Er valt altijd wel wat te beleven in een boek. Een eigenzinnig koninkrijk van Peter de Waard las ik met plezier, omdat het mijn vooroordelen jegens de Engelsen recht van bestaan gaf. Maar even fijn is het om te zien hoe iemand de vloer aanveegt met vastgeroeste ideeën. En kijk, Mario Praz brengt in De mythe van romantisch Spanje al zijn eruditie, hartstochtelijkheid en wrok in stelling om de gemeenplaatsen die er over Spanje de ronde doen uit de wereld te helpen.
De Italiaanse kunstkenner en literatuurcriticus kan het immers niet hebben dat de glorie van zijn geliefde vaderland afstraalt op het Iberische schiereiland. Spanje is in zijn ogen niet meer dan een flauw afkooksel.
Door een soort contaminatie wordt de hele wereld van passies en hebbelijkheden van de Italianen, die ontdekt is door de eerste jagers op het exotische, de Elizabethanen, en herontdekt door Stendhal en de romantici, als gevolg van een oppervlakkige generalisatie van ideeën over het Zuiden ook het Spaanse volk toegedicht.
Grote boosdoeners volgens
Mario Praz zijn de Duitse en vooral Franse romantici die het cliché van het schilderachtige, kleurrijke, warmbloedige Spanje creëerden:
Mérimée,
Musset,
Hugo én
Théophile Gautier, die er in zijn
Voyage en Espagne (1843) als de kippen bij was om dat hogelijk gekunsteld beeld van Spanje nog verder aan te dikken. Reisagent Thomas Cook doet er tot op vandaag zijn voordeel mee. Praz vat dat beeld als volgt samen:
Vrouwen die hun leven doorbrengen op het balkon, volksdansen klepperend van de castagnetten en dreunend van het olé!, bedelaars als keizers in een gerafelde cape gehuld — verheven vodden — , struikrovers en mystici en dolende ridders, Don Quichotte, Ginés de Pasamonte, Lazarillo de Tormes, Gil Blas, de Heilige Theresa, Carmen, Conchita, kortom: bloed, wellust en dood."
Let op die laatste drieslag, die sterk doet denken aan de 'lust, dood en duivel' in Praz' gelijknamige meesterwerk over de literatuur van de romantiek. Als er iemand goed geplaatst is om sentimentele waanideeën te ontzenuwen, dan hij wel.
De reiziger die zijn ogen en zintuigen goed de kost geeft, wacht een grote teleurstelling, zegt Praz al vroeg in dit boek. Ze vinden een heel ander land "waarvan ze het wachtwoord niet kennen". Om dat te bewijzen trekt Praz alle registers openen, puttend uit ervaringen opgedaan tijdens zijn Spanje-reis in 1926.
Zo blijken Spanjaarden doorgaans vrij nuchter en veel minder romantisch "dan Engelse oude vrijsters en bankbedienden op vakantie". Praz hekelt hun duffe religieuze optochten, de lamme stierengevechten, de eentonige versmaat in Spaanse toneelstukken, het weinig doordacht eetpatroon (een enorme maaltijd, gevolgd door lethargie) en nog een paar dingen meer.
Don Quichotte bijvoorbeeld, is in zijn ogen een slaapverwekkende miskleun en ook de in andere kringen zo bejubelde mystieke teksten van
Johannes van het Kruis en
Theresa van Ávila ziet Praz als een bewijs van de grauwheid van de Spaanse volksaard.
Wat is eentoniger dan de donkere nacht van de ziel, het wachten van de mysticus ? Geen verlangen, geen angst, geen beweging, geen enkele impuls; een gevoel van anonimiteit, van onpersoonlijkheid, de ogen starend als die van een dode, de geest vaag en universeel als de leegte of het absolute; een staat van onzekerheid waarin men levend dood is en nog niet geboren in gelukzaligheid.
Een van de interessantste thesen in het boek, want voor de verandering eens verifieerbaar, betreft de Spaanse schilderkunst. Praz brengt de Spaanse zaal in de Londense National Gallery in herinnering en noemt naam en toenaam: terwijl de kleur van de hemel in de Italiaanse afdeling overheerst, zijn de doeken van Velázquez door aardkleuren verzadigd en laten de schilderijen van Goya vooral woeste en dorre landschappen zien. Spanje een bontgeschakeerd land?
