zondag 20 januari 2008

Gesigneerd

Ik ben een lezer, een rusteloze lezer, altijd en onvermoeibaar op zoek naar een nieuw en beter boek. Maar de meeste bibliofiele trekjes zijn me vreemd.

Goed, ik kan geen enkele boekhandel op mijn pad weerstaan. En ik kan me eindeloos ondergraven in bibliotheken. Vele uren maak ik zoek met het doorpluizen van catalogi. Zoals iemand anders met zijn planten praat houd ik ervan steeds nieuwere, verfijndere, rustgevendere indelingssystemen te bedenken voor mijn handbibliotheek. Op reis, ten slotte, sla ik geen schrijvershuis over. Hier schreef de Beroemde Schrijver zijn Meesterwerk. Daar ben ik gevoelig voor, ja.

Maar voor het overige? Boeken verkies ik in een soepele paperbackeditie, niet in een onbuigzame band. Ik voel medelijden met mensen die eerste drukken verzamelen -- het lijkt me de meest onzinnige bezigheid die er bestaat. Veel meer kan ik genieten van een mooi uitgevoerde, democratische leesuitgave dan van een bibliofiel kunstsnoepje. Verluchte manuscripten zijn mooi om eventjes naar te kijken, maar ik zal geen traan laten omdat ik er nooit een in huis zal hebben.

Sterker: als morgen bij me op zolder in een schoenendoos een onbekend stuk van Calderón de la Barca opduikt, zal ik dat netjes naar de Koninklijke Bibliotheek brengen, kostenloos.

Maar ik zal het wél eerst gelezen hebben. Nogmaals: ik ben een lezer. Boeken, ik wil er zoveel mogelijk van, maar voornamelijk om ze te lezen.

Ook om gesigneerde boeken geef ik in principe geen lor. Ik heb er hooguit een handvol in de kast staan.

Op 24 januari 2001 signeerde Stefan Hertmans zijn bundel Annunciaties voor me. Daar ben ik blij om, omdat daar een miraculeus erudiet exposé aan vooraf was gegaan. Een interview over poëzie, voor een in zéér kleinen getale opgekomen publiek. Die scherpe pennetrek is vooral een herinnering aan een mooie avond.

De persoonlijke opdracht die Geert van Istendael in mijn exemplaar van Het Belgisch Labyrint zette, op de Antwerpse boekenbeurs, 8 november 2001, doet me wel iets, omdat dat boek veel heeft betekend voor mijn gevoel voor identiteit.

Watou
Maar op de Poëziezomer 2002 maakte ik mijn kostbaarste signatuur buit. Over de kunstwerken die daar stonden opgesteld wens ik hier vriendelijk het stilzwijgen te bewaren. Ik was in de eerste plaats gekomen voor een interview van Piet Piryns met Hugo Claus.

Ik ben stoned van opwinding. Er is geen schrijver die zoveel voor mij betekend heeft als Claus (dat leg ik later wel eens uit) en ik kan nauwelijks geloven dat hij binnen enkele minuten hier, op deze plekke, in levende lijve aan mij zal verschijnen. Een kameraad moet me meermaals tot kalmte aanmanen.

Het interview gaat uiteindelijk niet door. Claus heeft er geen trek in. Dat is niet naar de zin van een schelle Hollandse dame in het publiek, maar de oude schrijver laat zich niet vermurwen. Hij zal poëzie voorlezen en anders niet. Piryns mag zijn verzamelde gedichten (die ik doorgaans de Blauwe Bijbel noem) op een willekeurig punt openslaan.

Claus leest daarna nog een gedicht-in-wording voor en een paar schunnige zelfgebrouwen versjes in het West-Vlaams die me de slappe lach bezorgen.

Achteraf is er een signeermoment, in een van alle grandeur verstoken witte partytent. Claus zit aan een wit plastic tafeltje, een lauwe Carlsberg binnen bereik.

Mijn vriend moet me letterlijk een duw in de rug geven. Ik beef, ik tril en ik bedenk vooral heel goed wat ik wil zeggen. In de zak van mijn groen velouren jasje heb ik Het huis van de liefde zitten, een kleine bloemlezing liefdespoëzie, die ik gehandtekend aan mijn grote liefde wil geven, die in het centrum van het dorp met háár vriendin zit te kletsen, een pannenkoek voor zich op tafel, veilig beschut tegen alle poëzie.

Ik geef Claus het boekje, fluister de naam van mijn gemalin, en dan, als een steen rolt het uit mijn mond voor ik er erg in heb, dan zeg ik het onvergeeflijke:

"Eén n, twee s'en."

Claus doet alsof hij niets heeft gehoord en zet rustig zijn krabbel. Of ik nog iets te signeren heb?

Ik geef hem een tweede boekje, een mooie pocketuitgave, een ruime keuze uit de gedichten. Ik noem nu mijn naam.

Wanneer ook dat van de baan is mompelt Claus een paar woorden. Ik begrijp hem niet. Claus herhaalt zijn gemompel. Ten tweede male begrijp ik geen snars van wat hij zegt. Het enige wat ik opmaak uit zijn woorden is hun vragende intonatie.

Ik durf mijn held niet nog eens te bevragen, ik verbreek het oogcontact en stap uit de rij. Tandenbijtend. Starstruck als een schoolkind.

Mijn verslagenheid maakt plaats voor gelukzaligheid als ik even later de kleinodiën opensla en het merkteken van Claus inderdaad onuitwisbaar op de titelpagina's vind.

Ik schrijf je neer zal ik gebruiken om gedichten van Claus uit het hoofd te leren tijdens nachtelijke wandelingen.

Het huis van de liefde verwisselt pas maanden later van eigenaar, in een verrukkelijk restaurantje in Nieuwkerke. Het is februari 2003 en zij en ik zijn nu vier jaar samen.
____

1 opmerking:

pascal digital zei

Ik ontmoette hem ook één keer. Ik moest hem een vraag stellen voor de krant en deed het in mijn broek.

Related Posts with Thumbnails