maandag 31 maart 2008
Het andere Parijs - Krista Bracke
In het inmiddels opgedoekte programma Brood & spelen op Radio 1 lanceerde redactrice Krista Bracke in 2004 een oproep aan de luisteraars om originele tips voor een bezoek aan Parijs voor te stellen.
Dat 'origineel' valt mijns inziens nogal mee. De enige echte verrassing stak in het feit dat Parijs in dit boekje als wandelstad wordt gepresenteerd.
Te voet is Parijs namelijk best te doorkruisen. In minder dan twee uur kan je van noord naar zuid wandelen (9,5 km), ietsje langer duurt het om van oost naar west te gaan (18 km).
Plaats zat voor de stevige stapper. Iedereen zal wel de Jardin de Luxembourg kennen, het Bois de Boulogne, of de tuinen van Versailles. In Het andere Parijs staan nog drie andere wandeltips.
1. De Cité internationale universitaire de Paris (CIUP) is een ruim bemeten campuscomplex in het veertiende arrondissement waar buitenlandse studenten die een korte tijd in Parijs verblijven onderdak kunnen krijgen. De cité is een groot park, met daarop 38 gebouwen. Elk gebouw is door een ander land gebouwd.
2. Het Parc André Citroën in het vijftiende arrondissement is een oude industriële site die volledig tot groenzone is omgevormd. De Citroënfabrieken zijn in de jaren zeventig in onbruik geraakt. De gronden zijn vervolgens aangelegd als een futuristisch park van 14 hectare waar begroeiing, steen, glas en water tot één geheel samenkomen.
3. Les Buttes Chaumont, in het negentiende arrondissement, worden in dit boekje tot mooiste park van Parijs uitgeroepen. Napoléon III liet het park realiseren door Haussmann. Het kent veel hoogteverschillen en fraaie uitzichten over de stad.
Andere bezienswaardigheden die de gebruikelijke trias Eiffeltoren-Louvre-Montmartre overstijgen:
4. Musée Carnavalet: het museum van de geschiedenis van de stad Parijs.
5. De kunstencentra op de linkeroever in het dertiende arrondissement: Les frigos en Les voutes.
6. Een tocht langs de nulmeridiaan. Philip Freriks schreef er een boekje over.
7. Twee restaurants: Dans le noir, waar men in het volstrekte donker eet; en het wondermooie Le train bleu, voor de kapitaalkrachtige hongerlijder.
8. Twee jaar geleden was dit boekje de aanleiding om eindelijk eens in de Parijse catacomben af te dalen. De enige tip die ik uit eigen ervaring kan aanbevelen. Maar dan ook van harte.
"Die catacomben zijn uitgegraven in de vroegere steengroeven van Montparnasse, Montrouge en Montsouris, in het zuiden van Parijs. De verlaten kalksteengroeven bleken de ideale oplossing voor de overbevolking op de kerkhoven van de stad. Het was eind 18de eeuw, er woonden meer en meer mensen in Parijs en allemaal wilden ze zo dicht mogelijk bij hun kerk begraven worden, want hoe dichter bij de kerk, hoe dichter bij de hemel, dachten ze. De rijken kregen een apart graf, goed afgegrendeld met een zware steen, maar het plebs werd gewoon in een gemeenschappelijke put gedumpt. Was de put vol, dan groeven ze een nieuwe. Maar de stank werd ondraaglijker en op een bepaald moment barste een van die putten open: de buurtbewoners kregen nauwelijks nog frisse lucht. Dat was in de rue de la Lingerie, vlakbij het kerkhof van Les Innocents, niet ver van de Hallen van Parijs.
Het stadsbestuur moest ingrijpen en besloot de lijken en masse naar de steengroeven in het zuiden van Parijs te transporteren. Elke avond, vijftien maanden lang, trok ’s nachts een stoet karren vol gewassen knekels en schedels door de straten van Parijs, schaars verlicht door fakkeldragers, waardig begeleid door priesters die zongen voor de doden tot alles uitgeladen werd in de steengroeven."
"De catacomben en ondergrondse galerijen werken nogal op de verbeelding van sommigen. In de jaren 1970 ontstond er een groepering, “les cataphiles”, de catacombenfreaks: jongeren die er een sport van maken de ondergrondse galerijen steeds dieper en verder te doorzoeken of er bijeen te komen en een feestje te bouwen. Er zouden er zoveel zijn dat de politie van Parijs nu een speciale brigade heeft opgericht om ze op te sporen."
(Gebaseerd op notities van 4 mei 2006.)
Algemeen
> http://www.paris.fr/
> http://www.photosparis.com/
> http://www.parisvelosympa.com/
> http://www.parisbalades.com/
> http://www.paris1900.lartnouveau.com/
Geschiedenis
> http://www.carnavalet.paris.fr/
> http://www.catacombes.info/
Restaurants
> http://www.danslenoir.fr/
> http://www.le-train-bleu.com/
Nulmerediaan
> www.kunstgeografie.nl/dibbets.htm
Boeken
> http://www.shakespeareco.org/
> http://www.editions-harmattan.fr/
Kunst & cultuur
> http://www.lesfrigos.com/
> http://www.lesvoutes.org/
> http://www.cite-musique.fr/
> Square Tino Rossi
Wandelen
> http://www.promenade-plantee.org/
> http://www.ciup.fr/
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Parc_des_Buttes-Chaumont
> Parc André Citroën
> http://www.infiltration.org/ ("going places you're not supposed to go")
Geanimeerde gidsbeurten
> www.parisbalades.com/visites/annuaire.htm
Krista Bracke, Het andere Parijs
157 p.
Uitgeverij EPO, 2006
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
13:41
0
reactie(s)
zondag 30 maart 2008
Snopes
In zijn boek Aantekeningen uit een groot land (1998) meent Bill Bryson volgende quote van Mariah Carey aan te halen, ietwat suggererend dat die de geestelijke horizon van de gemiddelde Amerikaanse celebrity blootlegt:
Whenever I watch TV and see those poor starving kids all over the world, I can't help but cry. I mean I'd love to be skinny like that, but not with all those flies and death and stuff.In feite is dit een van de ergste kwakkels die de showbizzkolommen van menig krant vulden, eind jaren negentig. Carey heeft nooit iets in die zin gezegd. Lees er alles over bij Snopes, een uitstekende website die stadslegendes en andere geruchten onderzoekt op accuratesse. De meeste artikels daar zijn een wonder van uitgebalanceerdheid.
Jammer alleen dat het lezen van Snopes doorgaans zo'n vreugdeloze bezigheid is. Dat Paul Pfeiffer, het nerdige vriendje van Kevin Arnold uit The Wonder Years, achter shockrocker Marilyn Manson zou steken, is een prachtig verhaal. False, eilaas.
> http://www.snopes.com/
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
17:02
0
reactie(s)
rubrieken conjunctiones, media, mens sana
Vintage girls

> http://www.vintagegirlwatchers.com/
This site exists to celebrate and preserve books and magazines about girlwatching and girl-photography from the fifties and sixties.
____ fotokey
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
17:00
0
reactie(s)
rubrieken conjunctiones, eros
zaterdag 29 maart 2008
De tunnel - Ernesto Sábato
Deze korte roman van de Argentijnse schrijver Ernesto Sábato, nochtans aanbevolen door Camus en Greene, kwam me niet voor als een klassieker.
De tunnel combineert een aantal thriller-aspecten met een inkijkje in de ziel van woelwater Juan Pablo Castel. Deze schilder wordt op handen gedragen door de critici. Alleen, Castel heeft lak aan critici.
"Allereerst moet me van het hart dat ik het land heb aan groepen, sektes, broederschappen, vakbonden, ja, aan al die opeenhopingen van vreemde snuiters die bij elkaar komen vanwege hun beroep, hun smaak of andere onzin. Zulke samenklonteringen hebben allerlei bizarre kenmerken: alle mensen lijken op elkaar, ze bezigen jargon en in hun ijdelheid wanen ze zich superieur aan de rest."
Maar op een dag bezoekt een doodgewone vrouw, María Irabarne, een van zijn tentoonstellingen en merkt op een schilderij een detail op dat alle kunstkenners is ontgaan en door Castel bij nader inzien wordt beschouwd als het "diepste wezen" van zijn oeuvre.
Een beetje zonde dat Sábato het niet kan laten dat detail uitvoerig te beschrijven en te interpreteren. Zonder die explicitering had de lezer zijn fantasie in werking kunnen stellen.
Ook doorheen de rest van de roman hoeft dat niet, omdat elke vorm van suggestie in de kiem wordt gesmoord door de monologue intérieur van Castel.
We volgen hem op zijn queeste om contact te maken met zijn bewonderaarster (wat wat mij betreft de ontroerendste passages van het boek oplevert -- de extreme weifelmoedigheid van de kunstenaar bij het aanspreken van de vrouw), vervolgens tijdens zijn pogingen om haar liefde te winnen en de vertrouwelijkheid tussen het stel uit te diepen, en ten slotte azend op lichamelijke vereniging.
De clue wordt al bij het begin van deze als bekentenis gepresenteerde roman verklapt ("Er heeft één persoon bestaan die me zou kunnen begrijpen. Maar dat is nu juist de persoon die ik heb vermoord.") en is ook niet zo belangrijk. Wat Sábato probeert te doen is de lezer deelachtig maken aan de voortschrijdende staat van de paranoïa die Castel treft.
"Hoeveel van die idioten hadden vermoed dat onder mijn goed geconstrueerde schilderijen en ‘dat intellectuele’ een op uitbarsten staande vulkaan schuilging?"
De schilder blijft immers maar zelfgemaakte hypotheses herkauwen over de mogelijke ontrouw van María, daarin gesterkt door de paar figuranten die het leven van het object van zijn begeerte jammerlijk doorkruisen en die hem uiterst gluiperig voorkomen.
"Ik merk dat het probleem ingewikkelder wordt, maar ik zie niet hoe ik het eenvoudig kan houden."
Maar. Ik werd niet een moment gegrepen door Castels psychische verval. De tunnel lijkt niet meer dan een vage echo van betere boeken die ik over dat thema heb gelezen -- van Strindberg tot Topor. Omwille van die simpele basisregel: het is niet omdat je zegt dat iemand achterdochtig is, dat die achterdocht automatisch overspringt op de lezer. Castels zelfbevraging kwam me voor als gekunsteld en onscherp. Het milieu waarin hij zich bevindt wordt ook nauwelijks getekend, waardoor deze roman de aanblik biedt van een schaars gemeubileerd toneelstuk met een matig acteur en een auteur die het vak nog moet leren.
