In het kluwen rond Brussel-Halle-Vilvoorde hoor je om de haverklap dat Vlamingen en Walen elkaar niet kennen.
Dat klopt.
België kent twee totaal verschillende publieke opinies. Er is behalve het communautaire gekissebis ontzettend weinig oorspronkelijk Waals nieuws dat de Vlaamse media haalt. De gemiddelde Vlaming weet misschien drie Bekende Walen op te noemen.
Het beeld van Wallonië dat door veel Vlaamsgezinde politici met clichés wordt gevoed, vult de gemiddelde Vlaming hoogstens aan met een paar vakantieherinneringen in de Ardennen.
Ik ben een gemiddelde Vlaming. En omdat ik vermoed niet eens tien minuten bij elkaar te kunnen improviseren bij een eventuele opgelegde spreekbeurt over Wallonië, las ik deze monografie van Guido Fonteyn.
Een belangrijk misverstand werd al snel uit de wereld geholpen. De opvatting als zou het Waals een afkooksel zijn van het Frans. Dat is het helemaal niet. Net dat fundamenteel inzicht ligt aan de basis van een beter begrip van Wallonië en - bij uitbreiding - België.
Het dezer dagen als grote boosdoener afgeschilderde Wallonië ontstaat als politiek en staatkundig begrip ook pas in de negentiende eeuw. Voorheen was het een grote, intern verdeelde lappendeken.
"Wallonië is Frankrijk geweest, en het prinsbisdom Luik, en de graven van Luxemburg, en het huis van Limbourg, én Waterloo ook vooraleer er Wallonië was."
Hetgeen niet betekent dat er al niet van oudsher werd gevochten tussen Vlamingen en Walen.
De Belgen van wie Caesar de dapperheid loofde, zwierven in de tweede en derde eeuw voor Christus met een aantal andere Keltische stammen in de landstreek tussen de Seine en de Marne, en de Rijn en de zee, door oprukkende Germaanse stammen naar het zuidwesten van dit gebied verdreven. In deze grensprovincie van het Romeinse Rijk was het nooit helemaal rustig. De Romeinen legden er een heirbaan aan, die vanuit Keulen in het oosten naar Bavai in het westen liep.
Het tracé daarvan lag iets ten zuiden van de huidige taalgrens. Vanaf de derde eeuw nam de lokale Keltische aristocratie ten zuiden van de heirbaan het Latijn van de Romeinse bezetters over. Ten noorden van de heirbaan geschiedde dit niet.
"Zo ontstond het Waals, de taal waarin de volkse variant van het Latijn het langst werd bewaard: een taal waarin harde soldatenklanken klinken, waarin de open klinkers van het latere Italiaans en de afrondende, zachte medeklinkers van het Frans nooit werden aanvaard."
Er werd veel strijd geleverd tussen de volkeren aan beide zijden van de heirweg. Het Waals zal trouwens later geduchte concurrentie krijgen van het Frans van de klerken uit de middeleeuwen en van het Frans van het officiële België.
Over wat er tot die tijd gebeurt, gaat Wallonië.
Want zover zijn we nog lang niet. Laat ik hieronder, voor het gemak veelal gebruikmakend van Fonteyns eigen bewoordingen, een synthese maken van zijn boek.
Een boek dat hij laat beginnen met de arme mijnwerker Jules Creteur, die in 1878 in de ondergrond van Bernissart stuit op de grootste verzameling skeletten van iguanodons die ooit is gevonden. Geert van Istendael wijdde er een hele dichtbundel aan. (Zonder boe of ba werden de botten ingepikt door geleerden. Het ministerie van Economische Zaken legde de beheerders van de mijn tevens een boete van 26.000 goudfranken op, omdat ze naar prullen in plaats van naar steenkool hadden laten delven.) Een opmaat is dit, om in de sfeer te komen.

Wallonië bestaat uit drie delen. Het westelijk gedeelte heeft Doornik (Tournai) als hoofdplaats - 'het Brugge van Wallonië' - en deelt met Frankrijk een lange gemeenschappelijke geschiedenis. De Merovinger Clovis bouwde in de vijfde eeuw Frankrijk op vanuit Doornik. Uit 'Clovis' zou het Franse ‘Louis’ ontstaan. Doornik bleef grensstad in het grote Frankrijk tot in de zestiende eeuw.
