vrijdag 30 november 2007

Persepolis [3] - Marjane Satrapi

Ik geloof dat het Tom Lanoye was die in een of ander schotschrift de absurditeit aankaartte van het hoofddoekendebat in Vlaanderen, door te verwijzen naar de jaren vijftig, toen elke kwezel in een katholiek klooster hier te lande zo'n ding droeg.

In het derde luik van Persepolis wordt die gelijkenis op de spits gedreven, wanneer Marji in 1984 hoofddoekloos het "open en wereldlijk" Europa betreedt, maar uiteindelijk gedropt wordt in een regide Weense nonnenschool.

Ineens valt op hoe verstandig Marjane Satrapi is geweest haar strip niet op te tuigen met kleur. De aanblik van een horde nonnen uit Persepolis 3 verschilt zo nauwelijks van het uitzicht dat een legioen moslima's biedt in de eerdere twee delen.

Satrapi maakt in Persepolis 3 niet alleen kennis met de dubbelhartige katholieke moraal in het Oostenrijk van Kurt Waldheim, ze wordt ook ondergedompeld in de westerse socio-culturele realiteit. Ze mag dan wel afkomstig zijn uit een verwesterd gezin in Teheran, opgroeien in zo'n kleine enclave is toch nog wat anders dan je handhaven op een volkomen westers continent.

Satrapi zet haar strips altijd heel instructief op -- uitleggerig, om het wat minder beleefd te zeggen -- maar dit derde deel kon me eigenlijk niet veel bijbrengen.

Marji stoort zich aan de materialistische besognes van haar kamergenote, kijkt op van de uitpuilende supermarkt om de hoek, ziet verbouwereerd de voorhuwelijkse betrekkingen aan die jongeren hier met elkaar aanknopen, en merkt in Europa niets van het heilige respect voor de ouders dat in Iran de norm is.

Het zijn de reflexen en symptomen die je verwacht, kortom, al ziet het er getekend allemaal fris van de lever uit.

Interessanter is hoe Marjane via haar rebelse studiegenoten (een punk, twee wezen en een derde wereld-sympathisante) het linkse gedachtengoed verteert: Bakoenin, Sartre, De Beauvoir, Lacan.

Comfortabel opgaan in de massa en toch je eigenheid bewaren, dat is het overduidelijke thema van dit album. "Integreren" kan enkel wanneer je "integer" door het leven gaat, houdt Satrapi zichzelf voor.

En dat lukt niet zo best. De jonge vrouw raakt op de dool. De drieslag lust, liefde en leed, in die volgorde, zit daar voor iets tussen. Het ondermijnt haar gestel. O, ironie: Het Franse koosnaampje voor vagina, minou, betekent 'paradijs' in het Perzisch.

Hoewel Satrapi ook nu weer met een paar goeie vondsten voor de dag komt, voelde ik dat de magie van Persepolis aan het afnemen was. Na een tijdje ging ik daarom multifocaal lezen -- nauwgezet letten op details, en tegelijk vanop een afstand, afstandelijk, de verhaaltechniek bestuderen.

Ik denk vooral dat de tekenares haar leven iets te waarheidsgetrouw vertelt. Zonder in te dikken, uit te spinnen, van tempo te wisselen, bedoel ik. Alles komt langs op dezelfde monotone manier. Er vinden nogal wat onbeduidende voorvalletjes plaats. Een echte plot is er niet, en dat gaat zich op de duur wreken, wanneer de zoveelste ontmoeting met een nieuw personage weer eens een los eindje blijkt te zijn.

Wie tekent verbindt zich ertoe de voordelen van beeldtaal te gebruiken of misbruiken. In strips kan je ongestraft en snel wisselen van tijd, of van ruimte. Je mag schaamteloos schematiseren. Met een paar halen complexe settings suggereren. Of profiteren van het effect figuurlijke zaken of abstracte emoties een meer letterlijke visuele inhoud te geven. Dat doet Satrapi niet genoeg.

Persepolis is te veel een weekendfilm in potlood, en te weinig beeldverhaal.

De fijnste pagina's zijn diegene waarop Satrapi de mogelijkheden van het medium ten volle uitbuit. Wanneer ze haar groeistuipen verbeeldt, bijvoorbeeld.

Er staan ook enkele schitterende paginagrote platen in dit album. Op een daarvan maakt Satrapi een encyclopedisch overzicht van hoe het er op een door drugs beneveld feestje aan toegaat.

En "Raak Ptouh!", wanneer iemand zijn keel schraapt en fluimt, mag voor mijn part kandideren voor onomatopee van het jaar.

> Persepolis 1 op Achille
> Persepolis 2 op Achille
> Persepolis 4 op Achille
> meer tekenaars op Achille

Marjane Satrapi, Persepolis (3)
96 p.
Uitgeverij Atlas, 2003
Oorspr. Persepolis 3 (2003)

Vertaald door Toon Dohmen

____ tekeningenkey persiakey

donderdag 29 november 2007

The Rands Management Glossary

is a handy set of terms designed to further obscure what managers actually do.

> http://www.randsinrepose.com/glossary_alpha.html#spreadsheet
____

Et in Wikipedia ego [3]

> http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_generations
> http://en.wikipedia.org/wiki/Surreal_humour
> http://en.wikipedia.org/wiki/Found_footage
> http://en.wikipedia.org/wiki/Salon_(gathering)
> http://en.wikipedia.org/wiki/Leopold_and_Loeb

> meer
____

Uit de mond van een tandatleet



"Alleen een gigantische fataliteit heeft me kunnen kloppen. Maar een mens, nee."

John Massis

> http://www.massis.be/

_____

woensdag 28 november 2007

Tante Patent en de grote Sof - Annie M.G. Schmidt

O, schande. Dat noemt zich lezer, maar dat heeft nog nooit een boek van Annie M.G. Schmidt ingekeken.

Ja, waarom niet eigenlijk? Omdat ik als kind genoeg had aan Pipi Langkous, Pinkeltje en Lekturama’s Luistersprookjes. Annie M.G. Schmidt leek me wel een lieve oma, maar daar had ik er al twee van. In het echt. En hun leefwerelden interesseerden me al niet, laat staan...

Welaan dan, twintig jaar later: Tante Patent en de grote Sof, dat oorspronkelijk als stripverhaal verscheen in verschillende Hollandse provinciale dagbladen vanaf 1962. In 1988 verscheen het voor het eerst afzonderlijk met nieuwe illustraties in kleur van Fiep Westendorp.

De tekeningen zijn in deze uitgave zwart/wit gelaten en daar is niks mis mee. Westendorp en Schmidt lijken elkaar blindelings te vinden. Guitig, baldadig, met dikke contourlijnen.

Je kan wel zien dat dit een vervolgverhaal is geweest. De vinger leggen op de cliffhangers (voor het woord in het Nederlands in voege kwam) is niet zo moeilijk. Je ziet ook dat Annie op een mindere dag het verhaal een beetje heeft uitgesmeerd.

Een kniesoor die daar op let. Want ze schrijft het prachtigste Nederlands. Ongedwongen, eenvoudig, en toch inventief en kleurrijk. Elke zin is helder en welluidend, als een tik op een kristallen glas.

"Toen ze de stekker in het stopcontact stak, sprong de Batavier een meter in de lucht van schrik, want hij had nog nimmer een stofzuiger in werking gezien en het gezoem en gebrom bracht hem even buiten bezinning van angst."

Zo gebruikt Schmidt nauwelijks leenwoorden of woorden met een Engelse of Franse oorsprong. Niet dat daar iets verkeerds mee zou zijn, maar het is verfrissend je eigen taal eens te horen alsof ze helemaal af is en alles lijkt te kunnen uitdrukken waar mensen mee zitten.

"De grote Batavier gromde en steunde. Hij kon geen enkele dame meer verknoezen. Hij was beu van dames. En in plaats van mevrouw Vierus hoffelijk tegemoet te treden rukte hij de voordeur open en kwam met ontblote handen op haar af, zijn knots in de lucht."

Gek, tegelijk, om als Vlaming voortdurend woorden te lezen die je perfect begrijpt maar nooit zelf in de mond zou nemen. Al lezende doe je dat dan toch, die woorden articuleren, zij het mentaal, voor het inwendig oor.

Hoofdschakelaar, de hoorn op de haak leggen, snijbonen, overheidsbemoeiing, afkerig zijn van, zonderling, iemand instoppen.

De vertelling zelf steekt de draak met de uitwassen van het kleinburgerdom, maar is vooral heel erg leuk.

"Want hun mannen waren geen slaafse kantoorsuffers meer. Geen uitgedroogde bureaucraten en trage brievendicteerders, neen, het waren mannen. Kerels die met vissen, jagen en slaan hun dagen doorbrachten."

Bijzonder mooie uitgave ook, deze.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Annie M.G. Schmidt, Tante Patent en de grote Sof
104 p.
Uitgeverij Querido, 2002
Oorspr. (1962-)
Met illustraties van Fiep Westendorp

____

dinsdag 27 november 2007

Tijdverspilling - Paul Feyerabend

In Schrikbewind der verzinsels wijdt Jaap van Heerden een degelijke, prikkelende recensie aan de autobiografie van een vakgenoot, wetenschapsfilosoof Paul Feyerabend.

Vooral de onthechting van Feyerabend ten aanzien van zijn persoonlijke leven -- hij houdt er geen dagboek op na, bewaart geen brieven ("ook niet van Nobelprijswinnaars") en gooit zonder scrupules het familieplakboek de deur uit om plaats te maken voor nieuwe boeken van actueel belang -- trof me midscheeps. Het staat zo ver af van mijn eigen conservatorsgeest als het gaat om privé-prulletjes.

Paul Feyerabend (1924-1994) was een invloedrijk figuur in de wetenschapsfilosofie, alsook in de sociologie van wetenschappelijke kennis. Hij is beroemd geworden vanwege zijn anarchistische visie op wetenschap en zijn ontkenning van het bestaan van universele methodologische regels. Tijdens zijn leven ontkrachtte Feyerabend de mythe van de wetenschappelijke activiteit als rationele bezigheid en trok hij van leer tegen haar technocratische en autoritaire kantjes.

Richtingloos trial and error en plat opportunisme, zei Feyerabend, zijn evenzeer verantwoordelijk voor wetenschappelijke vooruitgang als systematisch onderzoek; een stelling die wordt samengevat tot de beruchte, goedbekkende maar vaak misverstane slogan "anything goes". Feyerabend zag bokkensprongen in de geschiedenis van de wetenschap, waar andere historici een geleidelijke ontwikkeling zien.

In dienst van Grote Broer
Feyerabend groeit op in het Oostenrijk van de jaren twintig. De straten van Wenen lijken in die tijd nog het meest op "een gigantische pretpark, volgepakt met orgeldraaiers, dierentemmers, goochelaars, dansers en zangers".

Het was tevens de bloeitijd van de Wiener Kreis en het logisch positivisme, met figuren als Rudolf Carnap en -- hoewel deze niet tot de groep wensten te behoren -- Ludwig Wittgenstein en Karl Popper. Feyerabend zal later beiden ontmoeten, en verwoed het (op het eerste gezicht solide) falsificatieprincipe van Popper bekampen.

