vrijdag 29 februari 2008

Het redmiddel van de verbrokkeling

"Als je niet schrijven kon, dan was er altijd nog het redmiddel van de verbrokkeling: men maakte het verhaal daardoor weliswaar ideeloos, ongenietbaar en onbegrijpelijk, maar het ontbreken van orde en eenheid van visie maakten je meteen ook onkwetsbaar voor de kritiek, die immers geen oordeel kon vellen over een idee of een visie die er niet waren."

Gerard Reve, in De stille vriend

____

Lissabon, een logboek - José Cardoso Pires

Mijn beeld van Lissabon wordt vooral gedomineerd door de schaduw van mijn dierbare Fernando Pessoa, die de stad in zijn eentje tot literair bedevaartsoord herschiep.

Maar een stad herleiden tot wat één schrijver ervan gemaakt heeft -- Kafka's Praag is het bekendste voorbeeld -- is behoorlijk ridicuul. Dat was de reden om de notities bij dit boekje te herlezen. Op zoek naar een second opinion. Maar: in het laatste boek dat José Cardoso Pires voltooide voor zijn dood ontkomt ook hij niet aan de figuur van Pessoa.

"‘Lissabon is mijn thuis!’ schreef hij met de pen van Bernardo Soares. En zo was het. Hij bewoonde haar op zijn manier, emotieloos, in zichzelf gekeerd, heb ik de indruk, en vandaar de ontgoochelde intimiteit waarmee hij haar toevertrouwde aan het papier. Hij leerde haar kennen op vele adressen: kantoren, de benedenstad uit de tijd van Pombal, van Galiciërs overgenomen eethuisjes, koffie-met-aguardente knijpjes, huurkamers van Arroios tot Campo de Ourique (adressen van eenzaamheid, eenzaamheid) maar met dat alles doorliep hij (of beter gezegd, las hij) haar langs lijnen van rusteloosheid, met meer aandacht voor haar ziel dan voor haar stem. Lissabon was voor hem een gemoedstoestand (‘De Rua do Ouro oplopend, aan alles denkend wat niet de Rua do Ouro is’, zal hij haar niet zo hebben gekend, arm in arm met Álvaro de Campos?)"

Wat ik mij vooral afvroeg: in Neef Bazilio heeft Eça de Queiroz het negentiende-eeuwse Lissabon afgeschilderd als een provinciaal nest. Volgens José Rentes de Carvalho in zijn nawoord bij die roman, is er wat dat betreft niet zo gek veel veranderd. Had Pires iets te melden over die kwestie in Lissabon, een logboek?

Welnu, Pires drijft inderdaad de spot met de Portugese neiging nog half in het verleden te leven en de geschiedenis van de eertijds grote zeevarende natie te verheerlijken. De gemeenplaats, de alom bekende droefgeestige nostalgie, de saudade.

"Niet voor niets noemt men een uurwerk in onvervalst Lissabons een ‘krab’, een dier met een misleidende gang dat doet alsof het achteruit loopt terwijl het zijwaarts kruipt, zodat niemand weet welke kant het op gaat."

Tegelijk, in zijn esthetiserende aanpak en in het trots aanhalen van schrijvers die over Lissabon hebben geschreven (Tirso de Molina, Fielding, Sade, Tabucchi), lijkt Pires net te beantwoorden aan dat cliché. Conserveren en consacreren.

"Intussen lijkt de Santa-Catarinaheuvel, hoog verheven en in afstandelijke rust, niets te maken te hebben met wat er rondom gebeurt. Hemel en Taag zijn het enige gezelschap en er heerst een provinciale stilte die ons buiten de tijd plaatst. Hier kun je in eenzaamheid tot achter de horizon kijken: dat is precies wat de mensen uit Lissabon bedoelen wanneer ze zeggen ‘schepen zien vanaf de Santa-Catarinaheuvel’. Ze doelen daarmee op deze plek als uitkijkpunt met zicht op een reis waarvan we dromen maar die voor onze ogen in rook opgaat."

Wat Pires zelf aandraagt in dit 'logboek' zijn mijmeringen over de emotionele waarde van de topografie van zijn stad, met zijn geuren en kleuren, doorkijkjes en dwarsstraatjes. Hij slentert langs de Lissabonse Rua's, maar doet dat in een veel meditatiever tempo dan Pessoa in diens haastig in elkaar geflanste reisgids Lissabon : wat de toerist moet zien.

Het mooist zijn de passages over de azulejo's: de geglazuurde wandtegels met geschilderde decoratie (traditioneel vaak blauw op witte ondergrond), eventueel in reliëf, gebruikt als muurbekleding en voor decoratieve tegeltableaus.

"Ik weet best dat de Avenida de Roma in de tijd van Álvaro de Campos nog niet bestond (en jij hebt zelfs nooit bestaan), maar de trottoirs van Lissabon waren sinds lang versierd met steentjespatronen, ingelegd door dynastieën handwerkslieden die wij maar eenvoudigweg stratenmakers noemen. Je zou ze eens moeten zien, werkelijk waar. Makers van ongesigneerde meesterwerken, dat waren ze altijd en dat zijn ze nog, maar handig en geduldig als geen ander. Met een slim hamertje bikken ze brokken basalt in de holte van hun hand, die ze daarna als zwarte diamanten invoegen in het roomwitte trottoir. Ze stellen een eer in hun artistieke bekwaamheid, zijn zowel meesters in de vrije vorm als in de meetkundige vlakverdeling en leveren zo nodig zelfs kalligrafische inscripties in de beste traditie van de pennenkunst. Stratenmakers. Ik weet niet hoe je dat zegt in het Engels, maar ik zou ze stoepdecorateurs of trottoirjuweliers noemen, als dat niet te literair klonk. Zij zijn het, knoop dat in je oren, die de wegen die wij, Lissabonbewoners, dagelijks bewandelen, verfraaien en met herinneringen bezaaien."

"Stratenmakers. Wie het geluk heeft deze gebogen meesters in hun steentjeszee tegen te komen, moet wellicht denken aan gehurkte scribenten. Of als men ze afbeeldingen in stippellijntjes ziet neerzetten volgens het procédé van de huidgraveurs, zal men ze misschien aanzien voor kroniekschrijvers die het lichaam van de stad middels bijna rituele perforaties voorzien van in basalt uitgevoerde tatoeages, en dan is het alsof de figuren, de data of de symbolen die het menselijke toneel versieren ook als toneeldecor van de straten zélf dienen."

Een stemmig boekje, dat hinkt op twee gedachten.

(Gebaseerd op notities van 8 december 2003.)

José Cardoso Pires , Lissabon, een logboek : stemmen, gezichtspunten en mijmeringen
96 p.
Uitgeverij Bas Lubberhuizen, 1998
Oorspr. Lisboa, livro de bordo (1997)
Vertaald door Catherine Barel en Arie Pos

____

donderdag 28 februari 2008

Gabriel Hanotaux

"Gabriel Albert Auguste Hanotaux (1853 -1944) est un diplomate, historien et homme politique français (classé à droite). (...) Gabriel Hanotaux a publié divers ouvrages historiques dont le plus connu et le plus important est l'Histoire du cardinal de Richelieu (2 vol., 1888). Il est aussi l'auteur d'un essai de référence sur les Origines de l'institution des intendants des provinces (1884) et d'une Histoire de la France contemporaine (1871-1900) (1903-1908) qui est un classique."



____

George Borrow

"George Henry Borrow (1803- 1881) was an English author who wrote novels and travelogues based on his own experiences around Europe. Over the course of his wanderings, he developed a close affinity with the Romani people of Europe, and they figure prominently in his work. His best known book, Lavengro, is largely autobiographical."

> http://en.wikipedia.org/wiki/George_Borrow

____

Wilhelm von Bode

"Wilhelm von Bode (1845 -1929), gebürtig Arnold Wilhelm Bode, geadelt 1914, war ein bedeutender deutscher Kunsthistoriker und Museumsfachmann und gilt als der Mitbegründer des modernen Museumswesens. Bode war eine der zentralen Persönlichkeiten in der deutschen Kultur des späten 19. und frühen 20. Jahrhunderts."

> http://de.wikipedia.org/wiki/Wilhelm_von_Bode
____

woensdag 27 februari 2008

Datumloze dagen - Jeroen Brouwers

Mijn vrouw en ik hebben geen kinderen en we zijn ook niet van plan om er ooit te hebben. Dat is een reflex die we op feestjes vaak moeten verdedigen voor een jury van leeftijdsgenoten. 'Egoïsme', klinkt het dan.

Het feit dat we beiden enig kind zijn geweest verschaft sceptici ook altijd voldoende munitie voor hun al te eenvoudige theorieën. Terwijl wél kinderen willen natuurlijk niets met altruïsme te maken heeft, maar met oerinstinct.

Over de werkelijke motieven van onze kinderloosheid denk ik geregeld na. Mijn vrouw zegt op vastbesloten toon al genoeg met kinderen te maken te hebben op haar werk. Klaar. Bij mezelf speelt gemakzucht zeker mee, maar meer nog het feit dat ik deep down geen kinderen kan uitstaan. Beter: hun ongecontroleerde extraversie kan ik niet uitstaan, hun conformisme, hun onverschilligheid en -- ondanks het cliché -- hun gebrek aan fantasie.

Tegelijk kan de aanblik van een stil, ingetogen, zelfredzaam hummeltje op een onbewaakt moment mij bijna tot tranen toe roeren.

Niettemin, hoewel we met zijn tweetjes alles goed hebben doorgepraat, vrees ik de dag dat ook bij mijn vrouw het moederinstinct doorbreekt. Geen denken aan dat zoiets te onderdrukken valt.

Datumloze dagen zoog ik met grote teugen naar binnen omdat Jeroen Brouwers prachtig stem geeft aan die duistere, wrokkige kantjes waar ik mee worstel, en naar ik veronderstel veel mannen.

Zijn hoofdpersoon is een zestiger die met bitterheid in zijn stem terugblikt op de relatie met zijn eerste vrouw en zijn ongewenste zoon. Hij heeft het over "het gluton van het huwelijk", het vastgeklonken zijn "met onzichtbare, alleen door brute kracht te verbreken maatschappelijke kettingen". Intussen raast zijn leven voorbij. Brouwers zet meerdere beelden in om dat proces gestalte te geven: de wegdrijvende ballon, de denderende hogesnelheidstrein en de datumloze dag.

"Welke datum droeg die krant? Dat ik me dat afvroeg, weet ik nog: ik had het gevoel of mijn leven datumloos was geworden en dit verder altijd zou blijven, het gevoel dat de tijd blanco langs mij heen voorbijjoeg en ik een onbestaan leidde."

Tot daar aan toe, maar zijn vrouw Mirjam wil dus een kind. De man gruwt van dat idee.

"Zo’n deddelkindje blijft niet het snoezelige poezelige menselijke huisdiertje dat op handjes en knietjes over het vloerkleed krabbelt."

Voor zover ik de biografie van Brouwers ken, put hij uit eigen ervaringen. Ik herinner mij dat Kroniek van een karakter een paar openhartige brieven bevat over hetzelfde thema. In Datumloze dagen, onder het mom van fictie, kan Brouwers zijn ongenadige, bijna barbaarse reflecties helemaal de vrije loop laten.

