zaterdag 26 januari 2008

Memoires - Saint-Simon

Louis de Rouvroy, duc de Saint-Simon (1675-1755) verkeerde het gros van zijn leven aan het hof in Versailles en Marly, waar Louis XIV absolutistisch de scepter zwaaide. 's Nachts, in het geheim, schreef dit dwergachtige personage (anderhalve meter lang) aan zijn Memoires.

Dat resulteerde in een kolossaal manuscript waarin de kleine hertog een vitaal en vilein beeld schetst van het hof en zijn bewoners, die hij een dikke drie decennia lang "met heel het bereik en de priemkracht van zijn blik" had geobserveerd.

Vitaal is nog zwak uitgedrukt. De voorliggende selectie overspant de jaren 1691-1723 en haar doornemen staat zo ongeveer gelijk met het lichten van het deksel van een beerput. Saint-Simon blijkt een onvoorstelbare reactionair en dito cynicus. De portretten in zijn memoires zijn genadeloos en laten een stoeterij zien van kruiperige types, perfide geesten en schaamteloze draaikonten. Er is een opbod van allianties, amourettes en intriges en Saint-Simon, loerend door kieren en zich vastzuigend aan wat weerkaatst wordt in de spiegels van de kabinetten, legt alles gretig bloot. Héérlijke lectuur, kortom.

Net zoals het boek van Margaret Crosland over Madame de Pompadour (die onder Louis XV in Versailles verbleef) al aantoonde, zijn de invloedscirkels van kapitaal belang aan het hof. Hovelingen konden stijgen of dalen in rang en daarom was het zaak op goede voet te staan met de spilfiguren in het hiërarchisch systeem. Iemand met ambities diende welingelicht te zijn, en "onder een schors van strikte vroomheid" zijn ijzers zorgvuldig in het vuur houden.

Eigenlijk was Saint-Simon geen haar beter. Het gewone volk was hem vreemd. De hekelende hertog behoorde zelf tot de hoogste adel en ging prat op zijn anciënniteit aan het hof. Alleen voor connecties die hem van waarde zijn heeft hij een goed woord over. Het hoeft niet de verbazen dat Proust veel van hem heeft geleerd. Sla er diens hielenlikkende brieven maar op na.

Maar: de positie van de hoge adel van Saint-Simons vader (eerst page en daarna opperstalmeester aan het hof van Louis XIII) was echter bij de Fronde al vergane glorie geworden. En ook Louis XIV zadelt de opperste hovelingen met niet meer op dan schijnfuncties. Saint-Simon kampt met een algeheel verlangen naar herstel van orde en rang en blikt met nostalgie terug op een tijd waarin de koning zijn macht met de adel deelde, als primus inter pares. Knarsetandend moet Saint-Simon aan het eind van zijn memoires zelfs toezien hoe de stervende Zonnekoning in zijn testament zijn bastaards boven de wettige nazaten dreigt te verkiezen.

Rancune om deze kwesties lijkt Saint-Simons voornaamste motor te zijn bij het schrijven van zijn herinneringen. Met sardonisch genoegen maakt hij melding van de manieren waarop omhooggevallen types hun positie niet met gepaste waardigheid kunnen invullen.

Saint-Simon als portrettist
Wat Honoré Daumier is voor de tekenkunst, is Saint-Simon voor het gedenkschrift. Zelfs bij de weinige keren dat een schets positief en welwillend aanvangt, krult die altijd om onder de hitte van Saint-Simons wrok en spotlust. Traditioneel begint een beschrijving met een hardvochtige doorlichting van de fysionomie van zijn onderwerp...

"Mme de Castries was een piezeltje van een vrouw, een koekje van deeg dat niet had willen rijzen, miniem maar niet misvormd, iemand om door een ringetje te halen: zonder achterste, zonder boezem zonder kin; oerlelijk, met altijd een houding van bekommerde verbazing; desniettemin straalde haar fysionomie van esprit en loste zij die belofte ruimschoots in."

"Abbé Dubois was een graatmager, sprietig kereltje, een geniepig scharminkel met een blonde pruik, een martersnuit en een sluw fysionomie waarvan afstraalde wat men een griffioen noemt, in slecht Frans, maar beter laat het zich niet uitdrukken."

...om daarna zijn of haar maatschappelijke kwaliteiten, en meestal het gebrek daaraan, te ontvouwen. In vergelijking met Saint-Simon zijn de broertjes Goncourt toonbeelden van discretie.

