dinsdag 31 juli 2007

Villa Amalia - Pascal Quignard

Dat ik de romans van Pascal Quignard lees, is een zaak van les amis de nos amis sont nos amis. Quignard behoort tot de lievelingsauteurs van Geerten Meijsing, wiens oeuvre me ook welgevallig is.

"Je suis une femme devenue un fantôme."

"Je ne sais pas pour qui j’accumule tant de choses moi-même…"

In Villa Amalia maakt een zevenenveertigjarige pianiste schoon schip. Ze breekt met haar vriend, haar moeder, haar werk, zelfs met haar garderobe. Op een eilandje bij Capri, in de golf van Napels, vindt ze de beschutting die nodig is om de dingen uit te klaren. In een interview noemde de auteur het boek zelf

"une fuite, une fugue, une succession de départs, de renouveaux, de printemps."

Het lijkt me een opmerkelijk gewone roman voor Quignard, die doorgaans erg geraffineerde onderwerpen uitzoekt. Hij smeert er zijn stof breed in uit, in een eindeloze aaneenschakeling van korte scènes met veel dialoog. Er wordt uitgebreid getafeld, meestal tête à tête. De gesprekken verlopen naturel, in korte zinnetjes met veel stoplappen. Ze worden afgewisseld met diagnosticerende passages geschreven in de derde persoon.

Een stijlfiguur waar Quignard scheutig mee omspringt, is de mantra-achtige herhaling, ingeleid door de persoonsvorm 'elle'.

"Elle erra d’île en île, de paroi de falaise en paroi de falaise, sans que jamais elle retournait sur Naples.
Elle hésita entre deux hôtels délicieux, l’un à Ravello, l’autre sur la petite île d’Ischia.
Elle choisit le petit hôtel de l’île phlégréenne, devant le castello, à cause d’une chambre qui donnait immédiatement sur la mer."


Villa Amalia komt me door zijn dikte voor als een soapscenario voor de betere klasse. Toch is ook deze Quignard weer een toonbeeld van cultuur en beschaving. Op de vraag waarom ze toch dat exotische optrekje op het oog heeft, antwoordt Ann Hidden, de heldin, dat de villa moet dienen als 'Gumpendorf'.

"- C’est quoi une Gumpendorf ?
- Un Gumpendorf. Le vieux Haydn appelait sa maison de Gumpendorf sa hutte. Qu’une foi entré à l’intérieur d’elle, il était sûr d’écrire. C’est d’ailleurs là, tout près de Vienne, qu’il a écrit ses plus belles œuvres."


Omdat je zelfs op microscopisch niveau, het niveau van de enkelvoudige zin, meteen kunt zien dat je hier te maken hebt met een Franse schrijver pur sang -

"Je peux te trouver l’adresse d’un psychanalyste pour t’aider à parler."

- liet het boek me toe om de onmiskenbare karakteristieken van Franse romans - in vergelijking met hun Engelse tegenhangers bijvoorbeeld - eindelijk eens scherp te stellen voor mezelf.

1. Franse romans gaan o zo vaak over relaties, op een manier of er in de rest van de wereld nauwelijks iets gebeurt.

2. Franse romans zijn tot op de vezel cultuurprodukten; hebben steevast een poëtisch en/of filosofisch vernislaagje.

3. Dat maakt ze daarom niet topzwaar; integendeel, Franse auteurs bezitten een aangeboren lichte, frivole schriftuur.

4. 'Frivool' staat in deze allerminst synoniem voor 'grappig'; neen, humor, ironie of zelfspot zijn in geen velden of wegen te bekennen; hier geldt: sérieux avant toute chose.

5. Franse romans staan garant voor de nodige omslachtigheid; wat een Angelsaksische auteur, getekend door de wijsheid van eeuwen, met een grijns op zijn gezicht afdoet in een halve pagina, levert bij zijn Franse collega heelder hoofdstukken op.

Over het verschil tussen Franse en Engelse literatuur, en waarom de kwaliteiten van beide nooit zullen samenvallen, zoals kop- en muntzijde van een euro nooit kunnen samenvallen, kom ik later nog wel eens te spreken.

Terug naar Capri, naar Ann Hidden en haar onlusten. Die worden er niet minder op.

"L’angoisse revint avec l’obscurité.
Et l’envie de fuir revint comme son compagnon.
Elle était devenue chaque jour le double de l’angoisse qu’elle éprouvait chaque jour au moment où la lumière du soleil s’effondre dans la nuit."


Elders:

"Je ne me suis jamais sorti de dépression qu’à l’aide des choses de tous les jours. Dans ma viel seul le remplissement des heures à l’aide d’un travail minutieux m’a tenu à flot à peu près. Et quand je dis le remplissement des heures, je me vante. C’est demi-heure par demi-heure que j’affronte le temps !"

Dat is het rare, en wat mij betreft ligt daarin een deel van het vermaak: dat in een verhaal dat behoorlijk menselijk uitpakt, Frans soms zo onbedoeld zwaar kan klinken. In zinnetjes als deze - ik lees ze met de glimlach:

"Tu n’es pas une erreur, Thomas. Tu es une faute."

Of deze, aan het slot. Omdat Quignard geen plotter is kan ik het hier gerust kwijt.

"Finalement ils s’aimèrent. Ils ne s’aimèrent pas sexuellement… Mais ils s’aimèrent vraiment."

Na dit komen er trouwens nog een stuk of wat pagina's. Er is niets verklapt. Voor spanning en sensatie ben je bij Quignard überhaupt aan het verkeerde adres. Villa Amalia kabbelt maar door.

Ik lees Quignard vooral om mijn eigen francofonie te onderhouden. Uit zijn Frans weerklinkt een melodie dat geen Nederlands equivalent je kan geven. Hier, vier oefeningen in opklimmende volgorde, om luidop voor te lezen:

"Elle se glissa entre les deux porte très étroites, tintinnabulantes."

"Les vaguelettes étincelaient au-dessus des feuilles de nénuphars."

"Aux yeux de Giulia c’était un grand corps doux, silencieux, sensuel, rassurant, tout d’os, de fuites, d’écarts."

"Anne se leva et alla embrasser sa mère.
Il y a une extrême tendresses répugnante, excessive, malodorante, osseuse, chez les vieilles gens."


> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Pascal Quignard, Villa Amalia
297 p.
Uitgeverij Gallimard, 2006
____

maandag 30 juli 2007

De Verboden Beelden - Paul Nougé

De Verboden Beelden bevat een selectie uit de geschriften van Paul Nougé (1895-1967). Na het boek van Raoul Vaneigem opnieuw een titel uit het fonds van uitgeverij Ijzer waar ik niets mee kan aanvangen.

Van huis uit biochemicus begon Nougé vanaf 1924 met Camille Goemans en Marcel Lecomte surrealistische pamfletten (onder de koepelnaam Correspondance) op te sturen naar de grote Parijse roerganger André Breton. Hoewel Nougé de Franse nationaliteit bezat, zou hij zijn hele leven in Brussel wonen en werken.

Daar bleef het niet bij. Nougé, Goemans en Lecomte richtten samen met de componisten Paul Hooreman en André Souris en de beeldende kunstenaars René Magritte en E.L.T. Mesens een eigen surrealistische club op die losse betrekkingen onderhield met het Franse hoofdkwartier. In de jaren veertig zou het tot een breuk komen met hun tegenhangers in de lichtstad.

Deze keuze opent met 'De spiegelkamer' uit 1929, een intrigerende verzameling niets ontziende personalia.

"Lomp gezicht, dichte wenkbrauwen, grove lippen; pikzwart, ogen en hoofdhaar, enigszins een snor, achttien jaar, wasvrouw. Masturbeert zich waarschijnlijk. Erg opgewonden. Heeft gekotst toen zij binnenkwam. Het uittrekken van haar hemd ging een beetje moeizaam. Tamelijk grote enigszins hangende borsten, nauwelijks getekende tepelkringen, ingedeukte tepels, niet te veel buikbeharing, wel buitengewoon behaarde benen, zwart, maar alleen tot aan de knieeën. Tamelijk volle bossen onder de oksels. Geen lichaamsgeur."

Zin en betekenis van dit alles blijft onduidelijk, net als de vraag waarom dat ideetje 38 fragmenten lang volgehouden moest worden.

Uit het zelfde jaar stamt 'De conferentie van Charleroi', een lange, opnieuw fragmentarische tekst waarin Nougé probeert aan te tonen waarom het beluisteren en componeren van muziek helemaal geen onschadelijk vermaak is. Hij doet dat onder meer door een einde te maken aan de schijnbare tegenstelling tussen toeschouwer en uitvoerder.

Ik kan er weinig meer van navertellen, zo warrig is Nougé's betoog. Hij noemt het zelf "een onderzoek", "een waarschuwing", "de ontsluiering van een geheim". Ik opteer voor een andere trias: belabberd essay, stompe filippica, doffe spielerei.

De waarde van dit boek - voornamelijk historische waarde - zit 'm in het feit dat Nougé een van de eersten was die beschouwingen wijdde aan de schilderkunst van kunstbroeder Magritte. 'De verdedigde beelden' heet dat stuk. Hij beschouwt diens doeken als eyeopeners, antidota tegen de alledaagse waarnemingen die we plegen te doen.

"Wat geldt voor het gezichtsvermogen, geldt ook voor de andere zintuigen. Wij horen alleen wat wij willen horen, in een openbare gelegenheid horen wij de woorden van personen die wij kennen of die ons op de een of andere manier opmerkelijk voorkomen, maar niet de woorden die ons onverschillig laten."

Magritte biedt geen reeks van strikt logisch afgeleide beelden aan, een eerste beeld dat het volgende oproept en daardoor verdwijnt, waardoor dat ene onbeweeglijke schilderij in het bewustzijn verankerd wordt en blijft. Zoals het schilderij het oog beziggehouden heeft, houdt het oog de geest bezig, aldus Nougé. Als een permanente metafoor, een metafoor die voor het denken de terugtocht onmogelijk maakt.

"In tegenstelling tot het goedaardig openen van bekende perspectieven, wordt door het beeld de weg naar de volledige rust versperd."

Zoals zoveel kunstkritiek is dit echter weinig meer dan de aparte verwoording van een basaal inzicht.

En toch. Francis Ponge, zeker niet de minste, was een bewonderaar van Nougé. Er moet dus meer aan de hand zijn. Dat surplus komen we alleszins niet aan de weet in de inleiding. Hanne Willighagen beperkt zich tot een biografische notitie en vertikt het met ook maar één woord te reppen over de teksten zelf.

Tja, als dat hier al niet gebeurt, waar dan wel?

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Paul Nougé, De Verboden Beelden
123 p.
Uitgeverij IJzer, 1995
Oorspr. teksten uit:
Histoire de ne pas rire
(1956)
L’expérience continue (1966)
Des mots à la rumeur d’une oblique pensée (1983)
____

zondag 29 juli 2007

Bromsteen - Peter Adolphsen

Laten we de fantasie van de lezer ook niet overroepen. Ik betrapte er mezelf op dat de beelden die deze novelle bij me losmaakte veel overeenkomsten vertoonden met de mentale diamontage die Max Frisch in werking stelde toen ik in december 2002 zijn De mens treedt op in het Holoceen las. Klaarblijkelijk leven er een paar oerbeelden in mij die het altijd halen als er in mijn lectuur bergen en grotten ter sprake komen.

Bromsteen is een estafetteverhaal over een rare zoemende steen die in 1907 in een Zwitserse kalksteengrot wordt gevonden. Enige tientallen bladzijden volgen we het grillige reispatroon van dit specimen, dat zich als een houtwurm boort door de bewogen twintigste eeuw.

De jonge Deen Peter Adolphsen heeft daar wel een hoop grote en kleine toevalligheden voor nodig. Zo komt Josef Siedler, de oorspronkelijke vinder, tragisch aan zijn einde.

