zondag 30 september 2007

Classic essay on nerds and tact filters

"All people have a "tact filter", which applies tact in one direction to everything that passes through it. Most "normal people" have the tact filter positioned to apply tact in the outgoing direction. Thus whatever normal people say gets the appropriate amount of tact applied to it before they say it. This is because when they were growing up, their parents continually drilled into their heads statements like, "If you can't say something nice, don't say anything at all!"

"Nerds," on the other hand, have their tact filter positioned to apply tact in the incoming direction. Thus, whatever anyone says to them gets the appropriate amount of tact added when they hear it. This is because when nerds were growing up, they continually got picked on, and their parents continually drilled into their heads statements like, "They're just saying those mean things because they're jealous. They don't really mean it.""

> GeekPress

____

Vicente Huidobro

"Vicente García-Huidobro Fernández (1893–1948) was a Chilean poet born to an aristocratic family. He was an exponent of the artistic movement called Creacionismo ("Creationism"), which held that a poet should bring life to the things he or she writes about, rather than just describe them."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Vicente_Huidobro
> essay van Piet Devos over Huidobro [filogopolis]
____

A Colouring Book of Abstract Line Art


zaterdag 29 september 2007

De bijeneters - Peter Terrin

Peter Terrin (1968) is een jonge, beloftevolle Belgische schrijver die bij de zogenaamde 'dertigers' wordt gerekend — zie ook: Annelies Verbeke, Dimitri Verhulst, Jan van Loy, Christophe Vekeman, Tom Naegels e tutti quanti. In zijn proza staat hij een soberheid voor die kennelijk zo uitzonderlijk is in Vlaanderen dat critici en flaptekstschrijvers dankbaar referenties als Hermans, Kafka, Camus en Elsschot uit de kast halen.

Gênant vind ik dat, de devaluatie van voornoemd kwartet, en getuigend van luiheid en een selectief geheugen. Net of er bij de Noorderburen geen 'geserreerde' en 'beklemmende' verhalen op niveau verschijnen. Worden die dan ook meteen in verband gebracht met Camus en Kafka?

Peter Terrin laat zich die verwijzingen welgevallen van hieruit gezien, en waarom zou je ook niet. Hij lokt het zelfs een beetje uit, door in deze bundel woordelijk te verwijzen naar de schrijver van De vreemdeling en het eerste, inderdaad behoorlijk claustrofobische verhaal 'De verdachte' te noemen.

Deze ruimte blijkt inderdaad zeer geschikt voor een verhoor, dacht Karlsson. De muren zijn blank, er dringt geen enkel geluid door, niets verwijst naar de wereld buiten. Hier is daadwerkelijk alles mogelijk.
Claustrobisch én autistisch, moet ik zeggen.
Hij voelde geen verandering, toch maakte de aanwezigheid van het mes zijn zintuigen scherper. Hij zag glinsterende zandkorrels in de betonnen bloembakken. Hij rook parkeerlucht, waarin rubber overheerste, die ergens ver uit zijn buurt uit de ondergrond werd geblazen.

[...]

Eensklaps verdween alle evenwicht. De grond onder zijn voeten. Duwen en trekken, scherpe vingernagels van een oudere heer klauwden in zijn hand, toen die verschrikt ruimte wilde maken, lange vrouwenharen zwiepten in zijn gezicht en mond, smaakten chemisch. Zijn lichaam verduurde vele onbekende aanrakingen, hij voelde zich een speelbal, want hijzelf nam nauwelijks deel aan het ontstane tumult. Hysterisch geschreeuw verdoofde zijn gehoor, ook zijn concentratie. Hij probeerde er zicht op te krijgen hoe hieraan te ontsnappen. Hij bood vooralsnog geen weerstand, maar de commotie nam hand over hand toe. Nu pas welde onrust in hem op, hij voelde het onder zijn borstbeen, zoals bijtend maagzuur kon het niet worden genegeerd. Hij probeerde het te bedaren, op de plaats te houden, het mocht niet naar zijn hart stijgen. Hij was dicht bij de uitgang, had zelfs buiten op het voetpad gestaan, maar de massa dreef hem terug. Hij voelde de hete blaaslucht aan zijn linkeroor. Weliswaar zou de opschudding vanzelf luwen, nog maar net was ze begonnen, en hij kon niet langer wachten. Met brute kracht, blind voor ongemak of pijn van anderen, baande Karlsson zich de kortste weg naar binnen, het winkelcentrum in."
Maar of dat modewoord 'beklemmend' hier van toepassing is? The proof of the pudding is in the eating. Een jaar na lectuur herinner ik me weinig meer dan nog twee andere verhalen uit De bijeneters: 'De moordenaar' (een binnenstebuiten gekeerde detective-story die uiteindelijk een beetje tekort komt) en mijn favoriet 'Fiji', over een ongelukkige zendmastamateur.

Alleen 'Fiji' vond ik voldoende particulier om geloofwaardig te ogen. Stilistische soberheid kan immers nooit een excuus zijn voor inhoudelijke algemeenheid.

Wat de rest van de verhalen betreft, en hun samenhang: de ondertitel Zeven variaties schijnt me pseudo-diepzinnig toe, een nogal makkelijk touwtje waarmee de uitgever de bundel samenbindt en aan de man wil brengen.

Ik hou deze Terrin (niet uitspreken op zijn Frans, geloof ik) niettemin in de gaten en zal haast blindelings zijn volgende boek lezen. Tot die tijd moet ik nog door de roman Blanco en een stuk of wat oudere verhalenbundels zien te raken.

Wie met Terrin wil beginnen raad ik niet deze verzameling aan, maar de zeer sfeervolle roman Vrouwen en kinderen eerst : de ontmanteling van AR-289. Een goede instapmogelijkheid bieden ook de columns die hij voor Knack schrijft.

Maar de beste dertigers blijven tot nader order Dimitri Verhulst en Yves Petry. Moet ik nodig eens een paar html-pagina's aan wijden.

(Gebaseerd op notities van 18 juni 2006.)

> lees een fragmentje uit dit boek op Prins van Denemarken

Peter Terrin, De bijeneters : zeven variaties
171 p.
De Arbeiderspers, 2006
____

Staatsvervorming



vrijdag 28 september 2007

Europa - Tim Parks

Jeremy Marlowe is een Engelse docent die al meer dan twaalf jaar Engels geeft aan de universiteit van Milaan, en aldus sterk doet denken aan zijn schepper Tim Parks, ook docent Engels in Italië, zij het in Verona.

Vijfenveertig lentes telt Marlowe, precies de leeftijd waarop volgens de overlevering Nietzsche is gek geworden. We volgen hem op een busreis met een stel collega's en studenten op weg gaat naar Straatsburg om een petitie in te dienen tegen de financiële discriminatie van buitenlandse leerkachten. Hun salaris wordt onrechtmatig verlaagd, klagen ze, en het aantal jaren dat hun contract vernieuwd kan worden werd onlangs tot vier jaar beperkt.

De petitie en bijbehorende protestkreet is tenminste de beweegreden van de organisator van de trip, Vikram Griffiths, een Indiër uit Wales. Jerry Marlowe reist eigenlijk alleen maar mee omdat zijn voormalige maîtresse, een frivole, intellectuele Française, ook van de partij is. Marlowe, die in een midlifecrisis verkeert, zijn vrouw heeft verlaten en een lesbisch dochtertje heeft, wil aan zichzelf tonen dat hij genoeg karakter bezit om niet toe te geven aan zijn lusten.

Verder op de bus hebben plaatsgenomen: Georg, een Duitser van Poolse afkomst, alsmede een Ierse romancier, de Griekse Dimitra, een Italiaan en nog een stuk of wat andere kleurrijke figuren. Gekrakeel in zowat alle Indo-Europese talen weerklinkt, maar onder de kameraadschappelijke, op alcohol draaiende nervositeit steekt een niet geringe levensangst.

"Man of vrouw, allemaal zijn we bang om naar huis te gaan, omdat de meesten van ons veertig en ouder zijn en gevangen zitten in deze plaats waar het leven ons ooit heeft gedeponeerd, in dit binnenwatertje waar herfstbladeren langzaam rottend ronddrijven (…)"

De lezer merkt vlug dat er van hooggestemde principes geen sprake is bij het groepje, van wie weinigen geloven dat hun petitie door de bureaucratische molen zal komen van het Europees parlement, wiens exacte functies, macht en rechten trouwens geen van de reizigers begrijpt.

Het multiculterele onderonsje mondt al snel uit in verveling en in halfslachtige pogingen "volwassen studentes in de gleuvenval te lokken." Of nog: "De dubbelzinnigheid van de Eurowip!". Onderweg bekijkt de bus de film Dead Poets Society, die hen sterkt in hun sentiment en egoïstische motiefjes.

En zo hobbelt de roman verder, eerst op de bus, dan in een anonieme hotelkamer in een voorstadje van Straatsburg met slechte reproducties aan de muren, en ten slotte in de foyer van het Europees Parlement.

Nou ja, hobbelen... De lezer komt nooit los van de figuur Jerry Marlowe. We volgen alle gebeurtenissen via zijn mentale gesteldheid -- gekenmerkt door topzware tobberijen, zelftwijfel en walg. Jerry blikt terug op zijn relatie en kampt met schuldgevoelens. Allemaal door zijn oud lief: "Zij is het centrum van de wereld en dit reisje is een maalstroom die mijn brein in één richting kanaliseert (...)"

In de kantlijn vallen er af en toe bedenkingen te rapen over de Europese Unie, veelal terugkoppelend naar het ontstaan van de Europese oergedachte bij de antieke Grieken

"wier cultuur aan de basis lag van de Europese identiteit en wier alliantie van stadstaten waarschijnlijk het eerste voorbeeld van een Europese samenwerkingsverband was geweest, hoewel dat natuurlijk in eerste instantie was opgericht tegen een vijand van buitenaf, en niet in naam van wat voor mooie principes ook (…)"

"(…) de eerste keer dat er sprake was van Europa als geografische entiteit (was dat bij Theocritus?) werd alleen maar de Peloponnesus bedoeld, en alleen maar om de Peloponnesus te onderscheiden van Azië, alleen maar om te laten zien dat het kleine schiereiland niet was opgeslokt door de vormeloze massa van een steeds groter wordend Azië. Dat herinner ik me tenminste, correct of misschien verkeerd, uit een boek dat ze me liet lezen, herlezen, in haar volhardende en waarschijnlijk lovenswaardige poging om mij mijn ambitie te laten terugvinden, om mij iemand te laten worden, en daar ging het misschien om, voor wie ze respect kon hebben. Europa, zoals ik het me herinner, was aanvankelijk een claim op onderscheid."

De finale van Europa, kan ik u zeggen, stelt teleur.

