woensdag 31 oktober 2007

Dagboek van een stervende - William Soutar

Van de mij volslagen onbekende uitgeverij Vorroux kwam mij een boekje onder ogen dat zorgde voor een van de meest ontroerende leeservaringen van dit jaar.

Ik heb het over de bloemlezing uit de dagboeken van William Soutar (1898-1943). Deze dichter werd geboren in het Schotse Perth en kwam uit een religieus en tot op zekere hoogte nationalistisch geïnspireerd gezin.

De jonge Soutar had alle uitzicht op een succesvol leven: hij was knap en populair, behaalde uitstekende schoolresultaten en ging door voor een gerespecteerd sportman. Maar na zijn diensttijd bij de marine raakte Soutar kreupel. Een verscheurende pijn aan benen en heupen zou hem de laatste veertien jaar (!) van zijn leven aan het bed gekluisterd houden. Diagnose: spondylitis (wervelontsteking).

Soutar, die in 1923 zijn debuutbundel publiceerde, zou zolang zijn gezondheid het toeliet gedichten blijven schrijven. Tot de dag voor zijn dood hield hij ook allerhande dagboeken bij waarin hij zijn visies op kunst, filosofie, politiek en religie optekende, naast medidaties ingegeven door zijn bedlegerigheid.

Tussen het schrijven door ontving Soutar bezoek aan bed, van intellectuele geestesgenoten en van talloze vrienden die hem door zijn stoïcijnse attitude als een soort halve heilige gingen beschouwen. De omstandigheden waarin Soutar leefde en werkte doen aan het geval Proust denken. Inleider en vertaler Harry Oltheten:

"Het was soms zo druk dat zijn kamer te klein werd. Zijn vader brak de hele raamkant weg en maakte een uitbouw in de tuin die hij afsloot met een raam dat bijna de hele wand besloeg. Aan weerszijden daarvan plaatste hij lange verticale spiegels. Zo kon Soutar, die nu bijna volledig verlamd was, vanuit zijn bed, dat haaks op de tegenoverliggende wand stond, een ruime blik op de wereld en op zijn kamer werpen. De andere wanden waren bedekt met boekenkasten, en met behulp van de wandspiegels en een klein handspiegeltje kon hij elk boek dat hij wilde hebben lokaliseren. Ze werden op tafeltjes naast hem geplaatst. Zijn werktafel op wieltjes kon over zijn bed gedraaid worden."

Een van de weinige tekens van leven uit de buitenwereld die hun neerslag vinden in het Dagboek van een stervende, is het bericht op de radio dat Duitsland in de vroege morgen Polen is binnengevallen. In zijn dagboeken -- of toch in de keuze die zijn biograaf Alexander Scott daaruit maakte, waarvan deze uitgave een integrale vertaling is -- legt Soutar immers vooral zijn ideologische en artistieke ontwikkeling vast. Het is een gedachtendagboek, geen gebeurtenissendagboek.

Zo legt Soutar getuigenis af van zijn individuele relatie tot het geloof,

"Ik geloof dat het voor het merendeel van de christenen een goede zaak zou zijn als ze hun bijbels eens een aantal jaren opborgen, en daarna naar de woorden van Jezus zouden terugkeren, woorden die dan hopelijk van hun stoffige spinnenwebben ontdaan zouden zijn. Het is jammer dat bijna niemand op natuurlijke wijze tot de bijbel komt, hem ziet als een gave die door de hemel is gezonden, als een bloem. Helaas is hij zo bezoedeld door degenen die hem tot ons brengen dat de frisheid eraf is. De belangrijkste boeken in je leven zijn uiteindelijk degene waartegen je zelf bent aangelopen. Je krijgt er een band mee die je nooit zult krijgen met ‘aanbevolen boeken’."

en engageert hij zich voor het Schotse taalparticularisme:

"Er zijn tekenen dat de onderwijsautoriteiten zich beginnen te realiseren dat het Schots zich in zijn graf omdraait. Laten ze zich haasten en het opgraven."

