donderdag 31 mei 2007

The German culture

"The German culture can be said to oscillate between two extremes. The first is the predisposition to obsessively systematize and classify life's experience into knowledge with a calm and indifferent demeanor. The second is the reverse tendency to discard the rational and dive off into the realm of the fantastic and the perverse, the moody and the emotionally erratic."

> twaalfde (anonieme) reviewer van Hymnen aan de nacht (Novalis) op amazon.com

____

woensdag 30 mei 2007

Het stuurse gezicht van het surrealisme - Raoul Vaneigem

Dit boek zat onder het potlood van de vorige lezer. Dat soort aanstrepingen gom ik altijd eerst weg: ik leg mijn eigen accenten wel. Voor deze ene keer had ik daar spijt van. Ik kon wel wat wegwijzers gebruiken.

Het begon al bij dat zeer condense eerste hoofdstuk waarin Raoul Vaneigem onderzoekt wanneer en hoe het surrealisme zich bevrijdde van de Dada-beweging. Toen ik geen aanknopingspunt kon vinden in zijn exposé (over wat mij sowieso een schijnprobleem lijkt), wou ik teruggrijpen naar de literatuurlijst achteraan. Deze schittert door afwezigheid.

Kijk, als ik, die toch regelmatig surrealisten lees, bij dit boek voortdurend het gevoel krijg dat er over mijn hoofd heen wordt gepraat, klopt er iets niet. Ofwel is Het stuurse gezicht van het surrealisme geschreven voor een zeer select publiek met een enorme parate kennis.

Vaneigem voert immers een duizelingwekkende pleiade van schrijvers op. Niet enkel de stoet alom bekende toppers en subtoppers, neen, het lijkt alsof iedereen die ooit een verdwaalde paragraaf in een obscuur tijdschrift heeft gepleegd aan bod mag komen. Wellicht schuilt daar een zekere naïviteit van mijn kant in; het is per definitie boeiend wanneer een specialist de perceptie van de leek verbreedt of in de diepte leidt.

Die namedropping, waarbij Vaneigem de slechte gewoonte heeft ook bij nobele onbekenden enkel hun familienaam te gebruiken (terwijl een register ontbreekt), is ook niet eens het echte probleem van dit boek. Dat zit 'm in de toon.

"Hoe kan het surrealisme, terwijl het het dadaïstische streven naar het punt van de totale negativiteit veronachtzaamde, historisch zijn wil op een positiviteit en een globale opheffing enten?"

"Het theoretisch en praktisch gemis leidt tot een ideologische abstractie van authentieke emancipatorische verlangens die zich evenwel op het ambiguë terrein van de taal manifesteren als denkbeeldige wil tot opheffing."

"In de terugslag die volgt op de drievoudige nederlaag van Spartacus, Dada en de Russische Radenrevolutie (die gerecupereerd wordt door het bolsjewisme), belooft het surrealisme, en het houdt zich aan deze belofte, dat het het grillige bewustzijn zal zijn van een tijdperk zonder bewustzijn, een dwaallicht in de nacht van het nationaal-socialisme en het nationaal-bolsjewisme."

Vaneigem wil teveel ineens zeggen, en loopt zichzelf daarbij voor de voeten. Zijn betoog heeft niets van het zwierige van zijn onderwerp. Hij grossiert in levensgrote abstracties (negativiteit, bewustzijn, nationaal-socialisme, nationaal-bolsjewisme) zonder te duiden wat hij daar precies mee bedoelt. Dat stemt me wantrouwig.

Het zou ook kunnen dat ik politiek-historisch te weinig onderlegd ben om goed te kunnen volgen. Anno 2007 kent de modale lezer vooral de amusante, plezierige zijde van het surrealisme, het surrealisme zoals Komrij het opvoert in zijn Perplexicon. Ook voor mij is surrealistische literatuur iets wat het zeker niet blijkt te zijn voor Vaneigem: een eenvoudig burgermansgenoegen.

Dat is niet helemaal waar. Ik onderken wel degelijk dat het surrealisme, doordat ze het zoeklicht plaatste op de dromen, het automatische schrijven, de analyses van Freud, het spel, het toeval en de mediumexperimenten, van kapitaal belang geweest is voor het verkennen van de menselijke mogelijkheden. Le surrealisme est un humanisme, zou ik bijna zeggen.

Vaneigem frustreert deze beperkte opvattingen van me met zijn politieke invalshoek. Hij dwingt je te kijken naar het surrealisme als machtsmiddel. De geschiedenis van de beweging blijkt een opeenvolging van machtswissels, haaks op elkaar staande opvattingen en vetes. Hij legt uit hoe bepaalde surrealisten zich gingen inbeelden dat zij door middel van de communistische partij de massa konden bereiken. Vaneigem spreekt zelfs over "stalinistische vedettes".

Gelukkig bezit Vaneigem genoeg realiteitszin om op te merken dat "deze revolutionairen van het hart alleen maar staatsgrepen in het koninkrijk van de geest zullen plegen" en citeert hij terecht een veelgehoorde kritiek aan hun adres:

"De surrealisten willen het goede van Hegel, Marx en de revolutie, maar ze weigeren te werken."

Het is alleen doodjammer dat Vaneigems overzicht zelf zo warrig en manifesterig is geschreven. Soms ontpopt hij zich tot een zeer wrokkig chroniqueur.

"Het surrealisme heeft notoire idioten geroyeerd die uit we weten niet welke toegeeflijke gronden binnengehaald werden, zoals Joseph Delteil, schrijver van een Vie de Jeanne d’Arc, Maxime Alexandre die zich laten bekeren zal tot de clan van Claudel en enkele anderen. Dat verhindert het surrealisme niet zich in te laten met middelmatige types als Camus of Ionesco, en na de oorlog met treurige imbecielen."

Het is een zwaktebod dat Vaneigem zijn stellingen illustreert met citaten uit manifesten of beginselverklaringen, en zeer weinig met de eigenlijke gedichten en prozaexperimenten.

Laten we bij dit alles ook niet vergeten dat het surrealisme daarnaast, zoals alle bewegingen, een protest was tegen het heersende literaire klimaat. Ik onthoud vooral wat Breton in 1952 zei naar aanleiding van Gide, het type beroepsliterator

"waartegen wij surrealisten de hoop niet hebben opgegeven te rebelleren, het is een individu dat voortdurend de behoefte heeft te schrijven, te publiceren, gelezen, vertaald en becommentarieerd te worden; een individu dat overtuigd is dat hij ons zal ‘krijgen’ en dat hij het nageslacht door een overvloedige productie zal ‘krijgen’, vooropgezet dat de kwantiteit de kwaliteit van de stijl niet uitsluit."

Interessante, ironische aanvulling daarop is natuurlijk de getuigenis van Victor Crastre (door Vaneigem aangehaald uit Crastres Le drame du surréalisme), die de interne keuken blootlegt:

"Vaak heb ik gemerkt hoe zeldzaam diegenen in de groep waren die uit eigen wil handelden, alle besluiten werden genomen door een kleine staf bestaande uit Breton, Aragon, Éluard, Desnos, Péret en Leiris en zonder discussie aangenomen. Kritische geesten manifesteerden zich zelden bij de surrealisten net als in iedere strak georganiseerde partij."

Maar dat wist ik eigenlijk al.

Op de achterflap wordt dit boek aangekondigd als een meedogenloze, uiterst erudiete kritiek op het surrealisme. Misschien, maar alleszins geen leesbare.

Gelukkig blijven er nog altijd de bronteksten zelf, zoals het door Breton op onnavolgbare manier beschreven recept voor de beroemde écriture automatique:

"Ga bij het schrijven, nadat je bent gaan zitten op een zo gunstig mogelijke plek om je te concentreren, als volgt te werk. Verplaats jezelf in de meest passieve of receptieve staat die maar mogelijk is. Abstraheer van je denken, je talenten en die van alle anderen. Zeg duidelijk tegen jezelf dat literatuur een van de meest treurige wegen is die overal naartoe leidt. Schrijf snel, zonder een vooropgezette mening, snel genoeg om je niet in te houden en je niet te laten verleiden tot het herlezen van wat je geschreven hebt. De eerste zin zal pas op zichzelf staan totdat er ieder moment een vreemde zin in ons bewustzijn komt die niet meer verlangt dat hij erbuiten gehouden wordt. Het is tamelijk moeilijk iets over de volgende zin te zeggen; die neemt ongetwijfeld op haar beurt deel aan onze bewuste activiteit en die van andere, als we tenminste accepteren dat het schrijven van de eerste zin een minimale gewaarwording teweegbrengt. Trouwens dat zal er weinig toe doen, dat wat beklijft dient meestal het surrealistisch spel. De interpunctie richt zich ongetwijfeld steeds tegen de absolute continuïteit van de stroom die ons bezighoudt, hoewel zij net zo noodzakelijk schijnt te zijn als de verspreiding van de knopen op een vibrerend touwtje. Ga net zolang door totdat het je bevalt. Vertrouw op het onuitputtelijke karakter van het gemurmel…"

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://en.wikipedia.org/wiki/Raoul_Vaneigem

Raoul Vaneigem, Het stuurse gezicht van het surrealisme
124 p.
Uitgeverij Ijzer, 1995
Oorspr. Histoire désinvolte du surréalisme (1977)
onder het pseudoniem Jules-François Dupuis
____

dinsdag 29 mei 2007

De Frontenacs - François Mauriac

François Mauriac is een oude held van me. In het zesde humaniora plaatste de leraar Nederlands een vertaling van Le noeud de vipères op de leeslijst, een bittere familiesaga waarbij een erfeniskwestie een verwijdering teweeg brengt tussen bloedverwanten. Dat schijnt Mauriacs specialiteit te zijn: de tragiek oproepen achter het borderel.

De roman betekende een openbaring, van wat literatuur óók kon zijn, temidden van al die boter noch vis-adolescentenverhaaltjes met vaag-poëtische dressing die we al jaren te verteren kregen. De adderkluwen: geef toe, het is een titel die zegt waar het op staat.

De thematiek van De Frontenacs is gelijklopend. Na de dood van Michel Frontenac beheert zijn broer Xavier de wijngaarden voor de weduwe en de kinderen. Hij draagt een geheim met zich mee dat zeker niet aan het licht mag komen, wil de familie haar goede naam bewaren. Het plaatje dient koste wat het kost gaaf te blijven. In 1913 is schone schijn nog belangrijker dan nu.

"Als we dood gaan, worden we niet alleen prooi van de wormen, maar ook van onze medemensen, die knagen aan het beeld, dat we achterlaten en die het vervormen."

Xavier is als oom de voogd van de drie zoons van Michel. Het gros van de tijd volgen we dit drietal. Er is Yves, de sensibele, wereldvreemde dichter, Jean-Louis, die tegen zijn zin het landgoed zal beheren, en tenslotte José, die in militaire dienst is - de rode gloed van de Eerste Wereldoorlog gloort aan de horizon.

De interactie tussen deze verschillende, misschien iets te archetypische karakters, en hun pogingen de gelederen gesloten te houden is fascinerend om lezen.

"‘Jean-Louis, als José uit dienst komt, moeten we allen bij elkaar gaan wonen, dicht tegen elkaar aan als jonge hondjes in een mand…’"

Het lijkt erop alsof Mauriac zijn eigen kleine Buddenbrooks heeft willen schrijven. Of nog, die drie broers in gedachten: De Gebroeders Karamazov light.