De Ardennen, met stadjes als Bouillon (van waaruit Godfried ooit op kruisvaart vertrok), La Roche-en-Ardennes en Bastogne, hebben weinig te maken met het luidruchtige socialisme tussen Samber en Maas. Het is een van de laatste natuurgebieden in West-Europa, dat in het Oosten overloopt in de Duitse Eifel en in het zuiden zich uitstrekt tot bijna in Reims. De benaming Ardennen, ouder dan de benaming Wallonië, komt van Ar-Den, het Keltische woord voor eik. Nu staan er vooral dennen, in het begin van deze eeuw aangeplant om industriehout te leveren.
Ten slotte heb je dus die industriële as van Samber-en-Maas, met steden als Charleroi, Namen (waar het parlement zetelt) en Luik. Deze steden groeiden in de negentiende eeuw sterk naar elkaar toe onder invloed van de zware industrie. Hier heerst tot op vandaag het socialisme.
Vooral Luik verdient ons aandacht.
"Het lot van het mooie Luik is geweest om zelf zijn geschiedenis te bepalen in tegenstelling met het zelfvoldane bourgeoise Namen of de luidruchtige en vulgaire lellebel Charleroi."
Luik
De geschiedenis van Luik (Liège) begint wanneer de Merovingers zich de macht laten afsnoepen door hun hofmeiers, o.a. Karel Martel en Pepijn de Korte. De zoon van deze laatste, Karel de Grote werd in 742 op de oevers van de Maas geboren bij Luik. Hij zou in de streek blijven wonen, in Luik, Jupille, Herstal en Aken. Wanner de relieken van een van zijn religieuze roergangers, bisschop en martelaar Lambertus van Tongeren, naar Luik worden overgebracht, groeit het onbeduidende dorp uit tot een drukbezocht bedevaartsoord.
In 843 (Verdrag van Verdun) verdeelden de nazaten van Lodewijk de Grote, opvolger van Karel de Grote, het rijk in drie delen: Frankrijk, Duitsland en Lotharingen (een gebied van Friesland tot Toscane). In dit Lotharingen kwam Luik tot ontwikkeling.
Later ging Lotharingen afhangen van het Duitse Keizerrijk. Otto I de Grote riep Luik en omstreken uit tot prinsbisdom. Met dit statuut kon Luik gedurende eeuwen uitgroeien tot een semi-autonome staat.
De wijsgeer Gozechin uit Mainz kende Luik de eretitel ‘Athene van het Noorden’ toe toen prins-bisschop Notger zijn gezag vestigde op het begrip humanitas, naar het voorbeeld van het oude Griekenland. Hoei, Dinant, Floreffe en Zinnik delen in de bloei. Luik telt in die tijd ook twaalf Vlaamse steden (in het huidige Limburg).
Tussen de dertiende en de zestiende eeuw moesten de Luikenaars een paar keer hun rechten en vrijheden gewapenderhand verdedigen. Zo ook tegen Hendrik I, de hertog van Brabant. Hij werd in 1213 definitief verslagen bij Steppes. Dat niet op deze datum de geschiedenis van België is gebouwd, maar op het jaar 1302, toen de poorters van Brugge en Gent met hun bondgenoten het Franse ridderschap versloegen, lokte veel Waalse wrevel uit – iets wat je als adolescente Vlaming nooit te horen krijgt in de geschiedensles. Als gevolg van dit soort veertiende-eeuws adelijk wapengekletter verliest Luik langzaam maar zeker aan invloed op het gebied van de kunsten en de wetenschappen. De klerken trekken naar de universiteit van Parijs.
Wanneer in het begin van de vijftiende eeuw de Romeinse paus (er zit er immers ook eentje in Avignon) Bonifatius IX Jan van Beieren installeert als prins-bisschop van Luik, komt de bevolking van 'de Vurige Stede' opnieuw in opstand. Jan van Beieren doet echter een beroep op zijn schoonbroer Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondië, op zijn broer Willem IV, graaf van Henegouwen en Holland, evenals op de graaf van Namen, Willem II. Tegen deze coalitie is het volksleger van Luik niet opgewassen.
