Mijn rol in de film - John Irving
Cinema doet me praktisch niets. In een ver verleden heb ik weleens een inhaalbeweging gemaakt en wat canonprenten bekeken, maar ik herinner me weinig ontroering. Films zijn me te traag of juist niet traag genoeg. De indruk bestaat dat ze vatbaarder zijn voor clichés dan romans. Films maken is een groepsgebeuren en dat brengt vast een zekere afplatting met zich mee. Of misschien stoor ik me minder vlug aan gemeenplaatsen in woord dan in beeld. Kan ook.
Bovenal vind ik de meeste films criant oppervlakkig. Voorspelbare verhaallijnen. Gebabbel dat gebabbel blijft. Makkelijke plaatjes. Dat laatste is gek, want op fotografie ben ik dan wel weer dol. Maar in de bioscoop heb ik het gevoel voortdurend te moeten zeven om nog iets van waarde over te houden.
Eigenlijk is het nog erger met me gesteld, en wantrouw ik iedereen die zowat elke week bivakkeert in de filmzalen. Filmrecensenten nog het meest.
Eerlijk is eerlijk: ik ben ook domweg te lui om op zoek te gaan naar goeie auteursfilms. Blind kopen wil ik niet, in mijn buurt is er geen videotheek met voldoende ruim aanbod en ik heb geen zin om eenzaam te zitten verpieteren in een kunstzinnig achterafzaaltje.
Ik wil ook niet ontkennen dat een paar zaken zich beter lenen voor pellicule dan voor papier. Matige science fiction à la Star wars stijgt boven zichzelf uit wanneer goed verfilmd. De landing in Normandië, het zinken van de Titanic, de claustrofobie van Hitlers bunker zijn beter navoelbaar op het grote doek.
Maar verfilmingen van boeken zijn helemaal erg. Zelfs een uitstekende adaptatie legt de plus- en minpunten van het medium bloot. Een paar shots van Jean-Jacques Annaud brengen de middeleeuwen dichterbij dan vijftig bladzijden descriptie in Eco's De naam van de roos, maar als je vervolgens bedenkt wat allemaal is weggelaten uit dat boek, hoe de complexiteit van een tijdsvak wordt weggepoetst door de gebreken van filmtaal, dan kan je daar alleen maar bij huilen.
Daarom dus, is Mijn rol in de film van John Irving, over zijn ervaringen als scenarist bij de verfilmingen van zijn eigen werk, een interessant boek. Om uit de eerste hand te vernemen of mijn vooroordelen recht van bestaan hebben.
Tot dusver zijn vijf boeken van Irving verfilmd: The world according to Garp, The hotel New Hampshire, A prayer for Owen Meany (als Simon Birch), The cider house rules en -- vijf jaar na deze memoires -- A widow for one year (als The door in the floor). Ook nog niet bekend bij het verschijnen van dit boek: Irving zou een Oscar krijgen voor het script van The cider house rules.
Toegevingen, geschillen, beslommeringen
Maar goed. Wat zijn dan de conclusies? Wel, eventjes denkt Irving nog dat de beste bewerking van een boek tot film het origineel op de voet volgt, maar daar moet hij snel van terugkomen. Het medium stelt zo zijn eigen wetten.
Het belangrijkste probleem is de lengte van ieder boek. Er moeten, zoals gezegd, verhaallijnen geschrapt worden, scènes bekort. Het is daarom niet makkelijk om het verstrijken van de tijd, dat zo belangrijk is in Irvings romans, te vangen in een film. Het verhaal in een scenario verloopt veel rigoureuzer dan in een roman. Alles moet functioneel zijn.
Er is ook minder tijd dan in een boek om een personage te ontwikkelen. Hoe reconstrueer je in een film bijvoorbeeld de bepalende jeugd van een inmiddels volwassen personage? In scenario’s die een romanbewerking zijn moet je soms zelfs nieuwe personages scheppen om die verloren momenten uit het leven van de oorspronkelijke personages te vervangen. En hoe geef je de kijker informatie zonder dat steeds het laatste redmiddel van de voice-over dient aangewend?
Ook de opbouw van iets als sympathie kost tijd. Ga je karaktertrekken bewust overdrijven dan loop je het gevaar dat de excentrieke kanten van een personage al te licht het personage worden. In Irvings eigenhandige romanbewerking moest hij tot slot vaststellen dat de meeste komische scènes die in het boek voor afwisseling zorgen de eindmontage niet halen.
Veel goede films, zegt Irving onomwonden, zijn afgezwakte versies van de boeken waaruit ze voortkomen. "Nu ik meer ervaring in het filmvak heb, zie ik in dat de meeste films van compromissen aan elkaar hangen."
Die toegevingen kunnen voortspruiten uit een geschil met de regisseur -- waar ligt het zwaartepunt van de roman, welke verhoudingen zijn wezenlijk? -- of uit praktische beslommeringen ("Waar moesten we in de lente sneeuw vandaan halen?"). Ook bepaalt de scenarioschrijver niet het tempo; dat wordt pas gestuurd tijdens de montage.
Maar wellicht het ergst is de arrogantie waarmee de geldschieters ervan uitgaan dat ze het onbetwistbare recht hebben om zich te bemoeien met wat er in het scenario en met de uiteindelijke film gebeurt.