Ik vind De Frontenacs meer dan geslaagd als burgerlijke zedenschets. Mauriac voorziet me van de details die ik wil horen: de tobberijen in dat achttiende-eeuwse landhuis, gecombineerd met stemmige beschrijvingen van de Landes, de geboortestreek van de schrijver. Mauriacs figuren kijken elkaar aan "met gekwelde blikken", zijn "door demonen gedreven", worden "als de bliksem getroffen", berouw "knaagt aan hen" enzovoort zonder dat het kitchy wordt. Mauriac houdt maat, argumenteert goed en kleedt alles zorgvuldig in.

Je voelt tegelijk dat Mauriac stelling neemt en dat is natuurlijk niet meer van deze tijd. Ik vond dat niet storend omdat hij op beslissende momenten toch weigert met de verlostang zijn personages uit hun lijden te halen.

Het zal wel een afwijking van mij zijn: ik heb niets liever dan weinig krachtdadige helden wier gemoedsgesteldheid in het ongerede raakt door wroeging of andere morele dilemma's.

"‘Mij krijgen ze niet te pakken…’ Maar terwijl hij bezig was zichzelf tegen zijn familie op te hitsen, had Yves een duister besef dat hij, hij alleen, zich wanhopig aan zijn kindsheid vastklemde. Het zou ‘Erlkönig’ niet gelukken hem in een onbekend rijk te lokken, ach, maar al te goed kende hij dat rijk. De elzen, waaruit de gevaarlijke vleistem opklinkt, worden in het land van de Frontenacs met een andere naam genoemd en hun takken hangen liefkozend over een beekje, waarvan slechts zij weten, hoe het heet. ‘Erlkönig’ ontrukt de kinderen Frontenac niet aan hun kindsheid, integendeel, hij belet hun het kinderland te verlaten, hij begraaft hen in hun verleden, hij strooit mooi herinneringen en rottende bladeren over hen heen."

Deze roman ga ik zeker herlezen. En mijn tweedehands exemplaar hangt al uit zijn rug.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

François Mauriac, De Frontenacs
200 p.
Uitgeverij Het Spectrum, 1958
Oorspr. Le mystère Frontenac (1933)
____

maandag 28 mei 2007

Miles iz dead

Pinkpop, drie dagen aan een stuk.

Ik probeer een beetje de verslaggeving van de zaterdag te mijden. Eergisteren stonden de jongens van Goose op de affiche. Op een blauwe maandag een decennium terug, toen mijn eigen rocksterambities nog niet definitief ingedeukt waren, heb ik met drummer Bert Libeert en gitarist David Martijn op hetzelfde podium gestaan. Het steekt nu als ik hun tourschema zie: na hun passage in Landgraaf spelen ze deze zomer op Rock Werchter, Roskilde, Dour, Lowlands en Pukkelpop.

Grappig: naar verluidt hebben ze aan Jan Smeets gevraagd of ze het uur dat ze geboekt stonden niet helemaal vol hoefden te maken; ze houden het meest van korte, heftige sets. Waarschijnlijk de eerste band in de geschiedenis van Pinkpop die minder lang wil spelen dan verzocht.

1994 was voor mij een van de topjaren van het festival. Het werd toen gepresenteerd door Jan Douwe Kroeske en Bram van Splunteren. De obstinaat puberale Marco Roelofs hoste nog niet in beeld en je kon de optredens nagenoeg volledig volgen op televisie, in plaats van op zo'n schermpje van een vierkante decimeter op 3 voor 12.

Dat deed ik trouw, alle studieschema's voor de eindexamens ten spijt. Ik tapete ook nog eens de hele handel. Elke Pinkpop stond voor 3 nieuwe VHS-banden in de kast. Het muziekfestival was nog te behappen: de Vpro zond de integrale sets uit van bijna alle bands.

In dat gezegende jaar 1994 dus, kwamen The Afghan Whigs langs. De in 2001 gesplitte Whigs ("citing the strain of geographic distance between members") kwamen uit Cincinnati en hadden bescheiden hits met 'Debonair' en vooral 'What jail is like'.

Een van mijn lievelingsnummers blijft evenwel 'Miles iz dead' (somtijds gespeld als 'Milez is ded', 'Miles is dead' of 'Miles iz ded'), de hidden track op het album Congregation (Sub Pop, 1992).

De Whigs speelden het die memorabele middag. Ik keek mijn ogen uit. Tientallen keren moet ik dat clipje gedraaid hebben, steevast hunkerend naar 1'27'', wanneer het distortionpedaal wordt ingetrapt.

In mijn apejaren had ik mijn linkerarm gegeven om te kunnen drummen in die band (al had dat niet echt opgeschoten). Wat een voorwereldlijke gitaarklank en mooie, rauwe nummers. Zanger Greg Dulli bulkt van het charisma en is een van de weinige frontmannen van wie ik het kan hebben dat het gevrouwte hem knap vindt.

Op de live-registratie hieronder lalt Dulli flarden uit Madonna's 'Into the Groove'

"And you can dance
For inspiration
Come on
I'm waiting"

tussen de eigenlijke liedjestekst door. Voor de volledige lyrics, click door naar YouTube zelf.

(Já, de beeldkwaliteit is mottig, de bassist zingt vals, en het geluid komt ietsje achter.)

> http://www.goosemusic.com/
> http://nl.wikipedia.org/wiki/Pinkpop_1994
> http://3voor12.vpro.nl/
> http://en.wikipedia.org/wiki/The_Afghan_Whigs
> http://www.subpop.com/
> de originele video van Miles iz dead (account nodig, flagged as inappropriate door de YouTube-gemeenschap)

Live performance by The Afghan Whigs at Pinkpop 1994 (Holland). 'Miles iz dead' is the hidden track on the album Congregation (Sub Pop, 1992). Besides the album lyrics, Greg Dulli sings parts of Madonna's 'Into the Groove': "And you can dance, for inspiration" etc.

[ beeld + geluid; duur: 5'43'' ]


____

zondag 27 mei 2007

Voor het zinken de kerk uit - Rik Torfs

Uitgeverij Van Halewyck wou met dit boekje vast meedeinen op de publieksbekendheid van Rik Torfs. 2004 was namelijk het doorbraakjaar voor de hoogleraar kerkelijk recht aan de K.U.Leuven. Hij was al een veelgevraagde gast in duidingsprogramma's, waar hij commentaar gaf bij actuele geloofskwesties, maar nu dook hij ook op in zowat alle reguliere infotainmentshows en spelletjes.

Ik heb me nooit echt geërgerd aan de overexposure van Torfs, omdat ik sowieso weinig televisie kijk en omdat Torfs zijn vak altijd voldoende ernstig heeft genomen als het erop aankwam. Wanneer iemand elders bewijs van bekwaamheid heeft gegeven, staat het hem vrij te gaan en staan waar hij wil. Sterker nog: die mêlée van hoog en laag geeft reliëf aan 's mans persoonlijkheid.

Er is wel iets vreemds aan de hand met de Torfs in geschrifte. Waar de spreker Torfs algemene bewondering oogst voor zijn glasheldere, gemarmerde zinnen zonder de minste hapering - soms lijkt het alsof een essay van Montaigne zichzelf voorleest - zo doordeweeks doet zijn proza aan. Torfs schrijft natuurlijk niet slecht, maar doet dat duidelijk met minder brio. Hij valt af en toe in herhaling, echt sprankelen doet het niet, en enkele grapjes ogen ineens belegen. Toch is Voor het zinken de kerk uit een noodzakelijke tekst.

In dit essay maakt Torfs een balans op van de hedendaagse Rooms-katholieke kerk. Zeker haar Vlaamse filiaal heeft de laatste decennia grote klappen gekregen.

"De kerk is Venetië zonder zijn inwoners. Een spoor van schoonheid aan de rand van de zee. Maar ook: geschiedenis, een museum, een weergaloze waterspiegeling. Een gebouw. Een herinnering.
Kunstliefhebbers en toeristen lopen storm voor kathedralen. En tegelijk herbergen zij steeds minder gelovigen."

Torfs stipt aan hoe die intellectuele bevrijding bij veel mensen gepaard gaat met een emotioneel gemis. Vele intellectuelen verbergen om redenen van welvoeglijkheid een zeker religieus heimwee. Ik, al sinds mijn achtste of zo een goddeloze hond, herken me daarin. De zorgeloze, heidense variant van het atheïsme is mij jammer genoeg vreemd. En dat kan niet anders dan de reden zijn waarom ik regelmatig teruggrijp naar teksten als deze, waarin verstandige, weldenkende katholieken getuigenis afleggen van hun ondogmatische geloof.

In de jaren vijftig was de kerk nog een gevreesd instituut. Toen zette fors de secularisering in. Nu is België een van de landen die met zijn euthanasiewet (2001) en homohuwelijk (2003) het meest op de zenuwen werkt van de gemijterde machtshebbers in Rome. De functie van de kerk lijkt afgeslankt tot louter caritas.

"Ik ben de eerste om toe te juichen dat vele katholieken, zowel individuen als instellingen, zich in de praktijk uit de naad werken voor de medemens. De handelende katholiek blijft een bron van vreugde. Maar de denkende katholiek, hij die de blijde boodschap aan de wereld zou moeten verkondigen oogt alsmaar neerslachtiger."

Torfs laakt de felle en late reacties op de enorme greep die het kerkinstituut in ons land bezat. Pas als dat instituut hopeloos was verzwakt meldden tegenstanders zich openlijk aan. Vlamingen kijken graag de kat uit de boom en zijn vooral kritisch als het niet langer gevaarlijk is, als kritiek overbodig wordt.

Het afbrokkelen van de kerk koppelt Torfs aan haar starheid. De kerk draaide eeuwen om haar eigen as - de mensen hadden háár nodig, en niet omgekeerd - en die attitude en bedrijfscultuur is heden ten dage hopeloos gedateerd.

Torfs legt de historische wortels bloot van dat concept, dat van societas perfecta (volmaakte maatschappij), dat de kerk als hoeksteen van haar zelfbeeld ontwikkelde. De Oostenrijkse canonist Franz Rautenstrauch (1734-1785) was wellicht de eerste om die uitdrukking in de mond te nemen. Torfs:

"De pauselijke staten gingen verloren in de strijd om de eenmaking van Italië (1870). De kerk als volmaakte maatschappij bood daarbij troost. Het is geen toeval dat vooral Italiaanse denkers zoals Taparelli, Tarquini en Cavagnis het begrip societas perfecta verder uitwerkten. Het hield trouwens stand tot het pontificaat van Pius XII, diep in de twintigste eeuw. Maar in de teksten van het tweede Vaticaans concilie wordt de kerk niet langer societas perfecta genoemd. Ze krijgt andere, meer lyrische benamingen toebedeeld, zoals volk Gods of lichaam van Christus."

Het zelfbeeld van de kerk ging langzaam vloeken met de noden van haar gelovigen.

"Vele mensen verlangen van de kerk niet langer de waarheid, maar de erkenning van hun waardigheid."

Een andere bedreigende factor vormt de scheiding van kerk en staat. Nog steeds een actuele discussie is dat. Ik zag gisteren nog een Vlaams Belang-politica ervoor pleiten religie volledig te bannen van het publieke toneel, aan het loket bijvoorbeeld. (Al had ze natuurlijk uitsluitend de Islamieten in gedachten). Torfs is daartegen en voert een argument aan dat de republikein in mij zelfs zou kunnen overtuigen:

"De overheid bedriegt zichzelf door religie naar de privé-sfeer terug te willen dringen. Op die manier ontstaat een kloof tussen wat mensen doen en wat ze denken, tussen hoe ze eruit zien en wie ze zijn. Naast een geruststellende officiële wereld groeit onderhuids diens bedreigende spiegelbeeld."

