maandag 31 december 2007

Heilwens

Achille van den Branden wenst alle lezers een leesbaar 2008, en veel vrije tijd.
Opnieuw rendez-vous op maandag 7 januari.
____

Het leesjaaroverzicht van Achille van den Branden 2007

Weinig tekst, veel titels. Er wordt zoveel mogelijk doorgelinkt naar de betreffende recensies op Achille van den Branden. In het andere geval (bij de meeste poëzie, bijvoorbeeld) wordt u doorverwezen naar een representatief fragment op Prins van Denemarken.


TRENDS
Ik verander meer en meer in een rotverwende lezer. Zo komt het dat boekjes waarin nogal wat ware dingen in staan, zoals De X-files van de literatuur van Arie Storm, me nauwelijks nog iets doen.

2007 was het jaar dat ik de moeite nam om me te verdiepen in de geschiedenis en de politieke moeilijkheden van mijn land, via boeken als Blijven we buren in België? van Denise van Dam en Wallonië van Guido Fonteyn. Die trend zal zich vermoedelijk nog versterken in 2008.

Via een nieuwe vriendschap raakte ik geïnteresseerd in de islamitische wereld, iets wat ik verleden jaar nooit voor mogelijk had gehouden. De Perzische cultuur en literatuur (Iran, Afghanistan...) blijkt een ideale vertrekplaats om van daaruit het Midden-Oosten te benaderen. De complexe situatie aldaar is veel makkelijker te begrijpen wanneer je beschikt over een vast ankerpunt. De Perzische cultuur is daarvoor aantrekkelijk, omdat die zich in de periferie bevindt van de invloed die de islam uitoefent, en omdat ze enigszins afstandelijk staat tegenover de Arabische cultuur.

In 2008 moet langzamerhand een goed gestoffeerd dossier ontstaan op Achille over de Perzische cultuur.


POËZIE
Ik was beduidend minder intensief bezig met poëzie dan verleden jaar. Na tien jaar lezen heb ik bijna alles gelezen wat er aan Nederlandstalige poëzie te lezen valt, alsook een groot deel van buitenlandse poëzie in Nederlandse vertaling. 2007 was meer een jaar van gaatjes opvullen. 2008 wordt ook zo'n jaar.

Het drong voor het eerst tot me door dat Esther Jansma (Hier is de tijd en Dakruiters) een van mijn lievelingsdichteressen is. Ook de bundels van Joke van Leeuwen (Wuif de mussen uit) en Miriam Van hee (Achter de bergen) bevielen me zeer.

Zeer lexicale poëzie van figuren als Frans Kuipers (Het illuseum van Hersenheim) en Tomas Lieske (Grondheer) gaat er nog steeds in als koek. Edward van de Vendel (Aanhalingstekens en Chatbox) schrijft prima gedichten voor adolescenten en met de Geweldige gedichten van de luid kwakende Arthur Lava heb ik me uitstekend vermaakt.

De Vlaamse dichters Frank Pollet (Drie Theremins) en Rudi Hermans (Liefdeshalve en Uitgepuurd) kwamen me voor als onderschatte, bekwame technici met -- jammer genoeg -- een nogal braaf en risicoloos oeuvre. Dan liever Peter Theunynck en zijn prachtig vormgegeven bundel Traangasmaatschappij. Anton van Wilderode (Poedersneeuw) verraste me opnieuw met zijn vakmanschap. Ik ken hem onvoldoende, en moet maar eens dringend zijn verzamelde gedichten lezen.

Schrijft altijd dezelfde plezierige, tragi-komische bundel: Anton Korteweg (Voortgangsverslag).

Bijna postuum, de bundel van de schielijk overleden Pieter Aerts die onder de auspiciën van Herman de Coninck tot stand kwam, verdient een ruim publiek. Voor de jonge Vlaamse bard Frederik Lucien De Laere (De martelgang) geldt hetzelfde, en die leeft gelukkig nog.

Toch kwam de beste poëzie opnieuw uit het buitenland aangewaaid. De Bosnische dichter Semezdin Mehmedinovic (Deze deur is geen uitgang) is een aanrader. Frieda Hughes (De stenenraapster) haalt niet het niveau van haar moeder Sylvia Plath, maar schrijft evengoed pregnante, morbide poëzie.

Ik las voor het eerst Zuid-Afrikaanse poëzie dit jaar. De langademige, getormenteerde visioenen van Breyten Breytenbach (De windvanger : gedichten 1964-2006) dwongen respect af, hoewel politiek geëngageerde literatuur allerminst mijn ding is. Menselijker, knusser, sympathieker was Riana Scheepers (Met de taal van karmozijn).

De drie poëzieboeken die me het dierbaarst waren in 2007 waren de prettig gestoorde Galgenliederen van Christian Morgenstern, de aardse, wereldwijze Verzamelde gedichten van François Villon in de schitterende vertaling van Ernst van Altena, en dat bloedmooie vierkante boek, Gedichten eten van Mark Strand. Ga ik zeker in het Engels lezen, ooit.

Voor de meest lachwekkende verzen van het jaar zorgde, met voorsprong, de megalomane Raoul Maria de Puydt (Ontembare dromen en Oostduinkerkse gedichten).


ONTDEKKINGEN
Ook dit jaar bestond het gros van mijn lectuur uit nieuwe, onontdekte schrijvers. Van de belangrijkste ontdekkingen noem ik:

Het kale, klassieke proza van Albert Cossery (Het huis van de wisse dood).

De Amerikaanse reisverhalenschrijver Bill Bryson. Niet met een ander boek zo gelachen in 2008 als met Overal en nergens.

De tiende man lijkt de perfecte opmaat om me volgend jaar grondiger te verdiepen in het oeuvre van Graham Greene.

Zal ik alle andere boeken van Jean Echenoz even graag lezen als diens Meer?

Ten slotte: in Vlaanderen schiet me niet meteen een auteur te binnen die even leerzame, illusieloze en tegelijk compacte essays schrijft als de Nederlander Jaap van Heerden (Het vreemde in de blik van Jean-Paul Sartre en Schrikbewind der verzinsels).

Wat de rubriek canonkleppers nog betreft: 2007 was het jaar waarin ik voor het eerst iets las van Louis Couperus (Hoge troeven), Plato (Faidon) en Annie M.G. Schmidt (Tante Patent en de grote Sof).


TELEURSTELLEND
W of de jeugdherinnering is het eerste boek van Georges Perec (een van mijn lievelingsschrijvers) dat ik met tegenzin las. Raar boek, taai boek.

George Gissing wordt door Geerten Meijsing altijd de hemel ingeprezen, maar zijn Intieme geschriften van Henry Ryecroft waren me te weinig scherp.

De menselijke smet van Philip Roth kon ik alleen maar bewonderen met mijn verstandelijke vermogens. Emotionele betrokkenheid: nul. Het zal aan mij liggen.

Een tweede poging om te achterhalen waarom Philip Larkin in bepaalde middens zo'n grootheid is (nu met Sneeuw valt op een zondag in april) is wederom op niets uitgedraaid.

Het wil ook nog niet boteren met Vladimir Nabokov (Doorzichtige dingen en Glorie), hoewel mijn hart uitgaat naar auteurs die zich vooral toeleggen op het schrijven van mooie zinnen. Begrijpe wie kan.

En waarom wordt Een held van onze tijd van Michaïl Lermontov algemeen als een meesterwerk beschouwd?



[foto: een van de goede voornemens voor 2008, meer Engelse boeken lezen]


BESTE GELEZEN IN 2007
De weg naar Oxiana: overvloedige notities die Robert Byron maakte tijdens zijn reis naar het nabije Oosten.

De hasjkruiser van Henry de Monfreid. Nog zo'n avonturier.

De heerlijk zwartgallige roman Lust van de Oostenrijkse Nobelprijswinnares Elfriede Jelinek. Ideaal voor op een zonovergoten terrasje.

Al even onheilspellend: het gebeeldhouwde proza in de korte roman Op de marmerklippen van Ernst Jünger.

Nog meer pessimisme, tijdens de jaarlijkse meeting met E.M. Cioran. Nu in Geboren zijn is ongemak.

De conciese joodse verhalen van Martha Saalfeld (De jodensteeg) en Isaac Bashevis Singer (Een heerlijke dag).

De jeugdherinneringen van Lev Tolstoj in Jongensjaren.

Het fascinerende Japanse grootstadproza van Haruki Murakami (After Dark) en Banana Yoshimoto (Kitchen).

De vermakelijke reconstructies van de tafelgesprekken van de broertjes Goncourt, Sainte-Beuve, Flaubert en nog een stuk of wat anderen, in Tafelen bij Magny van Robert Baldick.

De burleske memoires van de Duitse schilder George Grosz, Een klein ja, een groot nee.

Terugblik, de autobiografie in visitekaartjes van Norman Douglas sprak tot de verbeelding. Wel met kleine teugjes savoureren.

De gloedvolle Negen brieven met een achtergehouden tiende en een ontvangen elfde van Marina Tsvetajeva. Vergelijk dat eens met uw eigen armzalige e-mailverkeer.

De sinistere novelle De ongehoorzaamheid van Alberto Moravia. Voor iedereen die ooit gepuberd heeft.

De essayistische cocktail die John Banville bereidde in Praag.

Dood en verderf vormen de hoofdmoot in de met meesterhand geschreven kortverhalen van Auguste Villiers de l'Isle Adam (Foltering door wanhoop en andere griezelverhalen) en Ambrose Bierce (Bij de brug over de Owl Creek).

Bewaarder van oudheden, een kloeke roman van Joeri Dombrovski.

De slapstick van Drie man in een boot (Jerome K. Jerome). Fawlty Towers avant la lettre.

