maandag 8 oktober 2007

De Galgenliederen en andere groteske gedichten - Christian Morgenstern

Christian Morgenstern studeerde eerst economie en rechten, en ook nog een tijdje kunstgeschiedenis, maar vanaf 1894 werkte hij als schrijver en journalist in Berlijn. Daarnaast vertaalde hij werk van Strindberg en Ibsen.

In 1895 maakte hij de eerste 'Galgenliederen' met een vriendenclub, het Verbond der Galgenbroeders.

"Een nogal curieus, studentikoos gezelschap dat zich tijdens een uitstapje naar Werder bij Potsdam naar de nabijgelegen Galgenberg vernoemde. Tijdens bijeenkomsten in kroegen, die Morgenstern met een roestig zwaard op tafel voorzat, werden de verzen ook met pianobegeleiding gezongen."

Wat begon als een grap, als een komisch tijdverdrijf, groeide na de publicatie in 1905 van Die Galgenlieder echter uit tot een van de meest toonaangevende werken uit de Duitse poëzie, schrijft vertaler Bèr Wilbers nog in de inleiding. Morgenstern werd een van de wegbereiders van het dadaïsme en surrealisme.

"Beschouw de “Galgenberg” als een uitkijktoren van de fantasie in het Al. In het Al bevindt zich nog veel ongehoords."

De ruim bemeten uitgave De Galgenliederen en andere groteske gedichten neemt de verzameling Alle Galgenlieder (1933) als uitgangspunt en blijft gelukkig niet beperkt tot de gedichten gepubliceerd in 1905.

Wat meteen opvalt: aan welk een ongelooflijke beestenboel deze anthologie een onderkomen biedt. Een halve eeuw voor Buddingh's blauwbilgorgel (1943) en El Libro de los seres imaginarios van Borges (1957) bedacht Morgenstern al een waslijst aan fictieve en hybride dieren.

"De kameeleend
De regenleeuw
De schootuil
De walvisvogel
De kwallenwants
De gordelstier
De pauwenos"


Het blijft niet bij geïsoleerde rijtjes alleen. Naast de meneertjes Palmström en Korp zijn het overwegend dieren die mogen figureren in Morgensterns universum. Beesten zijn de ideale protagonisten in diens prettig halfslachtige fabels.

"Het gierlam

De lammergier is beroemd
het gierlam pas hier genoemd.

De gier vliegt altijd ver boven de grond,
het lam echter verkiest de achtergrond.

Het blaat niet, maar wacht stil op een kind,
dat het van nabij met huid en haar verslindt.

En kijkt vervolgens op naar de Heer,
En allen waarderen dit zeer."


Morgenstern maalt niet om logica. Virtuositeit vervangt hier argumentatie: de overtuigingskracht van deze poëzie ligt in de behendigheid en het gemak waarmee de dichter de meest uitzinnige situaties neerzet, met veel gevoel voor ritme en visuele details.

Dat zijn creatieve drift niet in chaos uitmondt, is te danken aan het feit dat Morgenstern zich meestal laat leiden door de structuur van volksverhalen. Zijn gedichten hebben zowel het bonte als het botte gemeen met dit genre.

"Een vierkwartsvarken en een opmaatsuil
troffen elkaar in de schaduw van een zuil,
die in de geest van hun schepper prijkte.
En bij het spel van de strijkstokplant
dansten zij, waarbij ze poot en hand
naar elkaar reikten."


Het goedgemutste avant-garde-oeuvre van Morgenstern staat vol met dit soort neologismen, absurde composieten en onzinwoorden. M.G. Schmidt meets Max Ernst. Zoiets. Baron Von Münchhausen bewerkt de verzen van Eluard.

Morgenstern heeft ook Heine grondig gelezen, veronderstel ik, die volgens Reich-Ranicki aan de bakermat staat van de humor in de Duitse letteren.

"De vergeet

Hij is vol wetensdrang, wat heet,
hoe diep hij ook gaat
en hoeveel kennis hij laadt,
hij blijft tegelijk een onverbeet,
een onver, zeg ik, als vergeet;
een zeef van draad,
een net van brokaat,
een veelvreet –
maar geen onthoudvraat."


Als dichter is Morgenstern een freestyler die ongecomplexeerd vertrekt vanuit één gegeven, onderweg gretig zijstraten inslaat ("Symptoom rijgt zich aan symptoom") en bijgevolg niet zelden op een totale andere plek uitkomt. Het nadeel van die aanpak: veel gedichten die na een paar goeie beginregels verwateren.

"Palmström ziet de Alpen als een kubus…
En beklimt ze aldus, met zijn skibus."


Eén geestig distichon als dit, waarna het gedicht onherroepelijk afbrokkelt. Ander voorbeeld: een gedicht dat gewag maakt van het "Museum der Tegenvoorbeelden", wat het beste doet vermoeden, maar dan toch ietsje teleurstelt.