Hij vertelt over courtisanes die zich in kloosters terugtrekken, over een wrek die zich per abuis opsluit in zijn eigen brandkast en het loodje legt, over een hooggeplaatste dame die de gewoonte heeft bij theaterstukken een lavement te nemen (en aldus een klisteerspuit kant en klaar onder de rokken vandaan haalt), over de urne van Mlle de Montpensier die ontploft tijdens de dodenmis ("met een oorverdovende knal en een wolk van ondraaglijke stank") of over een handelsreiziger die vijfendertig jaar onterecht in de Bastille zit opgesloten, zich geen raad weet bij zijn vrijlating en smeekt om verder opgesloten te mogen blijven.

Anekdotes dienen meestal om de stompzinnigheid van de hovelingen aan te tonen. Ze zijn subjectief als de pest, al is Saint-Simon zelf daar blijkens zijn nawoord niet bewust van. Het zal de moderne lezer worst wezen. De ware toedracht is voor een keertje voer voor historici.

Hallucinant is tegelijk het beeld van een besloten microkosmos dat Saint-Simon ophangt. Afgezien van de beschrijving van een paar matige militaire manoeuvres en die ene keer dat er besmettingsgevaar dreigt omdat buiten de muren de pokken zijn uitgebroken, is er geen spoor van de buitenwereld te bekennen in de memoires. Alles is toegespitst op hovelingen, hertogen, markiezen en salonjonkers. Kostelijk bijvoorbeeld is het verhaal over een naaste kennis van de baron de Breteuil.

"Zijn vriend de marquis de Gesvres, die soms de boekenwurm uithing door ingestudeerde sententies af te vuren, te pas of te onpas, zat op een dag in ‘s Konings appartement te oreren en prees als een echte kenner de uitnemende schilderijen die er hingen, waaronder verscheidene kruisigingen door verscheidene grote meesters ; een en dezelfde schilder, merkte hij op, had er daarvan veel gemaakt, alle die hier hingen. Men sliepte hem uit en noemde de namen van de verschillende makers, die aan hun stijl waren te herkennen. ‘Onzin,’ riep de markies uit, ‘die schilder heet INRI. U ziet zijn naam staat toch op alle doeken staan?’"

En wat te denken van Mme de Saint-Hérem?

"Mme de Saint-Hérem was om te zien een vreemd creatuur, en in haar gedrag uitermate bizar. Zij roosterde eens haar dij midden in de Seine, bij Fontainebleau, waar zij aan het baden was; het water was haar te koud, zij wilde het verwarmen en liet daartoe op de oever een grote pot water koken en die naast en over zich heen uitgieten, zodat ze, voordat het had kunnen afkoelen aan de rivier, brandwonden opliep en het bed moest houden. Bij onweer kroop zij op handen en voeten onder een divan en beval dan al haar bedienden er als een menselijke berg op te gaan liggen, zodat de bliksem, als hij insloeg, eerst hen zou treffen voordat hij haar kon bereiken. Door louter stompzinnigheid ruïneerde zij zichzelf en haar eega, terwijl ze beiden rijk waren; geen mens zou geloven hoeveel geld zij uitgaf om priesters het evangelie van Johannes te laten lezen met een flap van de stool over haar hoofd."

Saint-Simon is alziend en legt zijn oor overal te luisteren. Zijn herinneringen zijn overvloedig en toch gecomprimeerd. Ze geven blijk van een zelden geziene combinatie van scherpte en werkkracht. Naar verluidt zijn ze dan ook een ijkpunt in de ontwikkeling van de Franse taal. Vertaalster Anneke Brassinga heeft duidelijk de handen vol met het zoeken naar Nederlandse equivalenten van Saint-Simons immens uitgebreide, en volgens kenners nog archaïserende, zeventiende-eeuwse vocabulaire.

Welnu, ze kwijt haar taak met verve en raakt het noorden niet kwijt temidden van Saint-Simons zeer conciese persoonsbeschrijvingen, die meestal kreunen onder de woordovertolligheid. Alles dient altijd en overal opgepompt wanneer de hertog zijn medemens fileert.

