dinsdag 2 september 2008

Het afscheid van de literatuur - William Marx

Naar het schijnt heeft dit lange pamflet van William Marx de gemoederen nogal beroerd in zijn thuisland. Maar daar moest ik vooral om lachen. Wat elk zinnig mens al lang heeft vastgesteld -- dat de rol van literatuur taant wanneer ze zich al te zeer loszingt van de werkelijkheid -- daar hebben ze in Frankrijk een hoogleraar vergelijkende literatuurwetenschap uit Orléans voor nodig.

Ter hoogte van Parijs vinden ze het blijkbaar al hoogst verwonderlijk wanneer een cultuurcriticus nu eens niet de oprukkende beeldcultuur verantwoordelijk acht voor de devaluatie van het goede boek, maar de problemen binnenskamers durft te situeren.

De grote ironie is natuurlijk dat Marx, zeker in de eerste helft van zijn betoog, in hetzelfde bedje ziek is: Het afscheid van de literatuur is een verstikkend boek dat weinig uitstaans heeft met de tastbare realiteit. Ten bewijze: Marx schetst een overzicht van de literatuurgeschiedenis tussen 1700 en 2000 zoals hij die ziet, onderwijl goochelend met begrippen als "structurele equivalentie tussen de realiteit en de taal", "het sacrale" en "conceptuele schoonheid" zonder dat ooit echt duidelijk wordt wat hij daar nu onder begrijpt.

Ook heeft dit boek dat hautaine van een Frans orakel dat zich nooit verwaardigt om concrete voorbeelden in het theoretisch betoog in te lassen. Er komen opvallend weinig echte schrijvers langs, praktisch geen boektitels, laat staan excerpten die een en ander moeten illustreren. Deze Marx lezen is als het oversteken van een mijnenveld vol absolute grootheden (die er door de matige vertaling zeker niet transparanter op worden) en hopen dat je de overkant haalt.

En dan heb ik het meest kwalijke nog niet aangehaald. Er komt geen enkele lezer zoals u en ik voor in dit boek. Ergens verwijt Marx Bourdieu dat deze de zaken te zeer vanuit een sociologische bril bekijkt. Maar van de weeromstuit bestaat literatuurgeschiedenis voor Marx enkel uit wat bekende critici in de loop der eeuwen tegen elkaar hebben aangeluld. Neen, in de hoofden van specialisten rijst kennelijk nooit eens het idee om bepaalde vakgebieden zinvol met elkaar te combineren.

Marx' these komt hier op neer: tussen de achttiende en de twintigste eeuw onderging de literatuur in Europa een radicale gedaanteverandering; haar vorm, haar idee, haar functie, haar taak -- alles werd onderuitgehaald. Dat gebeurde in drie stappen: een fase van "expansie", "verzelfstandiging" en "ontwaarding". Het is lastig om Marx' achronologisch exposé om te turnen tot een leesbaar verhaal. Laat ik toch een poging wagen, die tot mislukken gedoemd is.

Expansie
De waarde van literatuur, zegt Marx, neemt toe tussen de zeventiende en de eerste helft van de negentiende eeuw. Als een van de sleutelteksten van de zeventiende eeuw neemt hij het traktaat Over het sublieme van Longinus, dat in Frankrijk ingang kreeg via de vertaling van Boileau in 1647. De notie 'het sublieme' werd door dit traktaat een gemeenplaats in de esthetische theorie en dat zou zo blijven tijdens de hele achttiende eeuw en tot in het begin van de negentiende.

En wel hierom: de strakke regels van het eerdere classicisme drukten in de eerste plaats het standpunt van de auteur uit, die zijn schrijfkunst in overeenstemming wilde brengen met de antieke modellen; dankzij het sublieme wordt nu ruimte gemaakt voor een nieuwe kijk op de literatuur: die van de lezer. Men ziet in dat het plezier van de lezer niet afdoende kan worden verklaard door de rede en een set strikte regels.

Er ontstaat daarom wantrouwen tegenover formele kwesties: van literatuur wil men langzaam aan niets meer dan dat het de "eenvoudige en rechtstreekse verwoording van een grootse werkelijkheid" is. (Wat dat ook moge betekenen, bedenk ik dan.) In zekere zin, vervolgt Marx, draagt Boileau daarmee bij aan de opwaardering van het gevoel: de aanzet voor alle sensibiliteitstheorieën die in de loop van de achttiende eeuw zullen worden ontwikkeld en de kern vormen van de romantische kunst.

