dinsdag 8 april 2008

De brieven - Georg Büchner

Ik heb het Verzameld werk van Georg Büchner jaren geleden gelezen. Afgaande op wat ik me daar nog van herinner (al is dat niet altijd de beste graadmeter) is hij voor mij vooral de man van Dantons dood.

Dat toneelstuk, door Claus vertaald in het Nederlands, behandelt de nadagen van de Franse revolutie, waarin de Jacobijnen Danton en Robespierre samen ten strijde trekken tegen de adel en de geestelijkheid, maar het grondig oneens zijn over de methodiek.

De radicale Robespierre legt echte en denkbeeldige opponenten het liefst onder het guillotinemes, de gematigde Danton is meer behept met realiteitszin en stuurt aan op maatschappelijke rust: de revolutie is immers bezig haar eigen kinderen op te wreten. Danton acht een enkelvoudig mensenleven belangrijker dan grote collectieve principes. Robespierre beschouwt dat als hoogverraad en eist voor hem de doodstraf.

Ik wist dat de stukken van Büchner (ook bij ons) nog steeds gespeeld worden, maar het duurde toch tot de begeleidende woorden van Jan Gielkens in deze brievenuitgave tot de omvang van de Duitse hoogachting voor Büchner tot me doordrong.

Agitator
Ik begon zonder duidelijke bedoelingen aan De brieven, maar ik merkte dat ze gaandeweg een nuttig contragewicht vormden voor mijn neiging me te vergapen aan de romantische aspecten van een auteur als Büchner -- het literaire wonderkind dat op zijn drieëntwintigste stierf aan tyfus en een fascinerend doch onvoltooid stuk naliet over de beestmens Wozzeck.

Dat komt omdat deze briefwisseling erg politiek gekleurd is. Büchner (1813-1837) leefde in een woelig tijdsvak van de Duitse geschiedenis en zou zich tijdens zijn studententijd ontpoppen tot een politiek activist. Bij leven was hij trouwens bekender als agitator dan als literator.

Duitsland ligt er hoogst verbrokkeld bij in Büchners dagen. De Napoleontische oorlogen hebben de landsgrenzen binnen Europa danig aangetast en er is een soort restauratiebeweging aan de gang. Büchners leven valt middenin twee belangrijke ontwikkelingen: het Congres van Wenen (1815) waarin onder de impuls van de Oostenrijkse kanselier Metternich het reactionaire en repressieve regeringssysteem werd hersteld en de 39 resterende Duitse staten een losse Duitse Bond vormden; en de Maartrevolutie (1848) waarin Duitse revolutionairen liberale, democratische hervormingen eisten en de vorming van een nieuwe Duitse eenheidsstaat.

Toen Büchner medicijnen in Straatsburg ging studeren in het begin van de jaren dertig, kwam hij in contact met de ideeën van de Franse Revolutie, die hem diepgaand zouden beïnvloeden. Hij richt enkele jaren later het geheime revolutionaire Gesellschaft der Menschenrechte op en schrijft het pamflet Der Hessische Landbote, zich richtend tot de landarbeiders en kleine boeren. Büchner kampt sociale wantoestanden aan maar bewaart tegelijk zijn scepsis jegens alle revoluties die niet geworteld zijn in de arbeidersklasse.

De autoriteiten krijgen er lucht van en Büchner vlucht opnieuw naar Straatsburg, opgejaagd door een opsporingsbevel. In de weken voorafgaand aan zijn vlucht schrijft hij Dantons dood. In Straatsburg zet hij zijn studie medicijnen voort en schrijft hij de rest van zijn literaire werk. Hij werkt er ook zijn proefschrift af en wordt ten slotte benoemd tot privé-leraar in Zürich. Zijn academische carrière zou niet lang duren. Büchner overlijdt in 1837 aan een infectie.

Slechts een minderheid van Büchners brieven is in literair opzicht interessant. Ze zijn vooral nuttig, zoals ergens in dit boek wordt gezegd, als "bouwstenen van een biografie". Ze geven een menselijk gelaat aan het bovenstaande feitenrelaas.

