maandag 30 april 2007

Lezen langs de Loire

In augustus volgen we stroomopwaarts de Loire om de kastelen in haar vallei te bezoeken. Nu al een inleeslijst aangelegd.

Langs velden en oevers : een wandeling langs de Loire en door Bretagne - Gustave Flaubert
(essentieel lijkt me)

Het grote avontuur - Alain-Fournier
(roman, speelt in de streek)

Het woud der verwachting - Hella Haasse
(roman, speelt in de streek)

De velden van eer - Jean Rouaud
(roman, speelt in de streek)

De kastelen van Frankrijk - Louis Paul Boon
(reportages?, cursiefjes?, rariteit)

Een middag in Bruay - Cees Nooteboom
(reisverhalen)

Het dal van de Loire - Achim Sperberg
(naar verluidt een schitterend fotoboek)

Verzamelde gedichten - François Villon
(in Meung gevangen gezeten)

Boeken van Gregorius van Tours:
Historiën (671 p.!)
De vaas van Soissons
(we bezoeken Tours)

Caesar in Gallië, God in Frankrijk : toeristische notities - M.A. Wes

Verlangen naar het verlangen : fragmenten uit de briefwisseling tussen Alain-Fournier en Jacques Rivière

De Zonnekoning : Lodewijk XIV in Versailles - Nancy Mitford
(juweeltje, over het Franse hofleven)

Aanvullende tips steeds welkom.
____

Het verboden museum - Benoît

Ik wist dat Benoît een tekenaar was, maar welke tekeningen die maakte was me onbekend. Ik heb ook nooit een poging ondernomen om me in zijn werk te verdiepen. Reden onbekend. Ik weet dat zijn naam me alleszins tegenstond. Benoît. Het deed me denken aan een weke fils à papa zoals je die vaak vindt in gegoede Vlaamse kringen die er zich op laten voorstaan Frans te spreken. Zie ook: Guillaume, Grégoire, Thibault... Jakkes.

Beetje verbaasd las ik in een bio dat de Bruggeling Benoît van Innis (1960) inderdaad uit de hogere burgerij komt en zich - zoals het cliché wil - moeilijk kon losmaken van dat milieu eens hij naar de kunstacademie wou. We schrijven 1976, de toekomstige tekenaar is dan krap zeventien jaar. Zijn vader stamde uit een adelijke familie, hoewel uit een verarmde tak ervan, en mocht zich jonkheer noemen.

Dat was ook nog eens een erfelijke titel. Benoît, cartoonist en jonkheer. Het zou wat.

Aangenaam verrast bekeek ik dan ook de foto op de kaft van dit boek. Er stond geen pedant heertje op, maar een sympathiek uit de ogen kijkende dandy met twee forse honden aan de lijn. Wat tekent zo iemand?

Er volgde een schok bij het inkijken van Het verboden museum. Door mij fel gesmaakte artiesten als Gummbah en Glen Baxter hadden al jaren een interessant broertje (een oudere broer in het geval van Gummbah) waar ik het bestaan niet van afwist.

Er hangt een verpletterende doofstomheid boven Benoîts cartoons. Zijn strakgetekende figuren zijn gedistingueerd, standsbewust, untouchable. Ze lijken nooit aan te sturen op het doorbreken van de burgerlijke patronen waarin ze vervat zitten, hoewel Benoît hen wel degelijk probeert te provoceren door ze in ongewone situaties neer te zetten. Desondanks blijven ze steeds zichzelf: welgemanierd in woonkamer, woestijn of wildernis.

Benoît en zijn duifgrijs gekostuumeerde helden zoeken nu eenmaal hun heil in vormelijkheid. Hun handeling beperkt zich hoogstens tot het oppakken van een stuk plexiglas. Bij wijze van borstpantser. Om te verhinderen dat een das in de wind zou wapperen.

Toppunt van distinctie is wel de cartoon op p. 46. Een rokende heer zit in een fauteuil en leest de krant. Zijn vrouw kijkt door het raam, dat tot het plafond reikt. Zonlicht valt rijkelijk de kamer binnen. Daaronder de tekst:

"Tiens, nog een kernproef..."

Ze spreken niet, deze wassen beelden. Ze werken nooit. Ze zijn enkel corpus. Blikken op oneindig. Ik weet niet zeker of dat bewuste pose is. Misschien zijn ze gewoonweg gedoemd tot inertie.

Dit gevoelsminimalisme is het indrukwekkend keurslijf waarin de artiest zichzelf heeft ingesnoerd. Benoît moet een verhaal zien te vertellen en kan slechts als voornaamste troeven inzetten: weinig spectaculaire handgesticulaties (p. 94), een doordachte compositie (bij groepsportretten, p. 17, p. 19, p. 47!) of een preciese oogopslag. Dat laatste is het geval bij de cartoon

"Twee mannen met identiek dezelfde schoenen kruisen elkaar in het Pamirgebergte."

Het kan natuurlijk niet anders of Benoît beeldt zijn eigen herkomst af. De blasé houding. Het elitair geklets. In een interview waarschuwt Benoît nochtans om de begrippen 'bourgeois' en 'aristocratisch' niet met elkaar te verwarren.

"Vroeger kreeg ik vaak te horen dat de personages in mijn werk bourgeois waren, maar volgens mij zijn het meer aristocraten, want ze houden zich bezig met dingen die bourgeois nooit zouden doen: ze liggen lang uit op de grond, kijken langdurig door het raam naar het vallen van de bladeren, bladeren in een boek, ze lopen op straat en blijven lang stilstaan bij een onooglijke steen of een minuscuul plantje. Daar hebben ze allemaal veel meer aandacht voor dan zogenaamd praktische of nuttige handelingen die geld opleveren."

Er valt niet veel te lachen met deze cartoons. Er valt des te meer te glimlachen. Benoît werkt niet echt naar harde pointes toe, hij blijft bij voorkeur ergens halfweg hangen. De soft-surrealistische sfeer is hem het liefst. Voorbeeld: we zien een man voor een ezel in een bos en lezen:

"De minister schildert graag landschappen. Vroeger schilderde hij veel stillevens. Hij denkt ook aan portretten."

In dat verband zij opgemerkt dat de blanco pagina's van het boek genummerd zijn, alsof ze noodzakelijke temporiseringen vormen die Benoît zelf heeft ingelast.

Mooi aan Benoît is dat hij vaak naar het penseel teruggrijpt - zijn werk niet tekent maar schildert. Daardoor krijgen de cartoons meer body en een langere houdbaarheidsdatum. Ze winnen ook aan diepte. Een kunstenaar die kleur toekent aan wat voorheen nog zwart/wit-tekeningen waren, wordt immers gedwongen zichzelf emotioneel bloot te geven - ik probeer de flauwe woordspeling 'kleur bekennen' te omzeilen. Benoît kiest voor zachte, knusse kleuren die naar het pastel neigen. En zie, ingekleurd doen de piekfijn uitgedoste meneren ineens denken aan de eenzelvige dromers van Edward Hopper.

Een andere invloed, die van Glen Baxter, komt overduidelijk tot uiting bij het ironiseren van gemeenplaatsen uit kunst en literatuur, maar ook de tekeningen over Benoîts passage in het Onze-lieve-vrouw-college zijn heel Baxter en doen denken aan diens autobiografische bundel Een leven.

Enkele van mijn favorieten in dit plaatboek komen uit de afdeling 'De teloorgang van onze cultuur'. Zo is er de doorregende man in maatpak met op de achtergrond een woeste zee. En dan:

"Wie weet nog dat de zoon van Karel Martel, Pepijn de Korte, de vader was van Karel de Grote."

Heerlijk. Ik weet niet of het wegvallen van dat vraagteken een ongelukje is. Het draagt alleszins bij tot de helaasheid der dingen die spreekt uit de cartoons.

Afgezien van een paar uitzonderingen, zoals hierboven, zijn teksten niet Benoîts fort. Bijna nergens haalt hij de scherpte van Baxter of Gummbah. Al stelt zich de vraag of hij die betracht. Maar soms zijn Benoîts onderschriften ronduit onhandig en rommelig.

"Nadat de les onderbroken was geweest om de zonsverduistering te bewonderen kregen we een ondervraging over die zonsverduistering.'

Naar verluidt dragen Benoîts huidige tekeningen nauwelijks tekst meer.

Benoît timmert inmiddels rustig aan de weg. Hij maakt tekeningen voor kranten, covers voor The New Yorker [zie foto], kalenders voor Amerikaanse meubelfabrikanten, affiches voor theaters, kunstboeken en doeken. De laatste jaren zijn er ambitieuze uithuizige projecten: tegels beschilderen in Portugal, de wanden van een metrostation in Brussel, het Jan Breydelstadion van zijn favoriete Club Brugge.

Ik heb al eens geneusd op internet op zoek naar dat grotere werk. Het kan me niet boeien. Keith Haring meets Giacometti of zoiets. Benoît schijnt in steeds meer abstractere richting geëvolueerd te zijn. Het is een ziekte van veel kunstenaars. Dat verdomde woord 'uitpuring' ook altijd.

Neen, eerst op zoek naar meer boeken uit deze periode.

> http://www.benoit-artist.com/
> meer tekenaars op Achille

Benoît, Het verboden museum
120 p.
Uitgeverij Loempia, 1990
tekeningenkey
____

zondag 29 april 2007

Gedichten eten - Mark Strand

De in Canada geboren Mark Strand (1934) geldt als een van de belangrijkste dichters van de Verenigde Staten. Hij werd gekozen tot Poet Laureate in 1990 en won de Pulitzerprijs in 1998. Na Een lakse bries (1983) en Donkere haven (1993) was het tijd voor een representatieve keuze uit zijn gehele oeuvre.

Dat werd Gedichten eten, in het mooie vierkantige formaat waarin eerder poëzie verscheen van Pessoa, Drummond de Andrade en Eugenio Montale. Jan van Zomeren tekende voor het fijne omslagontwerp.

Strand, die zijn leven lang op universiteiten lesgeeft, is een door de academische wol geverfde dichter die graag postmodernistische spelletjes speelt met de lezer en niet nalaat het kunstmatige te onderstrepen in zijn gedichten.

Er hangt bovendien een gloomy waas over Strands poëzie die mij welgevallig was.

"In a field
I am the absence
of field.
This is
always the case.
Wherever I am
I am what is missing."

schrijft hij in 'Keeping things whole'. Het had door een heteroniem van Pessoa geschreven kunnen zijn.

Strand heeft voor een dichter uit de VS een opmerkelijk on-Amerikaans referentiekader. Hij vertaalde werk van Rafael Alberti en Drummond de Andrade en ook in de hier verzamelde poëzie klinken referenties door aan Europese fijngeesten als Rilke, Gerald Manley Hopkins en Gabriele d'Annunzio.

Dit internationale karakter typeert ook enkele van de bloemlezingen die Strand (alleen of met hulp van anderen) samenstelde in de loop de jaren, en die mijn interesse wegdragen: New Poetry of Mexico en Another Republic : 17 European and South American Writers.

