donderdag 31 januari 2008

Der Lesende

Ich las schon lang. Seit dieser Nachmittag,
mit Regen rauschend, an den Fenstern lag.
Vom Winde draußen hörte ich nichts mehr:
mein Buch war schwer.
Ich sah ihm in die Blätter wie in Mienen,
die dunkel werden von Nachdenklichkeit,
und um mein Lesen staute sich die Zeit. -
Auf einmal sind die Seiten überschienen,
und statt der bangen Wortverworrenheit
steht: Abend, Abend... überall auf ihnen.
Ich schau noch nicht hinaus, und doch zerreißen
die langen Zeilen, und die Worte rollen
von ihren Fäden fort, wohin sie wollen...
Da weiß ich es: über den übervollen
glänzenden Gärten sind die Himmel weit;
die Sonne hat noch einmal kommen sollen. -
Und jetzt wird Sommernacht, soweit man sieht:
zu wenig Gruppen stellt sich das Verstreute,
dunkel, auf langen Wegen, gehn die Leute,
und seltsam weit, als ob es mehr bedeute,
hört man das Wenige, das noch geschieht.

Und wenn ich jetzt vom Buch die Augen hebe,
wird nichts befremdlich sein und alles groß.
Dort draußen ist, was ich hier drinnen lebe,
und hier und dort ist alles grenzenlos;
nur dass ich mich noch mehr damit verwebe,
wenn meine Blicke an die Dinge passen
und an die ernste Einfachheit der Massen, -
da wächst die Erde über sich hinaus.
Den ganzen Himmel scheint sie zu umfassen:
der erste Stern ist wie das letzte Haus.

Rainer Maria Rilke
, September 1901, Westerwede
[gekozen n.a.v. Gedichtendag 2008]
____

Jules Supervielle

"Jules Supervielle (1884-1960) was a French poet and writer born in Uruguay. He always kept away from Surrealism which was dominant in the first half of the twentieth century. Eager to propose a more human poetry and to rejoin the real world, Supervielle rejected the automatic writing (that the surrealist ones well quickly gave up themselves) and dictatorship of unconscious, without to disavow the assets of modern poetry since Baudelaire, Rimbaud and Apollinaire, like certain fundamental innovations of surrealism."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Jules_Supervielle
____

woensdag 30 januari 2008

A book of one's own - Thomas Mallon

Dit boek leerde ik kennen via de blurb op de rug van het dagboek van William Soutar. Thomas Mallon, zelf een vermoed "diarist", geeft in A book of one's own een aangenaam weglezende roundup van alle verschijningsvormen die dagboeken kunnen hebben. Elk type wordt daarbij telkens geflankeerd door een stuk of tien voorbeelden die Mallon handig aan elkaar praat. De indeling die hij erop nahoudt doet sterk denken aan wat Hans Warren al voorstelde in Het dagboek als kunstvorm:

1. het dagboek als therapie
2. als schrijverswerkplaats, als opslagruimte voor later te bewerken stof
3. als uitbreiding van het geheugen, als omgekeerde agenda
4. als getrouwe spiegel van het leven, als produkt van nietsontziende eerlijkheid
5. als instrument voor zelfonderzoek

Zelf onderscheidt Thomas Mallon zeven categorieën, die in de praktijk natuurlijk in elkaar overlopen.

1. Chroniclers
Degenen die dagelijks de wereld om hen heen registeren, en vaak bewust of onbewust de Zeitgeist weten te vatten. Mallon noemt als voorbeeld de Goncourts, die ik eigenlijk even goede psychologen als chroniqueurs vind. Dagboeken van chroniqueurs zijn vaak taai om te lezen, wordt hier gesteld.

Time-lapse fotography offers odd pleasures: gaudy flowers blooming in a second, skyscrapers flinging themselves upward in half a minute. Reading someone’s life in one of these huge chronicle diaries can be a little like watching it that way: you go through a year in maybe an hour or two. But the effects aren’t so amusing as they are with the flower and the skyscraper. Ye gods, you ask yourself, how many times can someone have breakfast?
2. Travelers
Schrijvers van reisdagboeken, waarbij zij aangetekend dat die eertijds daadwerkelijk notities maakten uit geografisch oogmerk. Eerder dan uit sentimentele overwegingen zoals nu.
The telephone has more or less killed letter-writing, and the camera has dealt a pretty severe blow to the travel diary, but some energy for the latter survives. We all have the certainty of our own unique way of seeing places, a sense that the camera can be too objective a recorder of our trips away from home. We sometimes like the chance to say this is what I, not the Nikon, saw.
3. Pilgrims
Mallons 'pelgrims' reizen niet naar exotische landen, maar speuren naar de onontgonnen gebieden in zichzelf. Mallon noemt onder meer Thoreau, Nin en Kierkegaard. Dit soort dagboekaniers zijn op zoek naar een staat van verlichting, zien schrijven als een vorm van exorcisme, gebruiken hun dagboek om een bepaald verlies te verwerken, om te onderhandelen met hun eigen ik, of om zichzelf categorische imperatieven toe te voegen.

4. Creators
Dit type beschouwt een dagboek als een kladboek. Het zijn schrijvers van commonplace books, vol invallen, leesnotities en ruwe schetsen van wat eens een gaaf kunstwerk moet worden. Kunstenaars houden ze bij (Leonardo da Vinci), wetenschappers (Darwin) en schrijvers (Plath). Mallon geeft ergens een uitstekende typering van Plaths dagboek. De vinger op de wonde leggen, daar is-ie erg goed in.
The journal is her endless series of proposed regimens and marching orders. She will work, and thereby she will — must — succeed in making herself a writer. (…) Everything she reads is a source of potential torment; to read a book is to realise she hasn’t written it.
5. Apologists
Vooral politici behoren tot deze categorie. Apologeten zien in hun dagboek een manier om de officiële geschiedenis te herschrijven en hun eigen versie van gecanoniseerde feiten te geven. Nixon deed dat bijvoorbeeld, of, in nog ergere mate, Goebbels.
Thriving on their senses of history and self-promotion, most politicians can’t resist the opportunity to use their journals as posthumous press releases.
Maar het genre is niet voorbehouden voor politici alleen. Ook de clandestiene joodse dagboeken tijdens de hoogbloei van het Duitse nationaalsocialisme worden door Mallon hieronder gerangschikt, en evenzo de dagboeken van mensen die hun liefdesverdriet proberen te verwerken of wat ze optekenen heel bewust zien als een persoonlijke nalatenschap voor de familie, na hun dood.

6. Confessors
Waar apologists hun grote gelijk willen halen, slaan confessors zich doelbewust op de borst. Ik was verkeerd en ik weet het, lijkt zo'n dagboek uit te willen schreeuwen. Een dergelijk journal intime bevat dan het vuil en restafval van het dagelijkse leven of is een onbarmhartig instrument tot zelfkritiek. Voorbeelden: adolescentendagboeken, aantekeningen van drugsverslaafden of bekentenissen van criminelen. In het literaire segment vinden we figuren als Byron en Stendhal terug.

7. Prisoners
Wie zijn vrijheid werd ontnomen, kan in een dagboek soelaas vinden en het gebruiken om een substituutwereld te scheppen. De dagboeken van Speer en Dreyfus werden letterlijk in jarenlange hechtenis geschreven, maar ze ontstaan ook in andere vormen van isolement: wie aan een ziekbed gekluisterd is (Barbellion en Soutar) houdt er dikwijls een bij, of wie het huis niet uit durft omwille van pathologische verlegenheid. Veel mislukte tweederangsdichters, zoals Arthur Crew Inman, behoren tot dit type.

Staalkaart
A book of one's own
is een brede dwarsdoorsnede geworden, geen naslagwerk. Thomas Mallon zoekt vooral naar de ziel van de dagboeken die hij opsomt en naar de onderlinge verschillen. Dat resulteert in resumé's van twee, drie bladzijden per dagboek, waarin veel geciteerd wordt.

Twee derden van die fragmenten zijn redelijk willekeurig gekozen, alsof het Mallon vooral zaak is zijn mooie estafette niet te verstoren. Bindmiddel is immers vaak wat bij twee verschillende dagboeken op eenzelfde dag of in eenzelfde jaar staat opgetekend.

Maar een derde bevat werkelijk uitstekende typeringen van de dagboeken, tenminste in zoverre ik dat kan aflezen aan de opgenomen werken die ik uit eigen ervaring ken.

Het werd me onderweg duidelijk hoezeer mijn smaak in het verleden uitging naar literaire dagboeken, terwijl Mallon op verschillende plaatsen een pleidooi houdt voor de 'gewone man' en zijn ogenschijnlijk banale notities.
I’ve learned that the private fingering of ordinary experience can fill up notebooks as interestingly as musings on great events; diary-writing is the poor man’s art.
A book of one's own kraakte tevens mijn illusie dat ik in de loop der jaren behoorlijk onderlegd was geworden in het genre. Van zeker zeventig procent uit Mallons selectie had ik nog nooit gehoord. Dat komt omdat er veel Amerikaanse dagboeken tussen zitten.

Tegelijk verhoogde dat het leesplezier, omdat het altijd fijn is nieuwe ontdekkingen te doen. In de commentaren onder dit stukje heb ik een lijstje opgenomen van dagboekauteurs wier korte profiel mijn nieuwsgierigheid wekte.

En natuurlijk ga je in een boek als dit namen van dierbaren missen. Gide had een plaatsje verdiend, Canetti, Henry James. Wie over dit onderwerp schrijft zonder Amiel op te nemen, blijft in gebreke.

Wel positief is de keur aan onderwerpen die Thomas Mallon in de slipstream van zijn betoog de revue laat passeren. Zoals daar zijn: gecodeerde dagboeken (Elizabeth Wynne), valse dagboeken (Hitler), de functie van dagboeken in romans (zie het fragment over 1984 op PvD), en de rare dokter Ira Progoff die zijn patiënten het dagboek als bron van persoonlijk groei aanpraat.

Ook het stuk over het belang van dagboeken voor de emancipatie van de intellectuele vrouw in vroeger tijden, en dat weetje over oorlogsdagboeken, die eigenlijk verboden zijn omdat ze ongewild strategische informatie kunnen bevatten in de handen van de vijand, waren interessant.

Thomas Mallon, A book of one’s own : people and their diaries
318 p.
Uitgeverij Ticknor & Fields, 1984

____

dinsdag 29 januari 2008

Pan - Knut Hamsun

Pan lijkt eerst een soort Noorse Walden te gaan worden. De introverte luitenant Glahn woont helemaal alleen in een hut aan de rand van een bos in Nordland, een dunbevolkte provincie. Zijn enige gezelschap is de hond Aesopus, de korhoenders die balderen in de verte op de berghellingen en de steenvalken die in de hoogte broeden.

"Zomernachten en stille wateren en oneindig stille bossen. Geen roep, geen voetstap op het pad, mijn hart is vol als van zware wijn."

Het verhaal speelt zelfs in 1857, amper drie jaar nadat Thoreau over zijn experiment publiceerde. De tegenstelling tussen cultuur en natuur staat Knut Hamsun ook zeer duidelijk voor ogen, en, typisch negentiende-eeuws, de natuurverbondenheid speelt een belangrijke rol.

Maar daar houdt de vergelijking op. Hamsun zoog de roman goeddeels uit zijn duim in 1894, toen hij in Parijs woonde, en Pan is voor mij toch vooral een mooie love story.

Glahn leeft van de jacht en zet 's avonds de memoires aan zijn, wat had je gedacht, stukgeslagen liefde op papier. Hij schrijft naar eigen zeggen alleen maar om zich aangenaam bezig te houden, maar ondertussen schrijnt natuurlijk de herinnering.