"Het getrouwde meisje verlangde een pop die mama kon zeggen en zijn oogjes sluiten als je hem achterover in bedje legde, een pop die je met een lepeltje kon voeren en die ook echt kon blèren, pissen en schijten, zo’n pop moest en zou ze indien niet goedschiks, dan door middel van listen hebben. Zo zijn vrouwen nu eenmaal gemaakt."

"Biologische klok? Zeg maar tijdbom. Vrouwen houden zich niet aan afspraken en beloften zodra hun onderbuik begint te tochten en ze blind gehoorzamen aan hun instinct tot ritsigheid."

Maar: de vrouw verschalkt hem, door opzettelijk haar vruchtbaarheidscyclus mistig te houden. Het kind wordt verwekt in Venetië. Wanneer dat staat te gebeuren laat Brouwers een "dodensloep" met gondelier in rouwkostuum en lange zwarte linten aan het raam voorbijtrekken en daar moest ik hard om lachen. Brouwers is in zijn romans en verhalen altijd druk in de weer met herhalingen, modulaties en over elkaar schuivende motieven, maar de onnavolgbare zwarte humor in Datumloze dagen maakt die uitsloverij goed verteerbaar.

"Een aanstaande vader die zich niet verheugt op de komst van zijn eerste kind? Is daar al eens een musical over gemaakt?"

Niet minder komisch is de zure manier waarop Brouwers de rest van de zwangerschap beschrijft: de bolle buik, de echografie, de verlostafel, het geschuifel van de vader in de "zuigelingenruimte", de aarzelende fysieke intimiteit met zijn kind, zijn gemijmer over wat dat kleine mannetje van hem zal hebben overgeërfd. Overal laat Brouwers de schelle lamp van zijn cynisme over schijnen en ik werd er alleen maar welgemutster van.

"Haar voorkant begon uit te puilen, ze leek een gummibal in haar ingewand mee te dragen, die dagelijks verder werd opgepompt tot ze misschien uit elkaar zou spatten, de nooit meer door mij aangeraakte, nooit meer door mij gekuste echtegenote. In visioenen zag ik haar op navelhoogte openscheuren, om doorgang te forceren voor zo’n parasitaire vleesklomp, in een vlies van zwart borrelend bloed en rubber uit haar opdoemend om haar en mijn verdere leven onscheidbaar en gulzig voortwoekerend aan haar vast te blijven zitten, zoals dat wanschepsel in het museum."

Annunciatieschilderijen
De tweede helft van de roman is minder omdat Brouwers nu eenmaal niet zo sterk is als er interactie met meerdere mensen bij te pas moet komen. Hij is het best wanneer hij bij grauwe, tobberige mannelijke hoofdpersonen naar binnen mag kijken. Maar hier moet hij dus de relatie met zijn opgegroeide zoon beschrijven.

Het huwelijk loopt op de klippen, de zoon wordt door de vader uit het oog verloren. Hij ontmoet hem op latere leeftijd, wanneer die een hippieachtige straatartiest is geworden en, nog later, wanneer die een rolletje in een musical heeft. Uitgerekend in een musical.

"Geen idee waar het over gaat, veel gespring en heen en weer gedraaf, gebaartjes, hupjes, pasjes, beweginkjes, voortdurend barst iemand of barst het hele gekostumeerde gezelschap los in gezang waar zelden een woord van is te verstaan, de muziek is karakterloos, het verhaaltje te onnozel om naar te kijken en alles is fluffig als geklopt eiwit."

De vader benijdt niettemin het zwerversleven van de zoon, dat hem ooit als ideaal voor ogen stond -- de rol van de tot eeuwig dolen veroordeelde jood.

"Altijd onderweg, zonder plan, zonder doel, zonder ergens enige verplichting, zonder huis, zonder vrouw, tenzij een toevallige voor een nachtje, een tijd, en uiteraard zonder kind, zonder maatschappelijke ballast, todat het leven op zekere dag opeens vanzelf voorbij zou zijn, zoals een wolk oplost aan de hemel."

Het probleem is dat ik dan al niet meer echt geloof in Brouwers' ik-figuur. Hij wordt neergezet als een leraar talen, die volgens piepkleine alinea's eerst verbonden is aan een Amerikaanse universiteit en daarna in Parijs een heenkomen heeft gevonden.

"Ik ben tweeënvijftig en dus op de leeftijd gekomen dat het merendeel der mensheid jonger is, ik doceer Nederlandse literatuur in Parijs, waar ik al jaren in het zesde arrondissement woon, toch nog keurig hertrouwd, met een Française, Sylvie, halverwege de veertig, schilderes van esoterische hallucinatietaferelen waarmee ze een zekere bekendheid geniet (…)"

Dat zal wel, denk ik dan. Het zijn de ogenblikken waarop ik besef waarom een Philip Roth een schrijver met wereldfaam is, en Brouwers een nagenoeg onbekende, boze trol uit de Lage Landen.

De ik-figuur is me ook te kunstig-literair. Mooie vrouwen doen hem aan annunciatieschilderijen denken, de naam van zijn zoon, Nathan, roept enkel letterkundige associaties bij hem op. En Nathan zelf blijft van bordkarton.

Gelukkig zijn er de hilarische seksuele avontuurtjes van de ik-figuur die enige tientallen bladzijden de lezer bij de les houden en de grandioze manier waarop Brouwers op gezette tijden terugkoppelt naar diens leven als grijsaard, langzaam uitdovend in een verlaten bos.

"Al deze tijdstippen zijn nu verklonterd tot één en hetzelfde tijdstip, als tot één datumloos geworden periode van enige maanden waarin de dingen plaatsvonden, zonder dat ik er nog benul van heb in welke volgorde het allemaal gebeurde, erop terugkijkend lijkt alles in hetzelfde tijdsperspectief zijn beslag te hebben gekregen. Mijn herinneringen eraan zijn scherp, maar lopen ongestructureerd door elkaar, ik moet er een nieuwe logica aan geven, nu ik ze vertel zoals ze willekeurig bij me opkomen, zoals bladeren willekeurig van de bomen vallen en nieuwe samenhang krijgen als bladerentapijt in een herfstbos."

Dat allemaal, én het feit dat Brouwers' smakelijke zelfbeklag en barok onvermogen altijd een belevenis zijn. Stilistisch is hij beter in vorm dan ten tijde van Geheime kamers. Datumloze dagen is een zeer fysieke, zintuigelijke roman. Elke drie bladzijden is er wel een beschrijving, een invalshoek, een klasseflits waar ik mijn hoed voor afneem.

"De stok glipt uit mijn hand en klettert tegen de vloer, ik denk dat er barsten in de muren ontstaan door het angstaanjagend, onheilspellend klinkende geluid."

Het verhaal zelf komt godzijdank ook op zijn poten terecht. Brouwers heeft een fantastische finale bereid, eentje met een huiveringwekkende, onontkoombare logica.

> lees een lang fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Jeroen Brouwers, Datumloze dagen
190 p.
Uitgeverij Atlas, 2007

____ brouwerskey

dinsdag 26 februari 2008

Het tuurtouw - Jeroen Brouwers

Ik houd van schrijvers, niet van uitgevers. Ik had dit boekje aan mij laten voorbij gaan, ware het niet dat Jeroen Brouwers behoort tot de weinige schrijvers die bij alles wat ze aanraken een minimum aan interesse kunnen opwekken bij de lezer.

Dat was niet anders met dit in memoriam voor Geert van Oorschot -- een man met wie ik niets heb, laat het dan een grote uitgever zijn geweest.

Brouwers was bevriend met Van Oorschot, maar vanop een afstand, zodat Het tuurtouw kan resulteren in een warm maar stijlvol portret. Enerzijds wordt de mythe Van Oorschot door een paar ontwapenende anekdotes herleid tot een mens van vlees en bloed, anderzijds blaast Brouwers de persoon achter de dorre, nevengeschikte feitelijkheden van de Wikipedia-pagina tot leven.

Je zou wensen dat er van elke belangwekkende figuur een klein, handzaam boekje als Het tuurtouw bestond.

"Nu ik dit schrijf ben ik altijd nog meer dan tien jaar jonger dan hij was toen wij in 1968 brieven begonnen te wisselen. Hij liep toen naar de zestig. Toen hij de zeventig naderde, schreef hij mij vanuit Delft, waar hij die dag moest zijn:
‘In de tram naar het station kreeg ik de schrik van mijn leven: een jong meisje stond voor mij op. Ze was te lief om van haar aanbod geen gebruik te maken, maar ik zat daar wel opeens als een oud man, een bejaarde zo je wilt.’
Hij was natuurlijk al héél lang ‘u’ en ‘meneer’, en de meisjes waar hij van dagdroomde werden almaar jonger. Hij zou graag nog, zo verklapte hij mij eens, willen trouwen met een ‘maagdje’ (zijn term) van een jaar of zeventien, achttien, kon ik hem soms aan zo’n exemplaartje helpen, had ik niet een zusje, of nichtje, of kende ik niet een zielig weesmeisje of zoiets in de beoogde leeftijdklasse? Neen, ik hield er niet zo’n winkeltje op na."


Overigens: een tuurtouw is een touw waarmee een schaap aan een paaltje vastzit om hem een bepaald stuk land te laten afgrazen. De titel verwijst naar de eerste echte ontmoeting tussen Brouwers en Van Oorschot, toen de uitgever de schrijver kwam opzoeken in het Belgische Vossem. Hij wou dat Brouwers zijn baan opgaf, verhuisde en al zijn tijd aan schrijven zou besteden.

"Je moet van je tuurtouw los."

En aldus geschiedde. Het werd het begin van een wisselvallige vriendschap. Het tweetal praatte met elkaar, telefoneerde, schreef brieven. Briefje van Van Oorschot uit 1978:

"‘Gisteren heb ik de moestuin omgespit en vier zware ligusterstruiken uit de grond gehaald. Ik had ineens het gevoel nog wat te kùnnen."

Jeroen Brouwers laat terwijl hij herinneringen ophaalt een stukje van zijn interne keuken zien. Zoals het een rasschrijver betaamt beschouwt hij de mensen in zijn omgeving bij leven al als personages van een nog te schrijven boek: wanneer een conversatie over de telefoon met Van Oorschot is afgelopen, diept Brouwers vlug zijn notitieblokje op om de essentialia neer te pennen en een plaatsje te geven in zijn beruchte archief.

Met dergelijk materiaal geeft Brouwers nu al decennia lang eigenhandig het genre van het literaire in memoriam vorm in Nederland, en hij doet dat magistraal. Elke zin is zichtbaar het resultaat van ploeteren, grondig overdenken, consciëntieuze indikking.

Om Van Oorschots karakter te typeren gaat de metaforendoos wijdopen. Eerst vergelijkt hij de warmte die Van Oorschot kon uitstralen met een "te hoog opgestookte vulhaard in een klein vertrek", elders probeert hij beelden te vinden om des uitgevers broosheid en knorrigheid met elkaar te verzoenen.

"Tere huid, hartje van bladerdeeg. Sentimenteel en pathetisch. Hoe hem adequaat te benoemen? Bromtol van smeltend fondant? Gietijzeren knuffelrinoceros, die als je hem op z’n rug legt mama zegt en als je hem rechtop zet godverdomme?
Zijn eigen ‘grote romantische kwetsbaarheid’ dan, zijn eigen hunkeringen en zijn eigen heimwee naar het voorbije, het voorbije, o, en voorgoed?"