Op de overgang van de achttiende naar de negentiende eeuw neemt het belang van de literatuur nog meer toe, zodat Marx zelfs spreekt van een godsdienst van de literatuur. Hoe die literatuur er dan uitziet? Tussen 1750 en 1850 wordt de waarde van een literair werk alleen bepaald door de inhoud, die in een transparante taal dient geschreven te zijn. Het wezenlijke van literatuur wordt de innerlijke voorstelling die men van het gelezene maakt, en de aanschouwing zelf.

Welnu, als literatuur een soort godsdienst is, dan volgt daaruit dat de schrijvers logischerwijs opklimmen tot de rang van hogepriester. Dat was alweer een tijdje geleden: tijdens de Renaissance hadden dichters zich weleens beschouwd als de opvolgers van de bijbelse profeten -- iets wat in de barok en het classicisme wegdeemsterde, toen schrijvers opnieuw verlaagd werden tot de rang van eenvoudige dienaren van kerk en vorst.

Marx stipt daarna aan hoe uiteenlopende figuren als Victor Cousin, John Dennis en Hegel wel iets zagen in de nieuwe sacralisering van de schrijver. Tegenstanders van deze ontwikkeling waren, als ik het goed begrijp, denkers als Burke, Kant en Renan.

En de literaire criticus? Zijn aanpak evolueert gewoon mee met de toenemende status van de schrijver in de negentiende eeuw: hij analyseert niet langer diens werken, maar neemt de gedaante aan van een journalist die de schrijvers rechtstreeks interviewt. Als de schrijver een hogepriester is, dan zijn de critici de tempelbewaarders. Sainte-Beuve en Matthew Arnold, de twee meest toonaangevende critici, menen allebei dat de literatuur iets vertelt over de mens, ja, zelfs de rechtstreekse weerspiegeling van de werkelijkheid is.

Verzelfstandiging
De ongeëvenaarde sociale status van de literatuur zal meteen haar ondergang worden, stelt Marx. Mensen lezen beaat wat schrijvers hen voorhouden en gaan hen meer en meer beschouwen als een moreel richtsnoer. Marx haalt Victor Hugo aan als de eerste die onder die verpletterende verantwoordelijkheid wou uitkomen en meer vrijheid opeiste. Hetgeen evenwel nog niet de geboorte van l'art pour l'art betekende: Hugo pleitte voor meer vrijheid voor de manier waarop literatuur er mocht uitzien, maar zag uiteindelijk geen tegenstelling tussen het onderwijzende, civiliserende en verheffende karakter van de literatuur en lossere vormeisen.

In 1857 ontstaat de grootste vertrouwenscrisis ooit tussen literatuur en maatschappij. In dat jaar worden processen aangespannen tegen de als immoreel bestempelde boeken van Flaubert en Baudelaire. Die rechtszaken moeten volgens Marx niet als censuur beschouwd worden, maar als hulpkreet. Omdat literatuur en maatschappij zo hevig met elkaar verweven zijn komt de eis van beide schrijvers om zelfstandige literatuur te mogen bedrijven neer op een gedwongen verzelfstandiging van de maatschappij, die verschrikt vaststelt opeens geen gidsen meer ter beschikking te hebben.

Flaubert, Baudelaire en andere toonaangevende auteurs uit die periode maken echter een foutieve inschatting: ze denken dat ze de maatschappij kunnen overtuigen van hun roep om onafhankelijke kunst. Het schisma zal echter definitief blijken. Denk maar aan het oeuvre van Balzac (Parijs), Dickens (Londen), Gogol (St.-Petersburg) en diezelfde Flaubert (Yonville), dat weliswaar te boek staat als realistisch, maar uiteindelijk vooral inzoemt op de negatieve kanten van de maatschappij -- er als het ware het negatief van vormt.

Het wordt nog erger: de literatuur maalt niet eens meer om die boedelscheiding, omdat ze stilaan een eigen waardesysteem heeft opgebouwd. Tegen het einde van de negentiende eeuw luidt het devies niet langer 'kunst om de kunst' maar 'alles voor de kunst'. Denk maar aan de poëtica van Mallarmé en Proust, de ingesteldheid van vele hoofdpersonen van Thomas Mann en -- nog later -- de metaliteratuur van Borges. Hoe meer de literatuur veracht wordt, hoe meer verachting ze gaat koesteren voor wie haar veracht.