Tijdens een wandelingetje door de Provinostrasse in de herfst van datzelfde jaar hadden ze het ongeluk dat een verhuizer die bezig was een chaise longue naar de derde verdieping te hijsen, juist op het moment dat zij passeerden een beroerte kreeg. Andrea overleed ter plekke en Josef twee dagen later aan zijn verwondingen. De verhuizer overleefde het.
Daarop erft zijn anarchistische neef de 'bromsteen'. In Berlijn offreert hij die op zijn beurt aan zijn vriendin. We schrijven dan al 1933: deze Judith moet vluchten voor haar leven en vergeet haar bagage op het perron in Hamburg. Aldus komt de steen in handen van de oude stationsbediende Georg Weide.
Eigenlijk schreef het reglement voor dat gevonden voorwerpen na achttien maanden aan de Deutsche Reichsbahn toevielen, maar het uitbreken van de oorlog op 1 september een jaar later betekende dat de functionaris die tot op dat moment de afdeling beheerd had, opgeroepen werd voor militaire dienst en vervangen door de gepensioneerde loketbeambte Georg Weide die gedurende de hele oorlog, onbekend met de genoemde regel, toezicht hield op de aan de rand van het stationsterrein gelegen houten barak met zijn honderden koffers, tassen, jassen, hoeden, paraplu’s enzovoort. Door een onwaarschijnlijk geluk, en dankzij de afgelegen plek tussen twee lage wallen, bleef de barak gespaard voor alle geallieerde bombardementen inclusief de drukgolf van de brand op 28 juli 1943 tijdens de operatie Gomorrha.
Al in mei 1941 werd het gebouw aan de Langenfelderstrasse waarin Georg zijn woning had door een voltreffer verwoest, en de barak op het stationsterrein werd zijn permanente verblijfplaats. Het was er eigenlijk heel gezellig: kachel, tafel, stoel, brits en gemakhuisje waren al aanwezig, en met de weinige bezittingen die hij tussen de brokstukken wist op te graven, richtte hij de barak in zodat er niets van belang ontbrak; hij hing zelfs een verduisteringsgordijn op.
In december 1943 overwon Georg eindelijk de innerlijke barrière die hem er tot dan toe van weerhouden had zich de gevonden voorwerpen toe te eigenen. Een nobel motief, honger, bracht hem ertoe.
Ten lange leste komt de steen terecht in de Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen, alwaar een kunsthistorica de herkomst van het ding tracht te achterhalen. Waarna Adolphsen nóg een coup de théâtre in petto heeft. End of story.

Bezwaren tegen Bromsteen te over. De cyclische structuur doet routineus aan. De geologisch-technische opmaat wordt door Adolphsen nogal makkelijk aan de rest van het verhaal vastgeniet. Er komt veel geschiedenis voorbij, maar in een vorm die al te vrijblijvend is. Die vorm heet: slapstick.

Deze novelle is, kortom, de matte en tegelijk onwaarschijnlijke synopsis van een veel beter, nog ongeschreven boek.

Al betwijfel ik sterk of ik ooit met zoemende stenen mijn pap zou kunnen koelen.

Het mooiste wat ik onthield van Bromsteen - en ik geef toe dat 'mooi' bij mij dikwijls gelijk staat met 'citabel' - is het motto dat Adolphsen zijn vertelling meegeeft. Een ludieke quote waarin Mark Twain het waandenkbeeld van 'intelligent design' bestrijdt, honderd jaar voor de term in voege komt. De vertaling door Edith Koenders is niet mis, maar het origineel is nog leuker.
Man has been here 32,000 years. That it took a hundred million years to prepare the world for him is proof that that is what it was done for. I suppose it is. I dunno. If the Eiffel tower were now representing the world's age, the skin of paint on the pinnacle-knob at its summit would represent man's share of that age; & anybody would perceive that that skin was what the tower was built for. I reckon they would. I dunno."
Altijd een slecht teken als motto's de bovenhand halen.

(Gebaseerd op notities van 29 november 2006.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://en.wikipedia.org/wiki/Intelligent_design

Peter Adolphsen, Bromsteen
90 p.
Uitgeverij Cossee, 2006
Oorspr. Brummstein (2005)
____

zaterdag 28 juli 2007

Kreupele flapteksten [2]

"Raoul Maria de Puydt zelf heeft in zijn gedichten de veredelende meerwaarde van al het schoonmenselijke uitgedragen. Niet naiëf-moraliserend welteverstaan, want hij die zichzelve en ons door en door moet kennen op zijn vijftigste, is niet voor het uitspreken van onze beperkingen en grenzen teruggeschrikt. Ik ervaar zijn literaire figuur, zowel in puur-creatief als in organisatorisch opzicht, als een weldoend signaal van cultuurpolitiek betrokkenheid.
Raoul schrijft op de stevige basis van verstandig zelfvertrouwen, wars van zelfbeklag evenals van zelfophemeling. In het schild van de Stichting Raoul Maria de Puydt staat ook de weegschaal van Vrouwe Justitia afgebeeld. De twee schalen houden elkaar, zoals het hoort, perfect in evenwicht. In de ene schaal zie ik de rechtskundige praktijk van de advokaat liggen, in de andere de literaire faam van de dichter. Raoul de Puydt heeft twee zo divergente bezigheden evenwichtig met elkaar verzoend."


flaptekst (geschreven door Hugo Weckx, Minister van Cultuur 1992-1995) van:
Raoul Maria De Puydt, Ontembare dromen : gezang
Uitgeverij Zuid & Noord, 1995

> meer kreupele flapteksten
____

De kreupelen zullen ons voorgaan - Flannery O'Connor

De kreupelen zullen ons voorgaan is een gedeeltelijke vertaling van de verhalenbundel Everything That Rises Must Converge van de Amerikaanse schrijfster Flannery O'Connor (1925-1964).

Drie van de vier gekozen verhalen behandelen de rassenproblematiek en misschien doen ze dat iets te nadrukkelijk. Terwijl je in een roman een en ander nog kan aanlengen en verdunnen, blijft een kortverhaal over levensgrote thema's een moeilijke evenwichtsoefening. Je begint met literatuur, maar eindigt voor je het weet met didactiek.

"Hij bracht zijn hoofd dichtbij het hare en siste: ‘De ware beschaving zit hem in de geest, de geest,’ zei hij en tikte tegen zijn hoofd. ‘De geest.’
‘In het hart,’ zei ze, ‘en het zit hem in hoe je je gedraagt, en hoe je je gedraagt komt door wat je bent.’"


Daar staat tegenover dat de realiteit vaak genoeg even bot is als de fictie. Dit conflict tussen een racistische moeder en haar universitair geschoolde zoon op een autobus overstijgt ruimschoots het particuliere van het protestantse Georgia in de jaren vijftig. Een Afghaanse kennis van me moet anno 2007 nog geregeld gedogen dat oude besjes snel hun handtas weggrissen als hij naast hen plaatsneemt. Hij kan er om lachen.

Het titelverhaal, 'The Lame Shall Enter First', behoort dan weer tot het beste dat ik dit jaar te lezen kreeg in het korte genre. Daarin ontmoeten we de integere Sheppard, zijn verwende zoon Norton en Rufus Johnson, een jongen met een horrelvoet én een uitvoerig strafblad die hij op de tuchtschool al heeft proberen te helpen en nu in huis neemt.

Terwijl Norton zijn inhalige zelf blijft en nimmer intellectuele nieuwsgierigheid aan de dag legt, bezit Johnson een IQ van 140 en brengt deze een groot deel van de dag door lezend in de Encyclopaedia Britannica.

Door de kunde waarmee Flannery O'Connor deze drie levens met elkaar verknoopt, belemmert ze elke mogelijke partijdigheid van de lezer, welk een belangrijke rol moraal ook speelt hier. Het verhaal bezit een onheilspellende, ijzeren logica waar eenvoudige ethische overwegingen op afketsen en O'Connor serveert alles ijsgekoeld.

In een prachtige scène haalt Sheppard er een telescoop bij, in een poging een jongensachtige band tussen de twee kleine loeders te smeden. Dat mist zijn uitwerking compleet. Norton tuurt er enkel door op zoek naar zijn dode moeder, en wordt ook nog eens opgedraaid door Johnson, in wiens aard het ligt nooit ergens enig enthousiasme voor te tonen maar tegelijk bezeten (bedorven) lijkt door de geloofsleer.

"‘Ik zal nooit levend op de maan komen,’ zei hij, ‘en als ik dood ben ga ik naar de hel.’"

Het schrandere, illusieloze boefje Johnson geselt de naïeve Sheppard (what's in a name) als een oerkracht en rijdt al diens goede bedoelingen klem.

"Even voelde [Sheppard] een doffe wanhoop alsof hij geconfronteerd werd met een elementaire vergroeiing van de natuur, die te lang geleden was begonnen om er nog niets aan te kunnen veranderen. "

En dat is nog maar het begin. 'De kreupelen zullen ons voorgaan' (een bijbelcitaat) is het indrukwekkende verslag van een intellectuele, emotionele en morele krachtmeting.

Ongewoon aan dit boek is de bladspiegel, niet veel breder dan een krantenkolom.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> Flannery O'Connor on writing short stories (eamelje.net)

Flannery O'Connor, De kreupelen zullen ons voorgaan
131 p.
Uitgeverij Pranger, 1980
Oorspr. Everything that rises must converge (1965)
____

vrijdag 27 juli 2007

Mulisch 80

Knack, wisselvallig blad. Elke week laat ik me graag tegen de gematigd linkse haren instrijken door de striemende columns van Rik Van Cauwelaert en Derk Jan Eppink, spel ik met genoegen de wetenschapsbladzijden van Dirk Draulans en Joël De Ceulaer en eisen de besprekingen van Herman Jacobs en Frank Hellemans mijn aandacht op.

Maar een foutloos parcours is er nooit bij. Neem het interview dat Piet Piryns laatst van de tachtigjarige Mulisch afnam - Mulisch, die al jaren op zijn lauweren rust. Daar staat nu werkelijk niets nieuws in. Cuba, de Tweede Wereldoorlog, het concept 'wondergrijsaard', prietpraat over het toeval: Mulisch kan ongestoord zijn bekende oneliners - die ik alle minstens vier keer elders heb gelezen - tussen de vragen frommelen. Goed, dat kan gebeuren met zo'n routinier. Maar om daar dan op de cover mee uit te pakken?

> http://www.knack.be/
____

Guido Cavalcanti

"Guido Cavalcanti (c. 1255–1300) was an Italian poet who was a role model for and a friend of Dante. He was born in Florence and was the son of the Guelph Cavalcante de' Cavalcanti, whom Dante condemns to torment in the sixth circle of The Inferno, where the heretics are punished. As part of a political reconciliation between the Blacks and Whites, two factions of Guelphs, Guido married Beatrice the daughter of Ghibelline party leader Farinata degli Uberti. Unlike Dante, he was an atheist. His poetry explores the philosophy of love. In June of 1300, when the Florentines had become tired of brawling between the Ghibellines and the Guelphs, the leaders of both factions were exiled and Cavalcanti was amongst them. He was sent to Sarzana, where, after only a few months he decided to try to return to Florence. He died of fever in August of the same year on his journey home."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Guido_Cavalcanti

____

Annie Besant

"Annie Wood Besant (Clapham, London October 1, 1847 – Adyar, India September 20, 1933) was a prominent Theosophist, women's rights activist, writer and orator."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Annie_Besant




____

donderdag 26 juli 2007

De regel van Sint-Benedictus - Benedictus van Nursia

Toen ik enkele weken geleden op de Nederlandse televisie een documentaire zag over de Abdij van Keizersberg, een benedictijnerklooster in Leuven, bedacht ik weer dat zo'n solitair en sober leven mij zeer zou behagen. Dag in dag uit de nijvere studax mogen uithangen in een halve isoleercel, heerlijk. Áls ik over een snelle internetverbinding zou kunnen beschikken, tenminste.

Ik las dit boekje over Benedictus' leer - waarvan ik alleen de beroemde slagzin 'ora et labora' (bid en werk) kende - om mezelf uit de dagdroom te helpen. Dat gebeurde al snel, toen ik het opensloeg op een willekeurige pagina:

"Beschouw jezelf te allen tijde schuldig aan je zonden en stel je voor dat je al bij het vreeswekkend oordeel bent."