Daarnaast is het Brouwers talent dat hij van elk miniem voorval toch iets weet te maken.

"Wij stonden eens, ieder een glaasje Spa in de hand, tijdens zo’n gelegenheid met elkaar te praten, toen ik door iemand werd aangeklampt met het verzoek om ergens een spreekbeurt te houden, of anderszins ‘een optreden te verzorgen’. ‘Daar komt niets van in’, sprak Geert als ware hij mijn impresario-engelbewaarder, ‘meneer Brouwers moet schrijven, en niet optreden.’ Het mij bij die gelegenheid geboden honorarium van tweehonderd gulden bleek een paar dagen later toch op mijn bankrekening te zijn overgeschreven: - door G.A. van Oorschot, Amsterdam. Omschrijving: ‘Om niet te hoeven “op te treden”. Laat ze allemaal doodvallen.’"

Het tuurtouw deed me zin krijgen om de paar boeken briefwisseling te lezen die Van Oorschot onderhield met Reve, Hermans en vele anderen. Nu, puur informatief, heb ik voorlopig aan de wetenschap genoeg dat bepaalde scènes en de hoofdpersoon uit Winterlicht -- altijd al een van mijn favoriete Brouwersboeken -- gebaseerd zijn op voorvallen uit het leven van Van Oorschot.

(Gebaseerd op notities van 17 juli 2006.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectief namenregister in de commentaren hieronder
> zie ook Feulletons 1 van Jeroen Brouwers op Achille
> Geert van Oorschot in het Biografisch Woordenboek van Nederland
> http://www.vanoorschot.nl/

Jeroen Brouwers, Het tuurtouw : ter herinnering van Geert van Oorschot
67 p.
Uitgeverij Van Oorschot, 1989

____ brouwerskey

Criticisms of Wikipedia - A Compendium

"One thing that is clear, after looking at Wikipedia for several years, is that these problems are not getting better, they are getting worse."

> http://wikipediareview.com/blog/20080104/criticisms-of-wikipedia/

____

maandag 25 februari 2008

De mythe van romantisch Spanje - Mario Praz

Er valt altijd wel wat te beleven in een boek. Een eigenzinnig koninkrijk van Peter de Waard las ik met plezier, omdat het mijn vooroordelen jegens de Engelsen recht van bestaan gaf. Maar even fijn is het om te zien hoe iemand de vloer aanveegt met vastgeroeste ideeën. En kijk, Mario Praz brengt in De mythe van romantisch Spanje al zijn eruditie, hartstochtelijkheid en wrok in stelling om de gemeenplaatsen die er over Spanje de ronde doen uit de wereld te helpen.

De Italiaanse kunstkenner en literatuurcriticus kan het immers niet hebben dat de glorie van zijn geliefde vaderland afstraalt op het Iberische schiereiland. Spanje is in zijn ogen niet meer dan een flauw afkooksel.

Door een soort contaminatie wordt de hele wereld van passies en hebbelijkheden van de Italianen, die ontdekt is door de eerste jagers op het exotische, de Elizabethanen, en herontdekt door Stendhal en de romantici, als gevolg van een oppervlakkige generalisatie van ideeën over het Zuiden ook het Spaanse volk toegedicht.
Grote boosdoeners volgens Mario Praz zijn de Duitse en vooral Franse romantici die het cliché van het schilderachtige, kleurrijke, warmbloedige Spanje creëerden: Mérimée, Musset, Hugo én Théophile Gautier, die er in zijn Voyage en Espagne (1843) als de kippen bij was om dat hogelijk gekunsteld beeld van Spanje nog verder aan te dikken. Reisagent Thomas Cook doet er tot op vandaag zijn voordeel mee. Praz vat dat beeld als volgt samen:
Vrouwen die hun leven doorbrengen op het balkon, volksdansen klepperend van de castagnetten en dreunend van het olé!, bedelaars als keizers in een gerafelde cape gehuld — verheven vodden — , struikrovers en mystici en dolende ridders, Don Quichotte, Ginés de Pasamonte, Lazarillo de Tormes, Gil Blas, de Heilige Theresa, Carmen, Conchita, kortom: bloed, wellust en dood."
Let op die laatste drieslag, die sterk doet denken aan de 'lust, dood en duivel' in Praz' gelijknamige meesterwerk over de literatuur van de romantiek. Als er iemand goed geplaatst is om sentimentele waanideeën te ontzenuwen, dan hij wel.

De reiziger die zijn ogen en zintuigen goed de kost geeft, wacht een grote teleurstelling, zegt Praz al vroeg in dit boek. Ze vinden een heel ander land "waarvan ze het wachtwoord niet kennen". Om dat te bewijzen trekt Praz alle registers openen, puttend uit ervaringen opgedaan tijdens zijn Spanje-reis in 1926.

Zo blijken Spanjaarden doorgaans vrij nuchter en veel minder romantisch "dan Engelse oude vrijsters en bankbedienden op vakantie". Praz hekelt hun duffe religieuze optochten, de lamme stierengevechten, de eentonige versmaat in Spaanse toneelstukken, het weinig doordacht eetpatroon (een enorme maaltijd, gevolgd door lethargie) en nog een paar dingen meer.

Don Quichotte bijvoorbeeld, is in zijn ogen een slaapverwekkende miskleun en ook de in andere kringen zo bejubelde mystieke teksten van Johannes van het Kruis en Theresa van Ávila ziet Praz als een bewijs van de grauwheid van de Spaanse volksaard.
Wat is eentoniger dan de donkere nacht van de ziel, het wachten van de mysticus ? Geen verlangen, geen angst, geen beweging, geen enkele impuls; een gevoel van anonimiteit, van onpersoonlijkheid, de ogen starend als die van een dode, de geest vaag en universeel als de leegte of het absolute; een staat van onzekerheid waarin men levend dood is en nog niet geboren in gelukzaligheid.
Een van de interessantste thesen in het boek, want voor de verandering eens verifieerbaar, betreft de Spaanse schilderkunst. Praz brengt de Spaanse zaal in de Londense National Gallery in herinnering en noemt naam en toenaam: terwijl de kleur van de hemel in de Italiaanse afdeling overheerst, zijn de doeken van Velázquez door aardkleuren verzadigd en laten de schilderijen van Goya vooral woeste en dorre landschappen zien. Spanje een bontgeschakeerd land?

De perfectie van spinnenwebben
Maar met voorrang het meest waardevol, voor mij, waren de beschouwingen over de Moorse architectuur. Die vormen overigens een essentieel deel van Praz betoog, want voor hem zijn bouwwerken een natuurlijk gevolg van het landschap waarin zij verrijzen...
...zoals een parel de kwintessens van een oesterscherp is, een samenvatting van de geest van het land, vertaald in getallen en maten door de socratische tussenkomst van de mens: architectuur is het zich bewust geworden landschap.
Praz' bevindingen zijn waardevol, omdat ze mij leerden scherper waar te nemen. De Moorse bouwkunst is bezwaarlijk lelijk te noemen, maar Praz toont zeer overtuigend aan dat er gradaties zijn van mooi en dat moeilijk te definiëren begrippen als 'diepgang', 'functionaliteit' en 'expressiviteit' daar een rol in spelen.

Praz neemt voor vier dagen zijn intrek in het Alhambra en wordt bij het zien van al die arabesken, geschulpte koepels en sprookjesachtige zalen toch weer overweldigd door een sensatie van eentonigheid.

Hij verwijt de oosterse kunst zich tevreden te stellen met de vermenigvuldiging van de decoratieve elementen. Ze is een kunst van opeenstapeling, van kristallisatie (met de "perfectie van spinnenwebben"), niet van ontwikkeling en expressiviteit. Het is een wereld die slechts in schijn gecompliceerd is, maar in werkelijkheid op één enkele noot getoonzet.
Een kunst zonder individualiteit, waarvan de overvloed aan versiering het gebrek aan bezieling moet verhullen. Een kunst waaraan men de verdienste van een grenzeloze verbeeldingskracht heeft toegeschreven, terwijl ze in een vicieuze cirkel ronddraait, en er nooit in slaagt om door de vermenigvuldiging van haar elementen een tertium quid, een onvoorziene harmonie, een wonder, te verwezenlijken.

[...]

Zo gering is het gewicht van het individu, zo weinig persoonlijk de lijn der gebeurtenissen, dat de verhalen in elkaar over lijken te vloeien, in onze herinnering vervagen, als dromen samensmelten, zonder abrupte overgangen of onverwachte schokken.


In die passages bereikt het pyrotechnisch proza van Praz zijn hoogtepunt. Hallucinant om voor ogen te houden dat De mythe van romantisch Spanje een jeugdwerk is — voltooid in zegge en schrijve één zomer. Bizar is wel dat Praz' bombarie haaks staat op de sobere lijn en de exacte verhoudingen die hij zegt voor te staan. De illustraties die in het boek zijn opgenomen en de retorische lavastroom af en toe te onderbreken worden door de lezer dankbaar begroet.
De vaardigheid heeft zich toegespitst op het uitwerken van details, zonder acht te slaan op structuur of lijn. Kunst vervaardigd met de ambachtelijkheid van een goudsmid, nauwgezet, gericht op het creëren van verrassende, oogverblindende effecten, waarin de kwantiteit de kwaliteit tracht te vervangen en de overdaad een rijkdom aan inventiviteit wil suggereren. Het detail is niet organisch, het heeft geen functie en het is ook geen deel van een geheel; het is een schelp, een palmet, een arabeske, een krul, een tierelantijn, een niemendalletje dat overal een plaats kan vinden omdat het uitwisselbaar en grillig is. Hoe vaardig de hand van de maker ook is, het brein van de ontwerper is middelmatig. Het is provinciaalse kunst, die overdaad verwart met rijkdom en daarom overdrijft. Ook is het detail niet altijd even vaardig uitgevoerd; soms lijkt de kunstenaar op een pianist die de onvolkomenheid van zijn optreden verhult met een vingervlugheid die alleen onervaren oren kan misleiden. En zoals gewoonlijk is die goudsmeedkunst verschrikkelijk eentonig."
Grappig: deze filippica, althans de strenge toon ervan, wordt door Praz weer even vakkundig gerelativeerd in een later hoofdstuk, waarin hij zijn bezoek aan de kathedraal van Segovia memoreert. Daarin lijkt de Italiaanse inquisiteur ineens veranderd in een schertsfiguur uit de commedia dell'arte: wanneer een nieuwsgierige Praz een weerspannig gordijn bij het altaar wegrukt om te zien wat er zich achter bevindt, komt een stuk muur mee naar beneden. Van het kruisbeeld, de kandelaars en de votiefplaten op het altaar blijft weinig over. Als een schooljongen kiest Praz het hazepad.

In het laatste deel van zijn boek hakt Praz nog een keer in op de Spaanse mystiek uit de zestiende en zeventiende eeuw. Hij laat twee fictieve figuren — de heer Breedveld en de heer Smallegang — met elkaar dialogeren over de zin en onzin van devotie, ascese en meditatie. Dat stuk zat ik met lange tanden uit (ik verfoei alles wat naar mystiek zweemt), al merk ik aan mijn potloodstreepjes dat ik toch wat sympathie opbracht voor Smallegang, die strenger in de leer is dan Breedveld, en diens extatische excessen bekritiseert.
Ik houd mij aan de definitie van het mystieke leven die Pseudo-Dionysius de Areopagiet ons nagelaten heeft; de drie kenmerken van passiviteit, nederigheid en bezitloosheid moeten herkenbaar zijn.

