maandag 11 februari 2008

Het boek is beter dan de vrouw - Koenraad Goudeseune

Goed schrijven behelst veel meer dan de juiste woorden in de juiste volgorde zetten. Er is inzicht, discipline en zelfkennis voor nodig, doorzettingsvermogen, vertelstof en inspiratie. Ik zou alle manuscripten niet in huis willen hebben die onvoltooid bleven omdat de schrijver zijn zenuwen niet de baas kon, droog kwam te staan, verstrikt raakte in zijn nobele plannen, het focussen verleerde of maar bleef kampen met een neurotische hang naar het volmaakte.

Als schrijver moet je bovendien kunnen omgaan met isolement en miskenning. Boeken publiceren in Vlaanderen, dat is: tennisballen in een open veld slaan. Geen spoor van een sparringpartner. Zelden keert iets van waarde terug naar de afzender.

Vaak stel je daarom vast dat mineure schrijvers hun innerlijke nood tot schrijven vooral ledigen in twee voor hen aantrekkelijke genres. Poëzie, waarbij alleen korte sprinten dienen aangetrokken, met de eindmeet lekker in zicht. Óf brieven schrijven, wat dan weer een soort literaire squashbaan is: ouderwetse actie en reactie, onmiddellijke respons, een besloten proeftuin zonder veel verplichtingen en met slechts een minimum aan vormvereisten.

En neen, natuurlijk bedoel ik met het bovenstaande níet dat poëzie en de briefschrijfkunst mineure genres zijn. Contrarie: als lezer ben ik er verslingerd aan (zie hier en daar).

In het eerste kwart van Het boek is beter dan de vrouw staan niet toevallig een paar mooie verhalen over hoe de jonge Koenraad Goudeseune zeer langzaam de dichter in zichzelf ontdekt. Dat gebeurde pas na enige uitputtende proza-experimenten.

Er viel ontzettend veel te schrijven. Maar waar te beginnen? Van een heus begin was er nooit sprake. En toch moest je ergens beginnen. Ik kon onmogelijk op vele fronten tegelijk beginnen, zoals de werkelijkheid dat deed. Eén front kreeg noodgedwongen de voorkeur en daar begon de vertekening al.
Toch zou Goudeseune debuteren, bij een grote mensen-uitgeverij althans, met een prozawerk: de mooie roman Vuile was uit 1993, die een kleine vijftien jaar vóór De helaasheid der dingen al de Vlaamse naturalistische traditie had geüpgrade voor het nieuwe millennium. Goudeseune had op licht ironische, licht poëtische wijze zijn West-Vlaamse jeugd onder de kerktoren beschreven.

In tegenstelling tot dat van Dimitri Verhulst jaren later brak het boek géén potten en moest Goudeseune het met hand en tand verdedigen tegenover postmodernistische criticasters die hem van navelstaarderij en gemakkelijk realisme betichtten. Ergens in dit brievenboek (of het naar aanleiding is van Vuile was weet ik niet meer) zegt hij daarover:
Een roman die zich naar de biografische gegevens van een leven, in casu mijn leven, laat schrijven, is misschien geen roman in de strikte zin van het woord, maar eerder een getuigenis, een autobiografie, memoires zo je wil. Mij goed. Mij leek het al moeilijk genoeg om mezelf als een gewone schrijvende sterveling gestalte te geven en ook ik kon de natuurwet niet breken die zegt dat alles zijns gelijke voortbrengt. Een schrijvende sterveling bovendien die geen letterkundige opleiding heeft genoten en in vergelijking met de gemiddelde medemens weliswaar behoorlijk wat boeken heeft gelezen, maar ontstellend vaak ook boeken na amper dertig bladzijden met een vermoeid gebaar terzijde heeft gelegd. Boeken die hier niet genoemd hoeven te worden, maar waarvan de literaire waarde voor heel erg veel mensen buiten kijf staat.
Op een lager toerental
Maar goed, Goudeseune raakte dus aan de poëzie en zou een paar dichtbundels publiceren. Dat deed hij overigens zeer zuinig: in tien jaar tijd verschenen Dat zij mij leest en Zen uit eigen werk. Mooie bundels, dunne bundels. Voor de rest verbrokkelde zijn schrijverschap. Welnu, de brieven in Het boek is beter dan de vrouw getuigen over die periode.

De bundel bestaat uit brieven — lees: e-mails, vaak niet eens verstuurd — en tot brieven omgeturnde memoires (o.a. over zijn jeugd in Boezinge, "decor van de Groote Oorlog"), verhalen, mislukte romanfragmenten en blogreacties die Goudeseune achterliet onder de waterspiegel van De Contrabas. Voorts een essay of twee, enkele gedichten in statu nascendi en een toespraakje. Iemand heeft de datering weggelaten: de chronologie wordt af en toe geweld aangedaan om tot een sterker compositorisch geheel te komen.