De Italiaan Benedictus van Nursia (ca. 480-550) schreef zijn Regel met het oog op de zogenaamde cenobieten: kloosterlingen die hun dienst vervullen onder een regel of abt (dit in tegenstelling tot de heremieten, die het kluizenaarschap voorstaan, en de sarabaïeten, die zich laten leiden door eigen opgedane ervaring).

Naar verluidt halen classici er van oudsher vaak de neus voor op, omdat Benedictus' Latijn vrij ver afstaat van de normen van het klassieke Latijn van Cicero en Caesar.

De regel telt in totaal drieënzeventig bepalingen, alle inderdaad cirkelend rond gebed, bijbelstudie en handwerk. De indrukwekkende vierde bepaling, 'Middelen om het goede te doen' [zie het fragment op PvD] is zowat de neutronenkern van het katholicisme, met zijn rare mix van onbaatzuchtigheid en troebele zelfvernedering.

Verder zijn er bepalingen over gehoorzaamheid, zwijgzaamheid, nederigheid, hoe schuldigen uitgesloten moeten worden en hoe er dient gehandeld bij zware vergrijpen. Er heerst tevens een streng regime i.v.m. privé-bezit van monniken:

"Er is een fout die als geen andere met wortel en tak in het klooster moet worden uitgeroeid: niemand mag het zich aanmeten om zonder bevel van de abt iets te geven of aan te nemen, of enig persoonlijk bezit te hebben – absoluut niets: geen boek, geen schrijfplankje, geen pen, helemaal niets. Want zelfs over hun eigen lichaam of hun eigen wil mogen de monniken niet vrijelijk beschikken. Alles wat ze nodig hebben vragen ze aan de kloostervader, en ze mogen niets bezitten wat de abt niet heeft verstrekt of toegelaten. ‘Alles is voor allen gemeenschappelijk’ (Hnd 4,32), zoals er staat geschreven, en niemand noemt iets het zijne of beschouwt het zo.
Als echter wordt geconstateerd dat iemand plezier heeft in deze kwaadaardige fout, wordt hij vermaand, eenmaal en andermaal. Betert hij zich niet, dan wordt hij bestraft."


En wat dacht u van deze gedetailleerde set geplogenheden rond zang en gebed?

"Het officie van de vespers omvat vier psalmen met antifonen. Na die psalmen komt een lezing, en daarna responsorie, hymne, vers, kantiek uit het evangelie, litanie en onzevader als besluit. De completen omvatten drie psalmen, achter elkaar gezongen zonder antifoon. Daarna de hymne van het uur, een lezing, vers, kyrie-eleïson, en zegen tot slot."

Sint-Benedictus beroept zich in zijn voorschriften zoveel mogelijk op bijbelplaatsen.

"De zevende trede van nederigheid is om jezelf te betitelen als slechter en waardelozer dan alle anderen en dat diep vanbinnen ook echt zo te voelen. Verneder jezelf en zeg met de profeet: ‘Een worm ben ik, geen mens, schande van de mensen, veracht door het volk’ (Ps 21,7); ‘ik ben verheven en vernederd en beschaamd’ (Ps 87,16); en ook ‘Het was goed voor mij dat U mij hebt vernederd. Zo leerde ik uw geboden’ (Ps 118,71)."

Vincent Hunink, die een prettig leesbare vertaling maakte, probeert in zijn nawoord de rigiditeit die uit de tekst spreekt wat te relativeren - de Regel zou moeten opgevat worden als een soepele leidraad - maar kan mij maar half overtuigen. Al vallen er onmiskenbaar tekenen van mildheid te bespeuren:

"Eigenlijk is wijn niets voor monniken, zo lezen wij, maar in onze dagen kan men monniken hiervan niet meer overtuigen."

De eerste kloosters in West-Europa dateren pas uit de late oudheid, schrijft Hunink. Ze werden gesticht naar het voorbeeld van de al veel oudere kloosters in Palestina, Syrië en vooral Egypte: de stichting van het eerste klooster staat op naam van de Egyptenaar Pachomius (325) die zijn eigen Regel schreef in het Koptisch.

"In het Westen vond het monachisme het eerst ingang in – hoe kan het anders – Rome. Dat gebeurde tegen het eind van de vierde eeuw. De kerkvader Hiëronymus, die het oosterse monnikenleven uit eigen ervaring kende, speelde hierin een belangrijke rol. Spoedig werden er her en der in Italië kloosters gesticht en het verschijnsel breidde zich ook uit tot Gallië, waar Martinus van Tours het grote voorbeeld werd. Vooral de praktische voorschriften van Caesarius van Arles (ca. 470-542) werden hier maatgevend. In Noord-Afrika was het der kerkvader Augustinus (354-430) die aan het begin van het georganiseerde monnikenleven stond. Zijn Regel vond brede toepassing in de kloosters die hij stichtte en wordt nog altijd gehanteerd in augustijner kloosters en door ander religieuze groepen, zoals kanunniken."

Sint-Benedictus stichtte zijn mannenklooster in de zesde eeuw, een uitgesproken woelige tijd door invallen van Goten en Vandalen. Het klooster kwam te liggen op een hoge rots in Zuid-Latium, zo'n 140 kilometer ten zuiden van Rome.

Het belang van zijn Regel als historisch document kan nauwelijks overschat worden.

"Het westerse kloosterleven werd er vanaf de vroege Middeleeuwen haast volledig door gedomineerd, tot de komst van nieuwe kloosterordes, zoals dominicanen en franciscanen, vanaf de dertiende eeuw, die veelal volgens hun eigen regels gingen leven. Maar ook daarna is Benedicus’ Regel belangrijk gebleven, niet alleen voor de benedictijnen, maar ook voor jongere ordes in de benedictijner familie. In de twaalfde eeuw ontstond er een beweging onder leiding van Bernardus van Clairvaux, die terugging naar een meer letterlijke uitleg van de Regel. De hieruit ontstane cisterciënzerorde geldt, evenals de daar in de zeventiende eeuw weer van afgesplitste trappistenorde, nog altijd als ‘strenge’ contemplatieve orde."

Blij dat ik er kennis van heb genomen. Blij dat ik geen benedictijn ben.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://nl.wikipedia.org/wiki/Regula_Benedicti
> http://nl.wikipedia.org/wiki/Benedictijnen
> http://en.wikipedia.org/wiki/Order_of_Saint_Benedict
> http://nl.wikipedia.org/wiki/Abdij_van_Keizersberg
> http://www.keizersberg.be/

Benedictus van Nursia, De regel van Sint-Benedictus
100 p.
Uitgeverij Athenaeum-Polak en Van Gennep, 2000
Oorspr. Regula monachorum (6e eeuw nC.)

____

woensdag 25 juli 2007

De geschilderde kamer - Inger Christensen

"Ik ben al oud en bitter sinds ik jong was, brokdelen van seconden ben ik moordenaar geweest, brokdelen van seconden ben ik bijna God geweest, ik heb de anti-vreugde gecultiveerd en heb me tegenover de mensen als een sfinx gedragen, ik heb het anti-geluk gecultiveerd en me tegenover mezelf als een machine gedragen, het anti-leven heb ik gecultiveerd en me tegenover de menigvuldigheid van de wereld als een monnik gedragen. Aan een klein beetje heb ik genipt, de rest heb ik gulzig van me afgeworpen."

Deze grimmige woorden komen uit de schrijfstift van Marsilio Andreasi, de achterbakse secretaris van hertog Lodovico Gonzaga. We bevinden ons in Mantua, in het Noord-Italië van de vijftiende eeuw. De Vorst van Gonzaga, zoals Lodovico nog wordt genoemd, heeft opdracht gegeven de bruidskamer in zijn paleis van muurschilderingen te voorzien. Dat is niet naar de zin van Andreasi, die heimelijk Nicolosia, de bruid van Mantegna begeert.

Vandaag eindelijk een glimp van Nicolosia. Ik werd lijkbleek en kon me niet bewegen, mijn hersenen werden volkomen blank en alle bloed stroomde uit mijn hart zodat het bijna niet meer sloeg en ik had het koud, een engel in het vuur van aardse gevoelens.
Het eerste deel van De geschilderde kamer, waaruit bovenstaande citaten komen, is een sprongsgewijze keuze uit het (fictieve) geheime dagboek van Andreasi uit de jaren 1454-1506. Daarin bekritiseert hij dus de muurschilder Mantegna tot zijn laatste snik -- uit rancune.
Kunstenaars zijn als regel in hun gedrag een stelletje conservatieve strebers. Het is een deel van hun ambitie om de elementen te trotseren, ook als daar geen enkele noodzaak toe bestaat.

[...]

Het kan niet de bedoeling zijn dat een echte mechanicus uit Gods genade in een geringer licht wordt geplaatst alleen omdat een toevallige plaatjesmaker een beetje diepzinnige smaak vertoont.
Ook technisch heeft hij van alles aan te merken.
Zijn bezetenheid, zijn effecten, zijn transposities zijn fundamenteel anti-klassiek, en hij rekt de logica zo ver op dat de logische constructie als een illusie in elkaar valt en verschrompelt. ‘Er mag geen eenzaamheid te vinden zijn in het verhaal van het schilderij,’ zei hij verscheidene keren.
U moet weten, gebruik van geometrisch perspectief (ontwikkeld in de vroege vijftiende eeuw door Brunelleschi) is nog een vorm van nieuwlichterij in die dagen.
We betalen hem om schoonheidsopenbaringen te leveren en overeenkomsten te vinden tussen de beste van onze dromen en de fysieke wereld, niet om zich aan beschouwingen over de dood, aan nachtmerries en geraffineerde begrafenisriten over te geven. De dood hoort in het privé-dagboek thuis, niet in de kunst.
Wie De geschilderde kamer heeft gelezen, weet dat dit een van de sleutelfragmenten is.

In het tweede deel -- laat ik wat meer haast maken -- staat de dwergin Nana centraal, een ondergeschoven kind van paus Pius II. In het slotdeel doet de zoon van Mantegna zijn verhaal.

In het ouderlijke huis bezaten we zo'n drieledige badkamerspiegel. Als kind schepte ik er plezier in mezelf tussen de opengeklapte luikjes in te sluiten, zodat ik - letterlijk - alle aspecten van mijn hoofd kon waarnemen.

De geschilderde kamer is eveneens een triptiekje waar de drie afzonderlijke delen elkaar aanvullen, uitdiepen, weerspiegelen. En evengoed treedt er een verwarrende vermenigvuldiging op.

Eerlijk is eerlijk: De geschilderde kamer was daarom te ingewikkeld voor me. Elke zin draagt bovendien bij tot het plot, waardoor de novelle een concentratiegraad vergt van de lezer die ik niet kon opbrengen. Omdat er te veel geraamte is, en te weinig vlees.

Ik denk dat ik nog niet voor de helft weet waar dit boek rond draait. Buitenechtelijk gestoei, driehoeksverhoudingen, hofintriges en moord, akkoord. Maar voortdurend steekt het pauw- en het engelmotief de kop op, om maar iets te noemen, en ik weet niet waarom.

Inger Christensen kan goed weglaten en beheerst de kunst van de suggestie. Tegelijk blijft het spel van herhaling, parallelie, illusie, voortekens en goed bewaakte geheimen steken in het stadium van bloedeloze constructie. Vond de romanticus in mij.

Want wellicht is zulks gewoon de bedoeling. Christensen weet goed de Renaissance-mentaliteit te vatten, via proza waaruit alle gepsychologiseer gebannen werd, proza ook dat een sjieke houterigheid bezit en veel apodictische wijsheden.
‘Onze wereld van schoonheid, waar de schoonheid onder druk wordt gezet om de waarheid aan het licht te brengen. Waar het uit deze eerstgeboren zichtbare waarheid mogelijk word je naar een latere meer omvattende schoonheid te dromen. Die, als de tijd daar is, de oudste, meest dodelijke waarheid zal opleveren. Die, aan gene zijde, als de schoonheid in het dodenrijk is aangekomen, daar als iets onzichtbaars verder zal leven, als gaten in schilderijen, overal waar de lelijkheid placht te komen, zonder dat we haar licht zagen.'
Inger Christensen is de jaarlijkse Deense inzending voor het Eurovisiesongfestival der Letteren, de Nobelprijs. In dit boekje, naast een poëziebundel het enige wat er van haar in het Nederlands te verkrijgen is, komt ze naar voren als een ingetoomde vakvrouw.