Feyerabend wordt naar het Realgymnasium gestuurd en ontwikkelt al vlug een ruime belangstelling voor filosofische, natuurkundige en mathematische problemen. Hij vreet boeken; zijn nogal beschermde, binnenskamerse opvoeding leent zich daar uitstekend toe.

Met zijn ouders botert het overigens niet zo best. Vertaler Rein Gerritsen gaat in het voorwoord dieper in op de verkilde relatie tussen Paul en zijn vader. Feyerabends neerslachtige moeder onderneemt twee zelfmoordpogingen; de laatste is succesvol. Soms verschijnt ze nog in zijn slaap.

"Een ontmoeting met mijn moeder in mijn dromen is nooit een sinecure."

De jaren dertig in Oostenrijk zijn geen onschuldige tijd. Na de Anschluss van 1938 wordt de invloed van Hitler immers groter en groter.

"Voor velen betekende het de bevrijding van het juk van het katholieke totalitarisme dat Oostenrijk jarenlang in zijn ban had gehouden. Weer anderen verwelkomden de eenwording met de Grote Broer en genoten van de machtsgroei die deze met zich meebracht."

Hetzelfde mechanisme als bij Günter Grass in De rokken van de ui zien we ook bij Feyerabend: hij overweegt toe te treden tot de SS, omwille van diverse motieven, behalve nazistische.

"Omdat een SS’er er beter uitzag, een beter taalgebruik hanteerde en een betere houding had dan gewone stervelingen. Mijn beweegredenen waren esthetisch van aard en niet ideologisch."

Jaren later zal Feyerabend zeggen dat het hem toentertijd aan context ontbrak om de gebeurtenissen een betekenis mee te geven. Hij mistte een doel om ze aan de hand daarvan te kunnen beoordelen.

Feyerabend wordt evenwel nooit lid van de nazi-partij en is nooit betrokken geweest bij criminele activiteiten.

"Ik kan mezelf hiervoor niet op de borst kloppen, de gelegenheid deed zich eenvoudigweg nooit voor."

Jaap van Heerden tekent daarover aan in zijn essay:

"‘De kleinburgerlijke opvoeding die hij genoot, heeft hem vooral geleerd dat morele standpunten slechts de uitkomst zijn van de stemmingen van het moment.’"

Kreupel en impotent
Hoe dan ook, de jonge gymnast moet sowieso in Duitse legerdienst en krijgt zijn militaire training in Krems. Hij vertrekt daarop voor missies naar Frankrijk en naar het Oostfront.

De oorlog ervaart Feyerabend, die in die dagen ook droomt om het te maken als heldentenor (hij is een uitstekend zanger), als een soort theaterspektakel. Marcheren door het landschap lijkt een beetje op vakantie in een natuurreservaat, waarbij fluitend ieder huis dat op de weg van het bataljon ligt opgeblazen wordt. De ontberingen (honger en koude) vormen hem.

"Je moet leren afstand te doen van zelfs de kleinste geneugten en de oorlog is in dit opzicht onze grote leermeester."

Maar dan gaat het mis: drie kogels, één in zijn rechterhand, één in zijn gezicht en één in zijn rug maken hem voor de rest van zijn leven kreupel. Exit operadromen.

Niet dat de krukken hem in de rest van zijn leven zullen ontmoedigen.

"Vandaag de dag vraag ik me verwonderd af hoe mensen erin slagen rechtop te blijven staan of te lopen zonder zo’n extra steuntje. Vandaag de dag is het hun toestand, niet de mijne, die nadere verklaring behoeft."

Ten gevolge van het oorlogsincident wordt Feyerabend ook impotent. Dat gebrek maakt hem naar eigen zeggen een gewaardeerde, tedere minnaar voor de vrouwen, eentje die niet uit is op het snelle orgasme.

Na de oorlog kan Feyerabend zijn intellectuele activiteiten weer oppakken. Tijdens zijn studies aan het conservatorium in Weimar (waar hij ook veel repetities van toneelstukken bijwoont en de Galgenliederen van Morgenstern leert zingen) wordt hij ontmaagd op een voor hem kenmerkende wijze.

"Ik bleef maar staren in een cultureel tijdschrift en babbelde onvermoeibaar voort over de drie kritieken van Kant. Intussen kleedde Rosemarie zich uit, rees op en stond in haar volle glorie voor me."

Onafhankelijkheid
Daarna begint de intellectuele biografie van Feyerabend pas echt. De recalcitrante denker zal de hele wereld rondreizen: Londen, Bristol, Brighton, Berkeley, Auckland, Yale, Sussex, Berlijn, Kassel, Zürich. Overal laat hij een spoor achter van seminars, lezingen en symposia. De Oostenrijkse cultuur beïnvloedt hem nauwelijks: veertig jaar van zijn leven zal hij in Engelssprekende landen colleges geven.

Zijn relaas over de jaren in Engeland, en vooral die in Londen, vormen een mooi tegengewicht voor wat Elias Canetti (die even verderop in Hampstead verbleef) in Party tijdens de blitz memoreert.

Feyerabend bekleedt meestal een leerstoel in wetenschapsgeschiedenis en wetenschapsfilosofie en geeft niet meer dan een paar uur per week les. In zijn begindagen oefent hij nog wel eens thuis, mimend voor de spiegel, later maakt hij hoogstens een paar aantekeningen, voor de rest vertrouwend op zijn gevoel voor retorica.

Ten allen tijde probeert hij zijn onafhankelijkheid te bewaren in de tredmolen van grote instituten. Hij leent zijn assistenten en secretaresses liever uit aan andere professoren, dan dat ze hem hinderen op zijn pad. Grote moeite heeft Feyerabend met academische, pseudo-intellectuele gedweeheid.

"De mensen die ik in Yale ontmoette, bleken echter over geen enkel oorspronkelijk idee te beschikken. Op een enkele uitzondering na stemde iedereen in met mijn kritische opmerkingen, maar in plaats van deze kritiek ter harte te nemen en er wat mee te doen, gingen ze bij de pakken neerzitten en huilden krokodillentranen."

Wát hij tijdens zijn lessen precies vertelt, daar heeft de lezer van zijn autobiografie het raden naar. Wat betekent immers "feiten onschadelijk weten maken door ze te bestoken met zorgvuldig gekozen ad hoc hypothesen"?

Een enkele keer neemt hij een dialoog van Plato zin voor zin door, "waarbij hij regelmatig uitstapjes maakt naar antieke en moderne problemen". Ook dat is weer vaag.

Het ontbreken van een duidelijk verslag van Feyerabends intellectuele ontwikkeling is een minpunt van Tijdverspilling. Men kan zien hoezeer leven en werk van deze denker verstrengeld zijn, maar de details ontbreken. Of ze zijn te technisch. Ik moet passen als ik dingen lees als:

"Zo belegden we vijf bijeenkomsten om het te hebben over de niet-einsteiniaanse interpretaties van de Lorenz-transformaties."

en

"Frank beargumenteerde dat de aristotelische bezwaren tegen Copernicus in overeenstemming waren met het empirisme, terwijl dat niet opging voor Galilei’s traagheidswet."

In strijd met de methode
Af en toe gloort een brokstuk van een van Feyerabends eigen theorieën aan de horizon, maar de geïnteresseerde leek zal niettemin de hoofdwerken moeten lezen om het totaalplaatje te begrijpen.

Het beroemde Against method uit 1975 bijvoorbeeld. Daarin ontwikkelt Feyerabend een theorie van wetenschappelijke methodologie die in gaat tegen alle pogingen van eerdere wetenschapsfilosofen als Karl Popper, Imre Lakatos en de logisch-positivisten om een universele wetenschappelijke methode te karakteriseren.

De wetenschap is een collage, geen systeem, zegt Feyerabend. En het is ook geen objectieve grootheid, en moet onder de controle komen van het publiek.

De lezer voelt aan zijn water dat deze kretologie het boek niet veel recht doet. Tot de verbeelding spreken en aanzetten tot lezen doet ze wel.

Against method is trouwens het enige boek waar Feyerabend een hoofdstuk voor uittrekt. Hij houdt eraan daarin zijn meesterproef sterk te relativeren, onder meer door de ontstaanswijze ervan uit de doeken te doen. Het boek is niet meer dan een collage en bevat beschrijvingen, analyses, argumenten die Feyerabend eerder al gepubliceerd had.

Even later gaat het alweer over de andere passies van Feyerabend (die in zijn jonge jaren het genoegen mocht smaken Bertolt Brecht te ontmoeten): opera en toneel.

"Arturo Ui was mij nog nooit bevallen, de humor is grof, terwijl de handelingen absurd zijn zonder aansluiting te vinden bij de absurde tijd waarin we leven. Maar Ekkehard Schalls acteren oversteeg deze tekortkomingen. Coriolanus, aan de andere kant, was een openbaring. Het gevecht tussen Coriolanus en Aufidius nam de vorm aan van het gekibbel tussen twee overspannen pubers, een belachelijk gezicht – afgezien van de levens die dit gevecht kostte. De gevechtsscènes zetten het hele podium op zijn kop, alsof de aarde ten onder ging, en te midden van dit alles stond Calpurnia, ijskoud, berekenend, prachtig gestalte gegeven door Helene Weigel."

Theater en liedkunst zijn zowat de enige zaken waarover de terugblikkende Feyerabend lyrisch schrijft.

Dat, en zijn laatste vrouw, die hem "voor het eerst in zijn leven" deed begrijpen wat waarlijk liefhebben is. Over zijn huwelijk gaat het laatste, ontwapenende hoofdstuk.

Feyerabend zal in 1994 sterven aan de gevolgen van een hersentumor.

Daarmee eindigt Tijdverspilling, die rare, hortende en stotende autobiografie. Het boek gedraagt zich een beetje als een accordeon. Voor sommige topics worden hele hoofdstukken wijdopen gerokken (de oorlog bijvoorbeeld), terwijl zoiets als de relatie met zijn eerste vrouw het moet stellen met ocharme een halve bladzijde.

Een matig boek, een matig leesbaar boek ook, dat desalniettemin uitnodigt tot een nadere kennismaking met de ideeën van zijn auteur.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder
> http://en.wikipedia.org/wiki/Paul_Feyerabend

Paul Feyerabend, Tijdverspillling : de autobiografie van Paul Feyerabend
239 p.
Uitgeverij Lemniscaat, 2007
Oorspr. Killing time : the autobiography of Paul Feyerabend (1995)
Vertaald door Rein Gerritsen

____

maandag 26 november 2007

Also sprach Arnon Grunberg

"Elke roman, elk verhaal is te beschouwen als een pleidooi van de schrijver voor een of meerdere van zijn personages. Een aanklacht, een verdedigingsrede of allebei tegelijk. Hij nodigt de lezer uit een moreel oordeel te vellen over de gedragingen van zijn personages, of beter nog, hij nodigt ze uit, hij verleidt ze hun oordeel te herzien. U dacht dat zoiets slechts is, maar ziet u, onder deze omstandigheden is het helemaal niet slecht, maar begrijpelijk, misschien wel goed. U dacht een paard te zien, maar het was een onschuldige waterrat.
De schrijver doet dit niet door de feiten te veranderen, maar door de feiten anders te ordenen. Zoals een therapeut tegen zijn cliënt zegt: "Ik kan de feiten van uw leven niet veranderen, maar ik kan wel aantonen dat u uit die feiten hele andere conclusies kunt trekken dan u nu doet."