[...]

De extase is een lagere vorm van mystiek beleven. Zij is in feite het resultaat van een conflict tussen onze normale aard en een mysterieuze exaltatie van de ziel. Zij is de uiting van de onderdrukte zinnen die een plaatsvervangende uitlaatklep trachten te vinden en in de leegte doormalen. Die zinnen waren op zoek naar voldoening en vonden een excuus om zich op het verkeerde te storten; maar zij hebben geen substantie aangetroffen. Vandaar de bezwijming, de extase. Daarom is San Juan de la Cruz heel streng in zijn veroordeling van geestvervoeringen, dromen, visioenen: die behoren alle tot de zintuiglijk waarneembare wereld. Extase, vervoering, lichamelijke verplaatsing, dergelijke toestanden komen altijd voor als de communicatie niet zuiver geestelijk is. Dat zegt San Juan de la Cruz in zijn Donkere nacht. De mysticus die zich daaraan overgeeft raakt op een dwaalspoor en verlaat de weg naar de zuivere contemplatie.
De mythe van romantisch Spanje is een plezante, passionele tekst. In de meeste gevallen slaagt Praz er wel degelijk in twijfel te zaaien. Soms geeft de argumentatie de doorslag, soms de gratie van zijn zinnen. In het vuur van de strijd overdrijft Praz wel eens en wordt hij een dolzinnige advocaat, bijvoorbeeld wanneer hij de grillige contouren van Italië vergelijkt met de saaie runderhuid waar de landsgrenzen van Spanje doen aan denken. Tja.

H.M. van den Brink biedt in het nawoord trouwens prima weerwerk en legt uit door welke gekleurde bril Praz op zijn beurt de zaken bekeek.

Ergens trekt Praz zelf onbewust zijn boek in twijfel, waar hij aangeeft hoe makkelijk het is een uitheemse eigenaardigheid als een gebrek of zonde te zien. Wat voor de een Engelse terughoudendheid is, beschouwt de ander als hypocrisie; de een prijst de Italiaanse levendigheid, de Germaanse volkeren noemen haar aanstellerij.
Zolang de wereld bestaat, is een vreemd land voor de reiziger een toneel en zijn de bewoners de acteurs. Hij weet dat hij over korte tijd weer zal vertrekken en voelt niet de behoefte toegelaten te worden tot andermans intimiteit. Hij is een stille getuige. Evenals het koor in een Griekse tragedie kan hij niets doen om het lot te wijzigen. Het is alsof hun gezichten, gebaren en handelingen naar hem toe gedragen worden op het licht van een verre planeet dat al duizend jaar onderweg is. Het leven dat zich voor zijn ogen afspeelt zou net zo goed tot het verleden kunnen behoren, daar de ruimte waarin de reiziger zich afspeelt een andere snelheid kent dan de ruimte waarin de plaatselijke bevolking leeft; en niet tot dezelfde ruimte behoren staat gelijk aan niet in dezelfde tijd leven. Alleen al omdat hij een vreemdeling op doorreis is, lijken de omstandigheden iets afgeronds te hebben, zoals dat vanzelfsprekend is als ze tot het verleden behoren.
(Boek gelezen begin augustus 2007.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder
> zie ook Het Alhambra van Robert Irwin op Achille
> Reinterpreting Romanticism in Spain door Joan Ramon Resina [findarticles.com]
> http://en.wikipedia.org/wiki/Spanish_mystics

Mario Praz, De mythe van romantisch Spanje
270 p.
Uitgeverij Nijgh en van Ditmar, 1992
Oorspr. Penisola pentagonale (1928)
Vertaald door Ike Cialona

____

zondag 24 februari 2008

Theoretical resources off- and online

PhilWeb is devoted to exploring the many, varied and often opposed attempts by human beings to conceptualise the nature of 'things.' It is concerned, as such, with nothing less than the history of as well as the cultural and topical diversity of 'thought.

> http://www.phillwebb.net/
____

Et in Wikipedia ego [4]

> http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_historical_encyclopedias
> http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_encyclopedias_by_language
> http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_online_encyclopedias
> http://en.wikipedia.org/wiki/encyclopedias_by_branch_of_knowledge
> http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_digital_library_projects

> meer
____

Websites klassieke oudheid

Portaalsite van het Sint-Bavohumaniora, Gent.

> http://www.sbh-gent.be/klassiek.htm
____

zaterdag 23 februari 2008

Library, the drama within - Diane Asséo Griliches

De tientallen platen die fotografe Diane Asséo Griliches heeft verzameld in Library, the drama within beelden geen enkele moderne of recent gebouwde bibliotheek af.

Integendeel, Griliches zocht in de oude getrouwe American Library Directory juist naar bibliotheken met geschiedenis.

Met andere woorden: bibliotheken die door hun omvang en majesteitelijke architectuur het oude optimisme weerspiegelen van de tijd waarin ze gebouwd werden. De bibliotheek als democratische resultante van een zelfbewuste burgermaatschapij.

De foto's, alle afgedrukt in zwart/wit, liggen niet buiten het bereik van de moderne amateurfotograaf met enige expertise, maar dat zal de ware boekenliefhebber een zorg zijn. Griliches toont de romantiek van de fichebak, het claustrofobische kantoor van de man die verantwoordelijk is voor het aanschafbeleid, het contrast van moderne computerterminals temidden van een neo-classicistisch decor en, natuurlijk, eindeloze rijen boekenkasten.

Het is zoals de Amerikaanse literatuurcriticus Anatole Broyard ooit met recht en reden zei: voor de bibliofiel bieden boekenkasten een even boeiend schouwspel als de aanblik van een stad of een rivier.

Er is een foto van een blindenbibliotheek, een uitzicht op de main reading room van de Library of Congress (de grootste bibliotheek ter wereld, waar elke dag 31.000 nieuwe items op een nijvere catalograaf wachten!) en een blik in een bibiotheekzaal waar klassieke muziekpartituren worden bewaard. Op dat laatste plaatje staat toevallig timpanist Vic Firth afgebeeld, die geen drummer onbekend zal zijn.

Andere bibliotheken op Angelsaksische bodem die het vermelden waard zijn: de universiteitsbibliotheek van Harvard (de grootste in zijn soort), de William Rainey Harper Memorial Library in Chicago, de prachtige Redwood Library in Newport, de Huntington Library in Californië, de Folger Shakespeare Library, de Pierpont Morgan Library (genoemd naar zijn stichter en financier), de London Library (de grootste onafhankelijke uitleenbibliotheek ter wereld), het St.-Johnnsbury Athenaeum in Vermont, de universiteitsbibliotheek van Berkeley en de onvermijdelijke Bodleian Library in Oxford.

Ik nam de gelegenheid te baat om eindelijk eens uit te zoeken of de beelden die worden getoond van de New York Public Library in de actiefilm The day after tomorrow [zie afbeelding] stroken met de werkelijkheid. Antwoord: ja en neen. De architectuur is goed nagedaan, maar er is serieus gesmokkeld met de proporties.



Opvallend in het hierboven genoemde rijtje is het aantal bibliotheken dat door genereuze schenkers werd opgetrokken. Iets wat ook al aan bod kwam in De bibliotheek bij nacht van Alberto Manguel. Griliches heeft trouwens ook een foto opgenomen van die andere New Yorkse librije, Queens Borough Public Library en stelt net als Manguel hoe druk ze wordt bezocht, voornamelijk door migranten.

Enkele van de mooiste bibliotheken liggen hoe dan ook nog altijd in het oude Europa. Het interieur van de leeszaal in de Biblioteca Marucelliana [zie afbeelding hieronder] te Florence slaat de lezer met verstomming. En ik ben ook nog altijd fan van de bibliotheken van Labrouste in Parijs, de Sainte-Geneviève en de Nationale.

Het meest schrijnende plaatje is de foto die Griliches nam van de nationale bibliotheek van Bosnië en Herzegovina, een jaar voordat deze verwoest zou worden tijdens de oorlog in 1992.

De ondertitel The drama within is geen loos woord. Griliches laat veel leeszalen zien, die door de broeierige, vermenigvuldigde intellectuele activiteit van de mensen die er komen lezen en studeren, iets hebben van een sauna. Rainer Maria Rilke vergelijkt enige bladzijden later een studax die heen en weer bladert in een boek met een man die zich omdraait in zijn slaap.

Elke plaat wordt immers geflankeerd door een passende quote, waarin auteurs getuigen van wat boeken of bibliotheken in hun leven hebben betekend. Bibliotheken worden onder meer gezien als plaatsen die de hoopvolle verwachting met zich meebrengen de vragen te kunnen beantwoorden waarmee je zit.

"When I enter a library… I still have a reassurring sense that it is going to tell me all I need to know."

Boeken zijn als het ware verlengstukken van je persoonlijkheid. Zolang ze kan lezen, zegt Linda Weltner

"nothing human is beyond my understanding, nothing is totally foreign to my nature… there are no limits to my being… I’m never alone."

Jerzy Kosinsky zegt hetzelfde anders.

"There was one place where I could find out who I was and what I was going to become. And that was the Public Library."

Rita Mae Brown stelt onomwonden dat haar leven pas begonnen toen ze haar eerste bibliotheekpasje kreeg.



Alle mooie plaatjes en bibliofiele aanbevelingen ten spijt was het boek wat vrijblijvend gebleven zonder het essay van Daniel J. Boorstin dat de fotocollectie voorafgaat: A design for an anytime, do-it-yourself, energy-free communication devise.

Boorstin, die het Center for the book oprichtte in 1977 (in de Library of Congress), klaagt het blind vertrouwen aan in de technologische vooruitgang, waarvan men te snel aanneemt dat die slechte dingen vervangt door goede dingen, en goede door nog betere.

"We find it hard to keep our faith in ancient and obvious ways of doing things."

Hij somt vervolgens een paar onmiskenbare troeven op van het medium.

1. Een boek heeft geen energie van buitenaf nodig om te werken. Het onderhoud is bijna nihil.

2. Een boek is onmiddellijk gebruiksklaar en te gebruiken in elk klimaat, op elk uur van de dag.

3. Een boek is beter geplaatst om zich te onttrekken aan controle van buitenaf, favoritisme en corruptie.

4. Een boek is het medium dat de auteur de grootste vrijheid biedt. Maak de vergelijking maar met televisiemakers, of schrijvers van filmscripts. Het boek is een eiland van individualisme, een vluchtplaats voor de "noncollaborative", "the last refuge for communication of the subtle, the difficult, the profound".

5. Ondanks alle evidente pulp biedt het boekenaanbod een ongeziene pluriformiteit en verdieping aan.

"Messages from all past times and places, while always imperfect, ambiguous, and iridescent, still come to us more directly in the book than in any other form. The book is an anytime thing in two senses. It brings us messages (in the actual medium of that age) from anytime past. And its message is receivable at any time in the present. No number of channels can offer us this bookish range of choice or this convenience."

6. Marketing heeft verhoudingsgewijs minder impact op het medium boek. Er wordt minder in formats gedacht. Boeken zijn ongeveer de laatste producten die je in een winkel kunt kopen die vooraf niet eindeloos worden voorgekauwd en uitgetest.

