dinsdag 22 januari 2008

De buitenkant - Gerrit Komrij

Ik kon dit abecedarium van Gerrit Komrij voor een prikje kopen en dat is maar goed ook: De buitenkant is geen boek om te lenen, maar om te hebben en te houden. Je leest erin, kruist met een scherp geslepen potlood de aardigste quotes aan, zet het terug in de kast, haalt het later weer boven en maakt opnieuw aantekeningen. Na een leesbeurt of vier, vijf bemerk je stilaan bijna alles te hebben aangekruist. De buitenkant bevat flarden van tientallen interviews, de krenten uit de pap, waarmee Komrij een zelfportet heeft gecomponeerd.

Tegen de verwachtingen in had hij daar schik in:

De ontsnappingspogingen door jezelf tegen te spreken, de modulaties en nuanceringen omdat men een ander wordt en toch zichzelf blijft, de dwarslijnen en vergelijkingsmogelijkheden, de baldadigheden en zelfs de obstinate herhalingen straalden, al zeg ik het zelf, een charme uit die ze in de afzonderlijke interviews -- vóór de compositie -- niet op die manier bezaten.
Schrijven is voor Gerrit Komrij naar eigen zeggen niets anders dan "het opwerpen van wegversperringen, het plaatsen van verkeersborden en het bouwen van hokken" om zelf buiten schot te blijven. En eigenlijk gaat die maskerade tijdens de interviews gewoon door. Vandaar de titel, De buitenkant.
De buitenkant, dat is het deel van je waarmee interviewers worden geconfronteerd, hoe gretig ze ook vorsen naar je binnenkant, en dat hele bedrijf van interviewen en geïnterviewd worden, het behoort tot de buitenkant van de literatuur.
Zijn verzamelde citaten beschouwt Komrij dan ook als puzzelmateriaal waarmee hij fijntjes een beeld van zichzelf kan ophangen dat zo mogelijk nog meer vervormd is dan door Komrij's welbespraaktheid in de oorspronkelijke interviews al het geval was. In De buitenkant mogen retoriek, pesterijen, provocaties en innerlijke tegenspraak welig tieren. Het verdient zelfs aanbeveling.
Je moet de mensen wijsmaken dat je je om de hoek verscholen hebt en dan zorgen dat ze daar gaan kijken, en inmiddels zelf weer om een andere hoek staan. Ja, dat vind ik prettig.
De buitenkant wordt aldus het verslag van een voortdurende pendelbeweging. Komrij schippert tussen epicurisme en hypochondrie, tussen burgerlijk geluk en de zucht naar verheviging, tussen economisch vooruitstrevend en cultureel behoudend zijn, tussen allerlei afsplitsingen en ego's die rumoerig om voorrang strijden.

Aan de ene kant is er de Komrij die groots en meeslepend wil leven, aan de andere kant is er zijn Nederlandse roots die hij ook op respectabele afstand van zijn geboorteland niet van zich af kan schudden. Hij ziet slechts één constante: die van de averechtse kameleon: "Ik schiet voortdurend in de verkeerde kleur. Ik schiet dwangmatig in een andere kleur dan die van mijn omgeving."

Stiefkind van de Nederlandse literatuur
Waarover gaan interviews met schrijvers? Over hun boeken, mag je hopen. Opvallend is het daarom dat Komrij de autobiografische dwarsverbindingen tussen leven en werk (waar journalisten doorgaans zo tuk op zijn) geweerd heeft uit dit boek. Hij houdt het vizier koppig op de literatuur en haar geplogenheden. En dikwijls is dat om zijn gram te halen.

Hij fulmineert tegen slechte boeken:
Er is een hang om alles wat er maar op lijkt literatuur te noemen, ook het knip- en plakwerk van de krukken, het pseudo-kinderlijk gestamel van artistiekelingen, het hoge toontje van copywriters en kunstgrossiers, het machteloze schrijf-maar-wat-je-te-binnen-schiet van schoolkinderen, huismoeders en arbeiders die -- ‘omdat creativiteit zoiets moois is’ -- in kunstzinnige workshops poëzie vervaardigen, aangezien ze verder die dag toch niets om handen hebben. Voor zulke mensen zijn er kruiswoordpuzzels en raffia mandjes.
Tegen het Nederlandse letterenbeleid:
Waarom moet bij bezuinigingen in Nederland in de eerste plaats aan kunstenaars gedacht worden, en niet aan slecht geleide ondernemingen, overbezette departementen, frauderende voetbalverenigingen en een corrupt omroepbestel?

[...]

Wat in Nederland avant-garde genoemd wordt bestaat uit het publiceren van drie cryptische zinnen per jaar. Dat is subsidiale luiheid.

[...]

