De weg naar Oxiana - Robert Byron
"Het begin van een reis naar Perzië heeft wat van een algebraïsche vergelijking: het kan uitkomen, of het kan niet uitkomen. Ik heb er gisteren de hele dag aan besteed, en we zijn vanochtend om zes uur vertrokken; maar de rest van de dag hebben we hier doorgebracht, wachtend op cavalerie en paarden."
In 1933 vertrok de kunsthistoricus Robert Byron, vooral een groot kenner van de Byzantijnse beschaving, voor een reis van bijna een jaar naar het toenmalige Perzië en Afghanistan. In het gezelschap van schrijver Christopher Sykes wou hij een speurtocht ondernemen naar de oorsprong van de islamitisch cultuur. Trigger? Een enkele foto, van een Seltsjoekse graftoren op de Turkmeense steppe, die hem op een dag had doen ontbranden van nieuwsgierigheid.
De hele islamitische architectuur heeft veel aan de plaatselijke traditie ontleend toen de islam Perzië eenmaal had veroverd, en Byron vond het interessant met eigen ogen te gaan bekijken hoe primitief die traditie begonnen was, voordat ze artistieke waarde kreeg.
Byron was een schoonheidslievende man van het kaliber John Ruskin, maar had een bloedhekel aan façade-architectuur. Hij trok zijn neus op voor overdadige versieringen. Wanneer de verhoudingen van een gebouw voor zich spreken zijn die helemaal niet nodig, vond hij.
In de ongebaande woestijnen, op vijfduizend kilometer afstand van Londen, kon hij zijn hart ophalen.
"(...) als schoonheid wordt gerealiseerd met een beitel en wat gips in plaats van met alle rijkdom van de wereld, dan is de schoonheid volledig gebaseerd op het ontwerp. Dit verwijdert eindelijk de nasmaak uit je mond van het Alhambra en de Taj Mahal, althans waar het om mohammedaanse kunst gaat. En om die smaak kwijt te raken was ik naar Perzië gekomen."
De weg naar Oxiana gaat echter evenzeer over de moeizame peristaltiek van het reizen, als over kunstschatten. De tocht verloopt dikwijls in barre omstandigheden, hotsend en botsend met vrachtauto's of paarden over eindeloze vlakten, dwars door koortsverwekkende streken, onder een verschroeiende zon of geplaagd door diarree, dysenterie en infecties.
"We waren verdwaald. Dat was heel vervelend in een land waar de persoonlijke veiligheid stopt met de avondklok."
Voornaamste reisbagage van het duo: ei, worst, kaas en -- ter verpozing -- de dagboeken van Boswell. Als het even meezit: whisky.
"Ik had al sinds die ochtend dorst gehad, en dronk nu een mengsel van witte modder, gesmolten sneeuw en olie, dat in een petroleumblik bewaard was voor de radiateur."
Byron beschrijft daarnaast uitgebreid het gedoe met visumaanvragen (in het boek staan een paar uiterst kruiperige aanbevelingsbrieven), invoerrechten en andere problemen met de plaatselijke autoriteiten. Douanebeambtes verwarren hem meer dan eens met lord Byron en ruiken belastbare obsceniteiten tussen 's mans notitieboeken.
Om van de ellende met ontoeschietelijke locals nog maar te zwijgen. Op elke nieuwe locatie zoekt de reisschrijver mede daarom contact met Perzische ambtenaren, het Britse consulaat, hoge omes van aldaar gevestigde Britse bedrijven, of desnoods het plaatselijke dorpshoofd.
In De weg naar Oxiana staan een paar vermakelijke conversaties met dit soort figuren van a tot z uitgeschreven, door Byron op vileine wijze geannoteerd met Italiaanse muziektermen, die de stemverheffingen aangeven.
Die keer bijvoorbeeld dat hij te maken krijgt met de afgunst en argwaan van de conservator van een archeologische site. Fotocopyright blijkt er ontzettend gevoelig te liggen.
