woensdag 30 april 2008

The Archive of Science Fiction and Fantasy Artists

Directory of official artists sites of original sci-fi & fantasyart work in traditional and digital illustrations.

> http://www.dragoon.com.au/archive/

____

De verloofde van Sado - Amélie Nothomb

De nieuwe Amélie Nothomb speelt in 1989. Dat is één jaar voordat ze bij een Japans bedrijf in dienst treedt als werkslaaf -- een bestaan dat ze genadeloos zou doorlichten in wat nog steeds een van haar beste romans is: Met angst en beven (1999).

De twintigjarige Rinri, een student Frans aan de universiteit van Tokio, komt bij Amélie zijn taalvaardigheid opkrikken. Taalonderwijs schijnt niet te deugen in Japan, waar geen leerling wordt verondersteld iets te vragen aan de sensei.

Als steeds spint Nothomb garen van een mooi, onbederfelijk thema. Liefde belemmerd door de onoverkomelijkheid van de taal. Want natuurlijk onstaat er een schoorvoetende genegenheid tussen de vormelijke, ingetogen Rinri, minnaar van de Franse klassieken, en de grillige Amélie, die via haar pupil het oude, stille Japan van haar jeugdjaren herbeleeft.

"Eigenlijk waren het niet Rinri’s excentriciteiten die me het meest verbaasden, maar veeleer die ene ultieme excentriciteit: ik had kennisgemaakt met een aardig, charmant persoon. Niet eenmaal had hij me in woord of daad gekwetst. Ik wist niet dat het bestond."

Toch is de figuur Rinri meer dan zomaar een sparringpartner voor de weemoedige projecties van de schrijfster. Nothomb bewijst in dit boek dat ze ook gewone mensen van vlees en bloed gestalte kan geven. De verloofde van Sado is een van de meest overtuigende liefdesromans die ik in tijden las: breekbaar als rijstpapier, maar door de licht afwijkende dialogen, snelle decorwisselingen en het spaarzaam, uitgekiende commentaar nooit verzandend in klefheid. Amélie Nothomb is Amélie Poulain niet.

"We brachten waanzinnig veel tijd in de badkamer door. De badkuip was zo groot als het inwendige van een walvis, waarvan de spuigaten naar binnen gericht waren."

Eén keer gaat het een beetje mis, wanneer de Fuji wordt beklommen en Nothomb te lang ter plaatse blijft trappelen in haar pogingen het sublieme karakter van de berg weer te geven, en zijn betekenis voor de vervolmaking van haar Japanse identiteit.

Ik denk dat ik een deel van de tinteling die van dit boek uitging op de subtiele frustratie van mijn verwachtingspatroon kan schuiven. Want wie al veel Nothomb heeft gelezen zit onbewust te wachten op de Grote Macabere Ontsporing.

En die leek er maar niet te komen. Ondanks de grimmige Nederlandse vertaling van de titel (hoewel enkel het Japanse eiland wordt bedoeld) en ondanks een stel naargeestige grootouders die op de achtergrond figureren, een beladen bezoek aan Hiroshima en het gedweep met Zarathustra. En dan vergeet ik nog het bizarre banket met elf genodigden, terwijl gastheer Rinri zijn Amélie aan haar lot overlaat en zich discreet in de belendende ruimte terugtrekt.

Bij momenten wordt gesuggereerd dat Rinri deel uitmaakt van de Yakuza. Dan komt de welgekende Nothomb boven drijven, de harpiste die voortdurend dissonanten speelt. De voorkennis dat ze elk moment kan toeslaan maakte de lectuur van dit boek prettig oncomfortabel.

Ik volsta hier met te zeggen dat de liefdesmanoeuvres van het koppel alleen al spannend genoeg zijn voor een goed boek. Ik doel op de dag dat Rinri Amélie ten huwelijk vraagt en daarmee de diepgewortelde Japanse schroom overwint om het woord liefde uit te spreken. Het is nagelbijtend wachten op Amélie's repliek.

"Ik probeerde me de Japanse grammaticaregels te herinneren voor het beantwoorden van negatieve vragen, wat even moeilijk is als de danspassen van de tango onthouden."

Nothomb is een van de weinige auteurs met een eenvoudige schriftuur die er in slagen mij trager te doen lezen. De vertaling van Marijke Arijs is ook helemaal af.

Aan het einde van De verloofde van Sado ontluiken de schrijversambities van Amélie, die zullen leiden tot haar eerste roman Hygiëne van de moordenaar.

Dat doet haar oeuvre tot nu toe ineens de aanblik bieden van een serpent dat zich in de staart bijt.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer van deze auteur op Achille: Dagboek van Zwaluw - Amélie Nothomb

Amélie Nothomb, De verloofde van Sado
234 p.
Uitgeverij Manteau, 2008
Oorspr. Ni d’Adam, ni d’Eve (2007)
Vertaald door Marijke Arijs


Meer Japan op Achille:
> Lof der schaduw - Junichiro Tanizaki
> After dark - Haruki Murakami
> Kitchen - Banana Yoshimoto
> De olifant verdwijnt - Haruki Murakami
> Barbaar in Azië - Henri Michaux
> Het schandaal - Shusaku Endo

____

dinsdag 29 april 2008

Congo is immers geen land

"België spendeert, naar het zeggen van de premier, jaarlijks 100 miljoen euro aan ontwikkelingshulp in Congo. Dat is minder dan het bedrag dat de kleptocratie in Kinshasa jaarlijks aan commissies binnenhaalt.
Congo is immers geen land. Congo is een gigantisch slagveld waar de grootmachten strijd leveren met de bodemschatten als inzet. De oorlogsbuit wordt er in miljarden dollars berekend.
Zogenaamd democratische verkiezingen hebben de machtspositie van Kabila en zijn clan een wettelijk tintje gegeven. Maar op het terrein, vooral in Oost-Congo, gaan het geweld en de plunderingen van het land gewoon door.
Zoals in de rest van Afrika hebben Amerikanen en Chinezen op het Congolese terrein in stilte een voorlopig compromis gesloten. En president Joseph Kabila is de om te kopen poortwachter die voor hen de toegang tot de grondstoffenreservoirs regelt."


Rik Van Cauwelaert

____

maandag 28 april 2008

1000 x Robbie Williams - Willem Uylenbroek (samenst.)

Ik heb het voor de zekerheid nagekeken in mijn Mediabibliotheek, maar neen, Robbie Williams speelt geen rol van betekenis in mijn leven. Hoogstens zit ik een nummer als 'Tripping' weleens mee te hummen met de radio.

Ook het fenomeen achter de zanger laat me koud. Robbie Williams is voor mij het prototype van de internationale class clown. Iedereen had wel zo'n vrijbuiter zitten, vroeger in de klas: hij was niet echt grappig, had niet echt een specifiek talent, maar wist als geen ander in het middelpunt van de belangstelling te blijven. En in een immer saai klaslokaal wordt zoiets al snel als een geschenk van de goden verwelkomd.

Amplifieer dat effect, en je krijgt Robbie Williams. Een werkelijk goede zanger kan je 'm niet noemen, een goede danser of tekstschrijver ('Angels'!) al evenmin.

Maar goed, dat theorietje van me verklaart evenwel niet het miljoen class clowns dat nooit de mondiale podia mag beklimmen.

Hoe dan ook, class clowns moeten het hebben van een geleidelijk aan opgebouwd imago en de moeilijk te definiëren dynamiek van een bepaalde klasomgeving. Dat zijn geen dingen die je in één twee drie exporteert naar andere klassen. Dat Williams nauwelijks potten breekt in de Verenigde Staten moet misschien zo begrepen worden.

Veel quotes in Let me entertain you gaan over het uitblijven van dat succes in de States en hoe Williams daar in zijn maag mee zit.

"Ik heb twee olifanten in mijn kamer. Ze staan altijd in de weg. De ene heet Strijd en de andere Niet Groot in Amerika."

Zo'n uitlating maakt hem terloops heel menselijk. Meer dan de drugs- en alcoholproblemen waar hij mee worstelt. Voorts is het gewone stervelingen een troost te weten dat ook multimiljonairs kampen met overgewicht of dat geen enkele rijkdom het gat in je identiteit kan plomberen.

"Er is geen avondschool voor beroemd zijn, er zijn geen steungroepen voor beroemdheden waar je naartoe kan… trouwens, die zijn er wel, ze heten prijsuitreikingen."

Ik las Let me entertain you helemaal uit omdat de scherpe tong van Williams me beviel toen ik het boekje achteloos doorbladerde in de bibliotheek. Robbie is ook veel grappiger dan gedacht.

De vraag blijft natuurlijk hoeveel filters er zitten tussen de echte woorden van de interviewee en de schriftelijke neerslag daarvan in een blad. Verslaggevers verdraaien woorden, punten zinnen aan, dikken informatie in of zuigen desnoods iets uit de duim. Ik zou ook de muziekjournalisten niet te eten willen geven die hun 'gesprekken' gewoon compileren aan de hand van eerdere, door anderen afgenomen interviews. Ten slotte is er nog de vertaling, die ook dingen oppompt of wegvlakt.

Niettemin vallen er in dit citatenbundeltje genoeg rode draden aan te wijzen die duiden op een markante persoonlijkheid. Iemand die weet waar hij mee bezig is, iemand die snapt hoe de muziekindustrie werkt. Een zanger ook die niet van een paradoxje meer of minder gestorven is. Een zelfverklaarde opportunist, bovenal. Die echter nooit om humoristische twist verlegen zit.

Williams' antwoord op de vraag naar de sleutel van zijn succes kan zo in Het Oscar Wilde citatenboek.

"Volg niet je dromen, volg die van iemand anders. Geef altijd op, en blijf niet trouw aan jezelf -- dan komt alles goed. Dat is wat ik heb gedaan. Dat is letterlijk wat ik heb gedaan, en zie… ik sta op de top van de berg."

Mijn sympathie voor Robbie steeg met de bladzijde, en dat is me wel wat waard.

(Gebaseerd op notities van 17 november 2006.)

> de aardigste quotes uit dit boek op Prins van Denemarken

Extra: mijn favoriete livemoment: Robbie Williams op Knebworth in 2003 [YouTube].

Willem Uylenbroek (samenst.), 1000 x Robbie Williams : let me entertain you
189 p.
Uitgeverij TM Publishers, 2006

____

zondag 27 april 2008

The Gates

Op 12 februari 2005 ging in New York The Gates van start. Christo en zijn vrouw Jeanne-Claude laten gedurende twee weken de wandelpaden van het Central Park overspannen met feloranje banieren.

Ik zag de beelden indertijd in het journaal en herinner me nog hoe knudde ik die hele volkstoeloop vond. Allemaal nieuwsgierig naar de nieuwe gordijnen van de keizer.



Maar dan stoot je drie jaar later in een aflevering van Het uur van de wolf op de prachtige documentaire van de broertjes Albert en David Maysles, die het project op de voet hebben gevolgd, van het prille idee in 1979 tot de opening van het kunstwerk een kwarteeuw later.

De fotografie is superbe. Het parcours wordt van alle mogelijke kanten belicht: van dichtbij, van op een afstand, overdag, 's nachts, in de zon, in de regen, in de sneeuw, bij wind, bij windstilte, onderaanzichten, zijaanzichten, bovenaanzichten.

Voor de rest: stilte. Niet de documentairemakers zelf die iets willen toelichten. Geen externe kunstkletsmeiers die hun verhaal moeten komen doen. Alleen het gewapper van doeken, oranje reflecties in het water, mensen die door de poorten wandelen.