(Strand bloemleesde ook verschillende malen de Angelsaksische poëzie, in The Best American Poetry, The Golden Ecco Anthology, The Making of a Poem : a Norton Anthology of Poetic Forms en The Contemporary American Poets : American Poetry since 1940.)

Bijgebleven vooral tijdens de lectuur van dit boek zijn de hypnotiserende, ellenlange cycli (vijftien gedichten of meer) uit het tweede deel. Die alleen al zijn een goeie reden om het boek aan te schaffen.

Ik kan om af te ronden niet aan de drang weerstaan het mooie 'Ik zal de eenentwintigste eeuw liefhebben' integraal te citeren, dat een mooi staal is van Strands toon - een toon van nuchtere, scherpzinnige mystiek en illusiearme hoop.

"IK ZAL DE EENENTWINTIGSTE EEUW LIEFHEBBEN

Het eten werd koud. De gasten hoopten op het geijkte treffen,
Kort, toevallig, gezichtloos, en lagen lui achterover in de
Slaapkamers. De aardappels waren hard, de bonen zacht, het vlees –
Er was geen vlees. De winterzon had iepen en huizen vergeeld,
Langs de weg liepen herten als vluchtelingen en bij de oprit
Warmden katten zich op een motorkap. Een man draaide zich om
En zei tegen mij: ‘Hoeveel ik ook om het verleden geef, zijn duisternis,
Zijn gewicht waarvan we niets leren, het verlies ervan, zijn alles
Dat om niets vraagt, de eenentwintigste eeuw zal me liever zijn,
Want daarin zie ik iemand, arm, met bruine ogen, in badjas en slippers
Door sneeuw lopen zonder zelfs maar een voetafdruk achter te laten.’
_____‘O,’ zei ik en zette mijn hoed op. ‘O.’"

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> essay van Mark Strand
> gesprek met de samenstellers (Vpro)
> recensie van Gedichten eten door Joris Lenstra (Meander)

Mark Strand, Gedichten eten
Keuze en vertaling Wiljan van den Akker & Esther Jansma
175 p.
Uitgeverij De Arbeiderspers, 2006
____

Bernardin de Saint-Pierre

In de rubriek Curricula plaatst Achille de volgspot op telkens een andere gemummificeerde literator uit de tombes van Wikipedia.

"Jacques-Henri Bernardin de Saint-Pierre, plus connu sous le nom de Bernardin de Saint-Pierre, né le 19 janvier 1737 au Havre et mort le 21 janvier 1814 à Éragny-surOise, est un écrivain et un botaniste français."


> http://fr.wikipedia.org/wiki/Bernardin_de_Saint-Pierre
____

zaterdag 28 april 2007

Feuilletons 1 : proefnummer zomer 1996 - Jeroen Brouwers

Nu Jeroen Brouwers de Prijs der Nederlandse Letteren werd toegekend en daarbij ook omstandig werd geprezen voor zijn polemieken en mengelwerk, is het goed een van zijn Feuilletons te lezen.

Dit 'proefnummer' uit de zomer van 1996 was het eerste deeltje in de serie onregelmatig verschijnende eenmansperiodieken van Brouwers.

Het opent met het prachtige stuk 'Utopia', waarin de auteur mijmert over de ideale biotoop waarin zijn schrijverij kan gedijen. Brouwers' invulling van het begrip 'utopie' staat haaks op de gangbare:

"Volgens de roomse catechismus bestaat er een hiernamaals waar iedereen die oppassend heeft geleefd terechtkomt ‘om er gelukkig te zijn’. De gedachte, daar misschien ooit te zullen verblijven, vervult mij bij voorbaat met afgrijzen: het lijkt me er na al die eeuwen een gekrioel te zijn als van lemmingen met alle opgewonden kreten van dien. Terwijl als ik mijn eigen Utopia zou mogen ontwerpen, dat een uitermate schaars door mensen bevolkt oord zou zijn, waar absolute stilte heerst."

Utopia is voor Brouwers de Literatuur: het Land van de Geest van schoonheid, eruditie en wijsheid. Of liever: wás. Het "gulzige, hartstochtelijke lezen van toen, zelfvergetelheid veroorzakend en tegelijkertijd bezielde opwinding, nog het best te vergelijken met verliefdheid" is er al lang niet meer bij.

Niettemin brengt Brouwers zijn dagen nog steeds het liefst lezend door, in volkomen isolement. Natuurlijk wordt dat utopia fel verstoord. Brouwers moet op zijn eenzame perceel handtekeningenjagers gedogen, opdringerige journalisten, jonge bewonderaars (óók schrijvers) die het bezoekje aan hun idool prompt te boek stellen, en voddenmannen die een partij afgestoten boeken ogenschijnlijk als oud papier komen ophalen maar die daarna snel te gelde maken in het eerste het beste antiquariaat.

Er kan geen essaybundel van Brouwers voorbijgaan zonder dat hij een oponthoud maakt aan de rand van een of ander schrijversgraf. In dit boekje reist hij af naar de "doodsdoos" van Lodewijk van Deyssel.

"We staan voor grafsteen VV/61. In de langwerpige steen zit een barst van links boven schuins neerwaarts verlopend naar rechts, - door de natuur zo geregeld dat hij de opschriften als met een nijdige kras doorstreept."

Ik vraag u: wie in de verenigde Nederlanden kan zoiets op deze manier opschrijven?

Wat verderop probeert Brouwers terloops het misverstand op te helderen als zou hij autobiografische geschriften afscheiden. In de enge zin van: vol biografische feitelijkheden. Brouwers nuanceert:

"Wat er autobiografisch aan is, is de manier van denken, verwoorden, ordenen, chaossen bestrijden, vormgeven."

Het blijft niet bij dagboekbladachtig gemijmer alleen. In Feuilletons worden er twee goed gedocumenteerde essays gewijd aan Willem Elsschot. Eentje waarin hij de biografie van Jean Surmont met de grond gelijk maakt -

"Willem Elsschot. Tussen droom en daad had ook de ondertitel ‘Tussen lulkoek en larie’ kunnen meekrijgen"

- en een stuk over een vermeend politiek incorrect gedicht van Elsschot. Ik onthoud daaruit vooral de sublieme metafoor waarmee Brouwers de verhouding illustreert tussen de mens Alfons De Ridder en de schrijver Willem Elsschot:

"‘A. De Ridder’: de fitting waar de gloeilamp Elsschot in zat vastgedraaid."

'De filosoof spreekt' is dan weer zo'n klassieke afrekening met een door Brouwers geminachte auteur. Dit keer is het de beurt aan Rudy Kousbroek, die in juni 1994 van de rijksuniversiteit Groningen een eredoctoraat in de wijsbegeerte ontving.

"Op grond waarvan, is mogelijk alleen bij ingewijden bekend. Kousbroek is een feuilletonist die wel eens commentaren schrijft over wat filosofen bedenken, terwijl hij zelf niks bedenkt – te vergelijken met een literatuurrecensent die zelf geen roman op papier krijgt. Op die manier zou aan iedereen die wel eens godverdomme heeft gezegd een eredoctoraat in de theologie kunnen worden toegekend."

Ik was blij met de korte beschouwing over de Uruguayaanse auteur Horacio Quiroga. In het Nederlands is er amper een bundeltje van hem vertaald, Verhalen van liefde, waanzin en dood, hoop en al 10 proeven van 's mans kunnen, uit een oeuvre van - zo lees ik bij Brouwers - 200 verhalen. Een prachtige boekje dat ik lang geleden las, en nu opnieuw in een openbaar bibliotheekmagazijn ligt te beschimmelen.

Brouwers sluit de eerste aflevering van zijn feuilleton af met een stuk over de hypocrisie van de rabiate tabakshaat in de VS en koppelt daaraan een aardig overzicht van de Nederlandstalige fumo-literatuur.

Een deeltje uit de reeks Feuilletons blijft de ideale introductie tot zowat alle aspecten van Brouwers' non-fictie-oeuvre.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://en.wikipedia.org/wiki/Horacio_Quiroga

Jeroen Brouwers, Feuilletons : proefnummer zomer 1996
114 p.
Uitgeverij Noli me tangere en Uitgeverij Atlas, 1996
____ brouwerskey

vrijdag 27 april 2007

Tim Krabbé over Haruki Murakami

Heden ten dage loopt iedereen warm voor de Japanse cultschrijver Haruki Murakami, zeker nu Atlas de Nederlandse vertaling heeft uitgebracht van zijn doorbraakroman Norwegian Wood. Ik heb ook al wat Murakami's achter de kiezen, maar heb nog lang niet de staat van verlichting bereikt van een Tim Krabbé.

In februari deed deze in 'De wereld draait door' onder het goedkeurend oog van Matthijs van Nieuwkerk verslag van zijn obsessie met Murakami, van wie hij alle boeken op zijn minst twee keer gelezen heeft. Het werd een gloedvol pleidooi voor diens licht surrealistische oeuvre. Krabbé vertelt ook over de marathonloper Murakami: de schrijver doet al jaren aan duurtelopen, om uithoudingsvermogen op te doen voor zijn schrijverschap. Wat Krabbé aanhaalt over verfilmingen - dat Murakami deze pertinent weigert - klopt niet. Niettemin: mooie televisie.

In de loop van volgende week komt hier een besprekinkje van Murakami's After Dark.

Dutch successful author Tim Krabbé (you might know him, he wrote the screenplay for The Vanishing aka The Golden Egg) recommends Japanese cultwriter Haruki Murakami's novels. He is interviewed by Matthijs van Nieuwkerk in Dutch talkshow "De wereld draait door" (february 2007).

[ beeld + geluid; duur: 9'22'' ]



> bekijk dit filmpje op YouTube zelf
____

Poëzie op internet

"Je moet als eerlijke surfer op zoek naar porno oppassen, want voor je het weet zit je op een poëziesite."

Ilja Leonard Pfeijffer in De Standaard (januari 2007) over de zondvloed aan ondermaatse hobbyistenpoëzie op internet.

____

donderdag 26 april 2007

Illegaal downloaden van muziek

"Illegaal downloaden van muziek is een beetje zoals masturberen in de jaren vijftig geweest moet zijn. Vrijwel iedereen doet het, daar kun je van uitgaan, maar je spreekt er niet openlijk over. Er hangt een zekere schaamte omheen. En daarom verzint de downloader met een verleden als platenkoper vaak zijn eigen excuses, om zijn gedrag enigszins te vergoelijken."

David Kleijwegt in Vrij Nederland

> lees het hele artikel
____

Ex libris - Anne Fadiman [3]

Anne Fadiman vertelt in Ex Libris kostelijk hoe zij en haar echtgenoot, óók boekenminnaar, na ampel beraad de beslissing hebben genomen hun uitgebreide bibliotheken pas na vijf jaar huwelijksleven in elkaar te laten opgaan, en de dubbele exemplaren te elimineren. De organisatie van boekenkasten blijkt essentiële karakterverschillen tussen het echtpaar bloot te leggen. Fadiman gebruikt de klassieke metafoor van het Engelse en Franse tuinontwerp. De kwestie overlaten aan een binnenhuisarchitect is géén optie.