Ik kan me voorstellen dat ze tot de nachtkastjeslectuur van Paul Claes behoort. De geschilderde kamer is een kunstige, hoogwaardige novelle. Jammer dat het zetwerk ontsierd wordt door enkele dubbele spatiëringen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> Lodovico's bruidkamer kan nog steeds bezocht worden

Inger Christensen, De geschilderde kamer : een vertelling uit Mantua
95 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 2003
Oorspr. Det Malede Vaerelse (1976)
____

dinsdag 24 juli 2007

Wie was Edgar Allan? - Peter Rosei

Hoe schrijf ik een korte roman - handleiding bij de modelbouwkit. Men neme een stad met naam en faam, eentje die bovendien van zichzelve al krachtige associaties oproept, men recycleert een der belangrijkste figuren uit de Amerikaanse letterkunde, zet een vaag misdaadverhaaltje op en gooit er wat drugs tegenaan. Klaar.

Wie was Edgar Allan? is het brokkelige relaas van een man over zijn verblijf als vijfentwintigjarige klaploper in Venetië. Een eenzelvige kamerhokker is hij in die dagen, woonachtig op een binnenplaatsje aan de Calle San Lorenzo. Doordat hij zijn vader een veel hogere huur opgeeft, blijft een aardige som gelds over die hij deels in de kroeg achterlaat en deels gebruikt om zich van allerhande verdovende middelen te voorzien.

"Wachten op de duisternis, op de zachte landing van de donkere vogel: de etherroes!"

Als zijn vader sterft, wordt een kleine erfenis zijn deel en daardoor kan hij zijn ongeregelde levenswandel een tijdje voortzetten.

Op een van zijn zwijmeltochten ontmoet hij de ongrijpbare Amerikaan Allan. Deze dist zonder aanleiding geruchten op rond de geheimzinnige dood van de aan drugs verslaafde 'contessa', die zich van het dak van haar palazzo heeft gestort.

"Dat was hem ten voeten uit: hij verstrekte weliswaar bereidwillig informatie, maar ontkrachtte daarmee als het ware en passant verdenkingen die gerezen waren en trekt zich daarop meteen weer terug door het gesprek op iets algemeens te brengen."

Daarna worden we lang - te lang - vergast op de wisselvallige stemmingen van de naamloze verteller, die immer zijn pillenvoorraad bij zich draagt in een doosje ("mijn bonbonnière") en speculeert over de afkomst van Allan.

"En alsof het paroxisme nog intenser kon worden, verbond zich in de wervelstorm van mijn bewustzijn de werkelijke gestalte van Allan met die van de reeds lang overleden schrijver en dichter Poe, en ik zag beiden in één, zag een reusachtige gedaante half bezorgd en half dreigend zich over mij buigen, en nu, om volkomen oplosbaar te zijn, dreunde de vraag anders – aan mij gesteld, door die gedaante gesteld – en wel zo: Wie was Edgar Allan?"

Veel duidelijke intrige zit er niet in de roman. De jongeman blijft maar spelen met allerhande vergiften en met de drank.

"U schrijft waanzin toe aan de drank, en niet de drank aan de waanzin, zei Poe over zijn alcoholisme. Zo was het ook met mij."

De fenomenologie van nachtelijk Venetië en de waarneming daarvan nemen daardoor in intensiteit toe en in intensiteit af. Het enige dat een solide indruk maakt, zijn de nauwgezette geografische plaatsbepalingen van Peter Rosei. Op den duur gaat het gemijmer van de jongeman over in hallucinaties. Rosei beschrijft die fragmentarisch, gescheiden door talloze witregels.

"Destijds door de steden. Was het er één? Zomerstad. Herfststad. Naherfst.
Men transporteerde mij. Ik vloog. Men droeg mij, tilde mij op: hoe prettig was dat! Golfgeklots. Kwallendrift. Drijven."


"Ik zag eens een paard, een vos. Het paard was van een schitterende bouw, het vel glad en glanzend, de manen sproeiden vonken als het dier zich bewoog. Zijn ogen hadden de kleur van afgevallen kastanjes. De wimpers waren zwart. Later hoorde ik dat handelaren het dier arsenicum gegeven hadden, en dat het in al zijn schoonheid geruïneerd was."

Rosei, die een peleton silhouetten, schaduwschimmen en mistige dubbelgangers op de lezer afstuurt, wil dat we ons net als zijn held afvragen of Allan, inmiddels Edgar Allan, het kopstuk is van het drugssyndicaat dat in de lagunestad de dienst uitmaakt. En of het hier echt een reïncarnatie van Edgar Allan Poe betreft.

"Voor mij is alles verblijfplaats, onderkomen, kwartier, zei hij."

"Allan loog. Dat was maar al te duidelijk. Maar hij deed het met die perfectie, die geheimzinnigdoenerij uitsluit en juist doorzichtigheid tot het wezenskenmerk van de leugen verheft."

Het interesseerde mij allemaal geen fluit, moet ik zeggen. Peter Rosei is een aardige decorbouwer, die mooi zijn voordeel doet met het gemurmureer van Venetiës stinkende kanalen en haar afbladderende paleisfaçades, maar weet niet meer dan een flutverhaaltje te verzinnen.

Wie was Edgar Allan? wil duidelijk kaderen in de rijke traditie van decadente Venetië-literatuur - denk aan Frederick Rolfe en bepaalde verhalen van Henry James - maar blijft zwaar in gebreke.

De enige manier om nog iets van deze roman te maken is hem te beschouwen als een impressionistisch divertimento. Voor de ontknoping moet u hem zeker niet lezen. Wie was Edgar Allan? loopt leeg als een balonnetje.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Peter Rosei, Wie was Edgar Allan?
126 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1979
Oorspr. Wer war Edgar Allan? (1977)
____

maandag 23 juli 2007

De huurder - Roland Topor

"Eerlijk gezegd voelde hij zich al niet meer echt thuis. Het voorlopige karakter van zijn toestand bedierf zijn laatste dagen hier. Die leken op de laatste minuten die iemand doorbrengt in een treincoupé op het moment dat de trein het station binnenrijdt."

Ene Trelkovsky wil maar wat graag zijn intrek nemen in het huis dat tot voor kort verhuurd werd aan een Parisienne, nu die vrouw met een doodsmak uit haar raam is gevallen. Eerst moet het arme mens natuurlijk voorgoed het tijdelijke met het eeuwige verwisselen. En zie, dat gebeurt uiteindelijk. Maar dan...

Met het huis van Simone Choule betreedt de Poolse inwijkeling het sadistische universum van Roland Topor: beetje bij beetje wordt de timide Trelkovsky tot wanhoop en waanzin gedreven door zijn buren, die hem zonder ophouden valselijk beschuldigen van burengerucht. Geen enkel ogenblik van zijn bestaan in het appartement zal hij vergeten dat er iemand boven, beneden en naast hem woont. Als de dood is Trelkovsky voor eigenhandig veroorzaakt lawaai. Hij loopt op de tippen van zijn tenen. Allemaal tevergeefs. De klachten van de buren houden aan.

Zijn vrienden jutten hem op om zich niet zomaar te laten doen. Ze willen dat hij een luidruchtig feestje inricht in het appartement. De aanval is tenslotte de beste verdediging.

"‘Als jij geen leven meer maakt,’ voegde Simon eraan toe, ‘zullen ze denken dat zij gewonnen hebben. Dan zullen ze je nooit meer met rust laten.’"

Wanneer de arme huurder twijfelt aan het welslagen van dat plan beginnen ook zijn vrienden plotsklaps sardonische trekjes te vertonen.

"‘Let maar op,’ zei Simon, ‘we komen om vier uur in de vroegte aanzetten en bonzen hard op je deur en roepen je naam.’
‘Of we kloppen aan bij je benedenburen om naar jou te vragen.’
‘Of we nodigen honderden mensen uit voor een feestje bij jou zonder dat jij het weet.’"


Hoeft het nog gezegd dat het partijtje de zaken op de spits drijft? De burenhaat wordt alsmaar erger, de pesterijen steeds bizarder. Trelkovsky wordt gedwongen een petitie te ondertekenen tegen het vermeende lawaai van een andere, misschien wel onbestaande buurvrouw. Iemand lijkt zijn meubels te hebben verplaatst. Zijn radio raakt zoek.

"Wat later ontdekte hij dat zijn twee koffers eveneens ontbraken. Hij had geen verleden meer."

En wat is dat met die tand die de vorige bewoonster kennelijk in een gat in de muur heeft verstopt?

De enige die hem - zeer tijdelijke - verlossing schenkt is de mysterieuze Stella, letterlijk een lichtpuntje in de duisternis, met wie hij halfverdoofd een seksuele affaire begint.

"Het was een genoegen naar haar te kijken, want zonder knap te zijn had ze iets prikkelends. Het was het soort meisje tot wie Trelkovsky op zijn intiemste momenten in zijn verbeelding zijn toevlucht nam."

"Ze pakte zijn lid en wees hem de weg. Stelselmatig drong hij in haar. Terwijl hij zich hierop toelegde, stelde hij zich voor dat ze een filmster was. Vervolgens werd de filmster de dochter van een bakkersvrouw bij wie hij lange tijd brood had gekocht. Zij boog zich achterover."

Op een dag is de hele traphal volgepoept, behalve voor Trelkovsky's deur. Dat zet zijn geestelijke gezondheid definitief op losse schroeven, ondanks de intellectuele meditaties die hij met dat doel inlast.

"Trelkovsky kromp ineen van angst. In een flits besefte hij dat de afwezigheid van viezigheid voor zijn deur hem niet alleen niet vrijsprak, maar zelfs nog meer beschuldigde."

"Trelkovsky klampte zich aan zijn gezonde verstand vast als aan een touw. Hij zei bij zichzelf de tafel van vermenigvuldiging en de fabels van La Fontaine op. Met zijn handen maakte hij ingewikkelde bewegingen waaruit een goede coördinatie van zijn reflexen bleek. Hardop schetste hij zelfs een compleet beeld van de politieke toestand in Europa in het begin van de negentiende eeuw."

Met duizend kleine kleingeestigheden, met een waakzaamheid die nooit verslapt, met een ijzeren wil veranderen de buren hem in... Simone Choule - of denkt hij dat alleen maar? Op een morgen wordt hij wakker met vrouwenkleren aan en volledig geschminkt - of is dat nog steeds die enge droom? Maar kijk, dat gat in zijn mond, dat zit er wel degelijk: zijn bovensnijtand ontbreekt!

Stilaan verdenkt Trelkovsky ook Stella ervan één van de buren te zijn.

"Hij was alleen, volmaakt alleen, alsof hij bezig was dood te gaan."

De huurder, waarvan u het einde zelf moet lezen, is een briljante, goed strak gehouden nachtmerrie van een vertelling, een pekzwarte fabel die ik u van harte aanbeveel. Hij doet denken aan het beste van Amélie Nothomb, Daniil Charms en Gogol.

Topor is een meester in het optekenen van die kleine naargeestige zinnetjes die hun uitwerking niet missen.

"Vogels zingen niet, ze krijsen."

"De kaden waren grauw en de Seine smerig. De boekenstalletjes kwamen hem even weerzinwekkend voor als vuilnisvaten."

Of wanneer Trelkovsky de vorige huurster gaat opzoeken in het ziekenhuis:

"De artsen en verpleegsters schenen hem monsters van ongevoeligheid toe, al bewonderde hij hun toewijding."

Bovendien suggereert de Franse schrijver-filmer-tekenaar duivels knap, en eigenlijk zonder veel belletristische poespas, de emotionele stress en de verstandelijke aftakeling van zijn held. Waar houdt de realiteit op? Waar start de inbeelding? En wanneer gaat die inbeelding over in onomkeerbare paranoia?