Dat betekent niet dat Soutar een naïeve nationalist was die teerde op het verleden.

"Het zou voor Schotland een uiterst hygiënische maatregel zijn als wij de wortels van de aan ons toegeschreven valsheid zouden traceren. Ik twijfel er absoluut niet aan of de zogenaamde ‘Aberdeensigheid’ is symptomatisch voor de doortraptheid van onze nationale aard die alleen maar groter is geworden sinds we als natie niet meer bestaan. Doordat we de banden verbroken hebben met het continent, onze taal en ons traditionele erfgoed, was het onvermijdelijk dat bekrompenheid ons land zou overwoekeren, zodat onze nationale karaktertrekken ten slotte ineengeschrompeld zijn tot particuliere eigenaardigheden en onze karakteristieke types verworden zijn tot dorspidioten. Een land dat in voorbije tijden zijn faam ontleende aan helden, wetenschappers en martelaren wordt nu gesymboliseerd door kilt dragende komedianten, zuur kijkende ouderlingen en hebberige pummels."

Soutar zal na vele kopbrekens het pacifisme omarmen. Kopbrekens, want de dichter voelt dat wanneer hij zich moedwillig afsluit voor het patriottisch vuur (en de bijbehorende spanning en gistende emoties) zijn creativiteit beknot wordt. Maar uiteindelijk is hij te veel een einzelgänger om te heulen met levensgrote idealen.

"Hoe schitterend iemands redenen voor deelname aan een oorlog ook mogen zijn, het resultaat is altijd een ontkenning van de integriteit van het individu. Het is een weloverwogen keuze voor geweld boven geloof in het leven. Oorlog is de ontkenning van vertrouwen en, ondanks al zijn heldendom, een kind van de angst. Hij tracht de wereld te redden door het lichaam te offeren als remplaçant voor de ziel. Ingekankerd is zijn gewoonte om mensen tot zijn knecht te maken, want vertrouwen doet hij hem niet, en waar vertrouwen ontbreekt komt de dwang. Vertrouwen is individueel en verlangt geen bewijs. Je kunt het een mens niet zomaar geven en zeker niet opdringen. Je kunt mensen wel inlijven voor het slagveld, maar hoe zij de realiteit ervaren bepaalt hun eigen eenzame ik."

Altijd is daar de rusteloze, zoekende, zichzelf in vraag stellende, in zijn eigen ziel wroetende Soutar die het woord voert,

"Het is makkelijker argument op argument te stapelen om de toestand van het moment te handhaven, dan de juistheid van verandering aan te tonen. Verandering vraagt vertrouwen en de eerste stappen voeren je noodzakelijkerwijs op onbekend gebied. Als iemand besloten heeft te wachten tot hij er absoluut van overtuigd is dat zijn vertrouwen berust op goede gronden, dan moet hij er vrede mee hebben dat hij wegrot in stilstaand water."

"Wanneer je bedenkt hoe betrekkelijk kort ons verblijf op deze aarde is en hoe betrekkelijk saai en betekenisloos ons leven verloopt, verbaast het je hoe bekrompen en weinig geïnspireerd we met elkaar omgaan. Wij komen bij elkaar, praten over algemeenheden en draaien de lappenmand met clichés keer op keer om. Alles wat voor bespreking in aanmerking komt kennen we van buiten. Onze omgang kent geen enkele creativiteit. Wij ervaren slechts zelden iets directs en ook via een omweg dringt er nauwelijks iets tot ons door. Een rudiment van menselijke interactie blijft er natuurlijk altijd, maar alles blijft binnen de enge grenzen van wederzijdse steun en waardering. Je vraag je af of het niet verstandig zou zijn elkaar te confronteren – of affronteren – met ongemakkelijke vragen, de kleine muurtjes in de maatschappij af te breken en elkaar te bekijken in het licht van de eeuwigheid waarin alle vragen zijn toegestaan."

en dat maakt deze notities tot een belevenis, hoewel de dichter zelf reserves maakt bij het genre.