"Our reluctance to conjugate our Melvilles was also fueled by some essential differences in our characters. George is a lumper. I am a splitter. His books commingled democratically, united under the all-inclusive flag of Literature. Some were vertical, some horizontal, and some actually placed behind others. Mine were balkanized by nationality and subject matter. Like most people with a high tolerance for clutter, George maintains a basic trust in three-dimensional objects. If he wants something something, he believes it will present itself, and therefore it usually does. I, on the other land, believe that books, maps, scissors, and Scotch tape dispensers are all unreliable vagrants, like to take off for parts unknown unless strictly confined to quarters. My books, therefore, have always been rigidly regimented.
After five years of marriage and a child, George and I finally resolved that we were ready for the more profound intimicay of library consolidation. It was unclear, however, how we were to find a meeting point between his English-garden approach and my French-garden one. At least in the short run, I prevailed, on the theory that he could find his books if they were arranged like mine but I could never find mine if they were arranged like his. We agreed to sort by topic – History, Psychology, Nature, Travel, and so on. Literature would be subdivided by nationality. (If George found this plan excessively finicky, at least he granted that it was a damn sight better than the system some friends of ours had told us about. Some friends of theirs had rented their house for several months to an interior decorator. When they returned, they discovered that their entire library had been reorganized by color and size."

> meer Anne Fadiman op deze blog
____

Legenda

[13.12.7 - deze post is inmiddels achterhaald]

Nu deze blog eindelijk vorm begint te krijgen, is het tijd de Latijnse roepnamen van de rubrieken wat te verklaren ten behoeve van een groter publiek.

Audio et video
Beeld- en/of geluidsfragmenten. Embedded video's van Achille's stek op YouTube.

Biblioteca
Berichtgeving over de Biblioteca do Desassossego (oftewel de Bibliotheek der Rusteloosheid), de handbibliotheek van Achille van den Branden. De naam is gebaseerd op Pessoa's Boek der rusteloosheid. Hieronder vallen tevens besprekingen van publicaties uit deze librije.

Conjuctiones
Links.

Curricula
In deze rubriek worden ondergesneeuwde schrijvers uitgegraven en middels een korte bio en de nodige links aan de lezer voorgesteld. Of nog: Achille plaatst de volgspot op telkens een andere gemummificeerde literator uit de tombes van Wikipedia.

Desiderata
In de rubriek Desiderata noteert Achille alle titels die hij in de beste van alle werelden meteen zou aanschaffen voor zijn Biblioteca do Desassossego. Veel te vaak echter blijft het, getemperd door financiële nooddruft, bij titelgenieten en zeer platonische bibliofiele wensdromen.

Diarium
Voorheen heette deze rubriek 'Journal littéraire', maar die protserige naam heb ik maar weggelaten, uit respect voor de ware meesters van dit genre. Diarium bevat alle dagboekaantekeningen die ik maak, en die gaan vooral over literatuur.

Marginalia
Marginalia is de term voor de notities, krabbels, schetsjes en commentaren die lezers maken in de rand (marge) van hun boeken. Ik gebruik deze rubriek om passages te lichten uit gelezen teksten waar ik toch geen volledige bespreking aan wens te wijden. Een rubriek met losse citaten, dus.

Media
Notities over zaken die me opvallen in de (literaire) media.

Memoria
Dagboekaantekeningen waarin ik herinneringen ophaal.

Meta
De Biblioteca do Desassossego bevat een paar plankjes vol books on books. Wanneer boekhandels, antiquariaten en hun klanten het hebben over books on books, bedoelen ze daarmee een gek soort meta-literatuur. Books on books hebben het boek zelf tot onderwerp, de liefde voor het boek, en - vanzelfsprekend - ook de liefhebbers van boeken. In de rubriek Meta breng ik verslag uit van mijn ervaringen bij het lezen van deze deelcollectie.

Miscellanea
Onderwerpen die niet echt bij een andere rubriek thuishoren.

Opinio
Besprekinkjes van gelezen boeken. Daarbij valt het accent op de persoonlijke leeservaring, eerder dan op de doorwrochte literatuurrecensie. Ik houd eraan meestal boeken te bespreken waarover nauwelijks iets te vinden is op het internet.

Situs
Technische kanttekeningen bij de blog zelf.

Vocabularium
Tijdens mijn lectuur leg ik steevast een lijstje aan van opmerkelijke woorden, of
van woorden waarvan ik de betekenis niet ken. Een rubriek die nog beter uitgebouwd moet worden.

Wikipedia
Wikipedia is - alle Britannica's van deze wereld ten spijt - mijn bron nummer één als het op korte, zakelijke informatie aankomt. Foutenmarges neem ik er graag bij.
____

Georg Heym

In de rubriek Curricula plaatst Achille de volgspot op telkens een andere gemummificeerde literator uit de tombes van Wikipedia.

"Georg Theodor Franz Artur Heym (1887-1912) kam als Sohn des Staats- und Militäranwalts Hermann Heym und dessen Frau Jenny, einer geborenen Taistrzik, zur Welt. Am 16. Januar 1912 verunglückte er tödlich beim Schlittschuhlaufen auf der Havel, als er einem Freund Ernst Balcke das Leben retten wollte. Trotz seines kurzen Lebens gilt Heym heute als einer der bedeutendsten Lyriker deutscher Sprache und Wegbereiter des literarischen Expressionismus."

> http://de.wikipedia.org/wiki/Georg_Heym
____

woensdag 25 april 2007

Ik ben er voor niemand - Ingmar Heytze

Menno Wigman heeft Ingmar Heytze ooit de beste dichter van zijn generatie genoemd. Door anderen wordt hij verguisd, omdat hij soms op een podium kruipt. Wat ik weet is dat Heytze zeer aangename, sympathieke gedichten schrijft die voor een groot publiek te verteren zijn, zonder daarom al te veel complexiteit te moeten opgeven. Dat hij daarbij nog genoeg afstand neemt en de discipline opbrengt om zijn poëzie vormtechnisch goed strak te houden, maakt hem tot een waardevolle figuur. Al geloof ik niet in beste dichters.

Ik wist niet dat hij zich ook al aan proza had gewaagd. Dit boek is een leestip van een kritische lezer. De bundel frisse observaties, feeërieke dagboeknotities en absurde kronkels deed me denken aan Toon Tellegen, of misschien nog meer aan de prozaminiaturen van Charlotte Mutsaers.

Ze halen ook dat niveau.

Heytze weet meer te halen uit een alledaagse waarneming door de bijbehorende gedachten een kwartslag te draaien.

"Hoe het komt weet ik niet, maar mensen op straat kijken nooit naar de eerste verdieping. Ze kijken voor zich uit of vijf verdiepingen hoog, maar ze kijken nooit naar wat zich een paar meter boven hun hoofd bevindt. Ik zou hier naakt voor het raam kunnen staan en niemand zou me opmerken. Dat doe ik trouwens wel eens, en op de een of andere manier kijkt er uitgerekend dan juist wél iemand omhoog. Terwijl ik nooit iemand naakt over straat zie lopen. Dat zal wel uitsluitend gebeuren op momenten dat ik net even niet kijk."

Rode draad in het boek is een liefdesverhouding met complicaties. (Bestaan er liefdesverhoudingen zonder complicaties?) En er komen ook een kabouter, een eenhoorn en een fiets genaamd Gazelle aan te pas. Dat klinkt zeer melig, en toch is het prettig geabonneerd te zijn op Heytzes fabeltjeskrant. De losvaste fragmenten die Heytze noteert zijn kinderlijk speels en caleidoscopisch als de ziel zelf.

"Jonge varens die zich nog moeten uitrollen staan altijd in vergadering bijeen, alsof ze op gedempte toon een oud geheim aan het bespreken zijn. Maar waar ze het nu al sinds varenheugenis over hebben, dat weet niemand."

"Ik voel me nooit jarig op mijn verjaardag. Ik voel me nooit vredig met kerst. Ik kan geen mensen herdenken tijdens twee minuten stilte. Kan iemand daar knoppen voor op mijn ziel monteren?"

"Soms denk je dat iemand eerder langskomt dan afgesproken – dan zit je op je paasbest klaar in een volledig opgeruimd en gereinigd vertrek, en er wordt maar niet aangebeld. Na een halfuur weet je zeker dat je een uur te vroeg bent begonnen met klaarzitten. Als de visite op de
afgesproken tijd arriveert, is je paasbest allang weer voorbij: ‘Wat zie jíj eruit! Asgrauw… Waarom kijk je zo dof? Wat is er gebeurd? Die lúcht hier, al die grote, groene bromvliegen in de hal… Je vloerkleed is helemaal aan reepjes! Wat zónde… En al dat roet op de muren… Is er
iets ontploft? Waarom zit je met die gebaksvorm in je arm te prikken?’"


Soms slaagt de auteur er al in een poëtische vonk te doen overslaan, enkel door twee zinnetjes tegen elkaar aan te wrijven.

"Iedereen zit in een fase. Behalve mijn oom Herman, die zit in een urn."

"Kijken naar de televisie is kijken naar de hemel; oud licht, afkomstig van stervende en dode sterren."

"‘Wat wenst u?’
‘Het ongebruikelijke, graag.’"

Die laatste dialoog lijkt programmatisch. Heytze heeft alles het liefst "op zijn elfendertigst". Misschien is dit mijn favoriete stukje:

"Seks? Ik zou niet meer weten hoe! Veel te lang gelden. Wacht, ik kom er wel weer op. Eerst het bestek tellen, als ik mij niet vergis. Ja toch? Dan de snavel invetten. Jawel, het komt allemaal langzaam terug. De knop op ‘wol’ zetten en het gas een halve slag open. Eerst goed in alle spiegels kijken. Op de zevende tel voorzichtig bijspannen – pas op voor de giek – en het berichtvenster activeren. Knop SI drie seconden ingedrukt houden. Ben ik een beetje op de goede weg?"

Het soortelijk gewicht van Ik ben er voor niemand is onhollands hoog. Een dun boekje dat noopt tot herlezen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Ingmar Heytze, Ik ben er voor niemand
115 p.
Uitgeverij Podium, 2003
____

dinsdag 24 april 2007

Lof der schaduw - Junichiro Tanizaki

Ik lees weinig Japanse en Chinese schrijvers. Dat komt omdat ik geen voeling heb met hun minimalisme, vooral niet als die gemengd is met natuurmystiek. Ik verfoei haiku's. Als ik het goed heb is Dagboek van een oude dwaas bijvoorbeeld van de bekendste titels van Tanizaki. Een roman over de verhouding tussen een oude, door seksuele obsessies beheerste man en zijn schoondochter. De roman viel me een paar jaar geleden tegen, wellicht omdat ik buitensporige verwachtingen had.

In het nawoord bij dit boekje lees ik nochtans dat Junichiro Tanizaki beschouwd wordt als de grootste Japanse auteur van de twintigste eeuw. Een schrijver die onder invloed van Wilde, Poe en Baudelaire de vaandeldrager werd van het estheticisme, terwijl de contemporaine literatuur van zijn land nog sterk onder invloed stond van het Franse naturalisme.