Er is overigens geen volledige scheiding van kerk en staat, betoogt Torfs. In veel westerse staten, en ook ook in ons land, genieten één of meerdere godsdiensten een enigszins geprivilegieerde positie en indirecte subsidies. Hij legt overtuigend uit hoe het Amerikaanse model, waarbij religieuze groepen geen financiële steun krijgen van de overheid en er volledige gelijkheid tussen alle godsdiensten van kracht is, in de praktijk een vervolging van minderheden betekent.

De overheid dient er volgens Torfs enkel zorg voor te dragen dat religieuze groepen zich geleidelijk humaner en toleranter opstellen. Hij relativeert de bemoeizucht van Vaticaanstad:

"De dreigementen en politieke manœuvres waarmee een andere buitenlander, Bernie Ecclestone, de paus van de Formule 1, naar aanleiding van het dossier Francorchamps uitpakte, maken trouwens een veel directer politieke inmenging en een gevaarlijker precedent uit dan de voorspelbare morele wenken die Johannes Paulus II in de aanbieding had."

Terug naar de mentaliteitsgeschiedenis van de kerk. Moet en kan zij aanhaken bij de tijdsgeest van nu? Ligt daarin haar redding?

De katholieken moeten volgens Torfs minder getuigenissen brengen die vertrekken vanuit kerk en geloof zelf, maar streven naar een open discussie, waarin de buitenwereld naar binnen wordt gehaald. (Als voorbeeld van het eerste haalt hij het ledenblad Tertio aan).

De kerk dient anders om te gaan met haar eigen grote stelligheid. De moed hebben intellectuele fouten te maken en die toe te geven. Torfs heeft een broertje dood aan intellectuele zuiverheid. Geloof is niet alleen een kathedraal van hooggestemde theorieën maar moet ook het ogenblikkelijke uitstralen.

"Ik droom van een kerk die geen keuzes maakt en die de macht wantrouwt. En vooral van een kerk die haar ketters koestert, omdat zij waarschuwen voor de gevaren van het grote gelijk."

Die openheid ligt in het verlengde van de interreligieuze dialoog, die nu te veel gestoeld is op iets steriels als respect ("een verkrampt gevoel dat wij koesteren tegenover mensen van wie we niet echt houden").

Torfs hamert erop dat het reorganiseren van de eigen interne keuken veel vruchtbaarder is. Hij ontwikkelt daartoe het prachtige begrip 'niet-competitieve waarheid'.

"Een fusie van alle wereldgodsdiensten via een ingewikkelde procedure van mergers and acquisitions is een absurde gedachte. Niemand gelooft met heel zijn hart in een fusie. Ook de zoektocht naar een gemeenschappelijk programma waarin alle grote godsdiensten zich herkennen, levert weinig op. (…) Beter lijkt het mij dat kerken en godsdiensten leren anders om te gaan met hun eigen waarheid."

"Precies hier bevindt zich tegelijk ook de zwakke plek van een niet-competitieve waarheid: ze verzwakt de positie van de religieuze leider."

Zou daar het schoentje wringen?

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://en.wikipedia.org/wiki/Circuit_de_Spa-Francorchamps
> http://www.tertio.be/

Rik Torfs, Voor het zinken de kerk uit
51 p.
Uitgeverij Van Halewyck, 2004
____

zaterdag 26 mei 2007

Het strand - Cesare Pavese

Sommige mensen in het boekenvak zou je prompt standrechtelijk willen halsrechten. Wat bezielde de man die dit omslag ontwierp?

Een gelukje voor mij wellicht, anders had het boek niet ongehavend en ongelezen in de uitverkoopbakken gelegen van de bibliotheek.

Ik ben een groot bewonderaar van dat beroemde dagboek Leven als ambacht, waarin Cesare Pavese zijn eigen grootste katholieke kwelgeest is. Maar hoe troebel en obsessief psychologiserend dat journaal oogt, zo uitgepuurd doen zijn romans aan.

Die voorkennis, het besef dat dit verhalend proza het sobere destillaat is van een broeierig geestesleven, beïnvloedt in gunstige zin de waardering die ik ervoor opbreng. Ik weet niet zeker of ik, als Het strand de naam van een Vlaamse schrijver had gedragen, de kwaliteiten van dit boek even makkelijk had onderkend. Het is goed dat op te merken.

"Al tamelijk lang geleden had ik met mijn vriend Doro afgesproken eens bij hem te komen logeren. Ik was erg op Doro gesteld en toen hij trouwde en in Genua ging wonen, kon ik dat maar moeilijk verkroppen. Toen ik hem schreef dat ik de trouwpartij niet zou bijwonen, kreeg ik een afgemeten, arrogant briefje van hem terug waarin hij verklaarde dat als hij zijn geld niet mocht gebruiken om zich te vestigen in de stad die zijn vrouw leuk vond, hij niet inzag waar dat geld dan wél goed voor was. Later, toen ik eens op doorreis in Genua was, ging ik bij hem langs en we verzoenden ons. Zijn vrouw vond ik heel aardig, een vlot meisje dat vriendelijk zei dat ik maar Clelia moest zeggen, precies wist hoe lang ze ons alleen moest laten en die, toen ze ’s avonds weer bij ons terugkwam om mee uit te gaan, in een betoverende dame was veranderd die ik een handkus zou hebben gegeven als ik niet was geweest wie ik ben."

Voilà, meer regels heeft Pavese niet nodig om de lezer binnen te leiden in een geloofwaardige wereld. Prachtig compact proza is dit, zonder kunst -en vliegwerk.

Op uitnodiging van een jeugdvriend en diens vrouw brengt de verteller van deze korte roman enige weken door in een badplaats aan de Italiaanse Rivièra, waar hij in contact komt met nog een paar andere mensen. Jaloers bespiedt hij het jonge paar in de verwachting dat de vrouw haar man bedriegt, evan overtuigd dat een huwelijk zonder ontrouw niet kan bestaan. Maar de vrouw heeft geen andere afspraakjes dan die met het strand en de zee en als ze aan het einde van de vakantie zwanger is, kan dat niet anders worden gezien als het bewijs van haar huwelijkse trouw.

Tussen de joelende kinderen, parasols, kindermeisjes, zonnekloppende gezinnen voelt de verteller zich een indringer. Hij neemt als een outsider deel aan de braspartijen.

Pavese beschrijft deze driehoeks-, vierhoeks-, vijfhoeksverhouding (de flaptekst gewaagt van "de moeizame pantomime van aantrekken en afstoten") in een stijl die zichzelf weinig op de borst klopt. Cesare Pavese maakt veel gebruik van gedachtenstreepjes en plaatst spaarzaam, op strategische plaatsen, sterke zintuigelijke accenten. De conversatie van de personages wisselt tussen gebabbel en getob. De zee fungeert daarbij als de ultieme echoput.

"Ik heb het altijd vreemd gevonden dat er op de uiterste rand van een kust, daar waar land en zee elkaar raken, nog bloemen en planten groeien en nog drinkbaar water stroomt."

"De dag daarop bleef ik zitten schrijven tot de zon hoog aan de hemel stond, waarna ik een tijdje rondslenterde en nog eens de denkbeelden van de vorige avond overdacht die nu, in het rumoer van het heldere daglicht, kleurloos en onsamenhangend voorkwamen. Ik wilde naar het strand, waar iedereen al wel zou zijn."

Het strand is een mooie psychologische pastorale (een contradictie, ik weet het). Zijn realisme komt voort uit een aangename plotloosheid, die reinigend werkt voor de ziel van de lezer. Paveses romans lees je niet om hun spektakelwaarde, je leest ze om hun onopzichtige melancholie.

"Ik probeerde erachter te komen waarom Doro en zij nooit ruzie maakten. Er moest een crisis worden geforceerd – zei ik – zoals je een horloge schudt om het weer aan de gang te krijgen."

"Hem was overkomen wat met iedereen gebeurt: de werkelijkheid neemt de gedaante aan van haar tegendeel."

"Die nacht zat ik bij het raam te roken en te peinzen over Clelia’s confidenties, geërgerd bij de gedachte dat ik zoiets nooit van Ginetta zou te horen krijgen. Daardoor werd ik zwaarmoedig op een manier die me welbekend was. Toen ik ook nog terugdacht aan mijn gesprek met Guido, voelde ik me helemaal ellendig. Gelukkig was ik aan zee, waar de dagen niet tellen. Ik ben hier voor mij genoegen, dacht ik."

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Cesare Pavese, Het strand
95 p.
Uitgeverij Goossens, 1987
Oorspr. La spiaggia (1941)
____

vrijdag 25 mei 2007

Psilo - Luuk Gruwez

De laatste jaren legt Luuk Gruwez zich vooral toe op prozaminiaturen: denk aan De maand van Marie (2002) en Een stenen moeder (2004). Na de zwakke gedichten in Dieven en geliefden (2000) vreesde ik ervoor dat Gruwez zijn lier voorgoed had opgeborgen. Toen verscheen alsnog Allemansgek (2004), terug een bundel op niveau. Nu is er opnieuw proza, in de hoedanigheid van Psilo.

Ultrakorte meneertjesverhalen zijn dit, waarmee Gruwez zich bewust wou scharen in de traditie van Paul Valéry's Mijnheer Teste, Henri Michaux' Plume en Peenhaar van Jules Renard.

Psilo kan inderdaad alleen in Vlaanderen geschreven worden, of nog zuidelijker, lijkt me. Geschreven én genoten worden: de verbindingen die Luuk Gruwez maakt, de associaties die hij legt, zijn vreselijk zoet. Gruwez is in deze bundel behaagzieker en woordverliefder dan ooit.

Psilo is dodelijk verliefd op het woord ‘Arrrnemuiden’. Er zijn nog woorden waarop hij verlekkerd is: poelepetaat, warmoes, oelewapper, baarmoeder, geroezemoes, rumoer en aalmoes.

[...]

Hij droomt zich een hoogsteigen universum bij elkaar, een simpel heelal met landschappen vol fjorden en klippen en langoureuze jonge moeders die, loreleiend tegen het tanende avondrood, een wiegliedje zingen.
Elke alinea bij Gruwez biedt de aanblik van een lexicaal lusthof. Dat is al jaren zo. In dat opzicht (maar alleen daarin!) kan-ie beschouwd worden als de zachtaardige pendant van Komrij. Voor een prozaïst grossiert hij ongewoon in anagrammen en binnenrijmen.
Waar houdt de melancholie het liefst haar domicilie?

[...]

Wat wil Psilo zoal verwerven? Een fabelachtig zakencijfer? Een majesteitelijke wagen met het vermogen van een bolide? Een harem cheergirls om zijn libido op te voeren?
Mijn cursivering. Of neem dit koppel zinnetjes: "Er zit een knipoog in Psilo’s lever. Zoiets als een torn in een damespanty." Zeg dat elf keren na elkaar: torn in een damespanty, torn in een damespanty. Het zou een novelle van Remco Campert kunnen zijn.