Een paar hoofdstukken bestaan uit nogal makke angstdromen. Bovendien lijkt de titel van deze roman ontleend aan een lesje Metaforiek voor beginners, afgaande op de wijze waarop die -- alweer bot en letterlijk -- wordt geanalyseerd door Sábato, die daar vlot een paar pagina's voor uittrekt. Enkel geloofwaardig, voor mij, was het moment waarop Castels hoop even terug de kop opsteekt.
"Per omgaande post kwam er een heel lieve brief van María. Ik kreeg het gevoel dat iets van onze prille liefdesmomenten weer terug zou komen, zo niet met de wonderbaarlijke doorschijnendheid van toen, dan toch zeker met een paar wezenlijke kenmerken ervan, net zoals een koning altijd een koning is, ook al hebben trouweloze, arglistige vazallen hem verraden en door het slijk gehaald."
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> eveneens verschenen in de reeks Literatura latina: De werf van J.C. Onetti
Ernesto Sábato, De tunnel
142 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 2007
Oorspr. El túnel (1948)
Vertaald door Martine Koenders en Gerard Klooster
Reeks Literatura latina
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
19:39
0
reactie(s)
rubrieken opinio
vrijdag 28 maart 2008
Aantekeningen uit een groot land - Bill Bryson
Als het werkelijk waar is dat Bill Bryson deze columns tussen de soep en de patatten heeft geschreven, zoals hij in het voorwoord beweert, dan is dat haast niet te geloven. Aantekeningen uit een groot land is top.
Bryson moet een van de meest onderhoudende auteurs zijn die er op deze planeet rondlopen. Hij is er altijd op uit zijn publiek te vermaken en weet tegelijk perfect wat de lezer interesseert.
Na twintig jaar in Engeland te hebben gewerkt keerde Bryson in het midden van de jaren negentig terug naar het land van zijn geboorte, Amerika. Een kennis bij Night & Day, het magazine bij de Engelse krant Mail on Sunday, vroeg hem daarom levensberichten door te sturen over het typisch Amerikaanse ginds ver weg, bedoeld voor een Engels gehoor. Bryson stond er in het begin wat weifelachtig tegenover, wegens tijdsgebrek.
"‘We dachten aan de titel “Aantekeningen uit een groot land”.’
‘Simon, je zult het “Lege ruimte aan het begin van het magazine” moeten noemen, want ik kan het niet doen.’"
Het kwam er toch van, en wat voor me ligt is een bundeling van zo'n tachtig -- relatief lange -- columns, geschreven in een bestek van twee jaar, waarin Bryson melding maakt van de verrassing, aarzeling en verbazing die hem overvalt bij het aanschouwen van zijn veranderde vaderland.
Ze staan ook bomvol informatie, die columns. Bryson beroept zich op een rijk knipselarchief en een wijds areaal van kranten om inspiratie te vinden. Natuurlijk doet hij zich vooral tegoed aan de uitwassen die een op consumptie gerichte maatschappij genereert, maar die liggen dan ook overal in Amerika voor het oprapen.
Meerwaarde is er omdat Bryson altijd soepel anekdotiek, feiten en cijfers door elkaar husselt, zodat ze elkaar versterken. Een satirische reconstructie van een gesprek met de helpdesk van een computerfirma zal een Jan Kuitenbrouwer ook wel in zijn vingers hebben zitten, maar voor Bryson is dat nooit een eindpunt, maar een afstootblok om iets te vertellen over de hele sector en zijn mores.
Idem dito voor Brysons persiflage van de gemiddelde technische handleiding. Ik moet toegeven dat ik de columns over ICT-perikelen misschien wel het liefst las. Brysons humor blijkt dan een perfecte pijnstiller voor mijn eigen computerbesognes.
"Jullie hebben vast wel gelezen over de millenniumbug. Dan weten jullie: zodra het middernacht slaat op I januari 2000, zullen alle computers ter wereld om de een of andere reden een denkproces doormaken dat ongeveer als volgt gaat: ‘Zo, hier zijn we in een nieuw jaar dat eindigt op ’00. Dat zal wel 1900 zijn. Maar als het 1900 is, zijn er nog geen computers uitgevonden. Dus besta ik niet. Ik geloof dat ik maar beter kan afsluiten en mijn geheugen wissen.’"
Verder zijn er stukken over zo uiteenlopende onderwerpen als de medicijnenrage in de States, de Amerikaanse posterijen, de uitgestrektheid van het land, de regelneverij van de overheid, Amerikaanse feestdagen, douanecontrole, de moral majority, de familiariteit van de Amerikanen, hun gebrekkige kennis over Europa, hun houding tegenover privacy en de steeds langer wordende eenheidsworst.
Een van Brysons beproefde technieken is in feite steeds een column op te hangen aan twee of meerdere onderwerpen, harmonisch met elkaar in verband gebracht. De eerste helft van een stuk gaat dan over de Amerikaanse bureaucratie, maar spitst zich gaandeweg toe op de werking van de keuringsdienst van waren.
Vervelend wordt het nooit, ook stilistisch niet: herinneringen wisselen af met snedige dialogen, een ironische roundup van een aantal oude Amerikaanse presidenten wisselt af met een beknopte cultuurgeschiedenis van de diner, gemijmer naar aanleiding van een droog onderzoeksrapport wisselt af met petites histoires in de familiale sfeer. Bryson is immers niet iemand die snel de menselijke maat uit het oog verliest. Maar zelfs dan is wat hij vertelt niet vrijblijvend.
"Mijn vader beschikte over wat men een rudimentair smaakgevoel kan noemen als het om eten ging. Zijn gehemelte reageerde slechts op drie smaken -- zout, ketchup en verbrand."
Een paar van de beste stukken gaan over de winters ("zo koud dat ik over mijn moeder heen zou zijn geklommen om als eerste binnen te zijn") en zomers ("het wordt zo heet dat zelfs etalagepoppen in warenhuizen zweetkringen onder hun oksels hebben") van zijn woonomgeving: de noordelijke staat New Hampshire in de regio New England.
Hersendood
Wat wel een beetje teleurstelde is het feit dat dit boek het clichébeeld dat ik van Amerika had op zijn zachtst gezegd niet meteen bijstelde. Bryson heeft het over shoppen als de Amerikaanse nationale sport, over de gekmakende overvloed in de winkels en een onstilbare zucht naar gerieflijkheid. Veel van wat er op de markt komt is erop gericht de Amerikaan alle geworstel met ongewone of moeilijke opdrachten te besparen. Bryson denkt geen moment dat Amerikanen consequent dommer of meer hersendood zijn dan andere mensen,
"het is alleen dat ze als vanzelfsprekend voorzien worden van omstandigheden die hun de noodzaak van nadenken besparen, en dus zijn ze die gewoonte ontwend geraakt."
Een andere exces is de procedeercultuur in de States, die Bryson verklaart, behalve als een manier om snel rijk te worden, uit het typische Amerikaanse denkbeeld dat wát er ook gebeurt, iemand anders verantwoordelijk gesteld kan -- nee moet worden.
Veel dingen lijken me evenwel niet eens zo typisch Amerikaans, zij het dat alles over de Atlantische plas meteen astronomische proporties aanneemt. Bureaucratie bijvoorbeeld, daar weet de Belg alles van, met zijn drie gewesten, drie gemeenschappen, vier taalgebieden en een stuk of vijftig ministers voor tien miljoen inwoners.
"Een onvermijdelijk gevolg van zoveel afdelingen is dat de linkerhand niet alleen niet weet wat de rechterhand doet, maar niet eens lijkt te weten dat er een rechterhand ís."
Neen, wat ik bijleerde kwam vaak neer op een gradatieverschil. De ernst van het gebrek aan beweging bij Amerikanen en de autonomie van de wetgevende macht van de staten, die blijken groter dan ik aanvankelijk dacht.
Voor de rest is het belangrijk om eraan herinnerd te worden hoe de VS boerde onder het bewind van Clinton. Wat een eeuwigheid geleden lijkt dat inmiddels, door die engerd van een Bush. Maar de uiteenzetting in dit boek over Clintons energiebeleid, om maar iets te noemen, doet weinig heimwee krijgen.
Met het boek van Peter de Waard heeft Aantekeningen uit een groot land gemeen dat de auteur nauwelijks invoelbaar kan maken wat hem ertoe drijft toch een buitenlands domicilie aan te vragen. Goed, Bryson doet prijzend over wat hij de instinctief positieve instelling van de doorsnee Amerikaan noemt --
"Toen we naar dit stadje in New Hampshire verhuisden, ontvingen de mensen ons alsof het enige wat hen tot dat moment gescheiden had gehouden van volmaakt geluk onze afwezigheid in hun leven was geweest."
-- iets wat naar zijn smaak samenhangt met het gebrek aan gevoel voor ironie en cynisme van zijn landgenoten. Anders zie ik niet veel aanbevelingen. "Jij zit altijd te klagen in die columns," roept zijn Engelse vrouw, die dol is op Amerika, ergens.
"‘Maar de wereld moet terechtgewezen worden, mijn weelderige, kersenwangige dochter van Boadicea,’ antwoordde ik kalm."
Wat de vertaling betreft: Tinke Davids doet haar uiterste best, al is het Engels hopeloos vinniger dan het Nederlands. De titel 'Doe me maar een proces aan' kan het nooit winnen van 'Sue me', zoals er vermoedelijk in het origineel staat. Toch komen de meeste grappen erdoor, te merken aan de keren dat ik luidop moest lachen.
"Mijn Budget Rent-a-Car card telt niet minder dan zeventien cijfers. Zelfs mijn plaatselijke videotheek lijkt 1,9 miljard klanten ingeschreven te hebben (wat misschien de verklaring is waarom L.A. Confidential altijd uitgeleend is)."
Een geweldige schrijver dus, Bryson. Puur technisch bewonder ik alleen al zijn gave om complexe situaties erg beknopt weer te geven. Timing is in humor namelijk al het halve werk. Ik durf er niet aan denken hoeveel zinnen ik nodig zou hebben om het volgende geval te beschrijven:
"Ik kan jullie niet zeggen hoe vaak ik in een bioscoop op zoek ben gegaan naar de wc, bijvoorbeeld, en dan ten slotte in een steegje terecht ben gekomen, aan de verkeerde kant van een dichtgevallen deur."
> lees een lang fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://en.wikipedia.org/wiki/New_England
> http://en.wikipedia.org/wiki/New_Hampshire
> lees ook over Overal en nergens van Bill Bryson op Achille
Bill Bryson, Aantekeningen uit een groot land
367 p.