"Voortdurend spookte de gedachte door zijn brein dat hij zijn hoofd zó op het kussen moest leggen dat hij het kloppen van zijn hart niet hoorde. Wel tien keer draaide hij zich om voordat hij eindelijk een houding vond die hem doof maakte. Want hij kon er niet tegen dat vreselijke geluid te horen dat getuigde van de broosheid van zijn bestaan. Hij had zich vaak afgevraagd of ieder mens in zijn leven zijn hart niet slechts een bepaald aantal keren kon laten kloppen. Toen hij ondanks al zijn pogingen het kloppende hart dat in zijn borst spartelde bleef horen, vluchtte hij eenvoudig helemaal onder de dekens. Hij trok het laken over zijn hoofd en keek met wijdopen ogen naar zijn lichaam dat zich in het donker verschool. Op deze manier gezien kreeg het iets ontzagwekkends en massaals. De scherpe, dierlijke lucht fascineerde hem. Hij voelde zich wonderlijk gerustgesteld. Hij had zijn lichaamsgeur nodig om er zeker van te zijn dat hij bestond. Hij dwong zich een wind te laten om die lucht nog sterker, nog onhoudbaarder te maken. Hij bleef zo lang mogelijk onder de dekens, ook al stikte hij bijna, maar toen hij weer bovenkwam in de frisse lucht voelde hij zich gesterkt. Hij twijfelde minder aan het verloop van zijn ziekte, zijn angst maakte plaats voor een nieuwe sereniteit."

Het boek werd verfilmd door die andere Poolse migrant, Roman Polanski. Nog niet gezien. Any good?

(Gebaseerd op notities van 14 december 2006.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> tip: http://www.rolandtopor.net/ (geluid opzetten!)

Roland Topor, De huurder
194 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 1976
Oorspr. Le locataire chimérique (1964)
____

zondag 22 juli 2007

De bekentenissen van Kornél Esti - Dezső Kosztolányi

Mijn grootmoeder was vijf jaar oud toen ze in 1926 het roerige Boedapest verliet. Op een dag werd ze door haar moeder op een trein met vluchtelingen gezet. Bagage: één koffertje, en een kartonnen bordje met personalia rond de nek. Aan het einde van de rit wachtte een Belgisch pleeggezin. Als ik iets aan mijn Magyaarse roots heb overgehouden, zijn het de donkere beharing op mijn voorarmen en een krachtige neiging tot droefgeestigheid als ik niet, door druk te lezen of druk te schrijven, voldoende zelfvergetelheid over me afroep. Zo komt het ook dat ik de Hongaarse literatuur met meer aandacht volg dan pakweg de Roemeense of de Bulgaarse.

Dat kan prima, de Nederlandstalige lezer wordt goed bediend met vertalingen. Vele topauteurs zijn voorradig, met meerdere titels.

‘Je mist hem toch niet?’, vroeg mijn moeder vorsend, toen ik voor mijn olielamp zat te soezen en aan Kornél dacht.
Kornél Esti (korneel esjti), die door Dezső Kosztolányi (deszjeu kostolaanji) een beetje doorzichtig wordt voorgesteld als een vriend van de naamloze verteller, mag je beschouwen als een afsplitsing van de auteur, een geïdealiseerde versie van Kosztolányi zelf. Kornél is een brutale vlerk. Een trekvogel, "een transformatieartiest", een aal die je voortdurend door de vingers glipt. De ik-figuur roept Esti in het prachtige eerste hoofdstuk uit tot zijn absolute leermeester, zijn grote inspirator. Hij is hem zijn leven schuldig, zoals iemand die zijn ziel aan de duivel heeft verkocht. Nadat hun wegen lang geleden scheidden ("Hij linksaf. Ik rechtsaf.") ontmoeten ze elkaar opnieuw. Esti is bohémien gebleven. Zijn curriculum vitae vloekt met dat van zijn burgerlijke kameraad. Deze laatste:
‘In onze kinderen was jij de volwassene, jij leidde me, jij opende mijn ogen. Nu ben jij het kind.’

[....]

‘Ik heb vergaard, jij hebt verkwist, ik ben getrouwd, jij bent vrijgezel gebleven, ik aanbid mijn volk, mijn taal, kan alleen hier ademen en leven, jij bent een globetrotter, jij vliegt vrij boven de naties en kraait de eeuwige revolutie. Ik heb je nodig. Zonder jou ben ik leeg en verveel ik me.’
Het duo besluit Esti's belevenissen neer te schrijven in een geromantiseerde biografie. Anekdotes uit het bonte bestaan van de dichter en literator Esti, samen met beschrijvingen van de reizen die hij heeft gemaakt en die zijn bedeesdere vriend had willen maken. Esti:
'Ik heb wel één voorwaarde. Je mag het niet met een of ander onnozel verhaal aan elkaar breien. Alles moet blijven wat bij een dichter past: een fragment.'
De zeventien fragmenten van ongelijke lengte staan ordeloos na elkaar in evenzovele hoofdstukken. Ze zijn niet volgens jaar van ontstaan gerangschikt, en ook inhoudelijk heerst nauwelijks enige chronologie, hoewel we eerst kennismaken met de schooljaren van de jonge Kornél, de dagen waarin het ouderlijke huis zijn toevluchtsoord is tegen alles waar hij bang voor is.
Het omgaf hem als een benauwd, donker, kleverig vies duivenhok.
Kort daarop is Esti al de goedgeluimde Boedapester hongerkunstenaar met een huurkamertje ergens in de wijk Ferencváros, waar hij de straten op alle uren van de dag en de nacht kent. Hij heeft inmiddels ingezien dat "de natuur een heiden is en haar gunsten op een onberekenbare manier uitdeelt, niet op grond van mededogen" en zoekt dan maar eigenhandig zijn fortuin, op verre reizen (Duitsland, Servië, Italië, Bulgarije), of in een van de hoofdstedelijke koffiehuizen, waar men zuiveringszout inneemt, pálinka en smeerleverworst nuttigt, inappellabele wereldrevoluties uitroept, kortom, waar schuimklopperij niet van de lucht is. Kent u De geschiedenis van een onbegrepen man van Luis Landero? Daar deed dat zelfvergrotende getater me een beetje aan denken.

Veel verhalen spelen zich af tijdens treinreizen. Zo ook het magistrale derde hoofdstuk.
In de meeste coupés was het donker. De passagiers lagen achter neergelaten gordijnen en grimmig gesloten deuren te snurken. Hij trof er de bekende slaapkameridylle aan: slapende kinderen en halve sinaasappels, tactisch met koffers gebarricadeerde kampen en norse mannen in overhemd, melk die klotste in groene waterflessen en tantes die met hun hoofd op hun dikke borsten lagen te soezen, op de grond kaaskorsten, bloemen, schoenlepels, in een panische chaos door elkaar als na een woeste veldslag, op de stoelen dampende voeten in doorzwete kousen, die stormachtig warrelende voeten in doorzwete kousen, die stormachtig warrelende wolken uitstieten, goedmoedig dommelend boven de patriottische frasen van het hoofdartikel in de uitgespreide krant van gisteren. Overal hadden zich al reisgezelschappen gevormd met een snel ontstane, akelige familiariteit, een door nood en toeval geschapen treinkameraadschap tussen allerlei vreemden, die een andere vreemdeling, die in niets van hen verschilde maar zo laat en onverwachts binnenkwam, niet veel vriendelijker begroetten dan ze een gemaskerde, met chloroform gewapende overvaller hadden gedaan.
Je merkt het meteen aan de schriftuur, hier is een auteur aan het werk met een aangeboren beschaving. De kwieke Kosztolányi maakt een oude wereld zodanig aanschouwelijk dat ze een pasgeschilderde indruk maakt. Zijn zinnen trillen van intelligentie en zingenot.

Op de bank voor Esti zit een innemende vrouw.
Ze straalde een matte zachtaardigheid uit en ook iets vertrouwds, als een duif. Ze was niet dik, nee, dik was ze helemaal niet, maar ze had de gevulde vormen van een duif. Aan haar handen droeg ze enkel een gouden trouwring als sieraad. Die handen – witte moederhanden – lagen meestal op haar schoot, in de vriendelijke, raadselachtige zachtheid van de moederschoot.
De vrouw heeft een vogelverschrikker van een dochtertje. Juist dit meisje zal verliefd op hem worden en hem inwijden in de liefde.
Hij voelde het mysterie van de kus. Als mensen hulpeloos zijn van wanhoop of verlangen, als spreken niets meer vermag, kunnen ze alleen nog op die manier contact maken, door hun adem te vermengen.
Esti studeert lustig verder aan de universiteit van het leven. Hij is "een held met de mond", een praatjesmaker die zijn eigen zieleleven aftoetst aan gesprekken van vreemde mensen die hij heimelijk tracht op te vangen.
Om me heen liepen levende grammatica’s en woordenboeken rond. Ik probeerde ze veelvuldig te gebruiken.
Een van de bizarre plaatsjes die Esti bezoekt is 'de eerlijke stad', een gemeenschap die een overdreven hoge graad van zelfkritiek heeft bereikt. De kranten hebben er namen als De Leugen, Eigenbelang, De Laffe Struikrover en De Trawant. Opeens ziet Esti het reclamepaneel van een taartenwinkel, 'Oud gebak, met margarine en eivervanger', en even later een haveloze man die de passanten waarschuwt dat hij niet echt blind is.
‘Waarom zou die bedelaar dat opgeschreven hebben?’
‘Om de aalmoesgevers niet te misleiden.’
Na eenderde van het boek wordt de kwaliteit van de verhalen wisselvalliger. Wat mij betreft zitten er zelfs een paar misgeboorten tussen de kortste teksten. Het kan zijn dat Kosztolányi's magie na een tijde verneveld is en dat ik als lezer meer oog kreeg voor de willekeur in nogal wat van deze nieuwerwetse volkssprookjes.

Esti die belangeloos de opname bekostigt van een meisje in een longkliniek en later op zijn besluit terugkomt. De beschrijving van een poepsjiek hotel dat een eigen Dalcrozedansschool, Mensendieckoefenzaal, bacteriologisch laboratorium, kopieerdienst, bureau voor stenografie, hondenzwembad, autobandenmagazijn en een goed uitgerust psychoanalytisch instituut onder de pannen heeft en waar de bedienden stuk voor stuk dubbelgangers zijn van internationale beroemdheden. Een door Esti bewonderde journalist die begint te raaskallen en van lieverlee in het gesticht wordt opgenomen.
Was dit waanzin, of juist het tegendeel, een menselijke, gezonde opborreling van emotie?
Leuk allemaal, mooi bovendien, maar waarom? Esti, de zelfverzekerde fantast, maakt alle consistentie zoek. Op een gegeven moment informeert hij of zijn bekentenissen wel interessant genoeg zijn, onzinnig, onwaarschijnlijk genoeg, om diegenen die in literatuur psychologische onderbouwingen, zingeving en morele lessen zoeken genoeg tegen de haren in te strijken. Dat zijn ze zeker, ja, maar zo'n kunst is dat nu ook weer niet.

Wel zeer geslaagd in dat verband, want grondig uitgewerkt, is de geschiedenis die verteld wordt in hoofdstuk twaalf, over ene Wilhelm Friedrich Eduard von Wüstenfeld, een van de notabelen van het Duitse stadje Darmstadt en voorzitter van de Germania, de culturele vereniging aldaar. Wüstenfeld heeft de onhebbelijke gewoonte om tijdens spreekbeurten in slaap te vallen. Dit verhaal is Kosztolány's kwadratuur van de cirkel. Via allerhande briljante kronkelredeneringen probeert hij aan te tonen wat een zegen Wüstenfelds slapen is voor de rest van de planeet.
De slapende mens is dus ontwapenend, zijn wil heeft hij met zijn scherpe, verwondende punt naar binnen gekeerd; en hij is net zo onverschillig ten opzichte van anderen als iemand die al lang onder de groene zoden ligt.

[...]

Zijn slapen was geen afbreken, maar opbouwen, een aanmoediging en de redding van de maatschappij; zijn slapen was het begrip en de vergevingsgezindheid zelve.