Twee jaar geleden gebeurde het. Alles draait om ene Edvarda, wie hij onvermoeibaar wil dienen en "wier gloeiende blik zijn hart stil doet staan". Hij telt de dagen af tot hij haar te zien zal krijgen. Maar deze koopmansdochter is in feite niet meer dan een onvoorspelbaar wicht dat er plezier in heeft hem aan te trekken en af te stoten. De dokter van het dorp waarschuwt hem daar meermaals voor.

"‘Edvarda is iemand die niet op een aanzoek ingaat, ze neemt degene op wie ze haar zinnen zet. Denkt u dat ze een boerenmeisje is? U hebt haar hier in het hoge Noorden ontmoet en het zelf kunnen zien. Ze is een kind dat te weinig slaag heeft gekregen en een vrouw met veel grillen. Koud? Daar hoeft u niet bang voor te zijn. Warm? Ijs, zeg ik u. Wat is ze dan? Een meisje van zestien, zeventien jaar, niet waar? Maar geen enkele poging uwerzijds dit meisje te beïnvloeden zal door haar serieus worden opgevat. Zelfs haar vader heeft niets over haar te zeggen; ze gehoorzaamt hem ogenschijnlijk maar regeert in werkelijkheid zelf. Ze zegt dat u de blik van een dier hebt.’"

Edvarda symboliseert de gekunsteldheid van het wereldse leven, in oppositie met de zuivere "bosmens" Glahn.

Maar zo simpel liggen de verhoudingen gelukkig niet. Want Glahn overschat zichzelf en onderhoudt bovendien een verkrampte relatie met zijn eigen mannelijkheid. De luitenant gelooft dat hij de kunst verstaat om te lezen in de ziel van de mensen om zich heen maar misrekent zich deerlijk: hij haalt de ene kinderachtigheid uit na de andere.

Hij probeert indruk te maken op haar door zijn uniform, tevergeefs; tijdens een boottochtje belandt een schoen in het water; en op een feestje probeert hij zijn rivalen te kleineren. Er zijn immers kapers op de kust opgedoken, waaronder een Finse baron die de zeebodem komt onderzoeken. Tragi-komisch hoogtepunt (dieptepunt) is de scène waarin Glahn in zijn eigen voet schiet.

Glahn vat ook gevoelens op voor een ander meisje, Eva, die door een gruwelijk voorval gefnuikt worden.

Eenzaamheid
Pan, ondanks zijn beperkte lengte, bracht me in een aangename trance. De liefde en de natuur worden er prachtig in opgeroepen: vaak extatisch, wat mij betreft nooit larmoyant.

"Het begon niet meer donker te worden, de zon dompelde haar schijf slechts kort in zee en kwam weer op, rood, herboren, alsof zij daar beneden even gedronken had."

Het doet goed in tijden van neurotische informatiegaring af en toe een roman over versobering te lezen. Back to basics. Het isolement van Glahn en de buurtbewoners mag blijken uit het feit dat het voornaamste gespreksonderwerp een spoorweg is die een jaar tevoren werd aangelegd, en de komst van de eerste telegraaflijn.

De nukkige trekken van Hamsuns protagonist zorgen ervoor dat het boek niet te zwart/wit is. Pan bevat een paar krachtige scènes die Glahns verbittering onderstrepen. Bijvoorbeeld wanneer Edvarda Glahn smeekt haar zijn hond te schenken.

"Ik roep Aesopus bij me, streelde hem, legde mijn hoofd tegen zijn kop en pakte mijn geweer. Hij begon al van blijdschap te janken omdat hij dacht dat we op jacht zouden gaan. Ik legde mijn hoofd voor de tweede maal tegen zijn kop, zette de loop van mijn geweer op zijn nek en haalde de trekker over. Ik huurde een man om het lijk van Aesopus naar Edvarda te brengen."

Tot slot viel het me niet moeilijk te sympathiseren met de wankelmoedige, in zichzelf gekeerde officier.

"Het kan regenen en het kan stormen, dat is het niet wat je stemming bepaalt. Vaak kan juist op een regendag een kleine vreugde zich van je meester maken en je zondert je af met je geluk. Je staat voor je uit te kijken, af en toe glimlach je stil en je kijkt om je heen. Waar je aan denkt? Aan een heldere ruit in een raam en een zonnestraal in die ruit, of aan het uitzicht op een beekje en misschien aan een scheurtje blauw in de hemel. Meer is er niet voor nodig!
Op andere ogenblikken zijn zelfs ongewone belevenissen niet in staat je wakker te schudden uit een flegmatische, doffe stemming. Midden in een balzaal bij voorbeeld kun je je volkomen onverschillig en onbewogen voelen. De bron van alle verdriet en vreugde is altijd je eigen innerlijk."


"Ik woon het liefst in het bos, dat is mijn lust en mijn leven. Hier in mijn eenzaamheid kan ik zonder dat iemand er last van heeft zijn zoals ik ben; maar zodra ik in contact kom met anderen moet ik al mijn krachten inspannen om te zijn zoals van mij verwacht wordt."

Mijn enige kritiek is dat de auteur Glahn ouder doet klinken en met tragere reflexen bedeelt dan zijn dertig jaren doen veronderstellen. Voorts bevat het boek een zwak aanhangsel dat Hamsun kennelijk nog meende te moeten schrijven en totaal niet had gehoeven.

Pan wordt naast Hoe het groeide speciaal vermeld in de motivering van de jury die Hamsun in 1920 met de Nobelprijs bedacht, en ik kan me daar wel iets bij voorstellen, hoewel ik dat tweede boek nog niet gelezen heb.

Tegelijk houd ik zoiets vandaag niet meer voor mogelijk. Uit de boeken die ik van hem ken komt Hamsun naar voren als een vakman met een aansterkende uitwerking op de lezer, maar ook niet meer dan dat. Te vergelijken met het diep inhaleren van gezonde lucht tijdens een strandwandeling. Ik geloof dat Hamsun in die zin ook geprezen is door Thomas Mann en Paul Auster. Met de gedateerde metaforische poespas (de vier seizoenen weerspiegelen hier de loop van Glahns liefde, om maar iets te noemen) kan ik echter niets aanvangen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Knut Hamsun, Pan : uit de papieren van luitenant Thomas Glahn
173 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1984
Oorspr. Pan, av loytnant Thomas Glahns papirer (1894)
Vertaald door ?

____

maandag 28 januari 2008

Het meten van de wereld - Daniel Kehlmann

Geen zak vond ik aan de vorige roman die van Daniel Kehlmann in het Nederlands werd vertaald, Ik en Kaminski. Normaliter duurt het dan jaren eer ik nog iets aanraak van de jonge Duitser, maar kijk, ineens wordt zijn nieuwe boek een Europese bestseller en word ik toch weer nieuwsgierig. Het meten van de wereld lezen was bepaald geen straf, maar ik deed het niet zonder reserves.

'Jongens en wetenschap in romanvorm' lijkt me een goeie omschrijving voor Het meten van de wereld: in afwisselende hoofdstukjes zet Daniel Kehlmann twee geleerden neer die ondanks hun wereldvreemdheid tot grootse prestaties in staat zijn. Humor voor velen, cliché voor mij.

Indoors
Eerst is er de wiskundige Carl Friedrich Gauss (1777-1855), die ik alleen kende van de gelijknamige curve. Een briljant theoreticus, die zich bezig houdt met rijen en reeksen, kansverdeling en driehoeksmeting. Op eenentwintigjarige leeftijd publiceert hij zijn Disquisitiones Arithmeticae, een meesterproef die hij niet meer zal evenaren.

Voor hem lag het manuscript dat de ander had achtergelaten, honderd dicht beschreven bladzijden. Hij bladerde erin en vroeg zich af hoe hij dat had klaargespeeld. Hij kon zich geen inspiratie, geen ingevingen herinneren. Alleen werk.
Gauss vindt dat als je alleen maar een probleem zonder vooroordeel en gewoonte bekijkt, je vanzelf de oplossing ziet. Toeval is zijn ergste opponent, "de vijand van alle kennis", die hij zijn leven lang zal proberen uit te bannen.
Van dichtbij gezien werd achter elke gebeurtenis het onnoemelijk fijne netwerk van de causaliteit zichtbaar. Als je genoeg afstand nam, kwamen de grote patronen tevoorschijn. Voor vrijheid en toeval moest je een positie in het midden kiezen, het was een kwestie van afstand.
Kehlmanns Gauss is het prototype van de studax die liefst nooit een stap buiten de deur zou zetten en gepreoccupeerd wordt door de theoretische vraagstukken die malen door zijn hoofd. Volgens de overlevering kroop hij zelfs tijdens de eerste liefdesnacht met zijn vrouw (p. 141) het bed uit om iets van belang te noteren. Kehlmann laat noodgedwongen weinig meer zien dan Gauss' innerlijke belevingswereld. Maar, het moet gezegd, die houdt niet op te fascineren.

Zijn wetenschappelijke obsessies:
Hij had ideeën die hij nog niemand had kunnen meedelen. Hij had namelijk de indruk dat de euclidische ruimte juist niet, zoals de Kritiek van de Zuivere Rede beweerde, ten grondslag lag aan de vorm van onze waarneming zelf en daarom aan alle mogelijke ervaring, maar eerder een fictie was, een mooie droom. De waarheid was heel verontrustend: de stelling dat twee gegeven parallellen elkaar nooit raakten, was nooit te bewijzen geweest, niet door Euclides, noch door iemand anders. Maar zij was allerminst, zoals algemeen was aangenomen, evident! Hij, Gauss, had nu het vermoeden dat de stelling niet klopte. Misschien bestonden er helemaal geen parallellen. Misschien liet de ruimte ook toe dat je, wanneer je een lijn en een punt ernaast had, oneindig veel verschillende parallellen door dit ene punt kon laten lopen. Slechts één ding was zeker: de ruimte had plooien, was gekromd en heel merkwaardig.
Herinneringen aan zijn jeugd als wonderkind:
Wie de professor naar jeugdherinneringen vroeg, kreeg ten antwoord dat zoiets niet bestond. Herinneringen waren, in tegenstelling tot kopergravures of postpakketten, niet gedateerd. Je trof dingen in je geheugen aan, die je soms met enig nadenken in de juiste volgorde kon plaatsen.

[...]

De meeste van zijn latere herinneringen draaiden om de traagheid. Lange tijd dacht hij dat de mensen toneelspeelden of een ritueel volgden dat hen dwong altijd pas na een korte pauze te spreken of te handelen. Soms kon hij zich aanpassen, andere keren was het niet uit te houden. Pas geleidelijk kwam hij erachter dat ze die pauzes nodig hadden. Maar waarom ging denken bij hen zo langzaam, zo log en zo moeizaam? Alsof gedachten door een machine geproduceerd werden die men eerst moest aanzetten en op gang moest brengen, alsof ze niet levend waren en zich vanzelf bewogen. Het viel hem op dat anderen zich ergerden wanneer hij geen pauzes inlaste. Hij deed zijn best maar vaak lukte het hem niet.
Ook de zwarte tekens in de boeken, die de meeste mensen iets zeiden, maar zijn moeder en hem niet, stoorden hem. Op een zondagmiddag liet hij zich door zijn vader, maar wat sta je daar, jongen, een en ander uitleggen: dat van de grote balk, het ding dat er ver onderuit zwaaide, de halve en de hele cirkel. Toen keek hij naar de bladzijde tot de nog onbekende tekens helemaal vanzelf werden aangevuld en er plotseling woorden stonden. Hij sloeg de bladzijden om, dit keer ging het sneller, een paar uur later kon hij lezen en nog dezelfde avond had hij het boek uit, dat overigens vervelend was en alsmaar over Christus’ tranen en het berouw van het zondige hart sprak. Hij bracht het naar zijn moeder om ook haar de tekens uit te leggen, maar zij schudde meewarig lachend haar hoofd. Op dat moment begreep hij dat iemand zijn verstand wilde gebruiken. Mensen wilden rust. Ze wilden eten en slapen, en ze wilden dat anderen aardig voor hen waren. Denken wilden ze niet.
Gauss' mismoedige buien (hij telt priemgetallen als hij nerveus wordt):
Misschien omdat hij zag dat zijn moeder stierf. Omdat de wereld zo teleurstellend bleek zodra je zag hoe dun haar weefsel, hoe grofmazig de illusie, hoe stumperig haar rugzijde was dichtgenaaid. Omdat alleen geheimen en vergeten het draaglijk maakten. Omdat je het zonder de slaap, die je dagelijks uit de werkelijkheid haalde, niet uithield.