Uitgeverij Atlas, 2001
Oorspr. Notes from a big country (1998)
Vertaald door Tinke Davids
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
21:01
0
reactie(s)
rubrieken opinio
donderdag 27 maart 2008
Calvaire
Dit is nog eens een Belgische productie om de grote sprong videotheekwaarts voor te maken. Het scenario -- een verdwaalde charmezanger raakt maar niet uit de klauwen van een macabere herbergier -- is niet sterk genoeg om tot het einde te boeien, maar de film is very entertaining als je je vriendenbent ook hebt opgetrommeld voor de buis.
Hoogtepunten: (1) de scène in het café met regulars die uit een schilderij van Jeroen Bosch zijn gelopen en pianogetingel waarbij György Ligeti een componist van vrolijke kinderwijsjes lijkt en (2) alle sonorisatie met krijsende zwijnen in.
Bekijk alleen niet de extra's. Regisseur Fabrice Du Welz is onuitstaanbaar in interviews.
Of de film iets vertelt over de Ardeense volksaard, weet ik niet; overal ter wereld vind je seriemoordenaars. Maar zeg nu zelf, Marc Dutroux en Michel Fourniret zijn toch wel zeer morsige varianten.
http://www.imdb.com/title/tt0407621/
____ filmkey
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
17:27
0
reactie(s)
rubrieken belgica, diarium, vita brevis
woensdag 26 maart 2008
WikiAnswers
Heerlijk: pasklare antwoorden op de grote vraagstukken des levens.
Who is America's greatest living writer?
How does literature affect society in America?
How does literature affect art?
What is modernism in literature?
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
21:51
0
reactie(s)
Sonnets from the Portuguese and other love poems - Elizabeth Barrett Browning
Goede kermissen hebben een spookhuis, en goede spookhuizen hebben allemaal zo'n totaal verduisterde gang waar je plots nietsvermoedend door de knieën zakt: een gat in de grond met een kussen daarin.
Die kussens, daar moest ik aan denken toen ik deze bundel las. Elizabeth Barrett Browning schreef 44 liefdessonnetten voor haar amant Robert Browning en dat zullen we geweten hebben.
In zowat elk gedicht komt het woordje 'love' voor, soms tot tweemaal, driemaal toe en dat ervoer ik bijna altijd als weke plekken. Plaatsen waar het gedicht even door de knieeën gaat.
In dat licht is de goedkope bloemetjesgrafiek waarmee de tekst in deze editie omrankt is, wonderwel gekozen.
Hoewel ik mezelf een geoefend poëzielezer noem, vind ik het doornemen van vormvaste gedichten in het Engels trouwens altijd weer een verschrikking. Het Engels rijmt te gemakkelijk, en zonder zichtbare inspanning kan weinig literatuur mij echt verbazen of ontroeren.
Dat lukt Barrett Browning ook niet. Bovendien steekt de toonaard waarin haar sonnetten geschreven zijn mij tegen. Ze draagt "the burden of a heavy heart" nogal opzichtig met zich mee, er worden veel tranen vergoten, en God -- Hij weer -- slaagt er iets te veel in als verstekeling in deze gedichten mee te reizen.
Daarbij, onder dwang van het rijmschema doet Elizabeth een paar dingen die ik niet kan hebben. Midden in een regel een nieuwe zin beginnen, bijvoorbeeld. Altijd een zwaktebod. Als het echt niet lukt, volstaat ze zelfs met louter oogrijm.
En wat mij betreft zijn woorden als "adjuration", "acceptation" en "transfigure" te lelijk om in een Petrarcaans sonnet op te nemen. Als je dan toch met grote begrippen aan de haal gaat, moet je voldoende lichtheid in je regels leggen; een Emily Dickinson is daar een meester in.
Neem nu deze twee regels uit sonnet XXXIX. Een goed distichon is als een weegschaal in evenwicht. Maar bemerk hier hoeveel zwaarder, lexicaal gesproken dan, de tweede regel is.
"Because thou hast the faith and love to see,
Through that same soul’s distracting lethargy (…)"
Het belette Robert Browning niet de Sonnets from the Portuguese uit te roepen tot het beste wat het genre had opgeleverd sinds Shakespeare. Liefde maakt blind, zullen we maar zeggen.
Waar dat 'Portuguese' vandaan komt, tussen haakjes, daar raken de internetbronnen die ik aansprak niet uit. Het zou slaan op de donkere haren van Elizabeth, of haar olijfkleurige huid, of het model dat haar voor ogen stond: de sonnetten van de Portugese barokdichter Camões.
Enfin, toen ik de bundel uithad, hield ik in totaal vier gedichten over, waaronder, altijd plezierig, het sonnet dat naar verluidt het bekendst is, XLIII:
"HOW do I love thee? Let me count the ways.
I love thee to the depth and breadth and height
My soul can reach, when feeling out of sight
For the ends of Being and ideal Grace.
I love thee to the level of everyday’s
Most quiet need, by sun and candle-light.
I love thee freely, as men strive for Right;
I love thee purely, as they turn from Praise.
I love thee with the passion put to use
In my old griefs, and with my childhood’s faith.
I love thee with a love I seemed to lose
With my lost saints,—I love thee with the breath,
Smiles, tears, of all my life!—and, if God choose,
I shall but love thee better after death."
Behalve dat, en hier en daar een geslaagde regel ("When we first met and loved, I did not build / Upon the event with marble.") amuseerde mij nog het meest de opdracht die ene Vinie vooraan in dit boekje schreef voor zijn geliefde Eva.
Een mens vraagt zich af hoe de liefde tussen die twee is geëvolueerd, nu ik dit tweedehandsexemplaar zomaar uit de States kon laten invliegen.
> lees Sonnet XXXII uit dit boek op Prins van Denemarken
> lees Sonnets from the Portuguese op Project Gutenberg
Elizabeth Barrett Browning, Sonnets from the Portuguese and other love poems
64 p.
Uitgeverij Gramercy Books, 1993
Oorspr. (1850)
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
21:41
0
reactie(s)
rubrieken opinio
dinsdag 25 maart 2008
Staphorst
Gisteren in Terzake met stijgende verbazing gekeken naar de reportage over Staphorst, een naargeestig dorpje in de Nederlandse provincie Overijssel, een soort Bokrijk gevuld met gereformeerde godsdienstfanatici.
God en Maria en Jezus en zijn twaalf trawanten heb ik op mijn twaalfde of zo al uit mijn leven gebannen, maar bij gelegenheden als deze speelt mijn katholieke roots toch op. In de zin dat die hele protestantse warwinkel, met zijn donderpreken en nadruk op bijbelvastheid toch heel ver van mij afstaat. Me zelfs onverdraaglijk voorkomt. De volstrekte vreugdeloosheid als leefregel. Wat is de zin daarvan?
Het grimmigst zijn de beelden van de Staphorster kerktorenspits terwijl op de klankband de op effect berekende intonatie van de dominee te horen is, briesend vanop de kansel. Een beetje omfloerst, alsof de stem op een clandestien taperecordertje is opgenomen. De dominee daar wil trouwens het liefst de scheiding tussen kerk en staat opheffen.
De documentaire is hier in zijn gehele lengte te bekijken.
> http://nl.wikipedia.org/wiki/Staphorst
In het nieuwe rubriekje 'Vita brevis' voortaan korte signalementen en meningen van een cent. Geheel volgens het principe: opinions are like assholes, everybody has one.
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
19:42
0
reactie(s)
rubrieken diarium, horror, vita brevis
De intieme geschriften van Henry Ryecroft - George Gissing
Geerten Meijsing, die ik niet ongaarne lees, laat geen moment voorbijgaan om het oeuvre van George Gissing aan te prijzen. Ook in Stukwerk was dat weer het geval.
Afgaande op De intieme geschriften van Henry Ryecroft, Gissings bekendste boek en het enige wat van hem in het Nederlands vertaald is, begrijp ik zijn enthousiasme niet zo goed.
De intieme geschriften, opgedeeld volgens de vier seizoenen, verhalen over het laatste jaar in het leven van Ryecroft, een figuur die zo weinig ver afstaat van zijn schepper, dat die fictionalisering mij stoorde.
Het is bovendien een van de zelfgenoegzaamste boeken die ik ooit las. Ryecroft doet haast niets anders dan het opsommen van burgerlijke genoegens. Hij heeft het over zijn volmaakt op zijn eigen wensen afgestelde woonst, de gezellige kamer die hij beschouwt als een "schuilplaats en heiligdom", zijn geliefde boekenplanken, de zegeningen van een solide nachtrust en nog een paar zaken meer. Cocooning avant la lettre, quoi. Een weinig weerbare attitude, valt me ook op.
"Het leven, zo stel ik me voor, zou heel vaak ondraaglijk zijn zonder de weelde van zelfmedelijden; in talloze gevallen wordt daardoor van zelfmoord afgezien."
Het is niet dat ik die levenshouding ("het echte instinct van de stadsmens die plezier schept in de triomf van kunstmatige omstandigheden op natuurlijke condities") niet herken -- ik deel hem zelfs voor een groot stuk -- maar Gissings horizon is me te beperkt.
Het enige straatrumoer in het boek komt er wanneer Ryecroft het Engelse landschap bezingt en de voortschrijdende industrie op voorspelbare manier aan de kaak stelt. Voor de rest snijdt Ryecroft razend interessante onderwerpen aan als hoofdpijn, vegetarisme, te lang in bed blijven liggen, bramen en het kerstevangelie.
En dan gaat hij dat reactionaire, kopschuwe ("Ik ben geen vriend van het volk") ook nog eens aandikken met chauvinistische lof van de grofste soort. Alsof Engeland een uitverkoren natie is. Zelfs over het inheemse klimaat valt geen onvertogen woord.
Even verderop slaagt hij er ook in de natuurwetenschappen te laken, dwaas en onwetend zoals alleen een literator dat kan.
Tussen zijn opmerkingen over lezen en literatuur steekt evenmin veel dat werkelijk opzienbarend is. Al is het altijd plezierig iemand te horen opgeven over het genot van lezen. Ryecroft prijst het genoegen de catalogi van boekhandelaren door te kijken en hier en daar een mogelijke aankoop aan te strepen, overschouwt zijn boekenkasten, rommelt in tweedehandsboekenkraampjes en vraagt zich af wie de kopers zijn van de boekdelen die onophoudelijk van de persen rollen.
"Verzamel van alle uithoeken van het Britse Rijk de mannen en vrouwen die serieuze literatuur een vanzelfsprekende zaak vinden, die er gewoonlijk naar zoeken in de openbare bibliotheek, kortom, die haar beschouwen als een levensbehoefte, en ik moet me al erg vergissen als die niet gerieflijk bijeen konden in de Albert Hall."
