zaterdag 14 juli 2007

In het voorbijgaan - Kees Fens

In tegenstelling tot Leermeesters (1994), Lijden, liefhebben en schrijven (2002) en Dat oude Europa (2004) bevat In het voorbijgaan enkel werk van Kees Fens op de korte afstand. Twee, drie bladzijden hooguit. Terwijl Fens op zijn best is als hem, voor een grondige boekbespreking of de uitvoerige analyse van een gedicht, het drievoudige van die ruimte wordt toebedeeld. Kun je een erudiete column met goed fatsoen een essay noemen?

Kees Fens gaat naar tentoonstellingen, woont klassieke muziekconcerten bij en bezoekt opvallend veel kerken en kloosters — van de Walburgskerk in Zutphen tot de basilica San Apollinare Nuovo in Ravenna. Vaak trekt hij er de plas voor over, immer England’s Thousand Best Churches van Simon Jenkins en The Penguin Dictionary of Saints van Donald Attwater op zak.

De geschiedenis van het klooster is die als van de meeste in Europa: vroege bloei, verval, verwoesting in oorlogen, opnieuw beginnen en ten slotte opgeheven worden in de napoleontische tijd.
En hoewel dat tijdsvak en religieuze kunst en architectuur me over het algemeen niet kunnen boeien, doet Fens me zin krijgen prompt de wereldgeschiedenis van de twaalfde-eeuwse bisschop Otto van Freising antiquarisch te bestellen.

Natuurlijk blijft de literatuur oppermachtig aanwezig in elke Fens-bloemlezing. Hij bezoekt het Maison de Balzac (ook een van mijn favoriete musea) en bewondert aldaar de drukproeven in de vitrinekasten. Voorts vind je in deze bundel een keur aan anekdotes uit schrijverslevens die door Fens in een ruimer verband worden geplaatst.

Wanneer hij bijvoorbeeld droogweg en met gemak de cultuurhistorische pedigree in kaart brengt waaruit Harry Potter stamt (het fantastische gecombineerd met het wrede, dat zo typisch is voor de Engelse letterkunde met auteurs als Caedmon, Shakespeare, Christopher Marlowe, Mary Shelley, Bram Stoker, Tolkien en Lewis Carroll) onderscheidt de homme de lettres Fens zich duidelijk van de zoveelste ordinaire stukjesschrijver.

Fens wekt ook mijn belangstelling voor het oeuvre van Israël Querido en de theorieën van de grote Engelse criticus I.A. Richards, die in de jaren twintig van de vorige eeuw een belangrijk experiment uitvoerde.
Hij legde studenten anoniem gehouden gedichten voor; ze moesten er een geschreven commentaar op geven, inclusief uiteraard een waardering. De uitkomsten waren rampzalig: de grootste dichters werden zwak gevonden en het derde garnituur kreeg eindelijk literaire erkenning. Over methode en uitkomsten publiceerde hij in 1929 een schitterend, geleerd boek.
Op een studiedag over poëzie werd ik ooit eens aan dezelfde test onderworpen, met gelijkaardig resultaat.

Fens' mooiste stukken (misschien bedoel ik daarmee wel: het meest op zichzelf staand) zijn de herinneringen aan Willem Wilmink, Adriaan Morriën en Thomas Rap.

Fens betoont zich afwisselend optimistisch en pessimistisch over de schriftcultuur. Over de uitgave van de verzamelde werken van Erasmus die al sinds 1960 aan de gang is en ongeveer zestig banden zal tellen, noteert hij vrolijk:
Heel weinig of geen particulieren zullen in 2015 de zestig banden in huis hebben, maar ze staan in alle grote bibliotheken van de wereld, die plaatsen van stabiliteit en optimisme. Tot hoeveel nieuwe studies zullen ze leiden?
Maar tegelijk verkeert Fens in rouwstemming bij de aanblik van winkeldochters in de boekhandel: afgeschreven boeken waar kennelijk geen levende lezer voor te vinden is. Het enige wat qua moedeloosheid daaraan kan tippen zijn dissertaties waarvan geen handels- en ook geen electronische editie bestaat: boeken die niemand kan lezen.