Een laatste keer komen de Luikenaars in het verweer, wanneer Louis de Bourbon er op de troon zit, als een onderdeel van een plan waarbij Filips van Bourgondië onder één gezag de graafschappen van Vlaanderen en Henegouwen en de hertogdommen Brabant, Limburg en Luxemburg had verenigd. Alleen Luik ontbreekt nog. Bourbon roept de hulp in van Karel de Stoute. Het oproerige Luik wordt platgebrand, geplunderd en uitgemoord. De later burgemeester Erard de la Marck regeert met ijzeren hand maar slaagt erin de neutraliteit van Luik te vrijwaren. Voortaan kunnen buitenlandse troepen ongestoord het grondgebied doorkruisen.
Als in Parijs de Franse Revolutie uitbreekt breken de burgers van Luik de kathedraal steen voor steen af. (Zo ontstond de put van de Place Saint-Lambert.) Ze zweren trouw aan Frankrijk en de republiek.
Intussen, elders
Doornik, veel van zijn glorie verloren natuurlijk, maar nog steeds netjes ingebed in het Franse rijk, slaapt.
Verviers wacht op de Engelsman John Cockerill die in 1797 aan de oevers van de Vesder een eerste mechanisch weefgetouw op het vasteland zou installeren.
Namen (Namur), Bergen (Mons), bekend van de processie op Drievuldigheidszondag waarmee men het einde van de pestepidemie van 1348 herdenkt, en Binche, fameus om zijn carnaval dienen als pasmunt voor de grote mogendheden of slapen ook rustig verder.
Dit Namen, aan de samenvloeiing van Samber en Maas, is een graafschap geweest, maar nooit tot een belangrijk graafschap uitgegroeid. Het moest Couvin, Dinant en Fosses aan Luik afstaan. Het is Bourgondisch bezit geweest, Frans bezit, Spaans en Nederlands bezit. Het werd verkocht aan Filips de Goede door de laatste heer van Dampierre, die nog had meegevochten in de Guldensporenslag aan de zijde van de Vlamingen, waardoor op het schild van Namen een Vlaamse leeuw prijkt.
Félicien Rops, vader van de erotische ets, haalt Namen echt uit de anonimiteit, maar dan zitten we al diep in de negentiende eeuw. En dan is er nog tijdgenoot Adolphe Sax natuurlijk, geboren in Dinant, die de saxofoon zal uitvinden. Amerikaanse soldaten namen het ding na de Eerste Wereldoorlog mee naar huis, waar de sax aan een ongeëvenaarde loopbaan in de jazz begon.
Vooraleer het begrip 'Wallonië' een feit is, en de koepelnaam wordt van al deze heterogene gebieden, moet het nog drie etappes door: Frankrijk, Holland en België.

De Franse bezetter
Van 1795 tot 1815 maken Wallonië en Vlaanderen (met andere woorden: de ex-Oostenrijkse Nederlanden en het voormalige prinsbisdom Luik) deel uit van de Franse republiek, later het Franse keizerrijk. In 1794 had de Franse generaal Fleurus bij Charleroi immers de Oostenrijkers verslagen.
Het - nog niet benoemde - Vlaanderen, laten we dat niet vergeten, zal in deze Franse periode definitief partij kiezen tegen Frankrijk. In Vlaanderen heerst tot vandaag de overtuiging dat het onder de Oostenrijkers goed leven was.
In Wallonië lieten de Oostenrijkers geen sporen na en maakt men zich op om ten volle deel te nemen aan het glorierijke Frankrijk. De jaarlijkse verering van Napoleon in Waterloo tot op heden is daar nog een restant van.
Voor het eerst maken Luik en de rest Wallonië deel uit van dezelfde staat. De Franse republiek deelt het land in negen provincies in. Brabant zal pas in 1995 gesplitst worden in Vlaams-Brabant, Waals-Brabant en Brussel. Kortom: Frankrijk heeft het huidige België gemodelleerd.
De Hollandse bezetter
Tussen Frankrijk en België in vormt de Hollandse periode na Waterloo (1815) een klein, maar krachtig intermezzo van vijftien jaar. Lang genoeg voor koning Willem om de Generale Maatschappij op te richten, de staalnijverheid rond Charleroi uit haar isolement te halen, de Samber te rechten, en via waterwegen een verbinding tot stand te brengen tussen het kolenbekken van Mons-Borinage en de haven van Antwerpen. Daarmee bezorgt hij Wallonië voor decennia een basis van welwaart.