De roman voldoet ook niet als satire -- als dat tenminste het opzet van Tim Parks is geweest. Europa is een voorbeeld van hoe fictie nauwelijks iets toevoegt aan de non-fictie van alledag. Het boek is te loom en te lang. Het bijt niet. Goed, Parks citeert dan wel een Thucydides

"We geloven, uit traditie als het de goden betreft, en uit ervaring als het de mensen betreft, dat elk wezen, als gold het een natuurwet, altijd alle macht uitoefent waarover zij beschikt."

en herhaaldelijk zelfs, maar zo'n quote slaat dood in de stream-of-consciousness-achtige brei in het brein van een neurotische, krachteloze intellectueel die rondscharrelt in het rommelhok van zijn privé-leven.

Europa is te duidelijk het verzinsel van een literator. Het motief Europa en Jerry's persoonlijke geschiedenis grijpen niet in elkaar, hoe hard Parks het ook probeert, door bijvoorbeeld de Française zeer pro-Europees te maken en met haar ex te laten discussiëren.

"Zij was er trots op Frans te zijn, zei ze, omdat de Franse revolutie aan de basis lag van het moderne Europa. De principes liberté, fraternité en égalité."

Europa lezen is anderhalf uur traag waden in een moeras, waarna het vasteland aan de overkant ook nog eens ontgoochelt. Het gezanik van Jerry's ziel werkt op de zenuwen. De alinea's zijn breedvoerig en toch ondiep. Misschien werkt de roman beter in het Engelse origineel.

Ik heb me dan maar vastgeklampt aan de ironische terzijdes die met de regelmaat en frequentie van een wegrestaurant voorbij komen. Er zijn er te weinig van, wou ik zeggen. Dit is veruit de leukste:

"Plato geloofde niet in de wereld van pure vormen. Zoveel is duidelijk als je De Staat leest. Niemand zag duidelijker dan hij dat de wereld een plek van verandering en bedrog was, en als hij verkoos die plek elke realiteit te ontzeggen en nadrukkelijk sprak over een ideële, echtere wereld daarbuiten, was dat misschien zijn manier om zijn verontwaardiging uit te drukken, een geestelijke ruimte uit te drukken, een plek van verlangen die we allemaal in ons hebben. Waar alles tot stilstand komt. Zoals mijn vrouw, zoals de buitenlandse docenten van de universiteit van Milaan, zoals de visionaire architecten van ons Verenigde Europa, verlangde hij ernaar dat zijn uiteindelijke vorm zou aannemen en tot stilstand zou komen, of dat alle beweging tenminsten geneutraliseerd zou worden in herhaling, in ritueel, net zoals zijn strak geordende wereld van wijsgeer-koningen de eeuwige harmonie der sferen moest weerspiegelen. Hij verlangde naar een definitieve plaats voor ieder mens, voor altijd, met een exact omschreven en toegewezen rol voor altijd, naar autoriteit, evenwicht, rechtvaardigheid. Aldus Europa. Aldus ons uiteindelijke thuis. Onze vaste baan. Het einde van strijd. Het einde van strijd. Het einde van armoede. Het einde van geschiedenis. De vorm van een appel, gedefinieerd. De ingrediënten van een ijsje, gedefinieerd. Pure vorm. Ultieme solidariteit in een wereld waar geperfectioneerde techniek alle lijden zal verwijderen. Alle onrecht hersteld zal worden."

Europa stond op de shortlist voor de Booker Prize 1997, maar haalde het niet van Arundhati Roy en haar De god van kleine dingen. Ik snap die overwaardering niet. Het moet zijn dat in het midden van de jaren negentig een goeie brok euroscepticisme in verhaalvorm wel werd gesmaakt in Groot-Brittannië.

Ik vond Europa boudweg saai. De nationaliteitsverschillen komen te weinig uit de verf. Multiculturaliteit vergaat hier in een vervelend esperanto -- een taal waar niemand wakker van ligt. Trouwens, Europa is sowieso een stuk fictie, een verafgelegen en dor gegeven, en ongeschikt voor een roman die realisme beoogt. Europa is als een huis met een te hoog plafond. Een stationshal. Nuttig, jazeker, maar wie voelt zich thuis in een stationshal?

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://www.timparks.com/ (een zeldzaam lelijke site)

Tim Parks, Europa
265 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1999
Oorspr. Europa (1997)
Vertaald door C.M.L. Kisling
____

donderdag 27 september 2007

NerdTest 2.0

AvdB:



Mijn vrouw:




Tien minuutjes fijn vermaak op :

August Stramm

"August Stramm (1874–1915) was a German poet and playwright who is considered one of the first of the expressionists. He also served in the German Army and was killed in action during World War I."

> http://de.wikipedia.org/wiki/August_Stramm

____

Typographer

The Typographer.org website is an eternally evolving not-for-profit typography project. During its fourth and current phase, it is a joint project between David and Yves Peters – David providing the bulk of news items and in the role of publisher, with Yves writing comprehensive reviews of the cream of recent typeface releases.

> http://www.typographer.org/
____

woensdag 26 september 2007

Gedichten 1953-1998 - Adriaan De Roover

Wie een kijkje neemt op mijn zustersite, ziet dat de meeste poëzie op Prins van Denemarken hier onbesproken blijft. Dat heeft te maken met een zekere schroom. Nog lastiger dan keuvelen over mediocere romans is het recenseren van matige poëzie. Tenzij je de tijd hebt om van een poëziebespreking een gloedvol prozaminiatuur te maken, en die heb ik niet, verzandt recenseren al gauw in het bedenken van synoniemen voor je afkeer of bewondering. Dat is te mager.

Je kan natuurlijk netjes thema's en motiefjes in kaart brengen, maar dat is niet de manier waarop ik poëzie lees. Gedichten zijn voor mij kortstondige sensaties in taal, en breng dat maar eens onder woorden.

Maar zo af en toe komt er een bundel voorbij die een ruimere belangstelling verdient en dan kan ik moeilijk mijn mond houden. Deze Gedichten 1953-1998 hoort daarbij.

Adriaan De Roover leerde ik kennen via de genietbare correspondentie die hij voerde met Pierre Kemp. Op de kaft van deze verzamelde gedichten wordt hij weggezet als een van de meest oorspronkelijke experimentele dichters. Dat betekent zoveel als: geen hond leest hem nog.

Zeer ten onrechte. Zijn poëzie, hoofdletterloos getypografeerd, deed me denken aan Lucebert en Paul Snoek, twee dichters die ik zeer hoog heb zitten. Heel mooi zijn de reeks korte signalementen van grote jazzmusici.

gerry mulligan

hoor zo
de donkere octaven
van een traag opwindend leven
in koelen bloede
de moorden door de vingers kijken
en de lippen plooien
als een bloemeter
in een saksisch park
weerlozer uur na uur
scheuren de schrikdraden
tot wuivend geluid
Wie van een gedicht het uitzicht verlangt van een gladgepolijste kei, zal dit oeuvre niet zo hoog inschatten. De Roover schrijft intuïtief associërend. Het is zeer lastig om je na lectuur van een gedicht voor de geest te halen waar het ook alweer over ging. De Roovers poëzie draait om the magic of the moment.

Zo heb ik het graag. Grillig. Als kind had ik er plezier in met een waterpistooltje op de verandategels kleine plasjes te spuiten en naar de onregelmatige contouren te turen. Het waterpistool ben ik ontgroeid, en poëzie moet nu maar een alternatief bieden. De Roover heeft trouwens ook iets met pistolen.
holland

spreekuit de natte stem spreekuit
de vinger op de trekker
van een woordpistool
de zenuwzee beheerst
het ogenloos vertrouwen
dat elke morgen monochroom wordt
groot en rood als rothko
een zilveren lucht
uit hollands gouden eeuw
en ergens achter een dijk van bijbels
sluimerend tumult
van rotterdammerung
Waarom De Roover geen klinkende naam is geworden, in tegenstelling met Remco Campert, met wie hij ook verwant is, weet ik niet, maar ik heb wel een vermoeden. Er steken geen klassieke verzen in zijn oeuvre, het zal voor lezers boven de Moerdijk te opzichtig decadent ogen
de schoonheid is oud geworden
en dor als olmenmolm
en De Roover strooit nogal kwistig rond met woordspelingen, van het soort dat op een groot bataljon tegenstanders kan rekenen: "het hoerwoud", "nevelleven", "de hangende tonen van babylon", "de handen wassen in vermoorde onschuld", "alleen de weerhaan weet waarheen"...

Bovendien, zoals eerder vermeld, blijven weinig gedichten hangen. Het zijn fikse feeërieën, plezierig voor de duur van een ogenblik. Ze hebben te kampen met een zekere willekeur. De Roover is goed in het bedenken van openingsregels

aan haar rechterzij
ligt een linkshandige minnaar

[...]

dit is de achterbuurt
van horen zien en zwijgen

[...]

de stad omringt mij
met de stilte van hinderlagen

[...]

de nacht blaft al in de honden

[...]

weer loopt een blinde engel door de bittersteeg

waarna de rest van het gedicht dat niveau niet meer haalt. Laat ik nog een couplet citeren om te tonen wat ik bedoel.
ergens hinken angsthengsten
door de stilte van het gras
de wind draagt
het gerucht van vlinders
die verwaand hun vleugels sluiten
Het dichtwerk van Adriaan De Roover is niet omvangrijk, hetgeen ook al niet in zijn kaarten speelt. Gedichten 1953-1998 bevat vijf en een halve bundel. Van 1965 tot 1984 hing de dichter uit Mortsel zijn lier immers aan de wilgen.

Na die lange pauze is er een versobering merkbaar in De Roovers aanpak. Hij gebruikt een hoop minder composieten -- zoals "jambenhonger" of "droombeulen" vroeger. Naar eigen zeggen "hongert hij zijn woorden uit".
dichter bij de dood
schaf ik mijn alfabet af
en houd slechts klinkers over
de kinderogen van het woord
Veel van die recente gedichten gaan over de erotiek. Daarnaast klinkt Adriaan De Roover meer dan eens bitter over het failliet van zijn dichterschap. Hij "vervoegt werkwoorden die hij niet verstaat", is "meester van een taal die niemand spreekt". De dichter kampt met apathie.
het oog dof
het oor doof
de stem schor
de huid schors
Er staan ook veel poëticale gedichten in het laatste kwart van dit boek, en dat is altijd een slecht teken. Maar daar wil ik het eigenlijk niet over hebben. Dit is een fors ondergewaardeerd oeuvre, laat ik daarom van de resterende ruimte gebruik maken om twee favorieten aan te halen.
parochie

vrouwen vouwen horizonten
over de verkoolde zondagen
van een witte beschaving

met hun toren van wandaad
likken de dorpen
de melk der kerken
het etteren der letters
het doorzichtige vlees
in het kuise blauw gedrenkt

ergens moet er een klank zijn
die de waarheid kleurt
met de geur van de leugen


de verzamelaar

ik ben te vrede
met mijn leegstaande bomen
mijn papieren vogels
en het vage vuur van haar armen

de zondag regent op de maandag
de zolders liggen vol puin
en onder de bedden
ligt een lied
dat kinderen in het donker zingen

ik heb dit alles zelfbetaald
ik heb van niemand iets gekregen
ik verzamelde verwoed
zeldzame tekens van leven
De eerstvolgende keer dat ik in de Wolstraat in Antwerpen kom, kijk ik in antiquariaat Demian of ze nog een exemplaar over hebben van De Roovers retrospectieve. Deze uitgave heeft de mooiste cover die ik in tijden gezien heb op een poëzieboek.