Maar wie of wat is Psilo? De naam is ontleend aan Psiloritis, de hoogste berg van Kreta. Maar het is evengoed een soort paddestoel. 'Psycho', 'solips' en 'ipso' klinken er ook in door. Psilo lijkt een afsplitsing, een pervertering, een aandikking van Gruwez' eigen temperament te zijn. Het boek Psilo is het portret van een romantische narcist die het verval van zijn lichaam betreurt, verteert en vertederd wordt door herinneringen en alles hebben wil wat ondermaans nergens verkrijgbaar is. Een narcistische romanticus, quoi.
Hij munt, het is bekend, meer uit in het nagenieten dan in het genieten, meer in het naspel dan in het spel. Om eerlijk te zijn: het genot, zoals tegenwoordig overal verkrijgbaar, werkt hem ronduit op de zenuwen.
Psilo klaagt dat een mens over het algemeen een te groot percentage van zijn leven volgroeid is, en houdt er nog een stuk of wat andere reactionaire verzuchtingen op na. Wat een vermoeiend heerschap, Psilo, een hypergevoelig burgermannetje dat kind gebleven is. Een verwend kind. Een zelfgenoegzame underdog in de liefde bovendien.
Soms heeft Psilo een lichte neiging tot meningloosheid. In elk geval zijn de meningen die hij eropna houdt op zijn minst verdeeld. Meer nog: ze zijn over zijn hele lijf verspreid en zij bevinden zich lang niet alleen in zijn hersenen. In zijn vingers heeft iets postgevat wat nauwelijks een mening is: het fingerspitzengefühl.
Life as we know it valt hem zwaar. Psilo gaat naar eigen zeggen gebukt onder de plicht dat híj de schepping dan maar moet retoucheren, penseelstreek voor penseelstreek. Psilo stapelt de exquise attributen op, en stoffeert er zijn leefwereld mee.
Er bestaat discussie over wat Mona zoal aan geschenken krijgt. Sommigen beweren: fijne lingerie, lage laarsjes van Trippen en sjaaltjes van gewaste taf. Anderen zeggen: accessoires voor haar speelgoedpoppen, handgemaakte berbertapijten, antieke pianola’s, een wagyu-rund en een grimetas die haar in een ommezien kan transformeren in alle vrouwen van de wereld.
Kitsch natuurlijk. Superieure kitsch, omdat Gruwez vaardig schrijft en zo'n preciese wensdromen heeft. Wie niet als estheet aan dit boek begint, ergert zich te pletter; de onderwerpen van Gruwez zijn zoals steeds zeer smal. Hij is geen schrijver die zijn thema’s uitdiept, maar telkens andere varianten zoekt voor de formuleringen ervan. De Nederlandse taal genereert het materiaal van deze schrijver.

Ik beken: ik houd van Gruwez' versuikerde zinnen, die hem ontbloten als een epigoon van Herman De Coninck (met wie hij goed bevriend was), maar een die genoeg klasse in huis heeft om het op eigen kracht waar te maken. Dit boek behaagde mij, die al jaren fan ben, dus moeiteloos. Maar het werd zelfs mij even te kwaad wanneer Gruwez/Psilo het verzamelde wereldleed meent te kunnen recupereren tot meerdere eer en glorie van zichzelf.
Psilo kent alle natuurrampen en andere tragedies van de moderne tijden uit het hoofd. Indonesie, 1971: maar liefst een dik miljoen doden. Bhopal, 1984: niet meer dan tweeëndertigduizend doden. De tsunami in Zuidoost-Azië, 2004: zo’n driehonderdduizend doden. De Rwandese genocide van 1994: alweer een miljoen doden. Bangladesh, 1971: meer dan anderhalf miljoen zelfs.

[...]

Dan zwelgt zijn hart plotseling in een luxueus verdriet dat iedereen mag kennen, een bovenste beste, eerbiedwaardige smart die -- om het met een andere schrijver, met Novalis te zeggen -- een bewijs van zijn hoge afstamming is.

[...]

In zijn doodgemoedereerde eentje wil Psilo de held van heel het wereldleed zijn, van Pakistan tot diep in Soedan.

[...]

Wanneer hij weent, vang Psilo zijn tranen tegenwoordig op in flacons en hij biedt ze te koop aan in boetieks voor kapitaalkrachtige mannen en vrouwen die lekker willen ruiken.
Soms is Gruwez een meester in onuitstaanbaarheid.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> Gruwez typeert dit boek en de rest van zijn oeuvre in De Standaard

Luuk Gruwez, Psilo
123 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2007
____

donderdag 24 mei 2007

How to Improve Your Cheapo Webcam's Picture Quality

Al die schimmige, schermvullende talking heads op YouTube moeten dringend dit artikel van The Strobist lezen.

fotokey

Biblioholism - Tom Raabe [2]

In zijn boek over literaire verslavingen maakt Tom Raabe een onderscheid tussen biblioholics (de klassieke bibliofielen zeg maar) en readaholics.

Het hoofdstukje is een Nederlandstalige parafrasering waard.

Readaholics zie je overal: in de schoolrefter, op de bus (gezeten op de bank of rechtop met in de ene hand de lus, in het andere hun boek), op bankjes in het park; ze gaan helemaal op in hun lectuur, dat steevast bestaat uit dikke, stukgelezen softcovers.

Readaholics komen voor in alle lagen van de bevolking. Ze lezen overal en altijd. Het populairst bij readaholics is fictie. Romantische romans bijvoorbeeld. Die boeken zijn er altijd hetzelfde uit, met covers waarop een langharige del te zien is met een diepe decolleté, verscheurd door een passioneel dilemma, haar lange haar wapperend in de stormwind, met achter haar een zweterige bink, de handen daadkrachtig en geruststellend op haar schouders. Of readaholics zijn weg van detectiveverhalen – romans met lijken op de voorplaat waar het bloed nog van druipt, met de dader op de achtergrond, hij heeft zijn rug naar ons gekeerd en verlaat ijlings het pand.

Wat ons, biblioholics, onderscheidt van readaholics is dat deze laatsten zich nauwelijks nog iets lijken te herinneren van wat ze lezen. Alle protagonisten smelten samen tot één vaagomlijnd personage; alle plots verdampen in een amorfe mist van acties en reacties.

Toch is dat onderscheid nog niet essentieel, want velen onder ons vergeten wat ze gelezen hebben. We hebben behoefte aan nadere specificatie. Ziehier de drie kenmerken van readaholisme:

1. De manier waarop readaholics het boek dat ze lezen beschrijven wanneer ze het nog niet uithebben. Ze zeggen dingen als “O, het gaat over een vent die alle vrouwen wild maakt” waarbij we niet kunnen uitmaken of ze Tom Jones, de geschiedenis van een vondeling lezen of De avonturiers van Harold Robbins. Nooit gaan ze in de diepte over wat ze aan het lezen zijn.

2. De manier waarop ze met hun boeken omgaan. Boeken bezitten is geen prioriteit voor hen. Sommige readaholics hebben amper een dozijn boeken thuis! Bezit betekent niets voor de readaholic. Je kan er donder op zeggen dat als ze een dozijn boeken kopen in de boekhandel, die de volgende weer verpatsen aan de eerste de beste uitdragerij. Het moge duidelijk zijn dat hun meest geliefde jachtvelden de tweedehandswinkels zelf zijn.

3. Ze lezen snel. Ik bedoel niet dat alle snellezers readaholics zijn, maar het is een onomstotelijk feit dat alle readaholics er altijd tegen ijltempo dikke turven doorjagen. Dat kan wel eens vervelend zijn voor ons, traagzaam lezende biblioholics. De ene dag zien we hen op het werk begraven in een James Michener-achtige kolos – nooit lijken ze boeken te lezen van minder dan vierhonderd pagina’s – en anderhalve dag later zien we hen de lectuur aanvatten van een andere Michener. En als we hen dan vragen: “Heb je dan alle elfhonderd bladzijden van De bron al gelezen?” bekijken ze ons alsof we Elvis te gast hebben thuis.

Bovendien praten ze immer op zelfverheerlijkende toon over hun mateloze leesgedrag. Ze praten niet over de inhoud van boeken, neen, ze hebben het over hoe lang ze erover gedaan hebben. Ze zeggen dingen als, “O, kijk, je bent Uitstel van executie van Tom Clancy aan het lezen! Ik las dat boek een paar weken geleden tijdens de reclamefilmpjes van Friends.” Of “Nou, nou, Onderwereld van Don DeLillo, hè? Da’s een goeie, maar het zal je zeker twee uur lezen kosten.”
____

woensdag 23 mei 2007

Getekend - Nicole van Goethem

Het is wat met het animatiefilmbeleid in Vlaanderen. De kroniek op Flanders Animation (doorklikken op 'Info') verhult een realiteit die veel grauwer is. Er is geen geld, er zijn geen daadkrachtige bestuurders, projecten lopen spaak, deadlines worden eindeloos uitgesteld en mensen die hun strepen al lang verdiend hebben zien hun subsidieaanvraag niet zelden gekelderd. Niet ik, maar een goede kameraad van mij weet waarover hij spreekt.

En het is al zo'n hondestiel. Een jaar of twee op je eentje zitten tekenen en als de film af is wordt-ie op z'n hoogst vertoond op een handvol gespecialiseerde festivalletjes met in het publiek overwegend... collega-animatiefilmers. Op onze nationale zenders nooit ofte nimmer een spoor van de leuke dingetjes die het vaderlandse animatiegild in elkaar bokst. De modale Vlaming kent hoogstens peetvader Raoul Servais, of zijn hoofdwerk 'Taxandria'.

De ironie van de zaak is dat korte animatie het enige produkt is waarmee België werkelijk belangrijke internationale filmprijzen wegkaapt. Op het Filmfestival van Cannes in 2004 kreeg de jonge Jonas Geirnaert de prijs van de jury met de 11 minuten durende animatiefilm 'Flatlife'. Geirnaert, die communistische sympathieën heeft, maakte toen van dat forum gebruik om de historische zin

"Don't vote Bush, in case Michael Moore shouldn't have the chance to say that this evening."

uit te spreken bij zijn bedankwoordje.

Het kan nog beter. In 1987 haalde de Antwerpse tekenares Nicole van Goethem de enige Belgische Oscar tot nu toe (Beste Korte Animatiefilm) binnen met 'Een Griekse Tragedie'. (Van Goethem ging de prijs niet zelf ophalen maar liet geloof ik de producente opdraven. Van haar is het ontluisterende verhaal dat je je bij het bedankwoordje moet focussen op een vijftal spots (niet zichtbaar in beeld) die één voor één uitgaan en zo je resterende tijd aangeven. Naar verluidt word je in Los Angeles op het hart gedrukt niet je ouders te bedanken of andere meligheden te verkopen.)

De schielijk overleden Van Goethem (1941-2000) is nagenoeg onbekend in België. Daar zal het bijna onvindbare plaatboek Getekend weinig aan veranderen. Het bevat een staalkaart van haar kunnen: cartoons, reclameposters en stills uit de filmpjes.

Nicole van Goethem heeft een ludieke, gretige stijl. Haar gebruik van geel is opvallend. Ik houd niet zo van haar tekeningen. De clue van de cartoons wordt gelukkig in één zinnetje uitgelegd, want in veel gevallen begreep ik hem niet.

Erger is dat men dit boek heeft gelardeerd met bindteksten die fragmenten zijn uit de in memoria bij de uitvaartplechtigheid van de kunstenares. Hoe goedbedoeld ook, ze versterken alleen maar elkaars hagiografische nietszeggendheid.