[...]

God had je geschapen zoals je was, en dan moest je je voortdurend daarvoor bij hem verontschuldigen. Erg logisch was dat niet.
Groot is ten slotte ook zijn aversie jegens de domme studenten die hij later als lesgever te verstouwen krijgt. Het doceertempo laten zakken helpt niet.
Hij sprak zo langzaam dat hij het begin van de zin vergeten was voordat hij hem beëindigd had. Het haalde niets uit. Hij liet alles wat moeilijk was weg en beperkte zich tot de grondbeginselen. (...) Slechts een jongeman met waterige ogen slaagde voor het examen. Zijn naam was Möbius (...)
In 1807 word Gauss hoofd van het gloednieuwe observatorium van de Universiteit van Göttingen, waar hij ook had gestudeerd. Hij schrijft boeken over sterrenkunde en vult zijn dagen met het berekenen van omloopbanen van planeten. Eigenlijk zint het hem niet dat de astronomie een minder verfijnde discipline is dan de reine wiskunde.
Je kon de problemen niet alleen met nadenken oplossen, iemand moest door een oculair turen tot zijn ogen prikten, en een ander moest de meetresultaten in vermoeiend lange tabellen vastleggen.
In 1818 wordt hem gevraagd zich te wijden aan landmeetkundige onderzoekingen rond het in kaart brengen van de Duitse staat Hannover. Eindelijk is dan het moment gekomen om eens de benen te strekken.
Duitsland was geen land van steden, het was bevolkt met boeren en een paar rare aristocraten, het bestond uit duizenden bossen en dorpjes. Hij had het gevoel dat hij ze allemaal moest bezoeken.
Outdoors
Maar hoe groot blijft het verschil met de onvermoeibare reiziger die Alexander von Humboldt (1769-1859) is! Hem ken ik nog van zijn profiel door Boudewijn Büch, opgenomen in de bundel Een heel huis vol.

Van 1799 tot 1804 maakte Humboldt, opgeleid als mijnbouwkundige, samen met de Franse botanist Aimé Bonpland een expeditie naar de Nieuwe Wereld: de Canarische eilanden, Venezuela, Cuba, Ecuador, de Peruviaanse Andes, Mexico en de Verenigde Staten. Humboldt onderzoekt er vulkaankraters, bevaart de Orinoco, verzamelt planten en dieren (sommige levend), meet alle heuvels, beklimt elke berg en hakt steenmonsters uit iedere rotswand.

Hij wil het ganse leven onderzoeken, zegt hij, "de vreemde hardnekkigheid begrijpen waarmee het zich over de aardbol verspreidde", en sleept met dat oogmerk het duurste arsenaal meetinstrumenten achter zich aan dat een mens ooit bezeten heeft.
Twee barometers voor de luchtdruk, een hypsometer voor het meten van het kookpunt van water, een theodoliet voor het meten van voorwerpen in de ruimte, een spiegelsextant met kunstmatige horizon, een opvouwbare zaksextant, een inclinatorium, een toestel om de kracht van het aardmagnetisme te bepalen, een haarhygrometer om de vochtigheidtoestand van de lucht te meten, een eudiometer voor het meten van het zuurstofgehalte van de lucht, een Leidse fles die met elektriciteit kon worden opgeladen en een cyanometer om de intensiteit van de blauwe kleur van de hemel te bepalen. Bovendien twee van die onbetaalbare klokken die sinds kort in Parijs vervaardigd werden. Die hadden geen slinger meer nodig, maar sloegen de seconden onzichtbaar, met regelmatig zwaaiende springveren in hun behuizing.
Een van zijn drijfveren is onderzoeken in hoeverre de stelling van Abraham Werner klopt, als zou de aarde binnenin koud en onbeweeglijk zijn. Bergen ontstonden volgens deze Werner door chemische uitstulpingen uit de krimpende oceaan van de oertijd. Een theorie die bekend stond als 'neptunisme' en werd aangehangen door onder andere Goethe. (Inmiddels weten we wel beter.)
Het vuur van vulkanen kwam helemaal niet van diep vanbinnen, het werd gevoed door brandende koollagen, de kern van de aarde bestond uit hard gesteente.
Humboldt heeft met Gauss een onbedwingbare meetlust gemeen. Als een mens niet constant zijn positie bepaalt, kan hij zich niet voortbewegen, is zijn devies. Hij telt zelfs de luizen in het haar van de inboorlinges op zijn pad. Ondertussen doet de arme Bonpland soms onbedoeld denken aan de aangever in een komisch duo. Terwijl hij stommiteiten uithaalt, onhandige manoeuvres maakt, of domweg ziek is, gaat Humboldt, steeds in smetteloos Pruisisch uniform, onverminderd door met zijn onderzoekingen.
Terwijl Bonpland ziek in zijn kooi lag, gloeiend hete rum dronk en voor geen enkel werk in te zetten was, sneed Humboldt de twee kwallen onder de microscoop aan stukken, mat elk kwartier de luchtdruk, de kleur van de hemel en de temperatuur van het water, liet elke dertig minuten een dieplood zakken en noteerde de resultaten in een dik logboek.
En natuurlijk laat Kehlmann een van de bekendste anekdotes uit Humboldts leven niet links liggen. Die keer namelijk wanneer de uitbarsting van de vulkaan Cotopaxi een storm ontketent op zee. Humboldt besluit deze gelegenheid niet onbenut voorbij te laten gaan
en zich vijf meter boven het wateroppervlak aan de boeg te laten vastbinden om de hoogte te meten van de golven die niet door een kust gebroken werden. Een hele dag had hij daar gehangen, vanaf de ochtenduren tot in de nacht, het oculair van de sextant voor zijn gezicht. Daarna was hij weliswaar ietwat verward, maar ook rood, verkwikt en vrolijk, en hij had niet kunnen begrijpen waarom de matrozen hem vanaf dat moment voor de duivel aanzagen.
Over Humboldts rol en betekenis in het licht van de hedendaagse wetenschap zijn de meningen echter verdeeld. De een beschouwt hem als een ongeleid projectiel en bekritiseert zijn willekeur van handelen, de ander ziet in Humboldt een van de grondleggers van de fysieke aardrijkskunde en meteorologie.

Feit is: naast vele nieuwe plantensoorten ontdekte hij het natuurlijke kanaal tussen de Orinoco en de Amazone en de belangrijkste oceaanstroom van Zuid-Amerika, die nu zijn naam draagt.

De som van de delen
Het plezier in Het meten van de wereld werd enigszins bedorven door mijn voorkennis van de reputatie van het boek. Daardoor vroeg ik me tijdens het lezen iets te vaak af wat nu juist verantwoordelijk was voor het eclatante succes.

Het no-nonsenseproza zit daar zeker voor iets tussen. Kehlmann heeft een feilloze intuïtie voor wat de lezer zou kunnen interesseren en schrijft dat vervolgens iets compacter op dan nodig. Zijn alinea's zijn uptempo en tijdloos. Die filmische aanpak is onmiskenbaar een vondst voor een boek dat in de achttiende eeuw speelt. Oordeelkundig snijdt Kehlmann de barokke gezwellen van de pruikentijd weg.
Eugen Gauss dwaalde door Berlijn. Een bedelaar hield zijn hand voor hem op, een hond reed tegen zijn been op, een koetspaard hoestte in zijn gezicht, een politieman sommeerde hem op barse toon niet rond te lummelen. Op een hoek raakte hij met een jonge priester in gesprek, uit de provincie zoals hij, eveneens zeer geïntimideerd.
Wat een boeiende tijd ook, waarin Gauss en Humboldt experimenteren. Wieland, Herder en Goethe leven nog. Daguerre werkt aan een apparaat "dat het moment op een lichtgevoelige zilverjodidelaag zou vastleggen en aan de vliedende tijd ontrukken". In zijn pamflet L'homme machine beweert La Mettrie in ernst dat de mens een machine is, "een automatisch handelend, uitermate vernuftig in elkaar stekend apparaat". En als je naar boven kijkt vliegt met een beetje geluk de heteluchtballon van Pilâtre de Rozier over.

Steeds is er dat aanstekelijke geloof in de wetenschap, waarvan zonder ironie wordt verwacht dat die welvaart met zich mee zal brengen, en misschien zelfs het probleem van de dood zal oplossen. Kunstenaars moeten maar eens ophouden met afwijkingen als iets positiefs te beschouwen, bromt Gauss ergens.
Verzinsels verwarden de mensen, stilering vervalste de wereld.
Andere troeven van deze roman zijn de aantrekkelijke tweedeling denker versus doener, en de readers digest-achtige manier waarop Kehlmann met wetenschap omspringt. Een beetje à la Mulisch, waar ook zijn schriftuur wat van weg heeft. Kehlmanns tussentitels klinken ook even verabsoluterend als die van Harry: 'De reis', 'De getallen', 'De zoon', 'De geesten'...

Maar waar ik dus blijf mee zitten is de wens naar een evenwichtiger beeld van beide wetenschappers, dat Kehlmann hier offert op het altaar van de lach. Vaak doet hij dat ook in een makkelijke, opsommende stijl.
Verbouwereerd knipte Humboldt met de vingers. Het was vroeg in de middag en de professor had zestien uur slaap achter de rug. Humboldt daarentegen was zoals elke dag om vijf uur ’s ochtends opgestaan, had niet ontbeten, maar had een paar schetsen over de fluctuatie van het aardmagneetveld op papier gezet, daarna een memorandum over kosten en mogelijke voordelen van een robbenteelt in Warnemünde gedicteerd, vier brieven aan twee academies opgesteld, met Daguerre over het klaarblijkelijk onoplosbare probleem van de chemische beeldfixatie gediscussieerd, twee koppen koffie gedronken, tien minuten uitgerust en drie hoofdstukken van zijn reisverslag van voetnoten over de Cordillerasflora voorzien. Hij had met de secretaris van het genootschap van natuuronderzoekers over het verloop van de ontvangst die avond gesproken, voor de nieuwe Mexicaanse minister-president een kleine verhandeling over het afpompen van mijnwater geschreven en de brieven met vragen van twee biografen beantwoord. Toen was Gauss slaperig en slechtgehumeurd uit de gastenkamer gekomen en had om een ontbijt gevraagd.
Wat biedt deze roman meer dan een draaitol van de leukste weetjes uit beider biografieën, dacht ik meermaals. Ligt het aan mij? Het gebeurt wel vaker dat ik lichte satire niet navoel. Evenzo is de confrontatie tussen Gauss en Humboldt (ze ontmoeten elkaar op het eind van het boek) mij misschien te subtiel. Ik had op meer vuurwerk gehoopt.