Arnon Grunberg aan Gerrit Krol, geciteerd in Vrij Nederland


"Een dialoog leert je de mensen kennen door hun halve waarheden, hun gedraai en hun leugens. Wie mensen wil leren kennen heeft vaak meer aan hun leugens dan aan zogenaamde oprechte bekentenissen. Hoe liegen ze, waarom liegen ze, met welke inzet liegen ze, wat proberen ze te verduisteren?"

Grunberg over Bernard-Marie Koltès, geciteerd in Vrij Nederland

____

De gigolo - Paul Koeck

Lang niet gek, deze korte roman van Paul Koeck. Het boek maakt een onophoudelijke slingerbeweging tussen penetratie en penitentie: via de persoon van Theodorus Delcampo beschrijft Koeck zorgvuldig de grimassen van de overspelige liefde.

Er zijn namelijk verwikkelingen opgetreden bij het liederlijke leven van zijn held. Omdat zich daar een kwaadaardige vorm van huidkanker heeft genesteld, moet een deel van Delcampo's snikkel weggehaald worden. De gigolo wordt zo het kolderieke relaas van de hele operatie, doorsneden met herinneringen aan eerdere avontuurtjes.

Voor het morele contragewicht zorgt de relatie met zijn wettige echtgenote, Theresa. En zie: de achterflap spreekt van een onverwerkte moederbinding bij Delcampo. Moeder Theresa, heeft u 'm?

Maar zonder gekheid: Koeck kan schrijven. Het lukt hem Delcampo overtuigend neer te zetten als een man van de wereld. Dure drank, mooie vrouwen, lekker eten, exclusieve vakantiebestemmingen.

Koeck betoont zich een goede leerling van Claus. De lezer wordt ondergedompeld in een volks en toch weer sensueel en erudiet schuimbad, en krijgt smoezelige dialogen voorgeschoteld die diep wortelen in de realiteit. En dat vind ik al heel wat.

Daarom bekroop me ook een zekere tristesse toen ik De gigolo uithad. Want, hoeveel mensen lezen dit boek nog? Zo'n weinig fraai vormgegeven werkje van een Vlaamse auteur uit de jaren tachtig, met een doffe monochrome voorplaat? Een werkje dat bij mijn weten in illo tempore ook al geen potten brak?

Het enige wat Koeck niet had moeten doen is in de finale van zijn verhaal reppen over Portnoy's klacht. Dat dwong me door te denken over bovenstaande vraag en tot de conclusie te komen dat de plot van De gigolo wellicht toch te mager is, dat Koeck veel overbodige ruis in zijn roman toelaat, en dat Philip Roth over de gehele linie een veel completere auteur is. Veel scherper vooral.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Paul Koeck, De gigolo
150 p.
Uitgeverij Manteau, 1985
____

zondag 25 november 2007

Een wolkenkrabber in Moskou - Anne Nivat

"In maart 1918 besluit Vladimir Lenin, leider van de nieuwe socialistische staat, zijn regering van Sint-Petersburg naar Moskou te verplaatsen, ver van de grenzen en oorlogsdreigingen. Vanaf dat moment wordt de oude stad weer hoofdstad, waarvoor grote stedenbouwkundige vernieuwingen in het verschiet liggen. In 1935 wordt er een Generaal Plan voor een nieuwe opbouw van Moskou uitgedacht door Jozef Stalin, Lenins opvolger. Dit plan is zowel functioneel (nieuwe, bredere straten, die bovendien een 'ontgifting' van de stad mogelijk zouden maken bij een chemische aanval) als ceremonieel (voor de parades), terwijl het tegelijkertijd de structuur van het oude stadspatroon intact laat: ringen die straalsgewijs worden gekruist door verkeersaders."

Een van de grote projecten waarmee Stalin de voormalige keizerlijke stad een socialistisch aanzien wil geven is het zogeheten Paleis van de Sovjets, dat een gigantisch monument moet worden, ruim honderd meter hoger dan de Eiffeltoren en zelfs drieëndertig meter hoger dan het Empire State Building. De Tweede Wereldoorlog gooit echter roet in het eten, en de plannen worden opgeborgen.

In 1947 krijgt de idee voor de bouw van zeven wolkenkrabbers, die in zekere zin een antwoord op het paleis moesten zijn, wél concreet vorm. Het meest impressionante van deze stalinistische wolkenkrabbers verrijst vlak bij de plaats, ten oosten van het Kremlin, waar de smalle Jaoeza in de Moskva uitmondt: een oude voorstad waar zich in de Middeleeuwen ketellappers, pottenbakkers en smeden vestigden.

Vijftig jaar later bezoekt de Franse journaliste Anne Nivat deze granietrode mastodont aan de Ketellapperskade, om er op Georges Perec-achtige wijze een portret te schetsen van 22 inwoners in evenzoveel appartementen.

Elk hoofdstuk leest derhalve als een interview waaruit de vragen zijn weggehaald, en dat is niet zo prettig.

Elite
Nivat probeert haar boek te concipiëren als een dwarsdoorsnede van de hedendaagse Russische samenleving, maar dat lukt niet zo best. De appartementen werden ten tijde van Stalin immers vooral bewoond door de artistieke en politieke toplaag, en na zoveel decennia laat dit zich nog altijd gevoelen. In het middendeel van Een wolkenkrabber in Moskou ruimt Nivat daarom veel plaats in voor een beschrijving van enkele bewoners die de zogeheten "museumappartementen" betrekken.

Zo is er de componist Nikita Bogoslovski, die door zijn buren gehaat wordt omdat hij na de Tweede Wereldoorlog zijn medewerking aan de KGB zou hebben verleend, en de adoptiefdochter van schrijver Konstantin Paustovskij, die over haar beroemde pleegvader vertelt.

Het is niet dat de levensverhalen van deze voordrachtskunstenaars, actrices, art directors en dichters niet boeien, verre van, maar door hun artistieke, kosmopolitische en zeer zelfbewuste kijk op de dingen zijn ze weinig representatief voor de gewone Moskoviet.

Het eerste deel droeg meer mijn interesse weg, waarin Nivat met arbeiders en kleine middenstanders praat.

Velen onder hen zijn communist gebleven. Ze klagen erover dat het leven in Rusland zo kostelijk is geworden sinds de val van het regime in 1991 en drukken hun afschuw uit voor Michail Gorbatsjov en zijn gehate perestrojka. Dat is een noodzakelijke wetenschap voor de gemiddelde westerling, die Gorbatsjov als een held omarmt.

De lastenverzwaring drukt op de Moskovieten. Een pensioen zoals wij dat gewoon zijn, een periode om het rustiger aan te doen, kennen de bejaarde Russen niet. Zij werken vaak door om hun zoon of dochter mee te helpen onderhouden. Enkelen klagen over het wegkwijnen van hun bevoorrechte status, als inwoners van de stalinistische toren.

Het is niet toevallig dat er heel wat inwijkelingen wonen in de wolkenkrabber. Mensen uit Siberië, of Estland. Moskou is een megalopolis van acht miljoen inwoners, waar 70 procent van de inkomstenbronnen van het land is geconcentreerd. De regio’s worden aan hun lot overgelaten.

De renovatie van het gebouw blijkt een groot probleem. De bedrijven die het onroerend goed moeten onderhouden zijn nog steeds niet geprivatiseerd en worden steeds minder efficiënt, omdat ze steeds minder geld van de overheid krijgen.

Bepaalde dingen herinneren nog onwillekeurig aan het Sovjet-tijdperk. De centrale verwarming kan bijvoorbeeld niet individueel worden afgesteld. In sommige appartementen is het bloedheet.

Privatisering en schijnprivatisering zijn andere heikele kwesties. Wat wordt verkocht is meestal slechts een ‘recht van verhuur’.

"‘Wij zijn slechts eigenaar van de lucht tussen de muren.’"

Ook de rijke zakenlui en investeerders in het laatste derde van het boek klagen over de zeer ingewikkelde administratie. Eigenaars, makelaars en de vaklui van de technische dienst worden bij voorkeur met steekpenningen tot actie aangespoord. De Russische bouwmarkt is een jungle.

Moskou komt op die manier naar voren als een ultraliberale stad, waar uitersten van twee systemen, het oude (communistische) en het nieuwe (postkapitalistische), nog vaak naast elkaar voorkomen.

"‘Russen hebben nog niet goed door wat privé-bezit is.’"

klaagt een ondernemer.

Een paar etages onder hem betreurt een minder welstellende bewoner dan weer het verdampen van de sociale cohesie tussen de mensen in het appartement. Vroeger werden vaak "sociale activiteiten" georganiseerd, waarbij hele gangen bij elkaar feestjes bouwden.

Een wolkenkrabber in Moskou klinkt een beetje als een oude lampenradio waarvan je met de draaiknop in ijltempo alle frequenties afgaat. Voor een goeie synthese van het hedendaagse Rusland hoef je het niet te lezen.

Voor dat doel heb ik mijn hoop gesteld op de verzameling columns van correspondent Peter d’Hamecourt die onlangs is verschenen.

Het mooiste verhaal uit dit boek is dat van Bioscoop Illusie, de cinemazaal op de begane grond waar gewone Russen en Russinnen jarenlang voor een habbekrats de mooiste klassieke films uit de hele wereld konden zien. In een hok zat dan een team van simultaanvertalers de geprojecteerde beelden in realtime te dubben.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Anne Nivat, Een wolkenkrabber in Moskou : Russen van nu
220 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2004
Oorspr. La maison haute : des Russes d'aujourd'hui (2002)
Vertaald door Irene Groothedde

____

vrijdag 23 november 2007

Psychoanalyse, een onmogelijk vak - Janet Malcolm

In zijn voorwoord bij dit boek schetst Abram de Swaan wat er zo wringt aan de hedendaagse psychoanalytische praktijk en hoe dat haar streven een wetenschappelijke discipline te worden in de weg staat.

De geldigheid van die psychoanalytische methode, zegt hij, is slechts te toetsen aan de uitkomsten die daarmee in praktisch werk worden behaald. En die resultaten blijven vrijwel geheel ontoegankelijk. De psychoanalytische praktijk is een eenmansgebeuren en een werk van grote discretie.

Kennisoverdracht over de materie gebeurt enkel binnen de kring van analytici zelf: via vaktijdschriften, waarin gevalsbeschrijvingen vrij schaars zijn, tijdens voordrachten en congressen, en in de supervisiegesprekken (in deze gesprekken onder vier ogen doet een beginnende analyticus verslag van zijn geval aan een ervaren collega).

De Amerikaanse journaliste Janet Malcolm slaagde er in het begin van de jaren tachtig dan toch in door het pantser van de psychoanalytische incrowd te breken en kreeg een zesenveertigjarige psychiater aan de praat.