In het boekenvak lever ik een roman in bij mijn redacteur. Die komt met voorstellen voor weglatingen, toevoegingen, zinswijzigingen –- die ik geen van alle hoef te nemen. De persklaarmaker vertelt me hoe het hoort door aan te geven waar ik mogelijk ben afgeweken van de standaardtaal, maar als ik wil mag ik het fout blijven doen. Dan is er nog de aanbiedingstekst, en de tekst voor de voor- en achterflap -- waarin ik stuk voor stuk het laatste woord heb. Ik heb ook zeggenschap over het omslagontwerp.Een reserve die filmbonzen maken is bijvoorbeeld de eis dat een film niet te deprimerend mag zijn. Het aantal hoofdrollen moet bovendien zo klein mogelijk zijn, omwille van de duidelijkheid. Om van de politiek correcte bezwaren nog maar te zwijgen. Sympathieke boeven genoeg in Hollywood, maar een hoofdpersonage dat seksuele omgang heeft met kinderen? Komt er niet in. Bottomline: wanneer het de hoge omes niet zint kan de geldkraan abrupt worden dichtgedraaid.
Dat is een opvallend verschil tussen een boek en een film. Een boek dat door een uitgever is geaccepteerd en dat persklaar is gemaakt –- en ook in alle andere opzichten klaar is om te verschijnen –- gaat nooit ‘niet door’. Dat is een van de voornaamste redenen waarom ik mijn gewone werk als romanschrijver verkies boven mijn bijbaan als scenarioschrijver. Ik kan op de vingers van een hand de echt goede romans tellen die ik in manuscript heb gelezen en die niet zijn verschenen, maar het gebeurt aan de lopende band dat goede scenario’s niet verfilmd worden. (Erger nog -- zoveel slechte scenario’s worden dat wél.)En dan is Irving eigenlijk nog een verwend en gepriviligeerd auteur, die het zeggenschap kon afdwingen over scenario, regisseur en bezetting. Rechten die de roman- en scenarioschrijver meestal niet worden toegekend. Het enige waar hij met lede ogen moest tegenaan kijken was de marketing, de reclame. Met name: de filmposters. Waarbij je ineens bedenkt hoe knullig die affichebeelden inderdaad zijn: close-ups van de helden, eventueel wat plompe actie, een kleurenfilter, en verder niets.
Kortom: doorheen Mijn rol in de film beklaagt Irving zich meermaals over het gebrek aan subtiliteit die het medium met zich meebrengt. Niet in de laatste plaats over de rudimentaire taal van een scenario. "Een scenario, als geschrift, is alleen maar de steiger voor een gebouw dat iemand anders gaat bouwen. Die bouwer is de regisseur."
Wanneer Irving dus met zijn vriend Kurt Vonnegut naar een tryout gaat kijken van een verfilmd boek wordt hij door deze laatste gewaarschuwd: "Het is net of je je personages bij de kapper ziet." Waarmee bedoeld wordt: ze zien er beter uit, ruiken lekkerder, vloeken minder, kortom, ze zijn voor de rest van de wereld toonbaarder.
Aborteurs
Als je ze rustig laat bezinken leveren al deze beweringen samen een mooi en terecht pleidooi op voor literatuur en het lezen van boeken. Daarom is het ergerlijk dat Irving nergens verklaart waarom hij steeds opnieuw met filmmakers in zee gaat en nieuwe scenario's schrijft, behalve dan om zijn bankrekening te spekken. Temeer daar Irving zelf een behoorlijk cynische filmkijker is.
Als de videorecorder niet bestond zag ik waarschijnlijk nooit een film. Ik hou er niet van om met allerlei onbekenden in een donkere zaal te zitten. Ik hou er wel van om met fastforward de saaie stukken over te slaan en terug te kunnen spoelen om de scènes die ik echt mooi vind nog een keer te zien. Door de videorecorder is filmkijken meer gaan lijken op boeken lezen.Soit. Omdat ik nog geen enkele roman van Irving heb gelezen (hij is een van de tientallen schrijvers die door mij puur op intuïtie worden afgestoten), betekende Mijn rol in de film ook een introductie tot zijn werk. En het boek maakte me snel duidelijk dat er met dat gemis valt te leven.
Irving lijkt me rechtdoorzee te schrijven, misschien wel te direct om mij te kunnen bekoren. Zijn onderwerpen (weeskinderen die aborteurs worden, om maar iets te noemen) oefenen evenmin aantrekkingskracht op me uit en zouden weleens bedorven kunnen zijn door de overvloedige research die Irving doet.
Och, misschien probeer ik dit jaar nog een dikke roman. Ter controle. De rest kan nog jaren wachten. Hoewel in de marge van deze vroege memoires enkele interessante uitspraken over schrijven vallen te rapen.
De vertelkunst kent een axioma dat geldt voor boeken én voor films: de juiste sfeer kan elke handeling rechtvaardigen, of op zijn minst geloofwaardig maken. Hoe minder verdedigbaar of geloofwaardig de handeling, des te levensechter en correcter moet het detail zijn.> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
[...]
Alle schrijvers vervallen in herhalingen; herhaling is het onvermijdelijke bijverschijnsel als je iets te zeggen hebt wat de moeite waard is.
John Irving, Mijn rol in de film : een terugblik
142 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 1999
Oorspr. My movie business: a memoir (1999)
Vertaald door Else Hoog en Rien Verhoef
____

1 opmerking:
tiens tiens
even de film afkatten, maar dan wel tijd verbeuzelen met voetbal
niets menselijks is achille vreemd
Een reactie plaatsen