Iets van de hierboven geschetste treurigheid, het vacuüm waarin animatiekunstenaars in Vlaanderen opereren, komt ook in Getekend tot uiting, voor wie tussen de regels leest. Als een interuniversitair relatiegeschenk (een prachtig uitgevoerd ganzenbord) een hoogtepunt op je palmares moet zijn, dan weet je het wel.

Hieronder haar Oscarwinnende film 'A Greek Tragedy'. Er wordt naar mijn smaak inmiddels veel betere animatie gemaakt in Belgïe. Daarover later meer.

> meer tekenaars op Achille

Nicole Van Goethem, Getekend
Josse Van Steenberge (red.)
47 p.
Uitgeverij Die Keure, 2000

Nicole Van Goethem (1941-2000) was born in Antwerp. Her animation debut "A Greek Tragedy" won the only Belgian Oscar so far, for best short animation.

[ beeld + geluid; duur: 6'27'' ] tekeningenkey


____

dinsdag 22 mei 2007

Ivo Mechels

Altijd een betrouwbaar iemand geacht. Is immers het gezicht van Test-Aankoop, het blad dat de weerloze Vlaamse burger de beste prijs/kwaliteits-verhouding voorrekent van verzekeringspolissen, chartervluchten en plasmatelevisies.

Gek hoe de media altijd rechtvaardigheid koppelen aan een personencultus. Wanneer in de televisiejournaals iemand de dogmatiek van industriële lobbygroepen moet weerspreken of twijfelachtige commerciële praktijken aan de kaak dient te stellen, gebeurt dat steevast bij monde van één persoon. Mijn vrouw vindt hem een knappe vent voor zijn leeftijd.

Ivo Mechels, de sympathieke Robin Hood van het Vlaamse consumentendom.

Gisteren nog kwam Mechels voor de camera naar aanleiding van het fraudeproces tegen Lernout & Hauspie, waar hij namens Test-Aankoop samen met Deminor 13.368 gedupeerde beleggers vertegenwoordigt.

Mijn vertrouwen in Mechels heeft echter een serieuze knauw gekregen toen ik hem verleden week een paar minuten bezig hoorde, door Friedl Lesage geïnterviewd in Het beste moet nog komen op Radio 1. Naast een tegenvallende muzieksmaak was er één lapsus die mij midscheeps trof. Eén fataal woord, woordje, dat hem in de mond bestorven lag en hem danig leek te enthousiasmeren.

Nooit zal ik een integer betoog van Mechels nog onbevangen kunnen volgen door die ene dissonant die zo veelvuldig te beluisteren was dat het iedere twijfel - zei hij dat nu echt? - uitsloot.

"Chakra-healing."

> http://nl.wikipedia.org/wiki/Test-Aankoop
> http://nl.wikipedia.org/wiki/L&H
> beluister de uitzending op Radio 1
____

La Passionata Grand Cru - Koen Stassijns en Ivo van Strijtem

Eind jaren negentig lazen Ivo Van Strijtem en Koen Stassijns bundel voor bundel de uitstekende bibliotheek van het Gentse Poëziecentrum uit, die volledigheid nastreeft bij de vergaring van alles wat ooit in Vlaanderen en Nederland aan poëzie verscheen.

Tot op vandaag teren ze op die titanenarbeid, hen alleen nagedaan door Gerrit Komrij, door er dikke, goedverkopende bloemlezingen uit te destilleren:

De mooiste van altijd : 40 eeuwen wereldpoëzie in 300 gedichten (1999)
Liefdes werk : van 300 dichters uit de hele wereld (2001)
Het laatste anker : 300 gedichten over dood en wat troost uit de hele wereld (2003)
3000 jaar wereldpoëzie in 500 onsterfelijke gedichten (2005)

Ik heb die boeken steeds noodzakelijk gevonden. De vorige ruime keuze van Sybren Polet uit de moderne buitenlandse poëzie in Nederlandse vertaling dateerde van decennia geleden.

Minder koosjer vond ik de manier waarop het duo hun bloemlezingen aangreep om grote sier te maken, jaren aan een stuk, daar op die monumentale stand van uitgeverij Lannoo op de Antwerpse boekenbeurs. Maar goed, ze schreven zelf ook poëzie, dus alla.

In 1989 brachten ze een gezamenlijke dichtbundel uit rond poëzie, wijn en vrouwen, en dit boekje is daar een vervolg op. Op de linkerpagina staan etiketten van wijnflessen afgebeeld, met daaronder een opgeleukte variant van het traditionele wollige discours over wijn - gezwam waar een mens niet wijzer van wordt.

Stassijns en Van Strijtem schreven er aan de rechterkant gedichten bij. Elk maakte de helft van het boekje vol. Daarbij neemt Stassijns duidelijk de maat van Van Strijtem, die vooral flauwiteiten en gemakzuchtige versjes brouwt.

Koen Stassijns is een dichter wiens kwaliteiten vaak onderbelicht blijven door zijn grote bekendheid als bloemlezer. Unfair is dat. Ik kan me niet herinneren ooit een spectaculair gedicht van hem gelezen te hebben, maar ik las ook nooit eerder een banaal vers van de man. Stassijns' poëzie is het resultaat van rustig vakwerk.

"LIEDJE
Voor A.

Wees rustig, twijfel niet. Ik ben het die
de sterrenbeelden op je armen vasthoudt
met een heel oud leven. En zeg mij: wie
is wie in wat voorbijgaat? Zie, ik ben gebleven.

En toch, wij kunnen niet beogen wat wij zien,
slechts door de naald van de verbeelding gaan
en weten dat wie altijd zegt, een hand legt
op de grijze handschoen van misschien.

Ik blijf, al is dat altijd maar heel even,
een lucifer, een sneeuwkristal, halfzeven,
misschien een trein die doorrijdt naar halfacht.

Dat is genoeg, dus twijfel niet. Jij vroeg
nooit eeuwen, slechts dat ik mij ooit toevoeg
aan het speldenkussen op de nacht."


Ondanks een behoorlijk aantal goeie gedichten hou ik niet van dit snoepboekje. Dit uitgaafje met oorspronkelijk werk lijdt aan dezelfde ziekte als de eerdere grote bloemlezingen die het tweetal samenstelde.

Want dat is de tragische paradox van het ontsluitingswerk die de heren Stassijns en Van Strijtem in de loop der jaren hebben verricht en zijn beslag heeft gekregen in tal van mooie boeken: dat poëzie in plaats van op een vanzelfsprekende manier, maatschappelijk ingebed, voldoende geduid voor wie daar oren naar heeft, onder de mensen te komen, meer dan ooit in de kleffe cadeauboekensfeer is komen te zitten.

Hoeveel gedichten liggen begraven in geschenkboeken die nooit meer ingekeken worden? Terwijl het teruggrijpen naar poëzie best een doordeweekse, intelligente, sensuele reflex kan zijn. Niet iets enkel voorbehouden voor speciale gelegenheden. Om poëzie hoeft geen strikje opdat iemand haar serieus zou nemen. Het fonds van Lannoo is me te veel feestartikelenwinkel.

Waar we nood aan hebben is opnieuw een goeie, verstandige, milde intermediair tussen goede poëzie en het grote publiek. Tien jaar na het heengaan van Herman De Coninck is er in Vlaanderen nog steeds geen nieuwe schrijver opgestaan die democratische, heldere, aanstekelijke stukken aflevert over poëzie. Heldere ja, misschien, maar geen aanstekelijke.

Of het zou Bernard Dewulf moeten zijn, maar die schrijft te weinig over poëzie en zijn stijl is zo gejat van De Coninck dat het niet meer mooi is.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Koen Stassijns en Ivo van Strijtem, La Passionata Grand Cru : gedichten
59 p.
Uitgeverij Lannoo, 1998
____

maandag 21 mei 2007

Brieven 1885-1905 - Marcel Proust

Cees Nooteboom, een van zijn grootste Nederlandse bewonderaars, las de Recherche van Marcel Proust op zijn veertigste. Als ik die kolossale romancyclus voor mijn dertigste wil gelezen hebben, hetgeen mijn enige goede voornemen was met nieuwjaar, mag ik wel eens opschieten.

Is het faalangst, ik weet het niet, punt is dat ik me vooralsnog beperk tot enkele satellietboekjes die rond dat hoofdwerk heen hangen: het magistrale essay van Samuel Beckett over Proust, een Frans fotoboek dat de plaatsen van Prousts jeugd evoceert, en nu deze verzameling brieven weer.

Toen Geerten Meijsing in het midden van de jaren tachtig de correspondentie van Proust begon te bloemlezen en te vertalen had hij reeds beschikking over de eerste negen delen Correspondance die tot dan verschenen waren bij uitgeverij Plon en de jaren 1880-1909 besloegen. Voor dit Privé-domeindeel koos hij 240 brieven uit de 1541 opgenomen in deel 1 t/m 6.

Prousts ontzettend wijdlopige, vermoeiende en slaafs-aristocratische correspondeertrant maakt het de moderne lezer quasi onmogelijk deze brieven in één ruk tot hem te nemen. Ik tenminste heb er toch een dag of vier over gedaan. Zelfs de amper veertienjarige Proust voorziet zijn epistels al van een marmeren plechtstatigheid en vormelijkheid die zijn gelijke niet kent.

Meijsing, die dat hoofse Frans uitstekend weet te vatten en daarvoor hulde verdient, wijst erop in zijn uitstekende, verhelderende nawoord dat het merendeel van Proust brieven

"een conventionele sociale functie had, waarvoor een beperkte set van strenge regels gold: hoewel hij later in zijn boek de sociale strebers en het mondaine milieu zo pijnlijk scherp te kijk zette, is het in de eerste helft van zijn leven bijna zijn enige doel om sociaal hogerop te klimmen en in het gevlei te komen bij beroemde persoonlijkheden en adellijke jongelieden. Hierin lijken zijn bijna mechanische, hogelijk onechte en kunstmatige brieven op die van een hoveling die zich tracht te bekwamen in de kunst van het prijzen [...] - daarbij nooit vergetend hoe hij in het prijzen van anderen zijn eigen waarde kan opschroeven, door zich zo serviel op te stellen dat de ander alleen al voor de vorm zijn zelfnegatie moet ontkennen. Het is een genot om te zien in welke bochten Proust zich kan dwingen om door een ontveinzing van eigen verdiensten zijn superioriteit duidelijk te maken of om een argument te laten verkeren in zijn tegendeel."

De zaak ligt zelfs nog cynischer:

"Boven het conventionele sociale niveau van deze wederzijdse knievallen uit, probeert Proust in deze brieven hoe ver hij kan gaan om meer dan de verwachte reacties uit te lokken van de correspondenten die voor hem object van studie zijn, materiaal voor personages die hij in zijn roman zal gebruiken."

Proust "slijmt en kontlikt dat je er ziek van wordt", in de woorden van Meijsing. Zijn kruiperigheid bereikt een hoogtepunt in zijn schrijven aan Robert de Montesquiou, de dichtende graaf-dandy die in de Recherche model zal staan voor baron de Charlus. Voor wie van krullen houdt en er de humor van kan inzien zijn de eindeloze varianten op de beleefdheidsfrasen waarmee Proust tracht in het gevlei te komen erg vermakelijk om lezen.

"De urn van uw gedachtenis heeft, sinds gisteren, niet opgehouden mij de melk en de inkt uit te gieten, welke laatste de toverkracht van de dichter even mild weet te maken als de melk.
Uw miskende en overstelpte
Marcel Proust"

"Toch is het leven mij wel verschuldigd een poging te wagen erin te slagen u op een dag te bedanken, en met de fijngevoeligheid van uw hart en van uw geest kunt u zich voorstellen hoe welgevallig mij dat zou zijn, als u denkt aan mijn gloeiende dankbaarheid en aan mijn diepe, bewonderende genegenheid voor u."