Zijn hele leven blijft hij de gewoonte trouw een deel van de zondag rustig met boeken door te brengen "die je meestentijds met fataal gemak terzijde laat liggen, waarbij je juist je bekendheid met die boeken en je liefde ervoor als excuus dienen dat je ze verwaarloost ten gunste van drukwerk dat de aantrekkingskracht van het nieuwe heeft." Ook iets waar ik mezelf in herken, en velen met mij: in vroeger tijden was Ryecroft een fervent maker van potloodstreepjes.
"Als ik vroeger bij het lezen op iets stuitte dat indruk op mij maakte of mij in verrukking bracht, ging dat, hup, in mijn aantekenboek, voor toekomstig ‘gebruik’. Ik kon geen opvallende versregel of volzin lezen, zonder de gedachte dat ik die misschien goed kon citeren in iets dat ik nog moest schrijven – een van de kwalijke gevolgen van een literair leven. Nu ik tracht deze manier van denken te weerstreven, vraag ik mijzelf af: maar tot welk doel lees ik dan en vul ik mijn geheugen? Ongetwijfeld een van de meest dwaze vragen die je jezelf kunt stellen."
Neen, ik snap Meijsings opwinding niet. De intieme geschriften van Henry Ryecroft zijn natuurlijk niet onaardig opgetekend, maar zo zijn er veel boeken. Wellicht is Meijsing blij een paar van zijn eigen sentimenten en ressentimenten gesterkt te zien bij een andere auteur.
Mij stelde het vooral teleur dat dit goeddeels autobiografische werk zo gestroomlijnd is. Want die Gissing had echt wel een turbulente carrière achter de rug. De man werkte zich te pletter: in pakweg dertig jaar schreef hij 23 romans en 111 verhalen, naast non-fictie en een serie dagboeken. Een broodschrijver pur sang was-ie, altijd vechtend tegen de armoede.
"Mijn leven is louter experimenteel geweest, een gebroken reeks van valse starten en hopeloze nieuwe beginnetjes."
Het groteske openbaarde zich al vroeg in zijn bestaan, tijdens zijn universiteitsjaren, toen hij, de briljante student, trouwde met een prostituee.
Misschien heeft hij Ryecroft gecreëerd als een vorm van compensatie. Zijn eigen bouwvallig bestaan stuttend met fantasieën over een getalenteerdere genotzoeker. Een fortuinlijker personage dan hijzelf ook: Gissing laat Ryecroft een erfenis ten deel vallen. Ik overdreef dus ook wel een beetje in het begin, toen ik wees op de grote gelijkenissen.
Wat de Nederlandse editie betreft: ik ken het Engelse origineel niet, en weet dus ook niet in hoeverre Meijsing de tekst naar zijn hand zet. De vertaling lijkt me nogal decadent ("gesneefde ambitie", "veelsoortige desillusies", "mijn beijsd hart", "een machineschrijvend persoon") voor een laat-Victoriaanse schrijver, maar dat vind ik niet erg.
Laat ik tot slot toch nog maar iets citeren dat pleit voor Gissing. Een fragment waarin hij met mijn instemming de antieke Griekse beschaving van zijn mythische glans ontdoet.
"Het is zinloos ons iets over ‘de Grieken’ voor te houden. Het volk dat we bedoelen met die aanduiding bestond uit een paar kleine gemeenschappen die onder heel bijzondere omstandigheden leefden en door de natuur met hoogst uitzonderlijke eigenschappen begiftigd waren. De sporadische beschaving die wij gewoonlijk te zeer geneigd zijn te beschouwen als niet minder stabiel dan briljant, was een opeenvolging van heel vluchtige gloriemomenten die hier en daar oplichtten van de kusten van de Aegeïsche Zee tot aan die van het westelijke Middellandse-Zeebekken. Ons erfgoed van Griekse literatuur en kunst is onschatbaar; het exempel van het Griekse leven bezit voor ons niet de geringste waarde. De Grieken hadden geen enkel vreemd studieonderwerp – zelfs geen buitenlandse of dode taal. Ze lazen amper, en gaven er de voorkeur aan te luisteren. Het was een volk dat slaven hield, erg gesteld was op sociaal vertier en dat nauwelijks kende wat wij industrie noemen. Hun onwetendheid was enorm, hun wijsheid een gift van de goden. Tegelijk met hun scherpe intelligentie bezaten ze ernstige morele tekorten. Als wij een gemiddelde Athener uit de tijd van Perikles konden tegenkomen, en met hem zouden praten, zou hij ons niet weinig teleurstellen -- er zou in hem zo veel meer van de barbaar en terzelfder tijd van de decadent schuilen dan wij ons hadden voorgesteld. Hoogst waarschijnlijk zou zelfs zijn uiterlijk een teleurstelling zijn. Laat hem in die oude wereld, zo dierbaar voor de verbeelding van een enkeling, maar voor de belangen en belangstelling van de moderne massa even irrelevant als Memphis of Babylon."
(Gebaseerd op notities van 15 februari 2007.)
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> The Private Papers of Henry Ryecroft op Project Gutenberg
> bibliografie in de commentaren hieronder
> meer Privé-domein op Achille
George Gissing, De intieme geschriften van Henry Ryecroft
263 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1989
Oorspr. The private papers of Henry Ryecroft (1903)
Vertaald door Geerten Meijsing
Privé-domein nr. 155
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
17:50
1 reactie(s)
rubrieken desiderata, opinio, retro
maandag 24 maart 2008
Pasen, the day after

> via http://gewebkijk.punt.nl/
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
20:14
1 reactie(s)
rubrieken miscellanea
Jessica! - Hugo Claus
Ik lees Hugo Claus al meer dan tien jaar, en nog steeds blijven er lacunes. Ik lijk dan ook vanop afstand te weten welke boeken ik best links laat liggen. Ook bij Jessica! had ik dat gevoel, en terecht. Deze roman heeft zijn kwaliteiten, maar is duidelijk te makkelijk en onbedachtzaam in elkaar geflanst. Jessica! was oorspronkelijk een toneelstuk (1977) en het verhaal gaat dat Claus het kort na publicatie omwerkte tot roman 'omdat mensen toch geen toneelteksten lezen'.
Claus' soepele, niet van geestige kitch gespeende dialoog behoort inderdaad tot de kwaliteiten van het boek. Veel had evengoed kunnen staan in Het jaar van de kreeft, van vijf jaar eerder.
Het sneeuwt over de dijk, over de zee.Voornoemde Paul is een typische Claus-held. Een zwakke figuur met een doorsnee leven. Paul is getrouwd met Nicole, heeft een zoontje Frederik en betrekt een anonieme flatwoning. Hij werkt bij een niet onaanzienlijk bedrijf, maar alleen omdat zijn overleden vader (een van de gewezen bestuurders) ooit een goed woordje voor hem heeft gedaan.
Zij glimlacht ongelovig. ‘Geen enkele passie meer?’
‘Geen namen meer,’ zegt Paul, ‘geen smaak, geen verleden, geen herinnering, geen geweten. Waarom lach je?’
‘Dat zei je toen ook al,’ zegt Jesscia.
‘Je bent mager,’ zegt Jesscia.
‘Een carcinoom,’ zegt Paul.
‘Heb je nog al je kiezen?’ vraagt zij.
‘Twee vullingen.’
‘Heb je er nieuwe seksuele afwijkingen bijgekregen?’
‘Jij?’
Jessica lacht. ‘Je mag niet in mijn kaarten kijken!’
De Jessica uit de titel (briljante vondst overigens, met dat uitroepteken) is de dochter van de huidige baas Neyrinck, een onbereikbare schoonheid die zijn wensdromen bevolkt.
Het plot is kortom een samenraapsel van cliché's en had ik bij een mindere auteur ook geen blik waardig gegund. Dat ik Claus toch uitlees komt omdat ik er plezier in heb de wreedaardigheid van de schrijver aan het werk te zien. Jessica! is zo'n boek waarin Claus zijn hoofdpersoon ruw vooruitduwt op een parcours dat lijkt op het spelbord van Backgammon: een nauwe gang met stekeligheden aan weerszijden, waar geen mens zonder kleerscheuren doorraakt.
Het getob en gestommel van Paul amuseerde me. Claus zadelt hem op met een minderwaardigheidscomplexje hier, een fantasmagorietje daar, en laat zijn onderscheidingsvermogen almaar verminderen. En wanneer hij de tijd rijp acht, kan Claus, de monkellachende regisseur, zijn slag slaan. Weg illusies. De acteur breekt zijn been, het bordkarton waait om, het podium stort in.
Claus is trouwens goed in het neerzetten van een bepaald slag Vlaamse hotemetoten: industriëlen, politici en maecenassen (vaak verenigd in een en dezelfde persoon) in antracietpakken die een beetje boven hun stand leven. In Jessica! komt ergens een receptie voor die uitgroeit tot een beschamende vertoning.
Voor de rest is deze korte roman een ongelooflijke vergaarbak. Claus mengt hysterische gemeenplaatsen ("Paul haalt diep adem, dooft zijn Gauloise in het bodempje campari-soda van Nicole’s glas, en zegt dof: ‘Jessica.’") met historische anekdotes en weetjes over Arabische dichters. Wie goed kijkt ziet tussen de smartlappen een regel van Rimbaud. Vragen uit een banale tv-quiz wisselen af met een vers van Cesare Pavese. Voor de puzzelaars, want zonder bronvermelding.
Het scenario mag dan serieus rammelen, Claus' Nederlands is fit en efficiënt. Er valt altijd wel iets te lachen, al is humor natuurlijk een erg persoonlijke aangelegenheid. Het duurt bij Claus een paar boeken eer je zijn golflengte te pakken krijgt, eer je kan glimlachen om zijn stokpaardjes.
Die dag, twee weken na de dood van Paul’s vader, serveerde Neyrinck, uiterst krachtig, met een dierlijke ademstoot en een sprong naar voren, een ace. Celine applaudisseerde. ‘Wel,’ riep Neyrinck naar Paul, ‘hoe noemt men mij in beschaafde kringen?’ ‘Kanonbal Neyrinck,’ zei Celine. Een onmerkbare, heftige wind deed haar witte matrozenbroek wegwaaien, zij droeg geen slipje. Ook haar blouse met rode noppen smolt voor Paul’s ogen, zij klom van de scheidsrechterstoel en raapte tennisballen op, met haar van dauw glimmende witte billen naar Paul gericht. Een trainer, een aapachtige reus met een hoogrood gezicht, kwam langs en schoof de zijkant van zijn hand tussen de billen die Celine op en neer bewoog, Celine zakte op het rode grint, hief haar gespreide knieën maar de reus liet haar liggen, nam een gele tennisbal op en at hem op in twee, drie happen als een gepelde sinaasappel. In Paul’s gezichtsveld verscheen, verschijnt een kale vijftiger in een muisgrijs pak. Hij lijkt op een chirurg, zijn pafferig gezicht vertoont tekenen van ergernis als hij zich stram vooroverbuigt, en de vernederde Celine overeind trekt. Zij wil haar redder omhelzen maar diens aandacht wordt getrokken door een havenarbeider of bootsman die met getatoeëerde naakte torso op de lege tribune zit, onverklaarbaar opgericht vóór de douchehokken van het clubgebouw. De dandy fluistert iets, het is niet te begrijpen, toch wel, doe een inspanning, hij fluistert alsof hij uit een 1900-boek voorleest: ‘O, mijn achteloosheid! O, de achteloosheid zal hevig gestraft worden.’> lees nog een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
Hugo Claus, Jessica!