De exquise bibliofiele notities van Anne Fadiman in Ex libris.

De kille, experimentele roman Jaloezie van Alain Robbe-Grillet.

Leermeesters, een keuze uit de maandagstukken van Kees Fens. Gedegen essays over auteurs die niemand nog leest.

In de afdeling monstres sacrés: de aan onleesbaarheid grenzende meesterproeven van Robert Burton (Melancholie der liefde) en Marcel Proust (De kant van Swann). Voor de doorzetters.

De Hongaarse romancier Sándor Márai stelt me nooit teleur. De gravin van Parma is goede aanvulling op Een schitterend gebrek van Arthur Japin. De nacht voor de scheiding is evenwel een betere roman.

Volmaakte, zeer onderhoudende journalistiek: Saluut aan Catalonië van George Orwell. Bespreking ergens in 2008.

Beminde van Toni Morrison, of hoe vakmanschap mij overhaalt dikke romans te lezen over dingen die mij langs geen kanten interesseren.

De copieuze essaybundel De mythe van romantisch Spanje van Mario Praz. In 2008 zeker een bespreking.

De nuchtere aanbevelingen van Theo Kars in diens Praktisch verstand.

Specht en zoon van Willem Jan Otten was de enige Nederlandstalige roman die ik meer dan behoorlijk vond dit jaar.

De eikenhouten portretten in de bloemlezing De canon van Menno ter Braak zijn verplichte lectuur.

Klassieke, gave vertellingen: De Frontenacs van François Mauriac en Het strand van Cesare Pavese.

Na in het verleden twee slaapverwekkende boeken van André Gide gelezen te hebben was ik vastbesloten zijn dagboek Het innerlijk blauw helemaal niets te vinden. Het bleek echter een van de meest verslavende boeken van het jaar. Een van de boeken ook waar ik het vaakst aan heb teruggedacht. Zeker bespreking in 2008.

Nog zo'n waardevolle verzameling persoonlijk notities: Dagboek van een stervende van de Schotse dichter William Soutar.

Opvallend veel goede boeken gelezen van Nederlandse recensenten. Lezen, man! van Anthony Mertens was fijn. Nog beter zijn de korte stukken van Herman Franke in Waarom vrouwen betere lezers zijn. Maar hét boek van 2007 was voor mij Een verhaal dat het leven moet veranderen. Hans Goedkoop zet daarin de standaard voor eenieder die op een schrandere en persoonlijke manier boeken denkt te kunnen bespreken.



[foto: dubbele pagina uit De kant van Swann van Marcel Proust. De meest intensieve leeservaring van 2007.]


DE BESTE BELGEN
Paul Claes is opnieuw een veel betere essayist (Echo's echo's -- geniale titel) gebleken dan romanschrijver (Psyche).

Alomtegenwoordig en toch onvoldoende naar waarde geschat: Herman Brusselmans. Vooral de eerste helft van de novelle De dollartekens in de ogen van moeder Theresa is top.

De filmbesprekingen van Johan Daisne (Over oude en nieuwe rolprenten) zijn de moeite waard omdat ze laten zien waar het hedendaagse reviews vaak aan ontbreekt.

Voor wie met een overdosis narcisme uit de voeten kan: weinigen kunnen wat Luuk Gruwez in zijn prozaminiatuurtjes (Psilo) doet.

Erwin Mortier boekstaaft in Avonden op het Landgoed een paar van de verstandigste gedachten die ik al over Gerard Reve heb gelezen. Als Mortier nog steeds een dagboek bijhoudt, moet hij dringend in Privé-domein komen.

De poëzie van Adriaan de Roover (Gedichten 1953-1998) is op een schandalige manier onderschoffeld door de tijd. Ook zijn brieven aan Pierre Kemp ontroerden me, al kan ik nauwelijks uitleggen waarom.

Het beste korte proza schreef J.M.H. Berckmans in zijn verhalenbundel Café De Raaf nog steeds gesloten.

Romans van tel, geschreven door Belgen, zijn me dit jaar niet onder ogen gekomen. Misschien is dat gewoon ongelukkig toeval.


GEWOGEN EN TE LICHT BEVONDEN
Columns van Aaf Brandt Corstius (Het jaar dat ik 30 werd) en Martin Bril (De Franse slag) die volgens mij geen bundeling behoefden.

Cadeauprulletjes als Dagboek van een poes van Remco Campert en De eeuwigheidskunstenaar van Abdelkader Benali.

De vlakke romans Edele dieren van Adriaan Jaeggi, Nachtboek van een slapeloze van Patricia de Martelaere en Een borrel met Barry van Christophe Vekeman. Saai, al te saai.

Het krampachtig geliteratureluur van Paul Claes (Sfinx) en Joris Gerits (365).

Chicklit van Flora Groult (Een vrouwenleven begint bij veertig).

En verder: hoe groot zijn inspanningen als West-Vlaams cultuurpaus ook mogen zijn, Jozef Deleu (Gras dat verder groeit) slaagt er nog altijd niet in zelf iets van waarde op schrift te stellen.


GUILTY PLEASURES
De precieuse boekjes De dame in het blauw van Noëlle Châtelet en Gestolen momenten van Philippe Delerm: very French indeed.

In dat gezelschap hoort ook de bijkans autistische roman Het roze huis van Pierre Bergounioux thuis.

De kitcherige poëzie van Nic van Bruggen (Een kreet van hoog allooi) en Hendrik Carette (Gestolen lucht).

Columns van Youp van 't Hek (vooral Floppie, Yourie en andere helden) had ik al in geen jaren meer gelezen. Ten onrechte.

Het oversensitieve gebral van Lodewijk van Deyssel in zijn proza en in de correspondentie met Frederik van Eeden: eigenlijk vooral gelezen om eens goed te lachen.


AMNESIE
Nog geen jaar na lectuur weet ik, zonder te spieken op mijn notities, al niet meer waar Middernacht van Georges Duhamel over gaat, Engelse munt van Marguerite Duras, Blauwbaard van Max Frisch, Er gebeurt nooit iets van Marnix Gijsen en Positieve helden van Thomas Graftdijk.



[foto: een van de goede voornemens voor 2008, meer boeken uit eigen bezit lezen]


HET BESTE BOEK VAN 2007?
Geen idee, eigenlijk. Ik volg de actualiteit maar met een half oog en laat er al helemaal niet mijn lectuur door leiden. De vertalingen van Dagboek van een stervende van William Soutar en De weg naar Oxiana van Robert Byron zijn absolute verrijkingen. Verder was ik blij met de bundeling essaytjes van Kees Fens in In het voorbijgaan. Misschien schreef Luuk Gruwez met Psilo wel het beste Belgische boek van het jaar, al zal een horde lezers mij met klem tegenspreken.


DON'T BELIEVE THE HYPE
Dat Poolijs van Ruth Lasters met de debuutprijs werd bekroond zegt vooral veel over de lamentabele toestand van de jonge Vlaamse literatuur, al sluit ik niet uit dat het binnen enkele jaren goed komt met haar.

Geniet voor mijn part van De vliegeraar van Khaled Hosseini, maar geniet met mate.


KWELLING
Een echte horreur om te lezen vond ik de stomvervelende roman De papieren man van William Golding, de wel erg droge novelle Een ongenode gast van Gerrit Krol en een roman van Alberto Mendez (De blinde zonnebloemen) waarvan me niets meer bijstaat.

Ook knudde: een verhaaltje-op-de-automatische-piloot van Helene Nolthenius (Weekend op Waldegg) en het zeer warrige essay Het stuurse gezicht van het surrealisme, van Raoul Vaneigem.


OUTSIDERS
Mag ik uw warme aandacht vragen voor de mooie verhalen van Sandro Penna (Een beetje koorts), het minzame essay Lof der schaduw van Junichiro Tanizaki, de stemmige novelle De stilte van de zee van Vercors en de beschouwingen op fluistertoon in De allermooiste foto van de wereld van Johan de Vos?


DE CIJFERS
In totaal 315 boeken gelezen in 2007. Daarnaast 178 boeken gerecenseerd op Achille, goed voor 460 pagina's A4.
____

Goede voornemens voor 2008

1.
Meer lezen, minder tijd verspillen met bibliotheken frequenteren. Meer boeken in eigen bezit lezen. Me beperken tot drie bibliotheken in plaats van vijf, zes.

2.
Minder schnabbels lezen. Ik lees Sarrasine van Honoré de Balzac maar niet zijn Verloren illusies. Ik lees de Brieven aan Anna van Robert Musil maar niet De man zonder eigenschappen. Ik lees Het valies van mijn vader van Orhan Pamuk maar niet zijn Zwarte boek.

3.
Eindelijk eens iets lezen (uitlezen) van V.S. Naipaul, Salman Rushdie, Isaak Babel, T.C. Boyle, vader en zoon Amis, Camilo José Cela, E.L. Doctorow, Eça de Queiros, William Faulkner, Patricia Highsmith, John Irving, Yasunari Kawabata, Hubert Lampo, J.-M.G. Le Clézio, Doris Lessing, David Lodge, Yukio Mishima, Alice Munro, F. Scott Fitzgerald, Ian Fleming, Paul Theroux, Kurt Vonnegut, Ferdinand Bordewijk, John Dos Passos, Jean Genet, D.H. Lawrence, Amos Oz en Saki.

4.
Meer lezen van schrijvers die ik waardeer: Julian Barnes, Italo Calvino, Max Frisch, George Orwell, Cesare Pavese, Gerard Reve, Philip Roth, Douglas Adams, Saul Bellow, Louis-Paul Boon, Raymond Carver, John Coetzee, W.F. Hermans, Györgyi Konrád, John Updike.