Welke rol de critici gespeeld hebben bij de verheffing van de vorm? Alleszins geen onbelangrijke, volgens Marx. Hij legt uit hoe sinds Nietzsche de muziek de plastische kunsten heeft verdrongen als toonaangevend model in de literaire kritiek (zie ook: Mallarmé en Valéry). Voor het eerst is de taal (vooral in de poëzie) niet meer onderworpen aan een idee, maar valt uit taal an sich, net als bij muziek, esthetisch en psychologisch genot te puren.

De Franse surrealisten rond Breton en de Engelse imagisten rond Pound vormen de belangrijkste uitzonderingen op die regel en tekenen voor wat ongeveer de laatste poging moet zijn om de maatschappelijke relevantie van literatuur te bewaren. Overal waar muziek als model wordt verworpen, zegt Marx, zie je dat de literatuur opnieuw aansluiting zoekt met de werkelijkheid: denk aan het engagement van de surrealisten in de marxistische sociale revolutie.

Maar op het einde van de rit zullen stromingen als de formalistische kritiek (Roman Jakobson, Boris Eichenbaum, Viktor Sjklovski en Joeri Tynianov) en het New Criticism (I.A. Richards, William Empson, F.R. Leavis, Allen Tate, Cleanthe Brooks), die literatuur respectievelijk beschouwen als taalobject of louter tekst, de lieden die naar een link tussen literatuur en realiteit zoeken opnieuw tot de orde roepen.

Ontwaarding
Dit boek is een mijnenveld van abstracte begrippen, zei ik al. Maar wie toch voorbij de helft raakt, desnoods met één been, wordt een klein beetje beloond. In hoofdstuk vijf wordt Marx eindelijk wat concreter en gaat hij de afgenomen impact van de literatuur illustreren met teksten van Hopkins (The wreck the Deutschland), Enzensberger (zijn conceptbundel over de Titanic), Céline, Celan en Primo Levi.

De twee belangrijkste casestudies die dit rijtje vervolledigen zijn echter de aardbeving van Lissabon in 1755 en de Shoah. Beide rampen hebben het leidende principe van de maatschappij zware klappen toegebracht, respectievelijk het geloof in de goedheid van het heelal en het geloof in de technische en morele vooruitgang van de maatschappij. Hoe komt het dan, vraagt Marx zich af, dat Adorno na de uitroeiingspolitiek van de nazi's het einde van de poëzie kon decreteren (eigenlijk in ruimer verband doelend op de mogelijkheid om via cultuur überhaupt nog nuttige kritiek op de maatschappij te leveren), terwijl door de aardbeving van Lissabon de literatuur nooit in diskrediet is geraakt? Door haar ontwaarding, antwoordt hij.

De taal schiet inderdaad te kort ten opzichte van de realiteit, maar Adorno is zowat de eerste die duidelijk stelde dat het niet langer volstaat om de poëzie voor te stellen als een compensatie voor die kloof (zoals de symbolisten dat wel hadden gedaan). De poëzie was er een tijdje van uitgegaan dat ze haar eigen bestaan "dialectisch kon overstijgen" door akte te nemen van het feit dat ze van de werkelijkheid was losgekoppeld. Maar dat was opnieuw een foute inschatting.

Natuurlijk is het niet zo dat na Adorno schrijvers er het zwijgen toe deden. Integendeel, steeds bleven er nieuwe schrijvers opduiken die naar eigen zeggen door "de realiteit tot wanhoop waren gedreven" en daarop reageerden met boeken die stijf stonden van de vormdwang of juist ten onder gingen aan vormeloosheid. Denk aan de nouveau roman uit de jaren vijftig, de Oulipo-beweging in de jaren zestig, het deconstructivisme van Paul de Man en de doodverklaring van de schrijver door Roland Barthes in de jaren zeventig. Denk aan alle would be-schrijvers die nauwelijks tot schrijven kwamen: Jacques Vaché, Jacques Rigaut en -- vereeuwigd in Het stadion van Wimbledon van Daniele Del Giudice -- Roberto Bazlen.

Misschien hoeven we de oorzaken voor het huidige diskrediet van de kritiek niet elders te gaan zoeken dan bij dat alomtegenwoordige wantrouwen tegenover de mogelijkheden van de taal, oppert Marx in een van zijn helderste momenten.