"Hij had de sprankeling, ik wil niet zeggen van een engel maar veeleer van een demon, met al de doortrapte, perverse, abjecte perfiditeit van dien, met zijn vuige streken ieder schadend en ooit iemand batend, een meester in duistere slinksheid, een pronkjuweel van zelfvergoding, een gifslang van raffinement, voor geen gat te vangen, onuitputtelijk in het veinzen en daarbij virtuoos in het amsuseren, in het behagen en plezieren als het hem uitkwam; een lafaard in hart en nieren, zo doorgewinterd laf dat hij levensgevaarlijk was en, mits ondergronds, tot gruwelijke uitersten ging om af te wenden wat hij meende te moeten duchten, en zich verlaagd tot het kruiperigste gekronkel en gesluik; dat alles als een wolf in schaapskleren."

En dat is meteen mijn (nederige) kritiek op Saint-Simon. Zijn noteerdrift en hang naar volledigheid zorgt in feite voor het failliet van zijn beschrijvingskunst. De opeenstapeling van superlatieven mat af. Wanneer je te veel schetsen na elkaar leest, lijken de beschreven figuren allemaal op elkaar. Het worden inwisselbare schimmen, paradoxaal genoeg. Het duizelt de lezer langzaam van zoveel overvloed en uitersten.

Eerder dan het rondstrooien van steeds meer predikaten en adjectieven bij een individu, had Saint-Simon moeten investeren in meer dialoog, en meer concrete feiten.



[Manuscript van Saint-Simon. Let op de manchettes: tussenkopjes in de kantlijn waarin summier een nieuw onderwerp wordt ingeleid.]

Boosaardige in memoriams
Maar wanneer je de Memoires met mondjesmaat nuttigt, blijft het fantastische leeskost. Vooral in de beschrijving van de laatste uren van bepaalde personages is Saint-Simon een Tolstoj evenwaardig.

De dood is immers het meest uitgelezen moment voor Saint-Simon om de balans op te maken. Van de persoon zelf, én van de omstaanders, die meestal rechtstreeks belang hebben bij dat verscheiden en kans zien om op te schuiven in de pikorde. Saint-Simon smult van hun reacties.

"Voor wie heg en steg aan het hof op zijn duimpje kent zijn bij dit soort eenmalige gebeurtenissen, zo belangwekkend in zoveel opzichten, juist de eerste indrukken immers goud waard: elk gezicht herinnert u aan de zorg, het gekonkel, het zweet dat aan het maken van fortuin is gespendeerd, aan de vorming en de macht van cabalen, de kunstgrepen om zich er staande te houden en anderen erbuiten, de middelen van elk aard die daartoe worden aangegrepen, de meer of minder hechte connecties, de verwijderingen, verkillingen, vetes, gluiperige streken, diplomatie, baatzucht en kruiperigheid van elkeen, de dwaalwegen of op het toppunt van hun welslagen, de roes van hen die eindelijk zwelgen in triomf, de zwaarte van de slag die hun tegenstanders en dier kliek daarmee wordt toegebracht, de kracht van de weerslag die op datzelfde moment al hun praktijken en kuiperijen ten goede keert, het opperste en onverhoopte genot van dezen, en, daar had ik een scherp oog voor, de razernij die dat bij de anderen wekt, dier naijver en de moeite die te maskeren."

Met leedvermaak registreert Saint-Simon de hypocrisie, wanneer x of y het tijdelijke met het eeuwige heeft verwisseld.

"Na nog geen twee uren was alles voorbij en verbreidde zich allengs een verlatenheid, even groot als het gedrang was geweest."

klinkt het dan, of nog laconieker:

"De rouw was massaal, de droefenis kortstondig."

Ter illustratie: wanneer de duc de Vendôme het loodje legt, vergrijpen de weinige bedienden die bij hem zijn gebleven en zien dat het einde nadert, zich aan zijn laatste bezittingen en gritsen ze zelfs zijn deken weg en de matras waar hij op ligt.

Voor ik het vergeet: de dood van 'Monseigneur' (de Grand Dauphin) in het hart van Brassinga's bloemlezing is ronduit adembenemend en heb ik, hoewel het een waargebeurde geschiedenis betreft, met stip genoteerd in mijn persoonlijke selectie beste kortverhalen ooit.

Andere hoogtepunten uit deze bundel (niet alleen sterfgevallen) zijn, wat mij betreft:

De duc de Vendôme (p. 89)
De dood van maarschalk de Noailles (p. 122)
De dood van Monsieur le Prine (p. 129)
Karakter van M. le duc d’Orléans (p. 215):

"Ik aarzel niet te zeggen dat hij zelfs van de hoogste deugd, vijanden vergiffenis te schenken, een ondeugd maakte door er zo gul en lukraak mee te strooien dat het als louter slordigheid aandeed, en hij zich er veel schade en ongemak me op de hals haalde, zoals nog zal blijken."

