vrijdag 9 november 2007

De nacht voor de scheiding - Sándor Márai

Een jammerlijk gebrek aan De reünie, een roman van Franz Werfel uit 1928, die ik een maand of twee geleden besprak, was het uitblijven van een echte confrontatie tussen de hoofdpersoon, een rechter van instructie, en een oude schoolkameraad die in zijn praktijk werd binnengeloodst. Zeven jaar na Werfel zou Sándor Márai tonen hoe dat beter kan, in De nacht voor de scheiding, eveneens een boek over een rechter en een beklaagde ten tijde van de Donaumonarchie.

Of beter, in het geval van de Hongaar: tijdens de onmiddellijke naweeën van de Donaumonarchie.

De atmosfeer was zwaar doortrokken van herfstige rottingslucht, de gistende geur van rottend blad en afgevallen ooft.
Kristóf Kőmives is een rechter die hecht aan de bescheiden en deftige middenstand waartoe hij behoort; hij beschouwt die als één grote familie -- voor hem is maatschappelijke orde een veilige schuilplaats. Kőmives heeft geen al te hoge dunk van de huidige beschaving (gesymboliseerd door het neurotische moderne stadsdeel Pest, aan de linkeroever van de Donau, waar geld niet langer een waardebepaler is, maar een verdovingsmiddel) en waardeert daarom de "censurerende werking van wetten en reglementen". Hij legt zichzelf als taak op via zijn rechtspraktijk de oude omgangsvormen te laten respecteren.
Alles was hem bekend hier in deze vertrouwde wereld: de toon, de discipline, de verhouding, tussen ondergeschikte en superieur, ja, zelfs de inrichting en atmosfeer van de rechtszalen, de zure papierlucht en de uitwaseming van mensenlichamen. Dit alles was hem vertrouwd als de arts de etherlucht in de operatiezalen, als de pastoor de wierooklucht in de kerk.
Met een zeker heimwee naar de vooroorlogse situatie woont hij temidden van het historische panorama van de oude stad Boeda, op de rechteroever. Het leven is een plicht, die men te vervullen heeft, is zijn overtuiging. Hij heeft er lak aan wanneer beklaagden zwakte van zenuwen of verzachtende omstandigheden inroepen te hunner verdediging. Geboren als afstammeling van een welgestelde ambtenarenfamilie van lage landadel, een deffect gezin waar werkelijke warmte ontbrak, werd hij moreel vooral beïnvloed door een ascetische monnik, die grote indruk op hem maakte tijdens zijn formatieve jaren.
Als er mensen voor hem stonden die ter verdediging ‘omstandigheden’ aanvoerden -- begeerten, hartstochten, verleiding door geld, bloed en vlees --, dan verscheen voor het geestesoog van de rechter de broze figuur van de pater, die enkel glimlacht en ‘zich niet verweerde’, die ergens in geloofde en niets bezat, die geen enkel ‘onweerstaanbaar’ verlangen had en toch kon glimlachen.
Kortom, rechter Kristóf Kőmives zou de aanblik geboden hebben van een soort Boedapester Savonarola, als hij niet zo schuchter was geweest. Deze Kőmives dus, is getrouwd met de dochter van een Oostenrijkse generaal. Met de mooie, evenwichtige, verfijnde, geanimeerde Hertha von Wiesmayer, op veel vlakken zijn tegenpool, onderhoudt hij voornamelijk een verstandsrelatie. Het huwelijk beschouwt Kőmives als een zedelijke vorm van samenleven tussen mensen met een verschillend geslacht. Een voorname plicht. Maar weinig dingen, overspel is er een van, rechtvaardigen dat een koppel zich eventueel "van elkaar bevrijdt."

Het kantelmoment van De nacht voor de scheiding, dat één etmaal beschrijft, valt precies in het midden, ergens in de late avond, wanneer de beklaagde die de volgende morgen zal gedagvaard worden, hem uit bed belt. Dan rollen we met zijn allen honderd pagina's lang de heuvel af.

Het betreft immers zijn oude schoolvriend Imre Greiner, zoon van een fabrieksarbeider en een Slowaakse dagloonster. Hij is getrouwd met een bemiddelde dame, een vrouw van de wereld. Het standsverschil en een daaruit voortspruitend inferioriteitscomplex zorgt ook in deze relatie voor frigiditeit. Terwijl Greiner openhartig de gruwelijke wijze opbiecht waarmee hij zich uit de impasse van zijn huwelijk heeft gered, legt hij tevens de zenuwen bloot van Kőmives' overeenkomstige falen van zijn huwelijk een geslaagde synthese te maken.

Sándor Márai laat aldus enkele aantrekkelijke tweedelingen op de lezer los. Oude en nieuwe waarden, Hongaarse versus Oostenrijkse omgangsvormen, de wisselende dominantie van man en vrouw in twee verschillende huwelijken, het dag en nacht-motief, enzovoort. Net als in zijn (ook door hemzelf haast niet te evenaren) meesterwerk Gloed voert Márai in De nacht voor de scheiding de confrontatie tussen twee oude bekenden ten top, maar hier pakt hij de lezer in via het voorbeeldige spreidingswerk van motieven en achtergronden; in Gloed is het meer het krachtige dualisme die het 'm doet.

Psychologische accuratesse is sowieso standaard bij Márai. De lezer kan haast niet anders dan jaknikken bij de these die de schrijver hier tussen de lijnen poneert. Wanneer een huwelijk een wedstrijd wordt en ophoudt een pastorale te zijn, blijkt de kern van de verhoudingen in het leven zo massief en hard als graniet, dat ze door woorden alleen nooit opgelost kunnen worden.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> lees ook de bespreking van De gravin van Parma - Sándor Márai

Sándor Márai, De nacht voor de scheiding
207 p.
Uitgeverij Wereldbibliotheek, 2006
Oorspr. Válás Budán (1935)
Vertaald door L. Székely en M.H. Székely-Lulofs

____

Geen opmerkingen:

Related Posts with Thumbnails