zaterdag 19 januari 2008

De wraak van een magiër - William Somerset Maugham

Als er iemand zeer goed in het Engels te lezen valt, is het William Somerset Maugham (1874-1965) wel. Tijdens zijn leven werd hij door miljoenen lezers op handen gedragen. Maugham schopte het tot best betaalde schrijver van de jaren dertig.

Binnenkort ga ik dan ook zijn Collected stories lezen. Maar deze uitgave van De wraak van een magiër (in een eerdere vertaling ook wel De tovenaar geheten) die ik op zolder vond, is zo'n schattig object, zo mooi getypografeerd bovendien, dat ik niet aan de verleiding kon weerstaan.

Vooral de eerste helft van deze roman, die door sommigen met zin voor overdrijving tot het horrorgenre wordt gerekend, is best te pruimen. Maugham schreef The magician in 1908, aan het begin van zijn carrière, en memoreert er zijn Parijse jaren in.

Eerst maken we kennis met de chirurg Arthur Burdon, de typische man van de wetenschap, evenwichtig en rationeel, iemand voor wie de schone letteren en de kunst weinig betekenen.

"Was hij in gemengd gezelschap, dan beperkte hij zich er toe stil naar de anderen te luisteren, en alleen als er iets zeer bepaalds te zeggen viel kwam hij ertoe zich in het gesprek te mengen. Hij was onafgebroken bezig met opereren, ontleden of college geven in zijn ziekenhuis en werkte zeer hard."

Burdon heeft een relatie met de knappe Margaret, die studeert aan de tekenacademie.

In een wijnlokaal dat door de toenmalige Parijse kunstenaarsscène wordt gefrequenteerd, ontmoeten ze de imposante figuur Oliver Haddo: een grote, vlezige man die voortdurend verachtelijke lachjes rondstrooit, breedsprakerig doet over zijn stamboom en opschept over zijn Afrikaanse jachtverhalen. Niemand kan hem verbaal de baas.

"Mijn leven zal niet vergeefs geleefd zijn, als ik je nog eenmaal zal kunnen bijbrengen dat het rapier der ironie een doeltreffender gereedschap is dan de knuppel der grofheid."

Er volgen nog toevallige en minder toevallige ontmoetingen met deze welbespraakte zonderling, waarbij Haddo steeds excentriekere verhalen opdist over allerlei occulte onderwerpen. Sterrenwichelarij, alchemisten die goud najagen en homunculi scheppen, en wat niet al.

"De kamer die voor het experiment in gereedheid was gebracht bevond zich in een torentje. Er hingen vier holle spiegels in, en er stond een door een ketting van magnetisch ijzer omgeven witmarmeren altaar. Daarop was een Pentagram gegraveerd, en dit symbool stond ook op het nieuwe witte schapeleer dat op de vloer lag. Op het altaar stond een koperen komfoor gevuld met houtskool van elze- en laurierhout. Voor het altaar stond een tweede komfoor op een driepoot. Eliphas Levi was gehuld in een wit gewaad, dat langer en wijder was dan een priesterkleed, en op zijn hoofd droeg hij een krans van ijzerkruid, gewonden om een gouden ketting. In de ene hand had hij een nieuw zwaard en in de andere het Boek der Riten."

Tussendoor zingt Haddo de lof van Gustave Moreau en citeert hij met sprekend gemak Walter Pater.

Terwijl Arthur zich alleen maar ergert aan het spektakel, heeft een kennis van hem die ook steeds in de buurt is, Dr. Porhoët (een man die zijn leven grotendeels in Egypte heeft doorgebracht als beoefenaar van de geneeskunst) wél een ruime belangstelling voor het occulte en een navenante bibliotheek (zie pagina 60).

En dan gebeurt het. Wanneer een terriër in de hand bijt van Haddo, en deze de hond wild van zich aftrapt, kan Burdon het niet meer aanzien en slaat hij de zelfverklaarde magiër met de gebalde vuist in het gezicht.

Daarna zint Haddo op wraak. Langzaam maar zeker, op een onverklaarbare manier, wordt de arme Margaret in zijn invloedssfeer gezogen. Allemaal onder het lijdzaam oog van Burdon.

We zitten dan halfweg, en eigenlijk werd het vanaf dat punt alleen maar minder voor mij.

Op een paar schamele uitzonderingen na lijken alle sterke verhalen op in de tweede helft van het boek. Maugham wordt uitleggerig en laat zijn roman te veel uitdijen.

Ik miste ook de topografische liefde waarmee de auteur eerst Parijs had neergezet: de tuin van het Luxembourg, de Boulevard Saint-Michel, de bibliotheek van het Arsenaal, het Louvre, het Ile Saint-Louis...

Bovendien gaat het vetgemeste stijltje van de jonge Maugham de lezer serieus uitputten. Qua taal is dit het overvloedigste boek dat ik van Maugham ken.

Ik herinner me dat een Borges veel effectiever over Paracelsus heeft geschreven.

En laat ik ook toegeven dat, als puntje bij paaltje komt, het occulte mij volkomen koud laat. Ik houd best van het sfeertje, zeker wel, maar kan onvoldoende geloof opbrengen om in het verhaal mee te gaan. Het is gewoon mijn wereld niet.

Tot slot zijn er nog domweg de clichés die almaar meer opduiken. Wordt er een landschap doorkruist dan is dat uiteraard een troosteloos landschap, met oude en gebogen bomen, waarvan er zeker eentje door een bliksem is getroffen, van boven tot onder gespleten en volkomen bladerloos.

Al die gebreken lijkt Maugham overigens voldoende te beseffen, blijkens het nawoord dat hij vele jaren later aan zijn roman heeft toegevoegd.

En kijk, daarin verklapt hij ook dat Aleister Crowley model stond voor Haddo.

"Gebaseerd op iemand?", had ik reeds op bladzij 36 met potlood gekrabbeld. Dat ik vervolgens geen moment aan de evidente Crowley heb gedacht, voelde op het einde van de rit aan als een persoonlijke nederlaag.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://en.wikipedia.org/wiki/The_Magician_(Maugham_novel)
> http://en.wikipedia.org/wiki/Aleister_Crowley

William Somerset Maugham, De wraak van een magiër
264 p.
Uitgeverij Bruna, 1975
Oorspr. The magician (1908)
Vertaald door J.L. van Tijn

____

Geen opmerkingen:

Related Posts with Thumbnails