De Walen zelf zullen dat anders zien. Lag niet Napoleon aan de basis van de uitbouw van de haven van Antwerpen? De Walen haten Willem omdat hij alles bestrijdt wat uit Frankrijk komt. In zijn grondwet weigert hij het beginsel van politieke vrijheden in te schrijven. Het parlement is onder Willem een onmondig parlement. De pers is niet vrij. Maar bovenal: hij maakt van het Nederlands de landstaal.
De Vlamingen kijken intussen onmachtig toe. Het latere Vlaanderen is dan nog een achterlijk landbouwgewest, oninteressant voor de nieuwe investeerders, en middeleeuws-katholiek. De clerus verwijt Willem het gehate calvinisme op gelijke voet te zetten met het zegevierende, allesoverheersende katholicisme, en zou bij het uitbreken van de omwenteling toekijken. De burgerij in Vlaanderen spreekt al voor een groot deel Frans, een gevolg van de collaboratie tijdens de Franse periode.
Als in juli 1830 in Parijs een zoveelste revolutie uitbreekt, degene die de laatste koning van Frankrijk de kop zou kosten, komen de Walen in opstand. De openbare mening wordt tegen Willem opgeruid. Dat gaat gemakkelijk. Het arbeidersproletariaat is immers misnoegd wegens de invoering van een nieuwe generatie machines.
Brussel blijft onrustig, er komt zelfs versterking tegen de Hollanders uit Wallonië. Het Hollandse leger wordt in het Park van Brussel wandelen gestuurd. Onder andere omdat in dat leger nogal wat rekruten uit de zuidelijke Nederlanden dienst doen, die met weinig enthousiasme tegen hun stads- of streekgenoten vechten. De burgerij kijkt toe.
De geboorte van België
Het Nationaal Congres kiest als staatsvorm de monarchie, uit vrees voor de republiek. Fransen vormen weldra het kader van het Belgisch leger. Frans wordt de landstaal, de taal van het staatblad, het leger en het gerecht, en vervangt in die functie het gehate Nederlands. Hoe cynisch: het volk maakt de revolutie en de burgerij zal er beslag op leggen. Het proletariaat zal bijna honderd jaar moeten wachten op algemeen stemrecht en andere rechten.
Als België na veel vijven en zessen van de geallieerden mag ontstaan in 1830, dient de nieuwe staat enkel als bufferzone tegen het gehate Frankrijk. Het feit dat de Westhoek het slagveld wordt van de Eerste Wereldoorlog bewijst het gelijk van die strategie.
De reünionisten, die zich opnieuw aan Frankrijk willen hechten, want die zijn er ook, krijgen hun zin niet. Een Engelse kandidaat, Leopold van Saksen-Coburg, bestijgt de troon. Maar de Frans sprekende notabelen zijn best tevreden. Waterloo is gewroken en Frankrijk is dichtbij.
Weldra zal, met België, de Vlaamse beweging ontstaan, omdat de Nederlands sprekenden geen vrede konden hebben met het negeren van de taal van het volk. Als een reactie op de Vlaamse beweging zal op haar beurt de Waalse beweging ontstaan, en – uiteindelijk – Wallonië.

Wallonië, vooral de vlakte rond Charleroi, de Borinage en de Centre, wordt op steenkool gebouwd [foto: terrils, kunstmatige heuvels, storthopen van mijnen]. De mijnbouw verandert het landschap, óók dat van de Ardennen, omdat de bevolking daar de streek verlaat en naar de industriezone van Samber-en-Maas vertrekt.
Tussen 1840 en 1850 evolueert Vlaanderen, een achterlijk landbouwgebied, van een staat van armoede naar pauperisme. Gedurende bijna de hele tweede helft van die verschrikkelijke negentiende eeuw lijdt men in Vlaanderen honger.
Sire, er zijn geen Belgen
In 1912 publiceert de Waalse socialistisch politicus Jules Destrée zijn berucht geworden open brief aan koning Albert I, waarin hij stelt dat België weliswaar een politieke staat is, op nogal kunstmatige wijze opgericht, maar zeker geen natie.