De geadresseerden komen meestal uit het literaire veld: men herkent onder meer schrijver Christophe Vekeman, boezemvriend en schrijver Peter Terrin, uitgever Emile Brugman, Contrabas-maatjes Ingmar Heytze en Chrétien Breukers, leermeesters Jeroen Brouwers en Benno Barnard, en Herman Leenders, schrijver van een paar slappe dichtbundels en de grimmige novelle De echtbreukeling.

Echte liefdesbrieven, zoals in zijn vorige brievenbundel Onuitsprekelijk is wat wij over de liefde zeggen, staan er niet in, hooguit enkele kattebelletjes aan vrouwen die Goudeseune op datingsites ontmoet. Maar ook aan die stroom instant-romantiek komt een eind.
Ik heb mijn casanova-correspondentie met zoekende wijven stopgezet, het dreigde helemaal belachelijk te worden. Kun je wel allerlei intiems schrijven aan zo’n wijf, maar als je er dan mee moet praten, dan heb je het over het weer en wat er op de televisie is tegenwoordig, en dan vraag je je toch af of het nou allemaal wel zo nodig is, een levenspartner. Ik zou een poetsvrouw en een callgirl kunnen gebruiken.
Het boek is beter dan de vrouw bevat de rooksignalen van een schrijver die in de periferie verkeert. Goudeseune moet allerlei luizige baantjes aannemen om het financieel te redden: kelner in het café van de Gentse Vooruit, koerier, postsorteerder én taxichauffeur (Goudeseune heeft een prachtige anekdote opgenomen over een man die hij de hele stad moet rondrijden op zoek naar diens favoriete straatmadelief). Op een gegeven moment toch werkloos geworden brengt de schrijver een koffer boeken naar De Slegte om nog iets te vreten te hebben. Goudeseune vertelt het allemaal iets te gretig om meelij met hem te kunnen hebben.

Ondertussen werkt hij op de computer van zijn vriendin C (een relatie die niet zal blijven duren) aan zijn oeuvre. Troost en zingeving vind hij in de drank, "roesverwekkende specie" en de literatuur. Het hoeft niet te verbazen dat hij in Bukowski zijn grote held heeft gevonden. Goudeseune leest veel, vooral de grote Amerikaanse jongens, boeken die hij van de openbare bibliotheek betrekt. Meestal in vertaling, hoewel hij zich aan Cormac McCarthy waagt in het Engels.
Dat gaat zeer vlot natuurlijk, maar er staan ook passages in waarbij ik zo vaak naar het woordenboek moet grijpen waardoor het lijkt alsof ik eerder het woordenboek lees en daar af en toe het boek van McCarthy bij nodig heb.
Goudeseune speelt daarnaast verdienstelijk piano. Jazz, Sjostakovitsj en Chopin. Oefenen doet hij met een cd-speler.
Met dit revolutionaire verschil dat je de pitch, de afspeelsnelheid, naar believen kan instellen zonder dat de toonhoogte van de afgespeelde muziek verandert. Ook een langspeelplaat kan je op een lager toerental afspelen, maar dan verandert een tenor in een diepe bas, een hoge mi in een lage re, al naar gelang hoe traag je de vinylschijf laat draaien. Dan krijg je met andere woorden een verzopen uitvoering."
Franskiljonse hoeren
Alle schilderachtigheid van het kluizenaarsbestaan ten spijt, vond ik Goudeseune het boeiendst wanneer hij het over zijn literaire arbeid heeft. Omdat hij dan de niet-ingewijde lezer een uitzicht biedt op de keerzijde van het literaire bedrijf, de niet-beschilderde kant van dat fraaie decor.