Je weet natuurlijk nooit hoeveel van wat de filmers onwelgevallig was is weggeknipt, maar het valt op hoe vrolijk en spontaan de schaarse New Yorkers die worden geïnterviewd reageren op wat ze zien.

Ik werd me er ineens van bewust hoe hopeloos inefficiënt de kortgewiekte kunstberichtgeving is in onze nationale nieuwsuitzendingen, iets waar ik al eerder over schreef naar aanleiding van Denkmal 11 van Jan De Cock.

The Gates is een documentaire die onmogelijk is samen te vatten. Er is domweg duur en stilzwijgen voor nodig om de veelzijdige impact te laten zien van wat op het eerste gezicht een gratuit idee lijkt.

Mij voorgenomen nooit meer makkelijke oordelen te vellen over die paar seconden kunst die mij her en der worden voorgeschoteld.

> http://www.imdb.com/title/tt0446089
> http://en.wikipedia.org/wiki/The_Gates

P.S. Bij mijn weten is deze uitzending nog niet online te herbekijken. Indien dat er nog zit aan te komen, geef ik een seintje.

____

zaterdag 26 april 2008

Stadsogen - Martin Bril

Deze columns laten zich zo vlot lezen, dat het lijkt of ze niet geschreven zijn. In sommige middens klinkt dat vast als een ongelooflijk compliment, maar zo bedoel ik het niet.

Ik houd het meest van taal waar je stevig op moet kauwen, teksten die wrijven. Columns als schuurpaal.

Maar Martin Bril is een typisch Nederlandse schrijver. Alles wat ook maar de schijn heeft van aanstellerij wordt geweerd. Gehoorzame jongen dus, die Bril, maar wellevendheid is helaas niet het criterium waar ik literatuur op afreken.

Brils minimalisme geldt in het bijzonder voor zijn onderwerpen. Met zijn Amsterdamse miniaturen zoekt hij het gewone op in het straatbeeld. Hij luistert gesprekken af, informeert naar de nieuwste roddels, gaat ergens op een bankje zitten en tekent op wat zijn ogen hem ingeven. De alledaagsheid wordt eventjes op een sokkel gezet.

Een Peter van Straaten doet eigenlijk hetzelfde in zijn tekeningen, maar bij hem schuilt er wel degelijk drama in die twee zinnetjes tekst die zijn cartoons ondertitelen. Bril is columnist en dus dient er om een op zich wel aardig gegeven nog een hele lap tekst gebreid. Die het geheel wat mij betreft danig verdunt.

Daarbij speelt in zijn nadeel dat veel van zijn miniaturen in twee, drie pagina's niet evolueren. Het is stilstaand water, waar de lezer af en toe zijn eigen reflectie in kan zien. Natuurlijk is het dan schattig wanneer papa Bril aan zijn dochter oorlog op televisie moet uitleggen, of het eventuele bestaan van een opperwezen. De stilte die alleen maar op zo'n vraag kan volgen.

Die paar keren dat Bril zijn actieradius verlegt, gaat hij naar de rechtzaal of woont hij een politieke meeting bij. Die laatste columns las ik wel graag. Bril weet heel goed dat muisgrijs geschuifel van Hollandse technocraten te vatten. Zo'n Melkert, bijvoorbeeld.

Voor de rest kan je hier en daar inderdaad een glimp opvangen van Brils talent om met een beperkte woordenschat een haarfijne foto te maken.

"De man aarzelde. Hij stond bijna in de HEMA, maar de laatste stap durfde hij niet te nemen. Toch was het alsof zijn beweging zich doorzette, zo de winkel in, recht op de schappen af waar hij wezen moest. Mentaal was hij binnen, als het ware, al weer klaar ook, onderweg naar de kassa, het geld in de hand."

"‘Twee koffie verkeerd,’ zei Carla, op die toon die vrouwen alleen tegen elkaar aanslaan."

"In de deuropening van café Rooie Nelis in de Jordaan stond een jongeman te telefoneren. Hij had zwart haar dat glad over zijn hoofd lag. Hij droeg een blauw pak en een roze overhemd, dat zodanig openstond dat de punten van de boord als bladen van een exotische boem op zijn schouders lagen. Terwijl hij belde, peuterde hij in zijn neus. Hij had iets van een goochelaar."

Ook technisch kan ik een heleboel van hem leren. Manieren om zinnen te bouwen die ik zelf nooit aanwend.

De efficiëntie van de pars pro toto.

"Schuimkraag haalde zijn schouders op."

Hoe een zin vaart te geven door het adjectief te isoleren.

"Zijn rijwiel was een Bavatus Locarno, paars."

Niet schrijven 'De jongen die een boek van Virginia Woolf zat te lezen' maar:

"De jongen met Virginia Woolf keek verstoord op uit uit zijn verweerde paperback."

Op de tekenacademie wordt aan pupillen weleens de opdracht gegeven een minuut lang een vaas te observeren, om die daarna zo gedetailleerd mogelijk weer te geven op papier. Zonder te kijken. Deze miniaturen doen me nog het meest daaraan denken. Waarbij zij aangetekend dat Bril een superieure leerling is.

Mocht ik een cursus Creatief Schrijven geven, wat ik nooit zal doen omdat ze zinloos zijn, dan zou ik bij wijze van praktijkvoorbeeld mijn gehoor grondig laten studeren op het stukje 'Put' uit deze bundel.

De wijze waarop Bril daarin zijn materiaal ordent, zijn visuele indrukken in de juiste volgorde zet zodat ze onder spanning komen te staan, is razend knap. Want hij heeft opnieuw geen pointe ter beschikking en weet van een tafereel waar iedereen aan voorbijloopt -- een paar straatwerkers met een vaag klusje -- toch iets te maken.

"De situatie is als volgt: er zit een put in de weg. De put komt uit op de riolering. Hij staat al weken open. Ernaast bevinden zich een grote generator en een pomp. Daaromheen staat weer een gammel hek.
Er komt een dikke, donkerblauwe slang uit de put. Hij slingert zich een weg naar de gracht verderop. Daar verdwijnt de slang in het water. De pomp staat dag en nacht te dreunen. De slang trilt als een dier.
Er zijn bij de put zeven mannen betrokken. Ze komen iedere ochtend als het nog donker is met een busje uit de kop van Noord-Holland, zetten bij aankomst een oranje helm op, trekken zich terug in hun bouwkeet om koffie te drinken en sloffen daarna richting put.
Ze stellen zich in een cirkel op.
Rond de put.
Af en toe schopt een van hen tegen de slang, soms kijkt een ander even vorsend in de diepte, in een wisselende volgorde maken ze een voor een gebruik van het mobiele toilet naast de bouwkeet. Tegen halftien is iedereen geweest, hebben ze allemaal drie shaggies gerookt en slenteren ze terug naar de keet.
Schaft."


En dan zitten we nog maar op een derde van het verhaal.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer van deze auteur op Achille: De Franse slag - Martin Bril

Martin Bril, Stadsogen : nieuwe Amsterdamse miniaturen
239 p.
Uitgeverij Prometheus, 1999

____

Requiem voor een logo

Sinds oktober 2007 heeft de Vlaamse openbare bibliotheeksector een nieuw logo. Daaruit volgt: mijn banner staat een jaar online en maakt nu al een gedateerde indruk.

Ik kan ook niet helemaal onbewogen blijven onder die switch. De openbare bibliotheek heeft mij diep gevormd. Wanneer in een huizenrij een lichtbak uitsprong met dat mooie, meestal in groen uitgevoerde beeldmerk, duidde dat ook letterlijk op een intellectueel lichtbaken in de zompige dorpskommen waar mijn streek zo rijk aan is. My own private Alexandria, zoals in het vignet rechtsboven.



En al mag het er dan naar uitzien dat die lichtbakken wegens geldgebrek nog wel een tijdje blijven hangen, meer dan lege hulzen zijn het niet, vanaf nu.

Want een of andere hippe vogel heeft een nieuw logo ontworpen -- een waarvan elke vectorlijn filosofisch verantwoord is. Althans als je de kwaak maar raak-tekst van de Vlaamse vereniging voor Bibliotheek-, Archief- en Documentatiewezen mag geloven.

"Door de puntjes linksboven en rechtsonder lijkt het op een tekstballon die dialoog en tweerichtingsverkeer suggereert. Het logo heeft de basiskleur rood maar kan ook gebruikt worden in donkerrood, geel, blauw en donderblauw. Ook wit en transparant behoren tot de mogelijkheden. Die transparantie in combinatie met een achtergrond suggereert de openheid en toegankelijkheid van de bibliotheken."



Belangrijker is dat er anno 2008 eindelijk werk gemaakt wordt van een eigen huisstijl. Vroeger deed elke bibliotheek maar wat, en dat leidde doorgaans tot Times New Romaneske desktop publishing van het afgrijselijkste soort. Nu zijn er uniforme affiches, folders en pasjeshouders.

____

vrijdag 25 april 2008

Dictatuur van het design - Donald Norman

Dit boek was mij aangeraden, maar viel een beetje tegen. Dat heeft diverse redenen.

Allereerst is het raar dat de Nederlandse uitgever van een boek over gebruiksvriendelijk design zelf weinig moeite doet om de lezer te behagen. Al die tekst op één pagina, met veel te brede regels, waarvan ook nog eens de helft, o horreur, cursief is afgedrukt. Maar goed, laat ik daar niet over vallen, bij wat overduidelijk als leerboek bedoeld is, bovendien gepubliceerd in 1990.

Storender is dat de auteur aldoor hetzelfde zegt, in telkens nieuwe schemaatjes. Terwijl de inhoud, met voorbeelden en al, vast op honderd pagina's had gekund.

Want waar komen de bevindingen van hoogleraar cognitiewetenschap Donald Norman op neer? Iets moet zodanig ontworpen worden dat de juiste onderdelen meteen zichtbaar zijn en de juiste boodschap bevatten. De gebruiker moet de functie van het apparaat makkelijk kunnen ontdekken en bijna aanstonds ondervinden welke handelingen er allemaal mogelijk zijn.

Daarom moet de ontwerper de 'functionele eigenschappen' van het materiaal uitbuiten: dat zijn de waarneembare en feitelijke kenmerken van een voorwerp, de eigenschappen die bepalen hoe het ding zoal gebruikt kan worden. Vlakke oppervlakken lenen zich bijvoorbeeld om op te schrijven. De ogen van een schaar nodigen uit om er de vingers in te steken.

De knoppen op een diaprojector echter, vertonen géén zichtbare relatie tussen het drukken erop en het mogelijke effect. Bij dergelijke bedieningselementen met meerdere functies moet een gebruiker er daarom makkelijk achter kunnen komen of het systeem in de gewenste toestand verkeert. Indien niet, dan moet hij zijn verkeerde handeling even makkelijk ongedaan kunnen maken. Te allen tijde moet hij bovendien kunnen nagaan waar hij zich bevindt in de reeks van vereiste stappen om het toestel een handeling te laten uitvoeren.

"Als een fout mogelijk is, zal hij ook gemaakt worden. De ontwerper moet ervan uitgaan dat alle potentiële fouten inderdaad zullen optreden, en zodanig ontwerpen dat ten eerste de kans op een fout minimaal is en dat ten tweede de gevolgen van de fout, als hij toch wordt gemaakt, minimaal zijn. Fouten moeten gemakkelijk te ontdekken zijn, ze moeten minimale gevolgen hebben en zo mogelijk moeten deze gevolgen kunnen worden teruggedraaid."

Een methode om de bediening van een apparaat te versimpelen is te leunen op wat hier 'natuurlijke afbeelding' wordt genoemd: fysieke analogieën (om een voorwerp omhoog te laten gaan moet men een bedieningselement omhoog bewegen) en culturele standaarden (blauw staat voor koud water, rood voor warm water).