Hij betreurt het dat de Vlaamse beweging gekenmerkt wordt door haat tegen Frankrijk, en de slagen die Frankrijk treffen, raken de Walen.
De Vlamingen, volgens Destrée, hebben de Walen hun geschiedenis afgenomen (het overmatige belang dat wordt gehecht aan de Guldensporenslag en de boerenkrijg), hun kunstenaars (Roger de la Pasture wordt vlotjes als Rogier van der Weyden ingelijfd), het openbaar ambt (door de eis van tweetaligheid en het feit dat francofonen daar niet aan willen) en hun geld (door de investeringen in de Antwerpse haven).
Hij rekent af met de historici en de journalisten die beweren dat België als natie vroeger al bestond, bijvoorbeeld onder de Bourgondiërs, maar pas als staat in 1830 kon worden gerealiseerd.
Destrée kijkt liever naar de verschillen tussen Vlamingen en Walen, en die feiten somt hij meedogenloos op. De groene Ardennenwouden golven op heuvelen met een rotsachtige ondergrond, Vlaanderen is plat en zanderig. Geologisch gezien is het een dubbelland. Zelfs de ondergrond is anders.
Zoals de landschappen verschillen ook de mensen. Een Kempische boer en een Waalse arbeider zijn twee verschillende mensensoorten. Vlaanderen is in grote mate een landbouwland, Wallonië is in grote mate een industrieel gewest. In Vlaanderen is de grote massa katholiek, en zelfs op een agressieve en weinig verheffende wijze, in Wallonië is het geloof een gewoonte geworden en telt men veel vrijdenkers.
Destrée laakt tussendoor de Brusselse bourgeois (het type dat zijn plaats, eerbetoon en wedde te danken heeft aan België), en het officiële, kunstmatige patriottisme dat de koning omringt.
Maar het ultieme bewijs volgens Destrée voor de fundamentele tweeledigheid van het rijk, is de taal.
De Waalse Beweging
In 1873 had het Belgische parlement immers een eerste taalwet goedgekeurd. Nederlands in strafzaken was voortaan toegestaan. En andere taalwetten waren gevolgd. Het Nederlands wordt een tweede landstaal.
Ambtenaren die in Vlaanderen werken zien de bui hangen en ijveren er voor het behoud van de suprematie van het Frans. De allereerste Waalse bonden worden daarom in Vlaanderen en Brussel opgericht, pas daarna in Wallonië zelf. Ze zijn antiflamingantisch en belgicistisch van karakter.
De Walen van Luik en Charleroi, die zich eigenlijk willen afzetten tegen het Frans ten voordele van het Waals, kijken alleen maar toe, wachten af en verspelen zo de kans dat het Waals ooit nog een cultuurtaal kan worden. De staat van het Nederlands in Vlaanderen is in het midden van de negentiende eeuw niet beter dan de staat van het Waals in Wallonië.
In 1913 krijgt Wallonië een vlag en een wapen, de Waalse haan, maar de francofonie van de Frans sprekende burgerij met al haar behoudsgezinde eisen leunt te sterk op de prille Waalse beweging. Dit bondgenootschap doet hun veel tijd verliezen en maakt ook een snelle hervorming van de Belgische staat op basis van een overeenkomst tussen Vlaanderen en Wallonië onmogelijk.
Dat is de tragiek die Guido Fonteyn doorheen zijn boek betreurt, deze ingewikkelde driehoeksverhouding, het feit dat de Waalse en de Vlaamse beweging in elkaar steeds vijanden hebben gezien, terwijl zij beiden de Belgische unitaire staat en de francofonie bestreden. Er bestaat een Belgische en Vlaamse dynamiek, die Wallonië naar de verdrukking drijft.
Diegenen die eertijds ijverden voor de primauteit van het Frans in België, nadien voor het behoud van deze primauteit in Vlaanderen, in Antwerpen, in Gent, in Oostende, zijn dezelfden die heden ten dage Brussel als een homogeen Franstalige stad blijven beschouwen, en die achterhoedegevechten leveren op de taalgrens en in Voeren. Ze zijn een culturele subgroep geworden, terwijl Vlaanderen en Wallonië uitgroeien tot quasi-zelfstandige naties.
