivaal in theologische disputen is
Bernardus van Clairvaux (hoofd van de cisterciënzers).
Petrus Venerabilis maakt een reis naar het opbloeiende Toledo en stelt vast hoe een klimaat waarin wetenschap, kennis en techniek kan gedijen de harten van de intellectuelen verovert. In zijn hoedanigheid van abt zoekt Petrus Venerabilis
vertalers voor de koran en andere Arabische geschriften, waaronder
Robert van Ketton. Zo komt het Arabisch numerieke stelsel in Latijnstalig Europa binnen. Venerabilis ontfermt zich tevens over een andere dissident,
Petrus Abaelardus, die de manieren wou verkennen waarop zijn geloof bestand was tegen rationeel onderzoek. De in 1095 in Frankrijk begonnen kruistochten wierpen naderhand een donkere schaduw over Petrus Venerabilis en vele anderen. De koranvertaling van Petrus' team, en de polemische analyses van de zwakke punten van de islam worden vaak gezien als onderdeel van diezelfde kruisvaardersgeest en in feite als een wapen in de strijd om Jeruzalem. Maar de abt van Cluny was in feite tegen de kruistochten.
Al-Andaloes in 11507. Ook in het begin van de dertiende eeuw blijft het maken van Latijnse vertalingen van Arabische wetenschappelijke en filosofische teksten de grootste uitdaging. Het eerder beperkte vroegere groepje vertalers in
Toledo heeft inmiddels plaats gemaakt voor een volledige
vertaalcultuur. Binnen vijftig jaar hebben alle Latijnstalige christenen toegang tot ooit onvoorstelbare wonderen als het volledige werk van
Aristoteles. In Europa sprak men immers al lang geen Grieks meer; een Latijnse vertaling is hard nodig. De gebruikelijke procedure was dat een jood de Arabische tekst hardop in de gemeenschappelijke Romaanse volkstaal (het Castiliaans) vertaalde, waarna een christen de mondelinge versie in geschreven Latijn omzette.
De ironie wil dat toen de moslims hun greep op het Iberisch schiereiland begonnen te verliezen, de vertaling van teksten uit het Arabisch in het Latijn een groeiende activiteit werd. Onder de Oemajjaden waren de burgers -- moslims, joden en christenen -- nooit propagandisten voor hun eigen cultuur geweest, noch voor de Griekse filosofen. Hoe raar de geschiedenis eigenlijk kan lopen! In de achtste eeuw ontdekken de moslims in Bagdad de rijke Griekse intellectuele erfenis. In de tiende eeuw raken de intellectuele joden op het Iberisch schiereiland verrukt door het jonge, vitale deel van de moslimwereld dat hen heeft opgeslorpt, inclusief de Griekse teksten die via drukke contacten tussen Bagdad en Córdoba binnensijpelden. En in de dertiende eeuw ontdekken de christenen op hun beurt via de moslims de Grieken.
Hoewel de Grieken pas definitief tot ons gekomen zijn in een renaissancistische gedaante, namelijk via vertalingen van de humanisten, mag
de erfenis van Bagdad niet onderschat worden. Het lange verblijf van de Grieken in Bagdad, gevolgd door een verlengd verblijf in Córdoba, had de intellectuele elite ervan doordrongen dat het Griekse denken een universele waarde heeft, dat het vertaalbaar is in elke taal en toepasbaar op elke cultuur, inclusief de monotheïstische culturen zoals de Arabische.
8. Goed, waar waren we gebleven? In het christelijke Toledo van de dertiende eeuw. In deze roerige tijden was deze stad een belangrijke
vluchtplaats voor joden. In de door moslims bestuurde gebieden was het leven voor de joden immers geen pretje. De autochtone Andalusiërs zijn er nooit in geslaagd tegen de Almoraviden (1040 – 1147) in opstand te komen. Zelfs de samenwerking met christelijke medestanders, onder wie Alfons VI, tegen wie ze destijds de hulp van de Almoraviden hadden ingeroepen, leverde niets op. Het regime onder de Almohaden (1121–1269, hoofdstad: Sevilla) was nog slechter: velen joden werden bruut verdreven, waarna zij zich vestigden op christelijk grondgebied, in de noordelijke christelijke steden. Integratie aldaar viel wel mee: de meeste christelijke steden waren niet lang daarvoor taifa’s, en daarvoor weer steden van het kalifaat waren geweest, een maatschappij kortom die net zo gearabiseerd was als zij zelf. Binnen de gebieden waar de fundamentalistische Almohadische ideologie zich wel kon doen gelden, had ze een schadelijke uitwerking: door de exodus van joden en christenen en door de strikte interpretatie van de islam begon de belangstelling voor wetenschap en filosofie af te nemen en maakte een zekere multiculturaliteit plaats voor monolinguïsme.