Lof der schaduw bevat een ontwerp van een Japanse esthetica, een beschrijving van het Japanse schoonheidsideaal. Met andere woorden: het minimalisme. Ik maakte daar al eerder kennis mee in Rituelen van Cees Nooteboom. Tanizaki zelf vat dat ideaal als volgt samen:

Wij vinden schoonheid niet in de dingen zelf, maar in de schaduwpatronen, in het licht en het donker, dat het ene ding bij het andere veroorzaakt.
Het is een zeer fijn vertoog geworden, opvallend modern en toegankelijk geschreven. Tanizaki toont zich een aangename pleitbezorger die zich niet verliest in esoterisch gezwam.

De auteur extrapoleert bovenstaand grondbeginsel naar andere Japanse cultuuruitingen: de traditionele binnenhuisverwarming, het Japanse poppenspel, de kabuki -en no-kostuums, de Japanse muziek.
En als wij de grammofoon en de radio hadden uitgevonden, hoeveel preciezer zouden zij het speciale karakter van onze stemmen en onze muziek niet hebben gereproduceerd! Japanse muziek is er vooral een van terughoudendheid, van atmosfeer.
Zonder iets te willen opdringen scherpt Tanizaki's traktaat de tastzin aan.
Ik ken bijna geen groter plezier dan een gelakte soepkom in mijn handen te houden en op mijn handpalmen het gewicht en de milde warmte van de vloeistof te voelen. Men krijgt het gevoel een mollige pasgeboren baby vast te houden.
Terughoudendheid, atmosfeer en nuance zijn esthetische kwaliteiten in Japan. Daarom houdt men er niet van voorwerpen op te wrijven tot ze glimmen, en aldus hun karakter en ancienniteit verliezen.
Wij hebben niet echt een hekel aan alles wat glans heeft, maar we geven wel de voorkeur aan een zwaarmoedige pracht boven een oppervlakkige schittering en, bij een bewerkte of onbewerkte steen, aan een doffe glans die getuigt van vroegere luister.

[...]

Zowel in het Chinees als in het Japans beschrijven de woorden die deze gloed aanduiden een patina dat ontstaat doordat de voorwerpen telkens opnieuw worden aangeraakt.
Dat Japanners zweren bij schaduwvarianten heeft (lees: had toen nog) zijn weerslag op hun gebruik van electriciteit. Kritiek aan het adres van het Westen is daarbij niet van de lucht.
Wij berusten erin alsof het iets onvermijdelijks is. Als licht schaars is, dan is licht schaars; wij zullen ons onderdompelen in het donker en daar de bijzondere schoonheid van ontdekken. Maar de progressieve westerling is er altijd opuit om zijn lot te verbeteren.
Lof der schaduw is een prachtig, sober, melancholiek betoog van een schrijver uit een land dat op de drempel van de industriële moderniteit stond, en dat op een verstandige manier betreurde.
Ondanks de klachten die we misschien hebben, heeft Japan ervoor gekozen de kant van het Westen op te gaan. Er zit niets anders op dan dapper voorwaarts te gaan en de ouden van dagen achter te laten. Maar zolang onze huidkleur blijft zoals ze is, zullen wij erin moeten berusten dat wij onherstelbare verliezen hebben geleden.
Ik ga nog boeken van Tanizaki lezen. Hier spreekt voorzichtig een bekeerling.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Junichiro Tanizaki, Lof der schaduw
77 p.
Uitgeverij Meulenhoff, 1994
Oorspr. In’ei raisan (1933)
____

maandag 23 april 2007

De kwestie Heine - Marcel Reich-Ranicki

Ik ben alleen goed vertrouwd met de poëzie van Heinrich Heine, in de vertaling van Seth Gaaikema. Verder las ik ook al Het matrassengraf, de kroniek van Heines laatste levensjaren, voornamelijk omdat dat boek zo mooi was uitgegeven. Een ontdekking van de eerste orde was dat, niet van Heine, maar van de essaykunst van Martin Van Amerongen.

Die lectuur dateert al van jaren geleden, dus leek het me goed mijn kennis over Heine op te frissen aan de hand van dit boekje, een verzameling beschouwingen over de beroemde dichter uit Düsseldorf van Marcel Reich-Ranicki. Een essaybundel die merkwaardig genoeg dezelfde voorplaat toebedeeld kreeg als deze van Van Amerongen.

Heines succes in het buitenland is in hoge mate te danken aan het feit dat hij gemakkelijk te vertalen is, schrijft Reich-Ranicki. Ik keek op van het feit dat het Buch der Lieder geldt als het grootste succes van de Europese liefdeslyriek van de negentiende eeuw. Niet alleen bij lezers, ook bij componisten. Wie in de vorige eeuw toondichten kon, deed dat voornamelijk op teksten van Heine.

Wie in Duitsland over Heinrich Heine (1797-1856) schrijft, zegt Reich-Ranicki, schrijft nog altijd vóór of tegen hem. Nog steeds wordt zijn werk niet als kunst beschouwd. Gelukkig blijft het exposé van de criticus over hoe men door de jaren heeft getracht Heine op alle mogelijke wijzen te recupereren beperkt.

Onvermijdelijk in een boek over Heine is diens geworstel met zijn joodse identiteit. Ik herinnerde me nog wel dat Heine zich uit tactische, maatschappelijke en professionele overwegingen lid maakte van de protestantste kerk, een doopsbewijs dat volgens zijn beroemde formulering niets anders was dan ‘een toegangskaartje door de Europese cultuur’. Desondanks bleef hij een eeuwige outsider.

Ik heb die passages zo snel mogelijk doorgelezen. De joodse problematiek is mij zo wezensvreemd dat ze voorgoed buiten mijn begrip ligt. En Van Amerongen had het daar al uitvoerig over gehad, en zijn werk is spitser geschreven. Want dat viel me wel op, dat Marcel Reich-Ranicki, cultuurpaus zijnde, niet speciaal goed schrijft. Degelijk, maar zonder meer.

Het interessantst vond ik de aanvangsbladzijden van De kwestie Heine, waarin wordt aangetoond hoe Heinrich Heine moet beschouwd worden als de redder van de Duitse romantiek en de enige Duitse bijdrage aan de wereldliteratuur (volgens het concept van Goethe) van zijn tijd.

"Wat is het oudbakken lyrisme en lieflijk idyllische, het extatische dwepen met de natuur en het vreemd irrationele, het geëxalteerde en overdrevene, het dromerige en stemmige toch onnozel en bekrompen, enghartig en provinciaals."

schrijft Reich-Ranicki over de Duitse romantici voor Heine. Heine zal de romantische thema's mild ironiseren en er humor en wit aan toevoegen.

"De opvatting dat inspiratie en intelligentie elkaar uitsluiten, hield hij voor een dwaas en verachtelijk vooroordeel."

"Doordat Heine de romantiek als geen ander hervormde en moderniseerde, werd deze voor een volgende generatie gered en bewaard."

Reich-Ranicki betoogt daarna vurig dat - na Goethe - Heine de dichter is met de grootste rijkdom en thema's, motieven en melodieën, Rilke en Brecht ten spijt. In die hoedanigheid heeft hij talloze Duitse schrijvers na hem beïnvloed.

"Toch is de moderne Duitse maatschappijkritische, erotische, politieke, satirische en humoristische dichtkunst zonder hem niet meer denkbaar. Wilhelm Busch, Detlev von Liliencron en Arno Holz, Frank Wedekind en Christian Morgenstern, Joachim Ringelmatz, Klabund, Kurt Tucholsky, Erich Kästner en de grote lyricus Bertolt Brecht hebben allen veel aan hem te danken; of zij het beseften of niet, zij waren zijn leerlingen. Dat geldt ook voor niet weinig hedendaagse dichters als Erich Fried, Hans Magnus Enzensberger, Peter Rühmkorf en Wolf Biermann."

Heines impact blijft niet voorbehouden voor de dichtkunst alleen, hij was ook de grondlegger van de moderne verslaggeving en effende het pad voor figuren als Theodor Fontane, Joseph Roth, Egon Erwin Kisch en Wolfgang Koeppen.

Heine is tevens een pionier in het genre van het verhaal in vervolgafleveringen, in de krant. De Berlijnse en Weense feuilletonschrijvers zijn allemaal zijn erfgenamen: Kerr en Tucholsky, Polgar en Friedell, en vooral Karl Kraus.

Reich-Ranicki's stukken liggen soms tien jaar uit elkaar, zodat de aandachtige lezer kan toezien hoe Reich-Ranicki's opvattingen zich ontwikkelen, uitdijen, uitgediept worden.

Grappig weetje dat ik tenslotte uit dit boek wil blijven onthouden is de controverse Heine-Platen. August Graf von Platen had zich spottend over Heines besneden penis uitgelaten, en Heine veroorloofde zich toespelingen op de sluitspier van de homoseksuele Platen te maken.

Uit de literatuurlijst achteraan heb ik deze titels aangestipt, om ooit eens aan te schaffen:
Die romantische Schule – Heinrich Heine
Tagebücher und Reiseberichte – Franz Grillparzer
Auswahl aus dem Werk – Karl Kraus

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Marcel Reich-Ranicki, De kwestie Heine
128 p.
Uitgeverij De Prom, 1998
Oorspr. Der Fall Heine (1997)
____

zondag 22 april 2007

Een reis door Mugoland - Mugo en Jo Van Damme

Het leuke aan deze blog is dat ik hier ook iets kwijt kan over boeken die niet in aanmerking komen voor Prins van Denemarken. Omdat ik ze niet uitlees, omdat ik ze alleen maar doorblader (zoals de meeste kunstboeken), of omdat er niets uit te citeren valt. Want hoe citeer je in godsnaam uit een fotoboek? Op Prins komen alleen de boeken die ik van kaft tot kaft heb gelezen. Maar er gaan veel meer boeken door mijn handen.

Dit is een boek waarvan ik de opgenomen teksten wel heb gelezen, maar het vooral verdient om met het oog gesavoureerd te worden. Het biedt een inkijkje in de wondere wereld van de Belgische kunstenaar Mugo. Het boek komt in een blikken doos, waarop een van Mugo's eigen speelkaartontwerpen is aangebracht, "quadri op metaalkleur", prachtig uitgevoerd.

Mugo (echte naam Hugo Moeraert) blikt terug in korte biografische hoofdstukken op zijn leven en werk; hij spreekt ons toe bij monde van Jo Van Damme (vooral bekend van De Rechtvaardige Rechters), die de teksten schreef, gebaseerd op gesprekken met de kunstenaar. De retrospectieve werd verlucht met oude familiefoto's, teksten van kennissen en een prachtig gedicht van Hugo Claus over footballspelers.

Mugo is de neef van cartoonist Zak en werd geboren in een armtierige wijk in Gentbrugge, "waar de arbeidershuisje zo uit Liverpool lijken verplant." Al vroeg raakt hij onder de indruk van zijn Nonkel Edmond die in de Congo had rondgezworven, een enorme boekenverzameling bezat én contacten met de beruchte Arsène Goedertier, voor velen de man achter de kunstroof van... jawel: De Rechtvaardige Rechters.