Fens overschouwt ten slotte zijn uitpuilende boekenkasten en vergelijkt ze tegen beter weten in met een wijnkelder.
De kelderbezitter is een optimist: eens zal hij de wijn drinken die nu nog in de kelder naar zijn volmaakte gestalte rijpt, naar een ouderdom die jeugd is.
Want ook de grote lezer Fens heeft keuzes moeten maken.
Had ik mijn leesleven maar verstandiger ingericht, dan had ik veel overgeslagen en de hele Aretino kunnen lezen, de hele Bembo ook en nog meer van die groten uit de Italiaanse renaissance.
Daar zal het nooit meer van komen, omdat de oude Nederlandse recensent zich graag overgeeft aan herlezen, waarvan hij hier de zegeningen prijst.
Ik zocht een vertrouwde regel [van Nijhoff, AvdB], ik plaatste het gedicht in het vroege werk, het bleek vooraan te staan en zo passeerde ik een hele reeks ‘Kleine liederen’, ontmoette ik een gitaar spelende page en een zingende troubadour, kwam ik Ravel en Mozart tegen en speelde Claudine enkele keren op de piano.
En ook het literatuurpausdom heeft zijn grenzen.
Tot het vorige seizoen keek ik, altijd om middernacht, naar Zeeman met boeken, vier mensen die in het halfduister literair zaten samen te zweren over vier of vijf boeken, die ik meestal niet gelezen had. Al werd er gelachen, de ernst van analyse en interpretatie drukte zwaar. Naarmate de uitzending vorderde, werd ze vreemder: vier figuren in een grot sprekend over de schaduwen, die boeken in recensies altijd worden.
In het voorbijgaan is een keuze uit de kleinere stukken die eertijds in de Volkskrant verschenen. Het is goed voor de Belgische lezer dat die bloemlezingen blijven komen.

In het slotbetoog betreurt Fens de devaluatie van het genre.
Het woord column is reddeloos; het drijft, steeds weker wordend weg over de wijde wateren van de betekenisloosheid. Voor het weekdier dat het woord columnist is, geldt hetzelfde. Krijgt u wel eens van iemand een slappe hand? De gever moet een columnist zijn.
Eens was ‘column’ een mooi stevig woord, geharnast, gewapend, een wat gevreesd woord ook. Een woord zelfs met prikkeldraad eromheen. Niet of nauwelijks aan te pakken. Alles in de wereld is scheef en de kranten handhaven in de objectiviteit die zij een heer toedenken die scheefheid. Maar in de laatste kolom van een pagina werd de scheefheid zo mogelijk dagelijks rechtgezet; alle zachte meningen gingen in spot en hoon ten onder.
Daar werd even de waarheid gezegd, die de krant zelf niet aandurfde. En dat in de beste taal die er is en dat is de taal zonder nuances, hoewellen, ofschonen, misschienen en maren.
De schrijver van de column ging het om ideeën, om denkwijzen en om alle mensen die de lafheid van de zachte krachten vertegenwoordigen. Over al die meningen en mensen schreef hij. Over zichzelf nooit.
Fens doorstaat zijn eigen stringente definitie met glans. Maar erudiete columns zijn nog geen essays, zoals de ondertitel beweert. Zelfs niet als ze door Kees Fens geschreven zijn.

> lees een fragment uit dit boek op Prins van Denemarken
> meer Fens op Achille

Kees Fens, In het voorbijgaan : kleine essays
224 p.
Athenaeum-Polak en Van Gennep, 2007
____ fenskey nedkey esskey columnskey athenaeum-polak en van gennepkey 2007key

Geen opmerkingen:

Related Posts with Thumbnails