9. Als we over de dertiende eeuw spreken, moeten we het ook hebben over de
christelijke burgeroorlogen die toen woedden en spijtig genoeg ook al-Andaloes treffen. De kruistocht tegen de Albigenzen, een sterk puriteinse, ketterse beweging, vernietigt bijvoorbeeld het sociaal weefsel van de Provence, dat ooit contacten had onderhouden met Noord-Spanje en al-Andaloes. Belangrijker is het optreden van paus Innocentius III, die een 'kruistocht' tegen de Moren verlangde en zelf met zijn dominicaanse stoottroepen tegen de katharen ten strijde had getrokken. In 1212 verslaan de christelijke legers van koning Alfons VIII met de pauselijke steun (en de steun van de aartsbisschop van Toledo) de Almohaden in
de Slag bij Las Navas de Tolosa.
De Almohaden slaan op de vlucht en de
Reconquista (de christelijke herovering van het Iberisch schiereiland op de Moren) krijgt eindelijk een stevige impuls. De nederlaag van de moslims luidt een lange reeks nederlagen in: Córdoba (1236), Valencia (1238) en de hoofdstad van de Almohaden, Sevilla. Sevilla werd in 1248 ingenomen door Ferdinand III van Castilië, de eerste van vele generaties Castiliaanse monarchen die Sevilla verkozen boven alle andere steden.
Alfons X (ook wel Alfons de Wijze) zou later een tombe voor vader Ferdinand bouwen in de Grote Moskee van Sevilla. Zijn pogingen om van Sevilla een evenwaardig cultureel centrum te maken als Toledo falen evenwel. Het culturele belang van Alfons X ligt in de ontwikkeling van het Spaans als nationale taal van Spanje. Hij laat het Castiliaanse dialect (het huidige Spaans) gebruiken voor wetten, geschiedschrijving en onderwijs (nog niet religie). Zijn argument: een groot volk in een historisch belangrijke beschaving moet over een taal beschikken waarin het zich niet alleen tot God, maar ook tot de geschiedenis kon richten. Toledo wordt aldus het eerste Europese laboratorium van de volkstaal. De eerste klassieken van de Castiliaanse fictie hadden, dat moet gezegd, weinig waarde buiten Castilië.
10. Na de verdrijving van de Almohaden aasden taifa-achtige rivalen op de leemtes die ze nalieten. De meest succesvolle was Mohammed ibn Joesoef ibn Nas (bij leven bekend als Ibn Ahmar). De laatste islamitische dynastie van Europa, die van de
Nasriden (vanaf 1238), is naar hem genoemd. In ruil voor hulp bij de verovering van Córdoba kan hij op de bescherming rekenen van Ferdinand III en zich verschansen in het hart van de Sierra Nevada, in de veilige afzondering van het kleine paradijs dat Granada heette. Daarmee wordt Granada het laatste moorse bolwerk in Andalusië. Enfin, de Nasriden overleefden het tweehonderdvijftigjarige beleg dat volgde niet zozeer als Andalusiërs, maar eerder als bewakers van de herinnering aan al-Andaloes, en in toenemende mate als de bouwers van het laatste Andalusische grafmonument, de paleisstad die het Alhambra wordt genoemd.
Al-Andaloes rond 1300Een van de belangrijkste christelijke vorsten van de veertiende eeuw in Spanje is
Peter van Castilië (Peter de Wrede). Hij geeft de voorkeur aan
Sevilla voor de koninklijke residenties en laat met de bouw van het Alcázar beginnen. Daarnaast wordt de Grote Moskee van de Almohaden omgebouwd tot kathedraal, net zoals de Grote Moskee van Córdoba de kathedraal van Alfons X geworden was. Met Mohammed V (heerser van Granada) sluit hij, net als hun voorouders Ferdinand en Ibn Ahmar, een verbond om elkaar te beschermen.
11. De definitieve doodsteek van de Moorse aanwezigheid op het Iberische schiereiland wordt gegeven in hetzelfde jaar waarin Columbus Amerika ontdekt. In 1492 overhandigt Mohammed XI, de laatste der Nasriden, beter bekend als
Boabdil, de sleutels aan Isabella van Castilië en Ferdinand van Aragón, de zogenaamde
Katholieke Koningen, die huichelachtig in Moorse kledij gehuld deze belangrijke symbolen in ontvangst nemen. Ze liegen de moslimse inwoners gastvrijheid voor, maar Boabdil weet dat de aanpassing voor zijn steeds geïsoleerder geraakte landgenoten een harde dobber zal worden. Ook voor de joden loopt het niet goed af. Ze worden verdreven uit christelijke Spanje, krijgen later de mogelijkheid zich tot christenen te bekeren, waarna ze alsnog vervolgd worden. De Spaanse Inquisitie, met haar beruchte concept van de ‘zuiverheid van bloed’, wordt ontwikkeld omdat er geen zichtbare etnische verschillen bestonden.
"Meestal," schrijft Menocal, "onthouden we van de geschiedenis van het zestiende-eeuwse Spanje alleen de verovering van het opzienbarende Amerikaanse rijk, of de uitbarsting van de moderne, literaire esthetiek in teksten die konden wedijveren met het werk van
Shakespeare. Het is echter ook het tragische verhaal van de vernietiging van twee religieuze culturen die ooit samen Spanje vormden." Ze beëindigt haar verhaal symbolisch in 1605, het publicatiejaar van
Don Quichot, en toont aan hoe in het hardvochtig geworden Spanje
Cervantes zijn kritische geluiden goed moet vermommen.