Het talent moet achteraf goed betaald worden, en niet de goeie wil.
Tegen de literatuurwetenschap:
De letterenfaculteit kijkt naar schrijvers zoals de wiskundefaculteit kijkt naar oplossers van kruiswoordraadsels en rebussen. Mensen die eigenlijk niet serieus meedoen.
En tegen de literaire kritiek:
die alleen maar de laatste bloesempjes van de dag bekijkt.
Verder typeert hij met trefzekere hand groot en klein in letterland.

Jacques Hamelink:
Ach, het zijn allemaal tobbers. Mensen die moeizaam om de drie jaar een dun boekje produceren, waarbij in het geval zo’n Hamelink ook nog bladzij na bladzij is overgeschreven van Henri Michaux, in de hoop dat niemand hier een Frans boek leest.
W.F. Hermans:
Hij is -- in tegenstelling tot de schijn -- een echte Hollander. Daarmee bedoel ik dat hij opgesloten zit op een boerenhoeve met blaffende honden, en zelf met een windbuks op de hooizolder. Zo is hij met grote drift in de weer zijn particuliere stukje grond te verdedigen. Hollandser kan het niet, lijkt me.
En Gerard Reve:
Het is duidelijk dat Van het Reve de inhoud heeft geleend van Genet, de stijl van Jesaja en de bravoure van Dali.
Komrij memoreert terloops ook zijn eigen praktijk als recensent en vraagt zich luidop af of het niet mogelijk is als meneer A. wéér eenzelfde boek schrijft ook dezelfde recensie af te drukken, net zo lang tot hij ermee ophoudt.

Komrij kan zich op het einde van de rit niet anders dan een kind van de Nederlandse literatuur noemen, maar doet dat met de grimlach op het gelaat.
Ik ben opgegroeid in een liefdeloos gezin.
Op de vraag of hij epigonen heeft voortgebracht, antwoordt Komrij:
School gemaakt? Kleuterschool, zul je bedoelen.


Poëtica

Wie zin heeft de scherven die over de hele lengte van De buitenkant verspreid liggen op te rapen en met elkaar in verband te brengen, slaagt er misschien in een stukje van Komrij's poëtica reconstrueren.

Een schrijver is voor hem geen filosoof, maar een fantast. Hij moet zuinig omspringen met psychologie, omdat die zijn intuïtie kan vermoorden. Als voornaamste talenten voor een romancier ziet hij: mededogen, getemperd door cynisme. Aan romans met al te veel straatrumoer heeft Komrij een broertje dood.
Romans met een thematiek die zo actueel is dat men er een jaar later al voetnoten en Keesings Historisch Archief bij nodig heeft.
Over de reden van zijn eigen schrijverschap laat hij zich graag badinerend uit. "Stijgen op de pecunaire ladder", heet het op een gegeven ogenblik. En daar kruipt veel werk in. Komrij komt naar voren als een auteur die zich graag omringt met opdrachten, deadlines en afspraken.
Als ik niets doe, ben ik een zwijgende schrijver, een werkloze schrijver. Ik voel me maar een half persoon, een deel van een mens, als ik niet schrijf.
Wat zijn plaats in het literaire spectrum betreft, houdt Komrij eraan in dit boek alle gemeenplaatsen die over hem de ronde doen te ontkrachten. Van geweten van links tot dorpsidioot, van clown van links tot het geweten van rechts. Herhaaldelijk keldert hij het meest hardnekkige cliché van allemaal: dat van Komrij als neo-romanticus.
Volslagen onzin. Romantici geloven in de onverwisselbare persoonlijkheid en het unieke ik.
De verdiensten van de schone letteren zijn ook een te serieuze zaak om ze te verkwanselen aan de bekentenisliteratuur. Schrijven heeft niets met een bepaald soort gevoelerigheid te maken, maar is integendeel een afstandelijke bezigheid.
Ik kijk [naar mijn werk] alsof het door een ander is geschreven en dat duidt er naar mijn gevoel op dat het geslaagd is.

[...]

Je herinneringen en emoties moet je oppakken als schaakstukken, vasthouden en verschuiven, en in een onderling verband brengen tot ze ook voor jezelf zin gaan krijgen. En dat is een heel onthechte, koude bezigheid. Dat kan je niet met veel warmte doen omdat anders die emoties met jou spelen, in plaats van jij met die emoties. Ik bedoel, je moet de doos van Pandora altijd zorgvuldig dichthouden, anders word je geschreven en ben je geen schrijver meer.
Komrij relativeert in een beweging door zijn hang naar negentiende-eeuwse poëzie, die voor een niet gering deel is ingegeven door zijn bewondering op jonge leeftijd voor mooi getypografeerde boekbanden. Elders legt hij uit waarom hij zijn debuutgedichten allesbehalve als reactionair bestempelt, zoals de critici toentertijd, maar juist heel experimenteel vindt.