Zijn fantasie wordt mede gevoed door de vruchtbare humus van de (pulp) fiction die in die jaren op de markt is: Karl May, Jules Verne, John Flanders, Willy Vandersteen, Edgar P. Jacobs en Marc Sleen. In zijn tekeningen en schilderijen evolueert Mugo echter snel richting Toulouse-Lautrec, Ensor en Rops. De nostalgie die hij in zijn kunst beoefent krijgt een ironisch-aristocratische toets. Niet voor niets behoort Oscar Wilde tot zijn favoriete schrijvers.

"Alles draait om atmosfeer. Ik liet ooit eens tweeduizend invitatiekaarten drukken, schreef er een maand lang met een vulpen tweeduizend namen en adressen op, en nam dan de boot naar Engeland om ze daar op de post te gooien. Enkele dagen later kregen 2000 Vlamingen een uitnodiging in de bus voor de tentoonstelling van mijn 'Londense tekeningen' in Wakken. Het was alsof ze een brief kregen uit de vorige eeuw, rechtstreeks uit een wereld waarin figuren als Oscar Wilde, Jean Ray en Honoré Daumier thuishoorden."

Mugo's jeugd zal krachtig doorwerken in zijn oeuvre: hij gaat oud speelgoed verzamelen, Dinky Toys, koekendozen, filmposters en maakt van zijn omgeving één gigantische kijkkast. Mugo wordt de hoogstpersoonlijke butler van dit rariteitenkabinet:

"Me wentelen in die illusie lukt me moeiteloos. Ik probeer altijd trouw te blijven aan de fantasie van mijn kindertijd."

In zijn plastische werk komen naast circusscènes veel jachttaferelen voor: Mugo had in zijn jeugd verkering met de dochter van de hovenier van textielbaron Braun in Heusden en vertoefde vaak op diens kasteeldomein. Erotiek is permanent aanwezig in de tekeningen. (In het boek beschrijft hij zijn eerste bordeelbezoek in Melle - of all places).

Hoe zit dat met die obsessies? Persoonlijke maecenas Jef Rademakers psychologiseert erop los in zijn voorwoord:

"De afwijking van Mugo: hij is inmiddels de vijftig gepasseerd en nog altijd niet in de puberteit. Er is nooit een breuk met zijn ouders gekomen, evenmin als met de rest van zijn verleden. (...) En wat geldt voor de familie, geldt ook voor de straat, de school, de Moscouwijk in Gentbrugge. Mugo is nog even zot van de septemberkermis als in de jaren vijftig. (...) Wat er voor een ander uitziet als een triestige arbeiderswijk is voor Mugo zijn sprookjesland: mooier dan Eurodisney. (...) Mugo's kindertijd is zijn enige houvast in het leven."

Rademakers verklaart het relatieve succes van de artiest op de volgende manier:

"De kunst van Mugo is dat hij eeuwig twaalf blijft. Dat is geen sinecure. Hij geeft de verworvenheden van de volwassenheid vrijwillig op: geen carrière, geen echtgenote, geen gezin. Wel speelgoedauto's verzamelen, tekenen van vroeg tot laat. Wel wandelen, maar nooit omdat hij ergens heen moet. (...) En daarom dwepen al die middelbare mannen zo met hem, en daarom kopen al die rijk geworden journalisten, politici, psychiaters, havenbaronnen en andere hoerenlopers zijn werk: omdat hij het opbrengt namens ons twaalf jaar te blijven."

Terug naar het boek. In Een reis door Mugoland laat de kunstenaar in een handvol amusante anekdotes zijn leven passeren - het leven van iemand voor wie het gezegde 'Twaalf stielen en dertien ongelukken' lijkt te zijn bedacht. Mugo was achtereenvolgens brouwershulpje, letterschilder-decorateur, fotograaf bij de BOB, aanwerver van dokwerkers in de Gentse haven en goochelaar. Deze laatste professie blijft hem aankleven: het speelkaartmotief komt frequent voor in zijn werk. Mugo vertelt ergens smakelijk hoe hij voor getruceerde speelkaarten het Kanaal over moest. Naar Londen.

Ondertussen neemt eeuwige plantrekker Mugo zijn kunstenaarsschap ernstig en maakt hij, Goethe achterna, zijn eigen Italienische Reise: in Firenze gaat hij de oude meesters bestuderen. Kort daarop zal hij die ballast terug weggooien en vertrouwen op zijn eigen instinct.

Vanaf de jaren tachtig exposeert Mugo zoetjes aan, vallen de puzzelstukken op zijn plaats en duikt hij van de weeromstuit het nachtleven in. Op een dag kotst hij een van zijn eigen aquarels onder. Hij kan het werkje herstellen en uitgerekend met dát werk wint hij de prijs van de Vlaamse Regering. Thema: pollutie. Kruidenier-multimiljonair Albert Heijn komt zelfs naar België om hem een tentoonstelling aan te bieden. Mugo herinnert zich in het boek dat hij deze weldoener wou uitnodigen voor een diner met gepaste chic - maar Heijn had zijn eigen thermos en boterhammetjes uit Nederland meegebracht.

Aan de kost komt de artiest ook nog een tijdje als taxichauffeur. Hij moet "de stad schoonvegen: alles wat de cafés en de bordelen uitrolt en nog min of meer rechtop loopt, in bed stoppen." Aan het eind van de jaren negentig wordt hij zelfs door VTM gerecupereerd als chauffeur in het programma Taxi. In het boek getuigt Jackie Dewaele hoe goed Mugo "passagiers kon lospraten".

1001 ambachten ten spijt is Mugo tot op heden vooral goochelaar gebleven. Of liever: illusionist. Illusies oproepen is zijn stiel, in zijn grafisch werk en in zijn installaties. Ook nu nog blijft Mugo koppig spulletjes verzamelen, alsof hij zijn eigen verleden wil terugkopen. Pathologisch verknocht aan zijn verzameling is hij echter niet. Verschillende keren verkocht de hongerkunstenaar een deeltje van zijn collectie om met de opbrengsten een jaar zorgeloos te kunnen leven. Tot dat spaargeld helemaal was weggesijpeld.

Ik ben niet speciaal verzot op het werk van Mugo, al zou het nostalgisch gezwelg me in theorie hevig moeten aanspreken. Ik begrijp het niet zo goed van mezelf. Het zal het tijdsvak zijn - de jaren zestig - waar ik niets mee heb. En ook de jaren vijftig zien er anders uit in mijn fantasie - ze verschillen sterk van het blikkerige speelgoedmuseum dat Mugo er van maakt. Mugo's Alice in Wonderland-achtig universum is jammergenoeg het mijne niet.

Toch is dit een bijzonder fraai boek. Ik ben onlangs in Brussel de galerie voorbijgewandeld waar Mugo op dat moment exposeerde. De vitrinekast oogde me te rommelig en dilettantistisch om het op een bezoekje te wagen. Een veredeld rommelmarktkraam. Maar netjes geïsoleerd op deze witte pagina's, met een toefje digitale schaduw, krijgen Mugo's objecten de glans en het aura die ze verdienen.

Hou ik van Mugo's kunst? Ik vind zijn tekeningen en suikeretsen (wat zijn in godsnaam suikeretsen?) best prettig getekend en mooi frivool met kleurpotlood ingekleurd. Vooral de reeksen olijke tafereeltjes in wit, rood en blauw - staties zijn het bijna - bevallen me. Maar Mugo's werk is me meestal te weinig dwingend. Ik heb het altijd moeilijk met kunst die in de variété blijft steken, hoe goed gedaan ook.

Als men in het boek gewaagt van de hoge dagelijkse productie van de kunstenaar, valt het me daarenboven tegen hoeveel Mugo zichzelf herhaalt.

De documentaire waarde van deze uitgave is ook te gering. De lezer moet het stellen met een korte biografie en achteraan een uitputtend overzicht van Mugo's aanwezigheid in de media van de afgelopen decennia: interviews, werk voor tijdschriften, tv-optredens in Zondag Josdag (godbetert!) en alle tentoonstellingen. Omdat Mugo's schetsboeken eruit zien als geïllumineerde dagboekbladen is het in dat verband dubbel spijtig dat het sierlijke schoolschrift waarin de artiest zijn grafiek soms van commentaar voorziet te klein is afgedrukt om prettig leesbaar te zijn.

Neen, een paar gedegen essays hadden niet misstaan en waren verlieslijker dan het sympathieke sierproza van persoonlijke kennissen van de kunstenaar. Als voorbeeld van dat laatste wil ik het volgende zinnetje lichten uit de (overigens prachtig exuberante) speech van Pjeroo Roobjee, integraal opgenomen in dit boek:

"Zulk een onvervangbaar oeuvre kan niet anders dan zalen met fraai noorderlicht krijgen in de Uffizi van ons hart, in de Albertina van onze droom en in de Hermitage van onze wankele, meervoudige doch blanke ziel."

Nou nou.

> meer tekenaars op Achille

Mugo en Jo Van Damme, Mugo : een reis door Mugoland
176 p.
Uitgeverij Oogachtend, 2004 tekeningenkey
____

zaterdag 21 april 2007

Contactgegevens

Wie liever niet online wil reageren, kan e-mails richten naar onderstaand (niet aanklikbaar) adres:



Raadpleeg eerst de sectie FAQ. Daar worden vragen beantwoord als:

Wie steekt er achter achillevandenbranden.blogspot.com?
Leest u deze boeken echt allemaal zelf?
Waar haalt u de tijd vandaan?
Waar haalt u het recht stellige oordelen te vellen?
Wat drijft u om dit allemaal online te zetten?
____

Céline intiem - Véronique Robert en Lucette Destouches

"Sinds de dood van Louis interesseert het leven me niet meer. Het is alsof ik met hem in een heldere, doorzichtige stroom zwom en zonder hem in vuil modderwater. We zijn allebei vijfentwintig jaar alleen geweest, met niemand anders. Hij beschermde me tegen alles en ik heb hem alles gegeven.
Sinds ik mijn leven wilde laten stilvallen als een horloge waarvoor ik niet meer de kracht bezat om het op te winden, heb ik me in iets gestort wat me verlamt.

Ik weet dat men zich voor mij interesseert omdat mijn leven ooit op dat van Céline is gestuit. Jammer genoeg zijn mijn herinneringen als blaadjes die uit een boeket verdorde bloemen vallen."

Zo begint Lucette Destouches haar herinneringen aan Louis-Ferdinand Céline, de omstreden Franse schrijver waar ze een kwart eeuw mee samenleefde. Na de dood van haar beroemde man kreeg Destouches tot vervelens toe journalisten over de vloer die allemaal bedelden om opheldering van het raadsel Céline. Uit die nood is dit boek ontstaan.

"Nu voel ik me net een kadaver in Afrika. Iedereen blijft maar aan me trekken om een stukje
vlees te pakken te krijgen, maar het beest leeft nog."


Lucette en Louis-Ferdinand hadden een opmerkelijke relatie. Het is een wonder van ironie dat de verfijnde Destouches, een balletlerares die hoog opliep met Pina Bausch, Isadora Duncan en Noerejev, het al die tijd uithield met de nurkse, zwijgzame Céline. Hij vond het vulgair en lomp om over gevoelens te praten. Dat was niet erg, zijn vrouw was dezelfde opvatting toegedaan. Zelfs over de talloze minaressen en avontuurtjes viel er zelden een onvertogen woord.