"In de hoop dat u het zult waarderen, zal ik u deze kunstzinnige raat toezenden die onttrokken is aan de droeve korf aan de voet waarvan ik mijn zeer toegenegen en zeer bewonderende eerbetuigingen deponeer."

In werkelijkheid kreeg Proust het op zijn heupen van de bezitterigheid van de graaf, die niet duldde dat zijn bewonderaar weer al eens een van zijn exclusieve feestjes of voordrachten wegens gezondheidsproblemen aan zich liet voorbijgaan.

Prousts imitatie van de hysterische Montesquiou was overigens een standaardnummer in zijn repertoire en de oorzaak van een fikse brouille zodra de Montesquiou lucht kreeg van het feit dat Marcel voor "handelsreiziger van zijn geestkracht" speelde. Montesquiou is een figuur die tot de verbeelding spreekt en het is des te jammer dat we zijn feedback moeten missen in een brievenverzameling als deze.

Met even grote virtuositeit windt Proust adellijke dames om zijn vinger. Een brief aan Madame de Noailles opent met:

"Madame,
Wat een opwinding steeds als ik het gedisciplineerde tumult van uw handschrift zie, die magnifieke krullen van een eindeloze, ritmische zee, uit de schoot waarvan glinsterend als Afrodite uw even goddelijke en even schone gedachten oprijzen. Maar wanneer het is om mij te folteren door in mij een dankbaarheid op te wekken waarvan ik voel dat ik die u nooit zal kunnen betuigen, door een overdaad aan goedheid of verfijnde vriendelijkheid, zoals in uw brief van hedenmorgen, dan is die vreugde smartelijk en mengt zij
Het schuim van het genoegen met de tranen van een foltering."

En wat te denken van de ontboezemingen aan Louisa de Mornand, een derderangs Vaudeville-actrice (en niet Veaudeville-actrice zoals Meijsing spelt), die Proust erg bevallig was?

"Mijn kleine Louisa,
Weet u dat het al heel lang geleden is dat ik u gezien heb. En het feit dat toch voortdurend een paar mooie lieve ogen zich in gedachten op mij richten, bewijst dat uw beeltenis het machtige vermogen heeft de afwezigheid te weerstaan, die voor mij zoveel herinneringen om zeep helpt. Maar nee, zelfs ver van u blijf ik onder uw zoete en soevereine invloed."

Het zakelijkst zijn nog de brieven van Proust aan "mamaatje" Jeanne Proust-Weil, aan wie hij minutieuze aantekeningen richt over zijn eigen wankelmoedige gezondheid, traditionele vakantieberichten schrijft of exhaustief de inrichting van zijn woonvertrekken voorschildert. Proust verhuist immers dikwijls, o.a. naar Versailles, waar hij vier maanden verblijft zonder iets van het decor te hebben waargenomen, "alsof hij ze heeft doorgebracht in een telefooncel". Tegen het einde van deze bloemlezing zien we Proust nog net verhuizen naar zijn definitieve woonst, een appartement aan de boulevard Haussman.

Het zwakke gestel van de Franse schrijver, die hevig leed onder astma-aanvallen, vergde een dergelijk isolement. Meijsing koppelt aan Prousts medicinale curriculum volgende bespiegeling:

"Het is zeker dat zijn intieme kennis van een eindeloze reeks geconsulteerde geneesheren […], van rusthuizen en wachtkamers, in combinatie met de nauwgezette observaties van zijn eigen geestestoestand in afhankelijkeheid van zijn hypernerveuze en lichtelijk hysterische zenuwgestel, de basis hebben gelegd voor de diepgravende psychologische ontdekkingen die zijn roman zoveel cachet geven. [...] Hij wilde van zijn geneesheren geen kuur of medicijnen, maar een zinvolle ontleding van zijn geest en zijn verleden."

Gaan deze brieven ook nog ergens over? Het substantieelst voor mij waren de brieven waarin de opgang van de literator Proust valt waar te nemen, degene waarin hij bericht over zijn lectuur (Meijsing selecteerde niet toevallig alle brieven over Gobineau, één van zijn eigen stokpaardjes) en informeert over zijn vertaal- en schrijfwerkzaamheden, voorlopig enkel nog in tijdschriften en kranten. Proust werkt ook onophoudelijk aan een groots vertaalproject: hij wil de werken van de Engelse estheet John Ruskin, die hem diep zullen beïnvloeden, ingang doen vinden in Frankrijk.

"Ik heb een blik geworpen in de twee enige boeken die over Ruskin geschreven zijn en de citaten stellen zo weinig voor dat er een van mijn twee bezwaren komt te vervallen. Maar het andere blijft overeind. Wat een boek om de indruk af te zwakken die zijn genie kan veroorzaken! In plaats van een levende kathedraal, welk een koel museum van onsamenhangende stukken."

Maar ook die verhaallijn moet gerelativeerd worden. De vertalingen komen er vooral op instigatie van zijn moeder, die haar lethargische zoon aan het werk wil houden, en zijn vooral háár werk en het werk van Mary Nordlinger, een Engelse kennis van de familie Proust. Proust zelf beperkt zich tot het stileren van de vertalingen die zij aansleepten, niet gehinderd door een matige kennis van het Engels.

"Ik pretendeer geen Engels te kennen. Ik pretendeer Ruskin te kennen."

Eenmaal een vertaling voltooid doet Proust er alles aan om bij invloedrijke recensenten op een goed blaadje te komen, zij het immer geraffineerd:

"Wanneer u Hermant ziet, zeg hem dan dat hij me een groot plezier zou doen als hij in een van zijn artikelen, als haren in de soep, een paar woorden over mijn Bible d’Amiens kon laten vallen, want daardoor zouden enige exemplaren verkocht worden – wat mij niet zozeer interesseert, maar ik zou wensen dat de edelmoedige daad van mijn uitgever om mij te publiceren voor hem niet al te rampzalig is. Aangezien ik één keer in de tien jaar een boek maak, hoeft Hermant dit precedent niet te vrezen."

Prousts wollige toon (die ervoor zorgt dat de lezer even opschrikt als plotsklaps een wel erg aards woord als 'telefoongesprek' valt) spruit mede voort uit zijn artistieke credo dat de kunst een transformatie van het leven is die de kunstenaar uittilt tot een hoog moreel niveau door de visie waarmee hij weet te ontstijgen aan de gemeenheden en tekortkomingen van het dagelijkse leven. Nogmaals, het is jammer dat we de replieken of aanleidingen van de brieven niet te lezen krijgen, om vast te stellen hoe Proust de realiteit transformeert in kunstproza.

Ik heb het in dit besprekinkje voornamelijk over zijn eikenhouten Frans, en toch is Proust soms ronduit speels in zijn correspondentie, in de onnozele schrijfsels aan boezemvriend Reynaldo Hahn bijvoorbeeld, in wiens verstand Proust "alle schakeringen van de waarheid blijft bewonderen, die even precies en even subliem zijn als alle schakeringen van de hemel in de zee". Dat blijft toch een van de boeiendste aspecten aan het epistolaire genre: te kunnen zien hoe door de wol geverfde auteurs zich van tijd tot tijd studentikoze vrijpostigheden veroorloven. Ik denk aan Kroniek van een karakter van Jeroen Brouwers, maar je vindt ze ook bij deze Proust:

"Je zult een muzikaal zeer veranderde Marcel terugvinden, die misschien bovenmatig Romeo-en-Juliettiseert, maar die in ieder geval gebleven is (…)"

Er is uitzonderlijk weinig insijpeling van buitenwereld in deze brieven. Ik bedoel maatschappelijke gebeurtenissen, die Proust het waard vindt te becommentariëren. De belangrijkste uitzondering vormt de affaire Dreyfus - verplichte kost wie egodocumenten van Franse laatnegentiende-eeuwers leest. Maar ook hier weer stilering te over. Dit kattebelletje schrijft Marcel Proust aan Fernand Labori, de advocaat van Dreyfus, nadat deze lichtgewond is geraakt bij een aanslag:

"Hulde aan de goede onoverwinnelijke reus aan wie alleen deze bloedige consecratie nog ontbrak opdat het niet bij wijze van beeldspraak is dat men over hem spreekt van strijd en overwinning en die zelfs niet meer de militaire toon het magnifieke privilege van soldaten hoeft te benijden: zijn bloed gegeven te hebben."

Op naar een slotsom. Wat moeten we denken van deze brieven? Vormen ze voor de geïntereseerde lezer de ideale opmaat voor het grote leeswerk, Op zoek naar de verloren tijd?

Neen. Het is een bloemlezing voor de liefhebbers geworden. Een verzameling om de tanden op te breken. Prousts brieven, zeg ik Meijsing na, zijn in tegenstelling tot die van Flaubert geen kunst suo genere. Meijsing citeert met instemming Proust-biograaf Philip Kolb die zelf met een sublieme Proustiaanse metafoor de brieven van Proust vergelijkt

"met de keerzijde van een wandtapijt, waarvan de grote roman A la recherche du temps perdu de beeldzijde is: ‘Men kan daar alle drade, alle kleuren onderscheiden; wat ontbreekt, is de samenhang van het geheel, het eindresultaat, kortom de kunst.’ En het is duidelijk van hoeveel belang en waarde deze keerzijde is voor de liefhebber en de student van het romanwerk om de aanzet van de patronen te ontdekken, de handen van de wever aan het werk te zien en de zelfkant van de gebruikte materialen en stoffen te bestuderen (...)"

Daarom is het zo jammer dat er om een of andere reden geen tweede deel kwam uit de correspondentie, dat pas echt de periode zou behandelen waarin Proust werkte aan zijn chef d'oeuvre. Inmiddels is de Correspondance integraal verschenen in 21 kloeke delen die elk vlot over de 700 pagina's gaan. Aan de beschikbaarheid kan het niet liggen. Had Meijsing er geen zin meer in? Bleef de belangstelling uit? Een uitgeverskwestie? Tot nader order moeten we het doen met een Franse bloemlezing uit de Lettres, verschenen in 2004.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Robert_de_Montesquiou
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Reynaldo_Hahn
> http://fr.wikipedia.org/wiki/Affaire_Dreyfus
> meer Privé-domein op Achille

Marcel Proust, Brieven 1885-1905
Gekozen en vertaald door Geerten Meijsing
420 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 1985
Privé-domein nr. 105

P.S.
Uit het nawoord heb ik voor mezelf de namen overgetikt van geaddresseerden die volgens Proust-exegeten model stonden voor belangrijke personages uit de Recherche. Het lijstje hieronder bevat links de fictieve figuren, rechts de mensen die werkelijk bestaan hebben.

De ideale vriend Robert de Saint-Loup : Antoine Bibesco, Albufera, Constantin de Brancovan, Bertrand de Fénelon en misschien Reynaldo Hahn

Rachel : Louisa de Mornand

Bergotte : Anatole France

Elstir: Whistler

Odette : Laure Hayman

Madame Verdurin : Madame Lemaire

Duchesse de Guermantes : de dames Straus en Greffuhe

Monsieur de Charlus : Robert de Montesquiou
____

zondag 20 mei 2007

De documenten van Langneus

Donderdag jongstleden naar een Plechtige Communie. Eindeloos tafelen en keuvelen in een salon die de Flamingozaal wordt genoemd, naar het dozijn flamingo-postuurtjes op de kasten en de twee rozige doeken aan de muren - het werk van een kladschilder.