Wisselvalligheid troef dus, maar wat door Morgensterns avontuurlijke attitude vrijkomt aan dwaze ideeën begroet je als lezer met grote dankbaarheid. Het gedicht 'Hoe het Galgenkind de maandnamen onthoudt' gaat zo:

"Jaguar
Zebra
Paard
Mandril
Meikever
Junikever
Puli
Auerhoen
Steppehond
Octopus
Notenkraker
Degenvis"


Er zullen wel mensen rondlopen die deze vondstjes gratuit vinden, mijn fantasie prikkelen ze.

Het bovenstaande gedicht, dat er in het origineel eerlijk gezegd nog stukken beter uitziet, brengt ons bij de vertaling.

Die volstaat, zonder meer. Wilbers heeft het meest moeite met het ritme. Vaak telt het Duits minder lettergrepen, en dat hypothekeert het Nederlandse equivalent. 'Forstadjunkt' wordt noodgedwongen 'boswachtersadjunct', een woord dat nauwelijks in een soepel metrum te wringen is.

De beste vertalingen zijn deze waar Wilbers het eindrijm laat vormen door substantieven, en niet door werkwoorden.

Heel soms valt het origineel dan zelfs bleker uit dan de vertaling, bijvoorbeeld wanneer het woordpaar 'Kamurke' – 'Schurke' omgezet wordt naar 'bajes' – 'gajes'.

Substantiefrijmen zijn gewoon kleurrijker en inventiever; werkwoordsvormen leiden te vaak tot matte en makkelijke oplossingen, vanwege hun geijkte uitgangen.

Morgenstern vertalen is een leuke maar lastige klus. Bepaalde gevallen noodzaken Wilbers tot een dusdanig eigengereide oplossing dat de betekenis van de tekst verschuift, het hele gedicht herschreven moet worden, en zelfs een ander gedicht wordt. Op p. 108 en 109 wordt 'Der Purzelbaum' op die manier 'De bokkensprongbok'.

Dat is niet erg. Morgensterns poëtica dringt juist aan om diep in de "taalkraamkamer" te tasten, dringt aan op herschepping en speelplezier.

"In elk mens zit een kind verborgen dat Scheppingsdrang heet en als favoriete speel- en ernstgoed niet het tot in de finesses nagemaakte miniatuurschip wil, maar de notendop met een vogelveer als mast en een kiezelsteen als kapitein."

luidt het in één van de motto's. En daarom komt de vertaler lof toe voor dit project, en zie je door de vingers dat bij een leuk idee als

"Der Werwolf, Weswolf, Wemwolf, Wenwolf"

Wilbers niet verder komt dan

"Weerwolf, keerwolf, terugwolf, waswolf"

Voor wie er trek in heeft, staat in het voorwoord nog iets te lezen over Morgensterns invloeden. De taalfilosoof Fritz Mauthner onder andere, die drie (taal)wereldcategorieën onderscheidde:

"1. De substantivistische wereld: de wereld van de mystiek, de mythologie, de verschijning.
2. De adjectivistische wereld: het rijk van de sensualiteit, het materialisme, de kunst, de zogeheten werkelijke wereld van stoffen en krachten, binnen de grenzen van de natuurwetenschappen.
3. De verbale wereld: de wereld van het werkwoord (verbum), van beweging, gevolg, doen, de wereld van verborgen doelen, de uitdrukking der zinnen, die veranderen in krachten en energieën."


Wilbers voegt daaraan toe:

"Zich bewust van de beperkingen van de taal, schept Morgenstern daarom zijn eigen wereld. Een denkbeeldige èn reële wereld waarin werkelijkheid, geest, mythologie en (toekomst)dromen in plaatsen als de Galgenberg en figuren als Palmström; een wereld waarin hij de drie werelden van Mauthner verbindt en de natuur een stem geeft."

Tja, doen we dat niet allemaal, denk ik dan.

Wat er ook van zij, De Galgenliederen en andere groteske gedichten is een langverwachte aanvulling in de kast buitenlandse poëzie in Nederlandse vertaling. Zeer blij ben ik vooral met de volledigheid van het boek, die me toestaat zelf keuzes te maken. Aan de andere kant is het niet leuk brevieren in deze editie. Zonder scrupules kan de helft eruit gescheurd worden. Nu is het iets te veel zoeken naar hoogtepunten.

Laat ik er nog zo eentje citeren. Veel van de beste gedichten ontstaan als Morgenstern wat cerebraler wordt. Jammer genoeg doet hij dat te weinig. Dit vind ik een schitterend vers in een bevredigende vertaling:

"De twee parallellen

Er liepen twee parallellen
op het eindeloze af,
twee kaarsrechte gezellen
en van solide komaf.