Enerzijds het kleine Vlaanderen waarin schrijvers elkaar doodsbedreigingen toevoegen per gsm en het Vlaams Fonds voor de Letteren jaar in jaar uit alleen hermetische schrijvers "goudstaven" doet geworden, in Goudeseunes optiek dan, anderzijds het grote Nederland, waar uitgeverij Atlas zijn nieuwste manuscript weigert uit te geven.
Trouwens, die hele Vlaamse dichtersscene waartoe ik een tijdje zogezegd had behoord, wat stelde dat eigenlijk voor? Er was Hugo Claus en er was Leonard Nolens en daarnaast zesduizend minder getalenteerde dichters met hun kleine aanhang, hun spaarzame bundeltjes, hun gesofisticeerde schrijffilosofietjes, hun stokpaardjes, hun bejaarde lezeressen. Wie, behalve oude takken en pubers, las die die troep eigenlijk nog? Behalve op Gedichtendag was er in Vlaanderen hoegenaamd geen aandacht voor verzenmakers en wie er op een podium niets van bakte, wie niet tot de lawaaimakers behoorde, mocht het helemáál schudden. Subsidies? Nul. Om een stipendium te krijgen moest je een pagina’s dik dossier insturen. Geen idee hoe ik mijn aanvraag kon motiveren, behalve met het feit dat ik blijkbaar af en toe een gedicht wist te schrijven en dat ik zulks waarschijnlijk in de toekomst zou blijven doen. Onvoldoende. Tot onze grote spijt. Geen duidelijke visie. Niet aanwezig in het culturele landschap. Geen rooie cent kreeg ik van het Vlaams Fonds voor de Letteren als antwoord op mijn knieval.
Het meest gaat Goudeseune gebukt onder een gebrek aan erkenning. "Dichters laten een bloemblaadje in de Grand Canyon vallen en wachten de rest van hun leven op de echo", schrijft hij ergens. Hij laakt de Vlaamse pers die steeds in hetzelfde kleine vijvertje vist — en ja, daar kan ik me wel iets bij voorstellen. Vooral De Morgen moet het ontgelden.
Over mijn pas verschenen bundel ook alleen maar stilte. Rooie Charles Ducal mag zeven jaar stilliggen en hij krijgt nog voor zijn bundel moet verschijnen vrij veel media-aandacht. Pater Bernard Dewulf idem. Ik misgun hun die aandacht niet, laat ons wel wezen, ik vind het alleen jammer dat ik een schim ben. Ik sta nu eens in bloei!

[...]

Wat de Vlaamse literaire pers betreft, ben ik ziek van verdriet. Win ik eens een prijs, geen letter daarover in de Vlaamse kranten. Wel een paginalang interview met Dimitri Verhulst, naar aanleiding van zijn nieuwste boek. De Morgen is goed in het oppompen van de eigen medewerkers, ze creëren een hype en blijven dan dag in dag uit over die hype berichten dát het een hype is. Ja hoor!
Geen moment laat Goudeseune onbenut om het schrijversmilieu te hekelen. Dat deel van de correspondentie is duidelijk onderkelderd met rancune, maar Goudeseunes zelfspot en zijn vaak fraai openbloeiend proza voorkomen dat de toon al te zuur wordt. Goudeseunes verslag van de persvoorstelling van Brouwers' De zwarte zon klinkt bijvoorbeeld zo:
Het gebeuren vond plaats in een Brusselse kroeg. Geert van Istendael speelde er niet al te voortreffelijk piano en zong liedjes in het Brusselse dialect. Misschien zong hij over koeien en geiten, misschien over slechtgestemde piano’s, misschien over de triestheid na het van bil gaan met Franskiljonse hoeren, geen idee eigenlijk waarover hij zong, als je het al zingen kon noemen. Ook niemand die het in zijn hoofd haalde mee te zingen, hoewel dat wel de bedoeling was en men, indien men dat kukeltaaltje machtig was, de tekst op een stencil kon volgen. Ook Jeroen Brouwers leek zich voor deze vertoning te generen.
Dat alles betekent niet dat Goudeseune zich niet zélf schuldig maakt aan kleingeestig gedrag. Door steeds opnieuw melding te maken van zijn aanvaringen met Eva Cox (wie?), Alain Delmotte (wiens nare recensie op Poëzierapport hij maar niet kan verkroppen) en Dimiti Verhulst ("Het Waalse orakel") doet hij zijn zaak geen goed en bevestigt hij het cliché van de ijdele, snel op de tenen getrapte scribent.

Ook de herhaaldelijke zelfonderschatting — Goudeseune vindt "zijn academische skills te onbestaande" — is een irritante, zeer doorzichtige pose.

Ik heb het gevoel dat Yves T’Sjoen (maar hij niet alleen uiteraard) naar mij kijkt als naar een arbeider van Volvo, het hoofd wat schuin, best wel geïmpressioneerd door het feit dat ik die geestdodende arbeid niet alleen volhoud, maar er ook nog iets aardigs over probeer te schrijven.
Lerares dictie
Goudeseunes ziel is me dunkt ook te week om dat geschuimbek à la Flaubert of Brouwers (Kroniek van een karakter) vol te houden, zijn polemisch talent te gering. Komen we toch weer bij dat gebrek aan zelfkennis: niet weten waar je gaven liggen.

Dat gebrek wordt trouwens ook bewezen in een zoveelste prozapoging die Goudeseune drie jaar geleden ondernam. Hendrik Knudde heette dat werkstuk. Het gepriegel beu, wou hij in een paar weken tijd een roman schrijven à la Brusselmans, schmieren met de kraan open dus, en bewijzen hoe gemakkelijk het was zo'n "appeltaart" te bakken. Het pijnlijke resultaat is het perfecte bewijs van het tegendeel van die stelling.

Blijft over: mooie gedichten schrijven en van je eigen existentiële bagger goud proberen te maken.