"Het ultieme gevolg van deze reductie ad nihilum: over een literatuur die nergens meer over handelt en die niets meer betekent, valt kennelijk niets meer te zeggen. Of, aangezien het onmogelijk is geworden de band tussen het oeuvre en de realiteit te verduidelijken, moet de kritiek zich er hoe dan ook toe beperken het werk vanuit een intern gezichtspunt te parafraseren. Ze is dan gedoemd een totaal overbodige verdubbeling van dat werk te maken en op een andere, minder goede manier te verwoorden wat het reeds zei. In het beste geval moet ze zich er dus toe beperken alleen te zeggen wat in het werk zelf al stond en wat een scherpzinnige lezer er gemakkelijk in zijn eentje had kunnen uithalen. Behalve de beperkende parafrase en de uit de lucht gegrepen amplificatie is er geen uitweg mogelijk."

In zijn slothoofdstuk doet Marx nog een paar voorzichtige voorspellingen over de toekomst van de literatuur. Die ligt deels in de telkens hernieuwde spanning die er bestaat tussen de klassieke vertellers (die van alle tijden zijn) en de meer experimentele auteurs; en anderzijds in het voortdurend tegen elkaar afwegen van tegengestelde interpretaties -- denk aan de tegenstrijdige meningen (Franse versus Engelse, fatalistische versus humanistische) over het werk van Beckett.

Mijn bezwaren
Op die laatste bladzijden van Het afscheid van de literatuur kunnen er nog net een rist niet-Franse auteurs af. Een schaamlapje, lijkt het wel. Want tegen dan is het allang duidelijk wat voor een ontstellend Frans onderonsje deze literatuurgeschiedenis geworden is. Marx lijkt niet te beseffen dat de crisis van de huidige Franse literatuur misschien niet eens te wijten is aan het formalistisch gegoochel, maar evengoed aan waar hij zelf ook toe bijdraagt: het isolement waarin ze verkeert.

Het isolement van een natie die nauwelijks aansluiting zoekt met de rest van de wereld, noch met de eenentwintigste eeuw. Een wereld die ook buiten Parijs ligt, waar een minimum aan zelfrelativering hoog staat aangeschreven, waar andere romans geschreven kunnen worden dan burgerlijke verhaaltjes in een poëtisch sausje, ja, waar het aantal interessante onderwerpen eigenlijk niet te overzien is. Links en rechts heb ik daar al eens eerder over geschreven.

Ik koester grote reserves bij Marx' theorie van de ontwaarding van de literatuur. Zijn literatuurgeschiedenis is er een van de elite. Ik geloof bijvoorbeeld nooit dat literatuur ook maar van enig substantieel belang is geweest bij de arbeidende klasse. De massaal bijgewoonde begrafenis van Voltaire op 30 maart 1778 interpreteren als "de algemene extase met betrekking tot de literatuur" lijkt me pertinente onzin. Hysterische deining rond publieke figuren is iets anders dan een grondige kennisneming van hun geschriften.

Sowieso zeer wantrouwig stemt het protectionisme dat Marx aan de dag legt: op verschillende plekken in zijn boek schermt hij de literatuur goed af van andere cultuurexponenten zoals film en schilderkunst. Waarom wordt nooit duidelijk.

Franse exegeten kunnen ook geen boutades herkennen. Marx hecht bijvoorbeeld te veel belang aan het feit dat Rimbaud op jonge leeftijd de literatuur vaarwel zegt. Alsof de biografie van een eenentwintigjarige kan samenvallen met grote principes die de toekomst van de literatuur moeten bepalen. Evenzo overschat hij de uitlatingen van Meneer Teste van Valéry of de Brief des Lord Chandos van Hugo Von Hofmannsthal. Het zijn symptomen van een kleine groep schrijvers die op een gegeven moment in hun ontwikkeling gecrispeerd raakten. De grote meerderheid van de auteurs tussen 1890 en 1910 ging gewoon door met zijn werk.

Heeft de literatuur haar verval werkelijk aan zichzelf te danken? Moeten we überhaupt spreken van een verval? Lijkt me nogal sterk. Dagelijks verschijnen meer goeie boeken dan ik kan doornemen. Mijns inziens draagt de inflatie aan boeken wellicht meer bij tot de steeds oppervlakkigere aandacht voor de betere titels in de media dan de inhoud van de boeken zelf. Wie kan de stroom nog bijhouden? Het boekenlandschap raakt meer en meer versnipperd.