[afbeeldingen overgenomen van Wikipedia]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://nl.wikipedia.org/wiki/Alexander_von_Humboldt
> http://en.wikipedia.org/wiki/Carl_Friedrich_Gauss

Daniel Kehlmann, Het meten van de wereld
289 p.
Uitgeverij Querido, 2006
Oorspr. Die Vermessung der Welt (2005)
Vertaald door Jacq Vogelaar

____

zondag 27 januari 2008

Joachim Ringelnatz

"Joachim Ringelnatz (1883-1934, eigentlich Hans Bötticher) war ein deutscher Schriftsteller, Kabarettist und Maler, der vor allem für humoristische Gedichte um die Kunstfigur Kuttel Daddeldu bekannt ist."




____

zaterdag 26 januari 2008

Memoires - Saint-Simon

Louis de Rouvroy, duc de Saint-Simon (1675-1755) verkeerde het gros van zijn leven aan het hof in Versailles en Marly, waar Louis XIV absolutistisch de scepter zwaaide. 's Nachts, in het geheim, schreef dit dwergachtige personage (anderhalve meter lang) aan zijn Memoires.

Dat resulteerde in een kolossaal manuscript waarin de kleine hertog een vitaal en vilein beeld schetst van het hof en zijn bewoners, die hij een dikke drie decennia lang "met heel het bereik en de priemkracht van zijn blik" had geobserveerd.

Vitaal is nog zwak uitgedrukt. De voorliggende selectie overspant de jaren 1691-1723 en haar doornemen staat zo ongeveer gelijk met het lichten van het deksel van een beerput. Saint-Simon blijkt een onvoorstelbare reactionair en dito cynicus. De portretten in zijn memoires zijn genadeloos en laten een stoeterij zien van kruiperige types, perfide geesten en schaamteloze draaikonten. Er is een opbod van allianties, amourettes en intriges en Saint-Simon, loerend door kieren en zich vastzuigend aan wat weerkaatst wordt in de spiegels van de kabinetten, legt alles gretig bloot. Héérlijke lectuur, kortom.

Net zoals het boek van Margaret Crosland over Madame de Pompadour (die onder Louis XV in Versailles verbleef) al aantoonde, zijn de invloedscirkels van kapitaal belang aan het hof. Hovelingen konden stijgen of dalen in rang en daarom was het zaak op goede voet te staan met de spilfiguren in het hiërarchisch systeem. Iemand met ambities diende welingelicht te zijn, en "onder een schors van strikte vroomheid" zijn ijzers zorgvuldig in het vuur houden.

Eigenlijk was Saint-Simon geen haar beter. Het gewone volk was hem vreemd. De hekelende hertog behoorde zelf tot de hoogste adel en ging prat op zijn anciënniteit aan het hof. Alleen voor connecties die hem van waarde zijn heeft hij een goed woord over. Het hoeft niet de verbazen dat Proust veel van hem heeft geleerd. Sla er diens hielenlikkende brieven maar op na.

Maar: de positie van de hoge adel van Saint-Simons vader (eerst page en daarna opperstalmeester aan het hof van Louis XIII) was echter bij de Fronde al vergane glorie geworden. En ook Louis XIV zadelt de opperste hovelingen met niet meer op dan schijnfuncties. Saint-Simon kampt met een algeheel verlangen naar herstel van orde en rang en blikt met nostalgie terug op een tijd waarin de koning zijn macht met de adel deelde, als primus inter pares. Knarsetandend moet Saint-Simon aan het eind van zijn memoires zelfs toezien hoe de stervende Zonnekoning in zijn testament zijn bastaards boven de wettige nazaten dreigt te verkiezen.

Rancune om deze kwesties lijkt Saint-Simons voornaamste motor te zijn bij het schrijven van zijn herinneringen. Met sardonisch genoegen maakt hij melding van de manieren waarop omhooggevallen types hun positie niet met gepaste waardigheid kunnen invullen.

Saint-Simon als portrettist
Wat Honoré Daumier is voor de tekenkunst, is Saint-Simon voor het gedenkschrift. Zelfs bij de weinige keren dat een schets positief en welwillend aanvangt, krult die altijd om onder de hitte van Saint-Simons wrok en spotlust. Traditioneel begint een beschrijving met een hardvochtige doorlichting van de fysionomie van zijn onderwerp...

"Mme de Castries was een piezeltje van een vrouw, een koekje van deeg dat niet had willen rijzen, miniem maar niet misvormd, iemand om door een ringetje te halen: zonder achterste, zonder boezem zonder kin; oerlelijk, met altijd een houding van bekommerde verbazing; desniettemin straalde haar fysionomie van esprit en loste zij die belofte ruimschoots in."

"Abbé Dubois was een graatmager, sprietig kereltje, een geniepig scharminkel met een blonde pruik, een martersnuit en een sluw fysionomie waarvan afstraalde wat men een griffioen noemt, in slecht Frans, maar beter laat het zich niet uitdrukken."

...om daarna zijn of haar maatschappelijke kwaliteiten, en meestal het gebrek daaraan, te ontvouwen. In vergelijking met Saint-Simon zijn de broertjes Goncourt toonbeelden van discretie.

Hij vertelt over courtisanes die zich in kloosters terugtrekken, over een wrek die zich per abuis opsluit in zijn eigen brandkast en het loodje legt, over een hooggeplaatste dame die de gewoonte heeft bij theaterstukken een lavement te nemen (en aldus een klisteerspuit kant en klaar onder de rokken vandaan haalt), over de urne van Mlle de Montpensier die ontploft tijdens de dodenmis ("met een oorverdovende knal en een wolk van ondraaglijke stank") of over een handelsreiziger die vijfendertig jaar onterecht in de Bastille zit opgesloten, zich geen raad weet bij zijn vrijlating en smeekt om verder opgesloten te mogen blijven.

Anekdotes dienen meestal om de stompzinnigheid van de hovelingen aan te tonen. Ze zijn subjectief als de pest, al is Saint-Simon zelf daar blijkens zijn nawoord niet bewust van. Het zal de moderne lezer worst wezen. De ware toedracht is voor een keertje voer voor historici.

Hallucinant is tegelijk het beeld van een besloten microkosmos dat Saint-Simon ophangt. Afgezien van de beschrijving van een paar matige militaire manoeuvres en die ene keer dat er besmettingsgevaar dreigt omdat buiten de muren de pokken zijn uitgebroken, is er geen spoor van de buitenwereld te bekennen in de memoires. Alles is toegespitst op hovelingen, hertogen, markiezen en salonjonkers. Kostelijk bijvoorbeeld is het verhaal over een naaste kennis van de baron de Breteuil.

"Zijn vriend de marquis de Gesvres, die soms de boekenwurm uithing door ingestudeerde sententies af te vuren, te pas of te onpas, zat op een dag in ‘s Konings appartement te oreren en prees als een echte kenner de uitnemende schilderijen die er hingen, waaronder verscheidene kruisigingen door verscheidene grote meesters ; een en dezelfde schilder, merkte hij op, had er daarvan veel gemaakt, alle die hier hingen. Men sliepte hem uit en noemde de namen van de verschillende makers, die aan hun stijl waren te herkennen. ‘Onzin,’ riep de markies uit, ‘die schilder heet INRI. U ziet zijn naam staat toch op alle doeken staan?’"

En wat te denken van Mme de Saint-Hérem?

"Mme de Saint-Hérem was om te zien een vreemd creatuur, en in haar gedrag uitermate bizar. Zij roosterde eens haar dij midden in de Seine, bij Fontainebleau, waar zij aan het baden was; het water was haar te koud, zij wilde het verwarmen en liet daartoe op de oever een grote pot water koken en die naast en over zich heen uitgieten, zodat ze, voordat het had kunnen afkoelen aan de rivier, brandwonden opliep en het bed moest houden. Bij onweer kroop zij op handen en voeten onder een divan en beval dan al haar bedienden er als een menselijke berg op te gaan liggen, zodat de bliksem, als hij insloeg, eerst hen zou treffen voordat hij haar kon bereiken. Door louter stompzinnigheid ruïneerde zij zichzelf en haar eega, terwijl ze beiden rijk waren; geen mens zou geloven hoeveel geld zij uitgaf om priesters het evangelie van Johannes te laten lezen met een flap van de stool over haar hoofd."

Saint-Simon is alziend en legt zijn oor overal te luisteren. Zijn herinneringen zijn overvloedig en toch gecomprimeerd. Ze geven blijk van een zelden geziene combinatie van scherpte en werkkracht. Naar verluidt zijn ze dan ook een ijkpunt in de ontwikkeling van de Franse taal. Vertaalster Anneke Brassinga heeft duidelijk de handen vol met het zoeken naar Nederlandse equivalenten van Saint-Simons immens uitgebreide, en volgens kenners nog archaïserende, zeventiende-eeuwse vocabulaire.

Welnu, ze kwijt haar taak met verve en raakt het noorden niet kwijt temidden van Saint-Simons zeer conciese persoonsbeschrijvingen, die meestal kreunen onder de woordovertolligheid. Alles dient altijd en overal opgepompt wanneer de hertog zijn medemens fileert.

"Hij had de sprankeling, ik wil niet zeggen van een engel maar veeleer van een demon, met al de doortrapte, perverse, abjecte perfiditeit van dien, met zijn vuige streken ieder schadend en ooit iemand batend, een meester in duistere slinksheid, een pronkjuweel van zelfvergoding, een gifslang van raffinement, voor geen gat te vangen, onuitputtelijk in het veinzen en daarbij virtuoos in het amsuseren, in het behagen en plezieren als het hem uitkwam; een lafaard in hart en nieren, zo doorgewinterd laf dat hij levensgevaarlijk was en, mits ondergronds, tot gruwelijke uitersten ging om af te wenden wat hij meende te moeten duchten, en zich verlaagd tot het kruiperigste gekronkel en gesluik; dat alles als een wolf in schaapskleren."

En dat is meteen mijn (nederige) kritiek op Saint-Simon. Zijn noteerdrift en hang naar volledigheid zorgt in feite voor het failliet van zijn beschrijvingskunst. De opeenstapeling van superlatieven mat af. Wanneer je te veel schetsen na elkaar leest, lijken de beschreven figuren allemaal op elkaar. Het worden inwisselbare schimmen, paradoxaal genoeg. Het duizelt de lezer langzaam van zoveel overvloed en uitersten.

Eerder dan het rondstrooien van steeds meer predikaten en adjectieven bij een individu, had Saint-Simon moeten investeren in meer dialoog, en meer concrete feiten.



[Manuscript van Saint-Simon. Let op de manchettes: tussenkopjes in de kantlijn waarin summier een nieuw onderwerp wordt ingeleid.]

Boosaardige in memoriams
Maar wanneer je de Memoires met mondjesmaat nuttigt, blijft het fantastische leeskost. Vooral in de beschrijving van de laatste uren van bepaalde personages is Saint-Simon een Tolstoj evenwaardig.

De dood is immers het meest uitgelezen moment voor Saint-Simon om de balans op te maken. Van de persoon zelf, én van de omstaanders, die meestal rechtstreeks belang hebben bij dat verscheiden en kans zien om op te schuiven in de pikorde. Saint-Simon smult van hun reacties.

"Voor wie heg en steg aan het hof op zijn duimpje kent zijn bij dit soort eenmalige gebeurtenissen, zo belangwekkend in zoveel opzichten, juist de eerste indrukken immers goud waard: elk gezicht herinnert u aan de zorg, het gekonkel, het zweet dat aan het maken van fortuin is gespendeerd, aan de vorming en de macht van cabalen, de kunstgrepen om zich er staande te houden en anderen erbuiten, de middelen van elk aard die daartoe worden aangegrepen, de meer of minder hechte connecties, de verwijderingen, verkillingen, vetes, gluiperige streken, diplomatie, baatzucht en kruiperigheid van elkeen, de dwaalwegen of op het toppunt van hun welslagen, de roes van hen die eindelijk zwelgen in triomf, de zwaarte van de slag die hun tegenstanders en dier kliek daarmee wordt toegebracht, de kracht van de weerslag die op datzelfde moment al hun praktijken en kuiperijen ten goede keert, het opperste en onverhoopte genot van dezen, en, daar had ik een scherp oog voor, de razernij die dat bij de anderen wekt, dier naijver en de moeite die te maskeren."