5.
De volgende twee jaar wil ik de laatste hiaten in mijn kennis van de Nederlandse poëziecanon (van de 20ste eeuw) dichten. In 2008 gaan zeker de verzamelde gedichten van Karel van de Woestijne en Adriaan Roland Holst voor de bijl, en ik kijk ook uit naar Gaston Burssens, Jan Elburg, C.O. Jellema en H.H. ter Balkt. Als er dan nog tijd overblijft: Hans Warren, Karel Jonckheere, Annie M.G. Schmidt, Willem Wilmink en H.C. ten Berge. Qua oude rakkers: Herman Gorter, Willem Kloos en Guido Gezelle. Op een paar gedichten in bloemlezingen na nooit iets gelezen van Gezelle. Het is me wat.

6.
Het wordt hoog tijd om mijn geschiedenis bij te schaven. Ik lees boekjes van Anton Gill en Tim Parks over het vijftiende eeuwse Florence, maar moet wat zij vertellen vervolgens proberen te begrijpen en beoordelen aan de hand van mijn afbrokkelende geschiedeniskennis uit mijn humaniora. Dat gaat niet. Ik schiet tekort.

Ik wil de geschiedenishandboeken die ik al tien jaar in een curverbox met middelbare schooltroep bewaar herlezen en schematiseren. Dat overzicht kan dan als kapstok dienen voor de lectuur van vulgariserende naslagwerken van Peter Conrad, Peter Watson, Eric Hobsbawm, Barbara Tuchman e tutti quanti.

7.
En ik ga voorzichtigjes een paar populair wetenschappelijke boeken lezen. Kijken of dat meevalt. Het laatste wat ik wil is een naïve slaaf worden van de schone letteren. Bill Bryson dus, en Hans Van Maanen, E.J. Dijksterhuis, Richard Dawkins, Daniel Dennett.

Omdat het meestal gaat om volumineuze werken zal ik wanneer de tijd rijp is de zeven op zeven-routine van Prins van Denemarken wellicht herleiden naar vijf boeken per week. Geen nieuwe fragmenten meer op zondag en maandag. Op Achille kan ik op die dagen een bespreking uit de oude doos publiceren.

8.
Als een grote jongen wat meer boeken in de oorspronkelijke taal lezen. Dit jaar mijn Engels bijschaven, volgend jaar mijn Frans. Ik lees en begrijp wel Engels, op het internet bijvoorbeeld, maar ik ontbeer nog een woordenschat van pakweg 500 woorden om literaire werken in het Engels te lezen op comfortabele manier. Uit lafheid grijp ik telkens weer terug naar Nederlandse vertalingen.

Mezelf daarom verplichten auteurs te lezen van wie niets of nauwelijks iets in het Nederlands voorhanden is, met een goed online woordenboek op de laptop bij de hand: Clive James, John Ruskin, H.L. Mencken, John McPhee, Studs Terkel, de kortverhalen van J.G. Ballard en O Henry. Ook het kortere werk van William Somerset Maugham en die reeks Letters to a Young... lijken me ideaal. Eén Engelstalig boek per twee weken, zal dat lukken?

Daarnaast onvertaalde poëzie laten invliegen: John Betjeman, Matthew Arnold, Robert Frost, George Herbert, Robert Lowell, Wallace Stevens, Ken Brewer, Karl Shapiro, Andrew Motion, E.E. Cummings, Adrienne Rich, Dorothy Parker, Robert Graves, Ogden Nash, Paul Muldoon.

9.
Plannen voor de weblog. Ik ben goed tot zeer goed vertrouwd met de oeuvres van schrijvers als Sándor Márai, José Saramago, Hugo Claus, Paul Auster, Jorge Luis Borges, Albert Camus, Bohumil Hrabal, Gerrit Komrij, Thomas Mann, Patrick Modiano en Amélie Nothomb. Waarom niet wat oude notities opsnorren zodat er zich wat meer thematische dossiers kunnen vormen op Achille?

10.
Plannen voor een reeks 'Schatten op zolder' op Achille. Af en toe een schmutzig, kaftloos, uit zijn band hangend boek van een volslagen onbekende auteur opduikelen uit een doos op zolder, en dat bespreken.



[foto: twee auteurs die ik ga lezen in 2008, György Konrad en V.S. Naipaul. Van beide schrijvers kon ik verleden maand voor een koopje een prachtige partij puntgave boeken buitmaken (0.50 euro/stuk). Afgevoerde boeken uit de naburige bibliotheek.]

____

zondag 23 december 2007

Kerstvakantie

Achille van den Branden schort zijn werkzaamheden op voor twee weken. Nieuwe berichten niet eerder dan 8 januari.

Met uitzondering van 31 december, wanneer hier AvdB's Leesjaaroverzicht 2007 verschijnt.

De activiteiten op Prins van Denemarken gaan gewoon door.

Intussen is er geen beter medicijn tegen de kerstmismalaise dan een snuifje Gunter Lamoot.


____

Bibliothèque de Babel, hommage à Borges


zaterdag 22 december 2007

Een verhaal dat het leven moet veranderen - Hans Goedkoop

Een zekere treurigheid overviel me eerder dit jaar toen ik Hans Goedkoop presentatortje zag spelen op de Nederlandse televisie. Hij doet het niet slecht, dat niet, maar hij is zo inwisselbaar in die rol. Als criticus was dat wel even anders. Op onregelmatige basis schreef Goedkoop jarenlang literaire kritieken voor NRC Handelsblad. Daarin was hij een van de weinige critici die zijn ziel en zaligheid legde in zo'n stuk, dat vaak meerdere pagina's besloeg.

Dat had alles te maken met zijn streven zichzelf in elk stuk opnieuw uit te vinden, zoals dat dan heet met een sleetse uitdrukking. Hans Goedkoop maakte er een erezaak van dagenlang met eenzelfde boek door te brengen of zich wekenlang te vermeien met het volledige oeuvre van deze of gene schrijver. Voor de schriftelijke neerslag van die ervaring -- want dat was het naast een analyse ook: de getuigenis van een ervaring -- eiste hij vervolgens de nodige ruimte op in zijn courant. Ruimte die hem wonder boven wonder ook werd verleend.

Om ze te beoordelen hield Goedkoop boeken het liefst in het tegenlicht van de werkelijkheid. Niet dat hij uitsluitend feitelijke juistheden verwachtte van de literatuur -- "Ze richt zich niet op het domein van de harde feiten, maar op dat van de ervaring, dat te zacht is voor de echte wetenschap" -- maar Goedkoop onderkende wel de gevaren van een leven dat volledig opgaat aan de letteren. De literatuur als veilige vluchtheuvel, als inerte wijkplaats. Zo bekeek hij met achterdocht literatuur als 'activiteit in groepsverband': een trosje schrijvers, elkaar bevestigend in hun verwantschap, schrijvend in hun eigen tijdschrift, levend tussen eigen woorden, op maximale afstand van diezelfde werkelijkheid. Literatuur moet voldoende geworteld zijn in de realiteit, vindt Goedkoop, anders is ze niet zonder gevaar.

Want wie met het leven niet wil omgaan, zal dat ook niet leren. Wie er weerstand tegen biedt, zal er ook geen bescherming vinden. Wie er weinig meer in ziet dan een bedreiging, loopt de kans om die bedreiging juist over zich af te roepen (…)
In veel van zijn essays ontmaskert hij de escapistische onderstroom van een boek of de schijnmaatschappelijkheid ervan. Literatuur, aldus Goedkoop,
wordt er beter van als ze iets onderkent van haar latente destructiviteit en in het algemeen tegen zichzelf in durft te denken – wat natuurlijk sowieso de enige manier van denken is wanneer je iets wilt weten wat je nog niet wist.


De ironie wou dat Goedkoop [foto] op den duur zo intens met zijn neus in de boeken zat dat zijn eigen leven dreigde te verpieteren tot papier. Goedkoop zegde daarom de literatuurkritiek vaarwel en nam een frisse neus. Naar buiten, de wijde wereld in.
Want wat voor leven is dat, als je niet meer aan de werkelijkheid wordt blootgesteld?

[...]

Want dat is natuurlijk het bedrieglijke van literatuur. Al lijkt zij weleens aan te sporen tot een consequentie in het leven zelf, ze kiest maar al te graag voor uitstel, want ze staat uiteindelijk toch altijd voor zichzelf, en dus voor afstand. Lezen over de werkelijkheid noodt niet zozeer tot stappen in de werkelijkheid alswel tot verder lezen – zoals kijken naar lezende personages in een soap niet leidt tot lezen, zoals leesbevorderaars nog weleens hopen, maar tot blijven kijken. Ieder medium is een reclame voor zichzelf en presenteert dus niets als mooier dan zichzelf.
Als een laatste saluut bundelde hij zijn beste stukken in Een verhaal dat het leven moet veranderen. Dat boek beschouw ik als het meest waardevolle van alle die ik dit jaar gelezen heb. Vooral dan vanwege de aanklacht tegen de gemakzucht van boekrecensenten in Goedkoops laatste twee, drie essays. Daarin worden zoveel ware dingen gezegd -- zeker ook zaken die mij als plezierbespreker midscheeps verwonden -- dingen als:
Je hoeft er de cultuurbijlagen maar bij op te slaan en je ziet het, negen van de tien keer. Onbetrokken professionalisme, gemaskeerd met retoriek die anders wil doen voorkomen, en geen schaduw van een poging om de fictie van een boek te landen in de werkelijkheid. Literatuurkritiek als pervertering van goed lezen, ik ben bang dat het vaak echt zo ligt.
Dergelijke essays verdienen een grondige reactie. Niet het reguliere papegaaiwerk dat op Achille de rigeur is. Daarom wil ik mijn bevindingen opsparen voor later, voor wanneer ik meer tijd heb. Laat ik voorlopig hier volstaan met een korte round-up van de praktijkvoorbeelden waarmee Goedkoop illustreert in welke bedjes de zelfgenoegzame Nederlandse literatuur allemaal ziek is.