> lees nog een gedicht uit deze bundel op Prins van Denemarken
> Sabrina Maes over Adriaan De Roover [meander]

Adriaan De Roover, Gedichten 1953-1998
277 p.
Uitgeverij Demian, 1998
____

dinsdag 25 september 2007

Wallonië - Guido Fonteyn

In het kluwen rond Brussel-Halle-Vilvoorde hoor je om de haverklap dat Vlamingen en Walen elkaar niet kennen.

Dat klopt.

België kent twee totaal verschillende publieke opinies. Er is behalve het communautaire gekissebis ontzettend weinig oorspronkelijk Waals nieuws dat de Vlaamse media haalt. De gemiddelde Vlaming weet misschien drie Bekende Walen op te noemen.

Het beeld van Wallonië dat door veel Vlaamsgezinde politici met clichés wordt gevoed, vult de gemiddelde Vlaming hoogstens aan met een paar vakantieherinneringen in de Ardennen.

Ik ben een gemiddelde Vlaming. En omdat ik vermoed niet eens tien minuten bij elkaar te kunnen improviseren bij een eventuele opgelegde spreekbeurt over Wallonië, las ik deze monografie van Guido Fonteyn.

Een belangrijk misverstand werd al snel uit de wereld geholpen. De opvatting als zou het Waals een afkooksel zijn van het Frans. Dat is het helemaal niet. Net dat fundamenteel inzicht ligt aan de basis van een beter begrip van Wallonië en - bij uitbreiding - België.

Het dezer dagen als grote boosdoener afgeschilderde Wallonië ontstaat als politiek en staatkundig begrip ook pas in de negentiende eeuw. Voorheen was het een grote, intern verdeelde lappendeken.

"Wallonië is Frankrijk geweest, en het prinsbisdom Luik, en de graven van Luxemburg, en het huis van Limbourg, én Waterloo ook vooraleer er Wallonië was."

Hetgeen niet betekent dat er al niet van oudsher werd gevochten tussen Vlamingen en Walen.

De Belgen van wie Caesar de dapperheid loofde, zwierven in de tweede en derde eeuw voor Christus met een aantal andere Keltische stammen in de landstreek tussen de Seine en de Marne, en de Rijn en de zee, door oprukkende Germaanse stammen naar het zuidwesten van dit gebied verdreven. In deze grensprovincie van het Romeinse Rijk was het nooit helemaal rustig. De Romeinen legden er een heirbaan aan, die vanuit Keulen in het oosten naar Bavai in het westen liep.

Het tracé daarvan lag iets ten zuiden van de huidige taalgrens. Vanaf de derde eeuw nam de lokale Keltische aristocratie ten zuiden van de heirbaan het Latijn van de Romeinse bezetters over. Ten noorden van de heirbaan geschiedde dit niet.

"Zo ontstond het Waals, de taal waarin de volkse variant van het Latijn het langst werd bewaard: een taal waarin harde soldatenklanken klinken, waarin de open klinkers van het latere Italiaans en de afrondende, zachte medeklinkers van het Frans nooit werden aanvaard."

Er werd veel strijd geleverd tussen de volkeren aan beide zijden van de heirweg. Het Waals zal trouwens later geduchte concurrentie krijgen van het Frans van de klerken uit de middeleeuwen en van het Frans van het officiële België.

Over wat er tot die tijd gebeurt, gaat Wallonië.

Want zover zijn we nog lang niet. Laat ik hieronder, voor het gemak veelal gebruikmakend van Fonteyns eigen bewoordingen, een synthese maken van zijn boek.

Een boek dat hij laat beginnen met de arme mijnwerker Jules Creteur, die in 1878 in de ondergrond van Bernissart stuit op de grootste verzameling skeletten van iguanodons die ooit is gevonden. Geert van Istendael wijdde er een hele dichtbundel aan. (Zonder boe of ba werden de botten ingepikt door geleerden. Het ministerie van Economische Zaken legde de beheerders van de mijn tevens een boete van 26.000 goudfranken op, omdat ze naar prullen in plaats van naar steenkool hadden laten delven.) Een opmaat is dit, om in de sfeer te komen.



Wallonië bestaat uit drie delen. Het westelijk gedeelte heeft Doornik (Tournai) als hoofdplaats - 'het Brugge van Wallonië' - en deelt met Frankrijk een lange gemeenschappelijke geschiedenis. De Merovinger Clovis bouwde in de vijfde eeuw Frankrijk op vanuit Doornik. Uit 'Clovis' zou het Franse ‘Louis’ ontstaan. Doornik bleef grensstad in het grote Frankrijk tot in de zestiende eeuw.

De Ardennen, met stadjes als Bouillon (van waaruit Godfried ooit op kruisvaart vertrok), La Roche-en-Ardennes en Bastogne, hebben weinig te maken met het luidruchtige socialisme tussen Samber en Maas. Het is een van de laatste natuurgebieden in West-Europa, dat in het Oosten overloopt in de Duitse Eifel en in het zuiden zich uitstrekt tot bijna in Reims. De benaming Ardennen, ouder dan de benaming Wallonië, komt van Ar-Den, het Keltische woord voor eik. Nu staan er vooral dennen, in het begin van deze eeuw aangeplant om industriehout te leveren.

Ten slotte heb je dus die industriële as van Samber-en-Maas, met steden als Charleroi, Namen (waar het parlement zetelt) en Luik. Deze steden groeiden in de negentiende eeuw sterk naar elkaar toe onder invloed van de zware industrie. Hier heerst tot op vandaag het socialisme.

Vooral Luik verdient ons aandacht.

"Het lot van het mooie Luik is geweest om zelf zijn geschiedenis te bepalen in tegenstelling met het zelfvoldane bourgeoise Namen of de luidruchtige en vulgaire lellebel Charleroi."

Luik
De geschiedenis van Luik (Liège) begint wanneer de Merovingers zich de macht laten afsnoepen door hun hofmeiers, o.a. Karel Martel en Pepijn de Korte. De zoon van deze laatste, Karel de Grote werd in 742 op de oevers van de Maas geboren bij Luik. Hij zou in de streek blijven wonen, in Luik, Jupille, Herstal en Aken. Wanner de relieken van een van zijn religieuze roergangers, bisschop en martelaar Lambertus van Tongeren, naar Luik worden overgebracht, groeit het onbeduidende dorp uit tot een drukbezocht bedevaartsoord.

In 843 (Verdrag van Verdun) verdeelden de nazaten van Lodewijk de Grote, opvolger van Karel de Grote, het rijk in drie delen: Frankrijk, Duitsland en Lotharingen (een gebied van Friesland tot Toscane). In dit Lotharingen kwam Luik tot ontwikkeling.

Later ging Lotharingen afhangen van het Duitse Keizerrijk. Otto I de Grote riep Luik en omstreken uit tot prinsbisdom. Met dit statuut kon Luik gedurende eeuwen uitgroeien tot een semi-autonome staat.

De wijsgeer Gozechin uit Mainz kende Luik de eretitel ‘Athene van het Noorden’ toe toen prins-bisschop Notger zijn gezag vestigde op het begrip humanitas, naar het voorbeeld van het oude Griekenland. Hoei, Dinant, Floreffe en Zinnik delen in de bloei. Luik telt in die tijd ook twaalf Vlaamse steden (in het huidige Limburg).

Tussen de dertiende en de zestiende eeuw moesten de Luikenaars een paar keer hun rechten en vrijheden gewapenderhand verdedigen. Zo ook tegen Hendrik I, de hertog van Brabant. Hij werd in 1213 definitief verslagen bij Steppes. Dat niet op deze datum de geschiedenis van België is gebouwd, maar op het jaar 1302, toen de poorters van Brugge en Gent met hun bondgenoten het Franse ridderschap versloegen, lokte veel Waalse wrevel uit – iets wat je als adolescente Vlaming nooit te horen krijgt in de geschiedensles. Als gevolg van dit soort veertiende-eeuws adelijk wapengekletter verliest Luik langzaam maar zeker aan invloed op het gebied van de kunsten en de wetenschappen. De klerken trekken naar de universiteit van Parijs.

Wanneer in het begin van de vijftiende eeuw de Romeinse paus (er zit er immers ook eentje in Avignon) Bonifatius IX Jan van Beieren installeert als prins-bisschop van Luik, komt de bevolking van 'de Vurige Stede' opnieuw in opstand. Jan van Beieren doet echter een beroep op zijn schoonbroer Jan zonder Vrees, hertog van Bourgondië, op zijn broer Willem IV, graaf van Henegouwen en Holland, evenals op de graaf van Namen, Willem II. Tegen deze coalitie is het volksleger van Luik niet opgewassen.

Een laatste keer komen de Luikenaars in het verweer, wanneer Louis de Bourbon er op de troon zit, als een onderdeel van een plan waarbij Filips van Bourgondië onder één gezag de graafschappen van Vlaanderen en Henegouwen en de hertogdommen Brabant, Limburg en Luxemburg had verenigd. Alleen Luik ontbreekt nog. Bourbon roept de hulp in van Karel de Stoute. Het oproerige Luik wordt platgebrand, geplunderd en uitgemoord. De later burgemeester Erard de la Marck regeert met ijzeren hand maar slaagt erin de neutraliteit van Luik te vrijwaren. Voortaan kunnen buitenlandse troepen ongestoord het grondgebied doorkruisen.

Als in Parijs de Franse Revolutie uitbreekt breken de burgers van Luik de kathedraal steen voor steen af. (Zo ontstond de put van de Place Saint-Lambert.) Ze zweren trouw aan Frankrijk en de republiek.

Intussen, elders
Doornik, veel van zijn glorie verloren natuurlijk, maar nog steeds netjes ingebed in het Franse rijk, slaapt.

Verviers wacht op de Engelsman John Cockerill die in 1797 aan de oevers van de Vesder een eerste mechanisch weefgetouw op het vasteland zou installeren.

Namen (Namur), Bergen (Mons), bekend van de processie op Drievuldigheidszondag waarmee men het einde van de pestepidemie van 1348 herdenkt, en Binche, fameus om zijn carnaval dienen als pasmunt voor de grote mogendheden of slapen ook rustig verder.

Dit Namen, aan de samenvloeiing van Samber en Maas, is een graafschap geweest, maar nooit tot een belangrijk graafschap uitgegroeid. Het moest Couvin, Dinant en Fosses aan Luik afstaan. Het is Bourgondisch bezit geweest, Frans bezit, Spaans en Nederlands bezit. Het werd verkocht aan Filips de Goede door de laatste heer van Dampierre, die nog had meegevochten in de Guldensporenslag aan de zijde van de Vlamingen, waardoor op het schild van Namen een Vlaamse leeuw prijkt.