[...]

Zijn slapen was een daad van nationale en menselijke plichtsvervulling. Zoals hij daar objectief, onbevooroordeeld, onpartijdig en zonder vooringenomenheid zat te slapen, terwijl hij zich in gelijke mate richtte naar links en naar rechts, vrouwen en mannen, christenen en joden, kortom, zoals hij daar zonder onderscheid van leeftijd, geslacht of godsdienst zat te slapen, leek hij de ogen te sluiten voor al het menselijke feilen, en dat leek niet alleen, maar was ook echt zo.
Kosztolányi (1885-1936) wordt in besprekingen vaak uitgespeeld tegen zijn inmiddels bekendere landgenoot Sándor Márai (sjaandor maroi) (1900-1989). Kosztolányi zou geserreerder en eleganter schrijven dan de melodramatische, stereotiepe Márai. Daartegen protesteer ik met klem. Eleganter, geserreerder? Toch niet in dit boek. De bekentenissen van Kornél Esti, geschreven tussen 1915 en 1933, zijn vaak genoeg groots, maar zeker niet allemaal even foutloos.

Ik had ze niet willen missen, dat zeker niet. Het is goed dat in de slipstream van Marai's succes uitgever Van Gennep brood ziet in deze voor het grote publiek onbekende Hongaarse modernist en dat diens oeuvre middels goede Nederlandse vertalingen gestaag uit zijn formalineoplossing wordt gelicht. Goede vertellers en verhaaltjes voor het slapengaan voor volwassenen, daar zijn er nooit genoeg van.
Ober, betalen. Een maaltijd, stierenbloed, vier koffie, vijfentwintig Mirjams. Alweer heb ik de tijd verkletst. De dag breekt al aan. Kijk, de dageraad sluipt door de winterse mist in het Boedapester steegje en werpt een glimlach met rouwnagels. Kom, laten we gaan slapen. Of blijven jullie nog?
> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Dezső Kosztolányi, De bekentenissen van Kornél Esti
285 p.
Uitgeverij Van Gennep, 2006
Oorspr. Esti Kornél (1933)
____

vrijdag 20 juli 2007

Poolijs - Ruth Lasters

Je verdiepen in een Vlaamse roman, dat komt vaak neer op het proberen zo lang mogelijk onder te blijven in een plonsbadje.

De nogal slappe deegbodem van Poolijs is het voorspelbare antagonisme in de liefdesrelatie tussen de frivole Lucy en de neurotische student Yves. Zij moet postvatten achter de toonbank in een ijshal, hij staat in voor het onderhoud van de piste.

Yves, de boeiendste van het tweetal, bekent zijn therapeut ergens dat het enige wat hem ontspant plaatsen zijn waar mensen massaal hun bek houden.

"Een expert was ik erin, ik had er sterren aan kunnen toekennen, zoals een Michelin-inspecteur doet bij restaurants. Eén ster voor een leeszaal in een bib. Twee sterren voor de ietwat verwijtende stilte van een wachtkamer, eender waar. Drie voor de aula waar ik nu naar op weg ben. Een auditorium vol doven die naar de duizelingwekkende gebarentaal van docente staren. In het zwijgen zelf waan je je daar."

Er zou een wet moeten komen die voorschrijft dat debutanten niet mogen putten uit hun jeugd of schooltijd. Dat autobiografisch geschrijf, dat kan altijd nog. Intussen zou het de lezer een hoop ellende besparen.

Doodjammer hoe Ruth Lasters een poëtische biotoop, een schaatspiste, verkwanselt aan ordinaire relatieperikeltjes van twintigers op een dood spoor. En als ze die ijshal nog goed in de verf had gezet. Maar neen, ze heeft het liever over de akelig bekende dofheid van het studentenbestaan.

Syllabi, kleurshampoos, fietsreflectors, treingeraas, bodylotion, cantuskelders, diepvriesmaaltijden, gsm-flarden, fruitdesserts, voetenzweet, burenlawaai.

Lasters schrijft het bovendien allemaal zo gewoontjes op. Verwacht geen stilistische axels, rittbergers of salchows in Poolijs. Het parallelverhaaltje in een ander lettertype staat sjiek postmodern, maar brengt ook geen verdieping.

Het enige wat ik meeneem uit deze roman zijn een paar lucide aantekeningen over het onvermogen van het hinc et nunc te genieten, een aandoening waar ik zelf ook last van heb.

"Het ogenblik, ik ben er beroerd in. Er zijn mensen die er talent voor hebben, het overal als een witte rat op hun schouder met zich meedragen."

"Er zou een wereldkampioenschap ‘nu’ moeten zijn. Om het meeste momenten die er vandaag echt toe doen, meetbaar met elektroden op de hoofdhuid. En de winnaar krijgt één uur waarin iedereen – behalve hij – in comateuze slaap verkeert. Zestig minuten het alleenrecht over het heden."

"Overmorgen zal ik proeven hoe je hier en nu smaakt. Met terugwerkende kracht."

"Inhaaldagen zouden een oplossing zijn. Mij volgens een strak schema toeleggen op alles wat mij ontgaat. Morgen me alleen focussen op bomen bijvoorbeeld. Van ’s morgens tot ’s avonds onder de ene na de andere naar boven turen en zo veel takken en bladeren tot mij nemen dat ik ze voor de rest van mijn leven strontvanbuiten ken, ervan ben vrijgesteld."

Maar die vind je allemaal terug op de eerste dertig pagina's. Daarna is het zoeken naar iets wat het overdenken waard is.

Ik begrijp niet waarom hier een kaft omheen moest, een harde dan nog wel.

Poolijs is duidelijk merkbaar ontstaan uit een kortverhaal, dat na te lezen is op de site van De Brakke Hond. Allen daarheen. Op de korte kür is Lasters een tikkie beter.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Ruth Lasters, Poolijs
178 p.
Uitgeverijen Meulenhoff en Manteau, 2006

____

donderdag 19 juli 2007

George Augustus Sala

"George Augustus Henry Sala (24 November 1828 – 8 December 1895), English journalist, was born in London; his father (1792–1828) being the son of an Italian who came to London to arrange ballets at the theatres, and his mother (1789–1860) an actress and teacher of singing. (...) He collected a large library and had an elaborate system of keeping common-place books, so that he could be turned on to write upon any conceivable subject with the certainty that he would bring into his article enough show or reality of special information to make it excellent reading for a not very critical public; and his extraordinary faculty for never saying the same thing twice in the same way had a sort of "sporting" interest even to those who were more particular."


Arsène Houssaye

"Arsène Housset dit Houssaye est un homme de lettres français né à Bruyères (Aisne) le 28 mars 1815 et mort à Paris le 26 février 1896. Issu d'une famille d'agriculteurs apparentée à Condorcet, Arsène Houssaye s'enfuit de chez lui en 1832 pour mener une vie de bohème à Paris. Il s'engage dans une troupe de baladins pour qui il compose des chansons. Il se lie avec Théophile Gautier, Gérard de Nerval – qui logent comme lui impasse du Doyenné, à l'emplacement actuel de la place du Carrousel – Jules Janin ou Alphonse Esquiros : tous collaboreront à la revue L'Artiste, dont Houssaye devient le directeur en 1843 et où il accueille de jeunes écrivains comme Théodore de Banville, Henri Murger, Charles Monselet, Jules Champfleury et Charles Baudelaire. Il collabore également à La Revue des Deux Mondes et à La Revue de Paris. Il collabore avec son ami Jules Sandeau."


Félicité Robert de Lamennais

"Hugues-Félicité Robert de Lamennais, né à Saint-Malo (Ille-et-Vilaine) en 1782 et décédé à Paris en 1854, était un écrivain et philosophe français. Son nom de famille était originellement de la Mennais qu'il tint à écrire différemment. Issu d'une famille pieuse de petite noblesse récente, il fut ordonné prêtre en 1816. Philosophe chrétien, connu pour être un personnage ultramontain, Lamennais peut être considéré comme le précurseur du catholicisme libéral, du catholicisme social, ainsi que de la démocratie chrétienne."


woensdag 18 juli 2007

Tafelen bij Magny - Robert Baldick

In de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw dreef Charles Magny, een van de grootste chef-koks en beroemdste gastheren uit de moderne tijd, zijn gelijknamige restaurant in de rue Mazet te Parijs.

Een van Magny’s meest toegewijde habitués was geneesheer Veyne, die aan zijn vriend Sainte-Beuve, de roemruchte criticus, voorstelde om een eet-clubje in te stellen dat eens in de veertien dagen ’s maandags zou samenkomen in Magny’s restaurant. In november 1862 was het zover. Sainte-Beuve en Veyne, naast illustrator Paul Gavarni en zijn vurigste bewonderaars, de romanschrijvers Edmond en Jules de Goncourt, schoven aan voor een uitgelezen maaltijd.

Deze traditie hield behoorlijk stand: Magny werd gedurende een decennium de uitvalsbasis van het kruim van literair Parijs. Naast voornoemde disgenoten zouden ook Flaubert, Toergenjev, George Sand, Théophile Gautier, Ernest Renan en Hippolyte Taine er ten gepaste tijde hun opwachting maken om er onder het nuttigen van de beste spijzen in elkaars gezelschap te debateren over les choses de la vie.

Robert Baldick, die eerder voor een Engels publiek een keuze maakte uit de dagboeken van de Goncourts en voor Penguin talloze andere Franse meesters vertaalde, heeft in dit boek gepoogd enkele van die tafelgesprekken te reconstrueren. Hij baseerde zich op de talloze herinneringen van de Goncourts in hun vileine Journal en op de brieven, agenda's, aantekenboekjes en memoires van de andere disgenoten.

De gesticulaties van de eters en de opmerkingen die door de meeste niet-schrijvers worden gemaakt zijn puur verzonnen. Baldick verlooft zich ook kleine vrijheden ten aanzien van de chronologie van de diners. Voor het overige legt hij de gasten enkel frasen in de mond die ze ooit elders hebben opgetekend of hebben laten optekenen.

Elk van de zes 'taferelen' wordt ingeleid met een grondige politiek-historische kanttekening - de diners gaan door tegen de achtergrond van het Tweede Keizerrijk en het Beleg van Parijs - én een round-up van de literaire carrières van de disgenoten so far.

Wat is gespreksonderwerp nummer één als je een troep alfamannetjes samensteekt, laat het nog literaire genieën zijn? Juist. Vrouwen.

“’Tenzij zij opgevoed en in hoge mate beschaafd is, is een vrouw een dom, boosaardige dier, niet in staat tot dromen, denken of liefhebben. Slechts de vrouw van de wereld is een vrouw; de rest bestaat uit vrouwtjesdieren.’
‘Je hoeft maar naar een vrouw te kijken,’ zei Jules, ‘om de minderwaardigheid van de vrouwelijke geest te aanschouwen. Al haar schoonheid, haar kracht en ontwikkeling is geconcentreerd in de midden- en lagere delen van haar lichaam: haar heupen, haar billen en haar dijen; terwijl de schoonheid van de man in de bovenste, edeler delen van het lichaam zit: de borstspieren, de brede schouders, het hoge voorhoofd. Venus heeft een smal voorhoofd, en de Drie gratiën van Dürer hebben platte achterhoofden en smalle schouders; alleen hun heupen zijn groot en mooi!’
‘De vrouw,’ besloot Edmond,’ is een bewonderenswaardige machine voor het vrijen en het baren van kinderen, maar meer ook niet.’"


Schaamteloos gelal te over, kortom. Zouteloos wordt het echter nooit. Er volgt een rondje ontmaagdingsanekdotes en er wordt druk gespeculeerd over hoe vrouwen klaarkomen.

"‘We hebben het verschijnsel bestudeerd,’ zei Edmond stijfjes. ‘We hebben opgemerkt dat bij dunne vrouwen plezier een soort zenuwkramp teweegbrengt en bij dikke vrouwen een soort stuipen. De “kleine dood” brengt de dunne in extase en bezorgt de dikke een beroerte.’"

