zondag 2 september 2007

Schrikbewind der verzinsels - Jaap van Heerden

De meeste essays in Schrikbewind der verzinsels gaan over de verhouding tussen filosofie, psychologie, literatuur en wetenschap. Het zijn andermaal condense stukken die het nodige vragen van de lezer. Elke zin doet ertoe, is een onmisbaar schakeltje in de redenering. Jaap van Heerden herhaalt weinig. Voorbeelden zijn schaars. Het boek deed me vooral nadenken over de tekortkomingen van het humaniora-onderwijs dat ik heb genoten.

De denkers die toen, in het middelbaar, de revue passeerden werden te veel als eilandjes behandeld. Als onaantastbare monumenten. Zo kende ik het verificatieprincipe van de Wiener Kreis wel, evenals de reactie van Popper daarop, het falsificatieprincipe. Dat zegt dat een algemene uitspraak nooit door een opsomming van ondersteunende voorbeelden afdoende is te bevestigen. Wat wel kan is zoeken naar een tegenvoorbeeld, dat de wetmatige uitspraak ontkracht. Van Heerden past dit overigens zelf toe op de literaire kritiek (zie mijn stuk over citeren).

Popper rangschikte hypotheses naar de mate waarin zij een weerleggingsrisico lopen. Diegene die het grootste risico loopt, verdient de voorkeur. Wollige activiteiten zoals de psychoanalyse vallen als eerste af.

Tot zover niets nieuws. Maar dan gaat Van Heerden in op de onttakeling van die theorie. In de wetenschap laat men zich immers weinig gelegen liggen aan tegenvoorbeelden, zegt hij. En een negatieve uitkomst kan ook geïnterpreteerd worden als weerlegging van de veronderstelling dat de omstandigheden, waaronder het experiment werd uitgevoerd, optimaal waren. Theorieën worden niet aan het risico van weerlegging blootgesteld maar juist zo lang mogelijk tegen dat risico beschermd. En er is nog een probleem:

Maar stel je voor dat je een zwarte zwaan vindt, waarom zou je gebonden zijn aan de afspraak dat deze geldt als een weerlegging. Ineens wordt de verleiding levensgroot jezelf uit te roepen tot de ontdekker van een nieuwe vogelsoort.
Die aardse mechanismen, zeer des mensen, daar hoor je in het onderwijs zo weinig over, terwijl het toch de bedoeling is dat school je een beetje voorbereidt op het leven. Er word je nauwelijks geleerd hoe je kennis moet inschatten. Filosofen, schrijvers, en wie niet al... hun reputaties mogen vrijuit blaken in de abstracte ruimte van het handboek. En trouwens, wie zijn de nobele onbekenden die nooit aan de oppervlakte komen in de witruimte tussen twee opeenvolgende gecanoniseerde namen? Waar zijn de grijstinten?

Van Heerden relativeert alle kennissystemen. De filosofie natuurlijk, met haar identiteitscrisissen, vage bemoeienissen met andere disciplines en "onproduktieve idiosyncratieën". Filosofie én aanverwanten, moet ik zeggen.
Zijn wij er wel voldoende op voorbereid dat binnenkort het postmodernisme instort? En niet alleen het postmodernisme, maar ook de psychoanalyse, de hermeneutiek, de tekstgrammatica, de fenomenologie en de narratologie.
Maar ook de wetenschap. Van Heerden duidt op het feit dat de meeste onderzoekers zich gedragen als meedogenloze projectontwikkelaars. Op het feit dat een docent altijd het studieboek voorschrijft dat hij zelf geschreven heeft, zelfs als duidelijk is dat er veel betere studieboeken bestaan.

Zo was er ook het mij onbekende Rosenthal-effect, genoemd naar de onderzoeker Robert Rosenthal [foto], waarbij onderzoekers zich gemakkelijk op sleeptouw laten nemen door hun verwachtingen en onderzoeksresultaten verkeerd interpreteren. Niet eens kwaadwillig.

Ik noem hier ten slotte ook het interessante stuk over het conflict dat Freud en Jung (weliswaar geen wetenschappers) hadden met als inzet de patiënte Sabrina Spielrein, dat beider benepen eigenbelang illustreert. Ook dat had ik graag vroeger vernomen. Op de schoolbanken.

Tegelijk waarschuwt Van Heerden voor het incriminerende effect van historisering, psychologisering en sociologisering van de wetenschapsleer.