De perfectie van spinnenwebbenMaar met voorrang het meest waardevol, voor mij, waren de beschouwingen over de Moorse architectuur. Die vormen overigens een essentieel deel van Praz betoog, want voor hem zijn bouwwerken een natuurlijk gevolg van het landschap waarin zij verrijzen...
...zoals een parel de kwintessens van een oesterscherp is, een samenvatting van de geest van het land, vertaald in getallen en maten door de socratische tussenkomst van de mens: architectuur is het zich bewust geworden landschap.
Praz' bevindingen zijn waardevol, omdat ze mij leerden scherper waar te nemen. De Moorse bouwkunst is bezwaarlijk
lelijk te noemen, maar Praz toont zeer overtuigend aan dat er gradaties zijn van mooi en dat moeilijk te definiëren begrippen als 'diepgang', 'functionaliteit' en 'expressiviteit' daar een rol in spelen.
Praz neemt voor vier dagen zijn intrek in het Alhambra en wordt bij het zien van al die arabesken, geschulpte koepels en sprookjesachtige zalen toch weer overweldigd door een sensatie van eentonigheid.
Hij verwijt de oosterse kunst zich tevreden te stellen met de vermenigvuldiging van de decoratieve elementen. Ze is een kunst van opeenstapeling, van kristallisatie (met de "perfectie van spinnenwebben"), niet van ontwikkeling en expressiviteit. Het is een wereld die slechts in schijn gecompliceerd is, maar in werkelijkheid op één enkele noot getoonzet.
Een kunst zonder individualiteit, waarvan de overvloed aan versiering het gebrek aan bezieling moet verhullen. Een kunst waaraan men de verdienste van een grenzeloze verbeeldingskracht heeft toegeschreven, terwijl ze in een vicieuze cirkel ronddraait, en er nooit in slaagt om door de vermenigvuldiging van haar elementen een tertium quid, een onvoorziene harmonie, een wonder, te verwezenlijken.
[...]
Zo gering is het gewicht van het individu, zo weinig persoonlijk de lijn der gebeurtenissen, dat de verhalen in elkaar over lijken te vloeien, in onze herinnering vervagen, als dromen samensmelten, zonder abrupte overgangen of onverwachte schokken.

In die passages bereikt het pyrotechnisch proza van Praz zijn hoogtepunt. Hallucinant om voor ogen te houden dat
De mythe van romantisch Spanje een jeugdwerk is — voltooid in zegge en schrijve één zomer. Bizar is wel dat Praz' bombarie haaks staat op de sobere lijn en de exacte verhoudingen die hij zegt voor te staan. De illustraties die in het boek zijn opgenomen en de retorische lavastroom af en toe te onderbreken worden door de lezer dankbaar begroet.
De vaardigheid heeft zich toegespitst op het uitwerken van details, zonder acht te slaan op structuur of lijn. Kunst vervaardigd met de ambachtelijkheid van een goudsmid, nauwgezet, gericht op het creëren van verrassende, oogverblindende effecten, waarin de kwantiteit de kwaliteit tracht te vervangen en de overdaad een rijkdom aan inventiviteit wil suggereren. Het detail is niet organisch, het heeft geen functie en het is ook geen deel van een geheel; het is een schelp, een palmet, een arabeske, een krul, een tierelantijn, een niemendalletje dat overal een plaats kan vinden omdat het uitwisselbaar en grillig is. Hoe vaardig de hand van de maker ook is, het brein van de ontwerper is middelmatig. Het is provinciaalse kunst, die overdaad verwart met rijkdom en daarom overdrijft. Ook is het detail niet altijd even vaardig uitgevoerd; soms lijkt de kunstenaar op een pianist die de onvolkomenheid van zijn optreden verhult met een vingervlugheid die alleen onervaren oren kan misleiden. En zoals gewoonlijk is die goudsmeedkunst verschrikkelijk eentonig."
Grappig: deze filippica, althans de strenge toon ervan, wordt door Praz weer even vakkundig gerelativeerd in een later hoofdstuk, waarin hij zijn bezoek aan de kathedraal van Segovia memoreert. Daarin lijkt de Italiaanse inquisiteur ineens veranderd in een schertsfiguur uit de commedia dell'arte: wanneer een nieuwsgierige Praz een weerspannig gordijn bij het altaar wegrukt om te zien wat er zich achter bevindt, komt een stuk muur mee naar beneden. Van het kruisbeeld, de kandelaars en de votiefplaten op het altaar blijft weinig over. Als een schooljongen kiest Praz het hazepad.