Met leedvermaak registreert Saint-Simon de hypocrisie, wanneer x of y het tijdelijke met het eeuwige heeft verwisseld.

"Na nog geen twee uren was alles voorbij en verbreidde zich allengs een verlatenheid, even groot als het gedrang was geweest."

klinkt het dan, of nog laconieker:

"De rouw was massaal, de droefenis kortstondig."

Ter illustratie: wanneer de duc de Vendôme het loodje legt, vergrijpen de weinige bedienden die bij hem zijn gebleven en zien dat het einde nadert, zich aan zijn laatste bezittingen en gritsen ze zelfs zijn deken weg en de matras waar hij op ligt.

Voor ik het vergeet: de dood van 'Monseigneur' (de Grand Dauphin) in het hart van Brassinga's bloemlezing is ronduit adembenemend en heb ik, hoewel het een waargebeurde geschiedenis betreft, met stip genoteerd in mijn persoonlijke selectie beste kortverhalen ooit.

Andere hoogtepunten uit deze bundel (niet alleen sterfgevallen) zijn, wat mij betreft:

De duc de Vendôme (p. 89)
De dood van maarschalk de Noailles (p. 122)
De dood van Monsieur le Prine (p. 129)
Karakter van M. le duc d’Orléans (p. 215):

"Ik aarzel niet te zeggen dat hij zelfs van de hoogste deugd, vijanden vergiffenis te schenken, een ondeugd maakte door er zo gul en lukraak mee te strooien dat het als louter slordigheid aandeed, en hij zich er veel schade en ongemak me op de hals haalde, zoals nog zal blijken."

Karakter van maarschalk de Villeroi (p. 230) [PvD]
Karakter van Louis XIV (238)
Reis naar Spanje (p. 286)
De jacht (p. 298)

Die voornoemde notities aangaande Saint-Simons reis naar Spanje, sprankelend en vol detail, doen de lezer trouwens spijt krijgen van het feit dat de hertog zo'n stationair leven heeft gehad, zonder veel gezonde buitenlucht. Een bredere horizon had van Saint-Simon een nog groter chroniqueur gemaakt dan hij al is.

Zonnekoning
De enige praktische waarde dat dit deel Privé-domein mij schonk was eindelijk eens een levensecht beeld te hebben van de befaamde Louis XIV, een figuur waar je meestal ontmenselijkte cliché's bij opgedist krijgt.

De vorst snauwt hier, verrast, ontroert, is vertederd, en ja, komt vaak autoritair uit de hoek. Toornig wordt hij bijvoorbeeld wanneer het Parlement eigenmachtig maatregelen meent te moeten nemen om de hongersnood in 1709 tegen te gaan.

Saint-Simon beschrijft Louis voor de rest als een gematigd, gesloten man met een robuust, kerngezond lichaam, die wat gebukt gaat onder het gebrekkig intellectueel onderricht in zijn jeugd.

Een vorst die verzot is op eerbetoon ook, zich graag omringt met hovelingen en gewend is nergens rekening mee te houden. Adellijke dames wier gezelschap hij op prijs stelt moeten willens nillens mee op urenlange tochten in de hobbelende koets, zelfs als ze hoogzwanger zijn en eigenlijk moeten rusten, zelfs wanneer ze hun ontlasting nauwelijks nog kunnen ophouden.

Saint-Simon besteedt tevens aandacht aan de maîtresses van "de Koning" (bij hem altijd met hoofdletter), de bastaards uit de menigvuldige huwelijken, en de manier waarop Louis met de Franse variant van 'verdeel en heers' de teugels stevig in handen houdt.

"Vandaar dat hij zo graag zijn ministers de macht gaf over zijn hoogste onderdanen, over de prinsen van zijn bloed gelijk alle anderen, […] vandaar dat hij elkeen die macht of rijkdom had waaraan en koning niet kan af- of toedoen, verre hield van elk regeringsambt."

Ontluisterend is het hoofdstuk waarin Saint-Simon het kasteel en de tuinen van Versailles inschat (dat pas vanaf 1682 als uitvalsbasis zal dienen). Wat nu publiekstrekker no. 1 is, zet de hertog neer als een wansmakelijke ramp. Grappig.

Besluit
Wanneer Philippe d'Orléans in 1723 sterft is het afgelopen met Saint-Simons openbare bestaan, schrijft Brassinga in haar gloedvolle, compacte en tegelijk zeer informatieve nawoord.

"Hij was achtenveertig en verliet het hof. Tot zijn dood, tweeëndertig jaar later, leefde hij in zijn Parijse woning, schrijvend en redigerend, in de schaduw van de aangloeiende Verlichting."

Al had ik van haar wel een poging verwacht te verklaren waar Saint-Simons reusachtige talent vandaan kwam. Ergens vertelt hij zelf over de aandrang waarmee hij zich verdiepte in de geschiedenis en persoonlijke memoires sinds François I, maar dat is wat mager.

Maar goed, mocht u het nog niet begrepen hebben: lees deze Memoires, beste mensen. De mooie selectie van driehonderd pagina's, óf het hele zwik in de Pléiade-editie, achtduizend pagina's.

> http://fr.wikipedia.org/wiki/Louis_de_Rouvroy,_duc_de_Saint-Simon
> lees de integrale Franse editie hier
> meer Privé-domein op Achille

Louis de Rouvroy, duc de Saint-Simon, Memoires
331 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1996
Oorspr. Mémoires (eerste uitgave 1858)
Vertaald door Anneke Brassinga
Privé-domein nr. 212

____

vrijdag 25 januari 2008

De hond van de Baskervilles - Arthur Conan Doyle

Soms ben ik gewoon een snob. Hedendaagse misdaadverhalen vind ik doorgaans totaal oninteressant, maar ik was wel curieus naar De hond van de Baskervilles, de klassieke whodunnit van Arthur Conan Doyle. Zo'n pièce de résistance dat ik om een of andere reden al heel mijn leven ben misgelopen.

Het laat zich lezen als een confrontatie tussen de exact wetenschappelijke geest en dom bijgeloof. Op Baskerville Hall, een kasteel in Dartmoor, komen alle eigenaars op geheimzinnige wijze om het leven. Volgens een oude familielegende in de gothic sfeer zou daar een monsterlijke hond achter zitten.

Bestaat dat beest werkelijk of zit er iemand anders achter de moorden? De butler? Een van de buurtbewoners? Die ontsnapte dwangarbeider die op de onherbergzame heide rondwaart?

Dit is mijn eerste Sherlock Holmes, maar echt sympathiseren voor 's werelds bekendste detective deed ik niet. Daarvoor is hij me te dominant en te hautain tegenover zijn sidekick Watson.

"Toen ik zei, dat je mij stimuleerde, bedoelde ik, om je de waarheid te zeggen, niets anders dan dat ik door jouw vergissingen vaak op het rechte spoor gebracht word."

"Het is mogelijk, dat je zelf geen licht uitzendt, maar je bent zeer zeker een goede geleider van licht."

Ook met Watson zat er geen identificatie in, omdat die voortdurend blijk geeft van een nogal gedateerd ontzag voor de grote Holmes.

"Ik wist, dat eenzaamheid broodnodig was voor mijn vriend, wanneer hij zijn gedachten concentreerde, alle bijzonderheden tegen elkaar afwoog, alternatieven bedacht, de ene theorie tegen de andere uitspeelde, en trachtte uit te maken welke punten van wezenlijk en welke van bijkomstig belang waren."

Maar de plot van De hond van de Baskervilles is wel degelijk spannend, al verslapte mijn aandacht wat tijdens het lange middendeel, waarin Watson solo slim moet spelen op de heide. Ik kreeg het grondplan van het terrein maar niet in mijn kop om echt goed te kunnen volgen. En compositorisch moet Doyle zich in allerlei onnatuurlijke bochten wringen.

Want als hoofdstukken fungeren ineens de verslagen van Watson aan Holmes, en nog later diens absurd lange dagboekaantekeningen mét uitgeschreven dialoog. Weinig geloofwaardig. En waarom laat hij zijn beschermeling zo lang alleen achter in dat kasteel?

Bovendien is een relaas in een thriller steevast minder beklijvend dan een afwikkeling van de gebeurtenissen in real time.

Watson is ook een stuk minder deductief dan Sherlock Holmes in de openingspagina's.

"'Met een nagelschaartje,’ zei Holmes, ‘u kunt zien, dat het een schaar met zeer korte bladen was, daar de afzender voor de woorden “wanneer uw” tweemaal heeft moeten knippen.'"

Maar wat een sfeervol verhaal is dit verder. Reminiscenties aan de setting van Wuthering Heights kwamen me voor de geest, hoewel Devonshire in Zuid-West-Engeland weinig te maken heeft met het Yorkshire (in het Noorden van Engeland) van de zusjes Brontë.

Smullen is het tevens van de vanzelfsprekende klasse en stijl die de Britse vorsers aan de dag leggen. Om de tijd zo goed mogelijk zoek te brengen tijdens een dood moment in het onderzoek bezoeken ze een schilderijententoonstelling van moderne Belgische meesters.

Eigenlijk is het onnozel om dit boek in vertaling te lezen, maar ik heb nu eenmaal goede herinneringen aan de boeken van Contact uit de jaren zeventig, met dat lelijke, halfslachtige ontwerp van Herbert Binneweg op de cover. Sentimenten waar ik u verder niet lastig mee zal vallen.

De statige, ja stroeve vertaling van Vestdijk uit 1946 werkte voor mij. Punt.

"‘Tjonge, dat is lelijk!’ zei Holmes hoofdschuddend.
Dr. Mortimer gluurde verbaasd door zijn brilleglazen.
‘Waarom is dat lelijk?’
‘O, u heeft alleen maar onze bescheiden gevolgtrekkingen omvergeworpen.’"


Ik heb nog een vijftal boekjes van Arthur Conan Doyle in de kast staan, met merkelijk kortere geschiedenissen, en ik heb daar nu grote trek in gekregen.

"Boven de rotsen, in een spleet waarin de kaars gestoken was, verscheen een kwaadaardig, geelachtig gezicht, van een terugstotende dierlijkheid, door de laagste hartstochten verwoest. Besmeurd met slijk, en met die verwarde baard en haren, had het heel goed aan een van die wilden uit de oude tijd kunnen toebehoren, die in hun holen op de heuvels woonden. Het licht beneden hem glom in zijn kleine, listige ogen, die scherp naar links en rechts in de duisternis spiedden, als een wild dier, dat de voetstappen van de jagers heeft gehoord."

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://en.wikipedia.org/wiki/The_Hound_of_the_Baskervilles

Arthur Conan Doyle, De hond van de Baskervilles
170 p.
Uitgeverij Contact, 1975
Oorspr. The Hound of the Baskervilles (1902)
Vertaald door Simon Vestdijk

____

donderdag 24 januari 2008

Onetti

Een Duitse Onetti-fanaat heeft zonder mijn medeweten, en zonder linkje terug, mijn bespreking van De werf integraal op zijn site gezwierd, ontdek ik gisteravond.

Je hebt lieden die in een dergelijk geval prompt een raadsman in de arm nemen, maar ik maal daar niet zo om. Het internet is geven en nemen. Snaaien zonder bronvermelding, het gebeurt wel meer. De site is mooi en ziet er oerdegelijk uit, en verdomd, in de opmaak aldaar is mijn recensie zelfs leesbaarder geworden.