Félicien Rops, vader van de erotische ets, haalt Namen echt uit de anonimiteit, maar dan zitten we al diep in de negentiende eeuw. En dan is er nog tijdgenoot Adolphe Sax natuurlijk, geboren in Dinant, die de saxofoon zal uitvinden. Amerikaanse soldaten namen het ding na de Eerste Wereldoorlog mee naar huis, waar de sax aan een ongeëvenaarde loopbaan in de jazz begon.

Vooraleer het begrip 'Wallonië' een feit is, en de koepelnaam wordt van al deze heterogene gebieden, moet het nog drie etappes door: Frankrijk, Holland en België.



De Franse bezetter

Van 1795 tot 1815 maken Wallonië en Vlaanderen (met andere woorden: de ex-Oostenrijkse Nederlanden en het voormalige prinsbisdom Luik) deel uit van de Franse republiek, later het Franse keizerrijk. In 1794 had de Franse generaal Fleurus bij Charleroi immers de Oostenrijkers verslagen.

Het - nog niet benoemde - Vlaanderen, laten we dat niet vergeten, zal in deze Franse periode definitief partij kiezen tegen Frankrijk. In Vlaanderen heerst tot vandaag de overtuiging dat het onder de Oostenrijkers goed leven was.

In Wallonië lieten de Oostenrijkers geen sporen na en maakt men zich op om ten volle deel te nemen aan het glorierijke Frankrijk. De jaarlijkse verering van Napoleon in Waterloo tot op heden is daar nog een restant van.

Voor het eerst maken Luik en de rest Wallonië deel uit van dezelfde staat. De Franse republiek deelt het land in negen provincies in. Brabant zal pas in 1995 gesplitst worden in Vlaams-Brabant, Waals-Brabant en Brussel. Kortom: Frankrijk heeft het huidige België gemodelleerd.

De Hollandse bezetter
Tussen Frankrijk en België in vormt de Hollandse periode na Waterloo (1815) een klein, maar krachtig intermezzo van vijftien jaar. Lang genoeg voor koning Willem om de Generale Maatschappij op te richten, de staalnijverheid rond Charleroi uit haar isolement te halen, de Samber te rechten, en via waterwegen een verbinding tot stand te brengen tussen het kolenbekken van Mons-Borinage en de haven van Antwerpen. Daarmee bezorgt hij Wallonië voor decennia een basis van welwaart.

De Walen zelf zullen dat anders zien. Lag niet Napoleon aan de basis van de uitbouw van de haven van Antwerpen? De Walen haten Willem omdat hij alles bestrijdt wat uit Frankrijk komt. In zijn grondwet weigert hij het beginsel van politieke vrijheden in te schrijven. Het parlement is onder Willem een onmondig parlement. De pers is niet vrij. Maar bovenal: hij maakt van het Nederlands de landstaal.

De Vlamingen kijken intussen onmachtig toe. Het latere Vlaanderen is dan nog een achterlijk landbouwgewest, oninteressant voor de nieuwe investeerders, en middeleeuws-katholiek. De clerus verwijt Willem het gehate calvinisme op gelijke voet te zetten met het zegevierende, allesoverheersende katholicisme, en zou bij het uitbreken van de omwenteling toekijken. De burgerij in Vlaanderen spreekt al voor een groot deel Frans, een gevolg van de collaboratie tijdens de Franse periode.

Als in juli 1830 in Parijs een zoveelste revolutie uitbreekt, degene die de laatste koning van Frankrijk de kop zou kosten, komen de Walen in opstand. De openbare mening wordt tegen Willem opgeruid. Dat gaat gemakkelijk. Het arbeidersproletariaat is immers misnoegd wegens de invoering van een nieuwe generatie machines.

Brussel blijft onrustig, er komt zelfs versterking tegen de Hollanders uit Wallonië. Het Hollandse leger wordt in het Park van Brussel wandelen gestuurd. Onder andere omdat in dat leger nogal wat rekruten uit de zuidelijke Nederlanden dienst doen, die met weinig enthousiasme tegen hun stads- of streekgenoten vechten. De burgerij kijkt toe.

De geboorte van België
Het Nationaal Congres kiest als staatsvorm de monarchie, uit vrees voor de republiek. Fransen vormen weldra het kader van het Belgisch leger. Frans wordt de landstaal, de taal van het staatblad, het leger en het gerecht, en vervangt in die functie het gehate Nederlands. Hoe cynisch: het volk maakt de revolutie en de burgerij zal er beslag op leggen. Het proletariaat zal bijna honderd jaar moeten wachten op algemeen stemrecht en andere rechten.

Als België na veel vijven en zessen van de geallieerden mag ontstaan in 1830, dient de nieuwe staat enkel als bufferzone tegen het gehate Frankrijk. Het feit dat de Westhoek het slagveld wordt van de Eerste Wereldoorlog bewijst het gelijk van die strategie.

De reünionisten, die zich opnieuw aan Frankrijk willen hechten, want die zijn er ook, krijgen hun zin niet. Een Engelse kandidaat, Leopold van Saksen-Coburg, bestijgt de troon. Maar de Frans sprekende notabelen zijn best tevreden. Waterloo is gewroken en Frankrijk is dichtbij.

Weldra zal, met België, de Vlaamse beweging ontstaan, omdat de Nederlands sprekenden geen vrede konden hebben met het negeren van de taal van het volk. Als een reactie op de Vlaamse beweging zal op haar beurt de Waalse beweging ontstaan, en – uiteindelijk – Wallonië.



Wallonië, vooral de vlakte rond Charleroi, de Borinage en de Centre, wordt op steenkool gebouwd [foto: terrils, kunstmatige heuvels, storthopen van mijnen]. De mijnbouw verandert het landschap, óók dat van de Ardennen, omdat de bevolking daar de streek verlaat en naar de industriezone van Samber-en-Maas vertrekt.

Tussen 1840 en 1850 evolueert Vlaanderen, een achterlijk landbouwgebied, van een staat van armoede naar pauperisme. Gedurende bijna de hele tweede helft van die verschrikkelijke negentiende eeuw lijdt men in Vlaanderen honger.

Sire, er zijn geen Belgen
In 1912 publiceert de Waalse socialistisch politicus Jules Destrée zijn berucht geworden open brief aan koning Albert I, waarin hij stelt dat België weliswaar een politieke staat is, op nogal kunstmatige wijze opgericht, maar zeker geen natie.

Hij betreurt het dat de Vlaamse beweging gekenmerkt wordt door haat tegen Frankrijk, en de slagen die Frankrijk treffen, raken de Walen.

De Vlamingen, volgens Destrée, hebben de Walen hun geschiedenis afgenomen (het overmatige belang dat wordt gehecht aan de Guldensporenslag en de boerenkrijg), hun kunstenaars (Roger de la Pasture wordt vlotjes als Rogier van der Weyden ingelijfd), het openbaar ambt (door de eis van tweetaligheid en het feit dat francofonen daar niet aan willen) en hun geld (door de investeringen in de Antwerpse haven).

Hij rekent af met de historici en de journalisten die beweren dat België als natie vroeger al bestond, bijvoorbeeld onder de Bourgondiërs, maar pas als staat in 1830 kon worden gerealiseerd.

Destrée kijkt liever naar de verschillen tussen Vlamingen en Walen, en die feiten somt hij meedogenloos op. De groene Ardennenwouden golven op heuvelen met een rotsachtige ondergrond, Vlaanderen is plat en zanderig. Geologisch gezien is het een dubbelland. Zelfs de ondergrond is anders.

Zoals de landschappen verschillen ook de mensen. Een Kempische boer en een Waalse arbeider zijn twee verschillende mensensoorten. Vlaanderen is in grote mate een landbouwland, Wallonië is in grote mate een industrieel gewest. In Vlaanderen is de grote massa katholiek, en zelfs op een agressieve en weinig verheffende wijze, in Wallonië is het geloof een gewoonte geworden en telt men veel vrijdenkers.

Destrée laakt tussendoor de Brusselse bourgeois (het type dat zijn plaats, eerbetoon en wedde te danken heeft aan België), en het officiële, kunstmatige patriottisme dat de koning omringt.

Maar het ultieme bewijs volgens Destrée voor de fundamentele tweeledigheid van het rijk, is de taal.

De Waalse Beweging
In 1873 had het Belgische parlement immers een eerste taalwet goedgekeurd. Nederlands in strafzaken was voortaan toegestaan. En andere taalwetten waren gevolgd. Het Nederlands wordt een tweede landstaal.

Ambtenaren die in Vlaanderen werken zien de bui hangen en ijveren er voor het behoud van de suprematie van het Frans. De allereerste Waalse bonden worden daarom in Vlaanderen en Brussel opgericht, pas daarna in Wallonië zelf. Ze zijn antiflamingantisch en belgicistisch van karakter.

De Walen van Luik en Charleroi, die zich eigenlijk willen afzetten tegen het Frans ten voordele van het Waals, kijken alleen maar toe, wachten af en verspelen zo de kans dat het Waals ooit nog een cultuurtaal kan worden. De staat van het Nederlands in Vlaanderen is in het midden van de negentiende eeuw niet beter dan de staat van het Waals in Wallonië.

In 1913 krijgt Wallonië een vlag en een wapen, de Waalse haan, maar de francofonie van de Frans sprekende burgerij met al haar behoudsgezinde eisen leunt te sterk op de prille Waalse beweging. Dit bondgenootschap doet hun veel tijd verliezen en maakt ook een snelle hervorming van de Belgische staat op basis van een overeenkomst tussen Vlaanderen en Wallonië onmogelijk.

Dat is de tragiek die Guido Fonteyn doorheen zijn boek betreurt, deze ingewikkelde driehoeksverhouding, het feit dat de Waalse en de Vlaamse beweging in elkaar steeds vijanden hebben gezien, terwijl zij beiden de Belgische unitaire staat en de francofonie bestreden. Er bestaat een Belgische en Vlaamse dynamiek, die Wallonië naar de verdrukking drijft.

Diegenen die eertijds ijverden voor de primauteit van het Frans in België, nadien voor het behoud van deze primauteit in Vlaanderen, in Antwerpen, in Gent, in Oostende, zijn dezelfden die heden ten dage Brussel als een homogeen Franstalige stad blijven beschouwen, en die achterhoedegevechten leveren op de taalgrens en in Voeren. Ze zijn een culturele subgroep geworden, terwijl Vlaanderen en Wallonië uitgroeien tot quasi-zelfstandige naties.

Het Belgische parlement zal in 1962 bovengenoemde taalgrens op de kaart van België trekken op basis van de volkstalen, en niet op basis van een volksraadpleging of een andere politieke uiting. De landstaal in Wallonië is het Frans, en het Waals dient er voor huis-, tuin- en keukengebruik. Een beetje zoals de relatie tussen het Fries en het Nederlands.

Alleen het feit dat een Kaiser en een Hitler in amper twee generaties tijd twee keer België veroverd hebben gaf de zich ontbindende staat een halve eeuw respijt.

