maandag 13 oktober 2008

Schrijversdagboek 1 - Virginia Woolf

Uit de zesentwintig handgeschreven dagboeken die Virginia Woolf (1882-1941) naliet selecteerde Leonard Woolf, haar echtgenoot, de aantekeningen die met schrijven te maken hebben. Deel één van A writer's diary las ik op het vliegtuig van Brussel naar Málaga, geplaagd door een gebrek aan beenruimte en een teveel aan verwachtingen. Ik had een technischer dagboek gewild. Hoe weinig talrijk zijn toch de schrijvers die de lezer een echt gedetailleerde blik in de interne keuken gunnen.

Het is een kritiek die ik al eens naar aanleiding van Brieven aan een jonge romanschrijver noteerde: schrijvers moeten, in plaats van hooggestemde idealen te formuleren (in essays) of hun persoonlijke rituelen bij het schrijven op te dissen (in interviews), voor de verandering ook eens uitleggen hoe ze een welbepaalde scène hebben aangepakt en waarom ze dat zo deden. Tot nut van 't algemeen.

Dat gebeurt ook wel in Schrijversdagboek 1, maar naar mijn smaak te weinig. Soit, een journal intime staat nu eenmaal niet ten dienste van andere lezers en ontbeert bijgevolg alle systematiek. Het is op zijn best een op maat gesneden werkinstrument, dat per auteur van functie verschilt. Reeds op pagina dertig legt Virginia Woolf uit dat ze haar aantekenboekjes vooral gebruikt om zich los te schrijven.

Het houdt de gewrichten soepel. Het maakt niet uit of ik de plank wel eens missla of uitglij. Door de snelheid waarmee ik schrijf is het zaak mijn onderwerp zo rechtstreeks en ondoordacht mogelijk onder vuur te nemen; vandaar dat ik naar een stel woorden moet grijpen, een keus moet maken en ze afvuren met minder bedenktijd dan nodig is om mijn pen in de inkt te dopen. Ik geloof dat ik in de loop van vorig jaar in wat ik als schrijfster heb gedaan een grotere losheid kan bespeuren, die ik toeschrijf aan de ongeregelde half uurtjes die ik na de thee aan mijn dagboek besteed. Bovendien doemt een schaduw voor me op van een bepaalde vorm die een dagboek zou kunnen aannemen. Misschien leer ik te zijner tijd nog wel eens wat je van dit losse, doelloze levensmateriaal kunt brouwen; om er een andere toepassing voor te vinden dan ik er nu, zo veel doordachter en omzichtiger, in mijn boeken aan geef. Hoe zou ik mijn dagboek graag willen zien? Als een los en toch niet slordig weefsel, zo rekbaar dat ik er alles wat in mijn brein opkomt, of het nu zwaarwichtig, onbeduidend of mooi is, in kwijt kan. Ik zou graag willen dat het iets kreeg van een kolossaal oud schrijfbureau, of een bodemloze rommelkist waarin je een schat aan ongeregeld goed gooit zonder te kijken of het de moeite van het bewaren waard is. Daar zou ik dan na een jaar of twee weer op terug willen komen om te ontdekken dat de verzameling zich heeft gerangschikt en gelouterd en, zoals in zo’n vergaarbak onopgemerkt gebeurt, is versmolten tot een stof, transparant genoeg om het licht van ons leven door te laten, en die toch bestaat uit onvergankelijke en verstilde bestanddelen met de onaantastbaarheid van een kunstwerk.
Maar wie volmaakt tevreden is, heeft niets te vertellen en maakt geen persoonlijke aantekeningen. Ook Schrijversdagboek 1 is een werk vol kopzorgen, wrevel, irritatie en obsessie. Leonards selectie wekt de indruk in de hand dat Virginia haar dagboek als een soort echokamer gebruikte: een besloten ruimte waarin ze haar stem laat weergalmen, zodat deze even buiten haar om lijkt te leven. Haar eigen stem wordt een autonoom personage, dat de echte Virginia bemoedigend dan wel bestraffend toespreekt.