Psychoanalyse - een onmogelijk vak biedt zo een zeldzaam inkijkje in de alledaagse psychoanalytische praktijk van een kwart eeuw geleden. Hoe gedateerd dit boek daarmee geworden is, kan ik niet inschatten.

De man wiens biecht wordt afgenomen, krijgt de fictieve naam Aaron Green opgeplakt. Green is een zesenveertigjarige psychoanalyticus met een praktijk in Manhattan, en afgestuurd aan het N.P.I., het New York Psychoanalytic Institute, dat zichzelf een van de meest vermaarde instituten terzake vindt. Een paar dingen die me zijn bijgebleven:

Achter de schermen van de psychoanalyse
1. Klieken die de belangrijke posities uitdelen en bekleden blijken in dit wereldje, net zoals in de advocatuur, de zakenwereld en in de wetenschap, overvloedig aanwezig. Green vertelt openhartig over de gezagsverhoudingen in het N.P.I. en de uitstotings- en vernederingsrituelen die nieuwkomers moeten gedogen.

2. Het N.P.I. hecht (net als de meeste instituten) bijzonder veel waarde aan zijn leeranalyse. Dat is een eerste gebruik dat bizar mag genoemd worden, en zo eigen is aan de zieleknijperij: analytici leren de praktijk van de analyse door zelf geanalyseerd te worden.

Als nummer twee in de opleiding volgt dan de behandeling van patiënten onder toezicht van een supervisor -– de ene relatie tussen twee mensen over de andere relatie tusen twee mensen. En dan duurt het tamelijk lang voordat de boekenkennis komt.

3. Psychoanalyse staat of valt bij de relatie tussen de therapeut en patiënt. Lees: de gevoelsmatige aanhankelijkheid van de patiënt aan de dokter. Patiënten lijden aan zogeheten "herhalingsdwang": de neiging om onbewust gevoelens en eigenschappen die tijdens de vroegste jeugd geassocieerd waren met belangrijke personen uit de omgeving over te brengen op personen in het heden, in casu de behandelende therapeut.

Freud noemde dit "overdracht". Het was Freuds origineelste en radicaalste ontdekking, volgens Green. Meer bedreigend dan seksualiteit bij kinderen en het Oedipuscomplex, omdat die these eigenlijk zegt dat mensen elkaar nooit echt kunnen leren kennen, maar enkel vertekend door een bepaald behoeftenpatroon.

4. De therapeut moet niet proberen de patiënt op te voeden, of te verbeteren. Hij moet diens gedrag weerspiegelen zodat deze tot zelfinzicht kan komen. Een vaak populaire misvatting over psychoanalyse is

"dat de patiënt lijdt aan een soort onwetendheid, en dat als men deze onwetendheid wegneemt door hem informatie te geven, hij wel genezen moet. Dat zou evenveel invloed hebben als het uitdelen van menukaarten tijdens een hongersnood op de honger."

5. Green vertelt dat heel wat therapeuten moeite hebben met de doelloze Zen-achtige staat van wensloosheid die zij moeten trachten te bewaren. Het is lastig deze niet te laten verstoren door therapeutische ambitie, door de wens een bepaald syndroom te ontdekken.

6. Over het juiste analytische gedrag bestaat overigens onenigheid in het therapeutenmilieu, maar meestal komt het hier op neer: een grote luisterbereidheid aan de dag leggen, spaarzaam vermoedens uiten, niet oordelen, geen vragen beantwoorden, kortom, er neutraal, mild en kleurloos bijzitten.

Daar steekt een grote paradox in: een therapeut speculeert op de gretigheid waarmee de patiënt het emotionele vacuüm vult dat geschapen is door de terughoudendheid van de analyticus. Green analyseert illusieloos zijn eigen beroepsmotieven:

"Mijn eigen redenen -- zelfzucht, met mezelf bezig zijn en onvermogen om me in een ander te verdiepen -- zijn waarschijnlijk juist de redenen waarom ik mij tot het psychoanalytisch werk aangetrokken voel: juist vanwege de afstand die het zou scheppen tussen mij en de mensen die ik behandelde. Het is een vorm van heel gerieflijke onthouding. Je raakt niet betrokken bij de ander, neemt geen verantwoordelijkheid op je voor het gedrag van de ander, maar alleen voor dat van jezelf. Psychoanalytici praten heel open over het beschermende gerief van de analytische stilte, passiviteit en neutraliteit. Het sluit goed aan bij bepaalde diepe drijfveren. Bovendien zijn psychoanalytici voyeurs: zij staan voor het raam te kijken wat zich in de slaapkamer afspeelt, raken zeer opgewonden, maar doen niet aan de strijd mee."

In dat verband zij opgemerkt dat de grote Freud zelf zijn praktijk op een weinig voorbeeldige manier inrichtte. Hij probeerde immers wél vurig geheimen aan zijn patiënten te ontrukken en zag geen graten in schreeuwen, loven, discussiëren en roddelen tijdens een sessie. Om dingen te provoceren.

Tussen haakjes: de typische divan-opstelling (patiënt ligt op zijn rug en maakt geen oogcontact met zijn arts) moet sterk gerelativeerd worden. Naar verluidt voerde Freud die methode vooral in, omdat hij er zelf niet van hield de hele dag te worden aangestaard.

7. De regelmaat van de sessies is essentieel. Ook wie op het afgesproken tijdstip afwezig is, moet vergoeding betalen. Green spreekt -- niet zonder ironie -- over het "regulerende effect van de honorariumbetaling aan de arts".

8. Het Oedipus-complex staat nog altijd centraal in de psychoanalyse, en wordt belangrijker geacht dan de pre-oedipale of pre-genitale ervaring.

"Hoe rechtzinniger in de leer een analyticus is, des te zekerder is hij ervan dat het begraven kind, dat in elke volwassene analyserend wordt opgedolven, een vier- of vijfjarige is die het Oedipale drama herbeleeft en heropvoert. En hoe meer een analyticus tot de avant-garde behoort, des te zekerder is hij ervan dat het kind een verminkte baby is en een of ander gebrek, opgelopen in de eerste fase van zijn opvoeding, opnieuw beleeft."

Toch valt de diversiteit van de rivaliserende opvattingen op: Kohutianen, Mahlerianen en Brennerianen... om er maar enkele te noemen.

9. Green stelt het beeld bij van de psychoanalyticus als een autoritaire, dominante figuur die bij een kneedbare en kwetsbare patiënt de touwtjes in handen houdt. Hij vertelt over zijn eigen remmingen, het ellebogenwerk op het instituut, oedipale rivaliteiten, angsten en schuldgevoelens en bekent dat veel analytici troost, geruststelling en stimulansen nodig hebben van collega's.

"Schuld is de Gestalt van het beroep. Schuld over het niet begrijpen van de patiënt."

10. Malcolm stelt op een gegeven moment de terechte vraag naar de uitkomsten van een analyse: Hoe weet je dat het de analyse was die je veranderde, en niet simpelweg het ouder worden? Uit Greens antwoord blijkt hoe getermineerd therapeuten de mens zien. Een mens verzet zich altijd tegen verandering, vinden ze.

11. Er zijn grenzen aan de analyseerbaarheid. Psychoanalytici hebben niet de neiging de werkzaamheid van hun methode te overschatten. Op een bepaalde manier, dan toch.

"Analyse is niet intellectueel. Zij is niet moreel. Zij bezit geen opvoedkundige waarde. Zij is een operatie. Zij herschikt dingen in de geest zoals de chirurg dingen opnieuw schikt in het lichaam – zelfs zoals een automonteur dingen onder de motorkap opnieuw schikt. Zo onpersoonlijk en zo radicaal is zij. En de veranderingen die tot stand komen, zijn heel gering. We leiden ons leven volgens de herhalingsdwang, en de analyse kan niet meer doen dan ons ervan bevrijden."

Zelfs de meest ervaren en geslaagde analytici erkennen tenminste evenveel gevallen die mislopen, of voortijdig of onbeslist eindigen, als gevallen die op de juiste tijd eindigen. Psychoanalyse vangt sowieso bot bij narcisten, borderliners of psychoten.

Er zijn gradaties van analyseerbaarheid. Bij aanvang zoekt het instituut naar "geschikte gevallen" om de onervaren analyticus op te leiden.

12. Psychoanalyse is an sich eindig, want psychische ongedurigheid is tot op zekere hoogte natuurlijk gewoon een deel van de condition humaine.

"‘Ik herinner me een werkcollege te hebben bijgewoond dat geleid werd door een briljante en flamboyante Hongaarse analyticus, Robert Bak. Het probleem dat ter discussie stond, was de overdracht. Ik stak mijn hand op en vroeg retorisch: “Hoe zou u een verhouding tussen mensen noemen waar infantiele wensen en afweermechanismen tegen die wensen op zo’n manier tot uiting komen dat de mensen binnen die verhouding elkaar niet zien zoals ze werkelijk zijn, maar elkaar eerder zien in termen van hun infantiele behoeften en hun infantiele conflicten? Hoe zou u dat noemen?” Bak keek me ironisch aan en zie: “Dat noem ik nu leven.”’"

Slotsom
Vooral het gebrek aan minutieus bestudeerde casestudies verbaasde me in Greens verhaal. Alsof Freud slechts een algemeen kader schiep aan de hand van zijn ontdekkingen, en dat elke nieuwe generatie de oorspronkelijke ontdekkingen opnieuw moet doen, en leren van zijn eigen ervaringen.

De therapeutische ontmoeting wordt gezien als het laboratorium van de wetenschap der psychoanalyse, en tegelijk zijn er, door de ongeschreven wet van de discretie, onevenredig weinig rapporten beschikbaar van concrete, individuele analyses.

En dan nog is er de vraag of die veel zin zouden hebben. Elke buitenstaander die de bandjes van een zitting beluistert erkent daar weinig aan over te houden. En wat betreft een uitgeschreven versie: iedereen met gezond verstand weet dat er een verschil bestaat tussen het gesprokene en de transcriptie daarvan.

Toch is het openbaar maken van ruwe, verifieerbare gegevens voor de psychoanalyse de eerste stap om haar graad van wetenschappelijkheid te verhogen. Maar het uittikken van analyses is tijdrovend en haast niet betaalbaar.

Het ziet er dus naar uit dat we het met research als deze moeten doen. Net als het boek dat haar bekend maakte, In het Freud-archief, biedt Janet Malcolm hiermee een boeiend portret van de wereld van therapeuten en psychische heelmeesters. Een wereldje dat vooral zeer menselijk blijkt, achter een masker van beroepssérieux en altruïstische ernst, en alleen al daarom achterdocht verdient.

Het enige wat me nog te doen staat is een paar werken te lezen waarin sceptici de wetenschappelijke waarde van de psychoanalyse grondig in vraag stellen en toetsen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder
> http://en.wikipedia.org/wiki/Psychoanalysis
> http://skepdic.com/psychoan.html

Janet Malcolm, Psychoanalyse, een onmogelijk vak
190 p.
Uitgeverij Wereldbibliotheek, 1985
Oorspr. Psychoanalysis : the impossible profession (1980)
Vertaald door Emile Henssen

____

donderdag 22 november 2007

Humo, wo bestu bleven?