Komrij laakt gewoon iedere vorm van etikettering, en vooral het feit dat vroege misverstanden klakkeloos van recensent op recensent worden overgedragen, "als in een duivelse estafetteloop". De oude schrijver geeft de volgende tips aan jonge collega's:
Iemand die geïnterviewd wordt kan ik twee wenken geven. Les één. Vraagt een journalist je een serieus antwoord te geven, laat dat. Het komt er toch niet in. Les twee. Vraagt hij je namen te noemen: laat dat ook. Ze komen er altijd in.
Maar ook de meester zelf zondigt wel eens tegen dat principe, bijvoorbeeld waar hij zich verwant noemt met satirici als Jonathan Swift, Karl Kraus, H.L. Mencken, Kurt Tucholsky en Ludwig Börne.

Ondergangsprofeet
Ook wanneer de horizon zich even verbreedt van het literaire wereldje naar de maatschappij duikt er veel avondlanderig cultuurpessimisme op in Komrij's uitlatingen. Hoewel hij er op drukt juist vrolijk te worden wanneer hij zich wentelt in die eerbiedwaardige traditie, en daarom zich au fond toch geen pessimist voelt.

Wat er ook van zij, Komrij gedraagt zich in De buitenkant vaak als een goddeloze ondergangsprofeet, briesend op de kansel. Komrij's analyses zijn zo oud als de straat, maar door zijn formuleertalent blaast hij er nieuw leven in. Alle woorden glanzen, alsof je ze voor het eerst leest.
Democratie en welvaart zijn een haast onoverwinnelijk duo, maar de welvaart houdt eerder de democratie op de been dan de democratie de welvaart.

[...]

Van de twee grote debiliserende krachten in de twintigste eeuw kwam er één uit Duitsland -- Adolf Hitler -- en één uit Amerika: Walt Disney. Dat zijn de twee mensen die wereld hebben stukgeslagen.

[...]

Het belang van de cultuur heeft plaatsgemaakt voor het primaat van de economie. Nu al beschikken openbare leeszalen voornamelijk over handboeken Wie deed het met wie? Straks ongetwijfeld gevolgd door Wie verdiende wat met wat?

[...]

Wat [lifestyle] zich verbeeldt te zijn: het cultuurpatroon -- wat het is: het bestedingspatroon, tenminste voor zover zichtbaar.

[...]

Zonder die duizend, tweeduizend mensen die gedichten maken, schilderijen, muziek, kranten -- de hele culturele verschijningsvorm van een samenleving -- verschilde ons land in niets van de staten waar men zich zo nodig tegen moet verdedigen.

[...]

Het christendom heeft van ons allemaal psychopathologen gemaakt. Onze erotische emoties en belevingen zijn daardoor voor altijd in een labyrint terechtgekomen. In die zin zijn en blijven we allen van het christelijke grondsop doordrongen.
Natuurlijk geeft Komrij, ex-televisierecensent, ook de beeldcultuur ervan langs.
De televisie heeft een roem geschapen die zonder verdienste is, roem om de roem. Roem door verdienste, daar heb ik niets tegen, verdienstelijke mensen horen beroemd te zijn, maar in dit geval hebben we het over roem door vermenigvuldiging.

[...]

De keuze tussen KRO en VARA interesseert de kijkers niet meer. Ze zitten uitgezakt op knoppen te drukken, en houden stil bij het beeld dat het snelst beweegt.

[...]

De tv is inmiddels gewoon een machine die doorstraalt wat er door mag van de mensen die er de grootste belangen bij hebben of het meeste geld. Een soort wereldwijde reclamefuik, dat is het geworden.
Het moge duidelijk zijn dat Komrij's fort ligt in de contramine. En dan heb ik niet eens zijn tirades tegen het socialisme vermeld ("een verbasterd kind van het katholicisme"), tegen de Vijftigers ("een regressieve beweging") en tegen het feminisme.
Ik ken alleen maar vrouwen die alles op eigen kracht hebben gedaan. Vrouwen die iets betekenen en die wat waard zijn. Voortreffelijke vrouwen die het feminisme niet nodig hebben. Die werken en bereid zijn daarvoor iets op te geven, zoals ieder mens dat behoort te doen.
Zeer amusant, én verrijkend (omdat het zover van me afstaat) is de manier waarop Komrij vervolgens paradeert met zijn homoseksualiteit en de hetero's jent.
Hun problemen interesseren me niet. Die zijn zo flets en saai! Ik zou überhaupt niet weten wat een heteroseksueel voor problemen had. Hun eerste problemen moet ik nog ontdekken, behalve dat ze in de knoop zitten met hun homoseksualiteit, waar ze al hun fraaie eigenschappen aan te danken hebben.
Voor Komrij (en wie ben ik om hem tegen te spreken?) is het begrip 'homoseksuelen' een uitvinding van heteroseksuelen en is het barbaars om seksuele voorkeur als scheidslijn te poneren om mensen in te delen.
Literair gezien boeit me de homoseksualiteit alleen vanwege de vragen van aanpassing en aanpassingsstrategieën die ze oproept.