"Mijn definitie van liefde is heel christelijk: de ander geven wat hij wil, zelfs als dat jou
geen goed doet."


De kortademige hoofdstukjes van Céline intiem, die telkens worden voorafgegaan door een esthetiserend fragment uit de roman Feeërie voor een andere keer, volgen overwegend het verhuispatroon van de familie Céline: eerst Meudon, dan de gelukkige jaren in Montmartre, vervolgens Dieppe.

Dan nemen de zaken een beslissende keer. In 1932, op zijn achtendertigste debuteerde de schrijver met het meesterwerk Reis naar het einde van de nacht, vier jaar later gevolgd door Dood op krediet. Tijdens de tweede wereldoorlog publiceert Céline felle, van jodenhaat doortrokken artikelen. Na D-day verlaat hij daarom Parijs en trekt hij met aanhangers van maarschalk Pétain mee naar Duitsland. Daarna vlucht hij naar Kopenhagen.

Malraux zei ooit dat je om Céline te begrijpen Lucette Destouches moest benaderen, omdat zij de enige was met een instinctieve, bijna dierlijke kennis van de schrijver. Ik ben geneigd hem te geloven. Maar deze mémoires vallen te kort uit. Veel komen we bijvoorbeeld niet te weten over de periode in Denemarken, iets wat me had geïnteresseerd.

Destouches is wel goed geplaatst om een evenwichtiger beeld van Céline te schetsen - iets wat doorgaans wordt gehypothekeerd door diens dubieuze politieke opvattingen. Ook uit dit boek doemt het beeld op van de sterke vrouw achter een beroemd schrijver.

"Hij was een sentimentele fetisjist die alles bewaarde, zelfs de oude, kapotte steelpan van zijn
moeder. Hij heeft me vijfentwintig jaar gekost om hem te leren kennen."

"Hij was als een bloem waarvan ik voortdurend de stengel recht moest houden. Ik hield hem
volledig overeind."


Dit weinig opgesmukt portret, goed geredigeerd door vriendin Véronique Robert, is een noodzakelijke aanvulling op de bestaande Céline-literatuur. Al was het maar omdat Destouches heel nuchtere dingen zegt over de antisemitische pamfletten van haar man (zie fragment op PvD).

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> Céline-kenner E. Kummer over dit boek (Vpro)
> Didi de Paris over Céline

Véronique Robert en Lucette Destouches, Céline intiem
150 p.
Uitgeverij Voltaire, 2001
Oorspr. Céline secret (2001)

____

vrijdag 20 april 2007

Percies! : 31 eigentijdse conversaties - Jan Kuitenbrouwer

Tien jaar geleden was Turbo-taal van Jan Kuitenbrouwer een openbaring. Ik weet nog goed waar ik dat boekje las: in de tuin, op een lelijke plastic tuinstoel. Regelmatig schrokken de huisgenoten op van mijn gelach. Luidop lachen bij het lezen van boeken overkomt me namelijk zelden.

Intussen is er wel wat veranderd. Mijn spotlust wordt nog steeds aangewakkerd door typerend taalgebruik tussen mensen die elkaar daarin kruisbestuiven, omdat ze behoren tot hetzelfde sociologische groepje. Ik zal dan ook niet rusten voor ik elke titel van Kuitenbrouwer gelezen heb. Maar de algehele bewondering voor de manier waarop Kuitenbrouwer die vocabulaires met gespitste oren indexeert, steekkaarten in de aanslag, is weg.

Dat komt deels doordat Goedele Liekens - die nog een radioprogramma met 'm had, geloof ik - eens in een interview liet vallen wat een lastige man Kuitenbrouwer is om mee te werken. Wat een groot ego. Ik kan me daar wel iets bij voorstellen.

Percies! bevat 31 fictieve dialogen van 4 pagina's elk die verschenen in Intermagazine tussen 1985 en 1988. Het boek begint op z’n Hollands. Twee mannen maken zich vrolijk over de poverheid van de nouvelle cuisine – “de keutelkeuken”. Er volgen nog wel wat burgelijke clichés: beroofd worden op vakantie, designsnobisme, de eindeloze discussie wat is in, wat uit.

Interessanter wordt het wanneer Kuitenbrouwer de holheid van een bepaald jargon blootlegt. Het kwaak-maar-raak taaltje van de moderne kunstbranche bijvoorbeeld, waarin alles “ontregelend” en “vervreemdend” is, de workshopmanie (“De Taal Van Het Lichaam In De Offshoreindustrie”, “Winst, een non-profit benadering”), of de curieuze gewoonte van televisiedocumentairemakers om geinterviewde specialisten onderaan in beeld archetypisch te benoemen: "De ethicus", "De dokter". Dat laatste is een onderwerp dat ook in Turbo-taal aan bod kwam.

Voorts zijn er leuke stukjes over het kiezen van exotische voornamen, over intellectuele cafénamen ("Eetcafé Gulag Archipel"), overspannen Angelsaksische titulatuur in cv's, peptalk en Wichtigmacherei op kantoor en columnisten die “een kwart pagina volmotregenen”. En het woord "belang-arm" zou inderdaad dringend tot de Nederlandse taalschat mogen behoren.

Éen keer voelde ik me persoonlijk aangesproken:

"We hangen met z’n allen vierentwintig uur per dag aan het info-infuus en dronken van data klapwieken we rond."

In de giftigheid waarmee hij in zichzelf gekeerde milieutjes en hun bijbehorende modes op de korrel neemt is Kuitenbrouwer verwant met Youp van ’t Hek. De compilatie over het soort mannen die kicken op volkomen doorgedraaid technisch jargon, is heerlijk, en kan zo in een cabaretje.

"‘De nieuwe Vink-Lisse-catalogus, Hoogstraten!’
‘Wat? Laat zien! Oooooohhh, die gaan we snel bekijken, Nederveen.’
‘Dat dacht ik ook, Hoogstraten, schuif op. Tádàààààààm! Daar gaat ‘ie. ‘ns Kijken…’
‘Zo, dát is een interessante stortgoedhefkipper…’
‘Jaaaaaaaaa… Gunstige zwaartepuntverplaatsing, zo te zien…’
‘Goed werkoverzicht ook, met die kleine voorstandmaten.’
‘Even kijken wat ‘ie nog meer heeft. Traploze hellingshoekverstelling en plaatstalen kipbak met gefelste rand. Fantastisch ding, Hoogstraten.’
‘Bestellen?’
‘Kruisje d’r bij. Kunnen we straks nog zien.’
‘Ho! Hefschamels. Ben benieuwd. Ik zoek al zo lang een beetje betaalbare hefschamel met
kogelpen, drukveer en ringmanchet…’"


Kuitenbrouwer bezit het talent om levendige conversaties te componeren, al is hij niet altijd goed in vorm. De helft van deze bundel kan weg, wegens te gratuit.

Zoals ik al zei: de bewondering is over. De vraag die ik me in de loop der jaren heb leren stellen bij dit type professionele sarcasten is heel simpel: wat zetten die daar tegenover? Welk een heldere, goeddoordachte, essentiële, onmodieuze tekst over een relevant onderwerp is er al ontsproten aan de pen van Kuitenbrouwer?

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Jan Kuitenbrouwer, Percies! : 31 eigentijdse conversaties
126 p.
Uitgeverij Bert Bakker, 1989
____

donderdag 19 april 2007

Roger Caillois

In de rubriek Curricula plaatst Achille de volgspot op telkens een andere gemummificeerde literator uit de tombes van Wikipedia.

"Roger Caillois (March 3, 1913 – December 21, 1978), was a French intellectual whose idiosyncratic work brought together literary criticism, sociology, and philosophy by focusing on subjects as diverse as gems and the sacred. He was also instrumental in introducing Latin American authors to the French public."

Dit is weer zo'n geval waarbij de Engelse Wiki-pagina beter gestoffeerd is dan de Franse, terwijl je het omgekeerde zou verwachten.

> http://en.wikipedia.org/wiki/Roger_Caillois
____


Praeteritio

De praeteritio is de denkfiguur waarin je zegt dat je niet wilt praten over iets wat iedereen heel goed weet, en het tegelijkertijd toch maar lekker zegt.

"Van mij zal u niet horen dat ik hoofdpijn heb, dat mijn lijf van boven tot onder kraakt en stijf is, dat mijn darmen zich misdragen en dat ik geen hap door mijn keel krijg."
____

Trojan

Godverdegodver. Mijn gratis webtracker voert uppoppende smeerlapperij mee in zijn kielzog. Ik heb het scriptje onmiddellijk uit het template verwijderd. Een kwartier tijdverlies was het toch al, iedere avond, wanneer je moet laveren tussen alle exotische bezoekers die via de Blogger navbar op je blog zijn beland.


____

woensdag 18 april 2007

David van Reybrouck op Google Maps

Dirk van Eylen, drijvende kracht achter het weblog van De Brakke Hond, is op zoek gegaan naar de talrijke Brusselse locaties die in het boek Slagschaduw van David van Reybrouck opduiken en heeft ze kundig 'gemapt' en een aan welgekozen fragmenten gelinkt, met behulp van Google Maps.

> bron: De Papieren Man
> meer op Brakkehondblogt
> de kaart zelf op Google Maps
____

Red ons, Maria Montanelli - Herman Koch

Wat is het toch aartsmoeilijk onbevangen aan een boek te beginnen. Van Red ons, Maria Montanelli had ik nog nooit gehoord en ook Herman Koch was louter een naam. Het leek dus goed te gaan. Alleen las ik deze titel als Rainbow Pocket, en die hoedanigheid geeft onvermijdelijk iets aan over de populariteit van het boek. Rainbow Pockets staan voor vijf drukken of meer.

Ik begreep al snel waarom het zo gewild was. Ik kan het mishebben, maar het boek komt/kwam vast veel voor op de leeslijsten van Nederlandse scholieren. Als roman voor adolescenten kan-ie er inderdaad mee door.

Maar ik heb een hekel aan adolescentenromans. Altijd vol gemoraliseer en altijd net niet goed genoeg geschreven. Op bestelling geschreven lijkt het vaak. Dit boek was daarop geen uitzondering.

Een beetje beteuterd vernam ik dan ook van de flaptekst dat Koch deel uitmaakte van Jiskefet, de alom bewierookte satirische reeks op de Nederlandse televisie die ik steeds ben misgelopen. Tu quoque, Koch?

Red ons, Maria Montanelli is de sarcastische monoloog van een intelligente jongen die school loopt in het Montanelli lyceum. Hij woont in een rijke buurt en geeft af op het gedrag van de mensen in zijn buurt. Épater les bourgeois, quoi. De scènes op school zijn voorspelbaar: trauma's in de turnles ("de gymnastiekleraar was zo'n type dat altijd in een trainingspak rondliep, ook wanneer daar geen directe aanleiding voor was"), en sarcastische bedenkingen over het lerarenkorps.