Ik heb de vrijheid genomen ze te herschikken in zes varianten.


1. De Frans Kellendonk-variant
In 'Weeskinderen in de cultuur' belicht Goedkoop de generatie schrijvers waartoe Oek de Jong, Nicolaas Matsier, Dirk Ayelt Kooiman, A.F.Th. van der Heijden, Nelleke Noordervliet, Jacq Vogelaar en Robert Anker behoren,
geboren tussen 1945 en 1955 in provinciale middenstandsgezinnen, kerks en braaf, om met de zegeningen van de nieuwe tijden uit te groeien tot ontzuilde, stadse intellectuelen, ‘Nouveaux riches van de geest’, met een typering van Kellendonk. Of ‘culturele weeskinderen’, met een andere.
Deze generatie heeft volgens Goedkoop de grootste moeite zichzelf niet mee te laten zuigen in het gat dat de traditie nagelaten heeft.
Dat blijft maar open liggen, het hedendaagse leven blijkt niet toegerust te zijn om het voor hen te vullen. Er is geen vervanging en geen troost, en zelfs de tijd heelt de wonden niet. Er is nog altijd: leegte.
Ik moest daarbij spontaan denken aan Leonard Nolens (°1947) als Vlaams equivalent. In 'En niet alleen de straat loopt dood' ontleedt Goedkoop vervolgens het loodzware en loodgrijze proza uit de jaren zeventig dat uit bovenstaande attitude geboren zou worden. Een schrijversethiek die de macht overdroeg aan de allerindividueelste verbeelding, en boeken afleverde die stijf stonden van de gelaagdheid en complexiteit.

De groep rond De Revisor (met Kooiman, Matsier, Kellendonk) opereerde vanuit een wegvallen van alle ideologie. Zij huldigden voorbeelden als Borges, Nabokov en Gombrowicz. De Raster-auteurs (bijvoorbeeld stichter H.C. ten Berge) waren juist wel zeer ideologisch gekleurd door de Frankfurter Schule. Taal was voor hen doordrenkt met de structuren van de macht en daarom dienden de gangbare manieren van vertellen overboord gegooid. Men schreef in fragmenten, had lak aan normale zinsbouw en de personages bleven naamloos en diffuus.

Zo’n brede generatie die afscheid nam van de maatschappelijke rol van literatuur was ongezien, stelt Goedkoop, waarna hij genadeloos de pijnpunten van die stromingen blootlegt. De beide overtuigingen baseren zich minder op persoonlijke ervaringen dan op een kennelijke onwil om die op te doen, zegt hij. Op weerzin tegen ervaringen. Vervreemding daarvan. Angst ervoor.
Dat Proza bleek in de praktijk zo ondoordringbaar dat de ondermijnende kwaliteit ervan bij voorbaat nul was. In plaats van een bevrijding uit de kluisters van de onderdrukking kreeg de lezer eenzame opsluiting in een sektetaal die nog vergiftigender overkwam dan die van de gevestigde orde.

[...]

Raster ging in het versleutelen van de literatuur zo ver dat het soms de ‘communicatie’ verbrak, zoals de schrijvers zelf met geuzentrots verklaarden.

[...]

De personages die de Revisor-overtuiging komen overbrengen zitten niet alleen gedurende de tijd waarover ons verhaald wordt binnen, je krijgt soms de indruk dat ze daar hun hele leven al gezeten hebben. De wereld buiten lijkt ze domweg onbekend te zijn, een donker continent, en er ontbreekt daarmee een cruciale ondergrond voor de bewijsvoering. Hoe weten ze dat allemaal, over die wereld buiten?

[...]

Ze slijten cirkels in de vloerbedekking, tot de buitenwereld niet meer is dan een herinnering aan iets vervlogens. (...) Ze zijn een en al bewustzijn van, paradoxaal genoeg, niets.
En toch betekent dit alles niet dat Goedkoop een hautain, belerend toontje aanslaat. Integendeel, hij pleit zelf schuldig. Meer bepaald ter hoogte van het essay 'Het boek van het nieuwe verbond', waarin hij zijn aanvankelijke liefde en fascinatie voor het oeuvre van Frans Kellendonk opbiecht: "Nog nooit had ik me zo rechtstreeks ondervraagd gevoeld door een roman. Alsof je wordt betrapt en tegelijkertijd begrepen – iets in die richting." De dingen die Goedkoop over Kellendonk schrijft zijn een prachtige aanvulling op het essay over Kellendonk dat Oek de Jong opnam in zijn bundel Een man die in de toekomst springt. Zowel De Jong als Goedkoop citeren Kellendonks sublieme boutade uit De veren van de zwaan:
Syntaxis is het verband dat de schrijver legt of voelt tussen de feiten die door de afzonderlijke zinsdelen en deelzinnen benoemd worden. In de syntaxis uit zich zijn verhouding tot de religie en de metafysica.

2. De Joost Zwagerman-variant
In 'Gewichtloos boven de geschiedenis' wordt de poëzie van de Maximalen op de hak genomen. Zijzelf (de jonge Zwagerman, Lava, Boskma, Lanoye) zagen hun gedichten als revolte tegen hermetische poëzie van Faverey en Kouwenaar, tegen het overmatige theoretiseren, tegen het blind staren op taal. Goedkoop ontmaskert hun werk als je reinste nostalgie. Als heimwee naar de Vijftigers. Dertig jaar eerder hadden Lucebert en co ook al een hoogstpersoonlijke, losbandige omgang met beeldspraak bedreven. Maximalen, volgens Goedkoop, schreven poëzie
van het soort waar je als lezer moeilijk in kon opgaan, omdat de dichter dat zelf al deed.

[...]

Ziedaar een illustratie van de stelling van Karl Marx dat historische gebeurtenissen in de regel twee keer plaatsvinden, eerst als tragedie en daarna nog eens als farce.
Terloops geeft Goedkoop een aardige definitie van het begrip 'postmodern', het woord dat te pas en te onpas gebezigd wordt om het klimaat te kenschetsen waarin het werk van Zwagerman (ook zijn proza) een reactie op is.
Onze werkelijkheid was postmodern geworden, wat van alles wilde zeggen, maar vooral dat het woord werkelijkheid de lading niet meer dekte. De zwaartekracht van de geschiedenis was weg, de mens kon haast gewichtloos door het leven, en wat eraan leven overbleef was ook nog eens ongrijpbaar doordat we het leerden kennen uit de beelden die we ervan schiepen. Onze blik verdubbelde zich door de media, vermenigvuldigde zich nog door drank en drugs, en onze wereld werd daardoor een spiegelkabinet van de verbeelding.
In het daaropvolgende 'De light-sigaret des levens' is Goedkoop opvallend positief voor spring-in-'t-veld Ronald Giphart, van wie hij het waardeert dat hij geen afstand neemt van de wereld, maar oprecht zoekt naar manieren om van die wereld te genieten. Goedkoop maakt zich vrolijk dat Gipharts amorele dartelheid afkeer opwekt bij de meer ernstige opiniemakers van de literatuur. Goedkoop vindt Gipharts romans een oorspronkelijke oeuvre, maar maakt toch kanttekeningen. Zijn stuk heet niet voor niets 'Ronald Giphart op zoek naar waarheid zonder consequenties'.


3. De A.F.Th. van der Heijden-variant
'Maak je leven zelf tot een tragedie' is uiterst vernietigend over literaire kathedralenbouwer A.F.Th. van der Heijden. Dit essay is een voorbeeld van de langdurig omgang van Goedkoop met een bepaald oeuvre. Het schetst dan ook een beeld van de integrale cyclus De tandeloze tijd (!).

Goedkoop waardeert Van der Heijdens titanenwerk wel vanwege zijn sensibiliteit maar verwijt hem, "met alle respect", weinig aan het al bestaande beeld van de maatschappelijke werkelijkheid toe te voegen. In plaats daarvan slaat de schrijver van De tandeloze tijd de lezer om de oren met een doormalend hoofdpersonage dat bezeten bezig is met de samenhang der dingen en aan ieder gebeurtenis het karakter van het onontkoombare probeert mee te geven: "Egberts zet geen stap zonder je uit te leggen dat die onafwendbaar en ingrijpend is."

Van der Heijden, zegt Goedkoop, mist zingevende orde en schept die daarom zelf: een persoonlijke mythe die op niets anders berust dan op de spinsels en de sprongen van zijn eigen geest.
Tovenarij met namen, tijden en gelijktijdigheden, die na uitgebreide argumentatie en interpretatie, ruim voorzien van metaforen, opgeladen worden met de krachten van het veelbetekenende.
Van der Heijden is het type auteur dat hoogstens voor een korte tijd de buitenwereld intrekt om er zijn hoogsteigen verbeelding van te maken. De lezer staat wel paf van zoveel bevlogen stilistiek maar kan zelf nooit betrokken raken bij het verhaal omdat de personages het gras voor zijn voeten wegmaaien, met hun opbod aan zelfvergrotende zelfanalyses.
Zijn theorieën over het bestaan, zijn duidingen van de meest nietige gebeurtenissen, zijn kalenderberekeningen en zijn metaforische omzwervingen met scharen en geslachtsdelen – ze waren welbeschouwd niet meer dan schijnbewegingen, illusies, ficties van een in zichzelf gevangen bewustzijn. Voor een ander dan hemzelf konden ze niets betekenen.