Een andere manier is het ontwerp dwingend te maken en beperkingen in te bouwen: bijvoorbeeld door gebruikers via een grendel-, borg- of spermechanisme in goede banen te leiden.

Enfin, hoe zinnig wat Norman vertelt ook is, ik moest er meermaals om lachen. Next contestant Sybil Fawlty from Torquay, special subject: the bleeding obvious. Ik kan me ook niet voorstellen dat hiervoor zo'n oeverloos theoretisch kader nodig is.

Te prijzen aan de voorbeelden die Norman vervolgens aandraagt, is dat ze uit ons dagelijkse leven komen. Toch had ik niet de indruk veel bij te leren, wat bij het werk van Jaap van Ginneken (Waarom doet u dat ?!) en Paco Underhill (Waarom we kopen wat we kopen) wel anders was. Die boeken hebben natuurlijk een ander opzet, maar door hun summiere opsomming geven ze de lezer lucht om na te denken over de principes die achter de voortdurende manipulatie steken. Hier wordt alles van naadje tot draadje uitgelegd.

Ontzettend prettig aan Dictatuur van het design is wel dat het de individuele gebruiker het zelfvertrouwen teruggeeft waar hij recht op had. Die gebruiker is namelijk meestal geneigd wanneer iets niet naar behoren werkt de schuld op zijn eigen gebrek aan technisch inzicht te schuiven. Door die reflex worden veel fouten niet gesignaleerd eens een apparaat in productie is. Norman klaagt die lijdzaamheid aan en vraagt zich luidop af waarom we al die frustraties van onze gebruiksvoorwerpen blijven accepteren.

"In een ideale wereld zouden de handleidingen eerst geschreven worden en zou het ontwerp daar vervolgens uit voortvloeien."



Hink-stapsprongbewegingen

Veel belangrijker voor mij, als niet-ontwerper, was het inkijkje dat Norman biedt in de genadeloze mechanismen die ervoor zorgen dat van veel produkten het ideale ontwerp eeuwig platonisch zal blijven.

Als grootste ondeugd van de ontwerpersgilde zelf, ontmaskert hij de neiging om ervan uit te gaan dat de gebruikers volstrekt volgens logische patronen te werk gaan. Quod non.

"De rechtspraak is grotendeels gebaseerd op het idee van rationeel denken en handelen. Economische theorieën zijn veelal gebaseerd op het model van de rationele mens die probeert zijn persoonlijk voordeel, nut of comfort te vergroten. En tal van wetenschappers die de kunstmatige intelligentie bestuderen, gebruiken de wiskunde van de formele logica –- de predicatenwiskunde -- als hun belangrijkste hulpmiddel om het denken na te bootsen.
Maar het menselijk denken -– en zijn naaste verwanten, het probleemoplossen en het plannen -– lijkt meer te worstelen in voorafgaande ervaring dan in logische afleidingen. Ons mentale leven is niet zo keurig en ordelijk. Het voltrekt zich niet zo vloeiend en sierlijk langs precieze, logische banen. Nee, het maakt hink-stapsprongbewegingen van het ene idee naar het volgende en het brengt zaken met elkaar in verband die in de verste verte niets met elkaar te maken hebben; het bedenkt nieuwe, creatieve sprongen en komt tot nieuwe inzichten en nieuwe begrippen. Het menselijk denken lijkt niet op logica; het is van een fundamenteel andere soort en hoedanigheid. Het is niet beter of slechter, maar het verschil ten opzichte van de logica leidt wel tot echt nieuwe ontwikkelingen en tot een hoge graad van stabiliteit in het gedrag.
Denken en onthouden zijn nauw aan elkaar verwant, want ons denken berust grotendeels op onze eerder ervaringen. Het blijkt inderdaad dat probleemoplossen en beslissen meestal stoelen op pogingen om een vroegere ervaring op te roepen, die kan dienen als richtlijn voor het actuele probleem."


Ach, was dit maar het voornaamste probleem. Aan de eenzijdige preoccupatie van ontwerpers met logica is tenslotte wel iets te verhelpen. Maar helaas, de echt fnuikende factoren komen van buitenaf. Ze zijn ook niet technisch van aard, maar hebben te maken met alle gedoe rond zo'n produkt.

Dat design juist op verzoek van de gebruiker nogal eens diens sociale en economische status moet weerspiegelen, hypothekeert onvermijdelijk de functionaliteit van een apparaat, om maar iets te noemen. Daarnaast is er de roep om elk jaar opnieuw met een nieuw model op de markt te komen, om aan te tonen hoe vernieuwend het bedrijf wel niet is. Zo'n verbeterd model komt dan steevast met nieuwe eigenschappen die niet uitgaan van de eerdere. Gevolg: nieuwe problemen. Er is ook de vloek van het individualisme: ontwerpers moeten een persoonlijke stempel drukken op een apparaat, hetgeen vaak ten koste gaat van de gebruiksvriendelijkheid.

Maar middelmatig design is nog het meest te wijten aan al de tegenstrijdige belangen die spelen.

"Goed ontwerpen is niet gemakkelijk. De fabrikant wenst iets dat zonder al te veel kosten geproduceerd kan worden. De winkel verlangt iets dat aantrekkelijk is voor zijn klanten. De koper stelt allerlei eisen. In de winkel let hij vooral op de prijs en het uiterlijk en mogelijk ook op status-aspecten. Thuis zal dezelfde persoon meer aandacht gaan schenken aan functionaliteit en bruikbaarheid. De reparateur hecht vooraal aan eenvoudig onderhoud: hoe gemakkelijk kan het apparaat uit elkaar gehaald, nagekeken en onderhouden worden? De behoeften van alle betrokkenen zijn dus verschillend en zijn soms met elkaar in strijd."

Tijd voor experimenten en verfijning is er meestal niet. Een pas geïntroduceerd produkt moet meteen aanslaan, is dood als het niet de eerste twee of drie keer aanslaat.

En als een bedrijf al eens het volmaakte produkt heeft gemaakt, wil elk ander bedrijf ook iets dergelijks produceren -- maar natuurlijk moet er dan wat aan veranderen, en daarmee verslechteren, om te laten zien hoe vernieuwend dat tweede bedrijf is en hoe anders het produkt.

Trouwens, hoogstwaarschijnlijk zal dat eerste bedrijf ook geen vrede nemen als zijn produkt is gestabiliseerd. Dan gaan buitenstaanders er zich immers mee bemoeien en erop uit zijn nog meer functies en mogelijkheden aan het apparaat toe te voegen, wat altijd ten koste gaat van de bereikte eenvoud en betrouwbaarheid.

Last but not least is er de grote P, de P van prijskaartje. Wat heeft iemand überhaupt over voor een deugdelijk ontwerp? Op dat punt worden de praktijkvoorbeelden van Norman heel herkenbaar.

Zo werd in de organisatie waar ik werk ineens een perfect werkende en makkelijk te bedienen kopieermachine vervangen door een groter model van een nieuw merk, louter en alleen omdat daar een voordeliger onderhoudscontract aan vastzat. Natuurlijk zonder dat iemand eerst dat nieuwe toestel kon uitproberen in een realistische omgeving. Dus zit je opeens vast aan een ding dat zo groot en lawaaierig is als een space shuttle. Met bovendien een veel te hoge zwart/wit-drempel, waar geen onderhoudsploeg iets aan heeft kunnen verhelpen. Resultaat: kopietjes met verkoolde afbeeldingen. Nogal kwalijk voor een kopieerapparaat.

Al deze ontluisterende kanttekeningen in het boek relativeren sterk Normans optimistische definitie van design:

"Ontwerpen is het herhaaldelijk aanbrengen van beperkingen tot er uiteindelijk een uniek produkt overblijft."

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer over design op Achille: Design na 1945 - Peter Dormer
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder
> http://en.wikipedia.org/wiki/Donald_Norman

Donald Norman, Dictatuur van het design
Ontwerpen van gebruiksvoorwerpen gezien vanuit de cognitieve psychologie
272 p.
Uitgeverij Bruna, 1990
Oorspr. The design of everyday things (1988)
Vertaald door A.J.W.M. Thomassen

____

woensdag 23 april 2008

Een havik onder Delft - Maarten 't Hart

De meeste columns van Maarten 't Hart zijn aardig om één keer te lezen en daarna nooit meer. Zijn onderwerpskeuze is niet overweldigend interessant en veel stilistische brille heeft hij niet in zijn lijf zitten. 't Hart schrijft weliswaar helder en eenvoudig, maar je ziet dat daar veel arbeid is ingekropen. Alleen zijn columns over muziek zijn werkelijk onleesbaar vanwege alle namedropping.

Maar wat is het dan dat me onderhuids nog het meeste aan hem ergert, afgezien van deze oppervlakkige opmerkingen?

Ik denk: het immer benarde. De angst voor vanalles en nog wat. Angst voor feestjes (Maarten mijdt ze als de pest). Angst voor slapeloosheid (Maarten controleert de relatieve luchtvochtigheidsgraad in elke kamer). Angst voor sport (Maarten schrijft een filippica vol drogredenen). En angst voor reizen (Maarten trekt het liefst naar Zwitserland). Vooral om dit laatste moest ik erg lachen.

De halfslachtige manier waarop hij met zijn geloof afrekent stoort mij ook. 't Hart meent zijn protestantse jeugd achter zich te hebben gelaten, maar kan het niet laten toch nog eens uit te halen naar de katholieken. Het gaat me om het woordje 'terecht' in onderstaand stukje.

"Vandaar dat Rome allerlei onbijbelse rituele apekool invoerde: vormsel, biecht, Heilig Oliesel, en van het Heilig Avondmaal een spektakelstuk met wapperende gewaden en wierookgeur maakte (een vervloekte afgoderij, zoals zondag 30 van de Heidelbergse Catechismus terecht opmerkt) dat in de vorm van een schraal ontbijt wordt uitgereikt."

Hoezo 'terecht'? Of je hecht waarde aan het feit dat iets in de bijbel staat, ofwel helemaal niet. Een tussenpositie is niet mogelijk.

't Hart vertegenwoordigt echter de schrijnende paradox van iemand die het geloof wil bestrijden met bijbelvastheid.

"Het Christendom is ontstaan rondom de persoon van Jezus. Spijtig genoeg had Jezus totaal geen gevoel voor humor en ook los daarvan hebben we het slecht met hem getroffen. Hij hield niet van planten (Marcus 11 vers 14), hij hield helemaal niet van dieren (Lucas 8 vers 33), hij gaf niets om meisjes en had ook geen begrip voor mannen die wel van meisjes houden (Mattheüs 8 vers 26), hij hield niet van muziek (Mattheüs 9 vers 23), hij hield er uiterst bedenkelijke hygiënische opvattingen op na (Mattheüs 8 vers 22), hij deelde mee dat hij niet kwam om de vrede te brengen maar het zwaard (Mattheüs 10 vers 34)."

Toegegeven, de lange beschouwing ‘Het verschijnsel godsdienst’ bevat wel degelijk een goede typering van wat religie nu juist tot religie maakt: een bizar mengsel van rituelen, geld en een neiging tot steeds verdere afscheuring. 't Hart verwelkomt alle schisma's hartelijk, omdat daarmee de macht van het geloof als instituut steeds verder wordt versnipperd. Daar kan ik me zeker bij aansluiten.

Onder de uitlopers van zijn protestantste roots rangschik ik tevens de vrekkigheid van 't Hart. Zo denkt hij ergens de staat te benadelen door geen artikelen te schrijven. Omdat hij daar dan niet voor wordt betaald, en aldus geen belastingen hoeft af te dragen. Vertel mij nu: wat is dat voor een kronkel?