127 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 1977
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
20:00
0
reactie(s)
rubrieken claustromania, opinio
Booklamp
BookLamp.org is a system for matching readers to books through an analysis of writing styles, similar to the way that Pandora.com matches music lovers to new music. Do you like Stephen King’s It, but thought it was too long? The technology behind BookLamp allows you to find books that are written with a similar tone, tense, perspective, action level, description level, and dialog level, while at the same time allowing you to specify details like... half the length. It’s impervious to outside influences - like advertising - that impact socially driven recommendation systems, and isn’t reliant on a large user base to work.
> http://beta.booklamp.org/
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
16:42
0
reactie(s)
rubrieken conjunctiones
zondag 23 maart 2008
Instapboeken: Hugo Claus
U bent jong en u wilt wat. Iets lezen van de alomgeprezen Hugo Claus, bijvoorbeeld. Maar waarmee beginnen? Het naslagwerk Hugo Claus : voor twaalf lezers en een snurkende recensent noemt in totaal 700 zelfstandige werken: reguliere publicaties, bibliofiele edities, eerste drukken en herdrukken. Maar zelfs als je enkel de afzonderlijke titels als uitgangspunt neemt, kom je vlot aan een bibliografie van honderd boeken.
Claus-fanaat Achille van den Branden downsizet het bonte aanbod gedichten, verhalen, romans, toneelstukken, scenario's en vertalingen tot hanteerbare proporties.
Instapboeken
Het jaar van de kreeft is het ideale instapboek voor het oeuvre van Hugo Claus. Een lichtvoetige, rauwe, onbarmhartige liefdesroman die erg lekker wegleest. Claus romantiseerde hierin zijn relatie met de actrice Kitty Courbois.
De geruchten is veruit het spannendste boek van Claus. Naar het leven getekende personages, knappe vertelstructuur, vlekkeloos naturalisme met een mythische toets. Fileert zeer efficiënt de Vlaamse roddelcultuur, bangigheid en huichelarij.
Claus' poëtische werk is zo divers en uitgebreid. Er is niet meteen een geschikte instapbundel aan te wijzen. Blader daarom rustig in Ik schrijf je neer (een mooi vormgegeven retrospectieve, goedkoop bovendien, een pocketboekje) terwijl je luistert naar de voorlees-cd Nu nog. Je moet Claus zelf zijn poëzie horen voordragen.
Proza
De metsiers. Stijl en aanpak zijn schaamteloos gejat van de Amerikaanse meesters, maar de transponering naar de Vlaamse plattelandscultuur is zo overtuigend dat je dat niet kwalijk neemt. Geschreven vanuit het wisselende perspectief van de voornaamste personages. Een vitaal boek. Dat Elsschot het aanvankelijk niet lustte, zegt meer over hem.
De hoofdpersoon in Een slaapwandeling lijdt aan geheugenverlies en herkent niet eens zijn grote liefde. Bijna volmaakte novelle, en extra schrijnend in het licht van Claus' vraag om euthanasie.
De verzamelbundel Verhalen is een van mijn lievelingsboeken en bevat veel van het beste wat ooit in de Nederlandse taal is geschreven op de korte afstand.
Poëzie
Gedichten 1948-1993 is mijn favoriete verzameling van Claus' poëzie. Er zijn er meer -- recentere, completere bundelingen -- maar voor mijn gevoel staat alles wat ik nodig heb al in dit azuurblauwe boek. Gedichten in alle maten, gewichten en stemmingen.
De oostakkerse gedichten. Een van de beste bundels uit de Nederlandstalige poëzie, gepubliceerd op zesentwintigjarige (!) leeftijd. Claus definieert zijn relatie tot de vrouw, zijn ouders, de maatschappij en zichzelf. Zintuiglijk en broeierig. Bevat een paar klassieke erotische gedichten. Zeer beïnvloed door het werk van Frazer.
De sporen is van alle bundels die op dat mooie, vierkantige formaat zijn uitgegeven de beste. Zeer divers, technisch altijd knap. "Claus kan sarcastisch, wreed, onverschillig, meedogend en teder tegelijk zijn, en zijn grote kracht is dat hij daarvoor altijd een passend register vindt," schrijft Jaap Goedegebuure op de achterflap.
Toneel
Een familiedrama. In De verlossing blikken de gemankeerde leden van een typisch Vlaams gezin terug op hun leven so far, naar aanleiding van het sterfbed van hun moeder. Matig verfilmd onder dezelfde naam.
Ander leesbaar toneel: Een bruid in de morgen, Vrijdag, Pas de deux, Het haar van de hond. Maniëristischer: Georg Faust.
Varia
Paul Claes, Claus-kenner par excellence, legt in Claus-reading aan de hand van diverse voorbeelden (uit proza, toneel en poëzie) een goed stuk van Claus' methodologie bloot. Vooral interessant om de vormaspecten van Claus' poëzie toegelicht te zien.
Hoewel we de invloed van de plastisch kunstenaar Claus niet moeten overschatten staan er prachtige doeken in Beelden, in de meest uiteenlopende materialen. Schilderen was voor Claus een intuïtieve bezigheid, een natuurlijk verlengstuk van zijn persoonlijkheid. In 2004 bracht uitgeverij Oogachtend een tweede kunstboek op de markt, Woordenloos, maar dat is beduidend ongelijker van kwaliteit.
Het sacrament is naar mijn smaak Claus' beste film. Topcast, efficiënte regie, een paar poëtische hoogtepunten. De jonge acteur Carl Ridders is een openbaring. Verfilming van Claus' eigen roman Omtrent Deedee.
Journalist Mark Schaevers diepte de meest pregnante quotes op uit tientallen en nog eens tientallen interviews. Claus betoont zich in Groepsportret een erudiet en eloquent causeur die elke vragensteller heel hoffelijk om de tuin leidt en grossiert in innerlijke tegenspraken.
Hugo Claus leest is een betere voorlees-cd dan Nu nog omdat Claus medio jaren tachtig warmere stembanden bezit. Helaas biedt de cd niet echt een representatief overzicht van zijn poëtische werk. Absolute hoogtepunt, desalniettemin: het lange in memoriam-gedicht Het graf van Pernath.
Achtung! Achtung!
Om met Tom Lanoye te spreken: in elk genre heeft Claus zowel een meesterwerk als een absolute drol afgeleverd. Laat u niet van een levenslange passie voor Claus afhouden, enkel en alleen omdat u zich bij een eerste poging misgreep.
Ik ken persoonlijk niemand voor wie het lezen van Het verdriet van België een onverdeeld genoegen was. Een veelgeroemd meesterwerk, jazeker, maar ook verkozen tot het meest ongelezen boek van Vlaanderen. Het verdriet zou moeten gelezen worden als het culminatiepunt van Claus' obsessies en poëtica, maar laat zich het best genieten wanneer je eerst ander werk hebt gelezen. Vertil u er niet aan.
Onvoltooid verleden is een product van de broodschrijver Claus. Hij schreef het in opdracht voor de krant De Morgen. Bedoeld als opvolger van het sublieme De geruchten is het eigenlijk niet meer dan ongeïnspireerd maakwerk.
De verwondering is zonder twijfel een hoogtepunt uit Claus' proza, maar alleen voer voor gevorderden. Droom, werkelijkheid en intertekstuele allusies lopen door elkaar in deze roman over collaboratie en de nawerking van de Tweede Wereldoorlog. Moeilijk.
Een andere keer bevat al het korte proza waarin Claus zich het minst gelegen heeft laten liggen aan de wensen van de lezer. Grillige, vaak ontoegankelijke, soms regelrecht gemakzuchtige kortverhalen. Voor de diehards.
In het lichtvoetige Belladonna heeft Claus zijn wrok ten aanzien van de Belgische filmwereld vormgegeven. Maar deze persoonlijke afrekening levert slechts een matige satire op.
De eieren van de kaaiman is wellicht het slechtste dat Claus ooit geschreven heeft. Een belabberd toneelstuk waarvan me alleen het gevoel van ongeloof bijstaat: hoe is het mogelijk dat de auteur van De verlossing dit heeft geschreven?
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
22:14
4
reactie(s)
rubrieken claustromania
zaterdag 22 maart 2008
Grumpy old men - David Quantick
Peter de Waard citeert dit boek in zijn Een eigenzinnig koninkrijk. Ik had dan ook verwacht een licht ironische cultuurwijzer aan te treffen over Groot-Brittannië.
Bij nader inzien is Grumpy old men niet meer dan een moppentrommel, geschoeid op de Britse leest. Iets dat het midden houdt tussen de cynische lexicografie van Ambrose Bierce en het radioprogramma Bromberen.
En net als bij de panelleden in Bromberen merk je ook goed bij welke lemmata de ergernis van David Quantick er diep ingekankerd zit, of wanneer het gewoon een maniertje betreft, om zijn boek toch maar vol te krijgen.
Niettemin is Grumpy old men amusant, punt. Ik heb stevig zitten lachen, meermaals luidop, en dat is een zeldzaamheid. Dat komt voornamelijk omdat ik een liefhebber blijf van wat ik maar zal noemen de Britse homerische vergelijking, die ik zo mis in Nederlandstalige non-fictie, en Nederlandstalige literatuur in het algemeen.
"Normal cinema’s only sell gargantuan food and drink, as though they’re expecting a party of ogres to come in and see Finding Nemo. The soft drinks are the size of nuclear power station cooling tanks (and just as radioactive). And the sweets -- a cinema-sized bag of wine gums is the size, weight and colour of a psychedelic sack of coal."
Op die manier laat Quantick zijn licht schijnen over tal van onderwerpen uit de westerse consumptiemaatschappij: "It asks ageless questions like ‘What’s the point?’ and ‘When will it stop?’" Voorbeelden van trefwoorden die de revue passeren:
Commercials:
"Perfume ads may not tell you anything about the product they’re selling, but they do accurate describe the state of mind if you drink some."