De morning after blijft er toch iets knagen. Het heeft er immers alle schijn van dat die kwibus alle recensies over Onetti die hij online kan vinden wegkaapt.

Toch maar een briefje schrijven?
____

Niet te overzien

"De schilderijen die meteen mooi gevonden werden omdat ze voldeden aan de vluchtige smaak van het publiek, zijn nu alleen nog interessant omdat ze laten zien hoe snel die smaak verandert. In de literatuur komen de toneelstukken van Dumas fils ons nu zo voor, en morgen die van Henri Bataille. Het zou bijzonder leerzaam zijn als we de boeken van een bibliotheek, net zo snel zouden kunnen overzien als de schilderijen van een bepaalde periode die op een museumwand hangen."

André Gide, in zijn dagboek

____

Summize

summized 38,152,923 opinions across the web.

Een portaalsite voor user reviews. Handig vergelijkingsmateriaal door de uitgekiende layout.

Neem nu The magician van Somerset Maugham, waarvan ik laatst de Nederlandse vertaling besprak.

> http://www.summize.com/product/the-magicians/hardcover/0735101752
____

woensdag 23 januari 2008

Vandaag heb ik mijn minnaar gezien - María Luisa Bombal

De Chileense María Luisa Bombal (1909-1980) leidde een tumultueus leven, lees ik in de biografische notitie vooraan in het boek. Op jeugdige leeftijd verliet ze haar geboorteland om in Parijs te gaan studeren. Bij haar terugkeer in Zuid-Amerika ontmoette ze ene Elogio Sánchez, die haar grote liefde zou worden. Toen die niets begreep van haar literaire aspiraties kwam Bombal in een slopende depressie terecht: na een mislukte zelfmoordpoging schoot ze midden op straat haar minnaar neer met een pistool. De man overleefde het incident.

Door toedoen van onder meer Pablo Neruda kwam ze spoedig vrij. Bombal vluchtte naar Argentinië en werd een graag geziene gast in de literaire kringen waar naast Neruda ook Borges in vertoefde. In 1942 emigreerde ze naar de Verenigde Staten om er tot haar dood te blijven.

María Luisa Bombal is naar verluidt een van de weinige schrijfsters uit Zuid-Amerika die kunnen bogen op wereldwijde roem, al had ik tot dit boek nog nooit van haar gehoord. Voor zover ik kan overzien is het ook het enige dat in Nederlandse vertaling verscheen.

Liefde en dood zijn ook in Vandaag heb ik mijn minnaar gezien prominent aanwezig. Op een gegeven ogenblik weerklinkt zelfs luid een schot van een vrouw die zich door het hoofd schiet.

Bombal brengt in hoofdzaak bloedrode romantiek en zelfvervullende fantasma's. Het titelverhaal draait rond de welbekende vrouwenwens, zich volkomen over te geven aan een onbekende man en met hem teder de liefde te bedrijven. 'De vrouw in het doodskleed' is geschreven vanuit het perspectief van een dode vrouw die herinneringen ophaalt aan de mensen die rond haar opgebaarde lichaam staan.

De twee novellen bewijzen vooral hoe het mis kan gaan wanneer men zijn magisch-realistische aandriften (zo typisch voor Latijns-Amerikaanse auteurs klaarblijkelijk) niet onder controle kan houden.

Vandaag heb ik mijn minnaar gezien mist voldoende beenderstructuur die de tomeloze poëzie van Bombal kan stutten. Alles wat ze vertelt is zo week en wuft en vaag, dat het me vermoeide.

Ik kan me voorstellen dat een aangebrande maagd hier iets in ziet, en Bombal zal in de jaren dertig wel van van alles en nog wat de voorloopster zijn geweest, maar herlezen zal ik haar niet.

> lees een uitgebreid, representatief fragment op Prins van Denemarken

María Luisa Bombal, Vandaag heb ik mijn minnaar gezien : twee novellen
153 p.
Uitgeverij Wereldbibliotheek, 1992
Oorspr. La última niebla (1935) en La amortajada (1938)
Vertaald door Henriëtte Aronds en Elisabeth van Elsen

____

dinsdag 22 januari 2008

De buitenkant - Gerrit Komrij

Ik kon dit abecedarium van Gerrit Komrij voor een prikje kopen en dat is maar goed ook: De buitenkant is geen boek om te lenen, maar om te hebben en te houden. Je leest erin, kruist met een scherp geslepen potlood de aardigste quotes aan, zet het terug in de kast, haalt het later weer boven en maakt opnieuw aantekeningen. Na een leesbeurt of vier, vijf bemerk je stilaan bijna alles te hebben aangekruist. De buitenkant bevat flarden van tientallen interviews, de krenten uit de pap, waarmee Komrij een zelfportet heeft gecomponeerd.

Tegen de verwachtingen in had hij daar schik in:

De ontsnappingspogingen door jezelf tegen te spreken, de modulaties en nuanceringen omdat men een ander wordt en toch zichzelf blijft, de dwarslijnen en vergelijkingsmogelijkheden, de baldadigheden en zelfs de obstinate herhalingen straalden, al zeg ik het zelf, een charme uit die ze in de afzonderlijke interviews -- vóór de compositie -- niet op die manier bezaten.
Schrijven is voor Gerrit Komrij naar eigen zeggen niets anders dan "het opwerpen van wegversperringen, het plaatsen van verkeersborden en het bouwen van hokken" om zelf buiten schot te blijven. En eigenlijk gaat die maskerade tijdens de interviews gewoon door. Vandaar de titel, De buitenkant.
De buitenkant, dat is het deel van je waarmee interviewers worden geconfronteerd, hoe gretig ze ook vorsen naar je binnenkant, en dat hele bedrijf van interviewen en geïnterviewd worden, het behoort tot de buitenkant van de literatuur.
Zijn verzamelde citaten beschouwt Komrij dan ook als puzzelmateriaal waarmee hij fijntjes een beeld van zichzelf kan ophangen dat zo mogelijk nog meer vervormd is dan door Komrij's welbespraaktheid in de oorspronkelijke interviews al het geval was. In De buitenkant mogen retoriek, pesterijen, provocaties en innerlijke tegenspraak welig tieren. Het verdient zelfs aanbeveling.
Je moet de mensen wijsmaken dat je je om de hoek verscholen hebt en dan zorgen dat ze daar gaan kijken, en inmiddels zelf weer om een andere hoek staan. Ja, dat vind ik prettig.
De buitenkant wordt aldus het verslag van een voortdurende pendelbeweging. Komrij schippert tussen epicurisme en hypochondrie, tussen burgerlijk geluk en de zucht naar verheviging, tussen economisch vooruitstrevend en cultureel behoudend zijn, tussen allerlei afsplitsingen en ego's die rumoerig om voorrang strijden.

Aan de ene kant is er de Komrij die groots en meeslepend wil leven, aan de andere kant is er zijn Nederlandse roots die hij ook op respectabele afstand van zijn geboorteland niet van zich af kan schudden. Hij ziet slechts één constante: die van de averechtse kameleon: "Ik schiet voortdurend in de verkeerde kleur. Ik schiet dwangmatig in een andere kleur dan die van mijn omgeving."

Stiefkind van de Nederlandse literatuur
Waarover gaan interviews met schrijvers? Over hun boeken, mag je hopen. Opvallend is het daarom dat Komrij de autobiografische dwarsverbindingen tussen leven en werk (waar journalisten doorgaans zo tuk op zijn) geweerd heeft uit dit boek. Hij houdt het vizier koppig op de literatuur en haar geplogenheden. En dikwijls is dat om zijn gram te halen.

Hij fulmineert tegen slechte boeken:
Er is een hang om alles wat er maar op lijkt literatuur te noemen, ook het knip- en plakwerk van de krukken, het pseudo-kinderlijk gestamel van artistiekelingen, het hoge toontje van copywriters en kunstgrossiers, het machteloze schrijf-maar-wat-je-te-binnen-schiet van schoolkinderen, huismoeders en arbeiders die -- ‘omdat creativiteit zoiets moois is’ -- in kunstzinnige workshops poëzie vervaardigen, aangezien ze verder die dag toch niets om handen hebben. Voor zulke mensen zijn er kruiswoordpuzzels en raffia mandjes.
Tegen het Nederlandse letterenbeleid:
Waarom moet bij bezuinigingen in Nederland in de eerste plaats aan kunstenaars gedacht worden, en niet aan slecht geleide ondernemingen, overbezette departementen, frauderende voetbalverenigingen en een corrupt omroepbestel?

[...]

Wat in Nederland avant-garde genoemd wordt bestaat uit het publiceren van drie cryptische zinnen per jaar. Dat is subsidiale luiheid.

[...]

Het talent moet achteraf goed betaald worden, en niet de goeie wil.
Tegen de literatuurwetenschap:
De letterenfaculteit kijkt naar schrijvers zoals de wiskundefaculteit kijkt naar oplossers van kruiswoordraadsels en rebussen. Mensen die eigenlijk niet serieus meedoen.
En tegen de literaire kritiek:
die alleen maar de laatste bloesempjes van de dag bekijkt.
Verder typeert hij met trefzekere hand groot en klein in letterland.

Jacques Hamelink:
Ach, het zijn allemaal tobbers. Mensen die moeizaam om de drie jaar een dun boekje produceren, waarbij in het geval zo’n Hamelink ook nog bladzij na bladzij is overgeschreven van Henri Michaux, in de hoop dat niemand hier een Frans boek leest.
W.F. Hermans:
Hij is -- in tegenstelling tot de schijn -- een echte Hollander. Daarmee bedoel ik dat hij opgesloten zit op een boerenhoeve met blaffende honden, en zelf met een windbuks op de hooizolder. Zo is hij met grote drift in de weer zijn particuliere stukje grond te verdedigen. Hollandser kan het niet, lijkt me.
En Gerard Reve:
Het is duidelijk dat Van het Reve de inhoud heeft geleend van Genet, de stijl van Jesaja en de bravoure van Dali.
Komrij memoreert terloops ook zijn eigen praktijk als recensent en vraagt zich luidop af of het niet mogelijk is als meneer A. wéér eenzelfde boek schrijft ook dezelfde recensie af te drukken, net zo lang tot hij ermee ophoudt.

Komrij kan zich op het einde van de rit niet anders dan een kind van de Nederlandse literatuur noemen, maar doet dat met de grimlach op het gelaat.
Ik ben opgegroeid in een liefdeloos gezin.
Op de vraag of hij epigonen heeft voortgebracht, antwoordt Komrij:
School gemaakt? Kleuterschool, zul je bedoelen.


Poëtica

Wie zin heeft de scherven die over de hele lengte van De buitenkant verspreid liggen op te rapen en met elkaar in verband te brengen, slaagt er misschien in een stukje van Komrij's poëtica reconstrueren.

Een schrijver is voor hem geen filosoof, maar een fantast. Hij moet zuinig omspringen met psychologie, omdat die zijn intuïtie kan vermoorden. Als voornaamste talenten voor een romancier ziet hij: mededogen, getemperd door cynisme. Aan romans met al te veel straatrumoer heeft Komrij een broertje dood.
Romans met een thematiek die zo actueel is dat men er een jaar later al voetnoten en Keesings Historisch Archief bij nodig heeft.
Over de reden van zijn eigen schrijverschap laat hij zich graag badinerend uit. "Stijgen op de pecunaire ladder", heet het op een gegeven ogenblik. En daar kruipt veel werk in. Komrij komt naar voren als een auteur die zich graag omringt met opdrachten, deadlines en afspraken.
Als ik niets doe, ben ik een zwijgende schrijver, een werkloze schrijver. Ik voel me maar een half persoon, een deel van een mens, als ik niet schrijf.
Wat zijn plaats in het literaire spectrum betreft, houdt Komrij eraan in dit boek alle gemeenplaatsen die over hem de ronde doen te ontkrachten. Van geweten van links tot dorpsidioot, van clown van links tot het geweten van rechts. Herhaaldelijk keldert hij het meest hardnekkige cliché van allemaal: dat van Komrij als neo-romanticus.
Volslagen onzin. Romantici geloven in de onverwisselbare persoonlijkheid en het unieke ik.
De verdiensten van de schone letteren zijn ook een te serieuze zaak om ze te verkwanselen aan de bekentenisliteratuur. Schrijven heeft niets met een bepaald soort gevoelerigheid te maken, maar is integendeel een afstandelijke bezigheid.
Ik kijk [naar mijn werk] alsof het door een ander is geschreven en dat duidt er naar mijn gevoel op dat het geslaagd is.