Karakter van maarschalk de Villeroi (p. 230) [PvD]
Karakter van Louis XIV (238)
Reis naar Spanje (p. 286)
De jacht (p. 298)

Die voornoemde notities aangaande Saint-Simons reis naar Spanje, sprankelend en vol detail, doen de lezer trouwens spijt krijgen van het feit dat de hertog zo'n stationair leven heeft gehad, zonder veel gezonde buitenlucht. Een bredere horizon had van Saint-Simon een nog groter chroniqueur gemaakt dan hij al is.

Zonnekoning
De enige praktische waarde dat dit deel Privé-domein mij schonk was eindelijk eens een levensecht beeld te hebben van de befaamde Louis XIV, een figuur waar je meestal ontmenselijkte cliché's bij opgedist krijgt.

De vorst snauwt hier, verrast, ontroert, is vertederd, en ja, komt vaak autoritair uit de hoek. Toornig wordt hij bijvoorbeeld wanneer het Parlement eigenmachtig maatregelen meent te moeten nemen om de hongersnood in 1709 tegen te gaan.

Saint-Simon beschrijft Louis voor de rest als een gematigd, gesloten man met een robuust, kerngezond lichaam, die wat gebukt gaat onder het gebrekkig intellectueel onderricht in zijn jeugd.

Een vorst die verzot is op eerbetoon ook, zich graag omringt met hovelingen en gewend is nergens rekening mee te houden. Adellijke dames wier gezelschap hij op prijs stelt moeten willens nillens mee op urenlange tochten in de hobbelende koets, zelfs als ze hoogzwanger zijn en eigenlijk moeten rusten, zelfs wanneer ze hun ontlasting nauwelijks nog kunnen ophouden.

Saint-Simon besteedt tevens aandacht aan de maîtresses van "de Koning" (bij hem altijd met hoofdletter), de bastaards uit de menigvuldige huwelijken, en de manier waarop Louis met de Franse variant van 'verdeel en heers' de teugels stevig in handen houdt.

"Vandaar dat hij zo graag zijn ministers de macht gaf over zijn hoogste onderdanen, over de prinsen van zijn bloed gelijk alle anderen, […] vandaar dat hij elkeen die macht of rijkdom had waaraan en koning niet kan af- of toedoen, verre hield van elk regeringsambt."

Ontluisterend is het hoofdstuk waarin Saint-Simon het kasteel en de tuinen van Versailles inschat (dat pas vanaf 1682 als uitvalsbasis zal dienen). Wat nu publiekstrekker no. 1 is, zet de hertog neer als een wansmakelijke ramp. Grappig.

Besluit
Wanneer Philippe d'Orléans in 1723 sterft is het afgelopen met Saint-Simons openbare bestaan, schrijft Brassinga in haar gloedvolle, compacte en tegelijk zeer informatieve nawoord.

"Hij was achtenveertig en verliet het hof. Tot zijn dood, tweeëndertig jaar later, leefde hij in zijn Parijse woning, schrijvend en redigerend, in de schaduw van de aangloeiende Verlichting."

Al had ik van haar wel een poging verwacht te verklaren waar Saint-Simons reusachtige talent vandaan kwam. Ergens vertelt hij zelf over de aandrang waarmee hij zich verdiepte in de geschiedenis en persoonlijke memoires sinds François I, maar dat is wat mager.

Maar goed, mocht u het nog niet begrepen hebben: lees deze Memoires, beste mensen. De mooie selectie van driehonderd pagina's, óf het hele zwik in de Pléiade-editie, achtduizend pagina's.

> http://fr.wikipedia.org/wiki/Louis_de_Rouvroy,_duc_de_Saint-Simon
> lees de integrale Franse editie hier
> meer Privé-domein op Achille

Louis de Rouvroy, duc de Saint-Simon, Memoires
331 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1996
Oorspr. Mémoires (eerste uitgave 1858)
Vertaald door Anneke Brassinga
Privé-domein nr. 212

____

2 opmerkingen:

mescaline zei

Ja, Sain-Simon is mooi.

Mij bekroop het gevoel dat Louis XIV de hand had in de dood van de Dauphin.

Ik ken SS van een uitgave uit de jaren 60. Zal eens zien in hoeverre het besproken werk die overlapt.

Achille van den Branden zei

Wat is dat voor een editie?

Related Posts with Thumbnails