____

woensdag 21 november 2007

Persepolis [2] - Marjane Satrapi

Een bezette Amerikaanse ambassade, forse geldontwaarding, lege winkels, huiszoekingen, bomalarm: welkom in het Iran van net na de Revolutie.

De kleine Marji en haar ouders proberen zich te handhaven terwijl de scuds uit Bagdad vallen op de daken van Teheran. Iraakse Migs en Iraanse F-14's scheren langs elkaar door het luchtruim.

Een krantenrubriek die 'Martelaren van de dag' heet, drukt elke morgen pasfoto's af van gesneuvelde soldaten.

De Irak-Iranoorlog zal uiteindelijk aan een miljoen mensen het leven kosten. (Dit album spreekt zelfs van drie miljoen.) Saddam schuwt immers de chemische wapens niet.

Het tweede deel van Persepolis gaat niet zozeer over de oorlog zelf, maar over de impact ervan op het dagelijkse leven. De strip wordt dan ook voornamelijk bevolkt door vrouwen. Achtergebleven vrouwen, terwijl hun mannen aan het front vechten.

De oorlog lijkt de jeugdige dromen van Marjane Satrapi te beknotten. De universiteiten gaan dicht omdat die decadente zaken uit het westen onderrichten. Er mogen geen producten uit het westen geïmporteerd worden; ook niet de Iron Maiden-poster waar ze zo tuk op is.

En dan zijn er uiteraard de islamitische kledingswetten. De chodar stelt Marjanes ontluikende vrouwelijke vormen niet langer aan het daglicht bloot.

Maar op school zijn de meisjes vindingrijk in het zoeken naar uitvluchten om de hoofddoek niet te moeten dragen. Want overal ter wereld halen kinderen kattekwaad uit op school. Overal heb je rebelse types, volgzame leerlingen en strevers. In Persepolis kom je te weten hoe jonge moslima's hún leerkrachten tergen. Lees alleen al daarom dit beeldverhaal.

Satrapi kan overigens heel goed samengetroepte moslimmeisjes tekenen.

Maar ook mannen ontsnappen niet aan de verordeningen van de ayatollah tegen de zedenverwildering: zij moeten hun hemd uit de broek dragen en enkel hemden met lange mouwen. Een behaarde arm is een secundair geslachtskenmerk dat de lustgevoelens van vreemde vrouwen zou kunnen opwekken.

Minder terneerdrukkende oorden opzoeken kan niet: van 1980 tot 1983 wordt de Iraanse grens hermetisch afgesloten. Ambassades leveren ook geen visum meer af.

De hele Persepolis-cyclus lijkt een goede introductiecursus te gaan worden over bepaalde onderlinge verhoudingen in het Midden-Oosten. Verwar immers nooit de Arabische met de Perzische cultuur, hoewel de Islam over beiden een nivellerend laagje vernis lijkt te leggen. Irak en Iran zijn elkaars erfvijanden. Ergens in Persepolis 2 wordt gesproken over de Iraakse agressie als zijnde de "tweede Arabische invasie". (De eerste invasie vond in die logica dan plaats in de zevende eeuw, toen de Arabieren de Perzische dynastie van de Sassaniden onder de voet liepen.)

Hoewel nog steeds informatief en uiterst beminnelijk, is Persepolis 2 niet zo sterk als het deel dat eraan vooraf ging. Het tempo van wat wordt verteld ligt een stuk lager en Satrapi heeft meer plaatjes nodig om minder te tekenen.

Er komen me ook iets te veel talking heads in voor, binnenskamers, in de sofa, die nogal uitleggerige dingen tegen elkaar zeggen. Persepolis 1 bood een grotere variëteit aan beeldmateriaal.

Misschien was ik gisteren ook te kwistig met lof over het samengaan van woord en beeld. Nu de nieuwigheid eraf is, valt me op hoeveel expliciete duiding Satrapi toch nodig heeft.

Zo verwordt een stripverhaal tot een verzameling dia's, begeleid door een autobiografische voice-off. Er bestaan intelligentere, elegantere oplossingen.

Wat tot slot ietwat stoort: de massa mensen die -- te goeder trouw -- Khomeini in het zadel geholpen hebben blijven buiten beeld. Dat is een, euh, vertekening van de werkelijkheid.

In Persepolis weerklinkt enkel de stem van een meisje uit een rijke, verwesterde Iraanse familie.

(Wordt volgende week vervolgd.)

> Persepolis 1 op Achille
> Persepolis 3 op Achille
> Persepolis 4 op Achille
> meer tekenaars op Achille
> http://en.wikipedia.org/wiki/Iran-Iraq_War

Marjane Satrapi, Persepolis (2)
86 p.
Uitgeverij Atlas, 2003
Oorspr. Persepolis 2 (2001)
Vertaald door Toon Dohmen

____ tekeningenkey persiakey

dinsdag 20 november 2007

Persepolis [1] - Marjane Satrapi

Ik kijk al meer dan een jaar reikhalzend uit naar een gelegenheid om het vierdelige Persepolis te lezen, en net in de week dat ik besluit het eerste album op te pakken, hoor ik in De Zevende Dag dat het pas verfilmd is.

In het autobiografische Persepolis (genoemd naar de stad waar de legendarische Perzische koningen Darius en Xerxes verbleven), heeft de Iraanse Marjane Satrapi de Revolutie van 1979 verstript, gezien door de ogen van een klein meisje, waarin we de tekenares zelf herkennen.

Als je de kwaliteit van een strip afmeet aan de variatie die een tekenaar weet te bereiken binnen zijn of haar zelfgekozen keurslijf -- dat van vereenvoudiging door middel van doorgedreven stilering -- scoort Persepolis hoog.

De plaatjes zijn attractief en divers. Satrapi hanteert een soort afgeroomd expressionisme, een eenvoudige maar efficiënte beeldtaal in zwart/wit, en zij laat het verhaal goed vooruit gaan, met voldoende grote sprongen. Daarnaast zorgt ze ervoor dat tekst en tekening elkaar vooral aanvullen in plaats van te overlappen. Complementariteit: nog zo'n belangrijke maatstaf voor beeldverhalen.

Dat laatste lukt overigens niet altijd, vooral omdat er veel uit te leggen valt voor de gemiddelde westerling, die niet ingevoerd is in de recente Iraanse politieke geschiedenis.

Zo lijkt zo'n pro-westerse Sjah op het eerste gezicht best een fijne pion in het Midden-Oosten, tot je hoogte begint te krijgen van het ware verhaal achter zijn Iraanse schijndemocratie.

Satrapi laat onomwonden zien hoe de Sjah met de steun van westerse regimes werd geïnstalleerd als buffer tegen de bolsjevieken én als behoeder van de vrije weg naar de olievoorraden in zijn land.

Onder het bewind van de Sjah (het Perzische woord voor koning), vanaf 1941, werd de Perzische maatschappij ook zeer sterk bepaald door klasseverschillen. Vrije meningsuiting was er zeer relatief. In Persepolis wordt de harde repressie getoond van politieke tegenstanders. Pikant detail: de beulen die de dissidenten tot bekentenissen moesten dwingen werden opgeleid door de CIA.

Kortom, na eeuwen te zijn onderdrukt door respectievelijk haar eigen Perzische keizers, de Arabieren en de Mongolen, wordt de bevolking nu geknecht door een westerse vazal.

In dat klimaat groeit Satrapi op in een gelovig maar modern Iraans gezin. Haar ouders zijn rijke intellectuelen die hun dochter laten studeren aan een Frans college in Teheran.

Geprikkeld door de verhalen over de vele predikers die de Perzische geschiedenis rijk is (waaronder Zarathoestra) besluit het meisje zelf een profeet worden.

"Behalve mijn oom geloofden niet veel mensen in mij."

Verzonnen of niet, in diezelfde periode leest ze over het dialectische materialisme dat Karl Marx voorstaat.

Algauw haalt de harde werkelijkheid haar in, wanneer een paar dissidente, communistisch gezinde familieleden, belangrijke rolmodellen voor Satrapi, achter de tralies belanden.

En zo gaat Persepolis eigenlijk over hoe een jong meisje ideologisch haar weg probeert te vinden in het leven.

Satrapi zet af en toe grappig-schematische tekeningen in om dingen op te helderen. Een paar gekloneerde figuurtjes die een massademonstratie tegen de koning moeten voorstellen bijvoorbeeld. Dat werkt nu eenmaal prima in een strip. Historische fresco's, bij wijze van achtergrondinformatie, worden op dezelfde manier vormgegeven.

De tekenares vindt ook een bevredigende oplossing om de honderden onschuldige doden af te beelden. De tragiek wordt alleen maar verteerbaarder gemaakt door de kinderlijke fantasie van haar heldin, niet weggepoetst.

Didactiek en ontroering gaan op elke pagina van Persepolis hand in hand.

Satrapi is ook erg goed in het bedenken van onnadrukkelijke, veelzeggende, licht symbolische poses voor haar personages. Of het nu een knus familiaal tafereel betreft of een folterpraktijk in de gevangenis.

Vreemd voor dit eerste album, dat de opmaat naar de Islamitische Republiek beschrijft, is dat met geen woord gerept wordt over Khomeini. De invloed van de ayatollah wordt enkel zijdelings gesuggereerd.

"In een land waarin de helft van de bevolking analfabeet is kun je geen mensen mobiliseren rond Marx. Het enige wat hen kan verenigen is nationalisme of religie..."

Ik ben dan ook zeer benieuwd geworden naar het tweede album. Dat zal vast draaien rond de confrontatie van de vrijgevochten Marjane Satrapi met de terugkeer naar de streng-islamitische beginselen. Hoofddoekdracht, om maar iets te zeggen.

Zoals het een beginnend dictator past zal Khomeini immers dankbaar gebruik maken van een gewapend conflict (in casu: de Irak-Iranoorlog) om de nationalistische gevoelens aan te scherpen, en in die sfeer van eendracht geruisloos zijn religieus fanatisme op te leggen.

En zo volstrekt zich de sombere paradox. De vroegere (vaak seculiere) revolutionairen zullen de nieuwe vijanden van de Islamitische Republiek worden. Dat belooft, de achtergronden van Satrapi inmiddels kennende.

Persepolis wordt -- vanzelfsprekend -- gecensureerd in het huidige Iran van Ahmadinejad.

> Persepolis 2 op Achille
> Persepolis 3 op Achille
> Persepolis 4 op Achille
> meer tekenaars op Achille
> meer over de Iraanse Revolutie op Achille
> http://en.wikipedia.org/wiki/Mohammad_Reza_Pahlavi

Marjane Satrapi, Persepolis (1)
75 p.
Uitgeverij Atlas, 2002
Oorspr. Persepolis 1 (2001)
Vertaald door Toon Dohmen

____ tekeningenkey persiakey

maandag 19 november 2007

Remote discontrol [2]

Gisteren vroeg ik me af waarom afstandsbedieningen zoveel nutteloze knopjes hebben.