Gelukkig ligt er in de vestiaire een stapel stokoude Jommekes, waaronder De strijd om de Incaschat, met monochrome platen. Als ik thuis op internet het album van Jef Nys probeer te dateren kom ik onverwacht bij de ontknoping van een persoonlijk mysterietje.

Al een paar jaar probeer ik, zonder daar echt veel inspanningen voor te leveren, een gelukkige vakantieperiode uit mijn jeugd te dateren. Ik verbleef toen een week met mijn ouders in een bekend Limburgs recreatiepark, dat ik in illo tempore als een idyllisch lustoord ervoer maar vandaag, geplaagd door meer verstand, al snel smalburgelijk zou noemen.

Tussen haakjes: eind 2000 werd de verblijfsaccomodatie van het park, het centrumgebouw met horecafaciliteiten en het congrescentrum verkocht aan de federale overheid om er een opvangcentrum voor vluchtelingen in te richten. Midden december 2005 verkocht de federale regering het voormalige asielcentrum, na twee jaar leegstand, opnieuw aan de hoogste bieders en kreeg het opnieuw een toeristische bestemming.

Het enige concrete ankerpunt dat me nog bijstaat is een bezoek aan een kantoorboekhandeltje in Houthalen, alwaar op een draaimolen de laatste nieuwe Jommekesalbums stonden te blinken. En er is één titel die ik me nog haarscherp herinner: De documenten van Langneus.

Deze site vertelt me dat dit stripverhaal werd uitgebracht in 1987. Zelf is dat nogal lastig te achterhalen, aangezien de uitgeverij bijna steeds nalaat het oorspronkelijke publicatiejaar te vermelden in de strips. Hoogstens vind je een copyrightjaar, waarmee niet zelden het jaar van de herdruk wordt bedoeld.

Ja, er is zoiets als een stripencyclopedie, maar ach.

Ik ben zo blij met deze terloopse ontdekking dat ik me niet eens stoor aan de lay-out van de site, die er wel heel 1997 uitziet, met zijn knipperlichten, frames en statische content.

> http://nl.wikipedia.org/wiki/Communie
> http://nl.wikipedia.org/wiki/Jommeke
> Dossier asielbeleid in recreatiecentra (Gazet van Antwerpen)
____

Stanislas de Guaita

"Stanislas de Guaita (6 avril 1861 - 19 décembre 1897) est un occultiste et poète français, co-fondateur avec Joséphin Péladan de L'Ordre Kabbalistique de la Rose-Croix."






____

Maurice Barrès

"Maurice Barrès, né le 19 août 1862 à Charmes (Vosges) et mort le 4 décembre 1923 à Neuilly, est un écrivain et homme politique français, figure de proue du nationalisme français."






____

zaterdag 19 mei 2007

Het jaar dat ik 30 werd - Aaf Brandt Corstius

Sinds ik een dikke maand terug zelf de kaap heb gerond van 29 jaar, ben ik extra gevoelig voor titels als deze. Dat de teneur ervan meestal veel luchthartiger is dan ik gewend ben te lezen, deert dan even niet.

Maar er zijn grenzen. En die grens stopt net voor het babbeltaaltje van Aaf Brandt Corstius.

"Toen we bij de verhuurmeneer waren aangekomen, begon het hem pas te dagen."

Een paar columns, eerder in gewijzigde vorm verschenen in Folia, NRC Handelsblad en Het Parool, werden voor de gelegenheid aaneengeklonken tot 'roman', zodat er een mooi hard kaftje omheen kon. Bindmiddel is een moderne variant van de negentiende-eeuwse gewoonte hoofdstukken bij aanvang samen te vatten in één weloverwogen zin:

"Waarin Aaf officieel krankzinnig dreigt te worden van haar langeafstandsrelatie (of in ieder geval onofficieel krankzinnig) en haar koffers pakt om naar New York te verhuizen. Voor eeuwig, volgens de planning."

Brandt Corstius pendelt in dit boek tussen Amsterdam en New York, houdt er een LAT-relatie op na (met "Meneertje Knipperlicht"), koopt een eenpersoonshuis, en een kat, en ze bedenkt dat ze ook maar een nieuwe carrière moet beginnen, als kleuterjuf. Ze begint te denken dat haar "leven minder leuk was dan dat van een zesentachtigjarige non die nog maagd was" en maakt zich zorgen.

Alles is hartsgrondig herkenbaar. Dat impliceert meteen dat hoe ze schrijft heel belangrijk wordt. En dat blijft onder de maat. Brandt Corstius hanteert de vlotte, anonieme toon van het glossy magazine.

"Ik ben al drie keer eerder naar Amerika gesemigreerd. Toen ik zeven was, gingen we in Minnesota wonen, officieel de koudste plek op aarde (vind ik). Op mijn achttiende ging ik studeren in datzelfde arctische oord, dus dat was weer een jaar in de sneeuw bivakkeren. En op mijn drieëntwintigste studeerde ik een jaar in New York, waar ik onder een Koreaanse sliep. We deelden namelijk een stapelbed.
Je zou dus kunnen zeggen dat ik alles wel weet van Amerika. Ik weet ook best veel: hoeveel fooi je moet geven aan het meisje dat je haar wast bij de kapper – veel meer dan je denkt – dat de wasmachines in de wasserettes je kleren kapotmaken, en dat het woord ‘douche’ hier iets heel anders betekend dan in Nederland. Ik heb me vaak een halve Amerikaan gewaand. Ik heb zelfs ooit een restaurant ge-sued omdat hun zonnescherm op mijn hoofd gevallen was, en daarmee heb ik vijfduizend dollar verdiend. Toen ik die cheque in mijn brievenbus kreeg, wist ik dat ik hard op weg was om een volleerde Amerikaan te worden."

Babbel, babbel, babbel. Daarbij denkt Aaf alle stijlproblemen te kunnen ontwijken met behulp van het lelijke woordje 'qua':

"Voor mij is het nog steeds een ervaring die menig bezoekje aan de Efteling qua sprookjesachtigheid overtreft."

"Dit keer heb ik behalve qua burrito’s en koekjes vooral ge-overdosed qua tv."

Een enkele keer, per toeval bijna, ontspruit er een mooie, conciese zin aan haar laptop die het onderwerp dient:

"Dus naar Ikea, voor Narviker. Ik vond hem, in het wit, en ging erop zitten. Ik had er al vaak op gezeten bij P., maar nu hing er een koopsfeer omheen en dat zit toch anders."

En heel af en toe kwam er een zweem van een glimlach opzetten, bijvoorbeeld wanneer Brandt Corstius het fenomeen groepsreizen aanpakt. Nou ja, aanpakt:

"Waar P. me niet op had voorbereid, was dat mensen na een paar dagen op groepsreis in een zogenaamde groepscoma terechtkomen. Dat betekent dat ze niet meer zelf kunnen nadenken en al het denkwerk aan de andere reizigers of de reisleider overlaten. Een eng soort gedrag, waardoor ik de afgelopen week fenomenen als Expeditie Robinson en de Tweede Wereldoorlog beter ben gaan begrijpen. Een mens op groepsreis is geen mens meer, maar deel van een groep. Een radertje, of een amorfe massa (klinkt wel goed, al weet ik niet precies wat het is), een elektrontje dat om een ander elektrontje heen zweeft."

Voor de rest blijft Het jaar dat ik 30 werd zeer flauwe kost. Wie een leuk boek over dertig worden wil, die leze Dertig! van Mike Gayle.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Aaf Brandt Corstius, Het jaar dat ik 30 werd
190 p.
Uitgeverij Arena, 2007
Oorspr. 2006
____

vrijdag 18 mei 2007

Brieven aan zijn ouders 1922-1924 - Franz Kafka

"Het doel waarvan alle bezorgers van literaire werken dromen, namelijk het volledige tekstmateriaal bijeen te krijgen is, zoals de ervaring leert, het moeilijkst te bereiken bij de correspondentie. Die verzet zich als gevolg van het feit dat zij nu eenmaal overal verspreid is in de regel het langst tegen het streven naar volledigheid (…)"

zo betoogt bezorger Josef Cermák in de inleiding bij dit nagekomen deeltje uit de correspondentie van Franz Kafka.

In zijn specialisatiegebied is dat extra lastig. In april 1986 werd door een antiquariaat in Praag nog maar eens een nieuw pakket met tweeëndertig exemplaren in het Duits geschreven correspondentie van Kafka aan zijn familie aangekocht. Meteen daarna kwamen de documenten in bezit van het Museum voor Tsjechische literatuur in Praag, waar zij in het archief onder nummer 27/86 als deel van de persoonlijke nalatenschap van Franz Kafka worden bewaard.

Eerder, in 1974, was er al eens zo'n pakketje brieven opgedoken, waarvan toen enkele jaren later een Nederlandse vertaling verscheen: Brieven aan Ottla en andere familieleden.

Ik heb denk ik zowat alle correspondentie van Kafka gelezen voor zover die uitgegeven werd in bundels die rond bepaalde geadresseerden gegroepeerd zijn. De Brief aan zijn vader natuurlijk, met voorsprong het aangrijpendste egodocument uit de wereldliteratuur, een monument van zelfanalyse, alsook de twee delen Brieven aan Felice, de gepassioneerde Brieven aan Milena, kortstondig zijn verloofde hartsvriendin, en het Privé-domeindeel correspondentie met Max Brod. Deze laatste verzameling is literair de minst interessante maar toch een must, omdat het een Kafka laat zien die grondig verschilt met het beeld dat het grote publiek van Kafka heeft: de existentieeel getormenteerde eenzaat en hongerkunstenaar. Kafka schrijft niet zelden kwajongensachtig en schertsend aan Brod, o.a. over de theaterstukken die hij bijwoont en zijn bordeelbezoek.

Nu is er dit 'Praagse convoluut', zoals het wordt genoemd, met brieven uit de laatste levensjaren van Kafka. Het is een rusteloze tijd. Eerst verblijft de Tsjechische schrijver bij zijn zuster Ottla in Planá, op het platteland. Het eind van Het slot zal daar ontstaan. Vervolgens leeft Kafka in Berlijn, op drie verschillende adressen. Die verhuizing komt volgens Cermák voort uit

"een crisis en was een poging zich aan de familiekring, de afhankelijkheid ervan en de verstikkende opgeslotenheid binnen Praag te onttrekken."

Kafka's gezondheidstoestand gaat achteruit; hij ziet nauwelijks meer van Berlijn dan de pensionkamers waar hij woonde. Stilte is voor de schrijver van Het proces van kapitaal belang:

"De nieuwe woning zal wel naar mijn zin worden, op de eerste dag leek ze wat luidruchtiger dan de vorige, uiterst stille, maar het zal wel bedaren. Veel dingen zijn beter; de grote kamer, die in de volle, nu weliswaar geheel afwezige zon ligt, de grotere vrijheid als gevolg van het wonen op de eerste verdieping, de nog landelijker omgeving dan in Steglitz, de betere afgescheidenheid ten opzichte van de rest van het huis, de kachelverwarming. Ik denk dat het jullie zal bevallen."

Ook financieel gaat het Kafka niet voor de wind. Hij maakt in Berlijn de snel verslechterende economische situatie mee, de enorme inflatie, waardoor ook de kosten van het postverkeer duizelingwekkend toenamen en Kafka niet eens genoeg geld heeft voor het frankeren van de brieven en zijn correspondentie beperkt tot briefkaarten die hij tot op de laatste millimeter beschrijft. In het voornoemde Privé-domeindeel, Een vriendschap in brieven, staan herinner ik me een paar reproducties van dergelijke kaarten.