En als we met z'n allen al eens een onomstotelijke theorie brouwen, dan moet ook de waarde daarvan niet overschat worden. Een theorie is niet bij machte de waarneming te kleuren:
Dit is het argument van het opgeblazen en kapotgeslagen boterhamzakje. Na afloop van de lunch zie je je tot geestigheid neigende collega zijn lege boterhamzakje opblazen. Je veinst geamuseerdheid, je weet dat je niets kan overkomen, je blijkt een aanhanger van de theorie dat de te verwachten klap volmaakt onschuldig is, maar toch als je de klap waarneemt, beleef je altijd een moment van schrik. Je raakt even gealarmeerd. Dit feit onttrekt zich aan het theoretisch dictaat dat er niets aan de hand is. Als je in deze simpele omstandigheden al niet geleid wordt door een theorie, waarom zou je dan aanvaarden dat alle waarneming theorie-afhankelijk is?
Ook religie, of haar extreemste vorm, moet het ontgelden. Psychologisch gezien, zegt Van Heerden, is het redelijk prettig om tolerant te zijn. Maar het is veel minder prettig om getolereerd te worden. Hij stelt daarom dat de aantrekkelijkheid van het fundamentalisme in "de legitimatie van een woedeuitbarsting ligt", de verrukking van het ongelimiteerd beledigd kunnen zijn.

Tussentijdse conclusie: we maken veel te weinig gebruik van de mogelijkheid "onze metafysische impulsen te sublimeren tot sport, seksualiteit en literaire kritiek".
Een gemeenschap van kerkratten doodt een rat met een andere religieuze geur meteen. Maar in de natuur komt dat niet voor. Zo’n rat wordt uit wreedaardige nieuwsgierigheid door de experimentator in het kerkgebouw geplaatst, waar hij niet thuishoort en waar hij de vluchtroutes niet kent. Maar als wij mensen ons er niet mee bemoeien, komt sektarisme en het uitdragen van een bekrompen heilsboodschap zelfs onder ratten niet voor. De mens weet helaas niet met de metafysica om te gaan. Het natuurlijke vermogen de metafysica tot het uiterste te beperken lijkt verloren gegaan.
Over literaire kritiek gesproken. Een van de mooiste stukken in dit boek is er helemaal aan gewijd. Daarin kaart Van Heerden de bevoorrechte relatie aan die de psychologie onderhoudt met de literatuur. Beide domeinen bestuderen het raadsel van de menselijke geest, de botsing tussen verschillende karakters en grote thema's "als liefde, verslaving, rouw, eenzaamheid, onmacht, krankzinnigheid, radeloosheid, geluk, dood en passie."

Bovendien is lezen een psychische belevenis, denk aan fenomenen als identificatie, afkeer, voorstellingsvermogen, overdracht en projectie. Daarom is het ook zo absurd hoe weinig de literatuur en psychologie zich moeite getroosten hun beider kennisbestand met elkaar in overeenstemming te brengen.
Zou men, gelet op de volkomen willekeur die in de literatuur heerst, de groei van mensenkennis overlaten aan de romanschrijvers, dan ontstaat wat in de linguïstiek creolisering heet, een primitieve taal die zich ontwikkelt bij afwezigheid van enige gemeenschappelijke taal. Mensenkennis die nauwelijks genormeerd is.
Kriskras verspreid in dit boek liggen voorts enkele erg kernachtige statements over de werking van de hersenen. Zaken die heden ten dage in elke populair-wetenschappelijke kolom gemeengoed zijn. De winkel van Daniel Dennett, zeg maar.

De kwestie of het menselijke verstand werkt als een computer bijvoorbeeld, en de parafrase van die vraagstelling: kunnen machines denken? Van Heerden resumeert: bewustzijn is niet hetzelfde als het bezit van een cognitief vermogen, want het omvat minstens ook de beleving van dat vermogen.
Wat onbreekt [bij artificiële intelligentie] is het menselijk bewustzijn, het vermogen pijn te lijden, plezier te beleven aan het nakijken van de rekening aan tafel, aandacht te willen besteden aan het oversteken en op Sartreaanse wijze te walgen van het bestaan.
Daarnaast is er de misvatting die vandaag nog steeds opgeld maakt bij mensen die een paar neurobiologische premisses maar half doordenken. De foutieve indruk dat onze mentale wereld directief is.
Het bewustzijn is dus niet de plek waar alles te zamen komt, in werkelijkheid heerst er een pandemonium, een vertakte activiteit verspreid over vele kanalen […]. Een bepaalde bewustzijnstoestand is de uitkomst van een competitief netwerk waarin die toestand even domineert, uitgelokt door de noden van het moment en de globale staat van het zenuwstelsel.