7. In boeken is er nog plaats voor het onmodieuze, het obsolete. Ze fungeren in het beste geval als een soort "de-provincializing machines".

"Television reinforces our current interests; books remind us of what interested all times and places."

"What can be more refreshing, more invigorating, more cosmopolitanizing, that the opportunity to taste the tastes of other times and places, to break out of the prison of our marketplace?"

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lees het volledige essay van Boorstin in Harper's [lidmaatschap vereist]
> http://en.wikipedia.org/wiki/Daniel_J._Boorstin
> meer foto's van Griliches hier
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

Diane Asséo Griliches en Daniel J. Boorstin, Library : the Drama Within
144 p.
Uitgeverij University of New Mexico Press, 2000

____ fotokey

vrijdag 22 februari 2008

Een eigenzinnig koninkrijk - Peter de Waard

Ik ben hoegenaamd geen anglofiel. Groot-Brittannië heeft ons hopen geweldige schrijvers gebracht, een batterij toonaangevende televisieprogramma's, de edele Britse humor, een wereldtaal die mij lief is én een gezonde, pragmatische levenshouding. Toch trekt dat land mij niet. Sterker nog: goed dat er een kanaal tussen ligt. Het zijn de Britten die mij niet liggen: de chagrijnigheid, hun gebrek aan sensualiteit, de rationaliteit die hen in de weg zit.

Ik vergeet nog die eeuwige ironie te noemen, die als een kamerscherm het zicht moet ontnemen op diepere emoties.

En zeggen dat zoveel mensen juist die Britse dubbelzinnigheid als de enige volwassen manier zien om om te gaan met emoties -- een kwestie van stijl. In mijn puberteitsjaren liep ik er trouwens om dezelfde redenen mee weg. Nu mijn blikveld door verwoed lezen echter een stuk breder is geworden dan wat Belgische media als Humo en Canvas -- die Engeland als cultureel gidsland beschouwen -- mij inlepelen weet ik wel beter.

Geef mij maar de Fransen, van de weeromstuit. De laatste jaren lukt het mij steeds beter niet geërgerd te worden door het onverdraaglijke chauvinisme van de Fransen, de blaaskakerij, hun topzware intellectuele zweefvluchten, het gebrek aan humor én het feit dat hun horizon zich in de meeste gevallen niet verder uitstrekt dan het Franse grondgebied.

Omdat het zo'n harmonieuze mensen zijn, meneer. Rede en gevoel lijken er als in weinig landen perfect samen te gaan. Fransen hebben ook een vanzelfsprekend talent om te genieten van de waardevolle dingen in het leven. En ze hebben stijl, meestal zonder de bijbehorende pathetische excessen zoals in Zuid-Europa. Savoir vivre, het is niet voor niets een Frans begrip.

Het boek van Peter de Waard sterkte me alleen maar in mijn vooroordelen ten aanzien van de Engelsen. Alles blijkt zelfs nog erger dan gedacht. De Waard lijkt eigenlijk niet te beseffen wat een vernietigend portret hij ophangt van Groot-Brittannië. Hij woont er al jaren als correspondent voor diverse kranten, maar in Een eigenzinnig koninkrijk noemt hij weinig dat tot voorbeeld strekt. Of u moest de Britse obsessie met hiërarchie, nostalgie en traditie sympathiek vinden.

De plussen van de Engelsen die blijken uit dit boek noemde ik voor een deel al in mijn inleiding.

- de Britse humor
- de BBC; tenminste: het kruim van hun programma's
- de pragmatiek van de Britten, het wantrouwen jegens elke theorie; het land heeft geen enkel -isme bedacht
- Groot-Brittannië heeft een gunstig klimaat voor beginnende ondernemers
- en is een sterk geseculariseerde maatschappij
- daarenboven is het een aantrekkelijk land voor migranten: de dwang om te integreren is er niet zo groot als in de landen op het continent
- een andere belangrijke Engelse troef is Londen, een stad die bruist van de innovatie en creativiteit

Daartegenover staan niet eens zoveel meer minnen, maar ze wegen zwaarder door, voor mij. Het zijn stuk voor stuk dingen die ik niet associeer met een grote natie.

- het doorgedreven klassenbewustzijn op elk maatschappelijk gebied
- in het verlengde daarvan: het belang van statusobjecten
- de anti-Europese houding
- de verwaarlozing van de onderklasse door de politici
- de problematische infrastructuur (woon-werkverkeer)
- de obsessie met privacy
- de contactarmoede in het sociaal verkeer
- de gefnuikte lichamelijkheid
- de beroerde keuken
- de rampzalige gezondheidszorg
- de monarchie
- het pover onderwijs, een onderwijs met twee snelheden ook (openbaar, privé)

Een eigenzinnig koninkrijk is meer een goed gestoffeerd en gevarieerd dossier dan een boek. Feiten overwoekeren de persoonlijke beleving van De Waard en dat is jammer. Zijn boek bevat goede deeloverzichten van de belangrijkste aspecten van de Engelse samenleving, maar de manier waarop alles wordt opgediend doet denken aan de culturele extra's in Engelse schoolboeken en -- vooral naar het einde toe -- de inleidende beschouwingen in Engelse reisgidsjes.

De Waard somt de oppervlaktesymptomen op van de Engelse samenleving maar graaft niet erg diep naar mogelijke verklaringen. Engelsen zijn doeners in plaats van denkers, schrijvers in plaats van schilders en tuiniers in plaats van koks, ja, maar waarom?

Daarom zat ik voortdurend reikhalzend uit te zien naar de korte historische terzijdes die De Waard op gezette tijden inlast. Al zijn die te kort om genoeg gewicht in de schaal te leggen.

Terwijl andere landen in Europa grote sociale en constitutionele veranderingen doormaakten of door revoluties definitief afrekenen met de aristocratie, bleef in Engeland alles bij hetzelfde. Misschien leidde ook het feit dat de twee wereldoorlogen niet op het eigen grondgebied afspeelden ertoe dat de klassenmaatschappij er in wezen nooit is aangetast.
De Waard is op zijn best als hij de cliché's zo verkleint dat ze via een anekdote of een persoonlijke observatie aan het licht gebracht kunnen worden. Niet toevallig is het stuk over Engelse vastgoedmakelaars een van de hoogtepunten, gewoon omdat je voelt dat De Waard uit eigen ervaring put. Een ander voorbeeld is de sociale omgang op openbare plaatsen. De Waard schrijft dan
Wie spontaan in treinen tegen iemand gaat praten, is of dronken, of gestoord, of een onbeschofte buitenlander.
om later, op het eind van het boek, na beschouwingen over sportverenigingen en de adellijke hiërarchie te stellen:
Engelsen hebben instituten nodig om sociaal contract met elkaar te leggen en sociale angsten te overwinnen.
Ook goed zijn de gedeelten met wetenswaardigheden die niet zomaar thuis van een televisiebeeld zijn af te lezen. Dingen waar een bredere kijk voor nodig is. Het feit dat bezoek aan voetbalstadions voor de werkmansklasse zo goed als onbetaalbaar is geworden of de vaststelling dat elke klasse haar eigen sport heeft.
De artistocratie heeft polo en jagen. De upper en upper middle class doen aan cricket, rugby, tennis, golf en paardrijden. De lagere klassen kiezen voor darts en snooker.
Dat Engeland door een Nederlander bekeken wordt, levert soms verrassingen op. Zo wist ik tot gisteren niet wat 'een prent krijgen' is, of wat in het verkeer met een 'congestie' bedoeld wordt.

Het wordt alleen pijnlijk wanneer Peter de Waard het Engelse bier gaat beoordelen en daarbij Heineken tot algemene norm verheft, of wanneer hij klaagt over het gewatteerde witbrood van de Britten, maar even later wel wanhopig scharrelt naar pindakaas.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> bibliografie in de commentaren hieronder

In dezelfde serie verschenen:
Een continent in het klein : cultuurwijzer voor het modene Spanje - Maarten Steenmeijer

> http://www.eigenzinnigkoninkrijk.nl/
> http://en.wikipedia.org/wiki/Britishness
> http://en.wikipedia.org/wiki/Portal:United_Kingdom
> http://en.wikipedia.org/wiki/Category:British_culture
> List of topics related to the United Kingdom

Peter de Waard, Een eigenzinnig koninkrijk : cultuurwijzer voor het Engelse leven
304 p.
Uitgeverij Bert Bakker, 2005

____

donderdag 21 februari 2008

The Literary Gothic

The Literary Gothic is a Web guide to all things concerned with literary Gothicism, which includes ghost stories, "classic" Gothic novels and Gothic fiction (1764-1820), and related pre- and post-Gothic and supernaturalist literature written prior to the mid-C20. Its target audience is all students and fans of the Gothic, regardless of age, academic level, profession, or just about anything else.

> http://www.litgothic.com/
____

Et Dieu créa... Shirley Manson

In de periode dat de Schotse band Garbage hoge toppen scheerde in de hitparades, jaren her alweer, vond ik dat die groepsnaam min of meer de lading dekte.

Hun clipjes op MTV zat ik enkel uit om te zien wat Butch Vig er van bakte achter de drumkit. (Om kort te gaan: de verdiensten van de man liggen elders.)

Blijkt dat ik al die tijd een parel ben misgelopen. Run Baby Run.

Ook valt het me nu pas op wat een knap kind die Shirley Manson is. Goed, het is een schoonheid die met een acajou verfkwast en hopen eyeliner moet bevochten worden, maar wat dan nog. Daar dienen die dingen voor.

Zelfs het verveeld eten van een zakje friet verheft ze tot nieuwe esthetische dimensies.

[ beeld + geluid; duur: 3'58'' ]


____

As an introvert I tend to think (longer) before I speak

"I correct people on their use of language with annoying frequency. I am not naturally gifted with a novelist’s grasp of language but as an introvert I tend to think (longer) before I speak. This gives me time to construct a well-formed sentence. I stubbornly expect others to do the same. Unfortunately, this doesn’t always work."

> http://arjanvandergaag.nl/

____

woensdag 20 februari 2008

Alles in de wind - Barber van de Pol

Het is niet gering wat Barber van de Pol al heeft betekend in mijn leven zit ik te denken, terwijl ik alle door haar vertaalde titels op Literatuurplein navlooi.

En toch wist ik praktisch niets van haar. Ik las daarom eerst deze verzameling beschouwingen, omdat ik haar nieuwste bundel, Zelfportret in columns, zo gauw niet kon vinden.

In Alles in de wind staan naast stukken over haar vakgebied, de Spaanstalige literatuur, ook autobiografische verhalen. Die vond ik niet zo best. Ze verplichtten me tot niets. Het zijn nogal doordeweekse memoires, en dan wreekt zich het feit dat ik Vlaming ben.

Ik kan het moeilijk uitleggen, maar wanneer een Nederlander eenvoudig en complexloos schrijft dan doet hij dat altijd op een andere manier dan de gemiddelde Vlaming die soberheid betracht. Minder gemoedelijk, en wat mij betreft: fletser. Dat Barber van de Pol om redenen van afstandelijkheid meestal in de zij-vorm over zichzelf schrijft hielp ook al niet.

Interessant wordt het pas als ze vertelt hoe ze in de Spaanse letterkunde gerold is. Zoals zo vaak speelt toeval een grote rol. Eerst "naar Amsterdam willen" en dan graag een taal studeren, maar niet goed weten wat.