"Een dagboek is als drank: wij hebben vaak de neiging ons er helemaal aan over te geven. Het wordt een gewoonte die ons er steeds toe verleidt meer te zeggen dan eigenlijk zou moeten en meer te beweren dan we met recht en reden zouden mogen. Het is een soort privé-krant die elke dag zijn hoeveelheid nieuws eist en niet zelden verwordt tot een vergaarbak van spirituele roddelpraat. Maar het kan ons er niet alleen toe bewegen de eigen persoonlijkheid te verraden, het verleidt ons er ook toe onze medemensen te verraden. Hierdoor wordt het een alter ego dat deelt in de kleinzielige laster die we niet hardop durven te uiten. Een dagboek is een moordenaarsmantel die wij vragen als wij een vriend met een pen in de rug steken. Kijk naar dit dagboek dat schuld bekent zelfs tot eigen nadeel, want hoeveel op deze pagina wordt door de anderen voor waarheid aangezien?"

Lezen
William Soutar [foto] noteert veel over zijn lectuur. In 1930 begint hij met het doorploegen van de Encyclopaedia Brittanica. Het project is begroot op tien jaar, maar in het verdere dagboek zal er niet meer over worden gerept. (Niet dat hij aan zijn proefstuk toe is: Soutar heeft ChambersTwentieth Century Dictionary al achter de kiezen. Negen jaar deed hij er over.) Soutar leest in dit dagboek vooral literatuur:

Nietzsche,

"Vaak voel je je, als je Nietzsche leest, alsof je op een heldere, winderige dag op een hoge heuvel staat; wij zijn ons altijd bewust van actie, ruimte en een atmosfeer die het best weergegeven kan worden met het woord ‘verfrissend’. Je kunt Nietzsches filosofie pantomimisch noemen – ieder woord is een fors gebaar, een moment in een indrukwekkende dans."

Eliot,

"Eliot’s stijl is van een aristocratische helderheid, maar droog in de mond. En hoe alert hij je geest ook houdt, hij verwarmt zelden je hart. De smaak is uitstekend, maar niet vol. Wij nemen hem tot ons met teugjes, nooit met flinke slokken."

de toneelstukken van Shaw,

"Het zijn koele, doodse en gladjes verlopende instructieve thema’s."

die van Shakespeare,

"De invoelende verbeelding van de mens benadert het goddelijke. Zij is het enige instrument waardoor wij tot op zekere hoogte in staat zijn andermans leven te betreden en gedeeltelijk te leven. Dit is de eigenschap waardoor we samen met de vogel de wind kunnen trotseren, met de zalm de waterval kunnen beklimmen, met de worm door het gras kunnen kronkelen. Maar bovenal stelt de invoelende verbeelding ons in staat onze ervaringen te delen met onze medemensen. Hierdoor blijven we gezond in de breedste betekenis van het woord. Deze eigenschap komt het duidelijkst aan het licht bij een uitzonderlijk genie en toont ons de superioriteit van Shakespeare en het drama. Doordat ieder er het zijne in kan zien, is het drama onze echte gemeenschapskunst."

de intieme geschriften van dagboekgigant Henri-Frédéric Amiel,

"Het bewustzijn van zijn falen waardoor Amiel voortdurend gekweld werd kwam doordat het hem niet gegeven was in te zien wat voor een man hij was. Hij schrok terug voor de laatste stap naar een volledig bewust accepteren van zichzelf. In diepste wezen schaamde hij zich heimelijk voor de gevoeligheid die hem maakte tot wie hij was, omdat hij uiteindelijk niet wist wat hij ermee aan moest; met andere woorden zijn intellect stond het hem niet toe ooit helemaal zeker te zijn van zijn gevoelens. Toch is er bijna niemand gezegend geweest met een ontvankelijker natuur dan hij en hoewel hij een daarmee corresponderende overkoepelende creativiteit ontbrak, is er geen boek ter wereld dat indrukwekkender uitdrukking geeft aan een Keatsiaans talent dan zijn Journal Intime. De enige eigenschap die hem ontbrak was het vermogen tevreden te zijn te midden van zijn twijfels. Maar zijn hubris ‘neeg naar de kant der deugd’. Hij was, als dat tenminste mogelijk is, een te nederig mens, te bedeesd voor zijn grote gaven, te makkelijk geïmponeerd door extravertere geesten. Maar als hij anders was geweest hadden wij het waarschijnlijk moeten stellen zonder een erfenis als zijn Journal Intime."