Onvermogen om te genieten, dat zal het 'm zijn. Om zichzelf toch af en toe een pleziertje toe te staan moet 't Hart de meest onmogelijke rituelen -- dus toch weer rituelen, ja -- verzinnen om zijn geweten om de tuin te leiden.

"Wilde ik een plaat hebben, dan begaf ik mij per fiets (niet per trein natuurlijk, dat kost geld) naar Den Haag en reed ik door de Geleenstraat, waar de meisjes, zoals medestudenten mij verteld hadden, vijfentwintig gulden kostten. Zag ik daar achter een der rood verlichte ramen een meisje dat mijn begeerte opwekte dan reed ik een paar maal heen en weer tot ik er zuchterig van werd en zij steeds dwingender naar mij ging lachen. Was het moment aangebroken om mijn fiets tegen een pui aan te zetten, dan schakelde ik opeens over naar een straffer verzet en reed ik bliksemsnel de straat uit. Ik trapte naar muziekhandel Albersen en hield mijzelf onderweg voor: door niet bij dat meisje naar binnen te gaan heb je vijfentwintig gulden uitgespaard. Nu kun je gemakkelijk een plaat van vierentwintig gulden kopen en dan hou je nog een gulden over ook! Later, toen de meisjes in de Geleenstraat opeens vijftig gulden kostten, kon ik af en toe zelfs twee platen tegelijk kopen! Aldus heb ik in de loop der jaren duizenden platen weten aan te schaffen."

Neen, echt informatief voor mij waren alleen de stukken die met biologie te maken hadden. Ik leerde wat 'sympathische inductie' is (de aanblik van bepaalde gedragingen zet aan tot imitatie) en in ‘De overijlde resignatie’ relativeert 't Hart grondig alle mogelijke psychologische typologieën.

'Witte zwanen, zwarte zwanen' is toevallig het derde essay dat ik in pakweg een half jaar las over de zin en onzin van de falsificatietheorie van Popper. Jaap van Heerden had het er ook al over, net als Karel van het Reve in Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes [bespreking volgt een dezer weken]. Die boeken lijken allemaal rond elkaar te draaien. 't Hart preludeert al op de conclusies van Van Heerden.

"Nimmer is een theorie gesneuveld na één negatieve uitslag. Theorieën wijken alleen dan voor nieuwe theorieën als die beschikbare feiten beter verklaren. Of eenvoudiger verklaren."

't Hart veegt in dat verband ook de vloer aan met Van het Reve die in voornoemd boek de evolutietheorie meende te moeten betwisten. Eigenlijk moet ik die stukken eens rustig naast elkaar leggen, samen met dat boek van Dick Hillenius, Wat kunnen wij van rijke mensen leren?, om daar iets blijvends van te kunnen opsteken.

Hoe dan ook, wanneer 't Hart over zijn vakgebied spreekt, rendeert zijn nuchtere aanpak het meest. Dan heeft hij een paar laconieke zinnetjes in petto, waarvan ik vermoed dat ze mij lang zullen heugen.

"Ik heb het altijd een eigenaardig verschijnsel gevonden dat filosofen zich zo druk maken over het onderscheid tussen mens en dier. Het onderscheid tussen een mens en een chimpansee is immers veel en veel kleiner dan tussen een chimpansee en een zoetwaterpoliep."

"Oud worden is niet het doel van het leven, maar een raadsel van de natuur."

Alle platgetreden paden nog eens aanstampen
Verder is Een havik onder Delft interessant om de poëtica (lelijk woord) van Maarten 't Hart te kunnen reconstrueren. Zijn voorkeur gaat zoals bekend uit naar de klassieke, pretentieloze vertellers. "Hartstocht, spontaniteit, durf, verbeeldingskracht, meeslependheid en ruigheid" zijn geen vieze woorden voor hem. Maar in plaats daarvan draait veel in de Nederlandse literatuur van de jaren tachtig om ideeën, filosofie, vormexperiment en stijlpurisme. Vrolijk toegejuicht door de criticus waarmee 't Hart een vete op leven en dood uitvecht: Carel Peeters.

Belangrijker dan die vaststelling is dat 't Hart deugdelijke argumenten aandraagt voor zijn aversie. Dan komt er ook eindelijk iets terecht van de 'polemische paukeslagen' die ons in de ondertitel werden beloofd. In het befaamde stuk ‘De Kooimanconstante’ bijvoorbeeld, een begrip dat de toenemende krenterigheid van de Revisor-auteurs (Kooiman, Kellendonk, Matsier, Canaponi) moet illustreren: elk volgend boek bevat 45 procent minder woorden dan het vorige.

't Hart prijst schrijvers omwille van het vertelplezier op zich. Niet omwille van hun wijsgerige inspanningen.

"Alsof we god betere het na tweeduizend jaar beoefening van wijsbegeerte die enkel maar geleid heeft tot propvolle boekenplanken met werken die nog geen millimeter hebben bijgedragen tot de vooruitgang (want die kwam van mensen zoals James Watt die in de keuken goed naar een stoompan keken, of van mensen zoals Louis Pasteur of Robert Koch of Albert Einstein of van Edison) zitten te wachten op wijsgerige bespiegelingen in romanvorm die nooit wat anders kunnen zijn dan variaties op al duizenden malen uitgekauwde thema’s (want in de filosofie is vrijwel alles al gezegd, en valt iets nieuws echt niet te verwachten van een stelletje ongeschoolde romanschrijvers)."

En wanneer 't Hart op vier Engelse universiteiten lezingen bijwoont over de Nederlandse literatuur, polst hij naar de onbevooroordeelde reacties van de studenten. En wat blijkt? Veel Nederlandse literatuur is domweg onbekend over het kanaal. En als ze Nederlanders lezen, dan liefst geen sombere auteurs of schrijvers die krampachtig de diepzinnigheid opzoeken. Gerrit Krol wordt afgedaan als "typische minor writer, hij kan geen dialoog schrijven, hij kan geen persoon tot leven wekken, en die neiging tot filosoferen heeft iets dilettantisch." Buitenlanders appreciëren juist het typisch Nederlandse in Nederlandse boeken.

"In Liverpool vroeg een donker meisje mij waarom wij in Nederland in de literaire kritiek en in de secundaire literatuur over literair werk altijd geneigd zijn een tekst te interpreteren en te analyseren alsof er iets diepzinnigs achter schuil zou moeten gaan, alsof er altijd een verborgen betekenis is die eerst door de kritiek en de literatuurwetenschap opgespoord kan worden."

De meeste indruk maakte uiteindelijk het essay waarin Maarten 't Hart de monografie Geschiedenis van de literatuur in Nederland 1885-1985 van Ton Anbeek helemaal afkraakt. Met overmacht en getuigend van grote belezenheid toont hij aan hoe seksistisch dat boek is, hoe het het koloniale verleden van Nederland en zijn invloed op de literatuur wegmoffelt, hoe middle of the road Anbeeks selectie is en hoe beperkt zijn literatuuropvatting (boeken moeten "gelaagd" zijn, "op verschillende niveaus" kunnen gelezen worden enzovoort).

"Het boek van Anbeek werd door vakgenoten goed ontvangen. Dat is begrijpelijk, want er staat niets in waar een mens zich aan kan ergeren of over kan opwinden. Alle platgetreden paden in de Nederlandse literatuur worden nog eens krachtig aangestampt."

"Waarom waren ze zo blij met deze gatenkaas? Omdat hierin de Nederlandse literatuur wordt afgeslankt tot een stuk of wat gedichten en een handzaam rijtje romans die je in pakweg vier maanden lezen kunt? Je ziet ze denken, al die neerlandici: ‘Hoera, al die schrijvers en schrijfsters, dichters en dichteressen die geruisloos verdwenen zijn! Die hoeven we nu nooit meer te lezen. Wat wordt het lezen na Anbeek toch heerlijk gemakkelijk en overzichtelijk!"

Enfin, ik noteerde een waslijst mij onbekende namen en klapte daarna Een havik onder Delft dicht.

Wat ben ik trouwens jaloers op de gave van 't Hart om vele van zijn columns te doorspekken met een passend citaat uit de wereldliteratuur. 't Hart heeft een groot vermogen om personages uit boeken en hun gedragingen te onthouden, als waren het vertrouwde kennissen. Mijn memorie werkt totaal anders. Helaas.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> bibliografie in de commentaren hieronder

Maarten 't Hart, Een havik onder Delft
Polemische paukeslagen en andere kritische beschouwingen

253 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1992

____

dinsdag 22 april 2008

Stoffer en blik - Jeroen Brouwers

Mooi. Als de actualiteit een handje toesteekt, kan ik op een verwaaide keer nog iets aanvangen met de vele besprekingen die in mijn schaduwarchief liggen te beschimmelen.

Op de archiefbeelden bij het overlijden van uitgeefster Angèle Manteau zag ik zowaar een jonge Jeroen Brouwers in de rol van kantoorklerk opduiken, vermoedelijk gebogen over wéér een middelmatig manuscript van een Vlaamse scribent.

Ik moest meteen denken aan zijn Stoffer en blik, een bundel "geheugenrelazen" over de periode 1964-1970, de zeven jaren die Brouwers onder Manteau diende.

"Men deed zijn werk onder het zacht gegons van tl-buizen die met hun doodse licht de naargeestigheid opriepen die ik me herinnerde van de inwendige verblijven van een oorlogsbodem."

staat daarin te lezen, en zo'n zin zegt toch net iets meer dan die twee seconden zwartwitte schimmigheid.

Ik deelde alle loftuitingen ook niet meteen, gisteravond. Niet alleen omdat het dorre fonds van Manteau nooit iets betekend heeft in mijn leven, maar ook uit principiëlere overwegingen.

Want dat twee van onze grootste schrijvers ooit in het fonds van de barones hebben gezeten, lijkt me niet echt een prestatie, wanneer je decennia lang zowat de enige uitgeverij bent geweest van vrijzinnige signatuur in deze contreien. Neen, mij interesseren meer de redenen waarom Boon en Claus dan toch de grens over trokken.

Goed, in het journaal werd verteld dat De Kapellekensbaan door Manteau geweigerd werd, maar als ik Stoffer en blik mag geloven is dat maar een deel van de waarheid. Brouwers beweert in zijn boek dat ook Menuet, Boontjes uitleenbibliotheek, Boontjes twee spoken, De bende van Jan de Lichte en Wapenbroeders door Manteau terzijde werden geschoven.

Laat er geen misverstand over bestaan: Brouwers schetst in zijn boek een buitengewoon hardvochtig portret van Angèle Manteau. Hij doet dat zo overtuigend en met gevoel voor detail dat ik geneigd ben hem te geloven. Al speelt onvermijdelijk de kracht van de blauwdruk mee: de eerste keer dat ik over iemand lees blijft dat steevast nazinderen bij volgende gelegenheden, soms ten onrechte.

Literatuur kon Manteau nauwelijks wat schelen, zegt Brouwers. "Angèle Manteau dacht altijd in de eerste plaats aan geld." luidt de punchline, waar hij alle gememoreerde voorvallen aan ophangt. De uitgeverij bezat geen archief, correspondentie met schrijvers beperkte zich tot strikt zakelijke mededelingen en het was vooral de vlijt van het personeel die nauwlettend in de gaten werd gehouden.