[...]

Je herinneringen en emoties moet je oppakken als schaakstukken, vasthouden en verschuiven, en in een onderling verband brengen tot ze ook voor jezelf zin gaan krijgen. En dat is een heel onthechte, koude bezigheid. Dat kan je niet met veel warmte doen omdat anders die emoties met jou spelen, in plaats van jij met die emoties. Ik bedoel, je moet de doos van Pandora altijd zorgvuldig dichthouden, anders word je geschreven en ben je geen schrijver meer.
Komrij relativeert in een beweging door zijn hang naar negentiende-eeuwse poëzie, die voor een niet gering deel is ingegeven door zijn bewondering op jonge leeftijd voor mooi getypografeerde boekbanden. Elders legt hij uit waarom hij zijn debuutgedichten allesbehalve als reactionair bestempelt, zoals de critici toentertijd, maar juist heel experimenteel vindt.

Komrij laakt gewoon iedere vorm van etikettering, en vooral het feit dat vroege misverstanden klakkeloos van recensent op recensent worden overgedragen, "als in een duivelse estafetteloop". De oude schrijver geeft de volgende tips aan jonge collega's:
Iemand die geïnterviewd wordt kan ik twee wenken geven. Les één. Vraagt een journalist je een serieus antwoord te geven, laat dat. Het komt er toch niet in. Les twee. Vraagt hij je namen te noemen: laat dat ook. Ze komen er altijd in.
Maar ook de meester zelf zondigt wel eens tegen dat principe, bijvoorbeeld waar hij zich verwant noemt met satirici als Jonathan Swift, Karl Kraus, H.L. Mencken, Kurt Tucholsky en Ludwig Börne.

Ondergangsprofeet
Ook wanneer de horizon zich even verbreedt van het literaire wereldje naar de maatschappij duikt er veel avondlanderig cultuurpessimisme op in Komrij's uitlatingen. Hoewel hij er op drukt juist vrolijk te worden wanneer hij zich wentelt in die eerbiedwaardige traditie, en daarom zich au fond toch geen pessimist voelt.

Wat er ook van zij, Komrij gedraagt zich in De buitenkant vaak als een goddeloze ondergangsprofeet, briesend op de kansel. Komrij's analyses zijn zo oud als de straat, maar door zijn formuleertalent blaast hij er nieuw leven in. Alle woorden glanzen, alsof je ze voor het eerst leest.
Democratie en welvaart zijn een haast onoverwinnelijk duo, maar de welvaart houdt eerder de democratie op de been dan de democratie de welvaart.

[...]

Van de twee grote debiliserende krachten in de twintigste eeuw kwam er één uit Duitsland -- Adolf Hitler -- en één uit Amerika: Walt Disney. Dat zijn de twee mensen die wereld hebben stukgeslagen.

[...]

Het belang van de cultuur heeft plaatsgemaakt voor het primaat van de economie. Nu al beschikken openbare leeszalen voornamelijk over handboeken Wie deed het met wie? Straks ongetwijfeld gevolgd door Wie verdiende wat met wat?

[...]

Wat [lifestyle] zich verbeeldt te zijn: het cultuurpatroon -- wat het is: het bestedingspatroon, tenminste voor zover zichtbaar.

[...]

Zonder die duizend, tweeduizend mensen die gedichten maken, schilderijen, muziek, kranten -- de hele culturele verschijningsvorm van een samenleving -- verschilde ons land in niets van de staten waar men zich zo nodig tegen moet verdedigen.

[...]

Het christendom heeft van ons allemaal psychopathologen gemaakt. Onze erotische emoties en belevingen zijn daardoor voor altijd in een labyrint terechtgekomen. In die zin zijn en blijven we allen van het christelijke grondsop doordrongen.
Natuurlijk geeft Komrij, ex-televisierecensent, ook de beeldcultuur ervan langs.
De televisie heeft een roem geschapen die zonder verdienste is, roem om de roem. Roem door verdienste, daar heb ik niets tegen, verdienstelijke mensen horen beroemd te zijn, maar in dit geval hebben we het over roem door vermenigvuldiging.

[...]

De keuze tussen KRO en VARA interesseert de kijkers niet meer. Ze zitten uitgezakt op knoppen te drukken, en houden stil bij het beeld dat het snelst beweegt.

[...]

De tv is inmiddels gewoon een machine die doorstraalt wat er door mag van de mensen die er de grootste belangen bij hebben of het meeste geld. Een soort wereldwijde reclamefuik, dat is het geworden.
Het moge duidelijk zijn dat Komrij's fort ligt in de contramine. En dan heb ik niet eens zijn tirades tegen het socialisme vermeld ("een verbasterd kind van het katholicisme"), tegen de Vijftigers ("een regressieve beweging") en tegen het feminisme.
Ik ken alleen maar vrouwen die alles op eigen kracht hebben gedaan. Vrouwen die iets betekenen en die wat waard zijn. Voortreffelijke vrouwen die het feminisme niet nodig hebben. Die werken en bereid zijn daarvoor iets op te geven, zoals ieder mens dat behoort te doen.
Zeer amusant, én verrijkend (omdat het zover van me afstaat) is de manier waarop Komrij vervolgens paradeert met zijn homoseksualiteit en de hetero's jent.
Hun problemen interesseren me niet. Die zijn zo flets en saai! Ik zou überhaupt niet weten wat een heteroseksueel voor problemen had. Hun eerste problemen moet ik nog ontdekken, behalve dat ze in de knoop zitten met hun homoseksualiteit, waar ze al hun fraaie eigenschappen aan te danken hebben.
Voor Komrij (en wie ben ik om hem tegen te spreken?) is het begrip 'homoseksuelen' een uitvinding van heteroseksuelen en is het barbaars om seksuele voorkeur als scheidslijn te poneren om mensen in te delen.
Literair gezien boeit me de homoseksualiteit alleen vanwege de vragen van aanpassing en aanpassingsstrategieën die ze oproept.


Besluit

De buitenkant mag in geen boekenkast ontbreken. Primo: als naslagwerk van welsprekendheid. Het leert de lezer als geen ander boek wat zintuiglijk en aanschouwelijk formuleren is. Komrij is een meesterlijk causeur, zelfs met medeweten van het "stilistisch pleisterwerk" dat in dit boek achteraf is aangebracht. Zijn doel is steeds: effect sorteren. Zijn middel gewoonlijk: de elegante overdrijving.
Als je spreekt zoals in het dagelijkse leven met mitsen en maren en toch en desalniettemin, dan krijg je proza van mensen die drie jaar met elkaar getrouwd zijn, géén schrijversproza.
Dat ik iets stellig beweer, wil niet zeggen dat ik over het beweerde altijd even stellig ben, maar dat ik het zo mooier vind staan.
Secundo: door zijn ironische omgang met identiteit, het sardonisch rangschikken van persoonlijke contradicties en het gegoochel met maskers biedt De buitenkant een welkom contragewicht in tijden van ondiepe openhartigheid en wat op tv al snel reality wordt genoemd.

Mark Schaevers gebruikte dit Privé-domeindeeltje dan ook als model voor Groepsportret, het abecedarium waarin hij die andere grote versplinterde ziel van de Nederlandstalige letteren, Hugo Claus, in citaten probeerde te vatten.

Ook dat boek is een tegenstrijdige, polyfone verzameling geworden. Nog meer dan De buitenkant zelfs. Omdat het dikker mocht worden, met langere quotes en meer quotes per lemma, en dus meer gelegenheid biedt tot tegenspraak.

Beide auteurs laten zich trouwens vaak gelijklopend uit. Twee voorbeelden slechts uit de tientallen. Tel de volgende uitspraken van Komrij bij elkaar op...
Als een buitenlander lelijke dingen zegt over Nederland verdedig ik mijn land. Dan denk ik aan al die charmante afwijkingen die het zo uniek maken.

[...]

Ik voel me eigenlijk nergens zo koloniaal als in Nederland. Als ik daar ben, heb ik voortdurend het idee tussen geestelijk onderhorigen te lopen.
...en vergelijk die met deze flard Claus:
Ik voel me uitermate Vlaming zolang ik niet in Vlaanderen ben. Als ik in een wereldstad rondloop middenin dat hectische, gejaagde, vreemde, spannende wereldje, dan voel ik mij echt een boer op klompen, heb ik ook dat typisch Vlaamse gevoel van ‘het zal mijn tijd wel duren’. In Gent voel ik mij dan weer in één klap een Turks markiesje van drie eeuwen geleden.
Of vergelijk wat de twee heren over het essay te melden hebben. Komrij:
Een essay heeft toch iets rechtlijnigs, iets van hou-me-vast-ik-heb-een-mening, iets van hier sta ik en een held die me wegkrijgt, dus laat mij u intussen even haarfijn uitleggen hoe de wereld in elkaar steekt. Iets van, godbewaarme, een opinie. Iets van, erbarm u onzer heilige ernst.
Claus:
Een essay? Weet ik geen raad mee. Ik heb geen stelsel van waaruit ik iets kan beoordelen.
Eigenlijk is de bloemlezing van Schaevers me liever. Groepsportret is nog véél rijker aan onderwerpen en invalshoeken. Het heeft meer het karakter van een compendium. Je vindt er Claus' meningkjes in over alles en nog wat. En omdat de opgenomen fragmenten langer zijn, is er bovendien meer nuttige context. De buitenkant is veel strakker, bijna een aforismenbundel.

Daarbij komt -- al is dat niet uit bovenstaande voorbeelden op te maken -- dat Claus nog een stuk attractiever praat dan Komrij. Hij is grappiger ook, genotzuchtiger, vitaler. Journalisten krijgen nauwelijks vat op hem. Hugo is een even grote speelvogel met woorden als Gerrit, maar zijn taal pakt me ogenblikkelijk in. Dat is het verschil. Komrij bewonder ik meer op een afstand.

[foto Komrij overgenomen van http://www.ergopers.be/]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Privé-domein op Achille

Gerrit Komrij, De buitenkant : een abecedarium
201 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1995
komrijkey
Privé-domein nr. 200
____

maandag 21 januari 2008

Het schandaal - Shusaku Endo

Het voornaamste dat dit boek van Shusaku Endo mij heeft bijgebracht, is een dieper besef wat een minderheidsgodsdienst het christendom wel niet is in Japan. Amper één procent van de bevolking is er katholiek.

Als roman is Het schandaal wat mij betreft geen blijver. En niet alleen omdat het weer eens een gekunsteld verhaal betreft over een schrijver. God weet dat ik daar een hekel aan heb. Schrijvers die schrijvers opvoeren.

De auteur waarvan sprake heet Suguro. Ooit is er een tijd geweest dat hij als katholiek te midden van zijn schrijvende collega's een bestaan als verschoppeling leed. Japanse literatoren drongen er zelfs krachtig op aan zijn christen-zijn op te geven. Recensenten verweten hem dan weer bang te zijn voor seks en andere smerigheid in zijn boeken. En de Japanse lezer, die had lang geen oren naar het Godsverhaal dat Suguro in zijn romans bracht.