De briefwisseling met zijn ouders in de Berlijnse periode staat in het teken van de pakjes met levensmiddelen en dagelijkse benodigdheden die hem door zijn familie uit Praag worden toegestuurd, in het teken van de zorgen om het naakte bestaan.

"Liefste ouders is me dat een grote, inhoudrijke, van geld overstromende brief. Zo goed als jullie allemaal voor mij zijn, voor deze nietsdoende figuur die zich laat verzorgen en daarbij nog niet eens dik wordt. – Ik heb zojuist lang uit het raam over de tuinen uitgekeken, tot het bos aan toe, om daar een verstandige raad te vinden voor hoe ik op het geweldige aanbod van oom moet reageren. Het zou misschien het beste zijn het geld met een stil God lone het in mijn zak te steken, maar dat kan ik helaas niet, ik zal het wel in mijn zak steken, vrees ik, maar er altijd wat heisa omheen maken. Een vooral voor de anderen ongelukkige aanleg."

Zijn gezondheidstoestand probeert Kafka zoveel mogelijk te verbloemen en te verbergen achter trivia.

"Liefste ouders, ik zal voorlopig niets prijzen, met te prijzen kom ik nooit erg ver, ik zal me dus slechts aan feiten houden en wel aan de niet prijzenswaardige. Gewicht ongeveer 50 kg. Temperatuur zal omlaag gaan, want ik moet driemaal daags pyramidon nemen, hoesten zal beter worden, want ik krijg er een middel tegen, mijn keel wordt onderzocht, dat schijnt niet erg te zijn, maar precies weet ik daarover nog niets, overigens ook een middel ertegen. Om ten slotte toch iets te prijzen, de kamer is goed, de omgeving prachtig. En nu zullen we verder zien."

Op het laatst wordt de situatie onhoudbaar. Brod, Kafka's beste vriend tot op het eind, ziet zich genoodzaakt de familie in te lichten. Wat volgt is het snoer van herstellingsoorden waar Kafka wordt opgenomen, en zijn verzet daartegen.

"Ik verzet me tegen een sanatorium, ook tegen een pension, maar wat helpt het, daar ik me niet tegen de koorts kan afzetten."

De diagnose luidt: een ernstig tuberculeus proces in het strottehoofd dat ook een deel van de keelklep aantast. Ook in zijn longen wordt tuberculose vastgesteld. Bij deze diagnose valt aan geen enkele operatieve ingreep te denken. Kafka's pijnen worden bestreden met morfine.

Kafka's leven zal eindigen in een Oostenrijks sanatorium. Zwakte dwingt hem zijn boezemvriendin Dora Diamant te vragen brieven voor hem af te maken. De laatste brief die ons is overgeleverd eindigt met twee halve berichten, een van Kafka, een van Diamant. De bezorger is er natuurlijk als de kippen bij dit laatste document "kafkaesk bij uitstek" te noemen.

De brieven die in deze uitgave zijn samengebracht zijn alleen van historisch belang omdat ze enkele leemtes opvullen in onze kennis over Kafka's laatste jaren, die minder goed gedocumenteerd zijn als het eerste deel van zijn leven. De literaire geinteresseerde lezer kan het echter gerust stellen met de ruime inleidende tekst van Cermák.

Het plezierlezen (al klinkt dit opeens heel oneerbiedig) wordt belemmerd door de nauwgezette annotaties van deze brieven.

"6. Hier door Kafka terecht het oorspronkelijke woord kolossalle verbeterd."

En doordat Kafka's correspondentie zo versnipperd is uitgegeven, én meestal thematisch, is ze erg lastig te gebruiken om zijn biografie te reconstrueren. Ik kan me niet voorstellen dat veel lezers aan een dergelijk puzzelwerk beginnen. Klassieke Kafka-biografieën te over, trouwens.

Verder vond ik het zeer irritant dat met geen woord wordt gerept over de mogelijke herkomst van deze nieuwe verzameling, of de persoon die deze aan het antiquariaat verkocht. Is er in dat milieu iets als een beroepsgeheim? Hoe kunnen dit soort documenten opeens zomaar opduiken?

Het enige wat me nu nog rest zijn die twee dikke delen wél chronologisch geordende Brieven (1902-1919 en 1920-1924). Ik hoop daarin iets te leren over de stijlregisters die Kafka gebruikt bij het corresponderen met verschillende personen. En ik ben ook nog steeds benieuwd naar wat Canetti in Het andere proces te vertellen heeft over Kafka's relatie met Milena.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Franz Kafka, Brieven aan zijn ouders 1922-1924
112 p.
Uitgeverij Querido, 1990
Oorspr. Briefe an die Eltern aus den Jahren 1922 - 1924 (1990)
____

donderdag 17 mei 2007

Jasper Fforde

"Jasper Fforde (London, 1961) is a novelist and aviator living in Wales. His early career was spent as a focus puller in the film industry, where he worked on a number of films including Quills, GoldenEye, and Entrapment. His published books include a series of novels starring Thursday Next: The Eyre Affair (2001), Lost in a Good Book (2002), The Well of Lost Plots (2003), and Something Rotten (2004). [...] Fforde's books are noted for the number of literary allusions, wordplay and the tightly scripted plot, and loose adherence to traditional genres. His works do usually contain various elements of metafiction, parody, and fantasy. Fforde has an interest in aviation, and owns and flies a Tiger Moth."

> http://en.wikipedia.org/wiki/Jasper_Fforde
> bezoek zeker ook zijn zeldzaam mooie website: http://www.jasperfforde.com/
> boeken van Fforde op De Leestafel
____

Sarkozy



> via http://blogonious.skynetblogs.be/
> http://blogonious.skynetblogs.be/post/4503090/sarkowie
> blogonius heeft ook een tag 'Pessoa'
____

woensdag 16 mei 2007

Lezen, man! - Anthony Mertens

Anthony Mertens, tot 1993 verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, daarna twaalf jaar redacteur bij uitgeverij Querido, had een mooiere titel kunnen verzinnen voor deze ruime keuze uit zijn essayistische werk. Ze is het waard.

Het begon voor mij met een interessante ontnuchtering. Als ik voorheen op de Laaglandse literatuurgeschiedenisjes afging, kreeg ik altijd de indruk dat de figuren rond het tijdschrift Merlyn, dat close reading propageerde - een vorm van literaire kritiek die zich toelegt op een minutieuze lezing van de tekst zelf, zonder gebruik te maken van biografische of andere extra-literaire informatie - heel radicaal waren in hun opvattingen. En nu krijg je in Lezen, man! de peetvader himself, Kees Fens, die een heel vriendelijke inleiding schrijft bij Mertens' boek - Mertens, die een zeer biografische manier van lezen voorstaat.

Het boek is goed opgebouwd. Lange beschouwende stukken vooraan, kortere essays in het midden, en achteraan, als de aandacht van de lezer verslapt is, kortere recensies.

Anthony Mertens schrijft eerst afstandelijk over literatuursociologie en vervolgens openhartig over het ontstaan van zijn literaire voorkeuren, zijn lectorschap bij een literaire uitgeverij (verwijzend naar Georges Perros) en de oorspronkelijke ontdekking van het eerste zelfstandige lezen.

De criticus blijkt geen man van staal, geen objectieve alweter. Ik vind dat een noodzakelijke bekentenis. Maar Mertens gaat verder, in het stuk over de inwerking van de ruimten op zijn lezen, en vooral in de terugblik op zijn carrière als jurylezer. Mertens noemt jurylezen de leesvariant die het verst verwijderd is van het openbarende karakter dat eerste leeservaringen hebben.

De bladzijden over zijn grootste fascinatie in de letteren vond ik vreemd genoeg de minst interessante. Mertens is een verzamelaar van plaatsen in de wereldliteratuur waar gerept wordt over overgangsfasen in het leven. In strikte zin worden daarmee rites of passage bedoeld: de evolutie van adolescent naar volwassene is wellicht de bekendste.

Mertens trekt het begrip 'overgang' echter helemaal open. Hij illustreert met voorbeelden uit de literatuur (De man zonder eigenschappen van Musil) overgangen in de ruimte (buiten - binnen) en overgangen in de taal. Mertens ziet de moderne literatuur namelijk als een expeditie naar die gebieden tot waar het licht van de Rede niet reikt en als dusdanig óók als het produkt van een overgang. Naar mijn smaak holt hij daarmee eerder het begrip uit, dan dat hij er diepte aan geeft. Op de duur is elke switch van these naar antithese een overgang en wordt het woord betekenisloos.

Neen, geef mij dan maar Mertens' analyse van de beschrijving in romans, die hij koppelt aan de geschiedenis van het realisme in de wereldliteratuur: Stendhal, Balzac, Flaubert, Fontane, Huysmans, Döblin, Proust, Woolf, opnieuw Musil, en Queneau.

"De beschrijving wekt de illusie van de paradijselijke toestand waarin de woorden en de dingen in een symbiotische relatie met elkaar leven."

En zijn betoog over de opkomst van de zelfstandige lezer. Die hangt nauw samen met de geschiedenis van de vertellers, die vooral populair waren in de in zichzelf gekeerde dorpen van weleer. Door de aanleg van wegen geraakten die rurale gemeenschappen uit hun isolement en rukte het individualisme op. Het zelfstandige lezen werd een feit.

Tussendoor bekent Mertens verhoudingsgewijs een onbehoorlijk aantal vertalingen te lezen; hij legt daarna overtuigend uit waarom.

Dan hebben we de beschouwingen gehad, en breken de boekbesprekingen aan. Al zijn het meer oeuvrebesprekingen. Mertens slaagde erin mijn hernieuwde interesse op te wekken voor het werk van Bernlef, en God weet dat dat een krachttoer is. Knap is ook het essay waarin hij aantoont, met veel voorbeelden en citaten, dat de romans van Louis Ferron steevast volgens hetzelfde sjabloon zijn opgebouwd.

Nadeel van dit soort stukken is dat je bij schrijvers waar je weinig van gelezen hebt (Bernlef in mijn geval) over de plot van de besproken boeken heen moet zien te lezen, om het voor jezelf niet te verkerven.

Wanneer je Lezen, man! in één ruk uitleest, alles na elkaar, waaronder ook essays over eenzelfde onderwerp die soms tien jaar uiteen liggen, is het aardig om te zien hoe Anthony Mertens twee maal bijna identiek dezelfde formulering gebruikt om deze of gene auteur te typeren. Essays schrijven blijkt het hamsteren van zinnen, stuk voor stuk kleine overwinningen op de stilte van een onuitgesproken intuïtie.

Lezen, man! is een milde bloemlezing uit eigen werk geworden. Mertens heeft de schrijvers opgenomen die hem dierbaar zijn. Hij spuit weinig echte kritiek. Hij houdt ervan literatuur en haar makers te omarmen. Dat gaat extra gemakkelijk wanneer ze dood zijn:

"Men moet om te kunnen bewonderen de persoonlijkheid van de bewonderde verstenen, hem ontdoen van het grillige, vervormde, afwijkende, triviale, kortom, men moet hem zijn leven benemen."

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Anthony Mertens, Lezen man!, essays en kritieken
432 p.
Uitgeverij De Bezige Bij, 2006
____

Related Posts with Thumbnails