Over de oudheidkundige sites en heiligdommen die hij en Sykes bezoeken bericht Byron vervolgens in overvloedige notities, ongelijk van lengte, maar steeds uiterst gedetailleerd en razend interessant. [Lees bijvoorbeeld dit fragment op PvD.]
Bruce Chatwin, die in 1962 quasi dezelfde tocht aflegde als zijn leermeester (een beetje zoals Joachim Fest de Italiaanse reis van Goethe overdeed) schrijft in zijn eerbiedige voorwoord bij dit boek dat Byron een meester is in het destilleren van een mentaliteitsgeschiedenis uit observaties van antieke restanten.
Voor wie niet vertrouwd is met de middeleeuwse geschiedenis van Centraal-Azië en qua Perzische heersers alleen de Achaemenidische koningen Darius en Xerxes kent, zoals ik, gaat er een wondere wereld open: Sassaniden, Seltsjoeken, Timoeriden, Safawiden en wat niet al. Condense bladzijden zijn dat, niet altijd even makkelijk doorwaadbaar voor de leek.
Gelukkig legt Robert Byron [foto] tussendoor in een lyrische, meticuleuze stijl rekenschap af van het hem omringende landschap. Zodat de lezer op adem kan komen. Dat gaat dan zo:
"Gumbad-i-Kabus (60m.), 24 april – Nadat we de weg naar Bandar Sjah een eindje terug waren gevolgd, sloegen we rechtsaf over een karrenspoor tussen hekken van gevlochten takken. Hoog riet versperde het uitzicht. Opeens, zoals een schip een riviermonding verlaat, kwamen we op de steppe: een oogverblindende zee van groen. Die kleur had ik nooit eerder gezien. In andere kleuren groen, smaragd, jade of malachiet, het zware, diepe groen van het Bengaalse oerwoud, het treurige, koele groen van Ierland, het saladegroen van wijngaarden in het Middellandse Zeegebied, het zware, verzadigde groen van Engelse zomerbeuken, zit altijd een of ander element van blauw of geel dat de andere tinten overheerst. Dit was de zuivere essentie van groen, onafbreekbaar, de kleur van het leven zelf. De zon was warm, de leeuweriken zongen hoog in de hemel. Achter ons rees het nevelige alpenblauw van de beboste Elboerz op. Voor ons strekte het glanzende groen zich uit tot aan de rand van de aarde."
Het mausoleum van Gumbad-i-Kabus zal Byron na inspectie uiteindelijk rekenen tot de vier mooiste gebouwen van de reis, naast de moskee van Gohar Shad, de moskee van Sjeik Lutfullah in Isfahan én de kleine koepelkamer in de Vrijdagmoskee, ook in Isfahan:
"Dit is het toppunt van architectuur, niet zozeer bereikt door de vorm van de elementen -- want dat is een kwestie van conventie -- maar door de ridderlijkheid van evenwicht en proportie."
Deze gebouwen bieden wat Byron betreft een rationeel tegengewicht voor de praatjes van het soort oriëntalisten en kunstamateurs die hij "de Omar Khayyám-brigade" noemt: zij die naar hartelust willen zwelgen in het onbeheerste lijnenspel van de oosterse ornamentiek en een vertekend beeld hebben van de Perzische cultuur.
Nadat hij de boeddha's van Bamyan links heeft gelaten (u weet wel, de reusachtige beelden die door de Taliban werden gedynamiteerd) --
"Geen van beiden hebben ze enige artistieke waarde, maar dat is nog overkomelijk; het is die ontkenning van zin, dat gebrek aan enige trots op hun monsterlijke, weke massa, dat je doet walgen. Zelfs het materiaal waaruit ze vervaardigd zijn, is niet mooi, want de klik bestaat niet uit natuursteen, maar uit samengeperst grind. Men heeft een stel monastieke grondwerkers houwelen in de hand gedrukt, waarmee ze een of ander monsterlijk half-hellenistisch beeld uit India of China moesten kopiëren. Het resultaat heeft niet eens de waardigheid van de arbeid."