Menocal doet in haar boek ook een poging te verklaren waarom het zo slecht afliep in Spanje met de godsdienstvrijheid. Oorlogsvoering op grond religieuze ideologie was een realiteit die op het Iberische schiereiland pas ontstond toen twee expansieve religieuze ideologieën (het zuivere christendom in het noorden en de Almohaden in het zuiden) zich aandienden die geen van beide een band hadden met de Andalusische ethiek.
Daarnaast biedt de allesverwoestende Zwarte Dood, de pestepidemie die in het midden van de veertiende eeuw door Europa waarde en de bevolking decimeerde, de meest gehoorde verklaring voor de opgang van religieuze onverdraagzaamheid. Deze catastrofale afbraak van de sociale en religieuze orde leidde er immers toe dat bepaalde minderheidsgroepen –- vooral de joden –- tot zondebok werden gemaakt.
Klein cultureel dramatis personae:
Dunash ben Labrat (920-990)
De eerste die het voorstel deed om Hebreeuwse gedichten te schrijven naar Arabisch voorbeeld, met gebruikmaking van de Arabische technieken die de joden zo goed kenden. Hebreeuws was immers lange tijd geen poëtische taal maar uitsluitend een liturgische taal geweest. Zijn revolutionaire stelling luidde: als je het Hebreeuws een bestaan buiten de synagoge wilde geven, moet je het verpakken in Arabische prosodie.
Avicenna (980-1037)
Perzisch medicus, wetenschapper en filosoof. Auteur van een uitvoerig oeuvre, geschreven in het Arabisch en het Perzisch.
Samuel ibn Nagrila (993-1056)
Klom van van welvarend koopman uit Málaga op tot machtige vizier van de nieuwe taifa van Granada. Gearabiseerde jood in islamitisch Spanje die in het Hebreeuws schreef. Grondlegger van de Hebreeuwse poëzie.
Ibn Hazm (994–1064)
Arabisch-Andalusische schrijver en filosoof. Vooral bekend om
De ring van de duif, een traktaat over de liefde.
Al-Ghazali (1058– 1111)
Perzisch filosoof en soefist. In Europa heette hij lange tijd
Algazel. Hij is voor veel soennieten de tweede leermeester na de profeet Mohammed. Zijn invloed op de Arabische filosofie wordt wel eens vergeleken met de invloed van de scholastiek filosoof
Thomas van Aquino op christelijke filosofie. Zijn werk is een reactie op dat van Avicenna.
Petrus Alphonsi (1062 – 1110)
Joods-Andalusische schrijver en astronoom. Schrijver van
Disciplina clericalis: niet de eerste maar de eerste succesvolle raamvertelling. Door dit boekje maakte de Latijnssprekende elite kennis met een cultuur die op het Iberisch schiereiland voor bijna iedereen dagelijks toegankelijk was. Schreef ook het controversiële Dialogi contra Judaeos, een verwerping van het jodendom.
Yehuda Halevi (1075–1141)
Joods-Andalusische filosoof en dichter. De laatste in de lijn van grote Andalusische dichters uit de Gouden Eeuw. Emigreert naar Alexandrië wanneer zijn rivaal en leermeester
Ibn Ezra sterft. Verwerpt immers de decadente cultuur van Andalusië: de liefde van de joden voor de gearabiseerde Hebreeuwse poëzie en hun liefde voor de studie van de filosofie.
Averroes (1126-1198)
Moors-Andalusische filosoof, jurist en arts. Hij schreef commentaren op de Griekse filosoof Aristoteles en een medische encyclopedie. Stelt dat materie en het universum eeuwig zijn, maar individuele zielen niet. Legt de relatie tussen filosofie en theologie. Verwerpt al-Ghazali's kritiek op het beoefenen van filosofie. In 1210 worden zijn commentaren in de ban geslagen. In 1255 wordt een nieuwe, gezuiverde versie onderwezen.
Maimonides (1135-1204)
Joods-Andalusische rabbi en filosoof. De meest prominente Joodse filosoof tijdens de middeleeuwen. Net als het werk van Averroës had de filosofie veel meer invloed op degenen die hem in het Latijn lazen dan op de Arabischtalige lezers. In het midden van de dertiende eeuw vormde Parijs immers het centrum van de intellectuele wereld, met figuren als
Roger Bacon,
Albertus Magnus en Thomas van Aquino.
Moses de Leon (1250-1305)
Joods-Andalusische rabbi en kabbalist. Zou de samensteller zijn van de
Zohar, het belangrijkste werk in de joodse mystiek.
Ibn Khaldoen (1332-1406)
Berberse Noord-Afrikaanse geschiedfilosoof en islamtheoreticus. Pionierde behalve op het gebied van de geschiedfilosofie ook op dat van de sociaal-politieke wetenschappen en wordt wel als de vader van beide beschouwd. Schreef in het Arabisch.
____