4. De Thomas Rosenboom-variant
Thomas Rosenboom
, schrijver van historische romans als Gewassen vlees, beschouwt Hans Goedkoop in 'Het auto-immuunsyndroom van de kunst' als een erfgenaam van de helden van de Revisor-schrijvers uit de jaren zeventig.
Gevangen in hun gedachten, maar ze gaan net één stap verder. Ze besluiten dat ze aan dat isolement moeten ontsnappen, dat ze toch de wereld weer in moeten, en ze doen dat met het laatste wapen dat ze nog in handen hebben – de verbeelding, die vitale levensbron die in benarde situaties vaak te hulp schiet. Ze verzinnen een plan, ze meten zich een rol aan, en vooruit. Een daad!

[...]

Het effect is averechts, want de verbeelding opent zich niet als de vitale kracht die wij daar graag in zien en blijkt voor die vitaliteit zelfs een gevaar te zijn. Ze keert zich tegen de persoon die ze moest redden, ongeveer zoals een afweerstof zich in een lichaam soms niet tegen een ziekte maar tegen dat lichaam zelf kan keren. Een vernietigende verbeelding – het auto-immuunsyndroom van de geest.

5. De Connie Palmen-variant
In 'Het drama van de afhankelijkheid', nog zo'n knap en noodzakelijk essay, en het addendum 'De gevaren van het voetlicht' argumenteert Goedkoop wat er schort aan het mediagenieke oeuvre van Connie Palmen, zonder trouwens de kwaliteiten ervan te loochenen. Goedkoop leest haar boeken als een van tevoren uitgetekend carrièreplan. Zij is een van die
vrouwen die besluiten dat hun toekomst ligt in die speciale vorm van openbaarheid die het schrijven met zich meebrengt. Ze zien die als een doel op zich, als een manier van leven en gelukkig worden, en dat maakt de toekomst van het werk van Palmen tot een dubbelslag die voor zover ik in onze letteren geen voorbeeld kent. Ze dankt haar naam aan boeken over vrouwen die naam willen maken met hun boeken. Ze vervult haar eigen werk.

[...]

Al in haar Socrates-essay poneert ze dat een mens zijn zin nooit aan zichzelf ontleent. Je bent wat je bent door wat je voor een ander bent, een vriendin voor een vriend, een minnares voor een minnaar.
Waarna Goedkoop nauwkeurig de evolutie in de relatie van Palmen met haar publiek registreert. Los daarvan tekent hij nog een paar andere inhoudelijke en stilistische bezwaren aan tegen la Palmen.
Het is die wetenschap van buitenaf die voor het drama zorgt, niet het boek zelf. [Over I.M.]

[...]

In plaats van een regie zijn er dezelfde ditjes en datjes als bij u en mij. Op groot formaat, maar daarmee nog niet minder triviaal (…)

[...]

Ze hebben Palmen niet nodig om gezegd te worden.

[...]

Ze heeft daarbij geen sterk gevoel voor stijl, er staat bij haar niet veel meer dan er staat. Ze heeft ook niet veel oog voor het ongrijpbare, het ligt in haar natuur om daar een helwit zoeklicht op te zetten en er een idee over te formuleren. Ze verhaalt niet, ze betoogt, en sterk is altijd weer haar neiging tot abstractie. De ideeën die ze krijgt verwoordt ze graag in algemene termen, ook als die de zeggingskracht geen goed doen.

6. De Arnon Grunberg-variant
Dat de grote Grunberg zelf balorig liep van het essay dat Goedkoop aan hem wijdde ('Het komische van wanhoop') mag een indicatie zijn voor de kwaliteit ervan. Alleen intelligentie doet pijn. Goedkoop typeert eerst het universum zoals dat door Grunberg wordt geschapen...
Er is geen verlossing, geen houvast, geen zin of doel, niet eens een God die uit den hoge op je toekijkt en je wanhoop ziet. Er is alleen maar willekeur en overlevingsdrang. Menselijk contact is een transactie waar je baat bij dient te hebben, een subtiele vorm van koop en verkoop, en je zoekt daarin de rol die je het beste uitkomt. Vleien, sarren, bluffen, vluchten, fantaseren – overleven is de kunst van het rollenspel.
...om vervolgens de dubieuze (en toch ook weer veilige, opportunistische) rol van Grunberg zelf en zijn literaire afsplitsingen te bekritiseren, in het licht van een Hermans.
(...) zelf bleef hij door zijn leegheid buiten schot. Hij was er domweg niet. Hij meed daardoor de confrontatie met de grauwste consequenties van zijn wereldbeeld en het gevolg was dat zijn nihilisme niet, als bij de meester, scheppend uitpakte maar vluchtend.

Besluit
Als ik iets leer wanneer ik mijn besprekingen op Achille vergelijk met die van collega-loggers of een clevere geest als Goedkoop, is het dat ik wel erg gefocust ben op het vinden van fraaie passages en er nog onvoldoende in slaag het algemene karakter van een boek te vatten, kortom: het boek te beschouwen vanop een afstand. Als Mulisch literatoren indeelt in zinnenschrijvers, boekenschrijvers en oeuvreschrijvers, dan ben ik een zinnenlezer. Ik heb voortdurend de neiging auteurs op hun woord te geloven. Letterlijk: wat voor mij intelligibel is aan een boek, is wat de schrijver mij zelf openbaart, d.i. hetgeen citeerbaar is. Als bespreker maak ik bijvoorbeeld zelden een intentieproces op van de schrijver. Noch schrijf ik persoonlijke reflecties over de handelingen van de figuren uit het boek. Net alsof ik die personages niet helemaal serieus neem.

Het fenomeen dat Goedkoop hier glashelder op de korrel neemt, de schone letteren als escapisme, zowel voor de schrijver als voor de lezer, komt wel akelig dichtbij. Dat alles zit me niet echt lekker, verontrust me. Aan de andere kant is het hoopvol dat boeken als Een verhaal dat het leven moet veranderen me nog steeds uit het zadel kunnen lichten. Slaan kunnen waar het pijn doet.

Goedkoop strekt tot voorbeeld door zijn vlotte, sobere en toch beeldende betoogtrant alsmede de integriteit waarmee hij onophoudelijk over zijn eigen stukken reflecteert en zijn werkwijze als criticus expliciteert. Waar ik evenwel moeite mee heb is het feit dat Goedkoop laat uitschijnen dat literair vluchtgedrag een typisch Nederlands verschijnsel is. Een heleboel kanttekeningen uit zijn boek lijken me makkelijk toepasbaar op de Franse literatuur, of de Duitse. Het andere grote minpunt is dat Goedkoop geen voorbeelden laat zien van hoe het beter kan. Welke zijn de boeken of schrijvers waarin hij zijn ideaalbeeld wél vervuld ziet? Noem ze mij!

(Gebaseerd op notities van 4 september 2007.)

> lees nog een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Hans Goedkoop, Een verhaal dat het leven moet veranderen
287 p.
Uitgeverij Augustus, 2004

____

vrijdag 21 december 2007

De kant van Swann - Marcel Proust

Zeggen dat het spellen van deze vijfhonderd topzware bladzijden tot mijn meest gelukzalige leeservaringen van 2007 behoort, zou niet helemaal stroken met de waarheid. Delen eruit, ja, hier en daar een halfuur, brachten me in een intense roes. Maar het hele werk lezen voelde toch te vaak als het lopen van een marathon, een serieuze bierbuik meetorsend en vijftien kilo overgewicht.

De kant van Swann (en bij uitbreiding de hele cyclus Op zoek naar de verloren tijd) lijkt me een boek waar je meer en meer van geniet naar gelang je beter de weg kent in zijn labyrintische gangenstelsel. Tijdens een eerste leesbeurt kijk je nog niet zo goed rond als je zou willen; je hoopt vooral dat je het einde haalt.

Wat Marcel Proust betreft was ik nochtans niet aan mijn proefstuk toe. Ik las eerder zijn vroege brieven (even amusant als kruiperig) en zijn introverte verhandeling Over het lezen.

Een aantal jaar geleden ben ik zelfs eens in de Recherche begonnen toen ik enige tijd het bed moest houden. Maar ik onderschatte het karwei. De Recherche lezen is: grondig plannen, tijd vrijmaken, véél tijd vrijmaken, en elke dag honderd dichtbedrukte pagina's in je kop stouwen. Anders lukt het niet.

Deze zomer, in een tentje langs de Loire, kon ik de klus klaren. Zes avonden, die allengs zes nachten werden. Wat kan het heerlijk stil zijn op zo'n camping.

Ik besef inmiddels dat ik het plan om de integrale Proust te lezen voor mijn dertigste, moet opgeven. Je leest de delen niet straffeloos na elkaar. Maar In de schaduw van de bloeiende meisjes en De kant van Guermantes tegen april, dat moet kunnen. En de vier resterende boeken op mijn dertigste lezen heeft ook wel wat.

Omdat ik nog geen vat krijg op De kant van Swann in zijn geheel géén algemene beschouwing deze keer, laat staan inhoudelijke samenvatting, maar in plaats daarvan een lange sliert persoonlijke annotaties -- die stuk voor stuk als eigengereide bewegwijzering moeten dienen wanneer ik het boek binnen een jaar of tien voor een tweede keer wil lezen.

Er werd gebruik gemaakt van de 'Reuzenpaperback' die de drie deelboeken (Combray, Een liefde van Swann en Plaatsnamen : de naam) verzamelt in één band, uitgegeven door De Bezige Bij, vijfde druk, 1996. De nummers verwijzen naar de bladzijden. De algemene inleiding van S. Dresden sla ik over.