In beide landsdelen wordt tijdens de Tweede Wereldoorlog overigens in gelijke mate gecollaboreerd door de burgerbevolking. Alleen: de Waalse beweging gaat overwegend in het verzet terwijl een goed deel van de Vlaamse beweging collaboreert, wat het imago van latere generaties Vlaamsgezinden onherstelbaar zal besmetten.

Fonteyn besluit met de Eenheidswet, die in 1960 door de regering Gaston Eyskens (met liberalen en christen-democraten) gelanceerd wordt, wanneer België niet langer kan rekenen op de opbrengsten van de kolonie Belgisch-Kongo, die onafhankelijk was geworden.

Om maatregelen te nemen voor de economische expansie, de sociale vooruitgang en het financieel herstel vroeg de regering aan het parlement om bijzondere bevoegdheden. De Waalse socialist André Renard leidt het verzet hiertegen en werkt de strijd vóór federalisme en voor een autonomer Wallonië in de hand.

De Waalse beweging zal uiteindelijk de Franstalige Brusselaars loslaten - hun enige gemeenschappelijke punt is antiflamingantisme - en verliest hopen energie met gehakketak om de taalgrens. Ook José Happart komt nog even voorbij. De bescherming van de francofonie in geheel België blijft de Waalse zaak hypothekeren.

Besluit
Met die stelling eindigt Guido Fonteyn zijn boek. De waarde van dit historisch overzicht bestaat erin dat het efficiënt aantoont dat de mythe van de Franstalige Belg, als archetype, niet bestaat. Een Waal verschilt hemelsbreed van een Franstalige Brusselaar.

Uitstekend qua opbouw is dat Fonteyn telkens zijn vorige hoofdstuk - met zijn veelheid aan details - goed samenvat alvorens een nieuw te beginnen. Die opstapjes zijn comfortabel.

Daar dit boek alleen maar over Wallonië gaat, en Brussel buiten beschouwing laat, draagt het echter weinig bij tot een goed begrip van België in zijn geheel en het gedoe rond Brussel-Halle-Vilvoorde. Dat kan onmogelijk een verwijt zijn, omdat het daar nooit voor was bedoeld. Dat vraagt om een ander, technischer boek, hoewel Fonteyn hier al duidelijk standpunt inneemt.

"België is een proces, een manier van discussie die navolging verdient en die gekenmerkt wort door geweldloosheid. De staatshervorming heeft de Walen en Vlamingen verantwoordelijkheid geschonken."

Een zwakte van Wallonië is wel dat het al bij al een betrekkelijk klassiek geschiedenisboek is. Veel gegoochel met abstracties, veel oorlog, veel algemene tendensen. Weinig tastbare mensen. Wallonië bestaat niet, denk ik dan. Er bestaan alleen mensen die in Wallonië wonen.

Het boek verklaart bijvoorbeeld niet het beeld dat onlangs nog door Kamagurka werd opgerakeld toen hij voor Man Bijt Hond de landsgrenzen afdweilde: dat van de intens verveelde jonge Waal, voortschuifelend in joggingpak, behorend tot de derde generatie die leeft van een werkloosheidsuitkering en dat niet meer dan normaal vindt.

In 2004 schreef Fonteyn een nieuw boek, Afscheid van Magritte : over het oude en nieuwe Wallonië, dat ik binnen afzienbare tijd wil lezen. Hopelijk slaat het een brug tussen de laatste communautaire oprispingen die door dit boek worden behandeld en de situatie nu.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://nl.wikipedia.org/wiki/Wallonië
> http://nl.wikipedia.org/wiki/Brussel-Halle-Vilvoorde

Guido Fonteyn, Wallonië
222 p.
Uitgeverij Atlas, 1994
____

WikiHow : Books

Ingetrapte open deur, iemand?

How to...

Appreciate the Message That Is Being Revealed in Short Stories
Become a Comic Book Genius
Become an Avid Reader
Become an Expert on Any Movie or Book
Choose a Good Book
Enjoy Comic Books
Enjoy a Good Book
Enjoy a Spoiled Book
Get Good at Reading
Get Into Reading a Book
Love Reading
Make Reading a Book More Interesting
Make Time to Read a Book when You're Busy
Not Read the Ending of a Book First
Read Good Books
Read Uninteresting Books
Read a Book
Read a Book If You Don't Enjoy Reading
Read a Book Quicker
Read a Boring Book
Read a Picture Book
Read a Whole Book
Read the Classics
Read the Most Boring Book Ever
Repair a Wet Book
Select the Perfect Library Book
Skim Through a Book
Write a Literature Review

> http://www.wikihow.com/Category:Books
____

maandag 24 september 2007

Reizen met Herodotos - Ryszard Kapuscinski

De onlangs overleden Poolse journalist en wereldreiziger Ryszard Kapuscinski beschouwde Herodotos als een van zijn grote voorbeelden. Reizen met Herodotos is een late ode aan zijn leermeester. Het bevat stukken over contreien die ook door de Griekse geschiedschrijver worden behandeld in zijn hoofdwerk Historiën.

Herodotos (vijfde eeuw vC.) maakte in zijn jonge jaren een reeks studiereizen door de dan bekende wereld (o.a. Griekenland zelf, Klein-Azië, Opper-Egypte, Noord-Afrika, delen van het Midden-Oosten, het huidige Oekraïne en de Krim, delen van West-Europa), zodat hij een in zijn tijd zeldzaam brede kennis van de wereld vergaarde.

Rond zijn veertigste levensjaar vestigde hij zich te Athene, waar hij openbare lezingen hield uit zijn reisverslagen. Zo werd hij opgenomen in de kring van vooraanstaande intellectuelen rond de staatsman Pericles. Daartoe behoorde o.a. ook zijn vriend, de tragedieschrijver Sophocles.

Herodotos leefde inderdaad in dezelfde tijd als de grootste Griekse tragici – zie ook Aischylos en Euripides - het gouden tijdperk van het theater, waarbij een toneelstuk doordrongen is van de sfeer van religieuze ceremonieën, volksriten en Dionysos-feesten. In dat klimaat stelt hij zich als taak de hele wereldgeschiedenis zo getrouw mogelijk vast te leggen.

Hij vestigt zich ten slotte in Zuid-Italië om zijn levenswerk te voltooien. In de Historiën (Verslag van mijn onderzoek) behandelt hij de gewelddadige confrontatie tussen Oost en West, tussen 'barbaroi' en Grieken, die zijn voorlopig hoogtepunt beleefde in de Perzische Oorlogen.

In Reizen met Herodotos staan dan ook reisbeschrijvingen van streken waar Kapuscinski al eerder en uitgebreider over heeft geschreven in zijn journalistieke werk. India bijvoorbeeld. In Herodotos' tijd was India een van de twintig provincies ('satrapieën') van de grootste mogendheid in die dagen, Perzië.

Kapuscinski verbaast zich erover hoeveel dingen in India heilig zijn - een heilige stad, heilige rivier, miljoenen heilige koeien - en hoezeer de mystiek het leven er doordringt, met zijn vele tempels, beeldjes en rituele tekens. Hij voelt broederschap met de arme mensen, het lijkt alsof hij terugkomt in het huis van zijn kindertijd.

Een van de voornaamste preoccupaties in Reizen met Herodotos echter is de taal, dé ultieme poort om toegang te krijgen tot een elementair begrip van vreemde volkeren.

"Elke dag stampte ik woordjes, fanatiek, zonder nadenken (Wat scheen er aan de hemel? The sun. Wat viel er op de aarde? The rain. Wat bewoog de bomen? The wind. Enzovoort, enzovoort, twintig tot veertig woordjes per dag.) Ik las Hemingway, in het boek van pastoor Dubois probeerde ik het hoofdstuk over de kastes te begrijpen. Het begin was niet eens moeilijk: je hebt vier kastes, de eerste, de hoogste, dat zijn de brahmanen, de priesters, mensen van de geest, denkers, zij die de weg wijzen; de tweede kaste, lager zijn de ksatriya’s – strijders en machthebbers, de mensen van het zwaard en de politiek; de derde, nog lager, zijn de vaisya’s – kooplui, handwerkslui, boeren; de laagste kaste ten slotte zijn de sudra’s – mensen die fysieke arbeid verrichten, bedienend personeel, dagloners."

Het Chinees stelt hem later voor nog veel grotere problemen.

"Toegegeven, direct na mijn komst begon ik die zelf, in mijn eentje, te leren. Ik probeerde me door een oerwoud van hiërogliefen en ideogrammen heen te worstelen, tot ik op een doodlopende weg belandde: het bestaan van meerdere betekenissen van één karakter. Zojuist heb ik ergens gelezen dat er meer dan tachtig Engelse vertalingen van Tao Te King (de bijbel van het taoïsme) bestaan en allemaal zijn ze competent en betrouwbaar, maar tegelijk volkomen verschillend! De moed zakte me in de schoenen. Nee, dacht ik, ik red het niet, dat lukt me nooit. De karakters flikkerden voor mijn ogen, schitterden en pulseerden, veranderden van vorm en positie, de relaties en verbindingen, afhankelijkheden en stelsels vermenigvuldigden en deelden zich, vormden rijtjes en kolommen, het ene verving het andere, de vormen met een –ao doken zomaar op in het karakter met een –ou, of ik nam opeens het karakter met een –eng aan voor dat met een –ong, wat echt een gruwel van een fout schijnt te zijn!"

Kapuscinski realiseert zich snel dat de beschavingen van India, China en de Grote Steppe zo rijk, complex en divers zijn, dat om zelfs maar een fragment ervan te leren kennen, je je hele leven eraan zou moeten wijden. Daarom begint hij ook de kant van Afrika op te gaan, omdat Azië hem in verlegenheid brengt. Afrika lijkt hem meer versnipperd, "geminiaturiseerd in zijn veelheid" en daardoor grijpbaarder, toegankelijker.

Maar ook tijdens zijn ervaringen in Ethiopië en Senegal, of wanneer hij over de Afrikaanse slavernij schrijft, blijft de Poolse wereldreiziger Herodotos lezen en - zorgvuldig - citeren. Darius, Xerxes, Alexander de Grote en Mardonios worden uitgebreid getypeerd. Wreedaardige antieke anekdotes - zoals het onderstaande fragment -

"Nu iets over hun oorlogsgebruiken. Elke Skyth zal een slok drinken van het bloed van de eerste tegenstander die hij heeft verslagen. De koppen van alle vijanden die hij op het slagveld heeft omgebracht, levert hij bij het stamhoofd in, want uitsluitend degene die een hoofd heeft afgedragen, mag delen in de buit en anders krijg je niets. Het stropen van de hoofdhuid wordt als volgt gedaan: eerst wordt boven de oren rondom een snede gemaakt; dan pakken ze het hoofdhaar vast en schudden de schedel leeg. De vleesresten worden er met een runderrib uitgepeuterd. De scalp wordt met de handen net zo lang gekneed tot hij soepel is en als een soort handdoekje kan worden gebruikt. Ieder bevestigt die vol trots aan de teugels van zijn eigen rijpaard en wie de meeste van die lappen heeft verzameld, is de grote man. Vaak vervaardigen ze ook jassen van mensenhuid, die ze net zo aaneennaaien als dat voor een leren jak gaat en die ze dan over hun ander kleren aantrekken. […] Mensenvel schijnt sterk te zijn en lijkt door zijn blankheid veel meer glans te hebben dan de huiden van andere schepsels."

wisselen elkaar af met verzuchtingen over geschiedschrijving als zeer prille wetenschappelijke discipline, en algemene levenswijsheden, die Kapuscinski de 'Wetten van Herodotos' noemt.