Zou het niet kunnen, denk ik vandaag, dat daar een of andere dieptepsychologische uitleg voor is? Dat die dingen een soort cockpit-in-het-klein zijn, voor het slag mannen dat nooit de droom heeft willen verlaten straaljagerpiloot te worden.

Ik en mijn controlepaneel.

En dat die dingen daar heel sluw op ontworpen zijn. Kleine uitdagingetjes voor een probleemoplossende mannelijke geest. Te makkelijk is ook niet leuk meer.
____

Barbaar in Azië - Henri Michaux

Toen ik vroeger als kind op de rommelmarkt mijn oude spulletjes stond te verpatsen, haalde ik met een kameraad altijd het volgende geintje uit: de vriend deed zich voor als een toevallige passant, en keek ongelooflijk verlekkerd naar mijn aftandse voetbalkousen van de Rode Duivels. Wat moest dat kosten?

'Duizend frank,' riep ik dan, zonder verpinken. Ofwel zo'n slordige 25 euro. Daarop begon mijn kompaan een pathetische smeekbede om het paar kousen te mogen hebben voor het dubbele van die prijs.

Waar ik na veel gemarchandeer in toestemde en, voor een publiek van verbijsterde omstaanders, vrolijk het briefje van tweeduizend incasseerde. Onbetaalbaar, die gezichten.

Maar: alle ideeën zijn tweedehands. Want wat lees ik jaren later in het Aziatische reisjournaal van de Belgische (doch meestentijds in Parijs werkzame) schrijver Henri Michaux?

"In de achttiende eeuw brak een groot Chinees auteur zich het hoofd. Hij wilde een absoluut fantastisch verhaal, dat de wetten van deze wereld zou afbreken. Wat bedacht hij? Dit: zijn held, een soort Gulliver, arriveert in een land waar de kooplieden tegen belachelijk lage prijzen trachtten te verkopen en waar de klanten erop stonden buitensporige prijzen te betalen."

In 1931 maakte Michaux (1899-1984) een tocht door India, Nepal, Ceylon, China, Japan, Korea, Maleisië, Bali en Java. In Barbaar in Azië, dat twee jaar later zou verschijnen, maakte hij de balans op van zijn ervaringen. Bovenstaande passage is opgenomen in het beste, want helderste hoofdstuk uit het boek, dat over China.

De halve wereldreis van Michaux doet denken aan de omzwervingen van Marco Polo in de Oriënt, suggereert de flap. Maar terwijl Polo toch een monotoon, haast bureaucratisch verslag schreef, vind ík dan, is Michaux lezen al een avontuur op zich.

Zijn surrealistische drift zit hem nogal in de weg bij het communiceren van informatie. Hij springt voortdurend van de hak op de tak, en je moet er als lezer steeds geconcentreerd bij zitten.

"Een Indiër wordt door de sierlijkheid der dieren niet verleid. O nee! Hij kijkt er veeleer op neer.
Hij houdt niet van honden. Ze kennen geen concentratie, honden. Wezens die hun eerste opwelling volgen, smadelijk ontbloot van self-control.
En wat zijn al die gereïncarneerden dan? Wanneer zij niet gezondigd hadden, zouden het geen honden zijn. Misschien hebben zij, walgelijke misdadigers, een brahmaan gedood (in India moet je goed ervoor oppassen hond of weduwe te zijn).
Een Hindoe waardeert wijsheid, meditatie. Hij voelt zich verbonden met de koe en de olifant, die hun gedachten voor zichzelf houden, die in zekere zin teruggetrokken leven. Een Hindoe houdt van dieren die niet ‘dankjewel’ zeggen en die niet te veel kromme sprongen maken.
Buiten op het platteland zijn pauwen, geen mussen, pauwen, ibissen, steltlopers, enorm veel raven en wouwen.
Dit alles is ernstig.
Kamelen en waterbuffels."


Ik kon die concentratie niet opbrengen, moest ik vaststellen, en ik merkte dat ik, tussen Michaux' uitbarstingen van ontroering, verrukking en verbazing door, mij dankbaar vastklampte aan de cliché's over de Oosterse volken die tachtig jaar later nog steeds mondgemeen zijn.

Het feit dat de gemiddelde Hindoe veel verbondener met de natuur leeft dan de doorsnee Amerikaan. De kritiek op de ultramoderne wijze waarop de Japanners Tokio herbouwd hebben (die ik eerder uit Lof der schaduw van Tanizaki kende). De benijdenswaardige rust die pakweg een Maleier uitstraalt.

"Zijn gezicht verraadt geen enkele overdreven begeerte, geen enkele ondeugd, geen enkele karakterfout."

"De westerse filosofieën maken dat je je haren verliest, ze verkorten je leven. De oosterse filosofie laat de haren groeien en verlengt het leven."


Net als Kapuscinski in zijn Reizen met Herodotos is Michaux diep onder de indruk van de uitgebreidheid en complexiteit van de Chinese taal.

Wat hem stoort is de keerzijde van de rijke oosterse tradities: de gedweeheid die daar uit voortspruit.

"De Aziaat is een geboren student. De Chinees kent alleen maar examens. Het examen maakt de mandarijn van elke klasse.
De Aziaat kan accepteren, aanvaarden, leerling zijn. Ik heb in Santiniketan, in Bengalen, een bespreking bijgewoond over een vedische tekst. Het was goed, maar niet buitengewoon. De studenten zaten daar, bereid om alles, alles aan te nemen. Ik voelde lust, hen te beledigen.
In de Indiase literatuur en nog meer in de Chinese staan er drie regels citaat tegenover tien van de auteur."


Barbaar in Azië is een zeer compact en uitdagend boek, met veel mededelende zinnen na elkaar, en grote logische sprongen, zelfs binnen een zelfde alinea. Het vraagt meer dan één leesbeurt om het je eigen te maken.

Wat het boek kostbaar maakt is de grillige nieuwsgierigheid die eruit spreekt, plus de volstrekt onsnobistische, kosmopolitische blik.

"Wat is de Engelsman? Een niet zo bijzonder wezen. Maar het zijn er vijfentwintig miljoen. Dat is het belangrijke feit. Veronderstel dat er totaal dertig Engelsen in de hele wereld zouden zijn. Wie zou hen opmerken? Zo is het met alle volkeren. Want zij vormen ‘gemiddelden’.
Een natie van vijfhonderdduizend Edgar Poe’s zou natuurlijk een beetje indrukwekkender zijn.
Wie zal de invloed van de middelmatigen bij het ontwikkelen van een beschaving wegen?"


En Michaux' beschrijvingskunst natuurlijk.

"Maar je moet eens de Taj Mahal in Agra zien.
Daarnaast is de Notre-Dame van Parijs een blok smerig materiaal, goed om in de Seine of in de een of andere diepte te worden geworpen, zoals alle, alle andere monumenten (behalve misschien de Hemelse Tempel en enkele houten pagodes).
Voeg de schijnbare stof van het kruim van wittebrood, melk, talkpoeder en water te zamen, meng het door elkaar en maak hiervan een buitensporig groot mausoleum, maak er een wijd geopende en reusachtige toegangspoort in, als voor een eskadron cavalerie, maar waardoor nooit meer dan een doodskist is gegaan. Vergeet de zo nutteloze vensters van marmeren traliewerk niet, (want de materie waarvan het gehele gebouw is gemaakt, is uiterst fijn, voortreffelijk marmer, dat er uitziet alsof het lijdt, voor de snelste ontbinding gemaakt, en alsof het nog dezelfde avond zal smelten in een regenbui, maar dat al drie eeuwen lang intact en maagdelijk blijft, met zijn hinderlijk en verwarrende structuur van meisje-gebouw). Vergeet de nutteloze marmeren ramen niet, waarvoor de zo diep betreurde vrouw van de Groot-Mogol, de Shâh Jehân, zich in de frisheid van de avond mogelijk zal komen vertonen.
Ondanks zijn strenge, zuivere geometrische ornamenten, drijft de Taj Mahal. Het onderstuk van de deur is als een golf. In de koepel, de reusachtige koepel, een ietsje teveel, een ietsje dat iedereen voelt, iets smartelijks. Overal een zelfde onwerkelijkheid. Want dat wit is niet echt, het weegt niet, het is niet stevig. Onecht onder de zon. Onecht in het maanlicht, een soort verzilverde vis, met een nerveuze vertedering door de mens gebouwd."


(Gebaseerd op notities van 11 mei 2006.)

Henri Michaux, Barbaar in Azië
158 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 1976
Oorspr. Un barbare en Asie (1933)
Vertaald door Frieda van Tijn-Zwart

____

zondag 18 november 2007

A rose by any other name would smell as sweet

"A story, much favoured by tour guides, and as such highly suspect, is that in this line Shakespeare was also making a joke at the expense of the Rose Theatre. The Rose was a local rival to his Globe Theatre and is reputed to have had less than effective sanitary arrangements. The story goes that this was a coy joke about the smell. This certainly has the whiff of folk etymology about it, but it might just be true."

> see other phrases and sayings from Shakespeare
> http://www.phrases.org.uk
_____

Remote discontrol

Zeldzaam zijn de keren dat ik onze dvd-speler hoef te bedienen. Dus leek ik gisteravond wel een oude man toen ik het ding met de afstandsbediening aan de praat probeerde te krijgen.

Ik, die mezelf genoeg hersencapaciteit, rekenvermogen en ontvankelijkheid voor nieuwe dingen toedicht, deed er een kwartier over.

Terwijl ik vroeger altijd lachte om moeders geklungel met de videorecorder.

Wie ontwerpt die dingen? Volgens welke regels? Met welk lekenpubliek in de testfase?

Er staan wel honderd toetsen op nog geen honderd vierkante centimeter, en toch steken belangrijke functies achter een en dezelfde knop. Om de dvd-speler alleen nog maar te starten moet je er drie indrukken, in de juiste volgorde.

Waarom niet een paar grote duidelijke ronde knoppen voor 'start', 'menu', 'talen' en 'opnemen'?

Comfortabel en snel een paar combinaties uitproberen is er ook niet meer bij, gezien de speler ongeveer twee seconden nodig heeft om gehoor te geven aan een opdracht.

Zeg ik nu. Het duurde tien minuten vooraleer ik dat doorhad. ('Is dat toestel nu al kapot?')

En waarom moeten die bakjes zo smal zijn, en de toetsen zo klein? Met mijn duim alleen kan ik zes toetsen overspannen. Bepaalde functies zijn enkel afzonderlijk van elkaar te bereiken onder een bepaalde hoek, met lange nagels.

Ik word oud, dacht ik op een gegeven moment, het angstzweet stond op mijn rug.

Toen drukte ik weer verkeerd, en zag voor de vierde maal die oerdwaze generiek van Universal Studios.
____

zaterdag 17 november 2007

Brandnetels en andere verhalen over kindermishandeling - Hans Dorrestijn

Met stijgende verbazing en afgrijzen nam ik dit boekje door, dat Hans Dorrestijn in de jaren tachtig schreef voor de Vereniging tegen Kindermishandeling.