Deel een: Combray

43 Eerste zin.

Heel lang ben ik vroeg naar bed gegaan.
44 Meditaties over slapen gaan, en in slaap vallen. Situatieschets van de slaapkamer. Wakker worden. Uit een andere lichaamshouding duikt een andere herinnering op.
Misschien wordt de onbeweeglijkheid van de dingen om ons heen opgelegd door onze zekerheid dat zij het zijn en geen andere, door de onbeweeglijkheid van ons denken ten opzichte van hen.
48 Eerste indruk: Proust serveert een opeenstapeling van gedachten die ik nergens eerder las. Zijn proza trek je als een wollen deken over je heen.
De gewenning! Zij is een handige, maar langzame binnenhuisarchitecte die onze geest eerst wekenlang in een provisorische omgeving laat kwijnen, maar waar men toch gelukkig mee is want zonder haar en alleen uit eigen kracht zou je niet in staat zijn een huis bewoonbaar te maken.
54 Deze bladzijde had ik bereikt toen ik het boek voor de eerste maal probeerde te lezen, een jaar of vier, vijf geleden. Een eindeloze estafette van immense alinea’s. Bij Thomas Mann heb je nog dialogen die werken als een snelle afdaling voor een wielrenner, als recuperatiemomenten. Hier alleen maar dicht opeengepakte tekst. Zelfs handelingen zijn voor de verteller (Marcel) voornamelijk een geestelijke activiteit. Nog een verschil: Proust schrijft vanuit een ‘ik’, Mann vanuit een ‘hij’.

58 Kwalificaties van Swann. De jonge Swann bezoekt Marcels ouders in Combray, vooral vóór zijn huwelijk.

63 Swann:
Wat ik de kranten verwijt, is dat zij ons elke dag op onbeduidende dingen opmerkzaam maken, terwijl wij drie- of viermaal in ons leven de boeken lezen waarin werkelijk iets essentieels staat.
70 Typering van Françoise, de keukenmeid.
(…) want zoals primitieve mensen wier zintuigen veel scherper zijn dan de onze, herkende zij onmiddellijk aan voor ons niet waarneembare tekens de ware toedracht die wij voor haar verborgen wilde houden (…)
72 Marcel krijgt een geruststellend briefje van zijn moeder. Dit wordt het meesterwerk van een moederskindje, blijkbaar.
Nu was ik niet meer van haar gescheiden; de barrières waren neergehaald, een heerlijke band verenigde ons.
78 Over zijn ondogmatische vader. Tussen haakjes: waar is de toenmalige actualiteit in dit boek?

82 Beschouwingen over fotografie. Zijn moeder leest Marcel voor.

87 Het beroemde Madeleine-verhaal. Nu al!? Terecht beroemd, want schitterende bladzijden. (Misschien juist zo beroemd omdat weinigen voorbij bladzijde 100 raken?)
Al vele jaren bestond er van Combray, behalve dat wat het theater en het drama van mijn naar bed gaan was, niets meer voor mij, toen mijn moeder op een dag in de winter, waarop ik ijskoud thuiskwam, mij voorsnelde of ik niet tegen mijn gewoonte in een kopje thee zou nemen.
104 De kerk van Combray.
(…) vanwege al die dingen liep ik door de kerk, als we naar onze plaatsen gingen, als in een door feeën bezocht dal, waar de boer met verwondering aan een rots, een boom, een vijver het tastbare spoor van hun bovennatuurlijk verblijf herkent; dat alles maakte haar voor mij tot iets dat geheel verschillend was van de rest van de stad: een gebouw dat, om zo te zeggen, een ruimte beslaat van vier dimensies – waarvan de vierde de tijd is – en dat met zijn door de eeuwen heenglijdend schip van galerij tot galerij, van kapel tot kapel, niet maar enkele meters af te leggen en te overwinnen scheen, maar opeenvolgende tijdvakken, waaruit het zegevierend te voorschijn kwam (…)


[Kerk van het plaatsje dat voorheen Illiers heette en model stond voor het Combray van Proust. In 1971 werd het ter ere van de schrijver omgedoopt tot Combray.]

107
De klokketoren van Saint-Hilaire.
Het was de klokketoren van Saint-Hilaire die alle bezigheden, alle uren, alle doorkijkjes van de stad hun gezicht, hun kroning, hun wijding gaf.
112 Mooie typering van M. Legrandin, van beroep ingenieur in Parijs.

118 De verteller openbaart zijn grote liefde voor toneel. Begerig kijken naar aanplakzuilen. Bewondering voor actrices: Sarah Bernhardt, La Berma, Bartet, Madeleine Brohan, Jeanne Samary. Bezoek van een actrice bij zijn oom.
Ik kon niets theatraals aan haar ontdekken wat ik op de foto’s van toneelspeelsters zo bewonderde of iets van een diabolische expressie die met haar vermoedelijke levenswandel in verband zou kunnen staan.
126 De uitdossing van het keukenmeisje wordt gelinkt aan bepaalde figuren bij Giotto.

129 De donkere koelte van zijn kamer...
(…) ...verhield zich tot de zonovergoten straat als de schaduw tot het licht, dat wil zeggen, de intensiteit was precies even groot en hij gaf mijn geest een volledig beeld van de zomer waarvan mijn zinnen, op een wandeling bijvoorbeeld, telkens slechts bij gedeelten zouden hebben kunnen genieten; daardoor paste dat zo goed bij mijn soort van rust, die (dank zij de in mijn boeken vertelde en mij aangrijpende avonturen) als een hand, die men onbeweeglijk in stromend water houdt, de woelige botsing van een stroom van activiteit kon verdragen.
130 Uitgebreid over zijn lectuur. Typisch voor een Franse schrijver: nagenoeg allemaal Franse referentiepunten. Madame de Sévigné, Saint-Simon, Pascal, Molière, De Musset, Rousseau, Sand, Hugo, Racine, Balzac, Dumas, Madame de la Fayette, Chateaubriand.

134 Waar in godsnaam is de hándeling in De kant van Swann? De evolutie? De interactie? Deze mate van stilstand heb ik eerder alleen in De toverberg gezien.

135 Bij het zien van veldoefeningen van garnizoenstroepen:
Het is toch iets moois nietwaar, als men jonge mensen ziet die niet aan het leven hechten?
136 Praatjes, geroddel, en soms korte volkse interventies.

138 Albert Bloch, de bourgeois schoolkameraad van de verteller, van joodse afkomst, die Marcel het werk van de (fictieve) schrijver Bergotte zal injecteren:
Ik laat mij nooit door atmosferische storingen of door de conventionele tijdsindeling beïnvloeden. Ik zou graag het gebruik van de opiumpijp en de Maleise kris weer in willen voeren, maar van die oneindig veel verderfelijker en bovendien kleinburgerlijke instrumenten als polshorloge en paraplu, daar moet ik niets van hebben.
144 Marcel leest Bergotte. Het schijnt hem plotseling toe dat zijn
bescheiden leven en de koninkrijken van de waarheid niet zo ver van elkaar verwijderd waren als ik gedacht had, dat ze elkaar zelfs op bepaalde punten raken, en in een opwelling van vertrouwen en vreugde weende ik boven de bladzijden van de schrijver als in de armen van een teruggevonden vader.
147 Marcel vormt zich een beeld van Mlle Swann.
Zelfs vrouwen die beweren dat zij een man alleen op zijn fysieke eigenschappen beoordelen, zien in dit uiterlijk de uitdrukking van een speciaal soort leven. Daarom houden ze van militairen of brandweerlieden (…)
149 De regen.
Een licht tikje tegen de ruit, alsof er iets tegenaan kwam, gevolgd door een langdurige val van iets als zandkorreltjes alsof men die uit een bovengelegen raam liet vallen, daarna het toenemende, regelmatig wordende, dan ritmische, tenslotte plenzende, klankvolle, muzikale, onoverzienbare, allesomvattende geruis: dat was de regen.
151 Glas-in-loodramen. Aha : tante Léonie = Madame Octave.

158 Spruitjesgeur bij Proust.
De terugkeer van deze onregelmatige zaterdag was een van die kleine, intieme, lokale, bijna van burgerzin blijk gevende evenementen die in de rustige levens en gesloten gemeenschappen een soort van nationale eenheid scheppen en het geliefde thema van gesprek, van humoristische toespelingen en grappig overdreven vertelde verhalen worden: het kan de kern van een legendencyclus kunnen worden als een van ons over episch talent had beschikt.
160 Meidoorns, piano, maanlicht, Françoise. Mann schrijft indrukwekkender zinnen, precieser. De zinnen van Proust zijn vooral lang -- zo lang dat de lezer met verwondering staat te kijken als (en omdat) Proust ze tot een goed einde heeft gebracht.

167 Opnieuw M. Legrandin. De introductie van de naam Guermantes. Voor het eerst sprake van Balbec.

182 De weerschijn van het avondrood.

184 Eindelijk, eindelijk de verklaring van het mythische begrip ‘kant’. Bemerk: de Nederlandse vertaling van de titel is hopeloos onattractief. Noodgedwongen. De kant van Swann. Bah.
Want je kon in de omgeving van Combray twee ‘kanten’ op voor de wandelingen, en die lagen zo lijnrecht tegenover elkaar dat we niet eens door dezelfde deur weggingen als we de ene of de andere kant uit wilden gaan: de kant van Méséglise-la-Vineuse, die ook de kant van Swann werd genoemd, omdat je dan langs het landgoed van M. Swann kwam, en de kant van de Guermantes.
190 Link tussen natuur en muziek.

191 Gilberte!
Een meisje met roodblond haar dat van een wandeling terug scheen te komen en een tuinschop in de hand hield, wendde haar met roze sproeten bezaaide gezicht naar ons toe en keek naar ons.
192 Lees dit fragment op Prins van Denemarken.