"Zij oefende haar gezag uit volgens het machiavellistische divide et impera: ieder personeelslid bleek, net als ik, eenzaam in een eigen ruimte te verblijven, waar niemand anders iets te maken had, ‘tenzij om de werktijd te verbeuzelen’, zoals de directrice iedere vorm van onderling contact omschreef;"

Over andere versies van de feiten spreekt Brouwers een banvloek uit, zoals alleen hij dat kan. De vrouwen en ik, de herinneringen van redacteur Theo Oegema van der Wal, zijn "vertekend, opzettelijk vaag gelaten memoires waar niets wezenlijks in staat".

Van Angèle Manteau zelf wordt gezegd dat "ze liegt dat het ervan onweert en het verontrustende is, dat iedereen haar klakkeloos lijkt te geloven en haar woorden devoot indrinkt als met limonadesiroop op smaak gebrachte en gealcoholiseerde pis van de Heilige Maagd persoonlijk."

En Het eigenzinnige leven van Angèle Manteau van Greta Seghers wordt een "lorrig boekwerkje" genoemd.

"Een der taken van iedere ernstige biograaf, die op zijn/haar beurt uiteraard in de eerste plaats de grootst mogelijke objectiviteit dient te handhaven, is het kaf van het koren te scheiden, ofwel het verzinsel c.q. de roddel van de controleerbare waarheid. De nephistorica G. Seghers is niet zo’n biograaf."

Hoe de niet-ingevoerde lezer kan uitmaken dat Stoffer en blik wél enkel de 'controleerbare waarheid' bevat, en niet deels een uitlaatklep is voor de oprispingen van een rancuneuze Brouwers, daar gaat de auteur niet op in. Ik dicht Brouwers ook niet de wereldwijsheid toe om te beseffen wat dat betekent, een uitgeversbedrijf runnen.

Verfloddering
Na het exposé over de uitgeefster Manteau passeren nog een paar coryfeeën uit het fonds de revue. Brouwers schept er duidelijk plezier in hun kleine kantjes te duiden. Marnix Gijsen als ijdeltuit, Karel Jonckheere die steeds opnieuw hetzelfde handvol flauwiteiten debiteerde voor al wie die horen wou, en natuurlijk ook Brouwers' bête noire, Ward Ruyslinck, die maar wat graag de Grote Schrijver speelde.

"Hij was de op machtige vleugelslag hoog in het zenit ronddrijvende keizersarend en ik een scharrige heggenmus die nooit hoger zou komen dan de dakrand. Wat verbeeldde ik me, te mogen denken dat het mij was toegestaan commentaar te hebben op zijn boven alle kritiek verheven schrifturen."

Brouwers projecteert zijn waardeoordeel over de latere Ruyslinck aan de algemene stand van zaken in de Vlaamse letteren en, het moet gezegd, afgaande op die paar steekproeven die ik ooit nam moet ik 'm bijtreden. Toch draagt de polemist geen argumenten aan. Het etaleren van zijn eigen schwung moet dienen als bewijs.

"Leerzaam om van nabij mee te maken hoe Ruyslinck zijn oeuvre en aanzien in luttele tijd naar de verfloddering dirigeerde door steeds krakkemikkiger romannetjes af te leveren waaraan zelfs Oegema niets zou hebben kunnen fatsoeneren. Al deze jaar in jaar uit door Ruyslinck met zijn waterverfpenseel bijeengemorste werkjes werden zonder mankeren uitgegeven door Angèle, die niets om literaire waarden gaf. Zo maakte ze van het bedrijf dat tot op heden haar naam draagt de mediocre onderneming: tot haar fonds behoorden meer auteurs zoals Ruyslinck, wier schrijfproducten nauwelijks het predikaat ‘literatuur’ verdienden, maar toch met gezwinde vaart over de toonbank vlogen, vele malen herdrukt want decennialang niet van de lijsten met verplichte lectuur op middelbare scholen weg te schroeien."

De enige schrijver waar hij warme woorden voor over heeft is Herman Teirlinck. En dan stel ik vast dat Brouwers' gezag dermate groot is dat ik prompt de titels noteer waar hij zich waarderend over uitlaat: Maria Speermalie, Rolande met de bles, Het gevecht met de engel en Zelfportret of het galgemaal.

De eerlijkheid doet mij zeggen: vier jaar later blijven elk van deze titels nog steeds ongelezen. Er hangt een grauwe sluier over de namen van Vlaamsche schrijvers, die me keer op keer afschrikt.

Taalfouten, denkfouten, psychologische fouten
Nog meer indruk dan de dreunen die Brouwers verkoopt aan die paar verstofte boegbeelden, maakte zijn portret van een van zijn toenmalige collega's, de eerder genoemde Theo Oegema van der Wal. Dertien jaar (van 1959 tot zijn pensioen in 1972) was deze man redacteur en proeflezer

"van de honderden, honderden manuscripten die per post bij de uitgeverij werden bezorgd, afkomstig van onbekende kriebelaars zowel als van gevestigde Manteau-auteurs. Hij schreef evenzovele rapporten, doorgaans van slechts enkele regels, over de hem onder ogen gekomen literaire probeersels, waarover hij zelden enthousiast was. Hij gevoelde zich persoonlijk bezwaard, zei hij, vanwege de ontelbare hectaren bos die moesten worden gerooid ter vervaardiging van het papier om al die middelmatige verhaaltjes, versjes, ‘maakseltjes’ op te drukken. Zijn respect voor literatuur was te groot, verklaarde hij. Manteau in zijn ogen: een uitgeverijtje van vrijwel louter mediocriteiten."

Door Stoffer en blik leerde ik voor het eerst over de grootschalige taalzuiveringspraktijken die Nederlandse correctoren toepasten op Vlaamse manuscripten. Brouwers schrijft daar ook over in Vlaamse leeuwen (blz. 265 e.v.), maar dat boek heb ik nog niet gelezen.

Het proza van Elsschot schijnt bijvoorbeeld goeddeels te leunen op dat van ene juffrouw Anna Christina van der Tak en Jan Greshoff. Zelf schreef Elsschot "toen hij niet meer op beide correctors kon leunen, een verre van kreukloos Nederlands". Marnix Gijsen werd eveneens verschoond van vlaamsismen door Greshoff, later door Theo Sontrop, toen nog redacteur bij Gijsens uitgeverij Meulenhoff, en nog later door Brouwers zelf.

Ook Oegema was dus zo'n herwerker, die de gruizigheden uit de oorspronkelijke manuscripten diende weg te borstelen.

"In diezelfde periode leek bovendien veel van het bij Manteau verschijnende proza qua woordkeus, zinsbouw, stijl door één en dezelfde auteur te zijn vervaardigd: Vlaamse literatuur in een krakerig keurig Nederlands zondags jasje, aangemeten door Oegema. In vorige levens was hij journalist geweest, alsook hoofdredacteur van de Wetenschappelijke Boekerij van de Wereldbibliotheek. Hij beschikte over wat men noemt ‘een vlotte pen’, hij schreef gemakkelijk, zonder stilistische versiersels, hij was gespeend van taalfantasie. Alles wat geen ‘gangbaar’ Nederlands was wantrouwde hij en bestempelde hij al te apodictisch ‘dus’ als ‘dialect’, meer bepaald ‘Vlaams’, ‘dus’ als ‘foutief’ en ‘corrigeerde’ hij overijverig, ongevoelig voor verantwoorde eigenzinnigheden, woordgrapjes, staande uitdrukkingen die in Vlaanderen mondgemeen zijn maar in Randstad-Holland uitleg behoeven."

Dat onvolkomen Nederlands van de Vlamingen, daar kan ik me zeker iets bij voorstellen. Toch schrok ik van het dédain -- "de Vlamingen kunnen aardig vertellen, maar Nederlands leren ze nooit" tekende Brouwers op uit Oegema's mond -- waarmee een buitenstaander het vanzelfsprekend acht het taaleigen in een bepaald gebied naar zijn hand te zetten. Taal die gemeengoed is binnen andermans grenzen, taal die aldaar gebruikelijk is en algemeen begrepen wordt. Brouwers staat overigens niet onkritisch tegenover deze ingrepen.

"Opmerkelijk, hoe Oegema ervan uitging dat zijn taalkundig gemierenneuk vanzelfsprekend ‘verbeteringen’ zouden zijn. Hij stond er niet bij stil dat zijn schoolmeesterij de ziel, de adem, de eigen zegging en toon in een tekst kan smoren zoals een stevig aangedrukt kussen op iemands gezicht, en dat al die herschrijverij van Vlaamse teksten door Nederlandse redacteuren een verkeerd, leugenachtig beeld van de toenmalige Vlaamse literatuur opriep."

De voorbeelden van Oegema's leesrapporten die Brouwers opsomt indachtig, valt dan weer te betreuren dat de man nooit een bundel kritieken heeft gepubliceerd. Het reservaat van Ward Ruyslinck wordt door hem als volgt opzij gezet:

"Hier wordt dan een banaal geval van een meisje dat zich door de vriend van haar moeder in haar eer -- die ze blijkbaar tussen de benen draagt -- bedreigd gevoelt en troost zoekt bij haar leraar in de letterkunde, buiten alle proporties en met gebruik-, ik meen misbruikmaking van dikke woorden, opgeblazen tot een gebeurtenis en een persoonlijke opvatting van het geweten tot het geweten van de wereld gepromoveerd. Er is hier geen enkele overtuiging in het spel dan die van de eeuwige kankeraar en het gevolg is dat geen enkel personage ook maar uit de verf komt. Het gevolg is ook dat de auteur er maar op los daast, over dingen praat waar hij geen klap van weet -- voogdijschap, rechtspraak, psychotechniek en zelfs het leraarschap -- en daardoor onvergefelijke fouten maakt. Niet alleen taalfouten, maar denkfouten en psychologische fouten. Zelfs indien het geval als een soort persiflage was bedoeld, is het mislukt, want het is van alle ironie verstoken."

Touché.

(Gebaseerd op notities van 1 augustus 2004.)

> Manteau-obit in De Standaard

Jeroen Brouwers, Stoffer en blik : herinneringen aan een periode 1964-1970
237 p.
Uitgeverij Atlas, 2004

____ brouwerskey

maandag 21 april 2008

Troost van het nutteloze - Kurt Van Eeghem

Vlaamse uitgeverijen bezitten geloof ik allemaal een bestandje met namen van mensen die op televisie of radio komen. En van zodra blijkt dat hij of zij een paar goed gevormde zinnen uit zijn bek krijgt én aan hem of haar een welomlijnd, en dus verkoopbaar imago kleeft, zal de uitgever polsen of uit die bekendheid geen boekje valt te puren.

Zanger Johan Verminnen mag over Brussel schrijven, acteur Steph Goossens flanst een dichtbundeltje in elkaar, en radioman Kurt Van Eeghem, die scheidt dit pamfletje af.

Met pamflet wordt hier voor de gelegenheid bedoeld: mooi getypografeerde meningen van een cent.

Dat om Van Eeghem het aura hangt van verfijnd cultuurgenieter, betekent immers niet per se dat hij iets kan toevoegen aan het debat over de zin en onzin van cultuur.

Want wat is dit een makkelijk blunderboekje. Zo wordt de anekdote dat minister van Cultuur Bert Anciaux zo had genoten van 'De nachten' van Gerard Reve nog eens opgerakeld. En er is het komieke verhaal over een andere bestuurder, die gevraagd werd een subsidie te ondertekenen voor een tentoonstelling gewijd aan James Ensor, waarna "men in de gangen van het kabinet" vloekte dat het nu maar eens gedaan moest zijn met het subsidiëren van Engelse schilders.