-- bereikt Byron de stad Mazar-i-Sharif en zijn betoverende Blauwe Moskee. De Amu Darya-rivier ('Oxus' in het Grieks), het vooropgestelde einddoel van zijn reis, moet hij evenwel laten schieten, omdat deze natuurlijke grens met Rusland politiek te gevoelig ligt.
Om alles ten volle te begrijpen heb ik me dan ook wat moeten verdiepen in de geschiedenis van Perzië en het Britse buitenlandbeleid van de jaren dertig. Zo duurde het een eeuwigheid eer ik begreep dat 'Marjoribanks' de spottende bijnaam is waar Byron de Perzische sjah mee opzadelt.
Na een uitputtende tocht van tien maanden komen Byron, Sykes en de lezer opnieuw in Engeland aan. En ik herinner me eerlijk gezegd geen ander reisboek dat me eerder zo heeft kunnen ontroeren dan De weg naar Oxiana. Door zijn eruditie, zijn tomeloze honger naar kennis en ontdekkingen, zijn fijnbesnaardheid, alles.
"Onze honden kwamen aangerend. En toen mijn moeder -- aan wie ik, nu het voltooid is, het hele dagboek overhandig; wat ik gezien heb, heeft zij me geleerd te zien, en zij zal me vertellen of ik haar lessen eer heb aangedaan."
Robert Byron zou in 1941 de verdrinkingsdood sterven, toen een schip met hem aan boord op weg naar de Middellandse Zee werd getorpedeerd door een U-boot.
[afbeelding moskee: Herat, foto genomen door Byron]
> een overzicht van de bezochte locaties in de commentaren hieronder
> http://en.wikipedia.org/wiki/Greater_Iran
> http://en.wikipedia.org/wiki/Pahlavi_dynasty
Robert Byron, De weg naar Oxiana
320 p.
Uitgeverij Atlas, 2007
Oorspr. The road to Oxiana (1937)
Vertaald door Tinke Davids
____ persiakey

3 opmerkingen:
DEEL 1
Italië: Venetië
Cyprus: Kyrenia, Nikosia, Famagusta, Larnaka
Palestina: Jeruzalem
Syrië: Damascus, Beiroet
Irak: Bagdad
DEEL 2
Perzië: Kirmansjah, Teheran, Gulhek, Zinjan, Tabriz, Maragha, Tasr Kand, Saoma, Kala Julk, Ak Bulagh, Zinjan
DEEL 3
Perzië: Teheran, Ayn Varzan, Shahrud, Nishapur, Mesjhed
Afghanistan: Herat, Karokh, Kala Nao, Laman, Karokh, Heart
Perzië: Mesjhed, Teheran
DEEL 4
Perzië: Teheran, Kum, Delijan, Isfahan, Abadeh, Shiraz, Kavar, Firuzabad, Ibrahimabad, Shiraz, Kazerun, Persepolis, Yazd, Bahramabad, Kirman, Mahun, Sultaniya
DEEL 5
Perzië: Shahi, Asterabad, Gumbad-i-Kabus, Bandar Sjah, Samnan, Damghan, Abbasabad, Mesjhed, Kariz
Afganistan: Herat, Moghor, Bala Murghab, Maimena, Andkhoi, Mazar-i-Sharif, Kunduz, Khanabad, Bamian, Shibar, Charikar, Kaboel
India: Peshawar
Engeland: Savernake
Klinkt boeiend en ik hoor geen wanklank in en over de vertaling.
goed geschreven. ik heb een tijd geleden een boek gelezen van fitzroy maclean "vlucht in het avontuur" het 1e deel gaat over een reis door rusland tijdens de periode van de zuiveringen van 1936, maar het doel van de reis is ook de oxus. dit is misschien interessant omdat deze reis dus via de russische route door kazachstan etc. gaat. (het 2e deel gaat over zijn periode bij de sas in de oase steden (sic) van noord afrika (siwa en kufra. het 3e deel is hij brits gezant bij tito en zijn partizanen)
Een reactie plaatsen