"Welke taal? Iets nieuws en onbesmets. Iets dat niet naar de middelbare school terugverwijst, niet naar schools leren ruikt. Spaans, misschien? Van de moderne westerse talen is het Spaans midden jaren zestig een van de onbekendste."

Wanneer ze afstudeert, spijts de vaak dorre colleges, is Van de Pol voor ze het in de gaten heeft een specialist in haar domein. In de jaren zestig overvleugelt de eigentijdse literatuur van Latijns-Amerika die van Spanje en is er werk zat.

"Wie Spaans had gestudeerd kon Latijns-Amerikaanse boeken gaan vertalen of boekbesprekingen van Latijns-Amerikaanse boeken gaan maken, want daar was behoefte aan en niemand was aanvankelijk gespecialiseerd."

Voor het Spaanse katholicisme en de ingebakken schijnheiligheid is Van de Pol steeds immuun gebleven. Ze wordt juist aangetrokken tot schrijvers die een rationele ondergrond in hun werk leggen (Julio Cortázar, Jorge Luis Borges) en de grote satirici (Cervantes, Quevedo). Toch zijn er een paar cliché's waar ze uiteindelijk voor zwicht. Zo neemt Van de Pol gitaarles en zingt ze Spaanse liedjes.

"Een land is sterker dan een mens, al was het maar omdat het ouder is en geduldiger."

Gespreid over Alles in de wind zegt Van de Pol veel behartenswaardige dingen over haar werk. Dingen die me plezier deden. Ze komt naar voren als een nuchtere, pragmatische vakvrouw die niets heeft van het machismo en de sacraliteit waar bijvoorbeeld een Paul Claes het ambacht van vertaler mee omgeeft.

Ze noemt zichzelf een "beroepsinlever" en ziet een geslaagde vertaling als een aanvulling op het origineel, niets meer, niets minder. Vertalers "vertegenwoordigen het hoofd" van de auteur in kwestie en dat is al moeilijk genoeg. Lezers en critici zouden eigenlijk niet moeten zoeken naar fouten in een vertaling, maar naar het vernuft.

"Er ligt een autonoom literair werk voor ze."

Wanneer vertalers prima werk afleveren vernieuwen ook zij voor een stuk de taal en de cultuur van het moederland, vindt Van de Pol. Net zoals schrijvers van oorspronkelijk Nederlandstalig werk dat doen. Ze hekelt het snobisme dat hangt rond het per se in de oorspronkelijke taal willen lezen van literatuur. Met mijn warme instemming, overigens.

"Zelfs voor een Nederlander die het Frans beheerst is Proust beter te proeven in het Nederlands dan in het Frans, omdat in het ene geval tien procent verloren gaat en in het andere minstens twintig procent, hoe goed dat Frans van je ook is."

Van de Pol heeft ook recht van spreken; ze behoort door haar Borges-vertalingen met August Willemsen (Pessoa) en Thérèse Cornips (Proust) tot het select clubje vertalers dat nagenoeg in zijn eentje een Nederlandse stem heeft gegeven aan een buitenlandse auteur van wereldformaat. Dat vraagt kennelijk grote offers en gaat deels ten koste van je eigen identiteit.

"De wereld van een ander in je eigen woorden opnieuw scheppen, het kost je je leven, en als het niet zo is, is het niet goed."

In stukken over vertaalproblemen bij Borges ('Lamed') en Djuna Barnes ('Pal in de ravage, als een vlag') toont Van de Pol vervolgens de interne keuken van de vertaler: keuzes maken, moeilijkheden overwinnen, twijfelgevallen voorleggen aan collega's, grasduinen in gespecialiseerde woordenboeken en naslagwerken, noem maar op. Vind ik boeiend, ja.

Tijger
Alles in de wind is een goede, coherente bundel. Hij bevat nochtans beschouwend werk dat Van de Pol naar eigen zeggen altijd zo snel en argeloos mogelijk heeft neergeschreven. Als tussendoortje.

Er is een stuk over feit en fantasie in het werk van Márquez, die de verbeelding beschouwt als een "herschikker van feiten"; een onbarmhartig portret van Cuba, een land van "façade en eufemisme"; een paar fictieve brieven aan Cortázar; en een knap essay over Don Quijote, een boek dat Van de Pol omwille van de dialectische compositie van Cervantes niet alleen beschouwt als de eerste roman, maar tevens als de eerste antiroman. In die hoedanigheid heeft het boek volgens haar grote perspectieven geschapen voor het verdere verloop van de romankunst.

Maar wat deze bundel echt waardevol maakte voor mij zijn toch vooral de beschouwingen over Borges. 'Borges in duel met de tijger' en 'Wishful' zijn werkelijk uitstekende inleidingen bij het werk van de Argentijnse meester.

Van de Pol onderstreept Borges’ voorkeur voor het metafysische, archetypische, idealistische, platonische en beknopte in zijn werk -- boven het realistische, psychologische, uitgesponnene -- en dat ervoer ik als een goeie sleutel om binnen een paar jaar zijn fictie nog eens te herlezen.

"Borges' belangrijkste werkthese is als gezegd idealistisch van aard en houdt in dat de enige bestaande geordende samenhang ter wereld te vinden is in boeken, in verzinsels en verdichtingen die wij, mensen, met ons vormbewustzijn maken; de rest is chaos."

"Borges laakte de meeste grote romans vanwege hun sluitende inherente logica en verstikkende beeld van de betrekking tussen mens en omgeving, mens en omstandigheden, mens en mensheid."

Door diens intelligente spel met spiegels, dubbelgangers en labyrinten is gaandeweg echter een sophisticated aureool gaan kleven boven het hoofd van Borges; Van de Pol stelt zich dan ook als taak die gemeenplaats in vraag te stellen en de hedonistische, esthetische en erotische kantjes van Borges in de verf te zetten.

Ze maakt werkelijk brandhout van De literator als filosoof, het boek waarin Robert Lemm Borges neerzet als een bloedeloze moralist, een denker eerder dan een schrijver. Neen, zegt Van de Pol, Borges is geen filosoof, géén bouwer van allesomvattende wereldbeelden, daarvoor is zijn liefde voor het fragment te groot; hij is juist de eclecticus die overal het zijne neemt en een grote scepsis behoudt tegenover alle sluitende verklaringen.

"Een dorre solipsist is hij in geen geval; daar is hij te weemoedig en te geestig voor."

Borges' speelplezier mag blijken uit zijn kortverhalen, die Van de Pol ergens "pseudo-essays" noemt -- een mooi woord dat ik besluit te onthouden.

"Zijn manieën waren duidelijk: filologie, etymologie, en metafysica van het soort dan kinderen bedrijven die de wetten van de fysica nog niet kennen."

Op basis van de twee begeleidende interviews met Borges die ook in Alles in de wind zijn opgenomen ben ik geneigd haar op haar woord te geloven, al heb je als buitenstaander geen zicht op de beroepsnaijver die tussen vertalers in een klein taalgebied vast zal spelen.

[foto overgenomen van borgesian.com]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Barber van de Pol, Alles in de wind : essays & verhalen
231 p.
Uitgeverij Querido, 1997

____

dinsdag 19 februari 2008

De canon - Menno ter Braak

Met Menno ter Braak maakte ik een decennium geleden kennis via een korte beschouwing van Fernand Auwera, in diens door Jan Vanriet geïllustreerde bundel Mooie, gekwetste ziel. Achteraf gezien doet dat stuk (dat vooral over TB's zelfmoord gaat) hem weinig recht.

Januari vorig jaar namelijk raakte ik danig onder de indruk van Ter Braak, door de selectie die Léon Hanssen, schrijver van een tweedelige Ter Braakbiografie, maakte uit het essayistische werk.

In een met hamer en beitel bewerkt Nederlands worden in De canon 39 sleutelfiguren gefileerd uit de Nederlandse cultuur: schrijvers, humanisten en schilders. (Beetje ergerlijk: voor het gemak worden Simon Stevin en Reinaert de Vos ook ingelijfd bij Nederland.) Om een idee te geven hoe het er aan toegaat:

"Warenar van Hooft is een zeer merkwaardig voorbeeld van de verhouding tussen cultuur en instinct in onze zeventiende eeuw. Het bestaan van deze kluchten, waarvan Warenar er slechts één en bij lange na niet de gepeperdste is (men behoeft slechts te denken aan Trijntje Cornelisd. van de precieuze Constantijn Huygens!), wijst erop, hoezeer men ongelijk heeft, als men de vitaliteit van een volk vereenzelvigt met de culturele oppervlakte, die immers in de meeste gevallen een vorm van zelfbedwang is; valt die oppervlakte zo nu en dan weg, dan blijkt eerst, hoeveel ongelimiteerde levensdrift dat korset van elegante en schijnbaar zo speelse vormen in toom had te houden. In de zeventiende-eeuwse kluchten nu, die hun auteurs als het ware zijn ontsnapt, uit zich vrijwel onbelemmerd de amorele vitaliteit van onze voorvaderen, voor wie de schone vormen van de aan buitenlandse modellen ontleende Renaissancecultuur gediend hebben als middel tot zelfbedwang, zelfstilering, zelftucht, als men het zo noemen wil. De poëzie van Hooft veronderstelt een hoofs spel van cultuur, en daarom geeft het de mens Hooft onvolledig; ten bewijze daarvan ligt voor ons zijn Warenar: uitlaatklep, tevens bewijs van de spankracht in de ketel. Hooft en Huygens zouden te gronde zijn gegaan aan de uitspattingen van hun enorme vitaliteit, wanneer zij niet in de ‘wetten’ van de kunst het korset van de elegante tucht hadden gevonden. Zoals de Griekse cultuur op het eerste gezicht een sereen, ‘klassiek’ voorkomen heeft (het ‘apollinische’), zo schijnt ook de Gouden Eeuw van Nederland soms op het eerste gezicht een Renaissancespel, aan vaste wet en maat gebonden; waren er in de Griekse wereld niet de mysteriën en in de zeventiende eeuw niet de kluchten (het ‘dionysische’), wij zouden ons wellicht thans nóg vergissen en het vormenkorset verslijten voor de totale ‘persoon’ van die culturen. Men zou er goed aan doen, de zeventiende eeuw eens te bezien met de blik, waarmee Nietzsche de Griekse Oudheid bezag; dan zou men zowel de dwaze negentiende-eeuwse debatten over de onzedelijkheid van de Warenar kunnen staken als ook de ongemotiveerde bewondering voor het ‘geweldige realisme’ van de kluchten het zwijgen opleggen."

De reden waarom Ter Braaks essays zo goed zijn wordt door de Wikipedia-redacteur van dienst beter verwoord dan ik hier kan.

"Gedurende zijn loopbaan als redacteur maakte Ter Braak naam met kritieken waarin hij zich, behalve over de boeken die hij recenseerde, ook regelmatig uitliet over de actualiteit en de maatschappelijke problemen van zijn tijd. In deze wekelijkse Kronieken vergeleek hij gewoonlijk diverse boeken met elkaar, zowel nieuwe uitgaven als herdrukken, waardoor zijn kritisch werk een spiegel is geworden van de Nederlandse literatuur tussen 1900 en 1940 op hoog essayistisch niveau. De Kronieken alleen al beslaan drie delen van zijn zevendelig Verzameld Werk. Ter Braaks vergelijkende methode stelde hem ook in staat zijn criteria voor de beoordeling van literair werk steeds scherper te formuleren én te verantwoorden. Zijn kritieken zijn ook uitzonderlijk, omdat Ter Braak zich tot taak stelde de boeken die hij besprak zoveel mogelijk te plaatsen binnen het geheel van de literatuur of cultuur waarbinnen zij verschenen (...)"