en zeer veel D.H. Lawrence uiteraard, die zijn grote literaire voorbeeld vormt.

"Bij het beoordelen van het belang van iemands individuele bijdrage moet niet alleen gekeken worden naar wat hij er zelf mee bereikt heeft, maar ook naar de potentiële invloed ervan op de volgende generatie. Ik denk dat wij, als we ons dit realiseren, bijvoorbeeld het werk van Lawrence meer op zijn juiste waarde zullen inschatten. Zijn gepassioneerde oppositie tegen het intellectualisme vormde zijn grote wapenfeit. Hij maakte ons duidelijk – en dat is de kracht van zijn nalatenschap – dat het noodzakelijk is een evenwicht te creëren tussen het intellect en het bloed."

Hij bewondert met name de vanzelfsprekende manier waarop Lawrence met de vleselijke genegenheid omgaat die het lichaam vraagt. Dat punt is extra schrijnend nu Soutar zelf immobiel is geworden.

"Ik weet iets van afhankelijkheid, maar heel weinig van liefde; en niets is makkelijker dan het creëren van metafysica die je eigen feilbaarheid ondersteunt. De voortdurende kwellingen van het vlees doen ons van het puur bespiegelende vlak afdalen tot onze medemens. Wat is het makkelijk hem lief te hebben in metafysische sferen, en wat moeilijk een waardig erfgenaam te zijn van die edelmoedigheid van de mens die slechts wordt aangetroffen wanneer genegenheid tot een spontane reactie is geworden."

Hoewel hij op handen gedragen wordt, twijfelt de dichter, geremd door zijn burgerlijke inbedding, aan zijn vermogen zichzelf open te stellen voor de anderen. Soutar vindt dat een van de zwaarste zonden tegen het leven: een gebrek aan ontvankelijkheid.

"Ik denk dat zelfs mijn grootste vijand niet zou zeggen dat ik ‘koud’ van aard ben, maar toch heb ik nooit een grote affectie voor iemand gekoesterd. Misschien heeft liefde een bepaalde hoeveelheid uiterlijk vertoon nodig om haar in leven te houden, maar er bestaat geen ingetogener gezin dan het onze. Toch kon die diepe affectie waarvan ik droom wel eens een romantische illusie zijn. Hoe dan ook, ons gezinsleven is altijd heel aangenaam geweest, geschraagd als het werd door de stille aanvaarding van onze onderlinge, afhankelijkheid."

Dichten
Vanzelfsprekend laat Soutar ook zijn gedachten gaan over het eigen poëtische oeuvre. Hij acht negative capability de voornaamste eigenschap van een dichter. Het begrip werd ontwikkeld door Keats en slaat op de ontvankelijkheid voor de onzekerheden en raadsels van het bestaan zonder de aandrang te hebben die onmiddellijk door de rede te verklaren.

Soutars werk werd in zijn tijd hooggeprezen, al bleef hij wat in de schaduw hangen van Hugh McDiarmid, de leidende figuur van de zogenaamde Scottish Renaissance. Ik weet niet in hoeverre de korte, symboolzwangere verzen in de marge van dit dagboek penneprobeersels zijn dan wel representatief voor de rest van zijn produktie, maar ik vind het doorgaans slap gerijmel. Soutar streeft een klassieke soberheid na die naar eigen zeggen een tegengewicht moest vormen voor zijn romantische oprispingen, en die zal vast moeilijk weer te geven zijn in Nederlandse vertaling.