"Het is veel eenvoudiger de massa om de tuin te leiden dan de eenling."

"Verneder de mensen niet want om die reden zal hun leven beheerst worden door wraakzucht."

Dit boek behoort niet tot zijn beste titels, maar dan nog overstijgt het makkelijk de middelmaat door de gave en de passie van Kapuscinski de zaken zo tastbaar mogelijk voor te stellen.

"Want de Chinezen bouwden aan deze muur, met tussenpozen, gedurende tweeduizend jaar. Ze zijn er al mee te begonnen ten tijde van Boeddha en Herodotos, en ze waren met dat bouwsel nog bezig toen in Europa Leonardo da Vinci, Titiaan en Johann Sebastian Bach hun meesterwerken aan het scheppen waren."

(Gebaseerd op notities van 8 juni 2006.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> beknopte bibliografie in de commentaren
> http://en.wikipedia.org/wiki/Herodotus
> http://en.wikipedia.org/wiki/Histories_(Herodotus)

Ryszard Kapuscinski, Reizen met Herodotos
263 p
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2006
Oorspr. Podróze z Herodotem (2004)
Vertaald door Ewa van den Bergen-Makala
____

zondag 23 september 2007

Don’t ask. Act.

"Do you want to know who you are? Don’t ask. Act. Action will delineate and define you. You will find out from your actions. But you must act as an “I,” as an individual, because you can be certain only of your own needs, inclinations, passions, necessities. Only this kind of action is direct and is a genuine extricating of yourself from chaos, self-creation. As for the rest: isn’t it mere recitation, execution of a preordained plan, rubbish, kitsch?"

Witold Gombrowicz, in his Diary

> Reading Witold Gombrowicz by Michael Pinker [dalkeyarchive.com]

____

Johan Friedrich Herbart

"Johann Friedrich Herbart (1776 - 1841) was a German philosopher, psychologist, and founder of pedagogy as an academic discipline. Herbart is now remembered amongst the post-Kantian philosophers mostly as making the greatest contrast to Hegel; this in particular in relation to aesthetics. That does not take into account his thought on education."



____

Robert Anton Wilson

"Robert Anton Wilson or RAW (1932 – 2007) was a prolific American novelist, essayist, philosopher, psychologist, futurologist, anarchist, and conspiracy theory researcher. He described his writing as an 'attempt to break down conditioned associations--to look at the world in a new way, with many models recognized as models (maps) and no one model elevated to the Truth.' And: 'My goal is to try to get people into a state of generalized agnosticism, not agnosticism about God alone, but agnosticism about everything.'"

zaterdag 22 september 2007

De autobiografie - Gordon Ramsay

Waarom gaat Gordon Ramsay, de topkok met het gegroefde gelaat, als een bulldozer door het leven? Waarom moet het er in zijn tv-restaurant altijd aan toe gaan als een trainingskamp voor commando's? Dat kan niet alleen maar ingegeven zijn door ingebakken aanstellerij of malafide regie-aanwijzingen.

Die vraag was een goede reden om zijn autobiografie te lezen. Moeilijke jeugd, dacht de cynicus in mij vooraf, en deze autobiografie geeft me gelijk.

"Mijn leven, net als dat van de meeste andere mensen, gaat om overleven."

"Ik blijf maar doorgaan, om zo ver mogelijk weg te komen van waar ik ben begonnen."

Toch is het niet gepast om dit boek zo maar weg te wuiven. Gordon Ramsay heeft gelééfd en heeft recht van spreken. Het zero to hero-sjabloon - Billy Elliot is niet voor niets een van zijn lievelingsfilms - neem je er graag bij.

Maar eerst de feiten. In wat voor milieu groeit de jonge Gordon op?

Gordon James Ramsay wordt in 1966 geboren in het Schotse plaatsje Johnstone. Zijn vader wordt in het boek neergezet als een zuipende rokkenjager die rockster wil worden, geregeld stampei maakt, zijn vrouw mishandelt en dan krokodillentranen huilt. Het gezin heeft het niet breed; zowat alles is op afbetaling gekocht. De Ramsays verhuizen een paar keer - Gordon raakt zijn Schotse tongval kwijt - maar van die verschillende adressen herinnert hij zich weinig meer.

"Je houdt de details van een huis niet in je hoofd als je dat associeert met angst, of schaamte, of armoede – en als jongen was ik vaak bang en beschaamd, en altijd arm."

Twee ontsnappingsroutes dienen zich aan: koken en voetballen. Gordon schopt het als tiener zelfs tot het elftal van de Glasgow Rangers, waar hij meermaals in elkaar getrapt wordt om zijn Engelse accent. Hij walgt ook van het Schotse voedsel in de kantine. We schrijven begin jaren tachtig. Zijn carrière wordt abrupt afgebroken wanneer hij geblesseerd raakt.

Volgt: koken. Hij doorloopt de hele hiërarchie. Eerst als afwasser in een currytent in Stratford, dan als knecht in tal van restaurants waar hij zijn leergierige ogen goed de kost geeft. Onder meer als tweede vommis, tweede rang, in het Londense Mayfair Hotel. Op een dag gaat hij met de vrouw van de baas naar bed.

Ramsay bulkt van de ambitie en "werkt zich het leplazarus": soms draait hij shifts in twee zaken tegelijk, en slaapt een uur of vier per nacht. Hij werkt zich langzaam op en kan uiteindelijk aan de slag bij de man die zijn eerste belangrijke mentor zou worden: de Engelse keukengoeroe-in-spe Marco Pierre White. Marco heeft voor elke klassieke topkok van het land gewerkt - Nico Ladenis, Raymond Blanc, Albert Roux (restaurant Le Gavroche), Pierre Koffman – en nu kon hij net zo goed koken als zij.

Maar op den duur is ook dat Ramsay niet genoeg. Hij is geobsedeerd door de idee in Frankrijk te werken, het kookland bij uitstek. Het gaat naar Parijs, waar hij achter het fornuis staat voor een beschamend salaris, het minimumloon zoals vastgesteld door de Franse regering. Dat is een van de levenslessen die Ramsay de lezer diets maakt:

"Een stap terug doen om een stap vooruit te komen."

Ramsay mag aantreden in het beroemdste restaurant van die dagen, dat van Joël Robuchon. Uit die verhalen kan je opmaken waar de brulboei Gordon Ramsay vandaan komt: hij is zelf jaren lang als stront behandeld door zijn leermeesters. Als Engelsman in een Franse keuken moet hij twee keer zo hard werken en de pesterijen gedogen van zijn Franse collega's. Af en toe krijgt hij een bord naar het hoofd geslingerd van zijn chef. Na weer eens een crisis druipen "de safraan en tomaten bubbelend van de muur als een of ander soort buitenaards ectoplasma".

Na een intermezzo als kok op een miljonairsjacht richt Ramsay zijn blik weer op Londen voor zijn ultieme droom: zijn eigen restaurant openen. Een tijdje moet hij zich opnieuw tevreden stellen met een tweederangsrol in La Tante Claire, het restaurant van Pierre Koffmann, maar na lange zakelijke transacties lukt het dan toch op eigen benen te staan.

Het gaat zijn zaak voor de wind. In 1995 krijgt restaurant Aubergine zijn eerste Michelinster, in 1997 een tweede. Gordon Ramsay is dan achtentwintig. Prinses Margaret, David Bowie en Robert de Niro komen over de vloer. Jaloezie is niet van de lucht. Een concurrent jat het reserveringsboek, in tijden vóór internet een ramp. Maar de taaie Ramsay komt alles te boven.

Door een moordend werktempo slaagt hij erin langzaam het Gordon Ramsay-imperium uit te bouwen. Hij opent zelfs een restaurant in Glasgow, stad van zijn jeugd. Een nieuw filiaal opstarten gebeurt alleen maar als de kwaliteit gewaarborgd kan blijven. Geen probleem: op een gegeven moment drijft hij het enige driesterrenrestaurant van Londen. Ramsay is verslaafd aan Michelinsterren.

"Ik wil er evenveel hebben, zo niet meer, als de grote Alain Ducasse, die er veertien heeft en de eerste chef is die drie driesterrenrestaurants tegelijk runt (en in twee continenten)."

Aan glamour ontbreekt het niet. In 2002 viert Tony Blair in Claridge's zijn negenenveertigste verjaardag aan de 'tafel van de chef': een tafel, midden in de keuken, waar de klant alles kan zien wat er gebeurt. Hij is ook gebruikt door hooggeplaatste gasten als Andrew Lloyd Webber, Ronnie Wood en Kate Moss. Die tafel alleen al levert het bedrijf een miljoen pond per jaar op.

Ramsay doet ook een amusant verhaal over die keer dat hij het verzoek kreeg om in Downing Street voor Blair en Poeting te koken. De chef moet alles zelf meebrengen, van koekenpan tot afwasmiddel.

De laatste hoofdstukken gaan niet meer over koken, maar over persoonlijk leed. De heroïneverslaving van zijn broer. De dood van zijn vader en zijn beste vriend.

Ramsay vertelt ten slotte ook over zijn relatie. Het gedoe om kinderen te krijgen: de kok produceert te weinig sperma.

"Dat krijg je als je altijd met je ballen voor al die hete ovens staat."

Om te besluiten legt Gordon nog eens uit wat hij verstaat onder een goede chef: geen dikke kok, geen vieze, geen moederskindje, geen kok die op zijn horloge kijkt of zich bij gebrek aan beter beroept op kookboeken. (Hoewel Ramsay er zelf ongeveer 3500 op de plank heeft staan thuis.) Iemand ook die handig omspringt met restjes. Liegen is de grootste zonde die je kunt begaan in een keuken. Michelinsterren staan voor consistentie: elke maaltijd moet top zijn.

Een groot minpunt aan De autobiografie is dat Ramsay het fenomeen van die Michelingsterren niet kan relativeren. Nu heb ik een Vlaamse chef eens een mooi exposé horen geven over die quoteringsmethode. Naar verluidt geeft een expert dan punten op een schaal van twintig en wordt er met halve punten gerekend. Dat betekent veertig verschillende niveauverschillen. Dat betekent: pretentieuze, niet hard te maken onzin.

Los daarvan heb ik gisteravond een prettige tijd gehad. Het boek is waardevol omdat het de fundamenten ontbloot van Ramsay's schijnbaar oppervlakkige status van celebrity chef - de hufter uit Kitchen Nightmares en Hell's Kitchen. Programma's waar hij zelf heel opgetogen over is.