Alle verhalen gaan over rancuneuze vaders en/of hysterische moeders die hun kinderen op een volslagen onrechtvaardige manier tuchtigen.

Niet het thema, maar de uitwerking stond me tegen. Ik kon me immers niet van de indruk ontdoen dat Dorrestijn schik heeft in het bedenken van deze wreedheden.

Zelfs dat (op weinig gestoelde) vermoeden hoeft niet eens een bezwaar te zijn, het is alleen dat de verhalen niet veel voorstellen, omdat ze linea recta naar de vergeldingsacties toegeschreven zijn. Zowel kinderen als ouders worden niet voorzien van noemenswaardige achtergronden. De lezer wordt aldus een mogelijkheid tot begrip ontzegd. Hij kan alleen ondergaan. De brutaliteiten staan voorop, met als ongeïnspireerd en misselijkmakend dieptepunt iemand die door een boegspriet doorboord wordt.

Brandnetels en andere verhalen over kindermishandeling deed me denken aan Het dolhuis van Boudewijn Büch, maar zo mogelijk nog meer geschreven op de automatische piloot.

De weinige personages die een beetje verlichting brengen noemt Dorrestijn grijnzend Blomkwist (een figuur uit het oeuvre van Astrid Lindgren) of gravin Von Biedemeier. Om een idee te geven.

Wat is ooit de zin geweest van deze bundel? Moeten mishandelde kinderen zich hieraan kunnen spiegelen? Hoera, wat een feest van herkenning.

Of is dit een deeltje in de serie Mijn eerste boek over... ? Mijn eerste boek over het sadistische universum.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Hans Dorrestijn, Brandnetels en andere verhalen over kindermishandeling
98 p.
Uitgeverij Bert Bakker, 1995
Oorspr. (1984) en (1988)
____

vrijdag 16 november 2007

De dichter is een koe - Hugo Brems

Hugo Brems wordt graag vanuit postmodernistische hoek weggezet als een ietwat inerte, conservatieve en immer de kerk in het midden houdende machtsfactor in het Vlaamse poëzielandschap. Geen idee of die aantijgingen kloppen. Lijkt me ook een schijnprobleem. Machtsfactoren in de poëzie?

Wat ik wel weet is dat hij met De dichter is een koe vroeg in de jaren negentig een van de betere werken over poëzie heeft geschreven. Omdat in dat boek een intelligent exposé niet wordt afgeremd door de toegankelijke toon, en omgekeerd die heldere taal geen afbreuk doet aan de complexiteit van het onderwerp.

Brems weet zich bovendien, in de mate van het mogelijke, op veilige afstand te houden van de poëzieprofeten die ineens een bezwerend jargon gaan spreken als het gaat over hun specialiteit. Zo'n types kennen dan een orakel-achtige status toe aan dichters. Dichters worden in hun snobistische optiek priesters die tussen de regels 'het onzegbare zeggen' -- u kent dat taaltje wel.

In de dichter is een koe onderzoekt Hugo Brems een aantal verschijningsvormen van de nobele dichtkunst (poëzie als definitie, poëzie als verhaal), bespreekt hij haar instrumentarium (taal en beelden) en zoomt hij in op de metaforen die we gebruiken om poëzie te ontleden; metaforen die daarmee iets verklappen van de functie die we toeschrijven aan poëzie:

"Tot de belangrijkste daarvan behoren het gedicht als ding, de dichter als ingenieur (het gedicht is een mechaniekje), het gedicht dat organisch groeit als een plant, de poëzie is alchemie (de dichter is goudzoeker), het gedicht is een brief (een boodschap, een stem, een kreet), het gedicht is een lied (de dichter zingt)."

Veel van Brems gedachten zijn tweedehands, tuurlijk, maar het is goed die hier eens allemaal bij elkaar te zien. Veel grondige en tegelijk prettig leesbare inleidingen tot de poëzie zijn er niet voorhanden in het Nederlands, terwijl in de Lage Landen toch massaal gedicht wordt op zolderkamertjes en de markt er overspoeld is met bundels, zélfs met de uitgevers als consciëntieuze sluiswachters. Het dichterlijk sérieux krijg je er gratis bij, zonder dat men zich veel moeite getroost dat te rechtvaardigen.

Er bestaan wel stoomcursussen over poëzie, maar die behandelen meestal technische aspecten: metrum, rijm en stijlfiguren. Dat is makkelijker, en veiliger.

Het is de verdienste van Brems hier dat hij het belang en de werking van poëzie inzichtelijk weet te maken. Tenminste, het belang en de werking zoals hij die ziet. Hij doet dat via beschouwende stukken over gedichten die een gelijklopend onderwerp (koeien, water) op diverse manieren benaderen.

En ja, Brems' opvattingen zijn niet die van een hemelbestormer. Gedichten zijn voor hem vaten waarin emoties, die log en zwaar zijn in de werkelijkheid, tot stilstand worden gebracht. Of net het omgekeerde: gedichten trekken betekenissen aan, roepen emoties en vermoedens op, en wijzen meerdere richtingen tegelijk aan.

Maar dat klinkt vooral zo cliché omdat ik die standpunten hier zo beknopt moet samenvatten. De waarde zit in de redenering die Brems opbouwt. Wanneer je er door hem bijvoorbeeld op gewezen wordt, met de illusie van precisie, hoe het nu eigenlijk weer zat met die beruchte relatie tussen taal en werkelijkheid.

"Ooit en eindelijk weten wat het is, dat is de drijfveer van het gedicht. Het is de drijfveer en de verantwoording van definities. Maar het gedicht relativeert al meteen alle mogelijke definities; ze zijn niet meer dan een gedachtenspel. Water is volgens Van Dale ‘de meest algemene, over de gehele aarde verbreide vloeistof, die, als zij zuiver is, geen kleur, reuk of smaak heeft en waarvan de moleculen uit 2 atomen waterstof en 1 atoom zuurstof bestaan (H2O)’. Die bepaling voldoet kennelijk niet. Wat de dichter betreft is zij geen antwoord op de vraag wat water is. Toch lijkt het erop of hij van het woordenboek is uitgegaan. Als tweede betekenis geeft Van Dale ‘regen’ (het giet water) en als derde ‘de genoemde vloeistof zoals zij voorkomt in haar natuurlijke of aangelegde bedding’: rivier, meer, sloot, zee… (het water treedt buiten zijn oevers). Het zijn metonymische betekenissen, die zich beperken tot de verschijningsvorm van water, of de plaats waar het te zien is: ‘hier was het, hier heb ik het gezien’. Zij verwijzen het ding naar plaatsen, vormen, toepassingen, klassen, delen, logische of ruimtelijke verbanden. Maar het water zelf verdwijnt, het wordt achter zijn verbanden weggedrukt (...)"

Waarna hij uitlegt dat elke dichter in zijn gedicht haarfijn rekenschap probeert af te leggen van wat woorden voor hem persoonlijk betekenen, door ze in te nestelen temidden van andere woorden. Immers, woorden betekenen an sich niets, tenzij hun schrale woordenboekdefinitie. Ze krijgen pas reliëf als ze ingebed zijn in een individuele context. Idem dito, op grotere schaal, met zinnen en ideeën.

Natuurlijk is dat maar een deel van het verhaal, maar toch.

Elders in deze essaybundel staat dan weer een van de beste definities van poëzie die ik ken, wat het boek alleen al daarom een aanrader maakt. Die definitie lijkt een wollige cirkelredenering, maar is het niet.

"Heel in de diepte is alle poëzie een poging tot definitie. De woorden van het gedicht zijn de definitie van het thema van het gedicht. Soms wordt dat thema genoemd, is het aanwezig als het lemma in een lexicon. Maar vaker groeit het pas uit de verzen zelf: het gedicht is de definitie van een begrip waarvoor geen ander woord bestaat dan die definitie zelf: het gedicht is een neologisme."

Het gebeurt wel eens dat ik een causerie geef over poëzie, voor doodbrave culturele kringen diep in de provincie, en dan ben ik wat blij een paragraaf als deze tot mijn beschikking te hebben.

> lees dit boek integraal op dbnl.org
> beknopte bibliografie in de commentaren hieronder

(Gebaseerd op notities van 3 november 2005.)

Hugo Brems, De dichter is een koe : over poëzie
180 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1991

____

donderdag 15 november 2007

De laatste mammoet - Luc De Vos

Wat vooraf ging: Het woord bij de daad, het hilarische debuut waarin Luc De Vos (zanger van de band Gorki, en in die hoedanigheid schrijver van een paar van de mooiste liedjesteksten van de Nederlanden) bewees dat hij het ook op de middellange afstand kon -- schmieren à la Reve en Brusselmans, zijn eigen autobiografische strapatsen als rockartiest recycleren én stoeien met allerhande pseudo-intellectuele taalregisters.

Daarna: De rest is geschiedenis, wat grof genomen meer van hetzelfde was. Tenslotte: De volksmacht, nóg meer van hetzelfde, in een boekje dat zo dun was dat het leek of de schrijverscarrière van De Vos vroegtijdig op apegapen lag.

Maar nu is er De laatste mammoet, door de auteur zelf met misplaatste trots aangekondigd als zijn eerste roman. Misplaatst, omdat de neven Godfried en Wilfried samen dezelfde toon aanslaan die te bespeuren was bij Vos, het alter ego uit het eerdere werk. Bovendien levert de tegenstelling van de gewone jongen Wilfried, iemand met normale liefhebberijen en doorsneevrienden, en Godfried, de van het vaderland weglullende schrijver, komediant en zanger, nauwelijks vuurwerk op.

Het moge nu wel duidelijk zijn. Het literaire credo van De Vos luidt ongeveer: zeer minzaam de kluit bedonderen, en in welke vorm hij dat doet speelt bijgevolg niet zo mee.

What can I say? Alleen in het tweede deel van De laatste mammoet haalt De Vos het niveau van zijn eerste twee bundels. Tot op de helft heeft hij zijn handen vol met het verzinnen van iets wat voor een verhaal zou kunnen doorgaan. Dat lukt hem niet. Hij lijkt altijd het eerste te kiezen dat zich aandient in zijn verbeelding -- en in mijn verbeelding, wat dus niet bijster interessant is -- en schrijft dat ook nog eens op in monotone, eensluidende zinnen, die vaak slordigheden bevatten.

Ik dronk de eerste trappist van mijn hele leven, gekregen van die goede jongen die mijn broer was vanaf nu.

[...]

In zijn kamer stond een enorm ding boven op de televisie die ook gigantisch was.
De Vos bezit nauwelijks de stielkennis om zijn personages een geloofwaardige ontwikkeling door te laten maken, en daarom neemt hij zijn toevlucht tot korte hoofdstukjes, die evenzovele staties in het opgroeiingsproces beschrijven.
Ik ben nu negentien jaar. Ik ben op zoek naar werk. De mensen van het handelsinstituut hadden gezegd dat ik zeker werk zou vinden met mijn diploma en dat ik zeker niet moest verder leren.
Het grootste minpunt is dat er weinig grappen komen, dat De Vos de krachtige tragi-komische filter uitschakelt waarmee hij vroeger het leven overschouwde en nu nogal blindelings vertrouwt op de verbeten naïviteit waarmee hij zijn helden opzadelt -- wat door de vlakke manier van formuleren al snel een maniertje wordt.
Ik voelde mij alsof ik samen met de mensheid was thuisgekomen. Dit was een huis vol met wonderen, met een kleurentelevisie en met een videorecorder.
Wanneer er dan toch eens een ouderwets ontwapenende gedachte te rapen valt, is dat wanneer de zelfverklaarde boerenpummel Luc De Vos zaken overpeinst die zijn verstand te boven gaan.