196 Het proza van Proust: de overdadige ornamentiek van de herinnering.

199 De dochter van pianoleraar M. Vinteuil is wellicht lesbisch.
De feiten dringen niet binnen in het gebied waar ons geloof huist, ze hebben het niet voortgebracht, noch vernietigen ze het; ze kunnen het onophoudelijk weerleggen, zonder het af te zwakken en een lawine van opeenvolgende ongelukken en ziektegevallen in een familie zal deze niet doen twijfelen aan de goedheid van hun God of de voortreffelijkheid van hun dokter.
201 Het portaal van Saint-André-des-Champs. Wandelroute. Weinig betekenisvolle handelingen.

207 Tevergeefs verlangen naar het verschijnen van een vrouw. Prachtige passage.

212 Dit boek is slecht gedrukt. Ongelijke zwartheid van de letters. Een paar zinnen schemeren.

221 De rivier de Vivonne.

225 Fantaseren over Mme de Guermantes.
Door deze dagdromen werd ik mij ervan bewust, daar ik later schrijver wilde worden, dat het tijd was te weten wat ik van plan was te schrijven. Maar zodra ik mij dat afvroeg en ik probeerde een onderwerp te vinden dat ik een allesomvattende filosofische betekenis kon geven, wilde mijn geest niet meer functioneren, zag ik een soort leegte tegenover me, en ik voelde dat ik geen genie was, of ik had het idee dat een hersenziekte het misschien verhinderde bij mij op te komen.
230 Overal dweepzucht bij Proust. Lijkt in dat opzicht op Dostojevski.
Haar ogen werden zo blauw als een maagdenpalm die men niet plukken kan en die zij mij toch geschonken had (…)
231 Over schrijver en dichter worden.
Maar het werk van bewustwording was zo moeilijk, een taak die mij door deze indrukken van vormen, geuren en kleuren werd opgelegd – namelijk trachten te begrijpen wat zich achter de dingen verborg, dat ik al gauw begon voor mezelf verontschuldigingen te bedenken om mij aan die pogingen te onttrekken en mij er niet langer mee te hoeven vermoeien.
234 Observaties. Van kerktorens.
Zonder mij te realiseren dat datgene wat achter de torens van Martinville verborgen was, iets moest zijn dat zo ongeveer gelijk was aan een fraaie volzin, daar het mij immers in de vorm van woorden die mij blij maakten, verschenen was, vroeg ik de dokter om potlood en papier en ik maakte, om mijn geest te bevrijden en uit puur enthousiasme, ondanks het stoten van het rijtuig het volgende stukje proza (…)


[Illiers, Pont St.-Hilaire]


Deel twee: Een liefde van Swann

241 Het gedoe om opgenomen te worden in de clan van de Verdurins. Diners. Sociale status. Aanbevelingen nodig hebben. Een bouwwerk van relaties.
Evenals een intelligent iemand niet bang is om door iemand die ook intelligent is voor dom versleten te worden, zo zal een verfijnd iemand niet bang zijn om niet als zodanig herkend te worden door een aristocraat maar zal hij deze angst juist voelen tegenover een lomperik.
249 Besloten salons. Flirtations. Mme de Crécy (later Mme Swann). Swann verliefd. Waar Proust erg goed in is: general truths verpakken in weelderige volzinnen. Proust is een erg lexicale schrijver, een woordenbrijer. Zeer vreemd: nauwelijks metaforen te vinden bij hem -- op zinsniveau, bedoel ik.

254 Dokter Cottard. Odette introduceert Swann bij de Verdurins. Wat een opmaten en introducties!

263 Werkelijk subliem stuk over een welbepaalde ‘melodische zin’, uitgevoerd door piano en viool, die Swann zich opnieuw probeert voor de geest te halen. Iets soortgelijks bij Mann (in De Buddenbrooks, geloof ik).

271 Ik begroet als lezer dankbaar deze dialogen, waarvan Proust zich nu meer en meer begint te bedienen.

274 Nog altijd over muziek. Zeer wijdlopig, zeer mooi. Het pianozinnetje wordt een soort herkenningsmelodie van hun liefde.
Het zette in met de lang aanhoudende trillers van de violen die enkele maten lang duidelijk hoorbaar de melodie voerden, opeens leken ze uiteen te wijken en zoals de schilderijen van Pieter de Hoogh hun diepte ontlenen aan de smalle omlijsting van een halfopstaande deur, doemde heel in de verte, in een andere kleur, in een donszacht gemengd licht het zinnetje op, dansend pastoraal, aarzelend, fragmentarisch, onwerelds. In een enkelvoudige, oneffenbare golving ging het voort, deelde het hier en daar de gaven van zijn lieflijkheid uit met steeds diezelfde ondoorgrondelijke glimlach (…)
277 Huis van Odette de Crécy. Interieur.

287 Bezoeken van Swann aan Odette. Ze is op een gegeven moment volkomen spoorloos.
Welke middelen we ook te baat nemen om onze liefde op te roepen, welke krachten we ook inschakelen om dat gezegende kwaad in ons uit te zaaien, die machtige vlaag van onrust die ons soms kan overvallen heeft wel de meest heilzame werking. Dan zullen wij houden van degene waarvan wij op dat moment vervuld zijn, het lot heeft dat zo beslist. Het is zelfs niet nodig dat diegene ons tot dan toe meer, of zelfs maar evenveel aantrok als iemand anders. Het enige wat dan telt is, dat onze voorkeur voor haar uitzondelijk wordt. En aan deze voorwaarde is voldaan wanneer – op een ogenblik waarop hij haar missen – onze poging om de genoegens die haar lieftalligheid ons schonk te herbeleven, plotseling vervangen wordt door een allesoverheersende behoefte naar dat wezen zelf, een waanzinnige behoefte, waar niets te wereld aan tegemoet kan komen noch verzachting voor kan geven – de onzinnige en smartelijke behoefte haar te bezitten.
298 De liefde tussen man en vrouw. Veel kruisverwijzingen naar de schilderkunst: Botticelli, Watteau… Swanns en Odettes uiteenlopende opvattingen over stijl en chic. Hun interesses. Het werk van Proust lijkt werkelijk onsynthetiseerbaar.



[Links: kunstkenner Charles Haas, die model stond voor Swann. Rechts: Laure Hayman, de minnares van Prousts oom Louis Weil, die model stond voor Odette.]

310 Aanwezigen bij de Verdurins: Forcheville, Brichot. Tafelgesprekken. Beetje à la de Goncourts. Over toneel.

326 Gedetailleerd snobisme. Microscopische paranoïa.
Zij had gemerkt dat Swann en Forcheville meer dan eens het woordje ‘de’ voor die naam hadden weggelaten. Aangezien zij ervan overtuigd was dat zij dat alleen maar deden om te tonen dat titels geen enkele indruk op hen maakten, wilde zij graag hun laatdunkendheid navolgen, maar begreep niet al te best in welke grammaticale vorm zij dit moest gieten. Haar gebrekkige manier van spreken won het dan ook van haar republikeinse opvattingen en zij sprak nog steeds over de de la Trémoïlles, of meer nog, met een soort verkorting zoals die in cabaretliedjes en parodieën gebruikt wordt, waarbij het woordje ‘de’ van de La Trémouïlles half wordt ingeslikt tot de d’La Trémoïlles, maar dan herstelde zij zich en zei: ‘Madame La Trémouïlles.’ ‘De Hertogin, zoals Swann zegt,’ voegde zij er smalend aan toe met een glimlach die duidelijk bewees dat zij alleen maar woorden van iemand anders herhaalde en een dergelijke kinderlijke en belachelijke benaming niet voor haar rekening nam.
327 Lasterpraatjes worden uit voorzichtigheid overgoten met een sausje van vergoelijkende grapjes en hartelijke spitsvondigheden.

335 Overspel?

338 Brief van Odette aan Forcheville. De jaloezie van Swann, de schaduw van zijn liefde. Ik kan maar geen overzicht krijgen van de mentale figuur Swann en kan dus geen sympathie of antipathie voor hem voelen. Dostojevski is toch pregnanter, vitaler en dynamischer.

352 De salon die Swann en Odette tot elkaar heeft gebracht wordt nu een belemmering voor hun ontmoetingen.

356 Hij laat haar niet los.
Maar als zij naar Dreux of Pierrefonds was – zonder hem helaas toe te staan daar, al was het maar toevalligerwijze, ook te komen, want ‘dat zou een bespottelijke indruk maken’ zei zij – verdiepte hij zich in de meeslependste liefdesroman die er bestond; het spoorboekje, waarin hij alle mogelijkheden om ’s middags, ’s avonds, diezelfde ochtend nog bij haar te komen, opzocht.
361 Waarom geloof ik Swann niet, als lezer? Ik denk: omdat ik zijn stem nauwelijks hoor. En vanwege het aseksuele karakter van de relatie. Er is geen consumptie, we krijgen de liefde niet in vol ornaat te zien. Alleen als mentale beneveling.

368 Swann aan hevige schommelingen onderhevig. Waar is de gezonde buitenlucht bij Proust?
Hij nam opnieuw het standpunt in – dat lijnrecht stond tegenover dat van zijn liefde en zijn jaloezie en waarop hij zich soms uit een verstandelijk gevoel voor rechtvaardigheid stelde en om recht te doen wedervaren aan alle mogelijke waarschijnlijkheden – van waaruit hij Odette probeerde te beoordelen alsof hij niet van haar hield, alsof zij voor hem een vrouw was zoals andere vrouwen, alsof het leven van Odette niet heel anders was zodra hij daaraan geen deel had, niet een voor hem verborgen gehouden samenzwering, niet een tegen hem gericht samenspannen was.
372 Ben echt de uitputting nabij. Maar diagonaal lezen, op zoek naar het plot, is zinloos, want dat is verzaken aan de essentie van Proust. Die essentie heet: overwoekerd worden door finesses.