Bij het eerste, de poëzie, valt op hoe belangrijk internet is geworden, ook voor de semi-professionele dichter. (Goudeseune onderhoudt zelf een vrij lelijk, pastellerig weblog.)
Via de reguliere uitgeverijen bereikt je als dichter een paar honderd man. Als je geluk hebt. Via het internet bereik je wellicht ook maar een paar honderd man, alles bij elkaar, maar ik geloof dat het een andere paar honderd zijn, dus dat is meegenomen.
Bundels kopen is er zelfs voor de dichter niet meer bij.
Als ik 18 euro heb, dan koop ik mij geen gedichtenbundel waar ik negen op de tien keer geen zak aan heb. Dan koop ik een stapeltje pockets. Een gedichtenbundel zou niet meer dan vijf euro mogen kosten. Misschien verkoopt hij er dan meer dan pakweg dertig.
Dat tweede, failliet omzetten in winst, lukt voorlopig maar half. Daarvoor valt dit brievenboek te wisselvallig want te dik uit. Godzijdank werd het oorspronkelijke manuscript van 600 bladzijden tot de helft teruggebracht. Naar mijn smaak had er nog een derde uit gemogen. Het boek is beter dan de vrouw verwatert onder de vele herhalingen. Tot op zinsniveau, zelfs: Goudeseune recyclet meer dan eens zinswendingen ten behoeve van diverse bestemmelingen.

Stilistisch verliest het boek bij een tweede beurt ook wat pluimen merkte ik, toen ik het diagonaal herlas voor deze bespreking. Goudeseunes kletstoon heeft een beperkte houdbaarheidsdatum en hij weet dat zelf ook wel.
Meestal voel ik me al chattend als een manegepaard waarop niemand wil rijden. Ik maak voortdurend woordgrapjes, of ik lig de hele tijd schrijvers te citeren zonder hun naam te vermelden in de hoop dat iemand op mij zal vallen omwille van mijn formuleerkunst. Waarom ik het doe, met wildvreemden chatten bedoel ik, weet ik eigenlijk niet. Ik schrijf graag, of liever: ik babbel graag al schrijvend.
En toch, met wat meer liefde en gestrengheid kan hij het trouwens best, brieven schrijven. Mooi bijvoorbeeld is het minzame, leerzame epistel aan een studente uit de schrijversacademie, dat zo in Een aangename postumiteit van Herman de Coninck had gekund en waarvan de aanhef luidt:
Hallo Katleen,

Ik associeer sonnetten altijd met de Pruikentijd en ook een beetje met kroketten. Het zal qua rijmschema en metrum allicht wel volgens de regels zijn, maar ik persoonlijk heb een broertje dood aan regels en bij het lezen van een sonnet klimt er op het podium van mijn gedachten steevast een lerares dictie. Ze draagt een mantelpakje van Dior uit de jaren zestig, heur haar is stijf van de lak en na afloop groet ze het publiek zoals die Belgische pianist van weleer — hoe heet ie? — Volondat, Pierre Volondat, nadat hij dus de Koningin Elisabethwedstrijd had gewonnen. Het staat me toch allemaal heel ver af van wat ik onder pakkende poëzie begrijp en ik durf je sterk aan te raden nooit ofte nimmer nog een sonnet te schrijven. Het schrijven van een goede regel is al moeilijk genoeg, opgelegd rijm en metrum kan de dichter missen als kiespijn.
Concreet dan maar.
‘Traan woont in mijn oog sinds jij mij verliet.’
Hoezo: … jij mij verliet? Ik heb je niet verlaten.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> gedichten van Goudeseune op De Contrabas

Koenraad Goudeseune, Het boek is beter dan de vrouw : brievenboek
350 p.
Uitgeverij Atlas, 2007

____

2 opmerkingen:

Yves zei

Waarschijnlijk heb ik een afwijkende smaak, maar Hendrik Knudde vind ik best meevallen.

Yves zei

"In het ziekenhuis was Zweetvager verliefd geworden op de fysioterapeute. Monique Van Belleghem, Achtersteeg 7, Oostakker. (O9/7650263) Inmiddels was Zweetvager al twee jaar met die Monique Van Belleghem getrouwd en probeerde het stel een kind te krijgen. Dat wou maar niet lukken en Zweetvager belde Hendrik iedere dag op om over zijn probleem te praten.
'Misschien ligt het probleem niet bij jou,' zei Hendrik meestal.
'Zou je denken?' vroeg Zweetvager meestal.
'Waarom laat je je niet eens onderzoeken?'
'Monique is bang dat ik weer verliefd zal worden, zoals ik destijds op haar verliefd werd omdat ze mijn enkels onderzocht. "Wat moet dat niet worden als er iemand je kloten onderzoekt," zegt ze dan. Probeer daar maar eens tegen in te gaan. Begrijp je?'"

Related Posts with Thumbnails