Bij monde van Godfried:
Ik had het altijd zelf het meest absurde gevonden van de hele wereldgeschiedenis, reïncarnatie. In een onsterfelijke ziel, daar had ik nog in kunnen geloven maar toch niet in reïncarnatie? Waarom zou een ziel verhuizen in de tijd? En vanaf welk tijdstip zou die ziel dan zijn begonnen te verhuizen van de ene persoon op de andere? In de tijd van de mammoeten misschien? Wanneer was de geschiedenis van de zielsverhuizing begonnen?
en Wilfried:
Er vlogen kilo’s af bij Wendy maar de twee basketballen op haar achterwerk bleven stevig zitten waar ze zaten. Dat was normaal, dat had ik al eens gelezen in de gazet. Haar lichaam spaarde vetten op voor de echt slechte tijden, wanneer er zelfs geen yoghurt meer door de slokdarm zou komen. Haar lichaam had een alarmprocedure ingezet. Dat was een reactie van de natuur, dat zat in de genen van alle dieren. Een vermageringskuur was als de tocht van de oermensen door de ijsvelden, wanneer ze de grotten moesten verlaten op zoek naar de mammoeten. Het lichaam van Wendy reageerde zoals dat van die oermensen. Dat was de wet van de steppe die nog altijd gold. En wanneer de westerse mensen stopten met hun vermageringskuur dan dacht het lichaam dat de tocht door de ijsvlakten voorbij was en dat ze eindelijk een mammoet hadden gevangen en dan begonnen de kilo’s er weer sneller aan te komen dan voorheen want het lichaam wilde weer vetten gaan opslaan voor de slechte tijden wanneer ze de mammoet zouden hebben opgegeten en ze alweer op zoek zouden moeten gaan naar een nieuwe mammoet. Het was allemaal zo logisch. Het was om te huilen zo logisch. De god die dit gemaakt had, dat moest toch een oerdomme god zijn, dacht ik op dat moment. Dat kon zelfs ik bedacht hebben, zulk een simpel, voor de hand liggend rotsysteem.
Ondanks deze magere oogst las ik door, omwille van de herkenbaarheid: opgroeien in de jaren tachtig en negentig. Er zijn niet zo gek veel schrijvers (de vroege Lanoye is er een van) die hun wonderjaren in dat tijdsgewricht hebben beschreven op een manier waar ik mee kan instemmen.

De democratische manier bedoel ik, niet literairderig of vanuit het oogpunt van een o zo gevoelig miskend genie. Zo moet dat gepuber voor mij gepaard gaan met veel passiviteit, zonder daar meteen een donker soort existentialisme aan vast te knopen. Gewoon, lekker televisie kijken ("Holland Twee" en VTM) en lezen (Hollandse jeugdschrijvers en stripverhalen). Bij Luc De Vos is zulks het geval, en hij kan er prettig bij zeiken.
Ik had de avond ervoor een film gezien. Het ging over twee mensen uit de negentiende eeuw die voor elkander waren gemaakt, maar niet bij elkander konden komen. Veel mogelijkheden waren er inderdaad niet wat de thematiek in films betreft. Het ging in bijna honderd procent van de gevallen over wat onmogelijk was maar wat in normale omstandigheden toch mogelijk moet zijn geweest. Daarover ging zowat alles in de film, ze gingen er met opzet naar op zoek. In de negentiende eeuw mocht een eenvoudige pachter op het Engelse platteland niet met de dochter van de graaf op het kasteel vrijen. In onze tijd zou dat perfect mogelijk zijn, want die tegenstellingen bestonden niet meer. Maar nu, in het jaar 1990 hadden de mensen weer iets nieuws uitgevonden dat onmogelijk was. Zo zijn de mensen, altijd eropuit om iets onmogelijk te maken.
Ook typisch voor een zekere Vlaamse welstand en een geborgen jeugd: die melige verblijven in foute recreatiehuisjes, vakantiekolonies van de christelijke mutualiteit of provinciale domeinen.
Ze gingen naar de overkant van het kanaal wandelen naar het Provinciaal domein van Wachtebeke en dan weer terug. Provinciale domeinen, dat hadden ze tien jaar geleden in de jaren zestig uitgevonden, geloof ik. In België moet alles een officiële naam hebben, Anders is het niet goed. Iets wat gratis is, iets waar de hele gemeenschap toe had bijgedragen moet de mensen altijd een beetje angst aanjagen, niet te veel angst, maar toch genoeg om hen nerveus te maken.
Onvermijdelijk doet dan de erotiek haar intrede, aangewakkerd door seksboekjes uit Sluis. Een mens kan niet blijven schieten met loodjesgeweren.
In die tijd was erotiek nog iets lolligs, geloof ik. Ik wist dat ik hiervoor geboren was en dat het helemaal geen geheim hoefde te zijn.
Dat alles gebeurt in de bekende setting uit eerdere boeken: binnen de geschutskring rond het brave, katholiek geïnspireerde middenklasse-gezin waar de auteur zelf is in opgebracht. Je zou denken dat de schrijver in dit boek personages zal ontwerpen om op plaatsen te komen waar de autobiografisch leuterende Luc De Vos nooit eerder kwam, maar dat is dus niet zo.
Ik heb nog een andere zus, Jeanine, maar die zie ik nooit. Ze woont hier nochtans in de straat. Ze is tien jaar ouder dan Georgette en Georgette is tien jaar ouder dan ik. Het moet iets te maken hebben gehad met de hormonenhuishouding van moeder. Ofwel paste moeder haar periodieke kalender die ze had gekregen van de boerinnenbond veel te streng toe.
Omslagpunt
Eenmaal over het midden fleurt De laatste mammoet duidelijk op, stilistisch. De leukigheden liggen minder versnipperd over de pagina, en de innerlijke monologen van De Vos worden langer en verzorgder. Ik kan weinig redenen verzinnen voor dat kantelmoment. Behalve dat de nieuwe beroepsbezigheden van Godfried zich goed lenen voor verbaal freestylen.

Terwijl Wilfried van het OCMW een nieuw glazen oog krijgt, een opleiding volgt aan de VDAB maar toch moet blijven aankloppen bij de Rijksdienst voor de Steun aan Werkwillige Werkonbekwamen --
Dat kan alleen maar in België, dat de mensen zo voor elkander zorgen. En dat ligt allemaal vast in de wetten. Is dat niet wonderbaar?
-- probeert Godfried het immers als schrijver. Hij zet bijvoorbeeld een verhaal op rond de enigmatische figuur Donderdarm. Dat aldus begint:

Die dag was het lawaai oorverdovend. In zijn land, het mooie Gallië, daverden de kathedralen in hun spanten, in de hoge bergen naast zijn huis gleed de sneeuw in trage doch vernietigend lawines op de dorpen neer. De grote vogels in de nesten op de rotsen hielden de adem in en voelden hoe het zuur uit hun maag de onverteerde resten van hun avondmaal terug naar hun keelholten voerde.
Donderdarm aanhoorde dit daveren der spanten, het neerdalen der sneeuw en het kokhalzen de grote vogels en dacht bij zichzelf: de tekenen zijn onmiskenbaar duidelijk, mijn God spreekt tot mij langs de grote gebeurtenissen die zich in de natuur rondom voordoen. Ik moet nu handelen.
Dat was een grote vergissing van Donderdarm. Hij geloofde in een god van tekens, een god van woorden en verhalen. Maar echte goden spreken niet, zij verbergen zich achter de wolken omdat het zuivere en ware geloof in een god geen behoefte heeft aan een wereldse bevestiging.
Later, in Godfrieds hoedanigheid van moppentapper (lees de geestige filippica tegen "de Hollanders") en volkszanger, kan Luc De Vos definitief rechtsomkeer maken in het doodlopende ironisch-naturalistische straatje en als vanouds zijn hoed van huis, tuin- en keukenfilosoof opzetten. Hij zet Godfried neer als een reactionaire goedzak, die liever "afglijdt naar de donkere wijnkelder van het dromenrijk" dan dat hij in de duisternis moet ronddwalen van de postmoderne ironie, die hij louter spot en hoon durft noemen.
Die liederen speel ik soms tussen de liederen van echte zangers en artiesten door zodat de mensen die naar mij luisteren niet werkelijk doorhebben dat ze af en toe een oorspronkelijk lied van mijn hand te horen krijgen. En meestal vallen mijn liederen niet meteen uit de toon naast die wereldberoemde echte liederen die iedereen kent.
Dit betekent voor mij een grote vreugde. En daarom kan weinig mij diep verontrusten. Dat komt, ik draag de geschiedenis van vier decennia in mijn gebroken lichaam, ik kan afstand nemen van de dingen. Steeds weer werden in het verleden de nieuwe tijden aangekondigd. In 1970 maakten de jongeren deel uit van een ongekende goddelijke jeugd. Maar wisten zij veel dat die nieuwe tijden, na vijf seizoenen reeds, oude tijden zouden worden.
De Moderne Gezinsencyclopedie van Elsevier is daarbij Godfrieds voornaamste intellectuele voedingsbodem.
Hoe meer de tijd verglijdt, hoe meer de overtuiging diep in mij veld wint dat wij ons beter niet richten op het heden en de werkelijkheid en dat we beter niet streven naar de totale democratie. Wij mogen de samenleving niet zomaar aan de mensen overlaten. Want de meeste mensen doen voortdurend de dwaaste dingen. Wij moeten, in mededogen met onze falende medemens, de samenleving sturen.

[...]

In de herhaling ligt het heil geborgen. In de letterlijke herhaling. Niet in het herhalen van wat wij al wisten met andere woorden. Want dat zijn de sluipwegen van de verwarring. Herhaling zoals in het gebed dat wij vroeger leerden en dat op den duur betekenisloos werd en werd afgedreund, rozenkransen lang soms. Maar deze praktijk leerde ons tenminste dat in de steeds wederkerende formule iets geborgen lag wat beëindigd en afgesloten was. Wij herhaalden eindeloos onze voltooide geschiedenis voor onszelf, ten gerieve van onze innerlijke vrede. Om de liefdevolle rust binnen onze gemeenschap te bevestigen en steeds opnieuw te doen herboren worden.
Op de valreep een prettig ding, De laatste mammoet. Maar vier boekjes in vier jaar is te veel eer voor Luc De Vos.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lees de kritische kanttekening van Chris van Camp over het fenomeen De Vos

Luc De Vos, De laatste mammoet
160 p.
Uitgeverij Atlas, 2006

____

Related Posts with Thumbnails