Supermarktkarretjes:
"It would be safer and more efficient if supermarket staff gave us sleds pulled by alcoholic huskies to trawl our goods around with."
Ikea:
"Every single item in Ikea is named after a Scandinavian village idiot."
Franse chansons:
"Has a cat got into the air-conditioning?"
Sportkledij:
"Once worn only by fit and healthy athletes, sportswear is now the badge of the unfit, the large and the idle."
De monarchie:
"We’ve already got lots of ambassadors for this country. They’re called ‘ambassadors’."
Jongleurs:
"It’s not a real skill. It’s just catching multiplied."
Rockopera's:
"Most, for some reason, were set in Biblical times and conspired to give the impression that Jesus was a hippy and the Disciples were drug addicts."
Helpdesks:
"Your call is very important to us, which is why you are listening to the voice of a woman who got sacked three years ago to be replaced by nine people in Delhi."
Het jargon van vastgoedmakelaars:
"Studio -- from the Latin, meaning ‘I cannot breathe’."
Muzak:
"The sound, not of hell, because that would be at least exciting, but of grey. Muzak is what zombies listen to in their dead cars. It’s a depressing trickle of onanising strings from a cheap speaker mounted somewhere above your head like a security camera that, instead of recording crime, emits it."
Katten:
"If cats could find a way to push all the people in the world into an active volcano and still open all the tins of catfood, they would."
Veilig, tam, conformistisch
Het belangrijkste wapen van David Quantick (tevens een gevierd muziekcriticus) is de clevere overdrijving. Iedereen kan na enig nadenken wel het verderfelijke voedselbeleid van hamburgerrestaurants becommentariëren, maar hij doet dat altijd net iets virtuozer dan je zelf verzinnen kan.
"Because, no matter how much McDonald’s go on obsessively and neurotically about how their burgers are 10,000% beef and their salads are handplucked from the Garden of Eden, they cannot disguise the essential truth; they sell greasy old rubbish which is good for you in the same way that six hours watching donkey porn is good for you i.e. you might enjoy it in a weird way but somewhere out there you dimly suspect there might be a better, more wholesome life."
De onderliggende reden waarom ik hem ook zo leuk vind, is dat Quantick net als ik een bloedhekel heeft aan cliché's en aan de inteelt van bepaalde milieus. Dat zijn zaken die hij verkiest aan te pakken met rijtjes als dit hier, wanneer hij de typische inrichting van een Ierse pub hekelt.
"1) Vintage Guinness posters
2) Old road signs saying DUBLIN 43 MILES
3) Green neon signs in the shape of shamrocks
4) Lager
5) 2 different kinds of Irish whiskey
6) A jukebox stacked with the complete works of The Pogues (from London) and The Waterboys (from Scotland)
7) The entire contents of a provincial Irish grocer’s shop or sub post office, circa 1956
8) A signed photograph of U2
9) A lunch menu that offers a choice of soda breed or mussels
10) Toilets with signs in Gaelic"
Op zijn best is hij wanneer hij zich -- zoals je van een Brit verwacht -- op en top pragmaticus betoont, en alle vals sérieux buitenspel zet.
"The French have that Académie française thing where they try to vet words before the enter the language. In much the same way, presumably, that King Canute tried to vet the sea before it came onto the beach."
Heel duidelijk vielen me de wezenlijke kwaliteiten op van de Engelse taal, op momenten dat ik besefte om iets te lachen dat nauwelijks adequaat in het Nederlands is weer te geven. Hetzij afgezwakt, en dus niet meer om te lachen. Bijvoorbeeld het woord 'spectacularly' in deze definitie van theaterprogrammaboekjes.
"This is a piece of cheaply printed tat which looks a bit like a football programme but is spectacularly more dull."
Dat betekent allemaal niet dat ik kritiekloos dit boekje heb zitten uitlezen. Zoals gezegd, Quantick moet af en toe stevig zoeken naar een stok om de hond mee te slaan.
Maar nog belangrijker is dat zijn onderwerpskeuze zo veilig is. Hij heeft het over bankinstellingen, de vergadercultuur, treinstakingen, petities, hotelkamers, parkeermeters, lettertypes op geboortekaartjes: stuk voor stuk dankbaar materiaal voor cabaretiers -- Grumpy old men moet je dan ook met voldoende vaart lezen, met de ritmiek van standup comedy.
Ergerlijk nu is dat zulks niet raakt aan de essentie van de Engelse cultuur. Die dingen zijn voor mij immers ook herkenbaar. Wat ik wou was venijnige kritiek op een paar Britse uitwassen: de obsessie met privacy, de latente klassenmaatschappij, de onhandige lichamelijkheid van de Britten, de rampzalige gezondheidszorg.
Dat ontbrak. En als je daar goed over nadenkt, is Grumpy old men ineens een tam, conformistisch boekje geworden. Makkelijk scoren.
Voor het overige viel me op dat ook Quantick in het voorwoord Groot-Brittannië enkel afzet tegen Nederland, Duitsland en Frankrijk. België is kennelijk te grijs om je zelfs maar te willen tegen afzetten. Ook weer humor, ergens.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
David Quantick, Grumpy old men : a manual for the British malcontent
143 p.
Uitgeverij HarperCollins, 2004
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
21:02
0
reactie(s)
rubrieken opinio
vrijdag 21 maart 2008
De baas van alles - Bart Moeyaert
Als ik het goed begrijp schreef Bart Moeyaert dit verhaal op verzoek van zijn uitgeverij, die een glow in the dark-boek wou maken. Zo'n boek om onder de lakens te lezen.
Alleen, bij mij lichten de letters niet op. En zelfs dan zie ik niet goed in wat voor bed Manteau in gedachten had, dat groot genoeg is om een ruim bemeten prentenboek in te lezen mét uitklapbare flappen.
Gimmicks als deze zijn ook maar even leuk, in het bijzonder voor de allereerste lezer. Mijn redelijk nieuwe bibliotheekexemplaar had reeds gescheurde, gekreukte en omgeplooide bladzijden.
Voorspelbaar ook dat in De baas van alles iets met katten wordt gedaan, maar dat is meteen het enige dat ik inhoudelijk heb aan te merken. Moeyaert weet namelijk erg goed een naïef en vervelend soort antropomorfisme te ontwijken.
De dieren die hij stelselmatig introduceert zijn op een interessante manier humeurig en zelfs een beetje contactgestoord. Moeyaert laat hen onvoorspelbare dialogen voeren, en dingen zeggen die een nieuw licht werpen op de geijkte relaties tussen de dieren, die we kennen uit sprookjes en andere kinderboeken. Hij doet dat met eenvoudige en toch weer mooi grillige zinnetjes.
"‘Ik ben het gewend, wachten,’ zei hij. ‘Ik doe het al jaren hele dagen."
En zoals altijd is Moeyaerts inlevingsvermogen zijn grootste talent. Bijzonder knap dat hij er telkens in slaagt het waardeoordeel over het hoofdpersonage op te schorten bij de lezer. Ook het dierenbestaan blijkt ingewikkelder dan gedacht.
"‘Ocharm,’ zei de kat, en ze schudde met haar kop. Ze probeerde in gedachten niet bij de hond te zijn. Ze probeerde hier te zijn, op de goede plek, waar ze twee muizen in één keer had gevangen. Ze zaten onder haar poot en wrongen zich in bochten. Ze keek wel naar ze, maar in haar kop dwaalde haar blik altijd weer af in de richting van de hemel. In haar gedachten keek ze over de kruinen van het bosje heen, uitgerekend het bosje waar ze vanavond door gelopen was om ver van de hond te zijn.
‘Heb meelij!’ riepen de muizen.
‘Heb ik echt,’ zei de kat, terwijl ze aan de treurende hond dacht."
Een poëtisch en licht wijsgerig voorleesboek, dit. Maar ik vraag me af of voorlezende moeders genoeg antwoorden paraat zullen hebben als hun spruiten lastige vragen beginnen te stellen.
By the way, tegen het volksgeloof in: in het pikkedonker zien de katten heus geen steek. Maar in het schemerdonker kunnen ze inderdaad geweldig hun voordeel doen met het minste invallend licht.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
Bart Moeyaert, De baas van alles
64 p.
Uitgeverij Manteau, 2007
Met illustraties van Katrien Matthys
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
21:04
1 reactie(s)
rubrieken opinio
Verliteraturing
"Verliteraturing heeft dus te maken met het wissen van geheugen, en het inplanten van een soort cultuurchip die ons een gevoel van intellectuele bevrediging geeft, die soms zelfs echt libidinaal wordt. Het quasi-bewustzijn, verkregen door het lezen van veel boeken, ze te bezitten en er ook over te praten, verdringt andere niveau’s van werkelijkheidsbeleving, want ook onze hersenen werken volgens economische principes, en het uitschakelen van pijn blijft een topprioriteit. Lezen is vergeten en de pijn verdoven. Het zogezegde ‘literaire geheugen’ is misschien wel een ankerplaats voor drijvende luchtkastelen, fenomenale visioenen, een eeuwigdurende fall-out van woorden, komma’s en frasen, die in essentie onze aandacht voor de wereld afleiden, omdat die wereld onverdraaglijk is."
Johan Sanctorum
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
12:41
0
reactie(s)
rubrieken dixit
donderdag 20 maart 2008
In memoriam Hugo Claus [2]
'Est voar 't skole, joat?' vroeg de vrouw in de krantenwinkel.
Nee, mevrouw, volgende maand word ik er dertig. Naar school gaan doe ik allang niet meer.
En ik kan me overigens niet één leerkracht herinneren die me ooit heeft warm gemaakt voor Claus.
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
17:36
0
reactie(s)
rubrieken claustromania, diarium
Visiting bookshops
"It is a curious thing that so many people only go into a bookshop when they happen to need some particular book. Do they never drop in for a little innocent carouse and refreshment? There are some knightly souls who even go so far as to make their visits to bookshops a kind of chivalrous errantry at large. They go in not because they need any certain volume, but because they feel that there may be some book that needs them. (...) This sharp ecstasy of discovering books for one’s self is not always widespread. There are many who, for one reason or another, prefer to have their books found out for them. But for the complete zealot nothing transcends the zest of pioneering for himself."
Christopher Morley
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
15:40
0
reactie(s)
woensdag 19 maart 2008
In memoriam Hugo Claus (1929-2008)
Ik ben niet iemand die blind aanschurkt tegen de canon, maar vandaag is inderdaad de grootste schrijver uit het Nederlandse taalgebied overleden.
Nooit heb ik dat gezwam over de Grote Drie begrepen; in het licht van zijn kolossale, rijkgeschakeerde oeuvre vond ik Reve, Mulisch en Hermans maar broekventjes. Mannen met één kunstje.