Woolf die zichzelf aanmaant achterstallig leeswerk op te knappen in het kader van haar besprekerspraktijk in The Times. Woolf die zichzelf aanspoort Grieks te lezen en de klassieken door te nemen ("Het is een misvatting dat literatuur uit het onbewerkte kan worden voortgebracht"). Woolf die helemaal in haar verbeelding probeert te leven, om toch maar de juiste stemming bij het schrijven vast te houden. Werkend aan Jacob's room, in de meimaand van 1920, noteert ze:
Het is de moeite waard, ook voor de toekomst, om hier te vermelden dat de scheppende krachten die zo aangenaam borrelen als je met een boek begint, na verloop van tijd bedaren en je gelijkmatiger verder gaat. Twijfel steekt de kop op. Vervolgens geef je je over. Hardnekkig weigeren er de brui aan te geven en het gevoel dat de vorm uit de verf begint te komen maken vóór alles dat het boek je niet meer loslaat. Ik zit er een beetje over in. Hoe moet ik deze opzet van de grond krijgen? Zodra je aan de slag gaat voel je je als een wandelaar die het landschap er onder deze lichtval al eerder zo bij heeft zien liggen. Ik wil in dit boek niets schrijven waaraan ik geen plezier beleef. Maar schrijven is nu eenmaal altijd moeilijk.
Dit Privé-domein beslaat de jaren 1918-1932. In die tijdspanne publiceert Woolf Night and day (1919), Jacob's room (1922), Mrs. Dalloway (1925), de essaybundel The common reader (1925), To the lighthouse (1927), Orlando (1928), het lange essay A room of one's own (1929) en The waves (1931). Voyeurs komen nauwelijks aan hun trekken. Zo viel me op dat Vita Sackville-West, de vrouw waar Woolf een groot stuk van de jaren twintig een relatie mee had, meestal buiten beeld blijft. Schrijversdagboek 1 legt vooral getuigenis af van de vorderingen aan de grote fictiewerken, hoewel dat uiteindelijk te schetsmatig gebeurt voor wie dat werk niet grondig kent. Maar als er iets is wat dit journaal elke lezer sowieso leert, is het de lastige luciditeit waarmee een auteur zijn schrijfsels altijd als onvolmaakt ontmaskert. Schrijvers die hun eigen boeken wantrouwen, verwerpen, of gewoon vergeten. Een geruststellende gedachte is dat, voor de lezer die weer eens afknapt op een gereputeerd canonwerk en daarover wroeging voelt.

Woolf wou naar eigen zeggen "de kenmerken van een ruwe schets in een voltooid boek behouden". Het moet zijn formeel strakke kunstvorm bewaren, maar toch duidelijk "een onberekenbaar vuur" in zich bergen. Een lastig evenwicht. Lethargie en perioden van enorme werkkracht (met eindeloos herschrijven) wisselen elkaar dan ook af ten huize Woolf. "Vlot wegschrijven en vaste grond onder de voeten" is er zelden bij. De Hogarth Press, het uitgeverijtje dat Leonard en Virginia sinds 1917 drijven (en dat onder meer The waste land van T.S. Eliot zal uitbrengen), heeft gelukkig een gunstige uitwerking op haar gemoed. Ze krijgt geen tijd om te piekeren; het innaaien van de boeken vormt iets tastbaars waar ze kan op terugvallen.

Voltooide manuscripten geeft Virgina altijd eerst te lezen aan Leonard, die de teksten onveranderlijk als "meesterwerken" bestempelt. (Gevleide woorden blijken dat naderhand: in zijn voorwoord breekt Leonard vooral een lans voor The waves en, op het tweede plan, To the lighthouse en Between the acts. De andere romans vindt hij wel interessant, maar geen blijvers.) Daarna volgt de drukproef, die op Woolf vaak een povere en lege indruk maakt. Blijft over: de eigenlijke publicatie en de krantenkritieken die ze heelhuids moet zien door te komen. Oplages variëren van een paar honderd tot een paar duizend exemplaren.



Pionier

Virginia Woolf is een schrijfster waar ik weinig mee heb. Maar door dit journaal ging ik wel voor het eerst nadenken over de rol die zij in de Engelse literatuur heeft gespeeld. Dat zij de moderne roman in haar eentje in de steigers heeft gezet, lijkt me sterk. Maar als je de erfenis van de Victorianen (Browning, de Brontës, Dickens, Kipling, Thackeray, Trollope) en Edwardianen (Wells, Forster, Conrad, Bennett) rustig aan je geestesoog laat voorbijtrekken, dwingen Woolfs kranige stijl- en vormexperimenten inderdaad groot ontzag af. En dat allemaal in een tijdsvak waarin een vrouw het liefst bij de haard werd gezien.
Is er één vrouw in mijn kennissenkring die het presteert om van 3 tot 6.30 in mijn fauteuil te blijven zitten zonder zich ook maar even af te vragen of ik het misschien druk heb, moe ben of haar beu ben; en onderuit gezakt kan blijven doorzagen en mopperen en mokken over haar problemen en zorgen; vervolgens chocolaatjes naar binnen werkt, een boek leest en uiteindelijk kennelijk zeer zelfvoldaan opkrast, gehuld in een soort nimbus van nevelige zelfbewieroking?
Virginia Woolf noemt zich in deze aantekeningen de enige vrouw in Engeland die kan schrijven waar ze zin in heeft. "De andere vrouwen zijn aangewezen op series en uitgevers." Woolfs dagboek is dan ook een getuigenis van alle problemen waar een pionier mee te kampen heeft. De steeds terugkerende zelfbevraging, om maar iets te noemen: 'Wát heb ik nu precies geschreven?' en 'Is deze nieuwe vorm van schrijven überhaupt wat waard?'

Woolf had niet veel op met wat eigenlijk haar humus behoorde te zijn. Op 9 maart 1926 noemt ze de Engelse roman, zeker in vergelijking met de Franse literatuur en de Russische, "het erbarmelijkste wat de Engelse literatuur heeft voortgebracht". Eigenlijk schrijft ze dus de romans die ze zelf had willen lezen, met alle twijfels van dien.