Tegelijk is Ter Braaks gedateerde taal ("het levensraadsel", "intermitterend verkeer", "woordenzwendel", "oordeelvellingen") er wellicht de oorzaak van dat ik een jaar later me van niet één portret de strekking meer kan herinneren. Ik herinner me Ter Braaks scherpe blik en de knappe vervlechting van leven, werk en persoonlijkheid van de geportretteerden, maar het is niet dat die figuren voor mij echt tot leven gewekt waren.

Misschien zijn deze essays te condens en is hun rendement laag als je ze liefdeloos na elkaar leest. Gewoon, omdat ze elkaar na een tijdje voor de voeten lopen. Ik zal De canon in het vervolg moeten beschouwen als een naslagwerk, om af en toe eens in te bladeren. Vanaf Multatuli worden de essays trouwens iets beter te behappen omdat ze dan meer en meer neigen naar reguliere boekbesprekingen.

Het ligt ook aan mij. Ik ben opgegroeid met Nederlandse bellettrie, veel meer dan met de Vlaamse, maar dan (op een paar dichters na) vooral de Nederlandse literatuur van ná 1950. Alles wat daarvoor komt (Vlaams en Nederlands) heeft me nooit getrokken. De negentiende-eeuwse schrijvers uit de ons omringende landen ken ik bijvoorbeeld veel beter dan de oude rakkers die in mijn moedertaal hebben geschreven. Het lukt me ook maar moeizaam om over hen te lezen en dat vast te houden.

Hoe Ter Braak probeert te definiëren wat de Nederlandse cultuur zo Nederlands maakt en welke positie Nederland inneemt in Europa, zoals de flaptekst belooft, ben ik eveneens kwijtgeraakt in de mist van zijn retoriek.

Wat me wel verheugde: ik kon voor het eerst duidelijk aan de lijve ondervinden waar zo'n Forum-criticus eigenlijk voor staat. Ik ken het afgezaagde theoretische refreintje van Vorm en Vent wel -- ethiek boven esthetiek, persoonlijkheid boven flou artistique -- maar zo'n evaluatiecriterium in de praktijk gebracht te zien, is natuurlijk veel leuker.

Sympathiek bijvoorbeeld hoe Ter Braak naar aanleiding van Adriaan Roland Holst de grote romantische poëzie niet geringschat ("zij roept een wereld op en bezweert de twijfel van het intellect in het visioen") of hoe hij met één vileine paragraaf de faam van een Erasmus dempt:

"Déze Erasmus is een illusionist van het oppervlakkig laagje beschaving, waaraan de humanist het recht meent te mogen ontlenen over de instincten op geringschattende wijze te spreken; hij is een ideaal voor schoolmeesters in de slechte zin van het woord, omdat zijn gehele wereldbeeld beheerst wordt door monomane toewijding aan de ‘letteren’."

Over de smaak van Ter Braak en zijn oordeelkundigheid ben ik niet bevoegd om uitspraken te doen. Daarvoor zou ik op zijn minst de bezwaren die W.F. Hermans in Mandarijnen op zwavelzuur tegen hem aanvoert moeten herlezen. Heb ik momenteel geen zin in.

(Gebaseerd op notities van 20 januari 2007.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lijst van de 40 portretten en beknopte bibliografie in de commentaren hieronder
> de verzamelde werken van Menno ter Braak op dbnl.org

Menno ter Braak, De canon : Nederlandse cultuur in veertig portretten
Samengesteld door Léon Hanssen
382 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 2004
____

maandag 18 februari 2008

Over leven in de Wetstraat - Pol Van Den Driessche

Pol Van Den Driessche was zeven jaar politiek journalist van De Standaard en bijna vijf jaar hoofredacteur van Het Nieuwsblad. Hij was daarnaast zes jaar verbonden aan VTM als politiek analist.

In 2007 maakte hij de overstap naar de politiek en werd senator voor CD&V. Een terugkeer naar zijn eerste liefde was dat: na zijn studies was hij al jarenlang adviseur en woordvoerder van Hugo Schiltz geweest, tevens zes jaar gemeenteraadslid voor de Volksunie in Brugge.

Toen hij krant en televisie vaarwel zei bracht Van Den Driessche nog snel dit boekje uit, een soort politiek journalistiek testament waarin hij als gewezen bevoorrechte getuige zijn licht laat schijnen op wat hij "een nobele klotenstiel" noemt, de politiek. Oftewel:

"Vanuit de eigen visie ijveren voor een menselijker samenleving en tegelijk uitgescholden worden."

Teleurstellend aan dit boek: het gehalte aan grondige analyses is aan de erg lage kant. De politieke schandalen van de laatste jaren (Dutroux, Adamu, Agusta) of de kwakkels rond de vermeende pedofilie van Elio di Rupo en dossier X1 schijnen niet meer dan de achtergrond waartegen Van Den Driessche glunderend kan uitwijden over zijn ijverig opgebouwd netwerk en de heldendaden tijdens zijn journalistieke loopbaan. Zoals daar zijn: zich verstoppen in toiletten om een exclusief interview los te weken, of slapen in de Renault Espace voor de poorten van Hertoginnendal (heupflesje whisky bij de hand) tijdens een zoveelste politiek topoverleg.

Ook de anekdotes zijn eerder flauw, en illustratief voor de dufheid van Parlement en Senaat. Wanneer Alain Van der Biest, wiens alcoholprobleem een publiek geheim was, op een vroege ochtend bloedend op straat wordt gevonden

"kwamen de opgetrommelde rechercheurs vlug tot de conclusie dat geen aanslag maar wel dronkenschap de oorzaak was. De politie bracht de minister van Justitie hiervan vertrouwelijk op de hoogte. Tijdens de ministerraad liet de bewindsman een briefje rondgaan waarop volgens hem de namen van de gangsters stonden die hun ex-collega hadden willen mollen: ‘Let wel, waarde mevrouwen en heren, dat moet strikt geheim en onder ons blijven!’ De ene na de andere minister proestte het uit bij het openbloeien van het briefje. Daarop stond: ‘William Lawson – Johnnie Walker’."

Over leven in de Wetstraat heeft soms de toon van een aan de eigen beroepsklasse gericht liber amicorum. Ik signaleer niet één wanklank over de rol van de media. Mij interesseert het niet dat een handvol ingewijde journalisten al geruime tijd wisten dat koning Albert II een buitenechtelijke dochter had (al kijk je er wel van op), dat journalisten de radioverbindingen van de politie scannen, dat er in het federale parlement een fitnesszaal is, of dat Anne-Marie Lizin Oxfam-wijn laat schenken tijdens recepties; mij interesseert hoe de media door hun eigen beperkte filter het politieke bedrijf kleuren. In dat licht vind ik een onopvallende passage als deze veelzeggend:

"De scherpste interpellaties vinden sinds enkele jaren plaats in de kleinere parlementaire commissiezalen en dus nog maar zelden in het grote halfrond. Officieel luidt het dat er in kleinere groepen beter kan worden gewerkt, maar in werkelijkheid is dat vooral om te verhinderen dat tv-kijkers de indruk zouden krijgen dat er niet veel gekozenen aanwezig zijn in de plenaire zaal."

Pol Van Den Driessche geeft even later wel toe dat de pers bepaalde politici kan maken of kraken, tenminste, als zij daar zelf het potentieel toe bezitten. En dat de talenkennis in beide landsdelen achteruitgaat, ook bij de media. Vlaamse en Waalse journalisten zijn langzaam van elkaar aan het vervreemden.

Kruisbestuiving
Dat media en politiek elkaar beïnvloeden is geen nieuws, maar de osmose tussen die twee zoals Van Den Driessche die schetst, is toch groter dan ik me had voorgesteld. Politici gaan vaak te rade bij journalisten. "Politici beschouwen journalisten als een soort opiniepeilingsbureau," schrijft hij, "die de zorgen van de mens doorgronden en weten wat de kiezers belangrijk vinden." Vele politici krijgen van diezelfde journalisten ook allerlei mediatips.

In ruil kunnen journalisten rekenen op primeurs en broodnodige informatie over de interne verhoudingen van een partij. Dikwijls zitten de grootste vijanden van een politicus in zijn eigen partij, leert de ervaring.

Uit alles blijkt de kleinschaligheid van het Belgische politieke bedrijf. Alles bij elkaar gaat het om enkele honderden mensen. Over de kwaliteit van het politiek personeel is Van Den Driessche optimistisch:

"Ik ben er niet van overtuigd dat het niveau hoger ligt in de raden van bestuur en de directiecomités van gerenommeerde bedrijven."

Waarbij zij aangetekend dat zo'n Van Den Driessche premier Verhofstadt al "een meester" acht "als het op redevoeringen aankomt". Wat mij betreft een van de hardnekkigste misvattingen in de Wetstraat. Ik kom daar bij gelegenheid op terug. Zelf is Van Den Driessche trouwens ook geen begenadigd stilist:

"In de voorbije kwarteeuw zag ik de Kamer herhaaldelijk, en een zeldzame keer ook de Senaat, veranderen in een broeierige theaterzaal, die barstte van emoties."

Over leven in de Wetstraat is kortom zoals België zelf: dunnetjes, halfslachtig, farizeïsch. En bourgondisch. Ik kan me niet voorstellen dat een gelijkaardig boek uit Nederland ook een heel hoofdstuk bevat over de hoofdstedelijke restaurants (mét evaluatie van de menukaart) waar journalisten en politici elkaar ontmoeten. Het gelobby, het gekonkel, de inteelt, bah.

Het enige wat ik met potlood heb aangestreept in dit boek is een bon mot van Frank Van Acker, zoon van Achiel en een van Van Den Driessches politieke voorbeelden. Een uitspraak naar aanleiding van een voorstel om religieuze symbolen te verwijderen uit het Brugse stadhuis, dus ook het Mariabeeld daar. Van Acker -- een socialist -- weigerde:

"‘Die madam staat hier al sinds mensenheugenis. Zij heeft nog nooit iemand kwaad gedaan en ik vind haar schone.’"

In tijden van principiële scherpslijperij rond hoofddoekjes in de ambtenarij, verzoent zo'n minzame, door en door praktische uitspraak me kortstondig met de Belgische politiek.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Pol Van Den Driessche, Over leven in de Wetstraat : 25 jaar politiek journalist
160 p.
Uitgeverij Van Halewyck, 2007

____

zondag 17 februari 2008

De Slegte geslecht

Traditioneel is het verscheiden van augustus het startsignaal om een spaarpotje aan te leggen voor het bibliofiele najaar. De Boekenbeurs fungeert daarbij als mikpunt: tegen november wil ik genoeg briefjesgeld in portefeuille hebben om met een gerust gemoed naar Antwerpen af te reizen.

Maar die hele Boekenbeurs interesseert me elk jaar minder. Het kader (een heetgestookte bunker bekleed met rode lopers) deprimeert me, korting is er taboe, en de signeertafels worden steeds meer ingenomen door celebrity koks, jeugdschrijvers van het derde echelon en andere hybride televisiefiguren.