Besluit

De buitenkant mag in geen boekenkast ontbreken. Primo: als naslagwerk van welsprekendheid. Het leert de lezer als geen ander boek wat zintuiglijk en aanschouwelijk formuleren is. Komrij is een meesterlijk causeur, zelfs met medeweten van het "stilistisch pleisterwerk" dat in dit boek achteraf is aangebracht. Zijn doel is steeds: effect sorteren. Zijn middel gewoonlijk: de elegante overdrijving.
Als je spreekt zoals in het dagelijkse leven met mitsen en maren en toch en desalniettemin, dan krijg je proza van mensen die drie jaar met elkaar getrouwd zijn, géén schrijversproza.
Dat ik iets stellig beweer, wil niet zeggen dat ik over het beweerde altijd even stellig ben, maar dat ik het zo mooier vind staan.
Secundo: door zijn ironische omgang met identiteit, het sardonisch rangschikken van persoonlijke contradicties en het gegoochel met maskers biedt De buitenkant een welkom contragewicht in tijden van ondiepe openhartigheid en wat op tv al snel reality wordt genoemd.

Mark Schaevers gebruikte dit Privé-domeindeeltje dan ook als model voor Groepsportret, het abecedarium waarin hij die andere grote versplinterde ziel van de Nederlandstalige letteren, Hugo Claus, in citaten probeerde te vatten.

Ook dat boek is een tegenstrijdige, polyfone verzameling geworden. Nog meer dan De buitenkant zelfs. Omdat het dikker mocht worden, met langere quotes en meer quotes per lemma, en dus meer gelegenheid biedt tot tegenspraak.

Beide auteurs laten zich trouwens vaak gelijklopend uit. Twee voorbeelden slechts uit de tientallen. Tel de volgende uitspraken van Komrij bij elkaar op...
Als een buitenlander lelijke dingen zegt over Nederland verdedig ik mijn land. Dan denk ik aan al die charmante afwijkingen die het zo uniek maken.

[...]

Ik voel me eigenlijk nergens zo koloniaal als in Nederland. Als ik daar ben, heb ik voortdurend het idee tussen geestelijk onderhorigen te lopen.
...en vergelijk die met deze flard Claus:
Ik voel me uitermate Vlaming zolang ik niet in Vlaanderen ben. Als ik in een wereldstad rondloop middenin dat hectische, gejaagde, vreemde, spannende wereldje, dan voel ik mij echt een boer op klompen, heb ik ook dat typisch Vlaamse gevoel van ‘het zal mijn tijd wel duren’. In Gent voel ik mij dan weer in één klap een Turks markiesje van drie eeuwen geleden.
Of vergelijk wat de twee heren over het essay te melden hebben. Komrij:
Een essay heeft toch iets rechtlijnigs, iets van hou-me-vast-ik-heb-een-mening, iets van hier sta ik en een held die me wegkrijgt, dus laat mij u intussen even haarfijn uitleggen hoe de wereld in elkaar steekt. Iets van, godbewaarme, een opinie. Iets van, erbarm u onzer heilige ernst.
Claus:
Een essay? Weet ik geen raad mee. Ik heb geen stelsel van waaruit ik iets kan beoordelen.
Eigenlijk is de bloemlezing van Schaevers me liever. Groepsportret is nog véél rijker aan onderwerpen en invalshoeken. Het heeft meer het karakter van een compendium. Je vindt er Claus' meningkjes in over alles en nog wat. En omdat de opgenomen fragmenten langer zijn, is er bovendien meer nuttige context. De buitenkant is veel strakker, bijna een aforismenbundel.

Daarbij komt -- al is dat niet uit bovenstaande voorbeelden op te maken -- dat Claus nog een stuk attractiever praat dan Komrij. Hij is grappiger ook, genotzuchtiger, vitaler. Journalisten krijgen nauwelijks vat op hem. Hugo is een even grote speelvogel met woorden als Gerrit, maar zijn taal pakt me ogenblikkelijk in. Dat is het verschil. Komrij bewonder ik meer op een afstand.

[foto Komrij overgenomen van http://www.ergopers.be/]

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Privé-domein op Achille

Gerrit Komrij, De buitenkant : een abecedarium
201 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1995
komrijkey
Privé-domein nr. 200
____

Geen opmerkingen:

Related Posts with Thumbnails