"Juist dankzij mijn shows begrijpt het publiek nu beter hoe moeilijk het is om in een professionele keuken te werken. Maar toen wist het publiek nog niets; ze dachten dat chefs nichterige types waren met een stom Frans accent en een grote witte muts."

Het is geen gekarameliseerde autobiografie geworden. De zinnen zijn kort en bij wijlen blafferig, als Ramsay zelf. Nu ja, Ramsay zelf, het boek heeft verdacht veel weg van een lang, uitgeschreven interview.

Memorabel verteld is het allemaal niet natuurlijk. Dit levensverhaal is voornamelijk een feitenrelaas; er is nauwelijks ademruimte voor meditatie of overpeinzing. Ramsay is eendimensionaal, recht door zee. Maar eigenlijk werkt die niet te stuiten dadendrang zeer aanstekelijk. Als een lekkere koude douche.

En de vertaling, tja, oogt een beetje lullig. Je moet dit boek uiteraard in het Engels lezen, maar die editie had ik zo gauw niet bij de hand.

"Wie beweert dat de restaurants in Londen nu beter zijn dan de restaurants in Parijs, moet de zaken die je in Chelmsford vindt eens vergelijken met hun equivalenten 40 kilometer buiten Parijs. We liggen fucking mijlenver achter."

* Als uitsmijter mijn favoriete fragment uit Hell's Kitchen: Gordon Ramsay koeioneert een paar bimbo's onder zijn clienteel [YouTube].

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://www.gordonramsay.com/
> http://en.wikipedia.org/wiki/Gordon_Ramsay
> http://en.wikipedia.org/wiki/Marco_Pierre_White
> http://en.wikipedia.org/wiki/Alain_Ducasse
> http://en.wikipedia.org/wiki/Nigel_Slater [Ramsay's favoriete culinaire schrijver]
> http://en.wikipedia.org/wiki/Commis_chef
> Michelin Guide starred restaurants and chefs

Gordon Ramsay, De autobiografie
270 p.
Uitgeverij VIP, 2006
Oorspr. Humble Pie (2006)
Vertaald door Linda Doornbos en Nicole Seegers
____

Wil je mijn schoenen eens masseren?

vroeg mijn vrouw.

Schoenen?

Een ongewilde samentrekking tussen voeten en 'schoeren' (West-Vlaams voor schouders), twee van mijn specialiteiten.
____

vrijdag 21 september 2007

Anno domini

Vanaf heden is het jaaroverzicht puur chronologisch geordend. Lezers die snel een overzicht willen hebben van de meest recente boekbesprekingen, hoeven niet meer te scrollen als was deze site een eindeloze rol wc-papier, maar kunnen daar terecht.
____

Wat alle webtrackers vergeten te vertellen

in hun wervende tekstjes, is dat een paar van hun belangrijke functies gewoon niet werken op weblogs.

Zoals daar zijn: het aangeven van de visitor length - hoelang blijft een bezoeker hangen op een site?

Webtrackers nemen daarvoor de tijd tussen de eerste en de laatst bezochte pagina tijdens een sessie. (Hetgeen op zich al een vertekend beeld geeft.) Daarvoor heb je dus op zijn minst twee verschillende pagina's nodig. Of nog: de bezoeker moet minstens eenmaal doorklikken. Webtrackers zijn immers niet in staat het tijdstip te detecteren waarop een bezoeker de site definitief verlaat.

Maar de meeste weblogbezoekers komen natuurlijk gewoon even piepen naar updates of lezen die ene gevonden pagina in Google. En klikken helemaal niets aan.

Vandaar dat zeventig procent van mijn lezers bezoekduur '0 sec' laat optekenen in de tabellen.

En ik me maar afvragen gisteren waarom een bezoeker die Nederlandstalige informatie over Plato's Faidon zocht (een schaars goed op internet), mijn bespreking van dat boek aanklikt in Google en meteen weer het pand verlaat, alsof hij een spook heeft gezien.
____

De dollartekens in de ogen van moeder Theresa - Herman Brusselmans

Wie de productie van Herman Brusselmans niet kan bijhouden, omdat die te hoog ligt, of niet wil bijhouden, omdat iedere roman inwisselbaar lijkt, moet toch nog eens deze novelle proberen.

Wie in zijn oeuvre thuis is weet dat elke Brusselmans aan dezelfde kwaal lijdt. De eerste tachtig pagina's: formidabel. Alleen tellen zijn boeken er doorgaans driehonderd, omdat dezelfde vroege grapjes tot tweemaal toe gerecycleerd worden. Waardoor het zaakje langzaam in elkaar stuikt. In De dollartekens in de ogen van moeder Theresa (onnavolgbare titel) krijgt Brusselmans daar de kans niet toe.

Het verhaal stopt immers kort na dat kantelmoment, en is voor de verandering eens lineair. Er zit een evolutie in, in tegenstelling met de cyclische structuur die de jonge oppergod der Vlaamse letteren meestal hanteert om de zinloosheid van het bestaan extra in de verf te zetten.

Waar gaat het over? De dollartekens speelt in 1972 en volgt het wel en wee van Herman Brusselmans als opgroeiende tiener - ook dat is nieuw. Hij wil muzikant worden, aangejaagd door zijn charismatische tante Frieda.

"‘Mijn eerste nummer,’ ging tante Frieda door, ‘is een instrumentale uitdrukking van mijn liefde voor de natuur, bijvoorbeeld struiken, mossen, grassen en niet te vergeten bomen. Hoe prachtig ze kunnen zijn! Ik noem voor de vuist weg gedurende het winterseizoen.’"

En wat moet een jonge artiest in spe?

"Ik besloot notenleer te volgen. Ik was van mening dat de notenleer een van de interssantste leren is die er bestaan op de wereld. In de Damstraat woonde een notendocent, genaamd Fred De Vits. Hij was eerste geworden in de grote notenwedstrijd van Antwerpen in 1944. Zijn specialiteit was de do."

Volleerd, of zo goed als, trekt hij vervolgens naar de instrumentenwinkel van Bad Hair Johnny, een bluesmuzikant uit Waasmunster "die tegelijk gitaar en mondharmonica speelde, met de gevreesde gevolgen". Zijn instinctieve voorkeur gaat uit naar een elektrisch snaarinstrument.

"Ik kon zalig wegdromen bij allerlei liedjes, waarbij me vaak de rol van de gitaar opviel."

Maar dat wordt geen zo'n groot succes. Brusselmans blijkt meer aanleg te bezitten voor drums. Terug naar de winkel dan maar. Het is moeilijk kiezen "tussen al die krengen die allemaal op elkaar lijken".

"Het mooist van allemaal vond ik een van het merk Ludwig. Dat was het merk waarop ook Ringo Starr speelde, die wel eens smalend de derde Beatle werd genoemd, hoewel ik hem, na John Lennon en George Harrison de interessantste van de groep vond, Paul McCartney even niet meegerekend."

Brusselmans richt prompt een band op, The Hidden Creators of the Sleepy Daydreams, ronselt groepsleden, schrijft materiaal bij elkaar (nummers als 'Don't Worry about Troubles' en 'Lightweight Champion’) en slaat driftig aan het repeteren. Omdat de boog niet altijd gespannen kan staan, leest hij tussendoor romans van Hubert Lampo.

"Als ik een uur of twee had gerepeteerd was ik aan ontspanning toe en hoe kon je je beter ontspannen dan alweer een roman van Hubert Lampo te lezen. Vol verwachting nam ik z’n magisch-realistische pil De brulboei van Nossegem ter hand. Het is een indringend werk over een man die z’n schoenen verliest in een wolkbreuk. Het waren – en dit is iets te doorzichtig qua romantechnische constructie, vind ik – z’n favoriete toverschoenen. Als hij ze aanheeft kan hij over water lopen, maar als hij ze niet aanheeft alleen over ijs. Gelukkig heeft het gevroren."


*

De dollartekens is een ronduit fijn boekje geworden. Ondermeer omdat Brusselmans grijnzend de volkse Vlaamse verteltraditie op de korrel neemt, neo-naturalisten als Dimitri Verhulst incluis. Het zit 'm in de kleurrijke figuren, Josje Boerlala bijvoorbeeld, of Sven Bult, Leo De Roode ("uitvinder van de neusbol, die vooral gebruikt wordt in dolfinaria"), Persjenne, Ambonie, Jules L'Esplanadepleijn en Isidoor Den Drus,

"Isidoor Den Drus was een belangrijk figuur geweest in de geschiedenis van Hamme. Hij was de eerste die op het idee was gekomen om het dorp te irrigeren. Dat viel niet mee. Al dat water."

het zit 'm in het boerse gelal,

"Eerst hadden wij thuis geen televisie. Maar godverdomme wel een radio. Die stond bij ons miljaardedzju op de kast. Daar keken we elke avond naar, met een luisterend oor."

en het zit 'm in het gekscheren over die murwvertelde Tweede Wereldoorlog.

"‘Tot er ineens op de deur gebonkt werd,’ zei Teunis. ‘De Duitsers zijn daar, dachten wij vol schrik. Wij kropen onder tafel. Opnieuw werd er gebonkt. Mijn vrouw kroop onder de tafel vandaan en deed open. Het waren geen Duitsers, maar twee Denen en een Portugees. Ze hadden zich van nummer vergist. Ze moesten op nummer 39 zijn terwijl wij nummer 93 hadden. Ik zal het nooit vergeten. Plezantstraat 93. Ons huis van toen is natuurlijk al lang afgebroken en vervangen door een kredietinstelling.’"

Men kan alleen goed persifleren vanuit een teveel: Brusselmans kent zijn pappenheimers. Niet dat het verhaal van De dollartekens veel voorstelt. Je ziet het de immer in zwart gehulde Gentse schrijver zo met potlood op een bierviltje tekenen: vroegste muzikale herinnering - notenleer - gitaar - drums - songteksten schrijven - melige repetities - gehannes met backing-zangeressen enzovoort.

De ontknoping laat zich raden. Hoe loopt een roman af over een talentloze band? Erg is dat niet, je leest deze Brusselmans voor de brille waarmee hij vanop het drumkrukje zwarte gal in de repetitieruimte spuwt

"Hoe tof ik ook mocht zijn, opvallen deed ik geenszins. Ik wilde me zoveel mogelijk wegcijferen en me onopvallend bewegen op de achtergrond, van waaruit ik slechts zelden mijn stem verhief om anderen op hun onwetendheid, hun domheid of hun algehele wanstaltigheid, zowel fysiek als geestelijk, te wijzen."

én voor de hilarische afslagjes, de kant en klare jokes op maat gesneden van één alinea, doorgaans kleine onzinbiografietjes:

"Een van hen was Hassan Bosj, een Constantinopelse bergbewoner die zodanig goed kon spelen dat hij een eredoctoraat kreeg van de universiteit van Istanbul. Later ging het bergafwaarts met deze boeiende gozer. Hij raakte aan de drank en dan heb ik zelf ooit ‘ns twintig raki’s gedronken, hoewel het er minder geweest kunnen zijn, want bij de tweede was ik de tel al kwijt. Bosj hing z’n instrument in de wilgen en opende een hoerenkast in Bodrum, de badplaats. Vanaf dat moment zijn we zijn spoor bijster. Wat zou er van hem zijn geworden? Dat hij doodvalt."