"‘Persoonlijkheid en leraar, dat gaat nooit samen, dat zijn twee onverenigbare grootheden.’ Er zijn uitzonderingen op die regel, dat moet ik wel zeggen, maar het is net als met een komeet, jarenlang vliegt hij eenzaam en alleen door het onmetelijke heelal en eens in de tachtig jaar passeert hij de aarde, dan heb je het getroffen als je dat mee mag maken. Voor de rest zijn het allemaal middelmatige zakkenwassers die eigenlijk hogerop hadden gewild maar uiteindelijk tot aan hun nek in het drijfzand van het leraarschap zijn blijven steken."

Koch bootst doorheen het hele boek een Holden Caulfield-achtig pubertaaltje na, maar mankeert de scherpte en souplesse van Salinger. Soms, wanneer Koch niet te veel zijn best doet, leidt dat wel degelijk tot sobere, krachtige observaties.

"Ik weet niet wat het is met acteurs, maar ze lijken nooit op echte mensen, alleen op elkaar."

"Overal waar er te veel geld is en de mensen tijd te over hebben om eens lekker een flink eind weg te piekeren, valt er voor de psychiaters en de psychologen een vette oogst binnen te halen."

Maar wanneer het verhaal gaandeweg omslaat in het scenario van een weekendfilm - overspelige vader, moeder sterft aan kanker, gepeste zwakbegaafde jongen komt om - is de lol eraf.

Een paar uitlatingen in het boek deden me denken aan Praktisch verstand, het 'non-conformistische handboek' van Theo Kars dat ik aan het lezen ben.

"Als ik ergens binnenkom waar een groot gezelschap is, dan pik ik die paar types die voor mij voor de voeten zouden kunnen lopen er meteen tussenuit en snoer die dan met één of twee goedgerichte volzinnen de mond; zo ben je al snel het centrum van alle aandacht."

Grappig is de passage over het herkennen van vogels, iets wat me al eerder bezig hield.

"Midden in die zinderende distelwoestijn bleef hij plotseling doodstil staan, stak zijn vinger in de lucht en zei: ‘Hoor, dat is het grauwgebekte geelstaartje! Die is vroeg dit jaar. Vorig jaar juni had ik er nog geen een gehoord…’ Het bonte schreeuwkoetje, de gevlekte spekduiven, de klaaglijke roep van het lulmannetje, hij had ze allemaal uit zijn hoofd geleerd. ’s Nachts in bed droomde ik over de windbuks waarmee ik al zijn gevederde vrienden voor zijn ogen uit de lucht naar beneden zou schieten. Ik heb niets tegen vogels, maar ik hoef echt niet te weten hoe je ze bij hun naam moet noemen, en van planten zal het me helemaal een zorg zijn. Volgens mij zien die zogenaamde natuurliefhebbers gewoon nooit eens iets in zijn totaal, als een encyclopedie bladeren ze van de ene plant naar de andere, ze zien alleen de dingen vlak voor hun neus, ze zijn doodsbang om eens een keer helemaal tot aan de horizon te kijken."

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://en.wikipedia.org/wiki/Holden_Caulfield

Herman Koch, Red ons, Maria Montanelli
169 p.
Uitgeverij Muntinga, 1997 (Rainbow Pocket)
Oorspr. 1989

____

Truthdig

"The purpose of our new Web magazine is to provide you with insightful and accurate reporting on current subjects and on issues that need to be brought to your attention. We want to challenge conventional wisdom. Over time, we hope to build a solid and reliable resource for those of you who want to explore particular topics by drilling down to unusual depth."

> http://www.truthdig.com/
____

dinsdag 17 april 2007

De indices op PvD

Sinds kort leid ik een siamees bestaan op internet. Eerst was er Prins van Denemarken, nu deze blog. Ik heb Prins van Denemarken in juni 2006 opgestart om zicht te krijgen op mijn leesgedrag. Elke dag tik ik netjes een representatief fragment over uit een pas gelezen boek. Ik heb die nodig als geheugentrigger, om me jaren na dato nog een beetje voor de geest te kunnen halen waar het boek over ging, en of het iets was. Al jaren lang bewaar ik van elke afgehandelde titel zo'n bestandje met citaten, aantekeningen en halve bedenkingen, dus was het niet eens zoveel extra werk, elke dag opnieuw.

Prins van Denemarken is een persoonlijk commonplace book waar ik niet zoveel publieke belangstelling voor verwachte. Hoewel aardig om te lezen (zelfs als ze op zichzelf staan), zijn de fragmenten moeilijk te plaatsen wanneer de context van het boek ontbreekt. En omdat mijn leesgedrag zeer grillig is heeft Prins ook nauwelijks anthologiewaarde. Ik ben niet eens zo aardig om deftige bibliografische gegevens toe te voegen. Er zou geen hond op mijn blog afkomen, dacht ik.

Ik had het bij het rechte eind. Elke dag druppelen wel een paar mensen binnen, maar die maken zich snel uit de voeten wanneer blijkt dat Prins hen toch niet de gewenste informatie verschaft over survivalmessen of oud bloemetjesbehang. Al kunnen de meeste het niet laten en passant toch nog eens het label erotiek aan te klikken.

(Voilà, u doet het zelf ook, zie ik.)

Een beetje verbaasd was ik dus wanneer ik afgelopen week een vraag kreeg van een van de weinige fans van Prins. Hoe bekwam ik toch die aardige indexen van me?

Wel, daar komt zero computerwizardij aan te pas. Ik maak die allemaal handmatig aan. Ik heb vooraf een paar postjes en vul daar elke dag auteur en titel in aan. Eerst in de titel-index, daarna de auteurs-index en (via knippen en plakken) ook nog eens de jaar-index. Da's extra werk, omdat ik volledige controle wil over hoe zoekresultaten gepresenteerd worden. Typografisch, vooral. En natuurlijk ook omdat ik stomweg te lui ben om te verdiepen in de juiste programmeertalen en me liever niet ophoud in de bijbehorende internetfora. Life's too short.

Al kan het ook anders. Geautomatiseerd. Ach, een mens kan niet alles willen. De site Achille die op stapel staat (waarover ten gepaste tijde meer) is ook zo'n ambachtelijk werk van Heracles.

> http://en.wikipedia.org/wiki/Commonplace
____

Hoge troeven - Louis Couperus

Hij mag dan wel een household name zijn in de Hollandse canon, in Vlaanderen is Louis Couperus geen auteur van betekenis.

Ik bedoel daarmee dat ik hier niemand (geen kennissen, geen publieke personen) ken die hem voor zijn plezier leest, of voor wie het teruggrijpen naar Couperus’ oeuvre een automatische reflex is.

Couperus is met zijn Verzamelde werken een ongewone kolos in het overwegend lichtvoetig fonds van Uitgeverij 521.

Deze mooie nieuwe uitgave overhaalde me Couperus eindelijk te proberen. Hoe schrijft immers een Hollandse dandy? Hollandse dandy: een oxymoron dat ‘virtuele realiteit’ naar de kroon steekt.

Ik verbaasde me erover in welke extremen Couperus vervalt. Er is paginalange pompeuze descriptie à la

"In de roze morgenmist schemerde heel in de verte de blauwige silhouet der bergkammen van Epirus, en van het hoge punt der villa glooiden zacht naar omlaag de valleien der stoere olijven, heersers van het eiland."

waarbij de zinnen druipen van de goudlak, die wordt afgewisseld met al even lange redundante dialogen, zonder indirecte rede, alsof ze zo uit een script komen.

Ik weet niet of het typisch was voor zijn tijd, maar Couperus' taal staat ook bol van de eigenaardigheden.

1. omwille van het metrum creatief omspringen met tangconstructies

"De villa scheen verlaten, zich vierkant, breed uitbreidende met lange zuilengalerijen, waartussen beelden stonden en palmen."

2. royaal gebruik van gerundia

"Tussen een groep dames lag prins Edzard van Karlskrona languit, rokende een zeer lange sigaar, en ze allen hullende in een wolk."

3. merkwaardig gebruik van 'uit'

"Uit verveling, uit spleen wrong zij zich zuchtende over de divan."

4. het pleonasme

"Zij woorden goten een kilkoud bad over haar uit."

5. sierlijke inversies

"Te Paxos, ouder geworden, nadenkender, van meisje tot vrouw – had haar met grote weemoed getroffen de villa, blank en ruim, en verlaten, waar de koningin geen feest meer vierde."

Na Céline moet Couperus de auteur zijn die het kwistigst met de drie puntjes is omgesprongen.

Ik vind deze tics niet erg, geniet er zelfs van. Wie veel leest is blij bij elk afwijken van de norm.

Nog over taal: ik herinner me dat Peter Koelewijn ooit Will Tura berispte naar aanleiding van de songtitel 'Het kan niet zijn' (een kreet die we in Vlaanderen vaak slaken). Dat zou geen behoorlijk Nederlands zijn. Uitgerekend bij Couperus vind ik het zinnetje "het kan zijn" terug.

Maar waar gaat Hoge troeven over? De "intrigue" - het woord valt een paar keer - heeft weinig om het lijf.

De verstoten koningin Alexandra probeert koning Wladimir, haar zoon, duidelijk te maken dat liefde tussen hemzelf en een hofdame niet mogelijk is. Vervolgens ziet zij in dat juist deze relatie, die door anderen veracht zal worden, haar enige troef is. Wanneer keizer Othomar dit huwelijk zal vernemen, zal de koningin haar positie als heersers over Liparie heroveren.

Wat volgt is een aflevering van een antieke soap opera waarin het scenario geschreven lijkt door dezelfde auteur als The Bold and the Beautiful, Alexandre Dumas de dialogen voor zijn rekening heeft genomen en Proust voor de decors heeft getekend. Er hangt een zweem van anachronisme over het boek, maar ik heb onvoldoende bagage om er de vinger op te leggen.

Couperus heeft zich van achter zijn stijfdeftig schrijfbureau in Den Haag uitstekend geamuseerd.

Ik op de divan iets minder. Maar dat hoeft geen drama te zijn. Hoge troeven wordt niet tot de hoofdwerken van Couperus gerekend. Het zal evenwel nog een tijdje duren eer ik me waag aan Eline Vere of De boeken der kleine zielen.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://en.wikipedia.org/wiki/Walter_Crane

Louis Couperus, Hoge troeven
58 p.
Uitgeverij 521, 2006
Oorspr. 1896
opgenomen in Louis Couperus' grootste werken IV : De koningsromans, 2006
____

maandag 16 april 2007

Parijs-Roubaix 2007

Gisteren bij het kijken naar Parijs-Roubaix, wanneer Fabian Cancellara zich ook in de finale niet laat opmerken, laat mijn televisiepartner zich ontvallen: 'Toch een saai volk, die Zwitsers.'

Graham Greene zei het ooit zo:

"Onder de Borgia's kende Italië oorlog, terreur, moord en bloedvergieten. Maar hun tijd bracht ook Michelangelo, Leonardo da Vinci en de Renaissance voort. Waartoe hebben in Zwitserland vijfhonderd jaar broederliefde en democratie geleid: de uitvinding van de koekoeksklok!"