Meer hout snijdt de vraag van Van Eeghem waarom gezagsdragers met toch enige culturele bagage hun liefhebberijen zelden belangrijk genoeg achten om te vertalen naar concrete politieke doelen. Guy Verhofstadt heeft als premier nauwelijks een poot uitgestoken naar de culturele sector, hoewel hij zich in interviews profileert als veellezer en bij de dood van een bevriend schrijver prompt een in memoriam laat publiceren in de dagbladen. Jean-Luc Dehaene, Bach-liefhebber en occasioneel luchtdirigent in de beslotenheid van zijn huiskamer, hebben we nooit kunnen betrappen op openlijke culturele bevlogenheid in zijn beleidsbeslissingen. Maar waarom dat zo is, daar komt in Troost van het nutteloze geen antwoord op.

Daarna wordt opgemerkt dat de kunstpagina's langzaam verdwijnen uit de kranten, cultuurprogramma's op tv geruisloos verdwijnen en dat men alleen nog oog heeft voor het culturele fait-divers of het mega-event. "Het liefst dan ook nog in de eigen tuin of weide."

Heel terecht allemaal, maar niets wat een zinnig mens niet zelf zou kunnen bedenken.

Dit pamflet volstaat met vaststellen. Somt alleen symptomen op. Raar, ik had van Van Eeghem (die ik niet onsympathiek vind) een surplus verwacht. Over de culturele diversiteit op internet overigens geen woord in dit boekje.

Wie meer wil weten over de veranderde mores in de cultuurjournalistiek, en in het boekbesprekersbedrijf in het bijzonder, die leze de laatste hoofdstukken van Een verhaal dat het leven moet veranderen van Hans Goedkoop.

(Gebaseerd op notities van 25 maart 2007.)

> lees een fragment uit dit boekje op Prins van Denemarken
> de tekst is hier integraal te downloaden [.pdf]

Kurt Van Eeghem, Troost van het nutteloze : kan kunst de wereld redden?
35 p.
Uitgeverij Manteau, 2006

____

Modern dédain - Désanne Van Brederode

Désanne Van Brederode pakt het een tikkeltje beter aan dan Kurt Van Eeghem. Ook zij trekt in haar pamflet ten strijde tegen de minachting waarmee zo langzamerhand wordt gekeken naar de laatste mensen die de diepte opzoeken in kunst, cultuur, politiek en wetenschap.

Modern dédain noemt ze dat. Ze haalt als typevoorbeeld de boer aan, "die op zijn achterste benen staat als een intellectueel hooghartig over hem oordeelt, of alleen al dingen zegt die hij niet meteen begrijpt, mag zelf de godganse dag zijn minachting mag ventileren". Die boer kan ook een schaatser zijn.

"[ik zag op televisie] een aflevering van het programma Villa Felderhof, waarin de schrijver Ronald Giphart en de schaatskampioen Erik Hulzebosch te gast waren. Met belangstelling luisterde de schrijver naar de schaatser. Hij stak zijn bewondering niet onder stoelen of banken en durfde zelfs vragen te stellen over dingen die hij niet begreep, zelfs al kwam dat laatste hem soms op een honende tegenvraag van Hulzenbosch te staan. "Weet je dat niet eens?! Haha, wat ben je toch een stuk onbenul!" Zelf leek Hulzebosch er erg trots op dat hij geen bal van literatuur wist. Hij zei stralend dat hij nooit van Harry Mulisch gehoord had en belde vervolgens met een paar boeren annex kroegvrienden om te bewijzen dat de naam Mulisch hen ook niets zei. "Het is toch allemaal belachelijk gedoe."

Maar wat haar vooral stoort is dat zij op haar cultuurpagina's in de krant, waar ze geestverwanten denkt te vinden, stilaan óók wordt aangesproken in een soort kleutertaal, in een poging om zieltjes te winnen voor de kunst met de grote K. Media en educatieve instellingen zeggen kunst en cultuur te propageren, maar doen dit op een manier "die volledig aansluit bij de vooroordelen van de verzadigde massa".

Kijk maar, denk ik er dan zelf bij, naar de top-10-cultuur en een uitloper daarvan: de readers digest-achtige acties van zelfverklaarde kwaliteitskranten. Mensen laten sparen voor de stoutste erotische romans, portfolio's van Vlaanderens tien beste fotografen, allerlei losbladige naslagwerken, een dozijn poëziebundels op recyclagepapier. Inspelend op elementair snobisme, want altijd gevestigde namen, altijd spelen op veilig. Terwijl veel van die titels soms voor dezelfde somma of minder (er moet immers altijd iets bijbetaald worden) bij De Slegte liggen. Waar geen hond ze koopt.

Kruim dat de mensen vermoedelijk ook niet lusten. Ik ken nogal wat gezinnen bij wie die boekjes op de schouw staan, meest ongelezen. We lezen geen boeken meer, we lezen interviews met de schrijvers van boeken. We zijn niet benieuwd naar boeken, we zijn benieuwd naar de mensen achter de boeken.

Terug naar Modern dédain. Het probleem is niet een culturele elite die zich protectionistisch gedraagt, zegt Van Brederode, er heerst gewoon algemene onverschilligheid bij opvoeders, media en culturele instellingen. De elite toont geen zelfrespect, schaamt zich om haar specialistische kennis en verlaagt zich daarom tot het soort eenheidsworst dat je overal vindt. En waarom, roept Van Brederode uit. Wat is de zin van die democratiserende reflex?

"Volkskrantlezers zijn geen lid van het CJP en CJP-leden lezen geen krant, never the twain shall meet."

Een zelfbewuste elite scheppen, de vraag is hoe zich dat vertaalt in het onderwijs. Moeten daar geen correcties gebeuren? Is het deugdelijk leerlingen te stimuleren zich eenzijdig toe te leggen op een bepaald vak?

"Geef het meisje dat het liefst dag en nacht wiskundige vraagstukken oplost een viool, en de jongen die niet kan stoppen met het stellen van kritische filosofische vragen een gereedschapskist en een stapel hout, zie er vervolgens op toe dat ze intensief met hun cadeau aan de slag gaan en jawel: langzaam maar zeker zullen ze de grote voorsprong op hun klasgenoten verliezen. In het gunstigste geval sneuvelt onderweg zelfs hun eenzijdige cognitieve belangstelling.
De gedachte achter deze therapeutische benadering is door en door democratisch van aard. Het kind moet ervan doordrongen raken dat verstandelijke vermogens niet méér waard zijn dan praktische en sociale; dat het ‘goed is met zijn hoofd’, betekent niet automatisch dat het in alles goed is. Want kijk maar, zodra het kind moet knutselen, musiceren, korfballen of in teamverband een opdracht moet vervullen, een toneelstukje moet improviseren, ontmoet het weerstanden die door hem nu misschien als frustrerend worden ervaren, waar andere kinderen ze als spannende uitdaging opvatten.
Ik ben geen tegenstander van het stimuleren van een harmonieuze ontwikkeling van hoofd, hart en handen -- om de simpele reden dat ik geloof dat een monocultuur waarin het verstand alle aandacht krijgt ten koste van de andere gebieden, op den duur kopvoeters baart die niet meer in staat zijn abstracte theorieën voor een levende, beweeglijke wereld vruchtbaar te maken. Dat er na de adolescentenjaren gekozen wordt voor één discipline, één specialisme dat met alle inzet wordt uitgediept is alleen maar toe te juichen, maar ik denk wel dat het schoolgaande kind gebaat is bij het aankweken van een sociale houding, van de opmerkzaamheid die nodig is om de leden van een heterogene groep ieder als uniek individu waar te nemen. Praktijklessen leggen een fundament onder wat anders vrij zwevende weetjes blijven. Bovendien ontstaat er door, ik noem nu maar wat, het zelf metselen van een muurtje, het minutieus schaven aan een zwaluwstaarverbinding of het kweken van groenten in een eigen schooltuin, een grotere eerbied voor ambachtsmensen die hun kennis al doende hebben opgeslaan en geperfectioneerd."


Maar omgekeerd, zegt Van Brederode, en dat is juist opnieuw dat modern dédain, omgekeerd krijgen handige leerlingen geen aparte behandeling om hen leergieriger te maken. Hoewel daar toch een enorm potentieel zou moeten zitten. Het blijft immers curieus dat

"dezelfde ‘boer’ die zich zogenaamd niet kan verdiepen in kunst, cultuur, politiek en wetenschap, wél uit de voeten kan met de nieuwste snufjes op technologisch gebied."

Soit, ik kan waarschijnlijk niet verhullen dat het debat mij niet bijster interesseert. Sinds het begin der tijden verhouden eigenzinnige mensen en meelopers, kritische geesten en naäpers zich volgens dezelfde percentages tot elkaar, denk ik dan, lui en berustend. De uitwendige maatschappelijke trends doen er niet zoveel toe. Misschien dat de schemerzone tussen beide groepen hoogstens wat toeneemt door de verschijnselen die Van Brederode opnoemt.

Eigenlijk las ik Modern dédain bij wijze van korte kennismaking met de schrijfster. Om te kijken of ik in de toekomst nog tijd in haar zal investeren. Het is tegenwoordig bon ton om te beweren dat jonge Vlaamse auteurs meer boeken schrijven die ertoe doen dan Nederlandse schrijvers. Dat gelezen hebbende, zat ik altijd met verbazing te kijken naar de kloeke romans die filosofe Désanne Van Brederode het licht liet zien. Vuistdikke boeken over grote thema's, die hebben we toch niet in Vlaanderen. Zouden die de moeite lonen?

Na de lectuur van Modern dédain blijf ik twijfelen. De weke vorm van dit pamflet irriteerde me zeer -- de ondoorzichtige mix van argument, mening en vooroordeel -- maar bij het meeste wat hier geschreven stond zat ik toch lauw te knikken.

(Gebaseerd op notities van 30 januari 2007.)

> lees een fragment uit dit boekje op Prins van Denemarken

Désanne Van Brederode, Modern dédain
47 p.
Uitgeverij Querido, 2006

____

zondag 20 april 2008

Lorelei

Door omstandigheden deze week terug moeten denken aan de interplanetaire ruispop van de Cocteau Twins.

Eeuwige favoriet blijft 'Lorelei'. Schotse elfenstemmetjes in een poel van distortion. Op de goorst geproducete drumcomputer aller tijden.

Het bewijs dat artiesten gewoon moeten doen waar ze zin in hebben. Negen op de tien keer kan je niets aanvangen met hun stokpaardjes. De tiende keer snijdt het heel diep naar binnen.

Blijf hangen voor de omslag ergens in het midden, wanneer de mantra van Elizabeth Fraser ("without a doubt" x 15) pas echt begint.

Het gaat om de muziek, niet om de huisvlijt van de YouTube-enthousiasteling van dienst. Een officiële video is er niet. De geluidskwaliteit op plaat is trouwens niet eens zo gek veel beter.

[ beeld + geluid; duur: 3'43'' ]



Ik denk dat de sirenen 'Lorelei' zongen, toen ze het hoofd van Odysseus op hol moesten brengen.

____

Karl August Varnhagen von Ense

"Karl August Varnhagen von Ense (1785 - 1858) was a German biographer. (...) Among his principal works are: Goethe in den Zeugnissen der Mitlebenden (1824). (...) His Denkwürdigkeiten und vermischte Schriften appeared in 9 volumes in 1843-59, the two last volumes appearing after his death. His niece, Ludmilla Assing, between 1860 and 1867, edited several volumes of his correspondence with eminent men, and his Tagebücher (14 vols., 1861-70). Blätter aus der preussischen Geschichte appeared in 5 vols. (1868-69); his correspondence with Rahel in 6 vols. (1874-75); and with Carlyle (1892)."