Flaubert, zijn goede Russische vriend Toergenjev ("Per slot zijn wij twee mollen die in dezelfde richting graven…") en de broertjes Goncourt wisselen daarna ervaringen uit over hoeren en minnaressen. De verschillen blijken eerder miniem.

"‘Als een minnares,’ vervolgde Edmond [...] ‘ook maar één laagje beschaving opdoet en probeert op gelijke voet over kunst en literatuur te praten, dan wordt ze onverdraaglijk als een ontstemde piano.’"

Volgens Flaubert gaat het er bij prostitutie om dat zoveel elementen er bij elkaar komen – geilheid, bitterheid, de vergeefsheid van de menselijke betrekkingen, fysieke koorts en het geluid van goud – dat een blik in de diepten ervan hem doet duizelen en hem zoveel leert.

De gesprekken dienaangaande worden een stuk gereserveerder als in de volgende ontmoetingen ook George Sand, de enige vrouw in het gezelschap, aanzit aan tafel.

Al blijft het een heerlijk verzuurd compagnonschap, daar bij Magny. De dernier cri in de literatuur wordt vakkundig afgekraakt, men laakt de nieuwe leden van de Académie française en er wordt tevens geknabbeld aan gevestigde literaire reputaties. Dumas fils en Victor Hugo moeten het een paar keer bekopen. En Balzac. Sainte-Beuve:

"‘Het is allemaal in elkaar gevlochten, zijn stijl is het werk van een touwslager.’"

Zelfs de blinde Griekse opperbard krijgt ervan langs. Een van de Goncourts:

"‘Ik zou zelfs durven beweren dat elke kleine psychologische roman mij meer doet dan Homerus!’"

Iets wat ik, moet ik toegeven, met instemming citeer en dik heb aangestreept in mijn exemplaar van Tafelen bij Magny.

Maar ook intern is het een echte krabbenmand. Flaubert heeft nog maar pas de deur achter zich gesloten of een Goncourt balkt:

"‘Wat is hij provinciaals! Als je het os-achtige in hem wegdenkt, het hard werkende beest, de fabrikant van boeken in een tempo van een woord per uur, dan blijft er een mannetje over met een heel gewoon talent, met heel weinig originaliteit. De hemel weet dat hij zijn best doet om de burgerlijkheid die hij met zoveel anderen deelt, te verbergen achter een luide stem en strijdlustige paradoxen, maar het lukt hem gewoon niet. De arme kerel beeldt zich in de hartstochtelijkste, gecompliceerdste minnaar ter wereld te zijn…’"

Hoe moet een auteur dan wel schrijven? Alweer Sainte-Beuve:

"‘De stijl van een groot schrijver behoort te zijn als het paard van een groot veldheer: niemand durft hem te bestijgen na hem.’"

Waarop George Sand met vrouwelijke realiteitszin tegenwerpt:

"‘De wind blaast door mijn oude harp zoals hem dat uitkomt.’"

Neen, never a dull moment met deze kliek. Boompjes worden er verder opgezet over het christelijke hiernamaals en de oosterse leer van de zielsverhuizing, de dreiging van Pruisen, de beste staatsvorm (Renan: "Noli me tangere is alles wat je van een democratie mag eisen"), de grote natie Frankrijk natuurlijk en bij uitbreiding de hele westerse beschavingsgeschiedenis.

"‘Per slot,’ merkte Taine op, ‘heeft geen volk ter wereld meer voor de menselijke beschaving gedaan dan de oude Grieken, en geen ras op aarde heeft een gezondere gedachte over het leven en het heelal onder woorden gebracht.’
‘Ach kom nu,’ zeiden de Goncourts eenstemmig.
Taine zette zijn pince-nez stevig recht op zijn neus en keek de gebroeders streng aan. ‘Wat ik zojuist zei, is buiten kijf,’ wierp hij tegen. ‘De oude Grieken waren vrij van de zedelijke vervorming die de grandeur van de godsdienst of de staat de menselijke natuur oplegt. Overal elders heeft de beschaving het natuurlijke evenwicht van de mogelijkheden verstoord door sommige te onderdrukken en andere te ontwikkelen. Zij heeft het leven nú opgeofferd aan een toekomstig leven, de mens aan God, het individu aan de Staat. Zij heeft de Indianse fakir in het leven geroepen, de Egyptische of Chinese functionaris, de Romeinse rechtsgeleerde, de middeleeuwse monnik, de moderne mens en burger. En onder die druk raakte de mens beurtelings vermorzeld en bedwelmd. Hij is tot een radertje in een enorme machine geworden of beschouwde zich zelf als een nul in het aangezicht van de oneindigheid. Maar in het oude Griekenland maakt hij de instellingen aan zich zelf ondergeschikt, in plaats van zich aan de instellingen te onderwerpen.’"


Waarna een discussie volgt over de Griekse architectuur, die volgens de Goncourts strijdig is met “de Natuur” omdat zij uitgaat van de rechte lijn, die enkel een uitvinding is van de mens.

"‘En de Griekse kunst,’ zei Jules, ‘is stomvervelend – een fotografische vergoddelijking van het menselijk lichaam, het produkt van een materialistische beschaving."

In 1867 bezoeken de Goncourts - zeg maar de Statler & Waldorf van de Franse letteren - de Wereldtentoonstelling, wat ook weer aanleiding geeft tot cultuurpessimisme.

"‘Ik vond het afschuwelijk,’ zei Jules de Goncourt. ‘Voor mij betekende het de slotfase van de veramerikanisering van Parijs, de overwinning van de industrie op de kunst, de triomf van de door stoom aangedreven dorsmachine over het schilderij – in één woord: het Bondgenootschap van de Materie.’"

Een soort oprispingen dat kennelijk zo oud is als Amerika zelf. (Nu we toch aan het kankeren slaan: bij uitgeverij Voltaire verscheen eind jaren negentig een boekje waarin vooraanstaande negentiende-eeuwse schrijvers vermakelijke ondergangstheorieën spuien, De wereld verandert te weinig : lofzang en kritiek op 1900. Een geheimtip voor de liefhebbers.)

Tijdens de laatste jaren in Magny worden de gesprekken grimmiger. De Frans-Duitse oorlog ("Al vanaf het begin van de oorlog schoten de Pruisische kanonnen zo’n zeven- of achthonderd meter verder dan de onze") breekt uit, de Teutoonse horden omsingelen de stad, de Derde Republiek wordt uitgeroepen en dat resulteert op zijn beurt in het Beleg van Parijs, de Commune van 1871.

Een van de absolute hoogtepunten vormt Toergenjevs ooggetuigenverslag van een terechtstelling met de guillotine.

De gezapige heren prijzen ondanks alles de moed van de Parijzenaars tijdens de beschietingen, en het geduldige goede humeur waarmee zij zowel bombardementen als hongersnood ondergaan.

Dit allemaal gezegd zijnde, is Tafelen bij Magny een goed boek? Bwah, het moge duidelijk zijn dat de tafelgesprekken zeer kostelijke lectuur wezen. Baldick heeft zonder twijfel zorgvuldig puzzelwerk verricht. Alleen, je ziet af en toe de contouren van die puzzelstukjes. Hoort soms de scharnieren piepen.

"‘Toergenjev,’ zei Gautier, ‘wat denk jíj van de Engelsen?’"

De gasten praten maar door in volmaakte volzinnen en stapelen de bon mots op elkaar. Tafelen bij Magny heeft daarom weinig uitstaans met het genre dat de meeste schrijvende disgenoten beoefenen; het boek ligt meer in het verlengde van de kunstmatig gereconstrueerde tafelredes van Plato dan van het Franse naturalisme.

Ik adoreer zowat alle disgenoten afzonderlijk, en het is nuttig hun standpunten over eenzelfde thema kundig aaneengelast te zien, maar toch, het gevaar voor een indigestie ligt op de loer. Baldicks meerwaarde blijft beperkt. De mate van research overstijgt ruimschoots zijn creatieve input.

"Veronderstelde Gautier." "Mompelde Saint-Beuve." "Verklaarde Veyne." "Zei Berthelot."

In het begin van de jaren zeventig, wanneer ook het restaurant ten gevolge van de naweeën van het Beleg serieus aan populariteit inboet, sterven de spitante bijeenkomsten in de rue Mazet een zachte dood. In eerdere gesprekken werd de verslechtering van de gezondheid van Jules de Goncourt, Gautier en Sainte-Beuve al een paar maal opgerakeld, en tegen 1872 hebben bijna alle disgenoten het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld. Zij het nooit volgens hun eigen voorschriften, die ze jaren eerder hadden gestipuleerd.

‘We hebben vaak over dit onderwerp gesproken,’ zei de oudste Goncourt, ‘en we hebben uiteindelijk besloten dat de beste manier om te gaan zou zijn op een avond na het eten, als men oud en beroemd is, midden tijdens de seksuele handeling, zodat men nog steeds ejaculerend aan de andere kant komt, aan de voet van een reusachtige troon, om dan de stem van God de Vader te horen donderen: “Hou het op monsieur, u maakt mij nat.”’

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Robert Baldick, Tafelen bij Magny
280 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1986
Oorspr. Dinner at Magny’s (1971)

Vertaald door Ed Jongma

achtergronden:
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Commune_de_Paris_(1871)
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Second_Empire
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Expositions_universelles_de_Paris
> http://en.wikipedia.org/wiki/Statler_&_Waldorf

belangrijkste disgenoten:
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Edmond_de_Goncourt
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Jules_de_Goncourt
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Charles_Augustin_Sainte-Beuve
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Paul_Gavarni
> http://en.wikipedia.org/wiki/Gustave_Flaubert
> http://en.wikipedia.org/wiki/Paul_Bins,_comte_de_Saint-Victor
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Ernest_Renan
> http://en.wikipedia.org/wiki/Ivan_Turgenev
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Hippolyte_Taine
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Marcellin_Berthelot
> http://fr.wikipedia.org/wiki/George_Sand
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Théophile_Gautier
____

dinsdag 17 juli 2007

Een kalender van gekkenlevens - Ermanno Cavazzoni

Deze verhalenbundel van de Italiaanse schrijver en hoogleraar Ermanno Cavazzoni, die ooit met Fellini samenwerkte aan het scenario van diens laatste film, is een dolgedraaide heiligenkalender. Hij bevat 31 compacte biografische notities, eentje voor iedere dag van de maand, over rare kwieten van allerlei slag.

Rekenwonders, pyromanen, brokkenpiloten, mannen behept met pathologische twijfelzucht, microcefalen, getuigen van mariaverschijningen en marxisten met de overtuiging dat Christus een buitenaards wezen is, lopen elkaar voor de voeten. Een iemand lacht nooit omdat hij wil voorkomen dat hij plooien in zijn gezicht krijgt. Een ander is zo verknocht aan zijn carnavalsneus dat hij 'm nooit meer wil afdoen.

Maar ten prooi vallen aan raptus is niet noodzakelijk een gegeven dat boeiende verhalen oplevert. Enkele interessante premisses blijven op zichzelf staan. Matig uitgewerkt. De gekken interageren sowieso te weinig met hun omgeving, ontwikkelen zich niet.

Soms vatten Cavazzoni's figuren allerlei plannetjes op, om uiteindelijk zichzelf door een of andere ziekelijk dwangvoorstelling in de staart te bijten. Maar meestal zit de aardigheid al in de aanhef en hebben we daarmee het beste gehad.

"Renato Scalabrini heeft altijd de gewoonte gehad om een steen of iets dergelijks de lucht in te gooien en dan stokstijf te blijven staan kijken hoe deze naar beneden valt. Als de steen op zijn hoofd valt, kermt hij."

"Het eigenaardige aan Nereo Zaghini was dat hij bang was van het verkeer; hij zei dat er stiekem iemand in het verkeer rondreed die het juiste moment afwachtte om hem omver te rijden; hij zei dat het de duivel was die speciaal voor hem kwam."

"Als de schilder Cimetta, geboren in Orte maar woonachtig te Orvieto, in een toestand van grote bevlogenheid verkeerde, schilderde hij lijnen. Het waren zeer elementaire lijnen, zoals een analfabeet ze zou maken, zwarte, rechte lijnen, zonder enige bekoring."