389 Nieuwe, onverschillige houding van Odette.

390 Feest bij markiezin de Saint-Euverte. Zeer scherpe uitwendige portrettering van de genodigden. Hoofse lyriek, maar dan in proza.
De monocle van de markies de Forestelle was uiterst klein, zonder randen en veroorzaakte een onophoudelijke knippering van het oog waarvoor het, als een overbodig stukje kraakbeen waarvan de aanwezigheid onverklaarbaar en de samenstelling nogal gezocht is, ingezet zat, hetgeen aan het gelaat van de markeis een droefgeestige verfijning gaf waardoor de vrouwen hem tot diepe liefdessmarten in staat achtten.
402 Eindeloze stoet fijnbesnaarde madammen, maar zonder eigen gezicht. Coterieën. Snobisme te weinig vilein om voor mij amusant te zijn.
Zou zij werkelijk de moed opbrengen elke week opnieuw al deze figuranten te huren?
409 Af en toe verlies ik mijn concentratie, mis ik een verbindingszin en wolkt een nieuwe wufte, rooskleurige scène schijnbaar uit het niets op.

418 Nog steeds op het feest. Proust vestigt zich definitief als herinneringskunstenaar. Hoor! Een viool weerklinkt.
En alsof de musici niet zozeer het zinnetje speelden, maar veeleer de voorgeschreven handelingen volvoerden opdat het zou verschijnen, alsof zij de vereiste toverformules verrichten om het wonder van de bezwering af te smaken en enkele ogenblikken te laten voortduren, voelde Swann (die het net zo min kon waarnemen als behoorde het tot een ultraviolette wereld, en die de nadering ervan onderging als een verkwikkende metamorfose tijdens deze toestand van tijdelijke blindheid waarmee hij was geslagen) dat het zinnetje er was, de beschermgodin, de vertrouwelinge van zijn liefde die, om hem in deze menigte te kunnen bereiken en terzijde te kunnen nemen teneinde tot hem te spreken, zich in deze klankgedaante had verhuld.
425 Vriendschap met M. de Charlus.

428 De Recherche: een sauna van een boek.

438 Kruisverhoor.

440 Herinneringen kwellen Swann.
Hij verwonderde zich over het meedogenloze herscheppende vermogen van zijn geheugen. Slechts de verzwakking van deze scheppingsdrang, waarvan de vruchtbaaarheid met het toenemen der jaar afneemt, mocht hem doen hopen op enige verzachting van zijn foltering.
452 Krijgt het bewijs toevallig in handen dat Forcheville de minaar van Odette is geweest.


Deel drie: Plaatsnamen: de naam

457 De eerste zin zet de toon.
Van de kamers die ik me in mijn slapeloze nachten het meest voor de geest haalde leek geen zo weinig op de kamers in Combray – bestoven met een korrelige, poeierige, eetbare en devote atmosfeer – als die van het Grand-Hôtel de la Plage in Balbec, waar de met glansverf bestreken muren, als gladde wanden van een zwembad die het water blauwmaken, een pure, azuren, zilte lucht bevatten.
458 Eindelijk een weids uitzicht: de zee.
Ik kende geen groter verlangen dan om een storm op zee te zien, niet om het mooie van het schouwspel, maar als ontsluierd moment van het werkelijke leven van de natuur; of liever, mooi was een schouwspel voor mij alleen dan wanneer ik wist dat het niet artificieel en voor mijn genoegen in elkaar was gezet, maar noodzaak was, onveranderbaar – de schoonheid van landschappen of van grote kunst. Ik was alleen nieuwsgierig, alleen dorstig naar wat me waarachtiger leek dan mezelf, naar wat voor mij de waarde had dat het me iets van de gedachten van een groot genie liet zien, of van de kracht of gratie van de natuur zoals die zich, aan zichzelf overgelaten, zonder tussenkomst van mensen, openbaart. Net zoals de mooie klank van haar stem, geïsoleerd weergegeven door de fonograaf, je niet zou troosten met het verlies van je moeder, net zo zou een mechanisch nagebootste vorm me even koud hebben gelaten als de verlichte fonteinen van de Wereldtentoonstelling. Ik wilde ook, om het een volstrekt echte storm te laten zijn, dat de kust een natuurlijke kust was, niet een kortelings door een gemeente aangelegde dijk. De natuur leek me trouwens, door alle gevoelens die zij in me opriep, wel de grootst denkbare tegenstelling tot de mechanische productie van mensen. Hoe minder hun stempel er op drukte, hoe meer adem had mijn hart. En de naam Balbec, waarover Legrandin ons had gesproken, was me bijgebleven als die van een strand vlak bij ‘die dodelijke kusten, vermaard om zovele gezonken schepen, zes maanden van het jaar in de lijkwa gehuld van nevel en het schuim der golven’.
460 Proust doet hier geen enkele moeite meer zijn essayerigheid in een verhaal onder te brengen.

463 De mythologie van de plaatsnaam: práchtig. Tientallen associaties. De virtuositeit ten top. Een geniale tekst, in een afzonderlijk boekje zeer geschikt om cadeau te doen.

464 Vertelt Alain de Botton hier iets over in zijn De kunst van het reizen?

468 Gilberte en haar naam. Marcel, hopend op een nieuwe ontmoeting. Proust introduceert warempel nóg een verliefdheid bij de lezer.

474 Ben voor het eerst oprecht nieuwsgierig naar de volgende delen.

478 Kijk, deze inversie ontroert me:
Maar wie ik in het park zag, geen Gilberte; ze was er nog niet.
486 Plattegrond van Parijs aflopen. Proust heeft alléén maar obsessies in petto, en eigenlijk is dat een zwaktebod.

488 Over de Swanns. Marcel is hier een stuk ouder, kennelijk. In het Bois de Boulogne.

496 Proust kan zijn vertelstof alleen maar kwijt in reusachtige, van elkaar gescheiden segmenten. Dat is er ook aan te zien. Je kan nu eenmaal geen olifanten aan elkaar lijmen, met dat bolle lijf. Typische overgangen bij Proust:
“Niet aldus was het gesteld met…”

“Opeens…”

“Evenzo was…”

“Op een dag evenwel…”
(Boek gelezen tussen 7 en 12 augustus 2007.)

Marcel Proust, Op zoek naar de verloren tijd - De kant van Swann
501 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 1996
Oorspr. À la recherche du temps perdu - Du côté de chez Swann (1913)
bevattende Combray, Un amour de Swann en Nom de pays : le nom
Vertaald door C.N. Lijsen (Combray), M.E. Veenis-Pieters (Een liefde van Swann) en Thérèse Cornips (Plaatsnamen : de naam)

____

donderdag 20 december 2007

Thomas Paine

"Thomas Paine (1737-1809) was a pamphleteer, revolutionary, radical, classical liberal and intellectual. Born in Great Britain, he lived and worked there until his late thirties, when he migrated to the American colonies just in time to take part in the American Revolution. His main contribution was as the author of the powerful, widely read pamphlet, Common Sense (1776), advocating independence for the American Colonies from the Kingdom of Great Britain, and of The American Crisis, supporting the Revolution. Later, Paine was a great influence on the French Revolution. He wrote the Rights of Man (1791) as a guide to the ideas of the Enlightenment."



____

woensdag 19 december 2007

De Franse slag - Martin Bril

Pfoe, deze bundel columns van Martin Bril -- de eerste die ik mee naar huis nam -- was niets voor mij. Ik heb met lange tanden zitten lezen.

De Franse slag bestaat uit kaal, grijs, zeer verdund proza. Ik weet niet hoe representatief dat is voor de rest van de ontzagwekkende stroom boeken en boekjes die hij het licht laat zien, maar deze Bril laat de werkelijkheid zien op schaal 1:1 en dat interesseert me niets.

Al die schattige tafereeltjes en probleempjes in de Corrèze. Nee.

Het is niet de eenvoud die me stoort -- een Remco Campert heb ik hoog zitten -- het is de nietszeggendheid ervan. Met ogen tot spleetjes geknepen heb ik ook een tijdje zitten turen tussen de regels, zoals het hoort, maar zelfs daar was niets van waarde te vinden. Bij alinea's als deze

"Het leuke van een huis in Frankrijk is dat het in Frankrijk staat, maar dat is ook meteen het nadeel. Iets anders is dat het huis ook gemeubileerd moet worden. Dit kan op verschillende manieren worden aangepakt.
Men kan oude meubels meenemen uit Nederland. Op de snelweg zie je heel wat landgenoten met boedelbakken rijden; die doen dat dus. Oma is overleden en oma’s oude bank en dressoir gaan naar het tweede huisje. Een andere optie is: alles nieuw kopen in de Franse meubelsupermarkt, een fenomeen dat helaas niet te vergelijken is met IKEA. Was het maar zo, dat werd het nog wel wat. Bovendien: wie zet er nou moderne meubels in een oud huis?"


kan ik alleen maar denken: 'Ja-ha, Martin, komt er nog iets van?'

En die belachelijke gewoonte van schrijvers om een paar woorden inheems door hun tekst te mengen, kan ik niet uitstaan. Umberto Eco heeft daar in een van zijn columns vernietigende dingen over gezegd.

"‘Demain,’ zei Birolini toen hij klaar was. Hij gespte zijn telefoon weer aan zijn riem."

Ik weet wel dat schrijven de kunst is om alles er makkelijk te laten uitzien, maar toch. Dit boekje ben ik nu al vergeten.

Zoals ook het drinken van een glas water geen herinnering nalaat.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Martin Bril, De Franse slag
125 p.
Uitgeverij 521, 2004

____

Related Posts with Thumbnails