Jules Champfleury

"Jules François Félix Husson, dit Fleury, dit Champfleury, est un écrivain français (1821-1889). (...) Journaliste, critique d'art, dramaturge, nouvelliste et romancier, il se lie d'amitié avec Victor Hugo et Gustave Flaubert, tout en s'attirant l'hostilité des frères Goncourt, dont il stigmatise le "maniérisme". Soucieux de se venger de ses attaques, les Goncourt lui reprochent alors une orthographe approximative et un "manque de style". Ils iront jusqu'à le caricaturer dans leur roman Charles Demailly, consacré aux milieux intellectuels de leur temps."

zaterdag 19 april 2008

Denkmal isbn 9080842419 - Jan De Cock

Ik heb niet het eeuwige leven, en daarom schiet het op de voet volgen van de hedendaagse Belgische kunst er een beetje bij in. Hier en daar blijf ik natuurlijk wel de signalen opvangen waarmee de media mij bestoken.

Daarbij valt me op dat zo'n Jan De Cock ineens in allerlei tv-programma's mag opdraven zodra de man in de Tate Modern of het MoMa exposeert, maar dat mij nooit goed uitgelegd wordt waarom juist hij die eer te beurt valt.

Want sowieso wantrouw ik het acquisitiebeleid van moderne musea, omdat modetrends, lobbywerk en financiële overwegingen daarin ongemeen krachtig meespelen.

Dan gaat zo'n verslaggever dus in het MoMa kijken en komt vervolgens terug met een paar schimmige beelden van houten kubussen in een museumzaal, en een paar fotokaders aan de muur. Ondertiteld met een paar cliché's uit het kunstjargon. Een mens wordt er niet wijzer van.

Ook toen ik enkele maanden geleden een verslag in Knack las over Denkmal 11, de expo in het MoMa [zie afbeelding hieronder], wist ik nog altijd nauwelijks waar De Cock mee bezig was.

En zo maakten een vriend (een figuratief kunstenaar) en ik op café graag het volgende grapje.
1. Jan De Cock heeft niet door dat hij een middelmatig kunstenaar is.
2. In Amerika hebben ze niet door dat Jan De Cock een middelmatig kunstenaar is.
3. In België hebben ze niet door dat ze in Amerika niet doorhebben dat Jan De Cock een middelmatig kunstenaar is.

Enfin, daarom dus bracht ik deze namiddag door met het doorbladeren van Denkmal isbn 9080842419, een kloeke tweedelige catalogus die een indruk geeft van 's mans universum. Om te kijken of die vooroordelen terecht waren.

Een derde van het boek bestaat uit collages van afbeeldingen die, naar ik veronderstel, staan voor alles wat Jan De Cock inspireert. Een ongelooflijke hutspot: er zitten covers bij van boeken van filmtheoretici, plaatjes van Italiaanse actrices, werk van uiteenlopende kunstenaars als Marcel Broodthaers, Jean Prouvé, Vanessa Beecroft en Dan Graham, en vooral: veel foto's van modernistische architectuur. Het geheel heeft iets weg van het staalboek van een interieurwinkel. De meeste plaatjes zijn amper een duimnagel groot, wat niet tot kijken uitnodigt. Bovendien is het onbegonnen werk te zoeken naar de herkomst van de afbeeldingen, daar de nummering opzettelijk door elkaar is gehaspeld. Een tombola van referenties.

Het tweede luik toont een beeldverslag van De Cocks project Collateral damage. Museumzalen worden overwoekerd door constellaties van spaan- en vezelplaat. Kubussen, lege kastjes, eilandjes van parket (of linoleum met houtprint), halfopengewerkte kamers met hout bekleed. Mooi, maar vooral effectief als je er tijdens een museumbezoek mee wordt geconfronteerd, denk ik. Niet als foto's.



Het meest waardevolle vond ik achteraan dit boek. Panoramische zwart/wit-foto's die De Cock nam, onder meer in Moskou. Het deed me zin krijgen zelf met de groothoeklens aan het werk te gaan. Omdat de toeschouwer nooit een goed overzicht kan krijgen bij de eerste oogopslag, kan je er uitstekend verhalen mee vertellen met een kop en een staart. Op voorwaarde dat de toeschouwer de foto's van links naar rechts aftast. Wanneer je je beeld dan nog eens doormidden klieft door het smalle zijaanzicht van een muur in te lassen, met links en rechts zicht op een andere kamer, ontstaat zowaar een stripverhaal.

Zonevreemd
De catalogus wordt doorsneden door vier essays die een en ander moeten verduidelijken, maar dat doen op een manier alsof ze het niet hebben over de kunst die in het boek zelf wordt gepresenteerd. Hoogstaande theorieën worden ontvouwd, die nauwelijks beschutting bieden voor een individuele ervaring. Gigantische theoretische koepels zijn het, die geen contact meer maken met de mensjes helemaal beneden op de grond.

Er wordt bijvoorbeeld ellendig lang stilgestaan bij die typisch narcistische reflex van de kunstwereld: het geëmmer over de geschikte tentoonstellingsvoorwaarden voor kunstobjecten. Het zal natuurlijk wel dat "de context de perceptie van de toeschouwer conditioneert" maar dat lijkt me nu ook weer niet zo'n levensbelangrijk probleem. Niet in een museum, tenminste.

"Sinds het eind van de jaren zestig ontwikkelt men in musea de meest uiteenlopende begrippen van ruimte om de institutionele geconditioneerdheid van de museale ruimte te loochenen. Dit leidt echter tot een moedwillige verduistering van het wezen van de kunst, met name haar institutionele gegrepenheid en de daaruit voortvloeiende verdingelijking."

Zucht. Kijk, van een museum verwacht ik vooral een dak boven mijn hoofd. Ik geloof geen snars van het verhaal als zou de beschouwing van museumkunst erg aanzetten tot "kritische reflectie". Daarvoor lopen de meeste mensen gewoon te snel door een expositie, op zoek naar dingen die hen aantrekken. Geen museumgebouw die daar iets ten gronde aan kan veranderen.

Neen, de meest diepzinnige gedachten krijg ik thuis, in een comfortabele sofa, onder de douche, of op onbewaakte ogenblikken. Niet in een museum, waar ik toch vooral veel rendement wil halen uit mijn dure toegangskaartje. Ben ik al eens in de mood voor een paradigm shift, dan reciteer ik een gedicht of lees ik een boek over hoe de media ons sturen of een dik geschiedeniswerk. Dat zijn de dingen die mijn visie kunnen bepalen. Dat zijn ook dingen die ik kan doen op mijn eigen tempo, zonder het gevoel te hebben, zoals in bepaalde musea, met een kluitje in het riet doorheen een existentieel pretpark te worden gestuurd.

Het jammere is dat zowat de hele kunst van Jan De Cock op dit schijnprobleem is toegespitst: de functie van musea en tentoonstellingen, de kwestie hoe de architectuur zich moet verhouden tot het tentoongestelde of er juist deel moet van uitmaken (zodat de toeschouwer zich in een "zonevreemd" gebied voortbeweegt), de vraag hoeveel afstand er in acht genomen moet worden tussen kunst en kunstliefhebber.

Ik vond er niets aan. Want nog erger dan schildersgezwets is: architectengewauwel. Het scherpt mijn wantrouwen aan jegens critici en kunstenaars die allemaal met dezelfde levensgrote concepten bezig lijken te zijn, en daar breedsprakerige essays over schrijven, maar in die geschriften nooit schijnen te willen afdalen tot op het niveau van de afzonderlijke objecten of prestaties van hun hand, om daar controleerbare dingen over te zeggen.

Dit boek staat vol met honderden foto's waar ik meer had over willen vernemen, maar mij worden slechts een paar heel basale kunstkwesties aangereikt. Jan De Cock maakt kunst met een handleiding, maar de handleiding ontbreekt.

De boeienste tekst kwam nog van Marc De Kesel, die analyseert welke wereldbeelden de kunst hebben beheerst sinds de Renaissance. Aan de hand van Giotto legt hij uit waar begrippen als 'presentatie', 'icoon', 'incarnatie' en 'representatie' voor staan, en welke rol de uitvinding van het geometrisch perspectief daarin heeft gespeeld.

Maar op het einde van de rit blijkt dat kunsthistorisch exposé toch weer een te grote stolp om zinnige -- en dus preciese dingen -- te zeggen over de obsessies van De Cock. Laat staan dat de geïnteresseerde een instrumentarium wordt overhandigd om zelf te bepalen of De Cock in zijn opzet slaagt.

> http://nl.wikipedia.org/wiki/Jan_De_Cock
> Jan De Cock in Galerie Fons Welters
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

Jan De Cock, Denkmal isbn 9080842419
cassette met twee boeken (zonder paginering)
Atelier Jan De Cock, 2004

____

vrijdag 18 april 2008

Tussen gratie en gruwel - Gaston van Camp

Hoewel niet spectaculair goed is Tussen gratie en gruwel een noodzakelijk boek voor iedereen die op zoek is naar een veelkantiger beeld van Iran dan wat de massamedia hem doorgaans voorschotelen -- de conférences van meneer Ahmadinejad of beelden van een eenparig voorovergebogen Teheran tijdens het vrijdaggebed.

Twee problemen met de meeste verslaggeving zijn (1) dat ze nogal gericht is op grote politieke figuren, wier problemen weinig te maken hebben met die van de gewone burger, en (2) dat er stilzwijgend wordt vanuit gegaan dat de situatie in een hoofdstad representatief voor de rest van een land. Hetgeen ze bijna per definitie niet is.

Gaston van Camp nu bezoekt onderling verschillende gebieden in Iran en praat alleen maar met de burgerbevolking. Dat scheelt een slok op een borrel. Zelfs een lange televisiereportage van een Rudi Vranckx zal het niet halen van zijn uitgebalanceerde reisverslag.

"Er zijn honderden Irans -- als haastige toerist reis ik door een van die honderden, en zelfs dan weet ik niet altijd met zekerheid wat ik waarneem."

Neem alleen al het noordwesten van Iran, het gebied aan de Kaspische zee. Door zijn turbulente geschiedenis is de bevolking daar met een veel minder sterke nationaliteit opgezadeld dan de rest van het land. Iran moet de Kaspische zee delen met Azerbeidzjan, Turkmenistan en Kazachstan.

"Wat in het collectief geheugen van het Perzische volk opgeslagen zit is onverwoestbaar. Ooit was Perzië een wereldmacht. We dreven handel met China. We bedreigden het machtige Athene van Perikles. We vochten tegen Rome. We overleefden de sjah. Nu moeten we de moeilijke grensgebieden met etnische minderheden vreedzaam integreren, de Azerbeidzjanen en de Koerden."

noteert Van Camp uit de mond van Iraniër.

Van Camp schetst een land dat getroffen is door een economische boycot, hevig geleden heeft onder de oorlog met Irak en vooral: bol staat van de paradoxen. De fiere, gemaquilleerde vrouw mét de sluier. Brede, rechte lanen met een krankzinnig verkeer, afgeboord met rijen fantasieloze vuilgele baksteengebouwen in de grootstad én nauwe, middeleeuwse steegjes van onooglijke dorpjes in de woestijn. De hoge graad van geletterheid, onderhuidse bewegingen die ijveren voor vrouwenrechten en het florerend internet, maar óók gruwelijke terechtstellingen (liefst publiekelijk) en een sharia die haaks staat op democratie, mensenrechten en scheiding van kerk en staat.

De auteur heeft van meet af aan oog voor de complexiteit van Iran. De sterke beginpagina's van Tussen en gratie en gruwel vallen op door een behoedzaamheid die je meteen inneemt voor Van Camp.