[...]

We willen [...] het bewustzijn reduceren tot neuronale activiteiten, maar wat we ongemerkt doen is de neuronale configuraties optuigen met intellectuele deliberaties.
Onze hersenen informeren ons niet welke heterogene patronen aan bepaalde beslissingen voorafgingen. Daarbij: onze hersenen passen geen regels toe, maar tonen activitatiepatronen.

Schrikbewind der verzinsels is een boek om cadeau te doen. Lastig evenwel is dat het naar mijn smaak toch te veel naar een zekere incrowd toegeschreven is. Zo wist ik niet goed genoeg waar begrippen als 'kennissociologie' en 'wetenschapsfilosofie' voor staan.

Het bleek een juiste beslissing de dag nadien een paar stukken opnieuw te bekijken. Wanneer je op voorhand weet met welke conclusie de auteur zal eindigen, lukt het beter zijn betoog te volgen.

Voor ik het vergeet, Van Heerdens boek spoorde me aan uit te kijken naar de autobiografie van Paul Feyerabend, Conquest of abundance, die toevallig recent in Nederlandse vertaling werd uitgebracht, bij Lemniscaat, onder de titel Tijdverspilling. Bespreking te zijner tijd.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken

Jaap van Heerden, Schrikbewind der verzinsels
167 p.
Uitgeverij Prometheus, 1996
____

6 opmerkingen:

ijsbrand zei

Ha, een bekeerling.

Achille van den Branden zei

Yep. Zonder Boeklog had het nog ettelijke jaren geduurd eer ik tegen zijn oeuvre was opgebotst.

Al zijn boekjes worden door de Vlaamsche bibliotheek ofwel niet aangekocht, ofwel aanstonds verkast naar het magazijn.

mescaline zei

Jaap van Heerden, tjatjatja. De borstklopperij rond computerschaak was ronduit een vervelende act.Maar je stuk heeft me toch overgehaald om het boek te bestellen en te gaan lezen natuurlijk.

mescaline zei

En inderdaad, veel onderwerpen lijken voor de incrowd geschreven; de stijl in die hoofdstukken is niet zozeer lapidair als wel naam-en-voorbeeldschuwend.

Van Heerden noemt het vak ethologie niet bij naam, maar haalt er nu en dan wel een observatie uit, zoals de redelijk boude stelling dat de mens het altruïsme van de huisdieren heeft geleerd.

Ik heb na lezing van dit werkje toch het gevoel dat ik iets teveel woordenrijk-er-omheen-draaien ben tegengekomen. Een aantal observaties - zoals de theorie van de subliminale strijd om de aandacht van het bewustzijn van verschillende processen - ken ik ook al een tijd.

Je hebt een goede neus voor de fijne brokjes uit dit werk, Achille. Er zijn nog wel twee zeer leesbare en ook boeiende stukken in dit boekje die door jou niet werden genoemd: over Bruno Bettelsheim en de ghettomentaliteit en over de autodidact-filosoof Bolland en zoon. Dat waren plezierige verrassingen.

Het slotstuk over de aanstaande deconfiture van het postmodernisme, de narratologie enz. is een stukje tijdgeest uit 1995. De verwachte heiland als beul heeft zich echter toch nog niet aangediend... ;)

Achille van den Branden zei

Bettelsheim had erin gemoeten, ja, maar sommigen vinden mijn besprekingen nu al te lang.

Met Bolland heb ik niets / ken ik nauwelijks.

U lijkt me een verstandig heerschap, Mesc. Zou de mensheid niet gebaat zijn met een boekenweblogje van uw hand?

Op zijn webstek speelt Ijsbrand al een beetje beul, waar hij geen moment voorbij laat gaan om af te geven op 'modieuze Franse filosofen'. Ik zou dat graag wat nader toegelicht zien van hem.

mescaline zei

Op eigen bestek ? Nee, vooral een klein aantal goede boekbespreekzenders is ideaal voor de zoekende lezer. Hetzelfde geldt voor weblogs waar er al honderden teveel van zijn. Ontmoetingsplaatsen, die hebben we nodig. Daar gooi ik mijn kwartje wel.

Related Posts with Thumbnails