Bij het napluizen van het correcte citaat uit de verfilming (1949) van The Third Man ontdek ik dat het niet scenarist Greene was die het bedacht, maar Orson Welles.

Wanneer we tijdens de koers even overschakelen naar Nederland - Michel Wuyts gunt de kijkers nauwelijks een minuut rust - stellen we vast dat Mart Smeets ook nu geen ontsnapping van Tom Boonen onbenut laat om Wuyts' bon mot op te dissen, zij het op Hollandse wijze kaalgenivelleerd: "Tommetje, Tommetje, Tommetje...".

Mart, voor eens en voor altijd, het moet zijn:

"Tommeke, Tommeke, Tommeke, wat doe je nu?"

Inmiddels heb ik de Verzamelde verhalen van Greene al een tijdje klaarliggen, maar ik wacht op een goed moment om ze - geheel tegen mijn aard in - in alle rust te lezen. Ik vermoed dat ze een langzame, eerbiedige aanpak verdienen.

> http://nl.wikipedia.org/wiki/Fabian_Cancellara
> http://en.wikipedia.org/wiki/The_Third_Man
> Tommeke Tommeke Tommeke
____

Joe Roxy verzameld! [en] Ivanhoe - Hugo Matthysen

Ik schrok even toen ik las dat Hugo Matthysen al over de vijftig is. Matthysen draait al dertig jaar mee als zanger (eerst met de Bomen, later met de Clement Peerens Explosition), columnist, schrijver, programmamaker en acteur. Van huis uit is hij een gediplomeerd filosoof. Hij koos die studie destijds omdat aspirant-filosofen (ook toen al) het minst belastende studierooster hadden van alle richtingen.

Mathyssens columns in Humo lees ik nooit, hoogstens hier en daar een alinea om te controleren of de teneur nog dezelfde is, omdat ik hoop dat er ooit een mooi boek van gemaakt wordt. In het midden van de jaren negentig, toen Vlaanderen nog een handvol onafhankelijke uitgeverijen telde, verschenen op gezette tijden keuzes uit 's mans verzinsels. Om een of andere reden blijven die nu uit.

Joe Roxy verzameld! was zo'n boekje. Een hybride ding, mooi en toepasselijk vormgegeven door Toni Mulder. Het bevat enige gedichten die de fictieve Limburgse puberpoëet Joe Roxy voorlas in het radioprogramma Het Leugenpaleis, op Studio Brussel. (Waar ik ook al nooit naar luisterde.) Verder is het verhaal Ivanhoe opgenomen, waarvan eerder fragmenten verschenen in datzelfde Humo.

"Joe Roxy werd in 1961 geboren in Genk, als enig kind van een slagersechtpaar. Hij was een lelijke baby, maar zijn ouders hielden van hem als was hij hun eigen kind. Vermits dat laatste ook écht zo was zat het ten huize Roxy qua nestwarmte dus wel snor. Joe groeide als kool, weende weinig en sliep als een roos: hij was een modelbaby."

Aldus Matthysen, vooraan in het boek.

"Belachelijk en stom waren twee sleutelbegrippen in Joe’s leefwereld. Toen hij twaalf werd kreeg hij een prachtig dagboek cadeau. ’s Avonds voor het slapengaan schreef hij op de eerste bladzijde: ‘Lief dagboek. Alles is belachelijk of stom. Een dagboek is belachelijk én stom!’ Hij smeet het dagboek in een hoek en kroop onder de wol."

Roxy zal zich tot dichter/performer ontpoppen. Zijn bibliografie telt onder meer de (al even fictieve bundels) Buitenechtelijk bochtenwerk (1984) en Het Betere Bijten (1989). Tot jaren van wasdom gekomen evolueert Roxy’s wereldbeschouwing:

"Ik zat er glad naast toen ik alles belachelijk of stom vond,’ dacht Joe vaak, ‘het is
nog veel erger: alles is banaal en vervelend."


Joe Roxy beoefent voornamelijk het kwatrijn. Anders dan Drs. P. staat hem daarbij geen metrisch spierballengerol voor ogen, maar meligheid, opgewekt door licht absurdisme en de welgemikte dooddoener. Het onderstaande vers mag als exemplarisch gelden:

"Mijn woorden zijn magische krachten
Vol ijzeren kleiduifgevoel
Diegenen die daar ooit mee lachten
Verkocht ik een dreun op hun smoel!"

Ik moest er inderdaad herhaaldelijk om lachen, al gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen dat de helft van Roxy's materiaal na de eerste lectuur naar de prullenmand mag. Gelukkig staat in Joe Roxy verzameld! ook het klassieke 'Het meisje is een wonder':

"MIJN MEISJE IS EEN WONDER

Haar benen zijn pilaren
Waarop haar lichaam steunt
Als breiwol zijn haar haren
Als zij ze heeft geföhnd.
Haar oren zijn als treinen
Die sterven op het strand
Haar borsten zijn rozijnen
Dat vind ik niet plezant."

Toch las ik liever de novelle - nou ja - Ivanhoe, een estafette van 15 koddige, op niets uitdraaiende fabels rond Matthysens remake van de gelijknamige ridderfiguur. Een knap staaltje gestroomlijnde écriture automatique is het, copywriting gevoed door een collectief geheugen van Monty Python, graalromans en ondermaatse jongensboeken.

"Waarom moest God het o zo nuttige ijzererts per sé zo diep onder de grond stoppen? En wat was zijn bedoeling toen Hij de voorjaarsmoeheid schiep?"

Ivanhoe doet in de verte denken aan het proza dat Gummbah in zijn laatste cartoonbundels stopt.

> lees een fragment uit Ivanhoe op Prins van Denemarken
> het ABC van de liefde door Joe Roxy

Hugo Matthysen, Joe Roxy verzameld! [en] Ivanhoe
86 p.
Uitgeverij Dedalus, 1990

____

zondag 15 april 2007

Kreupele flapteksten [1]

"De direct aansprekende en ontwapenende kracht van de twee bundels Hanne Ton (1987) en De twijfelaar (1989) die Jo Govaerts reeds publiceerde, bewezen dat zij beschikt over een dichterlijk natuurtalent. Deze nieuwe bundel bevestigt haar unieke stem in de hedendaagse poëzie. Jo Govaerts (Leuven, 1972) beheerst hierin, meer nog dan tevoren, haar vorm en expressie."

flaptekst van:
Jo Govaerts, Waar je naar zit te kijken : gedichten
Uitgeverij Kritak, 1994

> meer kreupele flapteksten
____

zaterdag 14 april 2007

Pencils made from cremated humans

"Artist Nadine Jarvis can fabricate pencils from carbon left over by incinerating human remains."

> http://www.boingboing.net/2007/03/30/pencils_made_from_cr.html
____

Overwinterdagboek - Brigitte Raskin

Brigitte Raskin was een van de prominente figuren van de Vlaamse literatuur eind jaren tachtig, begin jaren negentig. Lees: als er een Vlaamse schrijfster op televisie diende te verschijnen, kwam Raskin daar altijd vlot voor in aanmerking. Ik herinner me uit die tijd vooral haar gruizige stem. De laatste jaren blijft het opvallend rustig rond Raskin, die grotendeels in beslag lijkt te zijn genomen door de bezorging van de volledige werken van Johan Anthierens.

Tot op heden heb ik geen letter van haar gelezen. Dit Overwinterdagboek leek me wel wat. Dun (maar met een verraderlijk kleine letter), en een dagboek, een genre dat me genegen is.

Het boek dateert uit Raskins beginperiode. Paul vanden Boeynants wordt ontvoerd. De EU heet nog EG. Computerende schrijvers kijken tegen groene schermen aan en saven hun schrijfsels op diskettes.

De hoofdpersoon Anne, een succesvol kinderboekenschrijfster, geeft in deze aantekeningen veel lucht aan haar literaire verzuchtingen. Het torment en de pijn van het schrijven, u weet wel. Er is een vrouw aan het woord, en dat sluit meteen uit dat het op een monomane manier alleen maar daarover gaat. (De uitzondering, Virginia Woolf, bevestigt de regel.)

Ook vijftien jaar geleden, voor het woord in voege kwam, moesten vrouwen immers al multitasken.

"Moederen, schrijven, huishouden, beredderen, een actieve buitenkant als alibi voor een passieve binnenkant, wachten, dromen, tellen, piekeren."

Familierumoer sijpelt onvermijdelijk binnen. Heelder binnenhuisdialogen passeren de revue. Zoontje en dochtertje komen in beeld. En dat houdt de schrijfster af van het schrijven.

"Levens van vrouwen zijn altijd zo versnipperd en dat is wel eens hetzelfde als verscheurd"

heet het ergens.

De ik-vorm is de rigeur in dagboeken. Raskin lijkt echter bewust de zij-vorm te hanteren. Dat staat chic en zorgt voor de nodige distantie. Het dagboek gaat ineens op een verhaal lijken; de dateringen kunnen zelfs weg. (In Het hart van de schorpioen wendt Paul Claes dezelfde techniek aan. Een laatste variant, de persoonsloze telegramstijl buiten beschouwing gelaten, is de jij-vorm - de schrijver spreekt zichzelf gebiedend toe - die Leonard Nolens dan weer met verve bezigt in zijn dagboeken.)

Deze ingreep ten spijt wordt Overwinterdagboek nooit een boeiend verhaal.

Je hebt twee soorten dagboekschrijvers. De boekhouders, die elke dag keurig hun notitie maken, en degenen die een dagboek gebruiken als resort in tijden van grotere emotionele stress. Overwinterdagboek pretendeert thuis te horen in categorie twee. Op reis naar Havana is Anne ontvlamd voor een druiventeler. Na een eerste ontmoeting beloven ze elkaar binnen drie maand terug te zien. Het dagboek helpt haar die periode te overbruggen.

Resultaat: Raskin koppelt allerlei amoureuze bespiegelingen aan het ambacht van de tafeldruiventeelt. Zo onnozel dit klinkt als ik het opschrijf, zo geforceerd doen ze aan in het boek.

Dit ondermaatse Overwinterdagboek bevat gelukkig een paar leuke leidmotiefjes. Een daarvan is het lied 'Groenendaal' van André Bialek. Ook mijn lievelingsnummer van de man, verre te verkiezen boven dat eeuwige 'La belle gigue'. Voorts zijn er de voortdurende preoccupaties met de actrice Machteld Ramoudt - die ik eigenlijk alleen kende als de wufte blondine uit Het Pleintje, en waarvan ik niet wist dat ze ooit op de planken stond in Pas de deux van Hugo Claus.

Slotsom? Overwinterdagboek lijkt van hieruit bekeken vooral de leegte overbrugd te moeten hebben tussen Raskins succesvolle debuut Het koekoeksjong en zijn opvolger. In de pers kreeg dit boek dan ook maar één positieve recensie, van Hans Warren. Dat vond ik vreemd, tot me te binnen schoot uit zijn laatste dagboeken dat Warren goed bevriend was met Raskin.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> fragment op dbnl.org

Brigitte Raskin, Overwinterdagboek
99 p.
Uitgeverij Kritak, 1990

____

Related Posts with Thumbnails