"Het wekt geen verbazing dat de poëzie van onze tijd lyrisch is, want lyriek is het natuurlijke medium om wisselende stemmingen uit te drukken, en het tijdperk waarin wij leven wordt in humeurigheid door geen ander in de wereldgeschiedenis overtroffen. Omdat we op drijfzand staan, grijpen we naar de vluchtige beelden van de realiteit die zich aan ons voordoen en proberen een soort geloofsfundament te destilleren uit de opeenstapeling van ongrijpbare stukjes waarheid die we her en der aantreffen. Deze eeuwige onbepaaldheid van onze stemming is voor de lyricus voldoende, maar zij biedt ons slechts een onbetrouwbaar inzicht in de realiteit – een keuze uit zijn werk zal dus eenheid tonen, zijn verzameld werk niet."

In zijn vitale poëzie, dat moet je Soutar zeker nageven, valt geen woord over zijn lichamelijk onvermogen.

"De lofzang op de aarde, die als thema in mijn gedichten steeds meer op de voorgrond treedt, is oprecht, maar wanneer ik niet goed oplet zou hij iets dweperigs kunnen krijgen, iets onevenwichtigs door mijn eigen frustraties."

Leven en lijden
Dat de dichter niet vrijelijk over zijn ledematen kan beschikken is, hoe kan het anders, wél een leidmotief in het dagboek. Soutars ingesteldheid, bijna gespeend van zelfmedelijden, dwingt groot respect af. In Dagboek van een stervende staan prachtige observaties van hoe hij plaatsvervangend van de bewegingen van anderen geniet.

"Als in mijn jeugd niet gezegend was geweest met de snelheid van een echte atleet, als ik de vreugde niet gekend had van dansen en springen, niet die uitbundige momenten waarop je alleen door je lichaam af te beulen tot uitputtens toe het besef kunt uiten dat het goed is te leven, dan zou ik nu in de verleiding hebben kunnen komen slechts minachting op te brengen voor de trots die men louter ontleent aan een goede lichamelijke conditie, te sneren op de dagelijkse bewieroking van de bokser, of de voetballer, of de tenniscrack. Maar aangezien ik ook zo trots ben geweest op mijn jeugd, op de overdosis pure spierkracht die je tegen de wind in laat rennen, of een vriend bij zijn kladden doet grijpen om hem naar de grond te trekken – aangezien ik weet wat dit allemaal is blijft jaloezie mij bespaard en hoef ik het lichaam niet te verraden door te ontkennen dat het heerlijk is het leven in je lijf te voelen tintelen. Zelfs nu kan ik het voelen, als een beeld dat met warmte en zonder bitterheid vervuld wordt met het verlangen te rennen."

In Soutars begrensde omgeving, te bed in Perth [foto], krijgen de allergewoonste dingen een afleidende kracht die onder normalere omstandigheden buiten proporties zou lijken.

"Als dus een vluchtige blik op een vogel die neerstrijkt op het gras of de glimp van een vlinder me attent maakte op hun nabijheid, volg ik hun bewegingen een tijdje, alsof het belangrijk zou zijn te weten wat zij gaan doen."

Werkelijk driehonderd bladzijden lang halen Soutars bespiegelingen dit hoge niveau. Een particulier genoegen zijn de dagboekfragmenten waarin Soutar een silhouet snijdt uit de indrukken die hij opdoet van nobele onbekenden die zijn levenspad kruisen. Een rubriek die steevast wordt ingeleid met de woorden 'Een type'.