In het laatste deel van zijn boek hakt Praz nog een keer in op de Spaanse mystiek uit de zestiende en zeventiende eeuw. Hij laat twee fictieve figuren — de heer Breedveld en de heer Smallegang — met elkaar dialogeren over de zin en onzin van devotie, ascese en meditatie. Dat stuk zat ik met lange tanden uit (ik verfoei alles wat naar mystiek zweemt), al merk ik aan mijn potloodstreepjes dat ik toch wat sympathie opbracht voor Smallegang, die strenger in de leer is dan Breedveld, en diens extatische excessen bekritiseert.
Ik houd mij aan de definitie van het mystieke leven die Pseudo-Dionysius de Areopagiet ons nagelaten heeft; de drie kenmerken van passiviteit, nederigheid en bezitloosheid moeten herkenbaar zijn.
[...]
De extase is een lagere vorm van mystiek beleven. Zij is in feite het resultaat van een conflict tussen onze normale aard en een mysterieuze exaltatie van de ziel. Zij is de uiting van de onderdrukte zinnen die een plaatsvervangende uitlaatklep trachten te vinden en in de leegte doormalen. Die zinnen waren op zoek naar voldoening en vonden een excuus om zich op het verkeerde te storten; maar zij hebben geen substantie aangetroffen. Vandaar de bezwijming, de extase. Daarom is San Juan de la Cruz heel streng in zijn veroordeling van geestvervoeringen, dromen, visioenen: die behoren alle tot de zintuiglijk waarneembare wereld. Extase, vervoering, lichamelijke verplaatsing, dergelijke toestanden komen altijd voor als de communicatie niet zuiver geestelijk is. Dat zegt San Juan de la Cruz in zijn Donkere nacht. De mysticus die zich daaraan overgeeft raakt op een dwaalspoor en verlaat de weg naar de zuivere contemplatie.
De mythe van romantisch Spanje is een plezante, passionele tekst. In de meeste gevallen slaagt Praz er wel degelijk in twijfel te zaaien. Soms geeft de argumentatie de doorslag, soms de gratie van zijn zinnen. In het vuur van de strijd overdrijft Praz wel eens en wordt hij een dolzinnige advocaat, bijvoorbeeld wanneer hij de grillige contouren van Italië vergelijkt met de saaie runderhuid waar de landsgrenzen van Spanje doen aan denken. Tja.
H.M. van den Brink biedt in het nawoord trouwens prima weerwerk en legt uit door welke gekleurde bril Praz op zijn beurt de zaken bekeek.
Ergens trekt Praz zelf onbewust zijn boek in twijfel, waar hij aangeeft hoe makkelijk het is een uitheemse eigenaardigheid als een gebrek of zonde te zien. Wat voor de een Engelse terughoudendheid is, beschouwt de ander als hypocrisie; de een prijst de Italiaanse levendigheid, de Germaanse volkeren noemen haar aanstellerij.
Zolang de wereld bestaat, is een vreemd land voor de reiziger een toneel en zijn de bewoners de acteurs. Hij weet dat hij over korte tijd weer zal vertrekken en voelt niet de behoefte toegelaten te worden tot andermans intimiteit. Hij is een stille getuige. Evenals het koor in een Griekse tragedie kan hij niets doen om het lot te wijzigen. Het is alsof hun gezichten, gebaren en handelingen naar hem toe gedragen worden op het licht van een verre planeet dat al duizend jaar onderweg is. Het leven dat zich voor zijn ogen afspeelt zou net zo goed tot het verleden kunnen behoren, daar de ruimte waarin de reiziger zich afspeelt een andere snelheid kent dan de ruimte waarin de plaatselijke bevolking leeft; en niet tot dezelfde ruimte behoren staat gelijk aan niet in dezelfde tijd leven. Alleen al omdat hij een vreemdeling op doorreis is, lijken de omstandigheden iets afgeronds te hebben, zoals dat vanzelfsprekend is als ze tot het verleden behoren.
(Boek gelezen begin augustus 2007.)> lees een fragment uit dit boek op
Prins van Denemarken> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder
> zie ook
Het Alhambra van
Robert Irwin op
Achille>
Reinterpreting Romanticism in Spain door
Joan Ramon Resina [findarticles.com]
>
http://en.wikipedia.org/wiki/Spanish_mysticsMario Praz, De mythe van romantisch Spanje
270 p.
Uitgeverij Nijgh en van Ditmar, 1992
Oorspr. Penisola pentagonale (1928)
Vertaald door Ike Cialona____