En daarmee keldert Cavazzoni zijn kalender. Achter elkaar doorgenomen worden zijn anekdotes eentonig. Misschien zijn ze daar niet voor bedoeld, voor serieel lezen, dat kan.

Ik heb overigens niet kunnen achterhalen of Cavazzoni stadslegendes heeft gesprokkeld met een kern van waarheid dan wel zelf aan het verzinnen is geslagen.

De enige bekende ziel in Een kalender van gekkenlevens is de dubieuze Italiaanse geleerde Cesare Lombroso, die zich met name bezighield met misdadigers en mensen met een afwijking, met inbegrip van gekken en kunstenaars, die gekenmerkt werden door het feit dat ze eenzelfde soort misvorming van onbekende oorsprong hadden. Hij is de peetvader van de moderne fysiognomie, de pseudo-wetenschap die criminaliteit afmeet aan gelaatstrekken en schedelafwijkingen. Lombroso verbreidde het idee van 'geboren crimineel' door biologisch determinisme.

Maar bij Cavazzoni's andere anekdotes twijfel ik. Elke zevende dag krijgt de lezer een verzameling berichten over zelfmoorden en schijnzelfmoorden te verstouwen. Die lijken me alvast uit de krant geplukt.

"Een beroepsfotograaf heeft zichzelf vergiftigd met zilvernitraat, naar aanleiding van een overbelichte foto die niet strookte met zijn opvatting van kunst. Zilvernitraat werd gebruikt door de pioniers van de fotografie en kan ook leiden tot bloedvergiftiging."

Eén verhaal doet me trouwens sterk denken aan het script van La vita è bella, de tragikomedie die Roberto Benigni in 1997 zou regisseren, drie jaar na het verschijnen van de kalender.

"In Pescarolo, bij de monding van de Po, is een geval bekend van iemand van het mannelijke geslacht die tijdens de laatste wereldoorlog ongeveer twee jaar in het concentratiekamp in Mauthausen heeft gezeten. Hij echter beweert dat hij dat nooit gemerkt heeft omdat Mauthausen toen nog niet zo’n bekende en beroemde plek was. Hij kwam er pas na de oorlog achter dat er daar honger werd geleden."

Maar bij het nakijken van imdb.com blijkt Benigni enkel te hebben samengewerkt met een andere Italiaanse schrijver, Vincenzo Cerami.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://nl.wikipedia.org/wiki/Cesare_Lombroso

Ermanno Cavazzoni, Een kalender van gekkenlevens
131 p.
Uitgeverij Van Gennep, 1996

Oorspr. Vita brevi di idioti (1994)
____

maandag 16 juli 2007

De Dante-club - Matthew Pearl

Een lezer is soms zijn ergste vijand. Een paar maanden geleden was ik met grote verwachtingen begonnen aan dit boek. Ik hoopte op een soort Dan Brown voor gevorderden, een boeiend mysteriespel voor denkende mensen. Liefst in de lijn van De naam van de roos.

Een vuistdikke roman rond Dante Alighieri, verschenen bij Bert Bakker. Dat kon niet misgaan.

Ook de foto op de keerzijde beloofde veel goeds. Matthew Pearl ziet eruit als een schaakbelofte of een jonge pianovirtuoos. Hij straalt rust uit en glimt tegelijk van de intelligentie.

Helaas, De Dante-club bleek helegaar niet te voldoen. Ook bij Bakker bezondigt men zich wel eens aan een ordinaire pageturner. Ik las de ene oppervlakkige, doordeweekse bladzij na de andere en toch kwam ik niet in het verhaal. Na honderd pagina's gaf ik het op. Het boek vloog in een hoek.

Maar zie, toen ik eerder deze week een nieuwe poging waagde, illusieloos, bevrijd van elk concreet eisenpakket, stemde Pearls debuut me milder, in die mate zelfs dat ik het uitlas. Probleemloos, maar met veel broodnodige reserves.

In 1865 begint Henry Wadsworth Longfellow, de eerste Amerikaanse dichter van internationale faam en ook in eigen land zeer geliefd, een Dante-vertaalclub in zijn huis te Cambridge, Massachusetts. Om de gure winteravonden van New England door te komen helpen de dichters James Russell Lowell en dokter Oliver Wendell Holmes, historicus George Washington Greene en uitgever James T. Fields Longfellow bij het maken van de eerste Amerikaanse vertaling van Dantes Divina Commedia. Met wisselend succes.

"‘Heeft Dante zelf niet gezegd dat poëzie nooit kan worden vertaald? Toch komen we hier week in week uit bijeen om met veel aplomb zijn woorden te verdraaien.’"

Danteanen zijn op dat moment schaars gezaaid in Amerika. Slechts een kleine minderheid onder de intellectuelen heeft kennis genomen van Dante middels een Britse vertaling en sommige Amerikaanse kenners verblijven in Europa.

De vertalers krijgen te kampen met het literaire conservatisme dat de Amerikaanse academische wereld in een ijzeren klassieke greep wenst te houden, maar ook met het culturele nativisme dat de Amerikaanse literatuur beperkt wilde zien tot werken van eigen bodem. Een paar sleutelfiguren op Harvard University trachten het vertaalproject via intimidatie te kelderen. Het werk van de immorele Italiaan vloekt met de principes waarop Amerika gegrondvest is, heet het.

"In dit boekwerk bevindt zich genoeg tumult en rebellie om deze mensen dodelijk ongerust te maken. De geest van ons land zoeft met telegrafische snelheid vooruit [...] en onze grote instituties hobbelen er met de postkoets achteraan."

Dan worden in het naburige Boston kort na elkaar een paar gruwelijke moorden gepleegd. Voor de vertalers is het snel duidelijk dat de dader elk canto, elke strofe, elke regel uit de commedia kent: de slachtpartijen zijn nauwgezette imitaties van telkens een nieuwe contrapasso (strafmaat) uit de ringgrachten van het Inferno.

Een van de slachtoffers, een predikant, wordt bijvoorbeeld omgebracht zoals de simoniebedrijvers onder de geestelijken bij Dante: dai calcagni al le punte, van de hiel tot de tenen brandend, levend begraven ondersteboven in een stenen put.

"‘Het zou niet de eerste keer zijn geweest dat de literatuur een zwakke geest voor zich opeist,’ zei Holmes. ‘Denk maar aan John Wilkes Booth. Toen hij Lincoln doodschoot riep hij “Zo vergaat het tirannen” in het Latijn. Booth as een shakespeareaan zoals onze Lucifer een danteaan is. Het lezen en duiden wat wij dag in dag uit doen, had op deze mannen een effect dat wij welbeschouwd ook voor onszelf wensen – het werkte door in hun botten en spieren, bracht hen tot een daad.’"

De leden van de Dante-club worden gekweld door het vage gevoel dat zij op een of andere wijze verantwoordelijk zijn, dat ze te ver zijn gegaan. Dat ze met hun wekelijkse seances de bestraffingen uit de hel hebben opgeroepen. Ze gaan op onderzoek uit.

De afwikkeling van het raadsel en de jacht op het stuk galgenaas kan beginnen. Het (onverdachte) vertaalcollectief concentreert zich heimelijk op de literaire aanwijzingen om de moordenaar voor te zijn, het fysieke bewijsmateriaal laat ze over aan de politie.

Bon. De goede oude Maurice Gilliams nam meermaals de term 'worstenvullers' in de mond om auteurs te beschimpen die zich bezig hielden met traditioneel vertelde feitenrelazen, verhaaltjes, zonder veel aandacht voor stijl. Welnu, Pearl is zo'n worstenvuller.

In beginsel heeft De Dante-club een meer dan behoorlijke intrige: de oud-soldaat Dante, die ten prooi was gevallen aan de strijd tussen de Welfen en de Ghibellijnen in zijn stad, koppelen aan de naweeën van de Amerikaanse burgeroorlog. Maar Pearl smoort die mooie vondst in wat niet meer is dan een gemiddeld misdaadverhaal.

De Dante-club is veel te dik. Zoals een eindeloos opgerekt elastiekje zijn kleur verliest ebt de spankracht weg uit het boek omdat elke scène zo onhandig lang is uitgesponnen. Pearl neemt ons bij het handje en legt alles van naadje tot draadje uit. Dat doet hij in zo'n verdund proza dat het naar niets meer smaakt. Dat leest lekker weg, maar ik heb lak aan de vaart van whodunnits. Snel blaadjes omslaan op zich interesseert me niet.

De Dante-club gaat vlotjes over de vierhonderd pagina's, ook omdat er ellendig veel slap gebabbel in zit. De vertalers hebben de mond vol van erudiete zaken maar converseren erover als schooljongens. Geen van de clubleden komt echt uit de verf. Ze praten allemaal op dezelfde manier.

De (in het jaar van verschijnen) zevenentwintigjarige Pearl lijkt me zelf geen ervaren thrillerlezer. Op geen moment gaat er werkelijke dreiging uit van zijn boek. Alle mogelijke tuimelramen of valluiken waar je met graagte zou willen doorvallen kondigt hij van kilometers ver aan. De lezer zit erbij en kijkt ernaar. Omdat Pearl de suspensetechnieken niet beheerst verwordt zijn ingenieuze vlechtwerk tot dood weefsel.

Zelf ben ik ook geen specialist ter zake en toch prikten de genreclichés me in de ogen. De zwarte politieman die orde op zaken stelt. De interne machtsstrijd tussen het politiekorps en het recherchebureau.

En dat taaltje! Wie Dante recupereert schrijft geen dingen op als:

"Hij liep naar de salon en wilde net zijn hand op de deurkruk leggen toen hij iets opving dat hem verblufte. Hij draaide zich met een ruk om. Wát hoorde hij daar?"

Een laatste bezwaar zijn de decors en de feitelijke achtergronden. Het Boston, Cambridge en Harvard van 1865 zijn vaag getekend. Het volstaat niet om de haverklap een paardentram voorbij te laten rinkelen of opeens eventjes melding te maken van een epidemie.

Al is 'vaag' misschien niet het juiste woord. Het is dat Pearl zijn research (opgedaan in dagboeken, archieven, stadsmonografieën en politieverslagen) niet harmonisch weet in te lassen in het plot. Dikke klonters historische duiding drijven in een brij van thrillergemeenplaatsen. Pearl vertelt af en toe een stukje mentaliteitsgeschiedenis, maar toont die niet in zijn gemakkelijke, duidelijk eenentwintigste-eeuwsgebekte dialoogjes.

Mensen die De Da Vinci Code de goudstandaard achten van de Amerikaanse letteren zullen smullen van dit boek - ik las achteraf dat Brown het luidkeels aanprijst.

Voor de anderen is er de shortcut. Hoe de dader halverwege zijn levensreis in een donker woud verzeild geraakt is en daarom Boston verandert in de stad der smarten, staat immers integraal te lezen in het negentiende hoofdstuk. Een hoofdstuk dat ook al niet netjes verweven is met de rest van het verhaal, maar zo'n beetje achteraan bengelt. Net de donkerblauwe slotflashback van een goedkope weekendfilm.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Matthew Pearl, De Dante-club
425 p.
Uitgeverij Bert Bakker, 2003
Oorspr. The Dante club (2003)


over Dante:
http://en.wikipedia.org/wiki/Dante
http://en.wikipedia.org/wiki/The_Divine_Comedy
http://en.wikipedia.org/wiki/Contrapasso
http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_cultural_references_in_The_Divine_Comedy

de Dante-club:
> http://en.wikipedia.org/wiki/Henry_Wadsworth_Longfellow
> http://en.wikipedia.org/wiki/James_Russell_Lowell
> http://en.wikipedia.org/wiki/Oliver_Wendell_Holmes_Sr
> http://en.wikipedia.org/wiki/George_Washington_Greene
> http://en.wikipedia.org/wiki/J.T._Fields
> http://en.wikipedia.org/wiki/Atlantic_Monthly
> http://en.wikipedia.org/wiki/North_american_review

figureerden ook in dit boek:
> http://en.wikipedia.org/wiki/George_Ticknor
> http://en.wikipedia.org/wiki/Francis_James_Child
____

Related Posts with Thumbnails