Dit jaar nam ik niet eens meer de moeite. Vond ik raar van mezelf. Stijlbreuken met het verleden, het is niet bepaald mijn specialiteit.

Eén probleem: mijn spaargeld, dat bleef maar aangroeien. Het moest weg op een gegeven moment, en daarom besloot ik een oude bekende op te zoeken die ik al in geen tijden meer gezien had. Het filiaal van De Slegte in Gent.

Het wordt een vreemd weerzien. Toen ik na jaren avondschool niets meer te zoeken had in Gent verloor ik ook hun De Slegte uit het oog. Ik trok naar de vakbroeders in Brugge, Antwerpen of naar het filiaal in mijn buurt dat onlangs werd weggesaneerd.

Het is 14u15. Buiten in de winterzon heb ik nog een solide plan in mijn hoofd, compleet met uitgestippelde wandelroute. Eérst de tweedehands romans, vervolgens de afdeling Literatuurwetenschap, dan pas de verramsjte kunstboeken.

Eenmaal binnen is mijn wil niet meer dan een windvaantje dat langs alle kanten aangeblazen wordt.

Een glimmende stapel Könemanns op een eilandje bij de deur eist meteen mijn aandacht op. Moet ik die Finnegancyclopedie niet eens kopen? Is dit niet het uitgelezen moment om een paar deeltjes Hans Warren aan te schaffen? Kijk daar, het boek over film noir dat ik al lang wil. Wie zijn in godsnaam Leslie Epstein, Keri Hulme en Piers Paul Read? Durf ik met Girls van Pamela Hanson naar de kassa?

Al vier jaar koop ik het gros van mijn boeken op internet. Bij Nederlandse antiquariaten of ingevlogen uit de Verenigde Staten. Ik blijk ondertussen glad vergeten hoe het voelt om boeken te kopen zonder dat verzendingskosten de prijs geruisloos verdubbelen. Rechts naast de kassa, meteen bij het binnenkomen, is er een wand met erg laag geprijsde literatuur. Ik vind er smetteloze uitgaven van Sanatorium Clepsydra, de essays van Susan Sontag, Middlemarch en een stuk of wat deeltjes Salamander Klassiek voor twee, drie, vier euro. In een mum van tijd zeul ik een halve meter boek met me mee.

De blinde Sturm und Drang van toen ik achttien was, is evenwel geweken. Tien jaar geleden zat ik soms urenlang woestgetemperd te wroeten in de rayon Literatuurwetenschap in Gent. Nu weet ik dat in het filiaal in Antwerpen die afdeling driemaal zo groot is. Maar zelfs de boeken die dáár in De Slegte liggen opgetast zijn niet meer dan de armzalige voorposten van de immense back catalog van Amazon over hetzelfde onderwerp. Dat besef doet een zekere rust over me neerdalen. Ik neem alleen mee wat me echt zint en kijk, mijn budget lijkt niet noemenswaardig te minderen.

Ontroerend: in de afdeling verramsjte Kunst staat een koppel luid kwakend (want van Antwerpse origine) de rekken te keuren. Zie je heel zelden, dat een man en een vrouw precies dezelfde smaak hebben en in de boekenwinkel exact hetzelfde tempo willen aanhouden. Zij houdt de linkerflap in haar handen, hij de rechter. Ze bekijken de platen met een scherp oog, pluizen de vertaler na, kauwen eindeloos op de prijs.

De afdeling Vertaalde Literatuur wordt bij elk bezoek minder aantrekkelijk, merk ik. Ik monster de eindeloze rijen en schat dat ik van één derde van de aanwezige schrijvers al iets gelezen heb, van één derde weet ik dat ik ze niet wil lezen, en van de helft van het laatste derde weet ik meestal waar ze voor staan. Boeken lezen komt in mijn compulsieve geest neer op: boeken onschadelijk maken. Titels van ongelezen boeken werken als evenzovele zuignappen op mijn lichaam, maar eens een boek gelezen wordt het dood papier, een lor, futloos, quantité négligeable.

Bovendien, door jarenlange expertise kan ik ondertussen perfect inschatten van welke boeken een gerede kans bestaat dat ik ze vroeg of laat voor een fractie van de prijs aantref in een of andere bibliotheekverkoop.

Ik zag laatst een BBC-documentaire over de werking van het geheugen en inderdaad, het is een wonder hoeveel beelden een mens verhoudingsgewijs kan opslaan in zijn brein, voor passief gebruik. Bij tweedehandsboeken gaat het zelfs niet eens over de coverplaten, maar enkel over dat smalle streepje boekenrug. Ik lees de titels nauwelijks, maar op een of andere manier gaat er in mijn hoofd trouw een alarm af bij een welbepaalde combinatie van typografie en achtergrondkleur die me interessant voorkomt. Ik weet hoe de boeken ogen van mijn geliefde uitgeverijen.

De Slegte, dat is kopen én kijken. Veel boeken wil ik thuis nooit op de plank hebben. Een ontlening in de bibliotheek volstaat. Maar omdat veel titels die ik in de bibliotheek wil lezen inmiddels afgevoerd zijn naar het magazijn dat niet voor het grote publiek toegankelijk is, ben ik blij ze hier aan te treffen in De Slegte. Ik sta eigenlijk constant te noteren, volgens een persoonlijk systeem van abbreviaties. Een dik naslagwerk wordt opgetekend als 'cult. ges. vd. eur. mid.'; wanneer een mij onbekende auteur op het eerste gezicht meerdere interessante titels heeft geschreven, wordt hij geboekstaafd als '< Jean-Jacques Leveque'.

Een aangepast schrijfinstrumentarium is essentieel voor snel en efficiënt werk. Ik griffel vooral brouillonschriftjes vol, omdat het kladpapier de inkt sneller opzuigt. Ik moet niet drukken, ik hoef alleen maar te glijden. Pas echt precair is de schrijfstok. Ik heb al van alles uitgeprobeerd, van potlood tot Parker, maar tegenwoordig zweer ik bij een blauwe Bic met Velocity Gel.

Een soms onwelkom neveneffect: omdat ik met grote, slome horizontalen alle planken afga, systematisch en met een notitieboekje in de hand, word ik vaak aanzien voor een verkoper. Waar staan de titels van Clive Cussler, meneer? De boeken over pioenrozen, alstublieft? Hebt u iets over Zweedse architectuur tijdens het interbellum? Ik help waar ik kan.

Het moeilijkste aan een bezoek aan De Slegte is de onophoudelijke accretie van boeken die je gaat aanschaffen. Ramsjboeken met nog een exemplaar of vijf in stock neem ik niet meteen mee, ik noteer hun vindplaats in mijn schrift. Anders is het gesteld met unieke tweedehandsboeken. Je mag er niet aan denken dat straks iemand anders...

Het eerste uur gaat het nog wel om al die kilo's stelselmatig te verplaatsen. Ik neem een groot boek over oriëntalisme als basis. Daar gaan dan een stuk of twee fotoboeken bovenop. Vervolgens komen, haaks daarop, in twee stapels, alle paperbacks.

Na anderhalf uur kan ik de boeken echter niet meer torsen en dringen zich malafide uitwegen op. Ik zou de boeken voorlopig bij een verkopersbalie kunnen achterlaten, maar ik ben te verlegen om dat te vragen. Dus leg ik voorlopig een stapel boeken van klein formaat bij de letter 'D' van de Engelse romans. Met het boekblok plat op de plank, dat valt minder op. De fotoboeken schuif ik voor een uur tussen Permeke en Picasso. Een baksteen van Peter Boxall zit verstopt achter een spuuglelijke collectie Wicca-boekjes.

Na een uur of drie is het moment van de waarheid aangebroken. Ik zoek het rustigste plekje van de winkel op en ga zitten rekenen. Altijd een afknapper. Hoofdrekenen met hoofdpijn. Eerst scheid ik 'noodzakelijk' van 'eventueel', dan tel ik alles uit de stapel 'noodzakelijk' bij elkaar op:


Het Dagboek van van Gaston Burssens.

Media begrijpen van Marshall McLuhan.

The originals : who's really who in fiction van William Amos.

Lettres Européennes, duizend bladzijden literatuurgeschiedenis onder redactie van Annick Benoit-Dusausoy en Guy Fontaine.

Het Vlaams dialectenwoordenboek van Herman J. Claeys. Jammer van de ordinaire typografie.

A history of reading, A history of language en A history of writing. Voor relatief weinig geld drie puntgave boeken van Steven Roger Rischer. Heel blij mee.

Library : the drama within van Diane Asséo Griliches.

Ballnachte 1934-1950 van Jakob Tuggener. Ik moet meer fotoboeken bespreken op AvdB!

La Mormaire van Richard Serra.

De retrospectieve Arnold Newman met een essay van Philip Brookman, voor nog geen tien euro. Wie lang genoeg zoekt vindt altijd wel een blijk van De Slegtes generositeit. Gaat dat kopen, iedereen.

Als sterren naar de hemel gaan, het boek van Rinus Ferdinandusse over klassieke Hollywood-actrices. Alleen al voor de foto's.

Schuim, gedichten van de door mij zeer bewonderde Alfred Schaffer.

De uitstekende verhalenbundel Café De Raaf nog steeds gesloten van J.M.H. Berckmans. Lees Achilles bespreking hier.

Penguins van Edward Upward, Frederic Raphael en Jerome K. Jerome. Onder meer Three men in a boat; lees Achilles bespreking van de Nederlandse vertaling hier.

De tweedelige uitgave van de brieven van Jan Hanlo. Veertienhonderd bladzijden dundruk van een van mijn lievelingsdichters. Zijn correspondentie wordt geprezen door Koenraad Goudeseune.


Volkomen uitgeput wil ik de boeken die ik afstoot eerst op een krukje achterlaten, goed zichtbaar voor de winkelbediendes. Tot ik in het zicht van de kassa geplaagd wordt door vage schuldgevoelens, op mijn schreden terugkeer, dat stapeltje opraap en alle boeken netjes in het rek schuif waar ze behoren te zitten.

Altijd weer een weemakend afscheid. Het definitieve boek met werk van Charles Sheeler krijg ik ondanks alle gepuzzel en experimenten met eliminatie niet gefinancierd. Jammer ook van die twee Pléiade-delen van Stéphane Mallarmé.

Tachtig euro is ook werkelijk geen geld voor honderden in leder gebonden pagina's negentiende-eeuwse hypertext (Mallarmé's symbolistische gedichten interesseren me minder) maar alla. Als ik beide olijfgroene bijbeltjes achterlaat weet ik ook meteen dat dit adieu definitief is. Geen vermogend kenner van de Franse literatuur zal die hier lang laten liggen.

Ik reken af en dat is altijd het moment waarop ik mezelf een teletijdsmachine wens. Helaas. Mij rest een calvarietocht langs 'n dichtgeslibte autostrada. Spitsuur. Maar eerst mijn auto afhalen in de parkeergarage. Heerlijk, de geur van ondergezeken beton.


[Mijn dank gaat uit naar Jonathan de Keyzer, die speciaal voor AvdB, en naar verluidt met gevaar voor eigen leven, foto's maakte van De Slegte in Gent.]
____

Related Posts with Thumbnails