"Dit is een van de vervelendste aspecten van het begin van een reis: de dynamiek van de reis aanvoelen, ontdekken wat kan en mag en moet. Het vraagt tijd en soms leergeld om in de reis te komen, om te wennen aan de sfeer van een land, om aan te voelen wanneer je bedrogen wordt en wanneer je het reizigerswantrouwen opzij mag schuiven."

Zijn terughoudendheid betreft vooral de aard van de religiositeit in Iran. Hij tast de mensen en het straatbeeld af met zijn ogen, maar behoedt zich voor snelle conclusies.

"De tweede helft van december hangt de straat waar ik woon vol lichtjes in de vorm van dennenbomen, springende hertjes, kerstfiguren. Het strookt niet met mijn schoonheidscanon en toch speel ik elke december het spelletje mee. Wat zou ik ervan denken, mocht een bezoekende Iraniër mijn godsdienstzin beoordelen op basis van een gloeilampenhertje in de voortuin van mijn buurman?"

Baardmannen
Tussen gratie en gruwel bevat een paar landschapsbeschrijvingen. Omdat "contact met karaktervolle landschappen" een van de bedoelingen is van zijn reizen, kan Van Camp immers zijn hart ophalen in Iran. Hij kan de monotomie en monochromie van het landschap wel lijden.

"Urenlang rijden we door landschappen die voor sommigen, eentonigen, kleurloos, zeg maar hopeloos saai zijn. Niet voor mij. Ik vind ze boeiend, vol afwisseling, rijk aan schitterende vergezichten en subtiele kleurnuances."

Toch wordt het een stuk interessanter voor de lezer als Van Camp gesprekken aanknoopt; met een bazaari die hem een authentiek nomadentapijt wil aansmeren (te herkenen aan abrash, het opzettelijke kleurverloop van het handgeknoopt tapijt dat het uniek en levendig maakt), met de stadsgids, of met een toevallige passant op straat.

Heel treffend is de openlijke kritiek die algemeen gegeven wordt op het regime van Khatami (1997-2005) en de ayatollahs. De geestelijke klasse is vervreemd van het volk, klinkt het overal.

"Het zijn mannen van de koran. Wat weten ze van wereldpolitiek, van economie?"

"Ze hebben geen economisch programma, maar denken alleen aan bidden en zelfverrijking. De economische impulsen moeten van de middenklasse komen."

Er wordt dan ook met een zeker heimwee aan Khomeini teruggedacht, omdat de ayatollahs die na hem kwamen zijn kaliber niet hebben. De woorden 'geldwolven' en 'machtswellustelingen' vallen. Overal waar iemand het woord neemt en kritiek uit op de 'baardmannen', knikken de omstanders.

"De ayatollahs hebben van Iran een paria gemaakt, zelfs in de Arabische landen."



Behoorlijk nieuw voor mij was de informatie dat een groot deel van de economische macht in het land in handen is van rijke godsdienstige genootschappen die zich met hand en tand verzetten tegen elke hervorming of privatisering. Wanneer Van Camp het Schrijn van Emam Reza bezoekt [foto] blijkt de stichting die het Schrijn beheert een van de rijkste van de stad.

"Ze beschikt over ziekenhuizen, apotheken, scholen, bibliotheken, woonwijken voor armen, moskees. (…) De stichting krijgt van de overheid alle mogelijke faveurtjes toegespeeld. De laatste jaren bouwt ze haar macht vooral economisch uit."

Emam Reza (8e-9e eeuw) is een van de belangrijkste sjiitische martelaren, de enige imam die in Iran begraven lig. Zijn heiligdom is het meest bezochte bedevaartsoord van Iran, zeker nu de heilige plaatsen in Irak onbereisbaar zijn. (Sjiieten erkennen geen bemiddelaar tussen god en mens, ze geven niet veel om heiligen, des te belangrijker vinden ze martelaren en martelarenschap.)

En wat met de moderniteit in Iran, dat toch niet van westerse invloeden verstoken blijft? Schizofrenie tekent de ziel van veel moderne Iraniërs: in het openbare leven worden de strikte godsdienstige regels nageleefd, privé wordt veel westers vertier naar binnen gesmokkeld. Met smeergeld is veel mogelijk.

In een praatje met een moeder en dochter wordt duidelijk dat de beweging om vrouwen meer rechten te geven in Iran onlosmakelijk verbonden is met het terugdringen van de invloed van de islam en de geestelijken. Vrouwen hebben het verre van makkelijk. Gehuwde vrouwen met een baan buitenshuis draaien dubbel op, want ze moeten er ook nog het hele huishouden bijdoen.

Ijsvogelveren
Levendige couleur locale wisselt Van Camp af met stukken over deelaspecten uit de Iraanse geschiedenis. Het informatieve gehalte varieerde voor mij. Wanneer hij het immers heeft over de Islamitische Revolutie voelde ik de oppervlakkigheid van zijn woorden na in vergelijking met wat staat in De Perzische paradox van Shervin Nekuee. Maar het is bijvoorbeeld wel goed, wanneer Van Camp Yazd bezoekt, het centrum van de zoroastristen (aanhangers van Zarathoestra), nog eens herinnerd te worden aan het feit dat deze godsdienst liefst dertien eeuwen het religieuze leven in Perzië en in grote delen van Centraal-Azië domineerde.

En over de assassijnen (waar inderdaad het Franse 'assassin' van afgeleid is) wist ik voorheen bijna niets.

"Tijdens de tweede helft van de elfde eeuw, hun bloeiperiode, ondernamen ze van hieruit [Tabas, Avdb] hun gevreesde rooftochten. Een curieuze sekte, die assassijnen. Ze scheiden zich af van de sjiieten, zelf een zijtak van de islam. Ketters binnen een ketterij dus. In feite waren ze een gevreesde terreurgroep. Meedogenloos voerden ze guerilla-aanvallen uit op de kruisvaarders, ze bevochten islamitische machthebbers en pleegden een reeks politieke moorden op heersers en koningen. Ze opereerden vooral vanuit de bergachtige, moeilijk toegankelijke streken tussen Syrië en het noordoosten van Perzië."

"Hun schrikbewind was van korte duur. Ze werden door de klein zoon van Djengiz Khan, Hulagu Khan, in 1256 politiek van de kaart geveegd. Maar Perzië kwam daarmee van de regen in de drup. De Mongolen lieten een spoor van bloed en vernieling achter. Ze plunderden, brandden, verkrachtten. De dertiende eeuw moet een van de gruwelijkste uit de toch al gruwelijke geschiedenis van Perzië geweest zijn."

Voor de rest is Tussen gratie en gruwel natuurlijk een klassiek opgebouwd reisverhaal, met goed geschreven impressies over bekende en minder bekende trekpleisters. Dat het "ontiegelijk grote" Teheran er nogal bekaaid vanaf komt, helemaal achteraan het boek, mag niet te verwonderen. Er is verbazend weinig interessants te zien, vooral omdat er niet veel geschiedenis aan de stad kleeft. Pas tweehonderd jaar geleden werd ze hoofdstad. Dan liever Shiraz, een welwarende provinciehoofdplaats, een van de mooiste en rijkste steden van de islamwereld en meerdere keren hoofdstad van Perzië.

Vermeldenswaard verder zijn Masshad...

"Een grote, rijke pelgrimsstad op de oude zijderoute -- op een van de zijderoutes want afhankelijk van de geopolitieke spelletjes ontstonden op de zijdeweg kruisingen, omwegen, vertakkingen. Ten tijde van de zijdetransporten was Masshad een handelsknooppunt waar karavanen uit het Midden-Oosten, India, Afghanistan, de binnenlanden van Azië elkaar ontmoetten. Eeuwenlang reisden door deze verschroeiende verlatenheid karavanen van oase naar oase. Ze hadden exclusieve producten bij zich voor een rijke clientèle: ivoor, parels, schildpadschilden, struisvogels, ijsvogelveren, kaurisschelpen, kruiden, thee, wierook. En uiteraard het lievelingstextiel dat de beter gesitueerde Romein in de eerste eeuw voor Christus had leren waarderen, Chinese zijde. Zijde gold als extrachic in een Rome waar alle rijkdommen van de veroverde wereld samenstroomden. Zijde was ragfijn en viel soepel over het lichaam."

... en de gewezen praalstad Persepolis, nu een indrukwekkende archeologische site. Opmerkelijk aan Persepolis is dat alle ambachtslieden voor hun werk betaald werden, aangezien in de zesde eeuw voor Christus de slavernij verboden was door de Perzische koningen. De beste vaklui kwamen aldus uit het hele rijk op dat aanlokkelijk aanbod af. Van Camp legt uit dat die Perzische kunstenaars niet in een cultureel vacuüm leefden, maar hun klassieken kenden: de Griekse en de hellenistische beelden, de Byzantijnse mozaïeken, de beelden uit Centraal-Azië.

Grappig was het, om wanneer Van Camp het zoveelste heiligdom bezoekt -- en bijna ten ondergaat aan de chaos van lijnen, vormen, kleuren en de door een fel licht beschenen minaretten, koepels, arcaden en gekleurde tegels -- zijn gedachten af te zetten tegen die van Mario Praz in diens boek over de Spaanse romantiek. In de islamitische kunst is het ornament de hoofdstroom, hetgeen door Praz fel wordt veracht. Van Camp vindt de versierlust en zondagsvlijt ook bedenkelijk, maar ziet in die voorliefde vooral een compenserende reactie op de kale, monochrome landschappen waarin de Moren leven. Idem dito voor het tuinmotief.

"In de islamitische kunst, en zeker in de Perzische, is de tuin altijd een constant thema geweest. Begrijpelijk in een land waar het landschap overwegend dor en kleurloos is en waar het groen, voor zover al aanwezig, eerder naar de schrale kant neigt. (…) Er is meer. Een tuin heeft in het van religie en mystiek doordrenkte Iran meestal een religieuze connotatie: de tuin als aards spiegelbeeld van het hemelse paradijs."

Door Van Camp bezocht, in order of appearance:
(klik hier voor een goede kaart)

> http://en.wikipedia.org/wiki/Rasht
> http://en.wikipedia.org/wiki/Bandar-e_Anzali
> http://en.wikipedia.org/wiki/Alborz
> http://en.wikipedia.org/wiki/Masouleh
> http://en.wikipedia.org/wiki/Fuman_County
> http://en.wikipedia.org/wiki/Dasht-e_Kavir
> http://en.wikipedia.org/wiki/Mashhad
> http://en.wikipedia.org/wiki/Tabas
> http://en.wikipedia.org/wiki/Yazd
> http://en.wikipedia.org/wiki/Kerman
> http://en.wikipedia.org/wiki/Bam,_Iran
> http://en.wikipedia.org/wiki/Shiraz
> http://en.wikipedia.org/wiki/Isfahan_(city)
> http://en.wikipedia.org/wiki/Persepolis
> http://en.wikipedia.org/wiki/Teheran

Algemene links:

> http://en.wikipedia.org/wiki/Category:Cities_in_Iran
> http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_Iran-related_topics
> http://en.wikipedia.org/wiki/Politics_of_Iran
> http://en.wikipedia.org/wiki/Iranian_architecture
> http://en.wikipedia.org/wiki/Mohammad_Khatami
> http://en.wikipedia.org/wiki/Imam_Reza
> http://en.wikipedia.org/wiki/Hashshashin

> meer boeken over Iran op iranvisitor.com

Gaston van Camp, Tussen gratie en gruwel : een Iran-reis
255 p.
Uitgeverij Atlas, 2002

____ persiakey

Related Posts with Thumbnails