Hugo Claus is niet meer en vanalles spookt door mijn hoofd.
Massieve rouw. Er is samen met Fernando Pessoa (gek genoeg zijn absolute tegenpool) geen schrijver denkbaar die zo'n belangrijke rol in mijn leven heeft gespeeld als Claus.
Hulde. Voor de waardige manier waarop hij er een streep heeft onder getrokken. Wat hij al jaren had zitten aankondigen -- als het brein niet meer meewil, moet de stekker eruit -- heeft hij nu heel eenvoudig in de praktijk gebracht. Swiftly and with style.
Rancune. Jegens de rakkers in het hoge noorden die hem zijn Nobelprijs hebben ontzegd. Dat betekent concreet dat ik bij leven geen Nederlandstalige schrijver meer zal meemaken die naar Stockholm mag afreizen. In de verste verte niet heeft zich een opvolger gemeld. Tenzij Grunberg 'm krijgt binnen dertig jaar. God beware me.
Zendingsdrang. In november al wou ik op dit weblog een Open Brief aan de Zweedse Academie richten, maar dat hoeft nu niet meer. Waarom Claus de Nobelpenning verdiende stond eigenlijk toch al nergens beter dan hier. Een volmaakte synthese, elk woord gewikt en gewogen.
Hebzucht. De dvd zal snorren de komende dagen. In memoriams, documentaires, soundbites. Maar ik verfoei nu al het voorspelbare gezeik over Het verdriet van België. Wie Claus reduceert tot dat boek heeft er niets van begrepen.
Herinneringen. Aan eindeloos veel uren leesplezier. En aan die keer dat ik hem mocht ontmoeten. Gisteren nog, godverdomme, heb ik gelukzalig in De sporen zitten bladeren.
Goede voornemens. Primo: op deze plekken proberen uit te leggen wat voor impact Claus op mijn leven heeft gehad. Maar dat moet ik in schijven doen, en niet snel iets brallen hier. Secundo: geleidelijk aan alle boeken van Claus bespreken op Achille. Dat is wel het minste wat ik kan doen.
Respect. De geplande woensdagbespreking verhuist naar vrijdag.
Een gedicht van de meester zelf. Voor één keer geen aanhalingstekens, want dan komt zo'n mooi vers in van die akelig kleine lettertjes te staan.
DAGBOEKBLADEN, 6
(Op Thomas zijn vierde verjaardag)
Later, mijn jongetje, word je een man,
later reikhals je als een giraffe naar het hoe en het waarom.
Men zal je stempelen als bagage.
Men zal je kwetsen om je wens en je droom.
En jij zal trachten eens en voorgoed te fotograferen
het hoe en het waarom van de vrouw
die kantelt in je lakens
die zingt naarmate je ontdubbelt in haar vel.
En nog later, jongetje, wordt
je leven een plakboek.
Maar nog lange niet, nog lange niet.
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
20:55
0
reactie(s)
rubrieken claustromania, diarium, rerum novarum
dinsdag 18 maart 2008
Laatste dagboek - W.N.P. Barbellion
Ik moet Dagboek van een teleurgesteld man gelezen hebben vóór 1999, toen ik mijn bevindingen nog met een ouderwetse blauwe bic opschreef en niet op de computer intikte.
Die bespreking ligt ergens in een kartonnen doos te beschimmelen op zolder. Geen goesting om die te zoeken. Hoe dan ook: voor zover ik me herinner is het onderhavige journaal zo mogelijk nog wranger.
Waar W.N.P. Barbellion in Privé-domein zijn ingebakken zwartgalligheid nog kon alterneren met observaties in de vrije natuur of aantekeningen over zijn werk als wetenschapper in het British Museum, is hij nu definitief vastgekluisterd aan zijn ziekbed, geveld door multiple sclerose.
"De eiken balk van mijn plafond en de Japanse prent aan de muur krijgen tot mijn afgrijzen langzaam contouren, want ik vrees de dag tot in het diepst van mijn ziel."
Op het eind van Dagboek van een teleurgesteld man had Barbellion zichzelf letterlijk dood verklaard, bij wijze van zwartromantische climax, maar het geval wou dat Barbellion nog twee jaar zou leven en de energie overhield af en toe nog wat in zijn dagboek te krabbelen. Uit die notities werd het Laatste dagboek samengesteld.
Hoe deze Barbellion typeren? Miskend genie, machteloze zelfkweller, eerzuchtige misantroop? Het verschil met de sereniteit van de Schotse dichter William Soutar, die in gelijkaardige omstandigheden naar zijn dood moest toeleven, kan niet groter zijn. Terwijl Soutar alle gejeremieer uit zijn dagboek kranig probeerde te weren, of om te turnen tot zelfaansporingen, is Barbellion alleen maar ingesponnen in zelfmedelijden.
"Ik zou met een botaniseertrommel om mijn eigen graf willen lopen of met grote aandacht de maden die uit mijn hersenen kruipen kunnen onderzoeken."
De dood wordt hier haast op elke pagina beschouwd als "de enige uitweg uit tijd en ruimte" en het gepresenteerde mensbeeld is ook al weinig opbeurend: we zijn met allen "mollen die zich blind naar de toekomst graven" en "slaven van ons instinct". Het dagboek las ik dan ook deels als het verslag van hoezeer een terminale ziekte het karakter van iemand in elkaar kan deuken. Alleen, Barbellion lijkt zijn verhoogde prikkelbaarheid juist te koesteren.
"Iedereen die een complete kennis wenst te bezitten van de wereld zou (...) de illustraties moeten raadplegen in een handboek over tropische ziekten."
Bij dit alles zij trouwens aangetekend dat we van de dappere Soutar lang niet het volledige dagboek kennen, maar een grondig door derden geredigeerde (gesnoeide) versie.
Een regen van bommen
In de biografische notitie vooraan wordt aangestipt wat voor verwende opvoeding de fragiele Bruce Frederick Cummings, zoals zijn echte naam luidt, kreeg. En als er nu één ding is wat de amateurpsycholoog in mij gelooft (omdat hetzelfde doorspeelt in mijn eigen leven) is dat zulks desastreus is voor je latere karakter.
In plaats van zich weerbaar op te stellen wil de amper dertigjarige Barbellion alleen maar terugkijken naar wat hij had kunnen worden in zijn leven -- een belangrijk wetenschapper of literator -- en knarsetandend de voortijdige slotsom maken. Ergens in dit boek staat het lijstje afgedrukt: een stuk of wat essays en papers in gespecialiseerde tijdschriften. Allemaal zonder belang.
Zijn laatste hoop vestigt de gefnuikte bioloog dan maar op de publicatie van zijn dagboek. Hij weet immers duivels goed dat wat genadeloze karakterontleding betreft hij zijn gelijke niet kent. Ik alvast kan geen schrijver bedenken die zo in de excrementen van zijn ziel heeft zitten turen. Barbellion is naar eigen zeggen "verliefd op zijn eigen ondergang". Het beste maken van zijn deplorabele toestand betekent voor hem: zo macaber mogelijk theater opvoeren rond zijn eigen persoontje.
"Mijn leven vormt absoluut een verbazingwekkende episode in de menselijke geschiedenis. Mij lijkt het een titanenstrijd tussen een alles verterende ambitie en het weerbarstige lot."
Kenmerkend voor zijn naar binnen gekeerde blik is de onrust die hem op 19 juni 1918 overvalt naar aanleiding van de drukproeven van Journal of a disappointed man. Terwijl op het vasteland duizenden jonge mannen in de modder van de Eerste Wereldoorlog omkomen, stemt de grote kans op een luchtaanval boven Engeland hem angstig. Er moest eens een regen van bommen neerdalen op de drukkers.
Provocatie of niet: übernarcist Barbellion maakt ergens in het Laatste dagboek een aantekening over een oude stenen brug, bedekt met een wirwar van oude, houtige klimoptakken, waar hij dan over de leuning staart naar het vlietende water en zijn eigen reflectie ziet.
Om kort te gaan: de publicatie van zijn dagboek zal Barbellion inderdaad enige tijd zuurstof verschaffen. Het wordt een bescheiden succes, recensenten bespreken het welwillend, en tot op vandaag wordt het door een selecte lezersschare gezien als een hoogtepunt in het genre. Toch wel vreemd: er is geen Nederlandstalige Wiki-pagina aan Barbellion gewijd.
Maar al snel keert de walg en de teleurstelling terug. Barbellion wordt vergiftigd door zijn eigen overbewustzijn. Het enige wat hem enigszins afleidt is het lezen van contemporaine literatuur, het ophalen van herinneringen en het boekstaven van zijn eigen onmacht. Omwille van "intellectuele motieven" beweert de gewezen wetenschapper een paar keer met uitgestreken gezicht, maar volgens mij verlustigt Barbellion zich gewoon in dergelijk biechtgedrag.
Pieken voor mij in deze kleine bittere appendix vormen, naast de talrijke oneliners, de passages waarin de zieke zijn gekronkel op bed beschrijft ("Ik lig stijf, in een soort Gordiaanse knoop"), die kunnen concurreren met de openingsbladzijden van Die Verwandlung, en het tragikomische gesprekje dat Barbellion met zijn verpleegster voert.
"Verpleegster: ‘Kent u de plevier? Soms wordt die ook wel de kievit genoemd. Krijgt per keer maar een paar jongen…’
Barbellion: ‘Vier.’
Verpleegster: ‘Dat is zo. Charlie liet me vroeger patrijzennesten zien met wel vierentwintig jongen.’
Barbellion: ‘Dat kan, maar die zijn dan wel gelegd door meer dan een hen.’
Verpleegster: ‘Charlie zei dat ze allemaal van één vogel waren. Het mooiste nest dat hij me ooit liet zien was dat van een groenling.’
Barbellion: ‘Hoe zag dat eruit?’
Verpleegster: ‘Het bengelde onderaan de tak van een spar, helemaal aan het eind.’
Barbellion: ‘Dan was het niet van een groenling.’
Verpleegster: ‘Nou, Charlie zei van wel. Hij toonde het ons allemaal, we hebben het echt gezien.’
Barbellion: ‘Het was nest van een goudhaantje.’
Verpleegster: ‘Echt? Charlie had een schitterende collectie eieren. Hij wist alle namen en hing die er op een kaartje aan. Wanneer ze allemaal waren uitgestald namen ze de hele tafel in beslag.’
Barbellion: ‘O ja?’
Verpleegster: ‘O, ik vergeet nog een nest dat hij me liet zien -- dat van een ijsvogeltje.’
Barbellion: ‘Hoe zag dat eruit?’