"Een type. Hij is een lange knokige slungel zonder kleur op zijn gezicht. Hij heeft een basstem en bij een begroeting lijken zijn oogjes priemen die naar buiten schieten alsof zij de handdruk kracht willen bijzetten. Hij heeft een gulle lach die maar voortbuldert en de neiging heeft weg te sterven in een schor geblaf. Hij praat alsof hij iemand iets verkoopt die behoorlijk doof is. Hij praat joviaal over allerlei actuele zaken en komt altijd uit bij zijn eigen baantje. Wanneer hij helemaal opgaat in een filosofische terzijde trapt hij een flink aantal open deuren in en volgt de ene modieuze opmerking op de andere. Hij is een ongekunsteld aardige kerel, maar wanneer hij afscheid heeft genomen rest van hem slechts de echo van wat lawaai en je vergeet hem tot hij terugkomt."

En dan, na een dikke dertien jaar ruggelings dichten en schrijven, moet het onvermijdelijk bergaf gaan. In juli 1943 verslechtert Soutars gezondsheidstoestand dramatisch. Er wordt ook nog eens tuberculose vastgesteld. Soutar komt zijn bed haast niet meer uit. De dichter houdt zich kranig, al merkt hij weinig van de groei naar sereniteit die hij verwachtte nu hij weet dat hij jong zal sterven. Steeds opnieuw kampt hij met pijnscheuten en verstikkingsverschijnselen die hem wijzen op de beperkte tijd die hem nog rest.

"Een elleboogstoot om je eraan te herinneren dat je nog verplichtingen aan het leven hebt."

Soutar begint een nieuw dagboek, speciaal over zijn ziekte: The diary of a dying man, dat ook deel uitmaakt van de eindselectie. Hij leest niet meer, schrijft geen poëzie meer, en beseft dat er niet veel heldere momenten meer zitten aan te komen die hun neerslag op schrift zullen vinden. Desondanks probeert hij zwakheid en angst geen invloed te laten uitoefenen op zijn geest.

"Het leven is geen liefhebbende vader, maar een kracht waarmee we moeten strijden en waaraan we ons moeten aanpassen. Er moet niet te veel nadruk gelegd worden op de omgeving, want de mens kan haar de baas, anders zou hij zich nog steeds de behaarde bast krabben."

Wat een verschil met het bijtende sarcasme, de wanhoopskreten en het zelfbeklag in het Dagboek van een teleurgesteld man van W.N.P. Barbellion. Deze jonge Engelse natuurkundige (1889-1919) heeft nogal wat gemeen met Soutar. Er is de opvallende uiterlijke gelijkenis, en ook Barbellion had een veelbelovend leven in het verschiet dat in de kiem werd gesmoord door een fysiek aftakelingsproces (in zijn geval: multiple sclerose).

Ik las Barbellions dagboek (eveneens vertaald door Harry Oltheten) een kleine tien jaar geleden, wat te lang is om goed te kunnen vergelijken, maar wat me daar nog van bijstaat is -- naast een gelijklopende dosis scherpzinnigheid en gedetailleerde zelfanalyse -- de vaak hautaine en smartelijke toon van Barbellion, die zichzelf onomwonden een miskend genie waande.

Soutar maakt, meer dan Barbellion, algemeen geldende notities. Dagboek van een stervende is daarom niet alleen een aangrijpende, waardige getuigenis van een tragisch leven, maar tevens een humaan document van de eerste orde.

Laat ik tot slot zeggen dat Vorroux het boek in een zeer aantrekkelijk brevierformaat heeft uitgegeven, met een aangename bladspiegel en letter. Haal dit boek in huis, beste mensen.

Ik ga hun fonds verder verkennen, te beginnen met het Laatste dagboek van Barbellion, dat al een tijdje op de wenslijst staat.

(Gebaseerd op notities van 11 september en 31 oktober 2007.)

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> http://www.williamsoutar.com/
> http://en.wikipedia.org/wiki/Scottish_Renaissance

William Soutar, Dagboek van een stervende
310 p.
Uitgeverij Vorroux, 2007
Oorspr. Diaries of a dying man (1954)
Vertaald door Harry Oltheten

____

Geen opmerkingen:

Related Posts with Thumbnails