De dollartekens in de ogen van moeder Theresa klinkt, laten we stilaan afronden, als een folkpunknummer van drie minuten dat nog niet gemasterd is. Het boek dendert maar voort en tegelijk frustreert Brusselmans de lezer die bij de les wil blijven, door onmogelijke anderstalige zinnetjes rond te strooien - mijn favoriet: Le machiniste se trouve sous le train - naast stellingen uit het ongerijmde.

"‘Is dat een Modigliano?’ Je ziet van hier dat ik wat van schilderen af wist. ‘Nee, zei ze vriendelijk maar resoluut, ‘’t Is een Matisse.’ ‘Ah, Matisse,’ zei ik, ‘de chroniqueur van het dagelijkse leven.’"

Wat jammer alleen dat Brusselmans het ook hier weer niet kon laten zijn eigen verhaal kapot te rijden. De gevreesde pagina tachtig-grens laat zich opnieuw duidelijk gevoelen. De finale eindigt in chaos en bagger. Grappen blijven opeens uit. Gelukkig is het boekje zo kort dat de dalende curve niet lang kan aanhouden.

Brusselmans heeft zijn jongensdroom dus al met al netjes ingeblikt. Of liever: het verdampen van die droom. Een schrijver moet de waarheid schrijven tot hij alternatieven vindt, meldt hij ergens.

"Dat is het leven: problemen diminueren tot er nog slechts één overblijft: de dood, en hoe die, terwijl je bezig bent te sterven, alvast te verwerken. Je kan maar beter van de ene seconde op de andere heengaan. Een vliegtuigexposie in volle vlucht, dat lijkt me wel wat. Helaas ben ik te bang om het vliegtuig te nemen. Geef mij maar een voettocht."

Werkelijk zonde van dat door willekeur geplaagde slotoffensief. Daardoor kan een boekje als dit weer te gemakkelijk doorgaan voor een vrijblijvende moppentrommel. Brusselmans blijft hoe dan ook de koning van de tragikomische oneliner:

"Ik probeerde m’n ejaculatio praecox nog wat uit te stellen, maar dat bleek op den duur tevergeefs."

"Zoals bekend staat de tamboerijn in de Traumdeutung voor een naakte reet."

"Een lekkere haas op tafel, je moet al bijna vegetariër zijn om daar neen tegen te zeggen."

"Ik zag in gedachten mijn penis reeds in haar vagina verdwijnen."

"Als ik dan toch iets kon spelen wat leek op ‘Stairway to Heaven’, waarom ‘Stairway to Heaven’ dan zelf niet."

"Altijd maar de driekwartsmaat, tot ik me toch aan de vierkwartsmaat waagde."

"Leo De Roode zei dat hij de film had gemist omdat hij op Nederland naar een documentaire over binaire getallen had gekeken."

Waarom die zinnetjes zo grappig zijn, valt met geen mogelijkheid uit te leggen. Gevoel voor dit soort humor kan ook niet aangeleerd worden. Alleen maar afgeleerd, door gewenning.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> goede recensie van Guy Peters op goddeau.com

Herman Brusselmans, De dollartekens in de ogen van moeder Theresa
133 p.
Uitgeverij Prometheus, 2006
____

donderdag 20 september 2007

Het Salieri-gevoel

Niet zijn muziek maakte de Italiaanse componist Antonio Salieri (1750-1825) bekend bij het grote publiek, maar de manier waarop acteur F. Murray Abraham hem gestalte gaf in Amadeus, de beroemde film van Milos Forman.

Salieri komt daarin naar voren als de oude, verbitterde kapelmeester van het Oostenrijkse hof, die door de komst van de jeugdige Mozart en diens pure genius tot de rand van de suïcide wordt gedreven.

Erg vermakelijk allemaal. Als jongeling schaar je je automatisch aan de zijde van Wolfgang.

Totdat je je, jaren later, op de uitgestrekte vlakte van het internet waagt. En botst op een klein hummeltje dat een wervelende drumsolo in de ledematen heeft zitten. Alsof het niets is. Terwijl jezelf al tien jaar hard aan de weg - euh - timmert.

Tony Royster Jr. bewijst wat er gebeurt als je de zoon van een beroepsmuzikant bent en al vanaf een jaar of drie onafgebroken op het krukje zit.

Erg muzikaal is het allemaal niet - acht maatjes dit, acht maatjes dat - maar een kniesoor die daar op let. Blijven kijken: zoals het een drumsolo betaamt wordt het alleen maar erger.

> http://en.wikipedia.org/wiki/Amadeus_(film)

[ beeld + geluid; duur: 7'56'' ]


____

woensdag 19 september 2007

La Médiathèque André Malraux de Lisieux

Une collection de textes littéraires et documentaires du domaine public francophone.

> http://www.bmlisieux.com/archives/archives.htm
____

De dame in het blauw - Noëlle Châtelet

If you can't beat them, join them, moet Noëlle Châtelet gedacht hebben. In deze novelle kijkt haar heldin eerst met afgrijzen tegen de ouderdom aan. Maar hoe gretig en expliciet - alsof ze zichzelf staat te overtuigen - laat Châtelet dat vooroordeel opeens kapseizen. We praten hier dus over een zelfhulpgidsje. Deze Solange is immers óók een succesvolle Parisienne en net als de schrijfster (bij het uitbrengen van dit boekje) tweeënvijftig jaar.

Op een drukke ochtend merkt ze een oude dame op, voortschuifelend in de menigte. Gefascineerd begint ze de langzame tred van de dame te imiteren. Ze geniet van de berekende traagheid van haar eigen bewegingen en de concentratie die deze vergt.

Als bij wonder heeft Solange plots alle tijd. De hekel die ze altijd al had aan die varianten op 'geef acht' en 'presenteer het geweer', die "op consensus berustende bevelen", steekt de kop op. Ze geeft de brui aan haar verantwoordelijke kantoorbaan en negeert de oproepen van het verwijtende antwoordapparaat. De overwerkte Solange vat deze broodnodige ommezwaai op als een daad van tedere anarchie.

"Ze dacht dat ze verbonden was uit verknochtheid, gebonden door affectieve banden, door een ware genegenheid, maar ze merkt dat ze vooral vastzit, vast als een hond aan de ketting, vrijwillig gekoppeld aan de pers in het bijzonder, maar ook onder druk, onderdrukt uit eigen vrije wil, gedwongen, en bovendien: geprest, voortdurend opgejaagd door de urgentie van elk ogenblik, waardoor de tegenwoordige tijd al verleden tijd is en altijd te laat komt."

De nieuwe, lome cadans bevalt haar zeer. Châtelet spreekt van "de verrukking van de indolentie" en "de vervoering van het pianissimo". Haar zintuigen verkeren hierdoor in een verhoogde staat van paraatheid.

"De kunst van het verheimelijken heeft geen geheimen meer voor Solange. Het is zelfs haar favoriete tijdverdrijf geworden. Dankzij het grijze mantelpakje, waardoor ze kan opgaan in de muren, één kan worden met het trottoir, dankzij de bijzondere manier van lopen die ze heeft aangenomen, heel regelmatig de druk van elke voetstap op het asfalt met een zacht wiegende beweging van haar lichaam afwegend, kan ze zich de weelde veroorloven tussen haar medemensen zo rustig te komen en te gaan alsof ze transparant is.
Soms raken de mensen haar even aan. Dan ademt ze stiekem hun geur in die varieert naargelang het tijdstip van de dag en of ze ongerust of ontspannen zijn. Ze hoort hen ook praten en dringt hun leven binnen via heel kleine bressen in hun intimiteit. Soms, weggedoken in een inrijpoort zoals je in het gras gaat zitten om de duizenden kleine verborgen beestjes waarvan het gonst te voelen virbreren, spitst ze haar oren, kijkt ze spiedend om zich heen en wordt ze de onzichtbare getuige van talloze avonturen die tot dusver aan haar zijn voorbijgegaan. Al die voorvallen, al die verhalen zonder enig belang brengen haar in vervoering. Ze maakt ze tot haar dagelijkse kost, ze geven kleur aan haar bestaan. Wat ze overdag heeft gezien en gehoord houdt haar ’s avonds uren bezig. De flarden woorden en beelden die ze hier en daar steelt eindigen in een melodie."


's Morgens tiranniseert Solange zichzelf niet meer. Gedaan met peinzend in de spiegel te kijken boven het glazen planchet met flessen en potjes, "het hele arsenaal van bezwerende crèmes", in de badkamer. Ze telt niet langer "de bruine bloemen" op de rug van haar handen.

"De dagelijkse inspectie, voorafgegaan door het geef acht aan de jeugd en het groeten van de vlag van de schoonheid, gaat vandaag niet door."

Maar Solange gaat nog verder. Ze meet zich een jurk aan voor oma's en laat zich opnemen in een home. Kijk, de ernstige oude meneer daar bij het plantsoentje vertedert haar. Jacques, Solanges 'officiële minnaar' zoals dat zo mooi heet in Frankrijk, ziet met lede ogen zijn kromgebogen rivaal aan.

De dame in het blauw gaat, kortom, over een vrouw die zich op miraculeuze wijze verzoent met het stijgen der jaren. Ze leert de troeven van ouder worden omarmen. Wie ben ik, jonge snotter, om daar hautain over te doen? Het is een novelle over onthaasting en het genieten van de intieme omgang met kleine dingen. De voortgang van de wereld wordt even afgemeten aan piepklein, persoonlijk geluk. In die zin is het verwant aan de koesterboekjes van Philip Delerm.

Noëlle Châtelet [foto] schrijft - uiteraard - à la française: aards, burgerlijk, maar met een onmiskenbare flair. Gewild naïef, maar mooi naïef. De dame in het blauw is subtiel als het wolkje parfum in het voorbijgaan van een mooie vrouw.

En het verhaal zelf? Châtelet maakt het mooi rond.

Ik heb daarom even getwijfeld of ik deze titel in de lijst aanraders zou opnemen. Ik heb genoten van deze typisch Franse zingzang. Toch maar niet. Te licht. Te behaagziek. Het is overigens het eerste deeltje uit een trilogie. Wat als die andere boekjes krak hetzelfde zijn?

En ik heb een zwak voor dit soort uitgaafjes. Het royaal gelayoute hardcovertje telt amper honderdvijfentwintig pagina's. Dat, de brede belettering en het vierkantig formaat verhoogden sterk mijn welbehagen bij het lezen. Misschien onevenredig sterk. Ik ben daar gevoeliger voor dan ik, meneer de recensent, eigenlijk zou willen toegeven.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer leesimpressies over deze novelle op bookcrossing.com

Noëlle Châtelet, De dame in het blauw
125 p.
Uitgeverij De Geus, 2000
Oorspr. La Dame en bleu (1996)
Vertaald door Théo Buckinx
____

Related Posts with Thumbnails