Twee voorbeelden: de brief aan Edouard Reuss uit 1932 [PvD], waarin Büchner zijn beklag doet over het Duitse ancien régime en intussen het getrapte identiteitsbesef van de toenmalige Duitse intellectueel blootlegt; en de hiernavolgende brief die hij in januari 1834 richt aan zijn verloofde Minna Jaegle, inmiddels in ballingschap verkerend in Straatsburg:

"(…) Hier is geen berg met een vrij uitzicht. Heuvel na heuvel, brede dalen, een holle middelmatigheid overal. Ik kan aan deze natuur niet wennen en de stad is afschuwelijk. Bij ons is het lente, ik kan jouw boeketje viooltjes reeds vervangen, het is onsterfelijk als de Lama. Lief kind, hoe is het met die brave stad Straatsburg? Daar gebeurt van alles en je zegt er geen woord over. Je baise les petites mains, en goûtant les souvenirs doux de Strasbourg.
‘Prouve moi que tu m’aimes encore beaucoup en me donnant bientôt des nouvelles.’
En ik liet je wachten! Sinds enkele dagen neem ik elk ogenblik de pen in mijn hand, maar ik was niet in staat ook maar één woord te schrijven. Ik bestudeerde de geschiedenis van de revolutie. Ik voelde me als het ware vernietigd toen ik het vreselijke fatalisme van de geschiedenis besefte. Ik tref in de menselijke natuur een ontstellende onverschilligheid aan, in de menselijke verhoudingen een onafwendbare gewelddadigheid, aan iedereen en niemand verleend. Het individu is slechts schuim op de golven, grootheid gewoon toeval, de macht van het genie een poppenspel, een belachelijk geworstel tegen een ijzeren wet. Dat te zien is het hoogste, er macht over te hebben onmogelijk. Ik denk er niet aan nog langer voor de paradepaarden en de steunpilaren van de geschiedenis te bukken. Ik heb mijn oog aan het bloed gewend. Maar ik ben geen guillotinemes. Het moet is een van die vervloekte woorden waarmee de mens gedoopt is. De uitspraak: er moet narigheid van komen, maar wee degene door wie ze komt, is weerzinwekkend. Wat is het dat in ons liegt, moord, steelt? Ik wil daar niet verder over doordenken. Kon ik mijn koude en gefolterde hart maar aan jouw borst leggen! B. zal je gerust gesteld hebben over mijn toestand, ik schreef hem een brief. Ik vervloek mijn gezondheid. Ik gloeide, de koorts bedekte me met kussen en omhelsde me als de arm van een geliefde. De duisternis golfde over me heen, mijn hart zwol op in oneindig verlangen, sterren drongen door het donker heen en handen en lippen bogen zich over me. En nu? En wat nog meer? Ik bezit niet eens de wellust van pijn en verlangen. Sinds ik de Rijnbrug ben overgegaan, ben ik als het ware van binnen verwoest, geen enkel gevoel komt nog in me boven. Ik ben een automaat. Ze hebben me mijn ziel afgenomen. Pasen is de enige troost die me rest. Ik heb familie in de buurt van Landau, ze hebben me uitgenodigd en ik heb toestemming hen te bezoeken. Ik heb de reis al duizend keer gemaakt en word niet moe. -- Je vraagt me: verlang je naar me? Noem je het verlangen als je alleen maar op één plek kunt leven en daarvan gescheiden bent en dan alleen nog maar je eigen ellende voelt? Geef me toch antwoord. Zijn mijn lippen zo koud? (…) -- Deze brief is een charivari. Ik troost je met een andere. (…)"


(Gebaseerd op notities van 20 januari 2007.)

> bibliografie in de commentaren hieronder

Georg Büchner, De brieven
112 p.
Uitgeverij Van Gruting, 2000
Oorspr. Georg Büchner. Briefwechsel. Kritische Studienausgabe (1994)
Vertaald door Jan Gielkens

____

1 opmerking:

Achille van den Branden zei

De socialisten – H.P.G. Quack
Ik en mijn speelman – Aart van der Leeuw (schatplichtig aan Leonce und Lena)
Georg Büchner. Biographie – Jan-Christoph Hauschild
Notizen aus dem Gebiete der Natur- und Heilkunde – Von Froriep
Epistulae ex Ponto – Ovidius
Eléments de pathologie générale – Auguste-François Chomel
Entwurf einer practischen Arzneymittellehre – Justus Arnemann
Materia medica – William Cullen
Traité élémentaire de matière médicale – Jean-Baptiste-Grégoire Barbier
Therapia generalis oder Handbuch der allgemeinen Heilkunde – August Friedrich Hecker
Alexandre Massol, anarchist en vrijdenker
Flore française (5 dl.) – Augustin-Pyrame de Candolle
Handbuch der speciellen Pathologie und Therapie – Wilhelm Heinrich Conradi
Histoire de la Révolution française (10 dl.) – Louis-Adolphe Thiers
Fantasiestücke in Callots Manier – E.T.A. Hoffmann (naar kopergravures van Jacques Callot)
Die Geburt des Menschen – Heinrich Wigand
Das Thierreich in seinem Hauptformen systematisch beschrieben (3 dl.)

Related Posts with Thumbnails