Ze wilden elkaar niet snijden
tot aan hun zalige graf:
Dat was nu eenmaal voor beide
de geheime trots en staf.

Maar nadat ze tien lichtjaar
naast elkaar hadden gelopen,
werd plots het eenzame paar
door onaardse angst bekropen.

Waren ze nog wel parallellen?
Waren ze nog wel gelijkgericht? –
Ze liepen slechts als twee gezellen
samen door het eeuwige licht.

Het eeuwige licht bond hen,
zo werden ze een in zijn schijnen,
de eeuwigheid verslond hen,
als waren ze twee serafijnen."


Of waar Cees Nooteboom toe in staat zou zijn, als die gevoel voor humor had.

> lees nog een gedicht uit dit boek op Prins van Denemarken

Christian Morgenstern, De Galgenliederen en andere groteske gedichten
428 p.
Uitgeverij Ijzer, 2006
Oorspr. Alle Galgenlieder (1933)
[Die Galgenlieder (1905), Palmström (1910), Palma Kunkel (1916), Stufen (1918) en Der Gingganz (1919)]
Vertaald door Bèr Wilbers
____

2 opmerkingen:

Bèr zei

Allereerst van harte bedankt voor deze fraaie bespreking die mij bij het rondgoogelen verraste. Wanneer je jezelf met het dwaze idee opzadelt dat deze man een integrale vertaling van het leukste deel van zijn oeuvre, de groteske gedichten, verdient, weet je dat je niet voor de massa zult werken en twijfel je zelfs of je ooit een uitgever zo gek of moedig, of wellicht allebei, kunt krijgen dat hij ermee in zee durft te gaan.
Hoewel ik mezelf tijdens het vertalen regelmatig vertwijfeld heb zitten afvragen hoe ik ooit zo stom kon zijn om aan deze klus te beginnen, wanneer M. me weer met een ogenschijnlijk onoplosbaar vertaalprobleem confronteerde, vergoedde het plezier van het uiteindelijk toch vinden van een oplossing al het werk dat ik heb geïnvesteerd. En een zeer welwillende recensie vormt dan een postnatale bekroning en erkenning dat het niet voor niks was.
Toch heb ik twee aanmerkingen op de voorbeelden die u geeft. Op de eerste plaats deel ik uw mening niet dat de Purzellbaum door De bokkensprongbok een geheel ander gedicht is geworden. Een Purzelbaum is namelijk een raar sprongetje met een halve koprol, maar M. had het geluk dat een Baum een object is dat je dingen kunt laten doen of ondergaan, terwijl de sprong dat niet heeft. Vandaar dat ik de bokkensprong tot object gemaakt heb door er de bok van te maken die de sprong uitvoert, waardoor ik gelukkig nog redelijk dicht bij het origineel kon blijven.
Een gedicht dat wel qua inhoud sterk van het orgineel afwijkt, is het Gedicht van een hijsbalk, dat M. in een onbegrijpelijk dialect heeft geschreven. Als Nederlander moet ik bij huizen met hijsbalken aan de gevel onmiddellijk aan Amsterdam denken en daarom heb ik er ook een Amsterdams gedichtje van gemaakt, overtuigd als ik was dat M. het zelf ook een leuk idee zou hebben gevonden.
In De Weerwolf signaleert u exact mijn dilemma: M. gebruikt de verbuiging van de 4 Duitse naamvallen prachtig om de Weerwolf te 'beugen', alleen zijn de naamvallen in het Nederlands zo archaïsch dat ik het te geforceerd achtte om dit ook te doen. Vandaar dat ik de oplossing heb gekozen om hem te laten vragen 'weer' te keren (naar zijn vrouw en kind én het 'weer' in zijn naam)
waardoor de eigenlijke intentie van het gedicht toch overeind kon blijven.
Dit ter verheldering. Ik hoop dat uw bespreking een paar mensen ertoe aanzet om zich in M. te verdiepen, waarmee mijn uiteindelijke doel toch bereikt wordt, want als je deze vertaling omwille van het geld op je neemt, ben je pas werkelijk stapelgek.

Bèr Wilbers

Achille van den Branden zei

Bedankt voor de titanenarbeid die de Morgensternvertaling zeker is. Ik hoop met u dat dit stukje een paar lezers mag prikkelen om dat boek ter hand te nemen.

Vertalers hebben natuurlijk voor elke ingreep en keuze een weloverwogen reden, die de luchtig doorlezende lezer dikwijls ontgaat.

Leuk aan een recensie op een blog is de mogelijkheid van 'recht van antwoord', waar u met verve gebruik van hebt gemaakt. Met deze kanttekening erbij kan een hiernavolgende lezer er goed geïnformeerd het zijne over denken.

Groet,

AvdB

Related Posts with Thumbnails