Woolf is ervan overtuigd dat ze haar "buitenissige eigenzinnigheid" moet koesteren, maar weet niet zeker of ze daarmee goeie romans schrijft. Ze geeft bijvoorbeeld toe dat ze de gave mist realistische karakters te scheppen ("Ik dematerialiseer tot op zekere hoogte moedwillig omdat ik de werkelijkheid schuw -- de schamelheid ervan") en dat haar verhalen daarom een essayistische indruk nalaten. Het uitdiepen van realistische details als haarkleur en leeftijd vindt Woolf onbeduidend en irrelevant. Voor haar vertegenwoordigen karakters alleen gezichtspunten. Met dit inzicht zet ze de deur open voor het twintigste-eeuwse modernisme. Film zal meer en meer traditionele functies van de roman overnemen. De roman van zijn kant moet stilaan zijn bestaansrecht op andere gronden zien te vestigen.

Dit gezegd zijnde. Als ik het me goed herinner heb ik vooral in deel twee nuttige reflecties gevonden over Woolfs eigen werk. In dit deeltje waren het vooral de oordelen over andere schrijvers die me troffen.

Over Milton:
Wat hem bezighoudt is gruwel en onmetelijkheid en laagheid en verhevenheid, maar nooit de roerselen van de menselijke ziel. Is er één gedicht van dit formaat dat ooit zo weinig licht heeft laten schijnen op de vreugde en het verdriet van de lezer zelf? Er wordt niets in aangedragen waardoor ik me een beter oordeel over het leven kan vormen; ik krijg door weinig het gevoel dat Milton heeft geleefd of mannen en vrouwen heeft gekend; behalve door de kleinzielige stekeligheden over huwelijk en de plichten van de vrouw. Hij was de eerste die zich op zijn mannelijkheid liet voorstaan, maar zijn geringschatting spruit voort uit zijn eigen ongeluk en krijgt zelfs iets van een steek onder water als laatste woord in zijn echtelijke ruzies.
Over Shakespeare:
Zijn geestelijke buigzaamheid was kennelijk zo onbeperkt dat hij elke gedachtengang de nodige fleur wist mee te geven; en ook als het er niet zo op aankwam kon hij achteloos een regen van bloemen laten neerdalen.
Over Joyce:
Ik geloof dat [Ulysses] genialiteit verraadt, maar dan van een minderwaardig gehalte. Het is een warrig boek. Het is brak. Het is pretentieus. Het is ondermaats, en dat niet alleen in de alledaagse maar juist in de literaire zin van het woord. Ik bedoel dat een eersterangs schrijver zijn vak te serieus neemt om zich te verlagen tot trucjes; te shockeren; stunts uit te halen. Ik moet voortdurend denken aan een of ander groen kostschooljongetje, dat best kien en veelzijdig is, maar zo met zich zelf bezig en zo egoïstisch dat hij zijn hoofd verliest en extravagant, gemaakt en schreeuwerig gaat doen en met zich zelf geen raad weet, waardoor hij bij goedhartige mensen alleen maar medelijden en bij strenge mensen slechts verveling oproept; je hoopt dan maar dat hij er bovenuit zal groeien, hoewel dat niet waarschijnlijk is, want Joyce is al veertig.
Over Hardy (die door Woolf in 1926 met een bezoekje wordt vereerd, een hoogtepunt in dit boek):
Bij hem was geen spoor van ontzag te bekennen voor uitgevers, of respect voor rang of verregaande eenvoud. Wat grote indruk op me heeft gemaakt was zijn ongebondenheid, ongedwongenheid en vitaliteit. Hij scheen mij de ‘Great Victorian’ in optima forma toe, die alles in een handomdraai tot stand brengt (hij heeft gewone, wat knuistige handen) zonder erg te tillen aan literatuur; maar met een enorme belangstelling voor feiten; voorvallen; en die men zich op een of andere manier zou kunnen voorstellen als iemand die als vanzelf wordt opgestuwd tot verdichting en schepping zonder er een moment bij stil te staan dat het moeilijk of bijzonder is wat hij doet; die wordt geobsedeerd; en in de verbeelding leeft.
Als je alle auteurs bij elkaar optelt die Woolf in haar schrijversdagboek noemt, kan je niet anders dan concluderen hoe gebonden aan de eigen landsgrenzen literatuurbeleving in die dagen moet zijn geweest. Gek genoeg ook in Engeland.

(Boek gelezen op 4 augustus 2008.)

[afbeelding: Virginia Woolf in 1902]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Privé-domein op Achille

Virginia Woolf, Schrijversdagboek 1 : 1918-1932
Een keuze uit het dagboek door Leonard Woolf
245 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1976
Oorspr. A writer’s diary (1953)
Vertaald door Joop van Helmond
Privé-domein nr. 37

____

0 reactie(s):

Related Posts with Thumbnails