Verpleegster: ‘Toen ik er was, lagen er geen eieren in. Een ander prachtig nest…’
Barbellion: ‘Dat was geen nest van een ijsvogeltje. Dat maakt zijn nest aan het eind van een gat in de oever van een beekje.’"
Velen zullen hem wel antipathiek vinden. Mij lijkt het een geschikte kerel, die Barbellion. Op papier tenminste. Ziedaar een functie van literatuur: in the flesh zal zijn egotisme wel onverdraaglijk zijn geweest om mee om te gaan, maar zijn geschriften brengen me meermaals aan het lachen. Da's goed: Barbellion hoopte altijd dat besprekers zijn humor zouden opmerken.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> een fan plaatste zijn dagboek in weblogvorm op het internet
> the quotable Barbellion
W.N.P. Barbellion, Laatste dagboek
172 p.
Uitgeverij Vorroux, 2006
Oorspr. A last diary (1920)
Vertaald door Harry Oltheten
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
18:14
1 reactie(s)
rubrieken opinio
maandag 17 maart 2008
Pseudodoxia Epidemica
or, Enquiries into very many received tenents, and commonly presumed truths.
"Sir Thomas Browne's vast work refuting the common errors and superstitions of his age, Pseudodoxia Epidemica, first appeared in 1646 and went through five subsequent editions, the last revision occurring in 1672. Also known as Vulgar Errors, Browne's Pseudodoxia Epidemica contains evidence of his adherence to the Baconian method of empirical observation of nature and her properties."
> http://en.wikipedia.org/wiki/Pseudodoxia_Epidemica
> online editie
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
22:32
0
reactie(s)
rubrieken conjunctiones, mens sana
De vermiste kindertekening - K. Schippers
Het bijhouden van mijn zustersite Prins van Denemarken bewijst nog maar eens zijn nut. De auteursindex leert me dat de Nederlandse romancier, dichter en essayist K. Schippers een van mijn meest geliefde auteurs is van de laatste jaren, te oordelen naar het aantal titels dat van hem is opgenomen. Ik had geen idee. Sterker: ik heb op Achille nog geen enkele bespreking aan Schippers gewijd. Dat heeft zijn redenen.
Van een recensie verwacht je toch min of meer een synthese, rode draden die worden blootgelegd, het boek vanop afstand in ogenschouw genomen. Maar Schippers zelf is nu net gefascineerd door de bijzaken. Niet de spectaculaire gebeurtenissen maar hetgeen tot het domein van "het verhaalloze" behoort, en daarom meestal niet door het geheugen wordt vastgehouden.
Het is bijvoorbeeld bekend dat de schilders Marie Vassilieff, Manuel Ortiz de Zarate en Pablo Picasso, de dichter Max Jacob en de diplomaat Henri-Pierre Roché elkaar op 12 augustus 1916 hebben ontmoet in Parijs. Men weet ook wat ze toen min of meer hebben uitgespookt. Schippers speculeert in een essay in De vermiste kindertekening echter over de leemtes tussen de bekende feiten. Aan de hand van een foto wijst hij op zaken die de kunstgeschiedenisboeken niet hebben gehaald. Hun kledij, de envelop die een iemand bij zich heeft, alsook de bewegingen die het vijftal zal gemaakt hebben. Bewegingen, die per definitie niet meetbaar zijn, of op een bevredigende manier vast te leggen.
Op die manier toont Schippers overtuigend aan hoe de overlevering van louter feiten de weelde van de werkelijkheid geweld aandoet. Gelukkig bezit geen van ons een absoluut geheugen, maar dat betekent wel dat veel waardevols, veelzeggends, verloren gaat.
La métaphysique d’ephemera
Bij het opnieuw doorbladeren van dit boek, terwijl ik dus voor het eerst een overzicht kreeg van het gebodene, schrok ik hoe obsessief en systematisch Schippers met die materie bezig is. Hij is een schrijver die zijn stokpaardje toepast op alle verschijningsvormen die zijn pad kruisen.
Een lichtblauwe doos met een zwaar voorwerp erin. De achterkant van een liniaal. De verhalen van de niet meer weg te wrijven kringen op tafel. De vele jaren niet gedragen jas die toch nog aan de kapstok hangt.Schippers schrijft dan ook enkel beschouwingen over kunstenaars die net als hij belang stellen in wat doorgaans veronachtzaamd wordt, de onbewuste reflex, hetgeen buiten de rand van de foto staat, de aanblik van "niet naar het publiek toegekeerde plekken".
Tussen haakjes: het exotische kan zich evengoed vlak onder onze ogen bevinden. Kijk zo ontvankelijk mogelijk naar een tafel, een deur, een stoel -- gewone dingen -- en zie wat zij prijsgeven wanneer "het omhulsel van de herhaling" (dat errond zit door onze dagelijkse omgang met die dingen) wegvalt.
Er is een stuk over de Italiaanse schilder Giovanni Caroto die op een portret iets laat zien dat in geen enkel binnenhuis uit zijn tijd voorkomt: een kindertekening. Caroto beeldt dus voor het eerst iets af wat door iedereen vóór hem voor onbelangrijk werd gehouden. Pas sinds Cobra is de kindertekening aanvaard, merkt Schippers op.
Er is een stuk over goochelaars en illusionisten, die bij iedere voorstelling vanzelfsprekendheden "een ongelooflijke variant geven" en zo "het publiek zijn algemene kennis over het meest nabije ontsteelt" en eentje over de catalogus van Warhols enorme prullaria verzameling die in 1988 onder de hamer ging (zie ook hier en daar).
Er zijn stukken over Lucian Freud en de Duitse schilder Lovis Corinth die elk op hun manier dingen op doek proberen te brengen die tezelfdertijd als los zand door hun vingers glippen. Freud, wiens schilderijen door Schippers worden opgevat als een samenvoeging van verschillende gezichtspunten tegelijk, Corinth die de verandering van zijn onderwerp zelf tracht vast te leggen: "de beweeglijkheid van een gezicht, de lichtste intonatie van de huid, de kleine breukvlakken die de uitdrukkingen steeds weer wijzigen". Dat vluchtige treft Schippers ook aan in de poëzie van Faverey. De dichter laat zien dat zelfs van het eenvoudigste stilleven geen vast beeld kan bestaan.
Ogen betasten lampen, tafels, stoelen, kasten, kleden en hun kleinere collega’s in een steeds andere baan, geen guirlande van de blik is aan een andere gelijk.Nog een ander essay gaat over het boek Theater of the Mind van de Amerikaanse assemblagekunstenaar Joseph Cornell ("een soort Facteur Cheval van het voorwerp"), die in New York zijn 'Wanderlust' botvierde: het zonder scherpomlijnd doel rondhangen in tweedehandsboekwinkels, warenhuizen, uitdragerijen en op straat, vaagweg op zoek naar spulletjes om er de vreemdste kastjes mee te vullen. Zijn leven stond naar eigen zeggen in dienst van
‘la métaphysique d’ephemera’, een term die hij ontleende aan de Franse romantische dichter Gérard de Nerval, de metafysica van het korstondige.Interessante mislukkingen
Schippers' werk draait om ontvankelijkheid, en geheel in het verlengde daarvan is de toon van zijn essays: hij speelt niet voortdurend de naarstige interpretator, maar vermeldt, laat zien, laat voor het eerst zien.
De grootste ontdekking voor mij in dit boek was het werk van de Deense schilder Vilhelm Hammershøi, die zijn hele huis, minimaal bemeubeld, tot atelier maakte om het vanaf alle mogelijke gezichtspunten te kunnen schilderen. Dat lijkt makkelijk, maar is het niet. Zijn oeuvre [zie afbeelding] is een voortdurend gevecht om zijn schilderijen niet te laten opgaan in een abstract, tweedimensioneel lijnenspel. Om het wisselende ruimtegevoel te vatten ("Denk aan een huis tijdens het lopen. De bewoner gaat van het ene vertrek naar het andere en om hem heen, bij elke verplaatsing, golft de ruimte") speelde hij listig met licht en perspectief.

Schippers is een auteur die verhaal en beschouwing op een vanzelfsprekende manier vermengt, maar mij is het toch altijd om het essay-gehalte te doen. Zijn verhalen vind ik lastig te plaatsen. Ze zitten vol doffe dialogen; Schippers wil ook daarin vooral zijn ideeën kwijt, en doet dat bij monde van allerlei schimmig getekende personages. Fictie op de korte baan is niet zijn fort.
Het verhaal 'Het carillon' is niettemin aardig, waarin "de beheerder" van onze taalschat voorkomt, de man die moet beslissen of woorden al dan niet in een woordenboek worden opgenomen.
In zijn essays mag ik vooral graag lezen hoe Schippers de indrukken die hij opdoet op museum- en tentoonstellingsbezoek verwerkt. Hij leert me om schilderijen niet alleen maar te zien als goed of minder goed gelukte plaatjes, maar ook als de resultanten van een bepaald doel dat de kunstenaar (los van het figuratieve) heeft vooropgesteld.
Zo is daar de Amerikaanse landschapsartiest Robert Smithson. Schippers vertelt overtuigend over diens objectieven, de manier hoe hij die probeert te realiseren en, jawel, het hoe en waarom van zijn mislukkingen. Interessante mislukkingen. Dan geeft het ook niet of ik iets met die Smithson heb of niet. De benadering vind ik boeiend.
Schippers heeft overigens iets tegen tentoonstellingen die duidelijk door museumconservators zijn verzonnen...
Ze willen een kunstenaar of een stroming niet zo duidelijk mogelijk tonen, maar komen met een eigen idee waaraan de gekozen kunstwerken ondergeschikt worden gemaakt.....en koestert sympathie voor autodidacten die tot geen enkele officiële richting behoren; buitenbeentjes die de spelregels niet lijken te kennen waardoor de beschouwer moeilijk in hun werk kan opgaan.
Tot slot nog dit: De vermiste kindertekening leent zich erg goed om te lezen met de laptop in de buurt. Potloodaantekeningen maken, boektitels noteren, namen googelen. Als je leest over een kunstenares die bij de NASA de lijsten heeft losgekregen van alle dingen die van ruimteschepen zijn losgeraakt of overboord gezet, van alles wat nu door de ruimte beweegt kortom, is de aandrang om op internet naar aanvullende informatie te speuren plezierig groot.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Schippers op Achille: Eb
> http://en.wikipedia.org/wiki/Vilhelm_Hammershøi
> http://en.wikipedia.org/wiki/Joseph_Cornell
> http://en.wikipedia.org/wiki/Lovis_Corinth
K. Schippers, De vermiste kindertekening : verhalen en beschouwingen
152 p.
Uitgeverij Querido, 1995
____
Opgetekend door
Achille van den Branden
om
19:27
0
reactie(s)
rubrieken opinio