De reacties zijn inmiddels milder geworden en op zijn vijfenzestigste ontvangt Suguro nog maar eens een literaire onderscheiding. Die gala-avond wordt echter het begin van een helletocht: de receptie wordt verstoord door een dronken vrouw die beweert dat ze Suguro uit een bordeel in Tokio heeft zien stappen.

Klopt dat verhaal? Of is er een dubbelganger in het spel? Feit is dat de ambitieuze reporter Kobari zijn voordeel doet met het gerucht dat Suguro peepshows frequenteert, en hem voortaan schaduwt. Zeer tegen de zin van de schrijver natuurlijk.

"'Je bent een voorstander van gerechtigheid, hè? Je eigen tekortkomingen vergeten en anderen veroordelen, dat is gerechtigheid voor journalisten tegenwoordig, niet?'"

Maar ondertussen raakt ook de echte Suguro het noorden kwijt, en gaat hij stilaan verdacht veel lijken op zijn vermeende evenbeeld dat overal wordt waargenomen. Wanneer hij een studente die om geld verlegen zit een onschuldig baantje geeft bij hem thuis, hitst het wicht hem meer op dan hem lief is.

In een naburige kunstgalerij duikt ook een geschilderd portret op van Suguro, met een gezicht "waar de pure verdorvenheid van afdruipt". Maar hij heeft nooit voor iemand geposeerd!

En later leert de oude, getrouwde schrijver mevrouw Naruse kennen, een vrijwilligster op de kinderafdeling van een ziekenhuis, die zich in de nachtelijke uren overgeeft aan... sm-praktijken, nursing en wurgseks.

Als beiden uit eten gaan, slaagt Suguro er niet in een verband te leggen tussen de uitdrukking waarmee de vrouw nu eet en die van haar altruïstische alter ego, eerder in het ziekenhuis.

"Ze bracht de gebrande rijst, shih-chin-kuo-pai geheten, handig met de lange stokjes naar haar mond. Het droge geluid waarmee ze de gebrande rijst vermaalde weerklonk binnensmonds. Toen hij strak naar de bewegingen van haar mond keek, voelde hij een soort rauwe begeerte. Er zat iets erotisch in, het deed hem denken aan een seksuele activiteit, waar hij nooit eerder associaties mee had gekregen wanneer hij met zijn eigen of andere vrouwen at. Dat was het niet alleen, in de bewegingen van haar lange vingers wanneer ze de eetstokjes hanteerde of het glas naar de mond bracht, zat iets van de soepelheid waarmee een spin de draden om zijn prooi wikkelt."

Mevrouw Naruse lijkt de schrijver als het ware te gaan initiëren in de gelaagde wereld van het driftleven.

"'Seksualiteit geeft uitdrukking aan geheimen diep in je hart, geheimen die je je zelf niet eens bewust bent.'"

Om de cirkel rond te maken: Naruse blijkt ook een verhouding te hebben met de maakster van het portret dat op Suguro lijkt.

Suguro raakt langzaam maar zeker, en buiten zijn wil om, verstrikt in een wereld waar de neonlichten onophoudelijk aan- en uitflitsen.

"Geslachtsverkeer openbaart wat bij ieder mens diep in zijn binnenste verborgen ligt -- maar hier in deze buurt leek seks al te makkelijk en goedkoop gehanteerd te worden. Vreugdeloosheid lag over alles heen, zoals het braakseldroesem van dronkemannen uit de voorbije nacht wijd en zijd aan weg, muren en lantaarnpalen kleefde."

En steeds, met sadistisch genoegen, duikt zijn schunnige alter ego op in het straatbeeld om aan de reputatie van de zedige auteur afbreuk te doen. Endo laat alle mogelijke speculaties open. Betreft het een dubbelganger, een astraallichaam, een hallucinatie, of een afsplitsing van Suguro's onderbewuste?

Het schandaal, kortom, gaat over de kracht van de seksualiteit, een kracht die met geen moraliteit te onderdrukken valt. De roman schetst een arme katholieke schrijver die, fin de carrière, deze twee tegenpolen alsnog zal moeten proberen te verzoenen.

Het is zelfs ruimer dan dat: hij zal goed en kwaad met elkaar in het reine moeten brengen, want dat blijken zijden van eenzelfde medaille.

Het probleem is dat Endo dat conflict niet al te subtiel benadert. Zo laat hij Suguro bijvoorbeeld met gefronste wenkbrauwen een boek lezen over Gilles de Rais -- kindermisbruiker, maar ook strijdmakker van de heilige Jeanne d'Arc.

Dat Suguro ten slotte geen bevredigende synthese lijkt te vinden -- Endo kiest voor een al te open einde -- frustreerde me als lezer. Het masker valt af, en Het schandaal openbaart zich ineens als een matte roman: een boek waarin de held niet klem genoeg wordt gezet om interessant te zijn, een boek dat via makkelijke geheimzinnigheid zeer spannend wil zijn maar het niet is.

Een van de weinige hoogtepunten is de scène waarbij Suguro in een hotel door een kijkgat zijn alter ego begluurt terwijl deze ontucht bedrijft met het meisje dat hij aan werk heeft geholpen.

Het zou me niet verbazen mocht dit een leeslijstboek zijn in Japan, dat bij duizenden middelbare scholieren op het programma staat. In een land waar zowat iedereen Shintoïstisch of boeddhistisch is, zal om een ouderwetse roman over zondebesef wel een prikkelend soort exotiek hangen; voor een doorsnee katholieke Vlaming is er weinig nieuws onder de -- rijzende -- zon.

Ik herinner me uit een ver puberverleden de mooie, indringende en tegelijk zeer eenvoudige roman Demian van Herman Hesse over hetzelfde thema. Dát boek sloeg pas in als een bom. Al had ik er ook de leeftijd voor, toen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Shusaku Endo, Het schandaal
253 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1990
Oorspr. Skyandaru (1986)
Vertaald door C.M. Steegers-Groeneveld

____

zondag 20 januari 2008

Gesigneerd

Ik ben een lezer, een rusteloze lezer, altijd en onvermoeibaar op zoek naar een nieuw en beter boek. Maar de meeste bibliofiele trekjes zijn me vreemd.

Goed, ik kan geen enkele boekhandel op mijn pad weerstaan. En ik kan me eindeloos ondergraven in bibliotheken. Vele uren maak ik zoek met het doorpluizen van catalogi. Zoals iemand anders met zijn planten praat houd ik ervan steeds nieuwere, verfijndere, rustgevendere indelingssystemen te bedenken voor mijn handbibliotheek. Op reis, ten slotte, sla ik geen schrijvershuis over. Hier schreef de Beroemde Schrijver zijn Meesterwerk. Daar ben ik gevoelig voor, ja.

Maar voor het overige? Boeken verkies ik in een soepele paperbackeditie, niet in een onbuigzame band. Ik voel medelijden met mensen die eerste drukken verzamelen -- het lijkt me de meest onzinnige bezigheid die er bestaat. Veel meer kan ik genieten van een mooi uitgevoerde, democratische leesuitgave dan van een bibliofiel kunstsnoepje. Verluchte manuscripten zijn mooi om eventjes naar te kijken, maar ik zal geen traan laten omdat ik er nooit een in huis zal hebben.

Sterker: als morgen bij me op zolder in een schoenendoos een onbekend stuk van Calderón de la Barca opduikt, zal ik dat netjes naar de Koninklijke Bibliotheek brengen, kostenloos.

Maar ik zal het wél eerst gelezen hebben. Nogmaals: ik ben een lezer. Boeken, ik wil er zoveel mogelijk van, maar voornamelijk om ze te lezen.

Ook om gesigneerde boeken geef ik in principe geen lor. Ik heb er hooguit een handvol in de kast staan.

Op 24 januari 2001 signeerde Stefan Hertmans zijn bundel Annunciaties voor me. Daar ben ik blij om, omdat daar een miraculeus erudiet exposé aan vooraf was gegaan. Een interview over poëzie, voor een in zéér kleinen getale opgekomen publiek. Die scherpe pennetrek is vooral een herinnering aan een mooie avond.

De persoonlijke opdracht die Geert van Istendael in mijn exemplaar van Het Belgisch Labyrint zette, op de Antwerpse boekenbeurs, 8 november 2001, doet me wel iets, omdat dat boek veel heeft betekend voor mijn gevoel voor identiteit.

Watou
Maar op de Poëziezomer 2002 maakte ik mijn kostbaarste signatuur buit. Over de kunstwerken die daar stonden opgesteld wens ik hier vriendelijk het stilzwijgen te bewaren. Ik was in de eerste plaats gekomen voor een interview van Piet Piryns met Hugo Claus.

Ik ben stoned van opwinding. Er is geen schrijver die zoveel voor mij betekend heeft als Claus (dat leg ik later wel eens uit) en ik kan nauwelijks geloven dat hij binnen enkele minuten hier, op deze plekke, in levende lijve aan mij zal verschijnen. Een kameraad moet me meermaals tot kalmte aanmanen.

Het interview gaat uiteindelijk niet door. Claus heeft er geen trek in. Dat is niet naar de zin van een schelle Hollandse dame in het publiek, maar de oude schrijver laat zich niet vermurwen. Hij zal poëzie voorlezen en anders niet. Piryns mag zijn verzamelde gedichten (die ik doorgaans de Blauwe Bijbel noem) op een willekeurig punt openslaan.

Claus leest daarna nog een gedicht-in-wording voor en een paar schunnige zelfgebrouwen versjes in het West-Vlaams die me de slappe lach bezorgen.

Achteraf is er een signeermoment, in een van alle grandeur verstoken witte partytent. Claus zit aan een wit plastic tafeltje, een lauwe Carlsberg binnen bereik.

Mijn vriend moet me letterlijk een duw in de rug geven. Ik beef, ik tril en ik bedenk vooral heel goed wat ik wil zeggen. In de zak van mijn groen velouren jasje heb ik Het huis van de liefde zitten, een kleine bloemlezing liefdespoëzie, die ik gehandtekend aan mijn grote liefde wil geven, die in het centrum van het dorp met háár vriendin zit te kletsen, een pannenkoek voor zich op tafel, veilig beschut tegen alle poëzie.

Ik geef Claus het boekje, fluister de naam van mijn gemalin, en dan, als een steen rolt het uit mijn mond voor ik er erg in heb, dan zeg ik het onvergeeflijke:

"Eén n, twee s'en."

Claus doet alsof hij niets heeft gehoord en zet rustig zijn krabbel. Of ik nog iets te signeren heb?

Ik geef hem een tweede boekje, een mooie pocketuitgave, een ruime keuze uit de gedichten. Ik noem nu mijn naam.

Wanneer ook dat van de baan is mompelt Claus een paar woorden. Ik begrijp hem niet. Claus herhaalt zijn gemompel. Ten tweede male begrijp ik geen snars van wat hij zegt. Het enige wat ik opmaak uit zijn woorden is hun vragende intonatie.

Ik durf mijn held niet nog eens te bevragen, ik verbreek het oogcontact en stap uit de rij. Tandenbijtend. Starstruck als een schoolkind.

Mijn verslagenheid maakt plaats voor gelukzaligheid als ik even later de kleinodiën opensla en het merkteken van Claus inderdaad onuitwisbaar op de titelpagina's vind.

Ik schrijf je neer zal ik gebruiken om gedichten van Claus uit het hoofd te leren tijdens nachtelijke wandelingen.

Het huis van de liefde verwisselt pas maanden later van eigenaar, in een verrukkelijk restaurantje in Nieuwkerke. Het is februari 2003 en zij en ik zijn nu vier jaar samen.
____

Related Posts with Thumbnails