Het Belgische parlement zal in 1962 bovengenoemde taalgrens op de kaart van België trekken op basis van de volkstalen, en niet op basis van een volksraadpleging of een andere politieke uiting. De landstaal in Wallonië is het Frans, en het Waals dient er voor huis-, tuin- en keukengebruik. Een beetje zoals de relatie tussen het Fries en het Nederlands.
Alleen het feit dat een Kaiser en een Hitler in amper twee generaties tijd twee keer België veroverd hebben gaf de zich ontbindende staat een halve eeuw respijt.
In beide landsdelen wordt tijdens de Tweede Wereldoorlog overigens in gelijke mate gecollaboreerd door de burgerbevolking. Alleen: de Waalse beweging gaat overwegend in het verzet terwijl een goed deel van de Vlaamse beweging collaboreert, wat het imago van latere generaties Vlaamsgezinden onherstelbaar zal besmetten.
Fonteyn besluit met de Eenheidswet, die in 1960 door de regering Gaston Eyskens (met liberalen en christen-democraten) gelanceerd wordt, wanneer België niet langer kan rekenen op de opbrengsten van de kolonie Belgisch-Kongo, die onafhankelijk was geworden.
Om maatregelen te nemen voor de economische expansie, de sociale vooruitgang en het financieel herstel vroeg de regering aan het parlement om bijzondere bevoegdheden. De Waalse socialist André Renard leidt het verzet hiertegen en werkt de strijd vóór federalisme en voor een autonomer Wallonië in de hand.
De Waalse beweging zal uiteindelijk de Franstalige Brusselaars loslaten - hun enige gemeenschappelijke punt is antiflamingantisme - en verliest hopen energie met gehakketak om de taalgrens. Ook José Happart komt nog even voorbij. De bescherming van de francofonie in geheel België blijft de Waalse zaak hypothekeren.
Besluit
Met die stelling eindigt Guido Fonteyn zijn boek. De waarde van dit historisch overzicht bestaat erin dat het efficiënt aantoont dat de mythe van de Franstalige Belg, als archetype, niet bestaat. Een Waal verschilt hemelsbreed van een Franstalige Brusselaar.
Uitstekend qua opbouw is dat Fonteyn telkens zijn vorige hoofdstuk - met zijn veelheid aan details - goed samenvat alvorens een nieuw te beginnen. Die opstapjes zijn comfortabel.
Daar dit boek alleen maar over Wallonië gaat, en Brussel buiten beschouwing laat, draagt het echter weinig bij tot een goed begrip van België in zijn geheel en het gedoe rond Brussel-Halle-Vilvoorde. Dat kan onmogelijk een verwijt zijn, omdat het daar nooit voor was bedoeld. Dat vraagt om een ander, technischer boek, hoewel Fonteyn hier al duidelijk standpunt inneemt.
"België is een proces, een manier van discussie die navolging verdient en die gekenmerkt wort door geweldloosheid. De staatshervorming heeft de Walen en Vlamingen verantwoordelijkheid geschonken."
Een zwakte van Wallonië is wel dat het al bij al een betrekkelijk klassiek geschiedenisboek is. Veel gegoochel met abstracties, veel oorlog, veel algemene tendensen. Weinig tastbare mensen. Wallonië bestaat niet, denk ik dan. Er bestaan alleen mensen die in Wallonië wonen.
Het boek verklaart bijvoorbeeld niet het beeld dat onlangs nog door Kamagurka werd opgerakeld toen hij voor Man Bijt Hond de landsgrenzen afdweilde: dat van de intens verveelde jonge Waal, voortschuifelend in joggingpak, behorend tot de derde generatie die leeft van een werkloosheidsuitkering en dat niet meer dan normaal vindt.
In 2004 schreef Fonteyn een nieuw boek, Afscheid van Magritte : over het oude en nieuwe Wallonië, dat ik binnen afzienbare tijd wil lezen. Hopelijk slaat het een brug tussen de laatste communautaire oprispingen die door dit boek worden behandeld en de situatie nu.
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://nl.wikipedia.org/wiki/Wallonië
> http://nl.wikipedia.org/wiki/Brussel-Halle-Vilvoorde
Guido Fonteyn, Wallonië
222 p.
Uitgeverij Atlas, 1994
____