Zo erg is dat overigens niet. De meeste lezers zoeken (in kranten, in leeskringen, en zeker op internet) naar collega's met gelijklopende interesses. Men wordt immers het liefst door verwante zielen aanraders aangepraat. Wat maakt het voor de doorsnee lezer uit wie graag voor autoriteitje wil spelen? Of dat het aanzien van De Literatuur in het algemeen wegzakt?

Hetzelfde geldt voor die minderheid aan mensen die wél vanuit een brede optiek geïnteresseerd is in het betere boek. Ook die bedient zichzelf wel, door een pakket uiteenlopende informatiebronnen naast elkaar te leggen en te vergelijken. Wildgroei is niet hetzelfde als verval.

[Foto overgenomen van Literatuurplein]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> selectieve bibliografie in de commentaren hieronder

William Marx, Het afscheid van de literatuur
De geschiedenis van een ontwaarding 1700-2000
284 p.
Uitgeverij Querido, 2008
L'adieu à la littérature : histoire d'une dévalorisation XVIIIe-XXe siècle (2005)
Vertaald door Katelijne De Vuyst

____

3 opmerkingen:

Achille van den Branden zei

Quel statut pour la littérature? – Jean Bessière
What was literature? – Leslie Fiedler
The death of literature – Alvin B. Kernan
La parole muette : essai sur les contradictions de la literature – Jacques Rancière
Essais critiques – André Gide
Dichterköpfe – Rudolf Kayser
Le silence du texte : poétique de la decadence – Jean de la Palacio
The grounds of criticism in poetry – John Dennis
Essays in criticism – Matthew Arnold
Naissance de la critique moderne – William Marx
Les muses – Jean-Luc Nancy
La valeur littéraire – Claude Lafarge
Eloge de la paraphrase – Bertrand Daunay
Qu’est-ce que le classicism? – Henri Peyre
Journals and papers – Gerald Manley Hopkins
Selected prose – Gerald Manley Hopkins
L’écriture de la désastre – Maurice Blanchot
Images malgré tout – Georges Didi-Huberman
Images of crisis : literary iconology – George P. Landow
Écrits – Jacques Rigaut
Fiction and the reading public – Q.D. Leavis
Faux pas – Maurice Blanchot
Le livre à venir – Maurice Blanchot
Bâtons, chiffres et letters – Raymond Queneau
Culture and society 1780-1950 – Raymond Williams
Pourquoi je n’ai écrit aucun de mes livres – Marcel Benabou
La troisième république des letters: de Flaubert à Proust – Antoine Compagnon
Artistes sans oeuvres – Jean-Yves Jouannais
Small worlds : minimalism in contemporary French literature – Warren Motte
La pensée du roman – Thomas Pavel
Le choix des mots – Clément Rosset
L’avenir de la literature – Frédéric Badré
Situations 1 : critiques littéraire – Jean-Paul Sartre
La literature européenne et le moyen âge latin – Ernst Robert Curtius
Création littéraire et connaissance – Hermann Broch
Traité du sublime – Longinus
Oeuvres – François de Salignac de La Mothe-Fénelon
Souvenirs d’enfance et de jeunesse – Ernest Renan
La prière sur l’Acropole et ses mystères – Henriette Psichari
Le sacre de l’auteur – Bernard Edelman
Brieven over de esthetische opvoeding van de mens – Friedrich Schiller
Journaux intimes – Benjamin Constant
Promenades littéraires – Remy de Gourmont
Chatterton – Alfred de Vigny
Principes de la literature – Charles Batteux
Fiction et diction – Gérard Genette
The collected writings of T.E. Hulme
Mélanges – Voltaire
The works of celebrated authors, of whose writings there are but small remains – William Walsh
The sacred wood : essays on poetry and criticism – T.S. Eliot
Georges Perec : écrire pour ne pas dire – Stella Béhar
Les caractères – Jean de La Bruyère
Structure de la poésie moderne – Hugo Friedrich

Jan zei

Achille, ik heb je pas vandaag gevonden, maar zie je nu al graag.

Jahsonic

Achille van den Branden zei

Welkom in de club.

Related Posts with Thumbnails